VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

359)De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met „het gewaad der jonge mannen” bekleed is geworden, en dat hij „vervolgens een huis genomen heeft,” of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w. dat hij getrouwd is.360)Deze onderscheiding, die werkelijk „de leeuwenorde” genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig verklaard inZeitschrift der deutschen morgenländischen Gesellschaft, 1876.361)Titel van de pharao’s, die zeer dikwijls voorkomt.362)De Middellandsche zee.

359)De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met „het gewaad der jonge mannen” bekleed is geworden, en dat hij „vervolgens een huis genomen heeft,” of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w. dat hij getrouwd is.

359)De scheepsgezagvoerder Ahmes vertelt in zijne levensbeschrijving, die in den wand van zijn graf te el Kab is uitgebeiteld (regel 6), dat hij met „het gewaad der jonge mannen” bekleed is geworden, en dat hij „vervolgens een huis genomen heeft,” of wel zijn eigen huis heeft gebouwd, m. a. w. dat hij getrouwd is.

360)Deze onderscheiding, die werkelijk „de leeuwenorde” genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig verklaard inZeitschrift der deutschen morgenländischen Gesellschaft, 1876.

360)Deze onderscheiding, die werkelijk „de leeuwenorde” genoemd wordt, viel bijv. ten deel aan den veldoverste Amen em Heb, die onder Thotmes III leefde. Zijn zeer belangrijk grafschrift, door mij ontdekt, heb ik vertaald en uitvoerig verklaard inZeitschrift der deutschen morgenländischen Gesellschaft, 1876.

361)Titel van de pharao’s, die zeer dikwijls voorkomt.

361)Titel van de pharao’s, die zeer dikwijls voorkomt.

362)De Middellandsche zee.

362)De Middellandsche zee.

Terwijl Bent-Anat pogingen in het werk stelde om Warda, nadat zij uit de vlammen gered was, in het leven terug te roepen had Rameri artsen gehaald en was deze gevolgd in de tent van zijne zuster. Daar zag hij met teedere bezorgdheid het half gestikte, nog altijd bewustelooze, doch niet gewonde meisje aan, en greep eindelijk hare kleine hand, om zijne lippen op hare vingertoppen te drukken. Bent-Anat wees hem echter van het meisje terug. Toen bad hij haar met bewogen stem hem niet tegen te gaan, en fluisterde haar in het oor, hoe lief haar redster hem geworden was sedert die worsteling in den doodenstad. Nadat hij uit Syrië was opgebroken, had hij dag en nacht aan haar gedacht, en niemand anders dan Warda verlangde hij tot vrouw.

Bent-Anat schrikte, en herinnerde haren broeder aan de onreinheid, die Warda van vaderszijde aankleefde, eene onreinheid waardoor zij zelve zoo zwaar had geleden. Maar Rameri antwoordde zijne zuster met levendigheid: »De moeder bepaalt in Egypte de afkomst der menschen, de overledene vrouw van den braven Kaschta....”

»Ik weet alles,” viel Bent-Anat hem in de rede. »De arts Nebsecht vertelde ons reeds, dat zij eene stomme krijgsgevangene was geweest, en ik geloof zelfs dat Warda niet van geringe afkomst is, want zij is zoo edel gevormd.”

»En hare huid is zoo zacht als de weeke blaadjes eener bloem,” vervolgde Rameri. »Hare stem klinkt als zuiver goud, en.... Doch zie, zij beweegt zich. — Warda, sla toch de oogen eens op, Warda! Wanneer de éene zon opgaat, dan prijzen wij de goden. — Sla de oogen op! Hoe zal ik jubelen en danken, wanneer beide zonnen te gelijk opgaan!”

Bent-Anat trok haar broeder met een glimlach van de kranke weg, die diep ademhaalde, want een arts was de tent binnen gekomen,om te berichten, dat een warm kruidenbad gereed stond, hetwelk Warda geheel herstellen zou. De prinses beval hare dienstmaagden het bewustelooze meisje te helpen. Zijzelve maakte zich gereed te volgen, toen een bode haars vaders haar ontbood in de koninklijke tent. Zij vermoedde wat deze noodiging te beteekenen had, en verzocht daarom Rameri haar alleen te laten, daar zij zich feestelijk moest kleeden. Warda zou na het bad, gedurende den tijd dat zij afwezig was, aan de zorg van hare vriendin Nefert worden toevertrouwd.

»Zij is vriendelijk en goedhartig, en kent Warda,” zeide Bent-Anat. »De zorg voor dit lieve schepsel zal haar hart goeddoen, nadat het lang gedobberd heeft tusschen diepe smart en langdurig gemis van het huwelijksgeluk. Mijn vader heeft Mena voor eenige dagen verlof gegeven van zijn dienst, en ik liet haar geheel vrij, want het tijdperk, waarin wij elkander noodig hadden, is gisteren afgesloten. Ik denk, Rameri, dat het ons na onze redding uit den schrikkelijken brand zal gaan als den heiligen Bennoe-vogel363), die naar Heliopolis komt om zich te verbranden, doch verjongd en glanzend, zalig en gelukaanbrengend uit zijn asch wederom te voorschijn komt.”

Toen zij alleen was, wierp zij zich voor het beeld harer moeder neder en bad lang. Vervolgens bracht zij een reukoffer op het kleine altaar van de godin Hathor, dat haar steeds vergezelde, liet zich met blijmoedig vertrouwen voor haren vader en ook — zij kon zich dat niet ontveinzen — voor Pentaoer tooien, ging daarop naar Nefert’s tent, om haar te verzoeken voor Warda te zorgen, en volgde eindelijk de roepstem des konings, die, gelijk wij weten, hare goede verwachtingen tot waarheid maakte.

Zoodra Rameri uit de tent zijner zuster buiten kwam, zag hij hoe de wachters een knaapje grepen en medevoerden. Het kind weende bitter en de prins herkende in hem den kleinen beeldhouwer Scheraoe, die hem bij Warda de aanslagen van den stadhouder verraden had, en dien hij ook bij den brand meende gezien te hebben. De schildwachten hadden hem reeds meer dan eens van de tent der prinses weggejaagd, maar hij was altijd teruggekomen. Zijne volharding had het wantrouwen van een officier gewekt, want na den brand liepen er ontelbare geruchten onder het leger van samenzweringen en aanslagen tegen de koninklijke familie.

Rameri zorgde, dat de kleine gevangene terstond weder op vrije voeten werd gesteld, liet zich door hem vertellen, dat deoude Hekt, even vóor haar dood, den roodbaard Kaschta en zijne dochter had uitgezonden om den koning te redden, dat ook hij de soldaten had gewekt, dat hij nu geen tehuis meer had en bij Warda wilde zijn. De prins bracht den kleine zelf bij Nefert, en verzocht haar den knaap te veroorloven de geredde weer te zien, en hem bij haar dienstpersoneel te laten wachten, tot hij van zijn vader zou zijn teruggekeerd.

De artsen hadden Warda’s toestand juist beoordeeld, want in het bad kwam zij weder bij. Men trok haar schoone kleederen aan, en wekte hare krachten op door geesterijke vochten en geneesmiddelen, die men haar liet inademen en drinken. Toen zij hierna in Nefert’s tent werd gebracht, kon Mena, die haar voor de eerste maal zag, zich niet genoeg verbazen over hare treffende en eigenaardige schoonheid. »Zij gelijkt inderdaad de dochter van den vorst der Danaërs, die ik voor haar vader in mijne tent heb bewaard,” zeide hij, »maar zij is jonger en ook nog schooner dan deze.”

De kleine Scheraoe kwam om haar te begroeten en het deed haar genoegen den knaap te zien. Maar zij was droevig gestemd, en hoe goedig Nefert haar ook toesprak, zij bleef toch in zich zelve gekeerd, en van tijd tot tijd rolden er groote tranen langs hare wangen.

»Gij hebt uw vader verloren,” zeide Nefert, om haar te troosten. »Ik verloor mijne moeder en mijn broeder op éen dag.”

»Kaschta was wat ruw, maar goed,” gaf Warda ten antwoord. »Ik zal hem altijd blijven liefhebben. Hij was gelijk aan de vrucht van den doem-palm364). Haar schaal is zoo hard als been, maar wie haar weet te openen, vindt daarin zoete spijs. Nu is hij dood; mijne moeder en grootouders zijn hem voorgegaan, en ik ben als het boomblad, dat ik bij onze vaart hierheen op de zee zag drijven. Ik heb nooit iets zoo eenzaam gezien als dat blad, want geheel gescheiden van alles waarop het betrekking had, dreef het op het vreemde element, waarop nooit iets groeide of gedijen kon, wat op een blad gelijkt.”

Nefert kuste haar op het voorhoofd en zeide: »Maar gij hebt vrienden, die u niet verlaten zullen.”

»Dat weet ik, ja, dat weet ik,” antwoordde Warda nadenkend, »en toch gevoel ik mij thans eerst recht alleen. Toen ik nog in Thebe was, heb ik dikwijls de wilde zwanen nagestaard. Als zij trekken vliegen er eenige vooraan, dan komt de geheele zwerm en ten laatste, dikwijls op zeer grooten afstand, de eene achterblijver na den anderen. Zelfs den laatsten van deze noemik nog geen eenzame, want hij ziet toch nog zijn broeder vóor zich. Maar wanneer een jager de laagvliegende achterblijvers wegschiet en de laatste alleen overblijft; wanneer deze den zwerm niet meer volgen kan, omdat hij dien uit het oog verliest en weet, dat hij hem nooit kan wedervinden en bereiken, dan is hij eerst recht beklagenswaardig. Het is mij zoo wee om het hart als zulk een afgematten vogel, want heden heb ik hen waartoe ik behoor uit het oog verloren, en kan ze nimmer wedervinden.”

»Gij zult in een edeler geslacht dan dat, waartoe gij door uwe geboorte behoordet, worden opgenomen,” zeide Nefert troostend.

Op eens sloeg Warda de oogen vurig op, en zeide trotsch, bijna hoogmoedig: »Mijn geslacht is dat mijner moeder die van hooge geboorte was. Weet gij, waarom ik heden morgen weder ben omgekeerd te midden van rook en vlammen, nadat ik reeds weder de vrije goddelijke lucht had ingeademd? Weet gij wat mij weder terugdreef, omdat het mij der moeite waard scheen daarvoor te sterven? Het was om het erfdeel mijner moeder, dat ik bij mijne feestkleederen had weggelegd, toen ik den slechten Nemoe in het kamp volgde. Ik wierp mij den dood in de armen, om het kleinood te redden, maar waarlijk niet omdat het uit goud en edelgesteenten bestond! Want rijk wil ik niet zijn, en voor mijn onderhoud heb ik niet meer noodig dan een stukje brood, een dadel en eene schaal vol water. — Doch ik waagde mijn leven, omdat het in vreemd schrift een naam bevat, en omdat ik geloof dat het mij met behulp daarvan gelukken zal eens het geslacht te ontdekken, waaruit mijne moeder geroofd is. Nu heb ik dat kleinood verloren, en daarmede mijn stamboom, mijne hoop, mijn geluk!”

Warda snikte luide. Nefert naderde haar liefderijk en vroeg: »Arm meisje, is uw schat een prooi der vlammen geworden?”

»Neen, neen!” riep Warda levendig. »Ik heb het kleinood uit mijne koffer genomen, en hield het in de hand toen Nebsecht mij op de armen nam. Ik had het nog toen ik, gered, daar lag tegenover het brandende gebouw, en Bent-Anat mij verpleegde en Rameri bij mij kwam. Als in eene droom zag ik hem vóor mij. Half ontwaakt greep ik terstond naar het kleinood en voelde het nog tusschen mijne vingers.”

»Hebt gij het dan op den weg hierheen verloren?” vroeg Nefert.

Warda knikte toestemmend. De kleine Scheraoe, die naast haar op den grond neergehurkt zat, stond echter op, en sloop, met teedere en vochtige oogen Warda aanziende, de deur van de tent uit.

Er verliepen uren. Warda staarde zwijgend op den grond. Nefert en Mena zaten hand in hand, en dachten aan hunne afgestorvenen.In de tent was het doodstil, en de droefheid wierp donkere schaduwen over het geluk der wedervereenigde echtgenooten. Van de zijde waar ’s konings tent stond, werd nu en dan het blazen van trompetten gehoord, eerst toen de Aziatische vorsten hun intocht deden in de vergaderzaal, vervolgens toen de vorst der Danaërs zich verwijderde, en eindelijk toen de pharao met de overwonnenen aan tafel ging. De wagenmenner dacht aan zijn meester, aan het eereambt, dat hij door het vertrouwen van zijne vrouw terug had gekregen, en drukte Nefert dankbaar de hand.

Daar kwam beweging voor zijne tent. Een officier trad binnen om Mena mede te deelen, dat de koning der Danaërs en zijne dochter, door koninklijke lijfwachten begeleid, hem en Nefert verlangden te zien en te spreken. De tentdeuren werden terstond wijd geopend. Warda trad bescheiden op den achtergrond, en Mena en Nefert gingen hand in hand hunne onverwachte gasten tegemoet.

De vorst der Danaërs was een man van gevorderden leeftijd. Zijn baard en zijn dik hoofdhaar waren reeds grijs, maar hoewel hij zich bezadigd en waardig toonde in zijne bewegingen, was hij nog levendig gelijk een jongeling. Zijn mannelijk evenredig gelaat droeg reeds menigen rimpel. Zijne groote helderblauwe oogen teekenden opgeruimdheid, maar bij zijn mond vertoonden zich plooien, die getuigden van kommer. Naast hem wandelde zijne dochter, eene jonkvrouw van middelbare grootte, maar edel en gelijkmatig in al hare bewegingen, gelijk haar vader. Zij droeg een lang wit, met purperstrooken omboord gewaad, boven de heupen door een gouden gordel saamgehouden. Hare geelblonde haren, die langs het achterhoofd in dichte lokken op hals en rug nederhingen, waren op het voorhoofd met een diadeem gekroond. Het reine voorhoofd was smal en vormde eene lijn met den fijnbesneden neus. Hare roode lippen gaven haar gezicht eene vriendelijke uitdrukking. Buitengewoon schoon was vooral de harmonie tusschen haar ovaal gelaat en haren sneeuwwitten hals.

Naast dit paar liep een tolk, die elk woord van de bezoekers en die hen ontvingen overbracht. Achter hem wandelden twee mannen en evenzoovele vrouwen, die geschenken voor Mena en zijne gemalin droegen.

De vorst der Danaërs prees de edelmoedigheid van den wagenmenner in warme woorden. »Gij hebt mij bewezen,” zeide hij, »dat de deugden van dankbaarheid, onthouding en trouw ook door de Egyptenaars worden beoefend, hoewel mij, o Mena, uwe verdienste niet zoo groot schijnt, sedert ik uwe vrouw heb gezien. Want wie het schoonste reeds bezit, onthoudt zich gemakkelijk van den wensch het schoone voor zich te begeeren.”

Nefert bloosde en gaf hem ten antwoord: »Uwe grootmoedigheid berooft uwe dochter om mij te verrijken, en de liefde voor mij bewoog wellicht mijn echtgenoot om hetzelfde onrecht te plegen, dat uwe schoone dochter u beiden en mij moge vergeven!”

Praxilla trad haar thans nader, dankte haar en Mena hartelijk, en overhandigde haar den kostbaren diadeem, de gouden ringen en de vreemde parelsnoeren, die hare dienstmaagden droegen. Haar vader verzocht Mena een pantser en een schild van kunstig gedreven zilverwerk van hem te willen aannemen.

Nadat dit voor de tent geschied was, volgden beiden het echtpaar naar binnen, om daar als gasten verwelkomd te worden met brood en wijn. Terwijl haar vader Mena de eer aandeed met hem te drinken, deelde Praxilla met behulp van een tolk aan Nefert mede, welke ontzettende uren zij had doorleefd, toen zij, na gevangen genomen te zijn, met den overigen buit in het leger van Ramses was tentoongesteld, hoe een oud bevelhebber haar reeds voor zich in beslag had genomen, maar Mena haar de hand gereikt en in zijne hut gevoerd had, om haar daar als zijn eigen kind te behandelen. Diepe ontroering klonk er in hare stem, ja zelfs in die van den tolk, toen zij dit alles vertelde en met deze woorden sloot: »Hoe dankbaar ik Mena ben, zult gij eerst recht begrijpen, wanneer ik u mededeel, dat de voor mij bestemde echtgenoot, bij de verdediging van onze legerplaats, voor mijne oogen gewond neerzonk. Hij is thans genezen en bij mijne terugkomst wacht ons de bruiloft.”

»Alzoo mogen de goden het geheugen!” riep de Danaër, »want Praxilla is de laatste telg uit mijn huis. De menschenmoordende krijg ontroofde mij vier zonen, alvorens zij zich eene vrouw hadden genomen, en de vijfde viel door Egyptische handen bij de verdediging van onze legerplaats, die, met zijne vrouw en haar pasgeboren zoon in uwe handen viel. Zoo is Praxilla, mijn jongste kind, het eenige, dat de afgunstige goden mij gelaten hebben.”

Terwijl hij zoo sprak hoorde men de wachters roepen, en boven deze uit eene luide kinderstem. Terstond daarop stormde de kleine Scheraoe met de hand in de hoogte de tent binnen en riep: »Ik heb het, ik heb het gevonden!”

Warda, die zich had teruggetrokken achter het gordijn, waardoor het gedeelte van de tent, dat voor slaapplaats bestemd was, werd afgescheiden, maar niettemin elk woord van den vorst der Danaërs met spanning had afgeluisterd, en hare oogen van de blanke en blonde Praxilla niet had afgewend, trad nu gejaagd en vast besloten midden in de tent. Zij nam den knaap het kleinood uit de hand, om het den vorst te laten zien. Want terwijl zij Praxilla had beschouwd, was het haar geweest alsofzij zichzelve in den spiegel had gezien, en het vermoeden was in haar gewekt, dat hare moeder eene vrouw der Danaërs was geweest. Haar hart sloeg hoorbaar, toen zij bescheiden, met gebogen hoofd en in smeekende houding, den vorst naderde, terwijl zij haar kleinood omhoog hield.

Alle aanwezigen zagen vol verbazing naar den ouden held, want zijne hooge gestalte begon te wankelen. Hij strekte zijne armen tegen Warda uit, als om haar af te weren, en riep, terwijl hij eenige schreden achterwaarts deed: »Xanthe, Xanthe! Laat Hades365), dan zijne schimmen vrij? Wilt gij mij roepen?”

Praxilla zag verschrikt haar vader aan, en niet minder verbaasd op Warda. Plotseling echter gaf zij een gil, die door merg en been drong. Zij rukte een keten van haar hals, vloog naar Warda toe, nam het kleinood uit hare hand en riep: »Hier is het, hier is het, de andere helft van het sieraad mijner arme zuster Xanthe!”

Innig aandoenlijk was het den bejaarden vorst te zien, hoe hij worstelde om zich goed te houden, en met welk eene teederheid hij Warda aanzag. Zijne krachtige handen beefden, toen hij het kleinood van Warda en dat van zijn dochter Praxilla aan elkander paste. Beide stukken geleken elkander volkomen. Elk stelde den vleugel van een adelaar voor, die uitging van een half ovaal, waarop eenige letters stonden. Legde men beide steenen tegen elkaar, dan verkreeg men het beeld van den vogel, die zijn vleugels uitspreidt, op welks borst in sierlijke, op de doorsnede precies aan elkander passende regels, de volgende raadselspreuk te lezen was:

Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.Doch met de tweede vereend, wordt het een liev’ling van Zeus.

Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.Doch met de tweede vereend, wordt het een liev’ling van Zeus.

Eén is een nietig ding, een armelijk pronkend sieraad.Doch met de tweede vereend, wordt het een liev’ling van Zeus.

Een vluchtige blik op deze woorden bewezen den Danaër, dat hij het sieraad in de hand hield, dat hij zijne dochter Xanthe met eigene hand bij haar huwelijk om den hals had gehangen. De andere helft droeg in die dagen hare moeder, waarvan Praxilla het erfde. Het kleinood was oorspronkelijk voor zijne gemalin en hare vroeg gestorvene tweelingszuster vervaardigd geworden.

Voor hij nader onderzoek deed en van alles verklaring vroeg, nam de vorst Warda’s hoofd tusschen zijne handen, richtte haar aangezicht tegen het zijne, en las in hare lieflijke trekken als in een boek, waarin hij verwachten mocht de geschiedenis van de zaligste uren zijns levens te zullen opgeteekend vinden. Het meisjetoonde geen vrees, en weerde hem niet af, toen hij een kus op haar voorhoofd drukte. Zij wist toch, dat zij aan dezen man verwant was.

Ten laatste wenkte de Danaër den tolk. Warda werd gevraagd wat zij van hare moeder wist, en vertelde nu, hoe deze met een knaapje, dat spoedig gestorven was, als krijgsgevangene naar Thebe was gebracht, hoe haar vader haar gekocht en tot vrouw genomen, en al was zij ook stom, haar innig bemind had.

Na dit bericht erkende de vorst in Warda zijne kleindochter, voerde haar in de armen van Praxilla en deed Mena en Nefert mededeelen, dat voor twintig jaren zijn schoonzoon, bij een aanval op de legerplaats, was gesneuveld, en diens vrouw, zijne dochter Xanthe, waarvan Warda het sprekend evenbeeld was, met een knaapje aan de borst was weggesleept. Van schrik over deze gebeurtenis was zijne vrouw gestorven, weinige weken nadat zij hem Praxilla had geschonken. Alle nasporingen naar Xanthe en haar kind waren vruchteloos gebleven. De vorst herinnerde zich echter, dat hij op eene vraag van Egyptenaars, aan wie hij een hoog losgeld had geboden, of zijne dochter stom was, ontkennend had geantwoord. Xanthe had van schrik en smart haar spraakvermogen verloren.

De vorst wist geene woorden te vinden om zijne blijdschap uit te spreken, en Warda werd niet moede hem en zijne dochter te beschouwen en de hand te drukken. Zij richtte zich tot den tolk en vroeg: »Hoe zegt men: ik ben zeer gelukkig?” Lachend sprak zij hem na, en vroeg dan verder: »Hoe zeg ik: Warda wil u hartelijk liefhebben?” Ook dat herhaalde zij, en deze een weinig verminkte volzin klonk zoo innig, zoo diep gevoeld, dat haar grootvader haar aan zijn hart drukte.

In Nefert’s oogen welden tranen van ontroering, en toen Warda zich ook in hare armen wierp, zeide zij: »De verlaten zwaan heeft zijn gezelschap, het eenzame blad zijn boom weergevonden, en kan nu gelukkig zijn.”

Zoo vloog een uur voorbij in de reinste zaligheid. Doch eindelijk maakte de vorst der Danaërs zich gereed om te vertrekken. Hij wilde Warda medenemen, maar Mena verzocht vergunning om den pharao en zijn dochter het gebeurde mede te deelen. Warda behoorde aan de prinses; zij was hem door haar toevertrouwd, en hij mocht haar toch niet aan vreemde handen overgeven, alvorens hij Bent-Anat gewaarschuwd had. Zonder zelfs het antwoord van den Danaër af te wachten, verliet hij de tent en wist zich den toegang te verschaffen, tot het gastmaal des konings. Ons is reeds bekend, dat Ramses hem weldra met Bent-Anat en Rameri volgde. Mena hing onderweg met levendige woorden een tafereel op van de aangrijpende gebeurtenis, die hij zooeven had bijgewoond.

»Zoudt gij bereid zijn,” vroeg Ramses zijn zoon, terwijl hij Bent-Anat zijdelings aanzag, »uw misdrijf goed te maken, en door uwe verloving met zijne kleindochter den vorst der Danaërs voor ons te winnen?”

De prins kon geene woorden vinden, doch hij greep de hand zijns vaders en kuste die zoo onstuimig, dat Ramses haar terugtrok, en zeide, terwijl hij met den vinger dreigde: »Ik geloof, mijn vriend, dat gij ons zijt voorgekomen, en achter onzen rug staatkundige onderhandelingen hebt aangeknoopt!”

Ramses vond zijnen trotschen tegenstander vóor Mena’s tent, en wilde hem de hand reiken. Maar ditmaal was de Danaër reeds voor hem nedergezonken, evenals de andere vorsten, en zeide: »Zie in mij niet den krijgsman en koning, maar den smeekenden vader. Laat ons vrede sluiten en veroorloof mij, dat ik dit meisje, mijne kleindochter, met mij neme naar mijn en haar vaderland.”

De pharao hief den grijsaard op, reikte hem zijne rechterhand en zeide goedig: »Wat gij verlangt, vermag ik slechts voor de helft te vergunnen. Ik, de koning van Egypte, bied u van ganscher harte een vast verbond, een blijvende vrede aan. Wat deze schoone jonkvrouw aangaat, daarover moet gij met mijne kinderen onderhandelen, allereerst met deze mijne dochter Bent-Anat, tot welker vrouwen zij behoort, en vervolgens met dien door u vrijgegeven gevangene daar, mijn zoon Rameri, die Warda als vrouw begeert.”

»Ik draag mijne rechten op mijn broeder over,” zeide Bent-Anat, »en vraag u, jonkvrouw, of gij genegen zijt hem als uw heer te erkennen?”

Warda knikte toestemmend en zag haar grootvader aan met een blik, dien hij ook zonder tolk verstond.

»Ik ken u wel,” zeide de vorst, zich tot Rameri wendende. »Wij stonden tegenover elkander in het gevecht, en ik nam u gevangen, toen gij, bedwelmd door den slag van mijn zwaard, van den wagen zijt getuimeld. Gij zijt nog wat onstuimig, maar de tijd zal dit gebrek verbeteren, wanneer men een held is van uw soort. Hoor mij aan, en ook gij, groote pharao, vergun mij, eenige woorden te spreken. Laat ons deze beiden aan elkander verloven, en moge hunne vereeniging ons verbond bevestigen. Maar vergun mij eerst haar, die ik zoo lang heb moeten missen, een jaar lang bij mij te houden, opdat ik mij in haar verheuge, en van hare lippen de taal hoore harer moeder, die gij mij hebt ontnomen. Zij zijn beide nog jong, naar de zeden van het land der Danaërs, waar mannen en vrouwen later rijp zijn dan in uw land, te jong stellig voor een ernstig echtverbond. Doch er is nog iets gewichtigs, wat ook u voor alles zal doen besluiten mijn wensch in te willigen. Deze dochter van edelen stam is inlage kringen opgevoed. Zij had hier geen huis, geen vaderland. Als aan den weg moest de prins hare hand vragen. Maar wanneer zij mij volgt, dan kan de zoon van den pharao als verloofde het paleis van een vorst betreden, en koninklijk moet de bruiloft zijn, die ik hem bereiden zal.”

»Wat gij verlangt,” antwoordde Ramses, »is billijk en wijs. Neem uw kleinkind mede, als de verloofde bruid van mijn zoon, als onze toekomstige dochter. Reikt beiden mij de handen! Het zal er nu voor u op aankomen geduld te oefenen, want Rameri blijft van heden een vol jaar in Egypte. Dat is tot uw voordeel, lief kind, want de gehoorzaamheid, die hij bij den dienst in het leger zal leeren, zal eens zijn toekomstige gemalin ten goede komen. Voor u, Rameri, zal heden over een jaar, en ik denk dat gij den dag wel niet vergeten zult, in de haven van Pelusium, een goed gebouwd, met Phoenicische matrozen bemand zeeschip gereed liggen, dat u naar het land der Danaërs ter bruiloft mag voeren.”

»Zoo zij het!” riep de grijsaard, »en bij Zeus, die de eeden hoort, ik zal Xanthe’s dochter uw zoon niet onthouden, als hij tot ons komt.”

Toen Rameri in de tent bij zijne broeders terugkeerde, vloog hij elk afzonderlijk om den hals. Zoodra hij met hun knorrigen hofmeester alleen was, nam hij hem de pruik van het hoofd, wierp die hoog in de lucht en streelde den eerwaardigen beambte langs de wangen, terwijl hij hem het hoofddeksel weer opzette.

363)De phenix.364)Doem-palm, Crucifera Thebaica.Vert.365)Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de Grieken.Vert.

363)De phenix.

363)De phenix.

364)Doem-palm, Crucifera Thebaica.Vert.

364)Doem-palm, Crucifera Thebaica.Vert.

365)Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de Grieken.Vert.

365)Hades (Pluto) was de god van de onderwereld bij de Grieken.Vert.

Warda volgde haar grootvader en Praxilla in hunne tent aan gindschen oever van den Pelusinischen Nijlarm, om den volgenden dag de Egyptische legerplaats nog eens te bezoeken, van hare vrienden afscheid te nemen, en zorg te dragen voor de begrafenis van haren vader. Zij vergat ook niet indachtig te zijn aan de laatste bede van de oude Hekt, en het viel Bent-Anat niet moeielijk haar vader over te halen, de tooveres, waaraan hij zooveel dank schuldig was, gelijk hij thans te weten kwam, als eene aanzienlijke vrouw te doen balsemen.

Alvorens Warda het leger van den koning verliet, verzocht Pentaoer haar, of zij haren stervenden redder Nebsecht eene laatste vreugde zou willen bereiden, door zich nog eens aan hem te vertoonen. De jonkvrouw stemde blozend toe, waarop de dichter, die den ganschen nacht bij den arts had gewaakt, haar vooruit ging, om den kranke op haar bezoek voor te bereiden.

Nebsecht leed veel; zijne brandwonden en eene zware kwetsuur aan het hoofd veroorzaakten hem groote smarten. Zijne wangen gloeiden koortsachtig, en de artsen deelden Pentaoer mede, dat er niets meer aan te doen was, en hij reeds binnen een uur kon sterven.

De dichter legde zijne koele hand op het brandend voorhoofd van zijn vriend en sprak hem vriendelijk toe. Doch Nebsecht glimlachte op zijne eigenaardige manier, als wilde hij zeggen dat hij ’t wel beter wist, en zeide zacht en met zichtbare inspanning: »Nog maar enkele ademhalingen, en dan komt er rust, hier en hier,” daarbij wijzende op zijn hart en zijn hoofd.

»Wij allen komen tot rust,” zeide Pentaoer, »doch wellicht alleen, om ons na de doodsure ginds rustiger en zonder inspanning te bewegen. Beloonen de goden ooit iets, dan is het eenredelijk streven naar waarheid en ernstigen arbeid. Vereenigt zich ooit een geest met de wereldziel, om met de oogen der godheid door den sluier te dringen, die hier voor hem het geheim des levens verborgen hield, dan zal het uw geest zijn.”

»Ik heb aan dien sluier getrokken en gerukt,” zuchtte Nebsecht, »en nu mijn oog een deel der waarheid meent te hebben gevat, komt de plompe hand des doods om het te sluiten. Wat baat het mij, met het oog der godheid te zien en in hare alwetendheid te deelen? Niet het aanschouwen, maar het vinden is zalig, zóo zalig, dat ik daarvoor nog een ander leven hier en ginds op het spel zou willen zetten.”

Hij zweeg, want de krachten begaven hem, en Pentaoer verzocht hem dringend zich rustig te houden, en de vriendelijke uren, die het leven hem geschonken had, stil te overdenken.

»Dat waren er maar weinige,” zeide de arts. »Als mijne moeder mij kuste en mij dadels schonk, als ik ongestoord alleen mocht navorschen en arbeiden; wanneer gij mij een blik deedt slaan in uwe schoone wereld, zoo rijk aan verscheidenheid, — ja, dat was schoon!”

»Ook hebt gij,” zeide Pentaoer, »de smarten van vele menschen gelenigd, en niemand leed veroorzaakt.”

Nebsecht schudde even het hoofd en prevelde: »Ik heb den ouden Paraschiet waanzinnig gemaakt en doen sterven.”

Hij zweeg lang, toen sloeg hij de oogen plotseling op en zeide met meer opgewektheid: »Maar toch niet om hem leed te doen; niet te vergeefs. In Syrië, te Megiddo heb ik ongestoord gewerkt. Thans ken ik het orgaan, met behulp waarvan wij denken. Het hart! Wat is dat hart? Het hart van een hamel en van een mensch verrichten dezelfde diensten. Beide brengen het drijfrad van het dierlijk leven in beweging. Beide slaan sneller onder angst en genot, want vrees en droefheid hebben wij met de dieren gemeen. Maar het denken, die goddelijke kracht, die reikt tot het onbegrensde en oneindige, en ons in staat stelt juiste gevolgtrekkingen te maken, heeft hier in het hoofd, heeft hier zijn zetel, hier achter het voorhoofd, in de hersens!”

Hier zweeg hij, uitgeput en door smart overmand. Pentaoer meende, dat hij in koortsachtige overspanning zoo had gesproken. Hij reikte hem een frisschen dronk toe, terwijl twee artsen, onder het zingen van bezweringen, rondom zijn rustbed wandelden.

Toen de kranke zich wat versterkt oprichtte, sprak de dichter: »Het lieflijkste beeld van uw leven was zeker wel dat van het aanvallig meisje, welks aangezicht eens, zooals ge mij zeidet, het orgaan voor het schoone in u had doen ontwaken, en dat gij als een held, met opoffering van uw eigen leven, den dood uit de armen hebt gerukt. Zooals gij weet heeft Warda hare betrekkingenwedergevonden. Zij is gelukkig en haren redder dankbaar en zou hem nog wel eens willen begroeten, voor zij met haar grootvader naar zijn land trekt.”

De kranke aarzelde een oogenblik, eer hij zacht antwoordde: »Laat haar komen. Maar alleen van verre wil ik haar aanschouwen.”

Pentaoer ging naar buiten en keerde spoedig daarop met Warda terug, die blozend en met vochtige oogen aan de deur van de tent bleef staan.

De arts zag haar smeekend en liefderijk aan, en zeide: »Neem mijn dank aan, en wees gelukkig!”

Het meisje wilde tot hem komen, om hem de hand te reiken, maar onrustig weerde hij haar af met zijne verbonden rechterhand, en smeekte: »Kom mij niet nader, maar blijf nog een oogenblik staan. Ach! Gij hebt tranen in de oogen! Gelden ze mij of alleen mijne smarten?”

»U, u, goede, edele man, mijn vriend en redder,” zeide Warda. »U, beste, arme Nebsecht!”

De arts sloot de oogen, terwijl zij innig bewogen deze woorden sprak. Toen hij zweeg, verhief hij nog eens den blik, zag haar lang vriendelijk en met bewondering aan, en sprak zacht:

»Nu is het genoeg! Thans wil ik sterven.”

Warda verliet de tent; Pentaoer bleef echter bij hem, en gaf nauwkeurig acht op zijne reutelende ademhaling.

Plotseling richtte de kranke zich overeind, en zeide: »Vaarwel, vriend! De reis begint, wie weet waarheen?”

»Zeker niet naar het ledig niets!” sprak Pentaoer met warmte.

De arts schudde het hoofd en zeide: »Ik was toch iets en uit iets kan nimmer niets worden. De natuur is spaarzaam en weet als eene zuinige vrouw huis te houden. Van het kleinste maakt zij gebruik. Ook mij zal ze verbruiken, al naardat ze mij noodig heeft. Overeenkomstig maat en getal doet zij alles zijn doel bereiken, zoo ook mijn aanzijn in dit en in een volgend leven. Er is niet aan te ontkomen. Uit elk ding wordt, wat er uit worden moet — niemand vraagt naar onzen wil. — Mijn hoofd! — Zoodra het hierboven drukt, is ’t met het denken gedaan! — Kon ik maar doorgronden — doorgronden....”

Deze laatste woorden kwamen al zachter en zachter over zijne lippen, zijne ademhaling werd afgebroken. Weinige oogenblikken later sloot Pentaoer hem, diep ontroerd, de oogen toe.

Toen de dichter de tent van den gestorvene verliet, ontmoette hij den opperpriester Ameni, die wel verwacht had hem bij zijnvriend te zullen vinden. Pentaoer keerde nu met den bestuurder van het Seti-huis tot den doode terug. Ameni sprak haastig en gejaagd eenige gebeden uit voor het heil van Nebsecht’s ziel, en verzocht Pentaoer daarna hem onverwijld naar zijn verblijf te volgen. Met de hem eigene voorzichtigheid bereidde hij onderweg den dichter voor op eene ontmoeting, die hem meer droeve dan blijde, in elk geval diep aangrijpende uren zou doen doorleven.

De rechters van Thebe, die verplicht waren vrouwe Setchem, als moeder van hem die den koning had verraden, tot verbanning naar de bergwerken te veroordeelen366), hadden deze aanzienlijke en achtenswaardige matrone ongevraagd toegestaan, onder toezicht van veiligheidsbeambten den koning te gemoet te reizen, en deze bij zijne terugkomst in Egypte een smeekschrift voor haar zelve, niet, zooals er uitdrukkelijk werd bijgevoegd, voor Paäker te overhandigen. Zij was echter vertrokken met het heimelijk voornemen, niet voor zichzelve, maar voor haar zoon te smeeken. Ameni had Thebe reeds verlaten, toen dit vonnis werd uitgesproken; hij zou het anders hebben teruggehouden, door den rechter de ware afkomst van Paäker te openbaren. Nadat hij den stadhouder had opgegeven, behoefde hij het geheim van de oude Hekt niet langer te bewaren.

De reis van vrouwe Setchem had door averij aan haar schip bij een storm op den Nijl eenige vertraging ondergaan, en zoo gebeurde het, dat zij eerst na den koning te Pelusium kwam. De mond van het Nijlkanaal, dat bij deze vesting zich met de zee vereenigde, was zoo vol met schepen van den stadhouder en zijn gevolg, van de feestgezanten en van edelen en burgers, die uit alle deelen des lands waren saamgestroomd, om den koning en zijne troepen te ontvangen, dat de boot der matrone ver van de stad verwijderd voor anker moest komen. Eerst weinige uren geleden was het haren trouwen hofmeester, die haar begeleidde, gelukt den opperpriester te spreken.

Vrouwe Setchem was zeer verouderd. Het oog, dat nog weinige maanden geleden de groote huishouding in Thebe rustig overzag en bestuurde, was nu mat en levenloos. Al was zij niet vermagerd, zij zag er toch niet meer zoo statig uit als weleer, maarzwak en ziekelijk. Hare lippen, die zich zoo dikwijls geopend hadden tot menig verstandig woord, waren vast op elkander geklemd, en bewogen zich slechts om te bidden, of wanneer een vriend den naam noemde van haren ongelukkigen zoon. Zijne daad, dit ontveinsde zij zich niet, verdiende afschuw, en zij zocht geene gronden om haar te verontschuldigen. Hare moederliefde kon hem echter wel vergeven. Zoo dikwijls zij aan hem dacht, en dit deed zij zonder ophouden bij dag en in hare slapelooze nachten, baadden hare gevoelige, thans reeds lijdende oogen in tranen.

Haar boot kwam te Pelusium juist in dezelfde ure voor anker, waarin de vlammen van het brandende paleis den nacht begonnen te verlichten. De vuurgloed en het geschreeuw op de haar omringende schepen riepen haar op het dek. Zij vernam dat het brandende huis niets minder was dan het prachtig gebouw, dat de stadhouder voor Ramses had opgericht. De koning, zoo zeide men, verkeerde in doodsgevaar en verraders hadden den brand aangestoken. Toen het dag geworden was, klonken haar onder verwenschingen de namen van haar zoon en hare zuster in het oor. Zij vroeg niet, zij wilde niets hooren, maar vermoedde de waarheid. Zoo dikwijls men, nadat zij zich in hare kajuit had teruggetrokken, het woord verraad in hare nabijheid uitsprak, gevoelde zij in haar duizelend hoofd een pijnlijken steek, en overviel haar eene kille huivering.

Gedurende den ganschen volgenden dag had zij spijs noch drank gebruikt, en lag zij met geslotene oogen op haren divan. Haar hofmeester, die weldra te weten kwam welk treurig aandeel zijn voormalige meester aan deze brandstichting had genomen, en nu ook vrouwe Setchem’s zaak verloren achtte, had zich intusschen naar Ameni begeven. Maar de opperpriester behoorde tot hen die steeds in ’s konings nabijheid waren, en eerst een dag later gelukte het hem dezen te spreken.

Ameni sprak den trouwen beambte, die zoo bekommerd was en beangst, nieuwen moed in, reed hem met zijn eigen wagen naar de haven, besteeg het schip van vrouwe Setchem en beproefde haar voor te bereiden op de vreugde, die haar na zulk eene zware beproeving wachtte. Doch hij was te laat gekomen, want de geest der matrone was beneveld. Zij hoorde hem onverschillig aan, toen hij al zijne krachten inspande, om haar moed te verlevendigen. Alleen viel zij hem nu en dan in de reden met de vraag: »Heeft hij het gedaan?” of »Leeft hij nog?”

Ten laatste noodigde Ameni haar uit hem in haar draagstoel naar de legerplaats te volgen, waar zij haar zoon zou vinden. Pentaoer geleek sprekend op haar gestorven echtgenoot, en het gezicht van den dichter, dacht de kenner der ziel, zou de sluimerende krachten van haar geest op nieuw wekken. In zijne tentgekomen, verhaalde hij haar zoo omzichtig mogelijk de geschiedenis der verwisseling van haar zoon Pentaoer met Paäker. Zij volgde hem met schijnbare opmerkzaamheid, maar toch zoo, als hoorde zij de lotgevallen van een vreemde verhalen. Toen Ameni begon te spreken over ’s dichters geest en gaven, en hoe hij geleek op haar gestorven echtgenoot, prevelde zij: »Ik weet het, ik weet het; gij bedoelt den redenaar van het feest van het dal.” Daarna vroeg zij weder, ofschoon zij reeds meermalen gehoord had dat haar zoon dood was, of Paäker nog leefde.

De opperpriester verliet haar eindelijk om Pentaoer te roepen. Wij weten hoe hij hem vond vóor de tent, waarin zijn vriend Nebsecht de eeuwige rust was ingegaan. Toen hij met den dichter, die inmiddels was voorbereid op eene ontmoeting met zijne ware, zeer kranke moeder, zijne tent binnentrad, vond hij haar verlaten. Zijne dienaars deelden hem mede, dat vrouwe Setchem zich door den ouden Gagaboe, die gemakkelijk was om te praten, naar het lijk van Paäker had laten brengen. Ameni werd boos, want hij vreesde dat vrouwe Setchem nu verloren zou zijn. Hij verzocht den dichter hem te volgen.

In eene tent, die bij het tooneel van den brand was opgeslagen, lag het stoffelijk overschot van den gids. Zijn lijk was onder een laken verborgen, dat echter de breede trekken van zijn aangezicht, hetwelk bij den val ongedeerd was gebleven, onbedekt liet. Naast hem knielde de ongelukkige matrone.

Daar zij de stem van den opperpriester niet hoorde, legde hij zijne hand op haar schouder en zeide, op het lijk wijzende: »Deze was de zoon van een tuinman. Gij hebt hem trouw opgevoed, al ware het uw eigen kind geweest. Maar de echte erfgenaam van uw edelen echtgenoot, het kind dat gij onder uw hart hebt gedragen, is deze jongeling, is Pentaoer, dien de goden niet enkel de gedaante, maar ook den geest en de gaven zijns vaders hebben geschonken. Om uwer goedheid wil moge dezen doode het kwaad vergeven worden. Maar gij zijt uwe liefde verschuldigd aan dezen echten zoon van uw gemaal, dezen edelen man, den redenaar van het dal-feest, den redder van het leven des konings.”

Toen stond vrouwe Setchem op, ging naar Pentaoer toe, zag hem aan met een glimlach, betastte zijne borst en zijn aangezicht, en zeide: »Hij is het, de goden mogen hem zegenen!”

Pentaoer wilde haar met zijne armen omvatten, maar zij week terug, als vreesde zij zich aan trouwbreuk schuldig te maken, keerde zich haastig om naar het lijk en prevelde »Arme, arme Paäker!”

»Moeder, moeder, erken toch uw zoon!” riep Pentaoer, hevig ontroerd.

Andermaal keerde zij zich om, en zeide: »Dat is zijne stem, ja, dat is hij!”

Zij naderde Pentaoer weder, leunde zich tegen hem aan, greep zijn tot haar nedergebogen hoofd, kuste hem hartelijk op de lippen, en riep nog eens: »De goden zullen u zegenen!” Toen vloog zij weder naar het lijk, als had zij een onrecht jegens Paäker begaan, en zonk daar ineen.

Roerloos zonder te spreken, bleef zij liggen, totdat men haar naar hare boot terugdroeg. Daar legde zij zich neder en weigerde alle voedsel. Van tijd tot, tijd prevelde zij nog: »Arme Paäker!” en eer Pentaoer, die niet van hare zijde week, ofschoon zij hem niet meer kende, haar verliet, was zij haren ruwen lieveling gevolgd naar gindsche oorden.

366)Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien, dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne kinderen benadeelen, „noch zijne moeder dooden zou.”

366)Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien, dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne kinderen benadeelen, „noch zijne moeder dooden zou.”

366)Agatharchides (Diodorus III, 12) bericht, dat menigmaal niet enkel zij, die schuldig waren bevonden, maar ook hunne aanverwanten tot dwangarbeid in de bergwerken werden veroordeeld. Bij het verdrag van uitlevering, dat de koning der Cheta met Ramses II sloot, wordt er uitdrukkelijk in voorzien, dat de naar Egypte teruggevoerde vluchteling ongestraft moet blijven, dat men noch zijn huis, noch zijne vrouw, noch zijne kinderen benadeelen, „noch zijne moeder dooden zou.”

De koning had de legerplaats opgebroken, en was met het grootste deel van zijne troepen verhuisd naar het nabij gelegen Tanis, de Ramses-stad, die de talrijke in het landschap Gosen wonende Semieten, Zoan noemden. De Hebreeuwsche kolonisten, die de stadhouder Ani voor zich had trachten te winnen, door de hun opgelegde heerendiensten te verlichten, werden thans met gestrengheid opgeroepen tot de werkzaamheden, die verricht moesten worden, om de paleizen en vestingen te voltooien, die Ramses was begonnen te bouwen. Te Tanis werd ook het vredes-verdrag onderteekend, dat de gezant van den koning der Cheta, Tarthiseboe, in naam van zijn heer, den pharao op eene zilveren plaat gegraveerd overhandigde367).

Pentaoer volgde den koning, nadat hij zijne moeder de oogen gesloten en haar lijk naar Heliopolis gebracht had, om het daar te doen balsemen. Hare mummie zou vandaar naar Thebe gezonden en later plechtig in het familiegraf worden bijgezet. Het vervullen van dezen kinderplicht jegens eene moeder en de zorg voor de dooden was den Egyptenaren zóo heilig, dat Pentaoer noch Bent-Anat aan hunne vereeniging mochten denken, voordat hieraan was voldaan.

Den 21stenTybi van het een-en-twintigste jaar der regeering van Ramses368), juist op den dag der onderteekening van het vredes-verdrag, kwam de dichter naar Tanis terug. Zijn hart was van weemoed vervuld, want ook de hovenier, Paäker’s vader, die Pentaoer had lief gehad alsof het zijn eigen vader was geweest, was, vóor hij in Egypte terugkwam, gestorven. De brave man had de valsche tijding van den dood des dichters, die hij innig liefhad en eerde, en voor een hooger wezen hield, dat hem slechts was toevertrouwd, niet lang overleefd.

Zeven maanden na den brand te Pelusium, vierde Pentaoer in het paleis van den pharao te Thebe zijn bruiloft met Bent-Anat, die zich nog vaster aan hem gehecht gevoelde, na al het leed hetwelk hem was wedervaren. Zij gevoelde, dat zij thans hem, den sterken man, moest helpen en geven van het hare. Zij ondervond thans met blijdschap, dat, evenals het licht de kelkjes opent van menige bloem, die zich bij zonsondergang sluiten, zoo ook hare nabijheid in staat zou zijn aan de gedrukte ziel van haar vriend nieuwe veerkracht te geven.

Onder beproeving en strijd hadden zij elkander prijs moeten geven om elkander weder te vinden. Ieder van hen wist, wat de ander hem of haar waard was. Het doel van hun leven was voortaan elkander liefde te bewijzen en het leven aangenaam te maken. Daar zij van hem overtuigd was, gelijk hij van haar, dat niets hooger hij hem stond aangeschreven, dan wat recht is en edel, zoo werd hun huwelijk tot eene waarachtige verbintenis, die de harten loutert en rein geluk schenkt. Hij maakte haar deelgenoote van zijne heiligste gedachten en moeielijkste ondernemingen, en toen hun echt eerlang met kinderen werd gezegend, wist zij hem dankbaar de kleine genoegens des levens te bereiden, die tevens als de grootste te beschouwen zijn.

Daar hij van den pharao groote bezittingen had ontvangen, liet Pentaoer het erfgoed zijner familie over aan zijn broeder Horus, dien Ramses voor zijn moedig optreden in den slag bij Kadesch, tot eersten Mohar benoemd en vorstelijk beloond had. De afgezaagde cederboomen aan de hooge poort van zijn huis, liet Horus door minder trotsche masten vervangen.

De ongelukkige Hoeni, onder wiens naam Pentaoer in de bergwerken van het Sinaïtisch schiereiland had gearbeid, werd door tusschenkomst van den dichter uit de steengroeven van Chennoe bevrijd, en, overladen met geschenken, aan zijne kinderen teruggegeven.

De pharao doorzag snel welke buitengewone gaven Bent-Anat’s echtgenoot bezat. Hij gaf Pentaoer eene plaats in zijn raad, en vertrouwde hem de gewichtigste aangelegenheden toe. Bent-Anat bleef tot zijn ouderdom zijne uitverkoren dochter, ook nadat hij, tot bevestiging van den vrede, met de dochter van den koning der Cheta in het huwelijk was getreden.

Uit de papieren, die men in Ani’s tent gevonden had, en andere berichten, die in overvloed tot hem kwamen, kwam de koning te weten, dat het hoofd van het Seti-huis, en met hem een groot deel der priesterschap, een tijdlang gemeene zaak had gemaakt met den trouweloozen stadhouder. Hoewel aanvankelijk geneigd om streng, ja bloedig te straffen, liet hij zich door Pentaoer en zijn zoon Chamoes, den opperpriester van Memphis, overhalen, om zijn wil door zachtere en tegelijk doortastende maatregelen te doen eerbiedigen.

Ramses wilde een beschermer zijn van den godsdienst, die alleen in staat is den nederigen en zwaarbeproefden te verzoenen met zijn bestaan, hem te vertroosten en aan zijn leven een geestelijken inhoud te geven. De godsdienst scheen hem, den koning, een onontbeerlijk middel te zijn, om de hoogere beteekenis van het leven steeds voor oogen te houden. Dit heilig erfdeel zijner vaderen kwam hem voor bovenal nuttig te zijn als eene school waarin het volk, dat geleid moest worden, gehoorzaamheid leeren kon. Maar ieder Egyptenaar moest zich schikken naar de wet, waarvan hij zich de verdediger noemde, waaraan hijzelf zich onderwierp, en die gehoorzaamheid beval aan zijnen wil. Ook de priesterschap van het land, die over de zielen waakte, mocht haar niet weerstreven.

Reeds gedurende zijn verblijf in Tanis liet hij Ameni en zijn aanhang gevoelen, dat hij alleen in Egypte gebood. Ondanks het stoutmoedig verzet van de priesterpartij, die zich de »rechtgeloovige” noemde, liet hij voor den god Seth, dien de Semieten sedert de dagen der Hyksos boven alle andere goden vereerden, onder wiens naam zij hun Baäl aanriepen369)en voor wien men in den ouden tijd aan den Nijl geen tempel had gebouwd, omdat hij eene buitenlandsche godheid was, een prachtig heiligdom oprichten, in de Ramses-stad Tanis370), om ook aan de godsdienstige behoeften der vreemdelingen recht te laten wedervaren. Op grond van dezelfde beginselen van verdraagzaamheid, liet hij de plaatsen, waar vreemde goden werden vereerd, onaangetast.

Overigens was het zijn ijverig streven, de Egyptische godendoor buitengewone vrijgevigheid te eeren. In de meeste groote steden des rijks liet hij tempels bouwen. Hij deed den Ptah-tempel te Memphis vergrooten en tot aandenken aan zijne redding uit den brand twee kolossale beelden vóor zijne pylonen oprichten371). In de Nekropolis van Thebe liet hij, tot herinnering aan de ure, waarin hij voor Kadesch als door een wonder aan den dood was ontkomen, het statig gebouw oprichten, dat heden nog ieder die het ziet in verrukking brengt door de harmonie zijner deelen372). Op zijne pylonen werd de slag hij Kadesch in voortreffelijke reliefs afgebeeld, en hier zoowel als aan den architraaf van de groote feesthal, bewaren opschriften de heugenis van het gevaar waaraan hij ontkwam, toen hijalleen stond onder duizenden.

Het lied dat Pentaoer te Pelusium gezongen had, werd door Bent-Anat’s gemaal op bevel van Ramses opgeschreven. Op drie tempels, en in verscheidene elkander aanvullende papyrus-rollen373)is het broksgewijze bewaard gebleven. Het was bestemd het nationale epos, de Ilias der Egyptenaren te worden.

Pentaoer viel de vereerende opdracht ten deel, de hoogeschool van het Seti-huis over te brengen naar den nieuwen gelofte-tempel, die den naam van het »Ramses-huis” ontving. Alles moest door hem opnieuw geregeld worden, want de pharao gevoelde, dat het volstrekt noodzakelijk was een nieuw priestergeslacht te vormen, en de dienaars der godheid te gewennen hunne eigene wenschen ondergeschikt te maken aan de wetten van het land en de verordeningen van den koning, die de wet beschermt en uitvoert.

De dichter werd aan het hoofd gesteld van de nieuwe school, welker bibliotheek, die den naam ontving van »Gezondheidsinrichting der ziel”374), haars gelijke niet had. Aan deze academie, die het model is geweest van het latere Museum van Alexandrië, werden geleerden en dichters gevormd, wier werken eeuwen hebben overleefd en voor een deel tot ons gekomen zijn. De beroemdste van dezen zijn de hymnen van Pentaoer’s meest geliefden leerling, Anana, en het sprookje van de beide broeders, hetwelk een kleinzoon van den ouden Gagaboe, die denzelfden naam droeg, vervaardigde.

Ameni bleef niet in Thebe. Ramses wien ter oore was gekomen welk gebruik de opperpriester gemaakt had van het omkomen van den ram, dien hijzelf aan Amon had geschonken, en hoe hijhet hart van het dier heilig had verklaard, verplaatste hem, ofschoon hij hem zijne waardigheid en zijne inkomsten liet, naar Mendes, de stad der heilige rammen in de Delta, aangezien hij, zooals de koning niet zonder schamperheid opmerkte, toch had getoond met deze heilige dieren bijzonder vertrouwd te zijn. Ook te Mendes wist Ameni grooten invloed uit te oefenen. Ondanks veel verschil van meening, dat hen dikwijls van elkander dreigde te vervreemden, bleef hij tot het laatst door banden der vriendschap aan Pentaoer verbonden.

In den eersten voorhof van het Ramses-huis staat nog heden ten dage, de in het midden doorgebroken grootste kolos van Egypte. Hij bestaat uit hard graniet, overtreft in omvang zelfs de bekende Memnon’s beelden, en wekt de verbazing van alle reizigers. Hij stelt Ramses den groote voor. De kleine Scheraoe, dien Pentaoer tot beeldhouwer liet opleiden, heeft dit en vele andere standbeelden van den grooten opperheerscher over Egypte voltooid.

Een jaar na den brand van Pelusium vertrok Rameri naar het land der Danaërs, vierde zijn bruiloft met Warda, en bleef vervolgens wonen in het vaderland van zijne gemalin, waar hij, na den dood van haar grootvader, als koning over vele eilanden van de Middellandsche zee gebied voerde, en de stamvader werd van een groot en roemrijk geslacht. Warda’s naam bleef lang onder hare onderdanen in gezegend aandenken, want onder ellende geboren, verstond zij de kunst om te verzachten, en zonder te deemoedigen wel te doen en gelukkig te maken.


Back to IndexNext