286)Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk:Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek, Leipzig, W. Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.287)De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.288)De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie EbersDurch Gosen, u.s.w. S. 518, Anm. 37.289)Zie Dl. I bl.82.290)Zie Dl. I bl.8. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.291)Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat het oude bergpad werd hernieuwd.292)Van dit meer heeft Karel Werner in zijneNilbildern, in kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeven.293)Numeri XXXIII, 13. Ebers,Durch Gosen, u. s. w. S. 140.294)Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer,The desert of the Exodus, Cambridge 1871.295)Het tegenwoordige Wadi Maghara.296)Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.297)Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14) vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833, door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.298)Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.299)De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. Exodus XVII, 8, vv.300)De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.301)Numeri XXXIII, 13, 14.302)De goden der onderwereld.303)„Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.304)Zie boven bl.371.305)Het latere Berenice.306)Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te Berlijn bewaard.307)Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.308)De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur, dan die van Wadi Maghara.309)Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de turkooizen toegeschreven.310)De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,” „vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.
286)Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk:Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek, Leipzig, W. Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.
286)Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk:Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek, Leipzig, W. Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.
287)De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.
287)De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden, schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.
288)De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie EbersDurch Gosen, u.s.w. S. 518, Anm. 37.
288)De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur. Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie EbersDurch Gosen, u.s.w. S. 518, Anm. 37.
289)Zie Dl. I bl.82.
289)Zie Dl. I bl.82.
290)Zie Dl. I bl.8. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.
290)Zie Dl. I bl.8. De gedenkteekenen, die bij de beide voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat Hathor hier boven alle goden werd geëerd.
291)Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat het oude bergpad werd hernieuwd.
291)Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven, en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat het oude bergpad werd hernieuwd.
292)Van dit meer heeft Karel Werner in zijneNilbildern, in kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeven.
292)Van dit meer heeft Karel Werner in zijneNilbildern, in kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe voorstelling gegeven.
293)Numeri XXXIII, 13. Ebers,Durch Gosen, u. s. w. S. 140.
293)Numeri XXXIII, 13. Ebers,Durch Gosen, u. s. w. S. 140.
294)Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer,The desert of the Exodus, Cambridge 1871.
294)Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke werk van M. A. Palmer,The desert of the Exodus, Cambridge 1871.
295)Het tegenwoordige Wadi Maghara.
295)Het tegenwoordige Wadi Maghara.
296)Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.
296)Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.
297)Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14) vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833, door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.
297)Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14) vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833, door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.
298)Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.
298)Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.
299)De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. Exodus XVII, 8, vv.
299)De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke, volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden. Exodus XVII, 8, vv.
300)De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.
300)De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.
301)Numeri XXXIII, 13, 14.
301)Numeri XXXIII, 13, 14.
302)De goden der onderwereld.
302)De goden der onderwereld.
303)„Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.
303)„Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit. De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.
304)Zie boven bl.371.
304)Zie boven bl.371.
305)Het latere Berenice.
305)Het latere Berenice.
306)Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te Berlijn bewaard.
306)Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te Berlijn bewaard.
307)Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.
307)Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.
308)De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur, dan die van Wadi Maghara.
308)De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur, dan die van Wadi Maghara.
309)Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de turkooizen toegeschreven.
309)Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de turkooizen toegeschreven.
310)De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,” „vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.
310)De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten. Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,” „vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,” „Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.
Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen. De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op, luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te wekken.
»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.
Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe, »voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”
Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van den Amalekiet, aanlandden.
De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts, die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de voetenwasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten, gaf hij hem zijn eigen feestkleed.
Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden, overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.
Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen, niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten hemel.
Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn, dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.
Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”
Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt, waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken. Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in de diepte en de oneindige verte.
Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen, omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur. Uit de oase en de andere dalenaan zijne voeten stegen grijze dampen op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel op.
Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het geschapene; dat hij de godheid nabij was.
Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders. In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.
Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja, daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa311)! Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?
Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op, gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der zee steeds duidelijkerte voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?
Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe312), den wijzer der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden, en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu zoo oneindig klein toe.
»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”
En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! — Gij Eenige! — Gij Eenige!”
Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.
Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.
»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt den waren god.”
Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe313). Ik was nog maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij ingewijd in de leer van den Eenen.”
»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.
Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.
Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich van de zon af.
Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”
»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.
»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”
De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.
Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het jagershuis.
Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden; hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen, en — van welke lippen!
»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.
Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den jager uit.
»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeideWarda. »Ik zal het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had opgericht en den heiligen berg omhelsd!”
»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.
»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo onuitsprekelijk gelukkig!”
»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit reden tot blijdschap geeft.”
»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig zijn en goed.”
De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”
»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan Pentaoer gelijk.”
Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”
»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen. Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk zijn.”
»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.
Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden mond.
Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik zal hem wekken.”
Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij daarmede zijn neus te streelen.
Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en grootmoedig!”
Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende, bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend: »Warda, lieve Warda!”
Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.
Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.
311)De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen. Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de teksten een overvloed van voedsel aangeduid.Vert.312)Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.Vert.313)De Egyptische naam van Mozes.
311)De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen. Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de teksten een overvloed van voedsel aangeduid.Vert.
311)De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen. Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de teksten een overvloed van voedsel aangeduid.Vert.
312)Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.Vert.
312)Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.Vert.
313)De Egyptische naam van Mozes.
313)De Egyptische naam van Mozes.
Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao’s onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase. Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten, die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het waterputten overvielen.
Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was, Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de vrijplaats der Amalekieten binnen.
De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats,waar het dal wijder wordt, en zich om een rotsheuvel314)heenbuigt. Hierachter stond de hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen. Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.
Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe Bent-Anat den dichter vond.
Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder, openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.
Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven voor haar mocht kunnen geven.
Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog verkeerden. Na het eenvoudigmaal kwam de golfslag van ’s dichters ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in hand naar de hut van hun gastvriend af.
Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter. Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.
Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de vorst der woestijn, Abocharabos315), aan Pentaoer, dien hij voor een zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen door zijne manschappen waren neergeschoten.
»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te verschuilen.”
Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des konings te begeven.
Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris316). Behalve Abocharabos,” en hij sloeg op zijne borst, »enzijne vrouw, ken ik geen paar menschen gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm317)gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij op, eer de dag aanlicht.”
Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?
Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar gestorven oom, den vader van den gids Paäker.
Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert’s en mogelijk ook van hare eigene liefde.
De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn, die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan. Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van ’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt, heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”
»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten beste keeren.”
»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout, bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is, klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen ofgenen schipper gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er toe?”
Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager, wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed, als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van het aardrijk lag te smeulen.
Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan, waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.
»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda, waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk gevaar Pentaoer bedreigde.
»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden, naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichterwas van hen, die den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.
»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield. Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: ‚Mij kunnen ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg hij zich tegen het voorhoofd. —
»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizierin een sluwen of een sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden? Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij afscheid genomen.
»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. — In Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben. Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den grooten Mohar, den vader van den gids Paäker.”
Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn verhaal voort.
»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer, want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”
»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert ik in de woestijn was.”
»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”318), verzocht Nebsecht.
»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier op vele plaatsen. — Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig. Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds kent.”
»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.
»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.
De dichter sprak zacht:
„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherânRijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;Geen vezeltje, geen blad dat zich onthultOf ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,Hoe kan in d’armen bodem der woestijnEen plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?En hoe ontwaakt het lang ontslapen liedIn ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”
„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherânRijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;Geen vezeltje, geen blad dat zich onthultOf ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,Hoe kan in d’armen bodem der woestijnEen plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?En hoe ontwaakt het lang ontslapen liedIn ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”
„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherânRijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;Geen vezeltje, geen blad dat zich onthultOf ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,Hoe kan in d’armen bodem der woestijnEen plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?En hoe ontwaakt het lang ontslapen liedIn ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”
»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.
»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het oneindige verliest, geene grenzen.”
»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. »Hier is mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”
»En dat is?” vroeg Pentaoer.
»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is samengesteld!”
»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met eene wedervraag. »Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw kleed minder morsig zijn.”
Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van Egyptische troepen.
Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den dienst van den ouderen Mohar alle wegen en paden in Syriënauwkeurig had leeren kennen, begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In Megiddo319)werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.
Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen; wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der prinses Rameri’s naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben.
Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het heerlijkst loon na den zege.
Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven, verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman, en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.
Warda’s vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was voor zijn wagen”320).
Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem voordeed, met een geopend oog waarnemende.
Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië321). Hij verblijdde zich met eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden. De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen.
Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen. Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.
In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte, en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten.”
Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in staat was zich te verzetten.
Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen. Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken, dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen.
En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? — Maar hij wist dat hij onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat hij; dat kon geen god hem ontnemen.