ZEVENDE HOOFDSTUK.

177)De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen, die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken, maar waren grooter dan deze. Zie boven blz.90.178)Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te Dendera.179)Zie boven, blz.4.180)Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van aanzienlijke Egyptenaars.181)In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.182)In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal wordt gesproken van het africhten van valken.183)Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven, waarop Ramses III — niet Ramses II — voorkomt met zijn dochter dit spel spelende.184)Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens wederkeert.185)De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten krijg trekt.186)De beide emblema’s, die in de handen der pharao’s en van vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te houden en aan te drijven.

177)De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen, die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken, maar waren grooter dan deze. Zie boven blz.90.

177)De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen, die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken, maar waren grooter dan deze. Zie boven blz.90.

178)Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te Dendera.

178)Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld opschrift te Dendera.

179)Zie boven, blz.4.

179)Zie boven, blz.4.

180)Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van aanzienlijke Egyptenaars.

180)Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van aanzienlijke Egyptenaars.

181)In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.

181)In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.

182)In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal wordt gesproken van het africhten van valken.

182)In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal wordt gesproken van het africhten van valken.

183)Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven, waarop Ramses III — niet Ramses II — voorkomt met zijn dochter dit spel spelende.

183)Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven, waarop Ramses III — niet Ramses II — voorkomt met zijn dochter dit spel spelende.

184)Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens wederkeert.

184)Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens wederkeert.

185)De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten krijg trekt.

185)De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten krijg trekt.

186)De beide emblema’s, die in de handen der pharao’s en van vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te houden en aan te drijven.

186)De beide emblema’s, die in de handen der pharao’s en van vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te houden en aan te drijven.

Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet, onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar, waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde, sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.

Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht van hem af.

Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de hut dragen?”

»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk komen.”

Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder achteruit gaan?”

»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.

»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.

»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij weder bij mij was!”

Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een menschenhart betrapte.

Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”

Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen te blaffen, greep hij den vuurboor187)en stak eenige voor de hand liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde,nam thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun gilde188)op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep, waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer. Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij, die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag, paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding teekende.

»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.

Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal. Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.

»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders eindelijk voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”

»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar slechts haar trouwe dienaar.

Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in,” fluisterde hij den arts toe: »neem heter uit en geef mij den zak terug; want mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”

Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den uitgang in den dag’189)in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw een onbekommerden ouden dag hebben.”

De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend bij, »als het meisje gezond wordt.”

»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij echter mijn geschenk...”

»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de Paraschiet hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”

Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.

Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en uien190)voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen. Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had hij geen bete broods geproefd.

Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe handen gekomen?”

»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk eene groote zonde begaan!”

»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik ze ontmoet, zal kunnen genezen.”

De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen: »Spreekt gij waarheid?”

»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er geen twijfel kon overblijven.

»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe hulp.”

»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt weggenomen.”

»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen, nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.

»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel. Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.

»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet moesten later in kostbare albasten kanopen191)worden bewaard; die van den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd. Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals gij, zoolang zij wandelde op den rugvan Seb192); wellicht zal zij genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne, fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en verwisselde het hart van den hamel met het zijne.

»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën193)in zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de Amenti194)beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”

Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik zou gekozen hebben als gij. — Neem nu dit water, verdeel het in vier deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen195). Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn. Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster196)is ondergegaan, breek ik op, want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis.”

Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek meteen groote bloedvlek zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen haken197)bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar zijn treurigen arbeid te verrichten.

De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte. Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort, naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de Kolchyten198)binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten, Taricheuten199), wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke begrafenis200).

In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblikbewogen zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen. De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw, Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs ontboden.

De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën, zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken, gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren201), die men gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten, of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken aarde202), bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden203); alsmede zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes, of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel, welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen204).

De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde, waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der balseming, en kozen uit de voorhanden modellende kostbaarste kisten. De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen, in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath205), alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders, zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen206), insgelijks daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken, daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve de steenen sarkophaag, een last zilver kosten207).

De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten van het huis der balsemers, — want de prijzen vond zij zoo ongehoord hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak — barstte zij van tijd tot tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen, evenals van het linnen uit hunne weverijen.

Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder, die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden, die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende, en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën, bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.

De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders, bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang, massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden, gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden. Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk waren, droegen maskers van de goden der onderwereld208). Een anubis met den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen.Knaapjes, met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd. Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie, scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht, want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.

Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den koning der goden zelven209). Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel, wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan het feestvieren waren geweest, wolven210)waren ingebroken inden stal van de heilige rammen211)der godheid. Sommigen waren den dood ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes212)ten geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren213), was door de soldaten, die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden, geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.

De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten, Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den oostenwind werd overgedragen.

»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten! De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een veeg, zeer veeg teeken!”

»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”

De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”

De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen, waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar draagstoel, die aan de poort stond te wachten.

De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht. Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen, waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was, kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.

Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek, dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan; want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de lijkentafel. Onwillekeurig vroeghij zich af, hoe hij te moede zou zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen. Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen hart niet te duur betaald zou hebben. En toch — hij had in zijn langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de rechtvaardiging niet mochten onthouden.

Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren, kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.

Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal, waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den profeet Roeï gelegd had.

De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had behandeld.

Pinem stamelde een toestemmend antwoord.

Of dit dan het hart van Roeï was?

De oude knikte bevestigend.

De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den overste aller Kolchyten.

»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten. Geeft hier! — Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart van een ram.”

»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde destellige verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”

»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook hierboven ergens geslacht, en....”

»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”

»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig, Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier een wonder is geschied.”

»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”

»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons dan heengaan!”

Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer behoedzaam in zijne armen.

De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was, om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis gaf214).” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnenverbijsterd werden. Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een lijk afnemen215), beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat was het mes te gebruiken.

187)De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te duiden.188)Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers, en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten gekomen.189)Zie boven blz.169.190)De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas, uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000 gulden, verbruikt zijn.191)Zie boven blz.168.192)De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden, zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.193)Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het hart handelen.194)De onderwereld.195)Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten dikwijls voorkomt.196)De Sirius of Sothis ster.197)Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.198)Naam van het geheele gild der balsemers.199)Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.200)Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de l’embaumement. — Uit dit ritueel van de balseming hebben wij vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee mummiën te Praag.201)Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien. De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek gewijd.202)Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea aanwezig.203)Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo als bij de opdelvingen van Mariëtte.204)Zie boven, blz.26.205)De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten, die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.206)Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.207)Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse twintig minen, ongeveer 720 gulden.208)Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.Vert.209)De god Amon van Thebe.210)De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden in plaatsen, waar wolven werden vereerd.211)Amon had overigens ook zijne heilige stieren.212)In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.213)De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche openbaringsvormen van de ziel van Ra.214)Zie boven blz.170.215)Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen, worden gevonden in deSitzungsberichtender klasse van wis- en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van wetenschappen te Weenen, 1852.

187)De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te duiden.

187)De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te duiden.

188)Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers, en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten gekomen.

188)Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers, en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten gekomen.

189)Zie boven blz.169.

189)Zie boven blz.169.

190)De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas, uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000 gulden, verbruikt zijn.

190)De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas, uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000 gulden, verbruikt zijn.

191)Zie boven blz.168.

191)Zie boven blz.168.

192)De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden, zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.

192)De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden, zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.

193)Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het hart handelen.

193)Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het hart handelen.

194)De onderwereld.

194)De onderwereld.

195)Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten dikwijls voorkomt.

195)Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten dikwijls voorkomt.

196)De Sirius of Sothis ster.

196)De Sirius of Sothis ster.

197)Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.

197)Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen verbrijzeld.

198)Naam van het geheele gild der balsemers.

198)Naam van het geheele gild der balsemers.

199)Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.

199)Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.

200)Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de l’embaumement. — Uit dit ritueel van de balseming hebben wij vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee mummiën te Praag.

200)Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus 5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de l’embaumement. — Uit dit ritueel van de balseming hebben wij vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee mummiën te Praag.

201)Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien. De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek gewijd.

201)Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien. De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek gewijd.

202)Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea aanwezig.

202)Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea aanwezig.

203)Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo als bij de opdelvingen van Mariëtte.

203)Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo als bij de opdelvingen van Mariëtte.

204)Zie boven, blz.26.

204)Zie boven, blz.26.

205)De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten, die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.

205)De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten, die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.

206)Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.

206)Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.

207)Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse twintig minen, ongeveer 720 gulden.

207)Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse twintig minen, ongeveer 720 gulden.

208)Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.Vert.

208)Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.Vert.

209)De god Amon van Thebe.

209)De god Amon van Thebe.

210)De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden in plaatsen, waar wolven werden vereerd.

210)De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad), het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon, hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden in plaatsen, waar wolven werden vereerd.

211)Amon had overigens ook zijne heilige stieren.

211)Amon had overigens ook zijne heilige stieren.

212)In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.

212)In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.

213)De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche openbaringsvormen van de ziel van Ra.

213)De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche openbaringsvormen van de ziel van Ra.

214)Zie boven blz.170.

214)Zie boven blz.170.

215)Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen, worden gevonden in deSitzungsberichtender klasse van wis- en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van wetenschappen te Weenen, 1852.

215)Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen, worden gevonden in deSitzungsberichtender klasse van wis- en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van wetenschappen te Weenen, 1852.

De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen, waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting, Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden zou worden.

De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten. Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was, hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat’s broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond, dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne handen.

»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij naar Anana toeging en zijne hand op diens schouderlegde, »en wij moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige, en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”

Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide: »Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld niets anders heeft behalve mij.”

»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat had!”

»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, »en als onzinnigen gehandeld.”

Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich, en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij handelen dan met ulieden!”

»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij straffen, dan dat ik liegen zou.”

Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd, dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet? Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? — Daar hebt gij ’t! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”

»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana zijn linker schudde.

De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los, zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet, mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”

»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de jeugdige misdadigers.

»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”

Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. — Deze wijsheid heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht, en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter behandelen?”

»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”

Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne oogen wel raken!”

Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te Thebe hem verlangden te spreken.

»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”

Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.

Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees dusgerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend, en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen.”

De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis terug te keeren.

Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen ook ongestraft blijven?”

»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. — Gij schudt het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten, indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest verwijderd wil houden.”

Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.

De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide: »Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever, worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachtenhebben in te spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet morgen als Cherheb216)optreden, morgen alleen; overmorgen stellen wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen niet waar?”

»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de Horoscoop.

Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja? Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam gegeven. Een slecht voorteeken!”

»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne armen omhoog.

»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde Ameni. »Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij rijke bijdragen, en....”

»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die zitten te slempen, als wij ons oefenen.”

Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen de priesters van Amon wel opgewassen.”

»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.

»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,” voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop, half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op hem stonden te wachten.

Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven, beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt, geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis, verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te roepen.”

In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden, de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.

Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.

Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom,waaruit dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog, dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni’s oogen schenen zich niet van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat allen het hooren konden, het volgende verkondigde:

»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt! De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken, in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.’ Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten, plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”

Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbondenhad, nam de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij het hebt aangekondigd.”

»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te knielen, deze eerst te laten koken.

»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”217), zeide een ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op zijn rug wijzende.

Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde, zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u eens voor,” zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne troependaarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat bevallen?”

In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze en deze alleen moest de straf lijden.


Back to IndexNext