314)De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het bisdom Pharan.315)Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, door Tuch in Abocharabos veranderd.316)Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl.388.Vert.317)De Semitische naam voor Egypte.318)De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm bedekt. Zie Ebers,Durch Gosenu.s.w., S. 129, 206, 224.Vert.319)Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren en innemen.320)De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië reizenden Mohar medebrachten.321)Koile Syria, het holle Syrië.Vert.
314)De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het bisdom Pharan.
314)De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk van het bisdom Pharan.
315)Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, door Tuch in Abocharabos veranderd.
315)Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht, door Tuch in Abocharabos veranderd.
316)Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl.388.Vert.
316)Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl.388.Vert.
317)De Semitische naam voor Egypte.
317)De Semitische naam voor Egypte.
318)De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm bedekt. Zie Ebers,Durch Gosenu.s.w., S. 129, 206, 224.Vert.
318)De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm bedekt. Zie Ebers,Durch Gosenu.s.w., S. 129, 206, 224.Vert.
319)Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren en innemen.
319)Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren en innemen.
320)De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië reizenden Mohar medebrachten.
320)De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië reizenden Mohar medebrachten.
321)Koile Syria, het holle Syrië.Vert.
321)Koile Syria, het holle Syrië.Vert.
Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling scheen te behooren.
Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend was, naarmate men dichter bij Kadesch322)kwam, ging op verkenning uit. Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.
Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht? Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.
»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol, waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de Mohar zijn Toeat323)noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger zijn.”
Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen, waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan, zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem niet zonder moeite.
Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware regendruppels.
»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. »Nog een half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet bijster raak.”
Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken. Tweemaal meende hij hetverloren te hebben, maar hij gaf zich geen rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij staan en riep Pentaoer bij zich.
»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. — Het is mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. — Ziet gij mij? Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt oprichten. Houd ook uw bijl gereed. ’t Zou kunnen zijn dat zich thans Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. — Mannen, wacht hier op ons! Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen.”
Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau staan.
»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de rechterzijde is een diepe afgrond. — Ik riek rook. — De hand aan de bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal ook de manschappen hierheen brengen.”
De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.
De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb enkele woorden verstaan.”
»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten. Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men opendoen. — Kunt gij wat verstaan?”
»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, »en scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak, hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders, zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. — Klop aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan, zeg ik u!”
De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”
»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer, Noebi?”
De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”
»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om Pentaoer vooruit te laten komen.
De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”
Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den Mohar, red mij, vader!”
Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling! Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd opgevoed.”
De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: „Wie gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen.”
Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.
Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”
»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal gevaarlijk.”
»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.
De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen, langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep hem in zijn wollig haar en hield hem vast.
De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt, zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”
»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit doel op den grond lag.
Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. — Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te verliezen.”
De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust, voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel in.”
»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol, waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden bewaard.
Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en Pentaoer ongeduldig op en neder.
»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.
»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde Horus. »Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische leger komen, dan is alles verloren.”
»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”
»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische vader.”
»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder uw vijand geworden?”
»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende stem. »Toen onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen. Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en nam daareene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder. Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat is... dat vermag...”
De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet. Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart, behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena, die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen. En hij is toch mijn oudste broeder.
»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid, en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed. Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam van onzen vader.
»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in, maar — wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, metPaäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde, vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden ‚Dood aan Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”
»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.
»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”324), ging Horus voort. »Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. — Maar zie, daar vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”
»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”
Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte. Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.
»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich hijgend over den hals van zijn paard.
»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer, daarna ook dat van Horus.
»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s broeder. »Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden. Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der Egyptenaars is de naam vanRamses’ lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den linkervleugel den vijand in den rug te vallen.”
Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord ‚Bent-Anat’ roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af, sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof hij ter bruiloft ging.
322)De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv. op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van Riblat is gelegen.323)De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.324)Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.
322)De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv. op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van Riblat is gelegen.
322)De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv. op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van Riblat is gelegen.
323)De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.
323)De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.
324)Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.
324)Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.
Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was voorbereid.
Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest optrekken.
Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden op over Schabatoen325), ten einde de oostzijde van het meer om te trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe de soldaten uit Neder-Egypte behoorden,was uit Arnam aangekomen en zou het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich als reserve bij den linkervleugel.
De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd. Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in de andere hand, bewaakten het leger326), waar, om talrijke vuren, de rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld. Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen.
In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en ezels moeten laden327). Thans zette men de lichte voertuigen weder in elkaar en smeerde de raderen.
In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings328), die hemin den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne woede te prikkelen.
Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken. Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken, kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen gehoorzaamden het commando van Ramses.
Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden van de goden van Thebe en die van ’s vorsten voorvaderen. Men kon thans reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht. Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene wijnmagazijnen.
De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwden afgebroken worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk, dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was. Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt. Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen, en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren uit dun zilverdraad en zijde gevlochten329).
In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou, ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting, daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd, bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst, terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg.
Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die nu het brood verdeelde, zichtot een vuist zou ballen. Er was aan dezen man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk hart was hem vreemd.
Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe, dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot.
Onder de prinsen zat Chamoes330)het dichtst bij den koning. Hij was van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had, als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het benedeneinde van de tafel plaats genomen.
»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de koning. »Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft, wat de opzichter van Mena’s stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet, maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn plaatsvervanger.”
»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs man, en de helft der priesterschap staat achter hem.”
»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen riep. ’t Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben! Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf, mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met schepels ontneemt, met mudden weder te geven.”
»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond. Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg.....”
»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik naar mijne eigene inzichten. — En nu niet verder over dit onderwerp! Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen word!”
De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te lezen, en zeide: »En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni’s en Ani’s mijn land in den strik — ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in het zand!”
Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, had zijne zware stem geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg. Ramses hief nu den beker omhoog, en riep luide en vroolijk: »Vóor den slag betaamt het ons het hartte verheffen. Roemrijke daden hebben wij volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden wij den roem onzer daden331). Hij die over u gebied voert, is grooter dan alle koningen; hij is het door de goden en door u, zijne dappere medestrijders. Moge de slag van morgen ons nieuwen roem doen oogsten, en de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het vaderland!”
»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!” riepen juichend alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van zijn troon afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat. Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag.”
Het gejuich verhief zich opnieuw, terwijl Ramses aan elk zijner zonen met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan van garden en hofbeambten, die staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner zonen, bewaakt werd.
Eer hij die tent binnenging, liet hij zich eenige stukken vleesch geven, waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal, klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de glimmende schenkels en bepaalde, dat »Noera” en »In Thebe de zege”332)hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig enmet eenige bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten.
»Waarom gebood ik u mij te volgen?” vroeg Ramses ernstig.
Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag.
»Omdat gij hebt opgemerkt,” antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest.”
»En omdat ik wensch,” viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te dikwijls in den slag. Wie van ons valt mag niet boos zijn op den ander, maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek Rameri wat heeft u beiden verdeeld?”
»Ik ben niet langer op hem vertoornd,” antwoordde de aangesprokene. »Gij hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk dáar in Mernephtah’s gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder scherp zwaard in de scheede stak.”
»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld,” sprak nu Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan....”
»Ik weet genoeg,” zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld. Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing vertellen.
»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor het eerst naar het land der Fenchoe333)trok, dat ik haar een steen zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris aanspoelde334). Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. Toen wij Thebe weder binnentrokken, viel mij het verzoek mijner moeder weder in. Jong en onbedachtzaam, gelijk ik toen was, nam ik een steen van den weg op, stak dien bij mij, en toen zij mij om het aandenken van Byblos vroeg, gaf ik haar zwijgend den steen uit Thebe. Zij was er bijzonder mede in haar schik, toonde het kleinood aan al hare broeders en zusters, en legde het bij de beelden onzer voorvaderen. Schaamteen berouw kwelden mij echter, en eindelijk nam ik heimelijk den steen weder weg en wierp dien in het water. Alle dienaars werden saamgeroepen om streng onderzoek te doen naar den dief van dit voorwerp. Toen kon ik het eindelijk niet langer uithouden en bekende alles. Niemand heeft mij gestraft, en toch ben ik nooit zwaarder getuchtigd. Sedert dien tijd veroorloofde ik mij zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen.
»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken, dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel wil worden gelijk de gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!”
De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om den hals en kuste hem.
De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!”
Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses zich tot zijn wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er toch in Thebe geschied?”
Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter eene smartelijke uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee.”
»Dat is te vergoeden,” zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet zoo is als het wezen moest, want ik heb u nog nooit bezorgd gezien over geld en goed. — Spreek vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn. Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den slag mijne paarden ment.”
Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti’s huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat naar den heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd.”
»Ik dacht,” antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan. Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kangeene betere vinden om haar te beschermen, dan juist mijne dochter.”
»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij, voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe, in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien heeft, Nefert bloemen geschonken.”
De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man, dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar schijnt te hebben gelegd.”
»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen huis!”
»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” zeide de koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie.”
Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja, beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert devrouw van een Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten strijde willen trekken!”
Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der Danaërs335), slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!”
»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van mijne hazewinden336), naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas. Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in mij den edelman herkend,behandelde mij ook als zoodanig en liet mij aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou vergelden.
»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te geven.”
»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert aan uwe trouw gelooft!”
»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.
»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes: ‚Dan heeft hij het gewonnen’!”
»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om het antwoord van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen zal. Zijmoetop mij vertrouwen!”