I. De trouwe kameraden.

I. De trouwe kameraden.1. Broer en Zus.“Moesje, waar is zus?” roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt en zijne roode lippen op haar wangen drukt.“Moesje, waar is zus?”“Moesje, waar is zus?”“Dag vent, zus is buiten in den tuin,” antwoordt moeder, terwijl zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg is hij—de tuindeur door—de plaats over, zoo gauw zijn dikke beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in rond. Lijsje ligt in een hoek,—haar wangen zijn afgeschrabd, een neus heeft ze al lang niet meer—hetpaardje van Tony, dat twee wieltjes mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, zij staat! “Boer! Boer!” De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en plof—daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. “Snoezebol, dag lekkere schat,” en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.“Da! da!” ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.“Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook vliegen? Daar ga je!” en hij tilt zus omhoog.“Voorzichtig, Tony,” roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen keek. “Je zoudt haar laten vallen,” en ze vangt zus in hare armen op.“Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is paatje al thuis?”“Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.—Nu speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; maar niet meer optillen, hoor,” en moeder zet zus weer in de box.“Da! da!” roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar lief, klein molletje van vijftien maanden. “Hoe heerlijk,” denkt ze, “dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet.”Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. “Hoea!” roept ze in eens en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.“Moes! Moes! kijk u eens!” roept Tony verrukt.“Emy staat alleen!”Bij de keukendeur kijkt moeder om. “Ja, ja, moeder ziet het; val maar niet, zus,” roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar lachend op en kust haar.“Nee, nee,” roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet van kussen. “Hoea!” weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.“Kom dan,” zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken zitten met uitgestrekte armen. “Kom bij broer.” Zus waggelt en valt, maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.“Hier, pak vast,” zegt hij dan en geeft haar een takje als ballanceerstok in haar handjes. “Goed vasthouden.” De dikke knuistjes grijpen het takje stevig vast. “Ja, ja,” knikt ze.“Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze,” en het gaat heusch. Twee, drie, vier stapjes—wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.Vader is thuis gekomen en roept lachend: “Hallo!” terwijl hij den tuin in komt. Het kraaiendetweetalkijkt op en Tony roept vader toe: “Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!” Maar nu wil ze niet, ze gaatopden grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept vroolijk: “Kom jelui?” Tony slingert zich om vaders been en zingend gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen met Tony of vader.2. Emy’s ridder.De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.“En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony.”Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje voor het postkantoor stond.“Welles,” antwoordde Tony met overtuiging.“Nietis,” zei het meisje weer, “kijk dan, ze heeft mij een duw gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil,” en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.“Ja,” zegt Tony, “maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet helpen.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen,” zei Emy nu, “ga je mee naar moeder, Tony?” en ze trok haar broer mee naar huis. Hij hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, blonde krulletjes. “Net poppehaar,” zeiden de menschen en dat vond Tony leuk om te hooren.Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. “Hij bederft haar,” zei Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk voor haar uitzocht.“Eerst kijken, wat het mooiste is,” zegt hij dan. “Hier, dit is beter, laten we ruilen.” Maar nu begint zus te zeggen, “kijken wat het grootste is,” en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.“Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben,” zegt moeder, “geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste.” “Och, laat u maar, moesje,” en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, “neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn.”“Wat is dat, moe?” zegt Emy.“Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander denkt,” antwoordt moeder, “niets lief.”Dan trekt ze heusch soms een lipje.Dan trekt ze heusch soms een lipje.“Nee, niets lief,” zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine ding ziet het dadelijk. “Ja,” zegt vader, “Tony krijgt het grootste, omdat hij zooveel grooter is dan zus,”en dan trekt ze heusch soms een lipje.Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was Zondag. “In de kamer blijven” zei moeder, “of je zou naar bed moeten.”Vader gaat uit. “Tony ga je mee?”“Och nee, Pa!”“Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?” zegt moeder.“Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat ik mijn soldaten zou opzetten.”“Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te graag, dat je mee gaat.” Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te pruilen. “Hij heeft het beloofd.—Vader is groot, maar zus is klein.”“Neen,” zegt moeder, “zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje slordig. We zullen het samen eens opknappen”, en moeder gaat mee naar het speelhoekje en zus vergeet haarverdriet. Tony gaat met vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: “Straks gaat Tony mee spelen.” “Zeker,” zegt moeder, “straks” en zus weet, dat hij het doen zal en is tevreden.“Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?” zegt moeder verschrikt. “Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen zakdoek.”“Nee moe—nee!—ja!” snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.“O, Tony!” roept zusje verschrikt “het bloedt, het bloedt allemaal” en ze zet het op een schreien. “Stil kindje, kom, gauw mee naar de pomp Tony,” en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony’s neus is opgezet en een schram over zijn wang bloedt.Kind ben je gevallen?Kind ben je gevallen?“O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd,” zegt zusen steekt haar vingertje door een winkelhaak in zijn rug. “En heelemaal vuil moe, O!”“Hoe komt het dan toch,” zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met watten dicht stopt.“O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,” en hij balde zijn vuisten.“O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren.”“Ja, maar ik moest wel, moeder—hij zei—hij zei—”“Nu?”“Hij zei, wat van zus—en, dat laat ik niet zeggen, hij zei:‘ze is een akelige kribbekat.’” Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de vuisten of Bert weer voor hem stond.“Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is,” zei moeder ernstig.Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, wat ze zei.“Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt,” vervolgde moeder, maar Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem mee en speelde met hem. “Vader,” zei ze, toen die thuis kwam van het kantoor, “Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij heeft al zoo’n pijn. Wees U maarniet boos.” En vader zei alleen: “zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je moet niet vechten, Tony”—en nu kon Tony toch niet denken, dat vader er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.3. Haar geheim.Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren op z’n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. “Ja,” zei hij dan, “het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook.”Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht en bedaard. Soms kon ze tijden met haarpoppen in een hoekje zitten moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder iets te zeggen.“Moeder,” vroeg ze op eens “wat krijgt Tony van U en van Vader?”“Wat denk je?” antwoordde moeder.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.“Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat krijgt hij natuurlijk niet,” zei ze weer.“Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?”“Ik zal het u influisteren,” antwoordde zus, wierp haar breiwerk neer in ’t gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, zei ze ’t heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. “Jongens, jongens, dat is geen kleinigheid,” zei ze, “dat is heel duur.”Emy’s gezicht betrok. “Maar hij zou het zoo heel, heelerg graag hebben,” zei ze, “en hij is toch zoo lief, moesje.”“Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en vader, hè?” was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, om het te kussen.“Neen,” antwoordde zus dadelijk. “Ik houd van vader, van moeder en van Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden.”“Nu,” antwoordde moeder, “als je van vader en moeder net zooveel houdt, als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,” en zij lachte hartelijk.“Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?”“Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine vleister,” zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en dacht: “hij krijgt hem wel,” hardop zei ze: “Wat zal hij blij zijn!”4. Een prettige verjaardag.De groote dag kwam eindelijk. Tony’s verjaardag. De knikkerzak was met ijverig werken gelukkig afgekomen.Van boven was er een rood bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, dat het op tijd af was.Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer van zijn hoofd.“Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!”1Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. “O, ik ben jarig vandaag! Hé zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?” “Ja, zelf gemaakt.” “Nu dat is mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo’n mooien.” En hij kuste haar ontstuimig. “Wat zullen de jongens er wel van zeggen, prachtig! fijn!”“Ja, hè,” zei zus, “en dat rooie bandje. Dat kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar allemaal?” Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een koker met de Koningin—en het prinsesje ook.—Een sponsedoos met twee dwergjes.—Een tol! rood—wit en blauw! “Van de vlag hè?” zei zus.—“Nou enecht,..”zei broer weer “Knikkers! wat een boel geen kalke daaien, echte knarren!” “Mag ik dan ook ’s knikkeren,” vroeg zus. “Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, om te bikkelen.” “Nog wat zeg, kijk!”“Wat een plak, o!”“Lust je een stukje!”“Nou of.” Hmm!! “lekkere melkchocolade.”“Wat zitten jelui daar toch te doen?” vroeg moeder, die wakker werd door het drukke praten.“Hè, moes,” riep Tony “allemaal voor mij, zoo mooi,” en hij wipte uit bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor al dat moois.“Ben je nog al tevreden,” vroeg moeder schalks lachend. “Nou of,” antwoordde Tony met overtuiging. “Kijk U eens dit boek. ‘Lentegroen.’ Wat een leuke plaatjes.”“Zoo,” zei vader nu ook ontwakend. “Heb je al je presenten al gekregen en wat zeg je van het mijne?”“Wel neen” zei moeder, “dat heeft hij nog niet.”“Krijg ik dan nog meer,” vroeg Tony opspringend van pleizier.“Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht hebben.”“Wat is dat, moeder, toe zeg ’t eens?”“Ik weet ’t, ik weet ’t,” riep zus, sprong op moeder toe en riep, “Is ’t toch, hé moesje,” maar moeder lachte en zei “Ik zeg niets. Eerst aankleeden.”Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te poetsen, ik geloof ’t haast, maar hij washeel vlug klaar en zus was zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook binnenkwam was het: “Nu ’t cadeau. Ga maar mee jongens.”Mee—waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van pleizier: “Ik weet ’t, zus weet ’t.”Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit gestaan had.“O, vader,” riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot onder vaders beenen door, deed de deur open en.... “Pas op” riep vader nog—sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.“Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn,” riep hij verrukt.Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar moeder en zus.“Kom,Emy, niet bang zijn,” zei moeder en bracht haar bij den hond, maar ze wilde hem niet aaien.Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en metde achterpooten schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien grooten bek.“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?” vroeg hij ongeloovig.“Heusch voor jou,” zei vader, “als je goed voor hem zorgen kunt, zijn hok schoonhoudt en voor zijneten zorgt. Hem wasschen zullen moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, want hij is nog jong. Kijk!” vader liet hem los en de hond bedacht zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij allen besnuffelen. “Zeker om kennis te maken,” zei Tony.“O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, dan zal hij wel veel van me gaan houden.”“Dat is best,” zei vader, “maar niet verwennen. Hij mag vooreerst niet in de kamer komen—alleen in het speelkamertje en hij moet ook leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien.”“Ik vind hem zoo mooi.”“Maar zoo groot,” zei zus.“Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe heet hij?”“Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam.”“Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd.Zoo heet dat buiten van dien timmerman, immers.”“Noem hem dan—Verlangd of gewenscht—Dat is Hollandsch.”“Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd—Verlangd! of Gewenscht, kom eens hier. Het hindert toch niet.”“Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal geven en je vrienden en kennissenuitnoodigen.”“Hè moe, mag dat heusch?” vroeg Tony.“Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee.Maar nu moeten we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag nog schoolblijven.”“Dat doet de Meester toch niet!—Wat zullen ze kijken.—Hij is nog grooter, dan Nero van den slager en mooier ook.”Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.Toen ze zaten te eten, zei moeder, “ik geloof, dat je vader nog niet eens bedankt hebt.” “O nee,” zei Tony en met een reepje in zijn mond sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, om zijn vreugde uit te juichen.Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.“Désiré,” riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den kop op. “Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet om twaalf uur meebrengen?”“Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, dat weet je wel.”“Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag Désiré!” en weg was hij.Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen de halve klasse te hebben aangetast.Meester wilde ook graag den hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, ’s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré’s doopmaal wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu juist zoo heel moeielijk waren vandaag.Vier uur!—hè.—Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.“Vier uur hè?”“Vier uur hè?”“Désiré, Désiré,” riep de baas. In het speelkamertje?Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.“Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten we hem meenemen naar buiten!”Daar stoeiden en holden ze weldra met het vluggedier in het zand. Hij maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn hond lekker gegeten en gedronken.Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest met zijn prachtigen hond.Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite naar huis en broer en zus moesten naar bed.“Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen,” vroeg Tony.“Nu van avond dan,” zei moeder. “Hè lekker, toe zus ga je mee!” Samen vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. “Nacht hoor, droom je eens van me!”Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.5.Désiréen Emy.“Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!”Eerst rechtop!Eerst rechtop!“Nee nog niet happen.—Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem eens aan zijn voorpooten.—Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten hoor. Een—twee—drie—vier—vijf—zes—. Mooi zoo! Daar is de worst! Zie je wel zus, hij kan ’t al. Désiré, hier!—Hij komt dadelijk, leuk hé?”Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was net, of hij er altijd geweest was.“Nou ik es,” zei zus: “Désiré, hier!”“Zie je wel, hij doet ’t niet voor me,” en ze stampte met haar voet.“Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok,” zei Tony, “dat vindt hij ook niet lief.”“Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten,” pruilde zus.“Hij heeft ’t toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen.”“Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten.”“Jij mag hem niet slaan.””’t Is een naar beest, ik houd niet van hem,” snikte zus nu en liep weg, om haar troost bij moeder te zoeken.“Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond.”“Foei,” zei moeder, “zus je moet niet zulke leelijke dingen zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, vindt moeder haar niet lief.”“Ik vind Désiré niet lief,” hield zus vol “en ik vind het niets prettig, dat Tony hem gekregen heeft.”“Je meent het niet,” zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe en bleef pruilen.Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg gewend en liep buiten in het bosch los.Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.“Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij,”vleide ze eens, dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.“Ik speel toch immers met je,” zei Tony.“Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.“Kijk nou,” zei Tony, “je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je.”“Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,” vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch den halsband om en bond hem aan een boom vast. “Nu stil liggen—koest, hoor.”Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.“Stil hoor,” riep zus.“Mag ik hem niet losmaken,” vroeg Tony weer.“Nee hoor, dan heb ik niets geen pret” en Tony gaf het dwingelandje haar zin.Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.“Waar is Tony, Moesje?” vroeg zusje.“Uit,” zei moeder, “naar de wei met Désiré.”“Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?”“Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan.”Groote tranen! Schokkend snikte ze. “Hoe leelijk van Tony, zie je wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij.” Ze wierp zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.meer van dien naren hond houdt.meer van dien naren hond houdt.Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om den hond gaf dan om haar.“Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier gekomen!—”Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toenachter haar om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, trapte zij achteruit:“Ga je weg! naar beest!” Zóó erg meende zij het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus keek hem na. “Wat zal Tony zeggen,” dacht zij.“Wat is er gebeurd, Désiré?”hoorde zij Tony vragen.“Kom hier en laat de baas eens kijken.”De hond jankte luider, zeker bevoelde Tony zijn poot. “Heb je in een spijker getrapt?” Juist kwam vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.“Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de knel heeft gezeten.”“Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen,” antwoordde Tony.Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang.Ze durfde vader en Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar moeder, die aardbeien plukte.“Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch,” zei moeder.Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd in moeders rokken.“Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, help moeder maar plukken,” hernam moeder, die dacht, dat het alleen daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, om Désiré naar het hok te brengen.“Wat is er met Désiré,”riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.Op moeders schootOp moeders schoot“Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig bezig?” Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. “Heb je geschreid? Waarom?” Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. “Lach eens gauw, lachen, zeg ik.” Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met aardbeien.Toen moeder haar ’s avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar hoofdje achterover en vroeg: “Is zusje heel lief geweest vandaag?” Toen snikte ze.“Maar ik had het zoo erg niet gemeend.” “Wat,” vroeg moeder verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet had meegenomen. “Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem zoo’n pijn deed, heusch niet,” zei zus. Nu begreep moeder ineens en vriendelijk maar ernstig zei moeder:“Ik ben blij, dat je er spijt van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat broer zooveel van hem houdt.”Zus zei “neen moesje,” kreeg een nachtkus en ging slapen.Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: “Leuk hè, Tony, weer zoo samen. Met Désiré is toch zoo vervelend,” en Tony zei maar niets, want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.6. De landlooper.Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht wasaan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: “Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken.”“Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad,” zei Tony.“Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,” en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde hem altijd.’t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter voorbij ging.“Hebben jelui hem al, van Buren?” riep de melkboer hem toe.“Nee,” antwoordde de veldwachter, “maar je mag de voordeur wel dicht houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij kon best eens binnenkomen, als je hem zoo uitnoodigt.”“Over wien heb je ’t nou?”vroeg Jans.“Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt.”“Ja, dat is secuur, ’t moet hem zijn.” antwoordde de veldwachter,“en hij zal me geen tweeden keer ontloopen.”Zette de handen in de zijZette de handen in de zijJans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs dan een enkele boer,die in de wei zijn koeien liet grazen en bij het bosch woonde.De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand wegduwen. “Houd je mond, mormel,” siste hij door zijn vuile tanden en ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden kettinkje, dat ze om haar halsje had. “Jelui alles en ik niks hè,” mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller afgevlogen, die hij in zijn been beet.Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré woedend blaffen, de man vloekenen tieren, de haag kraken, maar keek niet om en liep onder ’t geroep van “Moeder! moeder een dief!” zoo gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de gang weer in, naar de voordeur en gilde “Van Buren, Van Buren—hier, hier!” De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, daar het beest hem niet wilde loslaten.op den kop van den hond.op den kop van den hond.“Ga vader halen,” riep moeder tegen zus “gauw!” maar juist kwam de veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller door Jans van het kantoor gehaald. “Houd hem, Désiré,” riep de veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kopvan den hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, over den haag teruggetrokken.“Laat losDésiré, kom hier,” riep moeder, die zag hoe hij den man gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. “Beste hond, goed beest.” Brr, ze rilde. Zoo’n vreeselijke man. Wie weet wat hij haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.“Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,” en de hond drukte zich tegen haar aan.Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.“Nee weg, weg,” riep ze. “Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man gedaan zou hebben.”“Kom hier” en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.Vader kwam even later weer terug—een paar boeren hadden den man met den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.“Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?”“Ja,” zei moeder, “dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst.”sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.“O, wat is dat lief van je Désiré,” riep Tony.“Nu hou je toch wel van hem, hè.”Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief zusje gered had.“Moeder,” zei hij nadenkend. “Weet u wat ik zoo jammer vind. Als een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben wil. Maar bij een hond kan het niet.”“Neen,” zei moeder, “dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel.”Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals vader en moeder, en de anderendeden of speelde niet met hem. Het kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.7. Uit logeeren.Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.“Nu!” zei moeder. “Wat dunkt u, vader, zoo’n flinke jongen mag wel eens een extra’tje hebben.”“Ja, zullen we het dan maar doen?” vroeg vader lachend.“Wat doen,” zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten en zeiden nog niets.“Watte, moesje?” vleide zus.“Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen.”“Wat niet graag willen?”“Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën mee naar grootvader en grootmoeder?”“O heerlijk! Ik! en ik!” riepen ze allebei en vlogen hun ouders om den hals.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.“Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan—hè, ja vader, mag dat?”“Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als we derde klas gaan kan hij mee.”Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke tijding te brengen.“Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!”“Och kom,” zei Jans. “Désiré mee, hoe kan dat nou?”“Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!”“Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, dat hij los kan loopen.”“Ja natuurlijk, hij is zoo slim,” antwoordde Tony trotsch op zijn lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn vreugde uit te buitelen.De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele familie naar den trein.Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in zijn nopjes.als een deftig passagierals een deftig passagierEnkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden niet in de coupée, al verzekerde Tony ook:“hij doet heusch geen kwaad, komt u maar gerust.”Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook nog een onverwachte logé zag uitstijgen.“Is dat nu Désiré,” zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen hartelijk had verwelkomd.“Ja, grootvader, ’t mocht wel, niet?”“Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. ’t Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoederde pannekoeken al klaar heeft.”Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.“Hij hoort toch bij de familie,” zei de lieve vrouw, “en was in de uitnoodiging begrepen,” en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de mat veegde—en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als de kleinkinderen.Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij “Nooit gedacht”. Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het erf. Pere- en appelboomen—kersen en aardbeien—een lief tuintje met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, zaten de kinderen en de hond er boven op.Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.Zaten de kinderen en de hond er boven op.Zaten de kinderen en de hond er boven op.“Jongens, hij zal heelemaal verwennen,” zei moeder, “dan gaat hij thuis nog bedelen.”“Ja, moeder,” antwoordde Tony “en wij worden hier ook verwend.”“Daar ben ik ook hard bang voor,” hernam moeder weer, “en dan hebben we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen.”Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op het bord en gooide den hond een been toe.Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader bleef lachen: “’t zalzoo’n vaart niet loopen, thuis is thuis—maar ze zijn nu ook op ‘Nooit gedacht.’”Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: “Zoo sprak je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon,” en vader antwoordde: “Neen, toen deed u het” en hij boog zich over grootmoeder heen en kuste haar, dat het klapte.“Foei, foei,wat moeten de kinderen wel denken,” zei ze.“Dat u een lieve grootmoeder bent,” zei Tony, greep grootmoeders hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, “en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, hè Désiré, wat zeg jij.”En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal met Tony eens.Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat ook al niet en deed hij het niet meer.8. In gevaar.Het was Zondag en prachtig weer.Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Kooging op den bok zitten met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, om er heen te loopen. Het was stil op deboerderij, alles blonk tegen je aan—tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden de vertrekkenden na.“Dag, jongens!”riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. “Ga niet te ver uit de buurt, hoor!”Koo op den bok.Koo op den bok.“Dag zus, zoet zijn,” riep moeder en wuifde met de hand, boog zich om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. “Dag! dag!!”Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré het erf op en lieten zichonder luid gejuich en geblaf door zus en Trijntje nazetten.Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het eten zorgen.“Mogen wij nog even verder,” vroeg Tony. “Even naar het bloemenveld.”“Ja, dat is goed,” zei Trijntje, “dat is niet zoo ver. Maar dan weer thuis komen, hoor.”“Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor grootmoeder,” zei zus.“Ja, heerlijk.” Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij wou eens zien, waar die laan eigenlijk opuit liep, en wat er achter die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals moeder het voor de grap noemde.Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht op de boomen af.Naar hartelust plukken.Naar hartelust plukken.“Wat moet dat? Wat heb je,” riep zijn kleine baas verwonderd en volgde hem wat langzamer.Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed water lustig staan drinken.“O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet eens,” zei Tony bij zich zelven. “Wacht, jongetje, je kon wel weer eens zwemmen, net als gisteren met vader.“Kom hier, Désiré.” Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.“Zus! zus!” riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn handen als roeper aan zijn mond en riep “zus, zus, Emy!!” Désiré snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide armen vol bloemen had.“Kijk, Tony, mooi hè,” draag jij ook wat, dan maken we er thuis een boeket van.”“Ja prachtig,” antwoordde Tony, “leg ze maar even neer en kom eens mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee” en hij trok zus haastig mee naar de rivier.Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water en riep: “Désiré pak ze.” Désiré bedacht zich niet en met aandacht keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den bek terugkeerde.Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.“Kijk,” zei ze, “nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan den overkant.”“Ja,” zei Tony, “dat is leuk, kom mee!”Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond stak een eind de rivier in.“Ik durf eigenlijk niet verder,” zei hij nog.“He flauw!” zei zus.“Nou ga jij dan.”“Ja maar ik ben een klein meisje,” zei de wijsneus.“Nou vooruit,” zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam zoo een aardig eindje naar voren.Désiré stond aan den kant en blafte jankend.Zus klapte in haar handen van pleizier:“Gooi nou!” riep ze.“Désiré! pak ze!” riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo’n kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.“Tony! O, moeder, help!” riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony was een heel eind af....“Moeder! Vader!” gilde ze in haar angst.“Vader,” gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.in het water zinken.in het water zinken.Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.Zus liep wanhopig heen en weer.De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.“Gauw, Désiré, gauw,” riep het kind, voelend, dat hij zonk.Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en dieper in het water zinken, ze zag, dat hijverdween, voordat de hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.9. De Redding.“O, Désiré,” riep ze smeekend, “houd hem vast, houd hem vast.““Help! help!”riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.“Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan,” riep ze en het was of het moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. “Toe dan, goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan.”“O lieve Heer, laat hem niet verdrinken,” bad ze; boog verder voorover en greep een stuk van Tony’s blouse. Ze trok en trok zoo hard ze kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten ze den drenkeling tegen den kant op.Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan allekanten. Zus boog zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony’s oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van het bloemenveld.“Désiré! hier,” riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met broertje, die maar al sliep. “O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit meer boos op je zijn, loop niet weg.”“Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony,” snikte ze dan en begon hevig te schreien.Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later nogmaals terug te gaan.Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij naderbij en riep: “Wat is er gebeurd? Heeft diejongen in het water gelegen?” Zus keek hem verstomd aan. “Hoe lang is het al geleden” vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, legde zijne hand op Tony’s borst, zijn oor er tegen en begon haastig zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. “Wie ben jelui, ik ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je vlak bij?”Zus zag hoe de man Tony’s armen heen en weer ging bewegen, ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.“Toe kindje,” hijgde de man, “ga toch, daar is een huis. Haal gauw hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, gauw.” Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam er een meisje naar buiten, vroolijk zingendliep ze op zus af en zei vriendelijk. “Wel—wat had de jonge juffer?”Kwam een meisje naar buiten.Kwam een meisje naar buiten.Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei zacht. “Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water gelegen.”“Wie, die man?” zei het meisje verschrikt.“Neen, Tony, en hij heeft z’n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, ik ben zoo bang,” riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van het meisje en wilde haar meetrekken.”“Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!” riep ze naar binnen, “kom gauw mee, er is een in het water gevallen.” Twee lange boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel vooruit.Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:“Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?” “Emy, en hij is Tony,” snikte het kind.“En waar zijn je vader en moeder.” “Naar de kerk.”“Maar bij wie ben jelui hier, dan?” “Bij grootvader, daar,” wees zus, “over het bloemenveld.” “O, wacht, op ‘Nooit gedacht’”.“Ja,” zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar werd gevraagd.Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus sprong op hem toe. “Tony, lieve Tony,” riep ze en zoende hem. Hij keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. “Benauwd,” riep hij toen en begon te braken.Toen rilde hij. “Ik ben zoo koud, Moeder!” zei hij.De dikke man tilde hem op. “Kan je hem dragen,”vroeg hij Jacob. “Ja, geef maar op,” zei de grootste van de jongens en geen moeder had haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan de knaap deed.“Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud,” zei de dikke man.“Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan zoo gauw niet.”De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens korte beentjes moeite deden hen bij te houden.10.Désiréoverwint.Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje toe. “O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen.”Trijntje verbleekte. “In het water en” .... ze liep de mannen tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: “Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen.”Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje vertelde wat zij wist.“Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen,” lamenteerde Trijntje en sloeg jammerend de handen in elkaar. “Er is niemand thuis.”Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren uit. “Ziezoo,” zei Siem, “nou afdrogen en in een wollen deken in bed.” Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik in de bedstee gestopt.“Wat warme koffie of thee,” zei Siem.En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warmethee met een theelepeltje ingegoten.“Waar is moeder,” vroeg hij nog eens.“Ja, die komt zoo,” zei Siem, “ga nou maar eerst wat slapen.”“Waar ben ik?” vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.“Hier,” zei zus, “bij grootmoe in de bedstee.”Tony werd in een wollen deken gewikkeld.Tonywerd in een wollen deken gewikkeld.Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.“Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen,” vroeg Teun. “Is er niet een fiets van een van de jongens.”“Zeker,” zei Trijn, “pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat de boerin niet te veel schrikt. Nouik bedank jelui wel hoor. Siem blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van je vinden.”Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor het bed zitten.Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje opsprong. “Daar ben ze!” Zus werd door den schok wakker. Ze droomde dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor de bedstee neerzette, riep ze: “Désiré, help dan toch.”De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich over hem heenboog, fluisterde zij: “Lieve goede Désiré, jij hebt hem er uitgehaald,” en ze nam zijn kop in haar armen.Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk op en vloog schreiend op hen toe. “We konden het niet helpen! maar Désiré heeft hem er uitgehaald,”riep ze en vertelde aan één stuk, wat er was gebeurd.Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.“Désiré,” zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.“Vader, moeder,” riep hij zacht en begon te schreien, “ik dacht, dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen.”Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen heen.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Hij heeft je er uit gehaald,” zei zus nog eens weer. “Zoete hond.”“Heb ik het niet gedroomd?” vroeg Tony.“Neen,” zei vader, “hoe is het nu? Hoe voel je je?”“Goed vader, ik kan wel opstaan,” en hij wilde overeind komen, maar dat mocht niet.“Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik maar niet,” zei grootmoeder.“Ik heb getrokken,” zei zus nu, “want hij was zoo moe, hij kon haast niet meer.”De tranen sprongen moeder in de oogen. “Die kleine zus en die goeie hond.”“Je bent een flinke meid, hoor,” zei grootvader. “Samen heb jelui hem dus gered.”“Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen,” merkte grootmoeder weer op.“Maar, Désiré was er toch bij,” zei zus weer.“Wat is zoo’n beest toch slim, om hulp te halen.”“Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo’n dier hebben genomen. Eerst heeft hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard.” zei grootvader.“Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je zult het altijd goed bij ons hebben, hoor,” en iedereen op zijn beurt haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier.“Désiré!” riep Tony.Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré’s hals en fluisterde—“Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel als allemaal—net zooveel als jij.” En Tony kwam overeind en in een omarming nam hij zus en Désiré. “Ja, jelui hebt me samen er uitgehaald. Wat ben ik blij—wat ben ik blij.”En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: “Dat is een zegen des Heeren,” en moeder knikte van ja.Samen naar school.Samen naar school.Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, om hem een cadeautje te brengen en naarAnnekeen Teunis en Jacob, om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: “Wacht u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet.” Hoe ver de hond ook was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen ze samen naar de school om Tony af te halen.“Moeder,” zei Tony, “ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij houdt ook meer van den hond.”“Neen,” zei zus ernstig, “ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij mijn lieven schat uit het water heeft gehaald.”“Tony maakt maar gekheid,” antwoordde moeder, “hij weet wel beter.”“Och ja,” zei Tony lachend, “ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu drie trouwe kameraden. Kom hier” en hij tilde zus op den rug van Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en moeder keken hen dankbaar lachend na.1Zie titelplaat.

I. De trouwe kameraden.1. Broer en Zus.“Moesje, waar is zus?” roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt en zijne roode lippen op haar wangen drukt.“Moesje, waar is zus?”“Moesje, waar is zus?”“Dag vent, zus is buiten in den tuin,” antwoordt moeder, terwijl zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg is hij—de tuindeur door—de plaats over, zoo gauw zijn dikke beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in rond. Lijsje ligt in een hoek,—haar wangen zijn afgeschrabd, een neus heeft ze al lang niet meer—hetpaardje van Tony, dat twee wieltjes mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, zij staat! “Boer! Boer!” De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en plof—daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. “Snoezebol, dag lekkere schat,” en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.“Da! da!” ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.“Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook vliegen? Daar ga je!” en hij tilt zus omhoog.“Voorzichtig, Tony,” roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen keek. “Je zoudt haar laten vallen,” en ze vangt zus in hare armen op.“Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is paatje al thuis?”“Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.—Nu speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; maar niet meer optillen, hoor,” en moeder zet zus weer in de box.“Da! da!” roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar lief, klein molletje van vijftien maanden. “Hoe heerlijk,” denkt ze, “dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet.”Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. “Hoea!” roept ze in eens en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.“Moes! Moes! kijk u eens!” roept Tony verrukt.“Emy staat alleen!”Bij de keukendeur kijkt moeder om. “Ja, ja, moeder ziet het; val maar niet, zus,” roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar lachend op en kust haar.“Nee, nee,” roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet van kussen. “Hoea!” weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.“Kom dan,” zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken zitten met uitgestrekte armen. “Kom bij broer.” Zus waggelt en valt, maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.“Hier, pak vast,” zegt hij dan en geeft haar een takje als ballanceerstok in haar handjes. “Goed vasthouden.” De dikke knuistjes grijpen het takje stevig vast. “Ja, ja,” knikt ze.“Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze,” en het gaat heusch. Twee, drie, vier stapjes—wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.Vader is thuis gekomen en roept lachend: “Hallo!” terwijl hij den tuin in komt. Het kraaiendetweetalkijkt op en Tony roept vader toe: “Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!” Maar nu wil ze niet, ze gaatopden grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept vroolijk: “Kom jelui?” Tony slingert zich om vaders been en zingend gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen met Tony of vader.2. Emy’s ridder.De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.“En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony.”Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje voor het postkantoor stond.“Welles,” antwoordde Tony met overtuiging.“Nietis,” zei het meisje weer, “kijk dan, ze heeft mij een duw gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil,” en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.“Ja,” zegt Tony, “maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet helpen.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen,” zei Emy nu, “ga je mee naar moeder, Tony?” en ze trok haar broer mee naar huis. Hij hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, blonde krulletjes. “Net poppehaar,” zeiden de menschen en dat vond Tony leuk om te hooren.Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. “Hij bederft haar,” zei Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk voor haar uitzocht.“Eerst kijken, wat het mooiste is,” zegt hij dan. “Hier, dit is beter, laten we ruilen.” Maar nu begint zus te zeggen, “kijken wat het grootste is,” en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.“Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben,” zegt moeder, “geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste.” “Och, laat u maar, moesje,” en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, “neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn.”“Wat is dat, moe?” zegt Emy.“Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander denkt,” antwoordt moeder, “niets lief.”Dan trekt ze heusch soms een lipje.Dan trekt ze heusch soms een lipje.“Nee, niets lief,” zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine ding ziet het dadelijk. “Ja,” zegt vader, “Tony krijgt het grootste, omdat hij zooveel grooter is dan zus,”en dan trekt ze heusch soms een lipje.Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was Zondag. “In de kamer blijven” zei moeder, “of je zou naar bed moeten.”Vader gaat uit. “Tony ga je mee?”“Och nee, Pa!”“Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?” zegt moeder.“Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat ik mijn soldaten zou opzetten.”“Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te graag, dat je mee gaat.” Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te pruilen. “Hij heeft het beloofd.—Vader is groot, maar zus is klein.”“Neen,” zegt moeder, “zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje slordig. We zullen het samen eens opknappen”, en moeder gaat mee naar het speelhoekje en zus vergeet haarverdriet. Tony gaat met vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: “Straks gaat Tony mee spelen.” “Zeker,” zegt moeder, “straks” en zus weet, dat hij het doen zal en is tevreden.“Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?” zegt moeder verschrikt. “Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen zakdoek.”“Nee moe—nee!—ja!” snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.“O, Tony!” roept zusje verschrikt “het bloedt, het bloedt allemaal” en ze zet het op een schreien. “Stil kindje, kom, gauw mee naar de pomp Tony,” en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony’s neus is opgezet en een schram over zijn wang bloedt.Kind ben je gevallen?Kind ben je gevallen?“O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd,” zegt zusen steekt haar vingertje door een winkelhaak in zijn rug. “En heelemaal vuil moe, O!”“Hoe komt het dan toch,” zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met watten dicht stopt.“O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,” en hij balde zijn vuisten.“O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren.”“Ja, maar ik moest wel, moeder—hij zei—hij zei—”“Nu?”“Hij zei, wat van zus—en, dat laat ik niet zeggen, hij zei:‘ze is een akelige kribbekat.’” Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de vuisten of Bert weer voor hem stond.“Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is,” zei moeder ernstig.Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, wat ze zei.“Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt,” vervolgde moeder, maar Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem mee en speelde met hem. “Vader,” zei ze, toen die thuis kwam van het kantoor, “Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij heeft al zoo’n pijn. Wees U maarniet boos.” En vader zei alleen: “zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je moet niet vechten, Tony”—en nu kon Tony toch niet denken, dat vader er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.3. Haar geheim.Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren op z’n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. “Ja,” zei hij dan, “het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook.”Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht en bedaard. Soms kon ze tijden met haarpoppen in een hoekje zitten moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder iets te zeggen.“Moeder,” vroeg ze op eens “wat krijgt Tony van U en van Vader?”“Wat denk je?” antwoordde moeder.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.“Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat krijgt hij natuurlijk niet,” zei ze weer.“Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?”“Ik zal het u influisteren,” antwoordde zus, wierp haar breiwerk neer in ’t gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, zei ze ’t heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. “Jongens, jongens, dat is geen kleinigheid,” zei ze, “dat is heel duur.”Emy’s gezicht betrok. “Maar hij zou het zoo heel, heelerg graag hebben,” zei ze, “en hij is toch zoo lief, moesje.”“Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en vader, hè?” was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, om het te kussen.“Neen,” antwoordde zus dadelijk. “Ik houd van vader, van moeder en van Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden.”“Nu,” antwoordde moeder, “als je van vader en moeder net zooveel houdt, als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,” en zij lachte hartelijk.“Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?”“Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine vleister,” zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en dacht: “hij krijgt hem wel,” hardop zei ze: “Wat zal hij blij zijn!”4. Een prettige verjaardag.De groote dag kwam eindelijk. Tony’s verjaardag. De knikkerzak was met ijverig werken gelukkig afgekomen.Van boven was er een rood bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, dat het op tijd af was.Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer van zijn hoofd.“Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!”1Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. “O, ik ben jarig vandaag! Hé zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?” “Ja, zelf gemaakt.” “Nu dat is mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo’n mooien.” En hij kuste haar ontstuimig. “Wat zullen de jongens er wel van zeggen, prachtig! fijn!”“Ja, hè,” zei zus, “en dat rooie bandje. Dat kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar allemaal?” Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een koker met de Koningin—en het prinsesje ook.—Een sponsedoos met twee dwergjes.—Een tol! rood—wit en blauw! “Van de vlag hè?” zei zus.—“Nou enecht,..”zei broer weer “Knikkers! wat een boel geen kalke daaien, echte knarren!” “Mag ik dan ook ’s knikkeren,” vroeg zus. “Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, om te bikkelen.” “Nog wat zeg, kijk!”“Wat een plak, o!”“Lust je een stukje!”“Nou of.” Hmm!! “lekkere melkchocolade.”“Wat zitten jelui daar toch te doen?” vroeg moeder, die wakker werd door het drukke praten.“Hè, moes,” riep Tony “allemaal voor mij, zoo mooi,” en hij wipte uit bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor al dat moois.“Ben je nog al tevreden,” vroeg moeder schalks lachend. “Nou of,” antwoordde Tony met overtuiging. “Kijk U eens dit boek. ‘Lentegroen.’ Wat een leuke plaatjes.”“Zoo,” zei vader nu ook ontwakend. “Heb je al je presenten al gekregen en wat zeg je van het mijne?”“Wel neen” zei moeder, “dat heeft hij nog niet.”“Krijg ik dan nog meer,” vroeg Tony opspringend van pleizier.“Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht hebben.”“Wat is dat, moeder, toe zeg ’t eens?”“Ik weet ’t, ik weet ’t,” riep zus, sprong op moeder toe en riep, “Is ’t toch, hé moesje,” maar moeder lachte en zei “Ik zeg niets. Eerst aankleeden.”Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te poetsen, ik geloof ’t haast, maar hij washeel vlug klaar en zus was zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook binnenkwam was het: “Nu ’t cadeau. Ga maar mee jongens.”Mee—waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van pleizier: “Ik weet ’t, zus weet ’t.”Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit gestaan had.“O, vader,” riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot onder vaders beenen door, deed de deur open en.... “Pas op” riep vader nog—sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.“Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn,” riep hij verrukt.Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar moeder en zus.“Kom,Emy, niet bang zijn,” zei moeder en bracht haar bij den hond, maar ze wilde hem niet aaien.Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en metde achterpooten schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien grooten bek.“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?” vroeg hij ongeloovig.“Heusch voor jou,” zei vader, “als je goed voor hem zorgen kunt, zijn hok schoonhoudt en voor zijneten zorgt. Hem wasschen zullen moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, want hij is nog jong. Kijk!” vader liet hem los en de hond bedacht zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij allen besnuffelen. “Zeker om kennis te maken,” zei Tony.“O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, dan zal hij wel veel van me gaan houden.”“Dat is best,” zei vader, “maar niet verwennen. Hij mag vooreerst niet in de kamer komen—alleen in het speelkamertje en hij moet ook leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien.”“Ik vind hem zoo mooi.”“Maar zoo groot,” zei zus.“Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe heet hij?”“Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam.”“Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd.Zoo heet dat buiten van dien timmerman, immers.”“Noem hem dan—Verlangd of gewenscht—Dat is Hollandsch.”“Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd—Verlangd! of Gewenscht, kom eens hier. Het hindert toch niet.”“Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal geven en je vrienden en kennissenuitnoodigen.”“Hè moe, mag dat heusch?” vroeg Tony.“Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee.Maar nu moeten we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag nog schoolblijven.”“Dat doet de Meester toch niet!—Wat zullen ze kijken.—Hij is nog grooter, dan Nero van den slager en mooier ook.”Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.Toen ze zaten te eten, zei moeder, “ik geloof, dat je vader nog niet eens bedankt hebt.” “O nee,” zei Tony en met een reepje in zijn mond sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, om zijn vreugde uit te juichen.Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.“Désiré,” riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den kop op. “Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet om twaalf uur meebrengen?”“Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, dat weet je wel.”“Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag Désiré!” en weg was hij.Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen de halve klasse te hebben aangetast.Meester wilde ook graag den hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, ’s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré’s doopmaal wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu juist zoo heel moeielijk waren vandaag.Vier uur!—hè.—Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.“Vier uur hè?”“Vier uur hè?”“Désiré, Désiré,” riep de baas. In het speelkamertje?Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.“Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten we hem meenemen naar buiten!”Daar stoeiden en holden ze weldra met het vluggedier in het zand. Hij maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn hond lekker gegeten en gedronken.Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest met zijn prachtigen hond.Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite naar huis en broer en zus moesten naar bed.“Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen,” vroeg Tony.“Nu van avond dan,” zei moeder. “Hè lekker, toe zus ga je mee!” Samen vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. “Nacht hoor, droom je eens van me!”Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.5.Désiréen Emy.“Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!”Eerst rechtop!Eerst rechtop!“Nee nog niet happen.—Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem eens aan zijn voorpooten.—Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten hoor. Een—twee—drie—vier—vijf—zes—. Mooi zoo! Daar is de worst! Zie je wel zus, hij kan ’t al. Désiré, hier!—Hij komt dadelijk, leuk hé?”Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was net, of hij er altijd geweest was.“Nou ik es,” zei zus: “Désiré, hier!”“Zie je wel, hij doet ’t niet voor me,” en ze stampte met haar voet.“Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok,” zei Tony, “dat vindt hij ook niet lief.”“Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten,” pruilde zus.“Hij heeft ’t toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen.”“Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten.”“Jij mag hem niet slaan.””’t Is een naar beest, ik houd niet van hem,” snikte zus nu en liep weg, om haar troost bij moeder te zoeken.“Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond.”“Foei,” zei moeder, “zus je moet niet zulke leelijke dingen zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, vindt moeder haar niet lief.”“Ik vind Désiré niet lief,” hield zus vol “en ik vind het niets prettig, dat Tony hem gekregen heeft.”“Je meent het niet,” zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe en bleef pruilen.Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg gewend en liep buiten in het bosch los.Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.“Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij,”vleide ze eens, dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.“Ik speel toch immers met je,” zei Tony.“Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.“Kijk nou,” zei Tony, “je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je.”“Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,” vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch den halsband om en bond hem aan een boom vast. “Nu stil liggen—koest, hoor.”Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.“Stil hoor,” riep zus.“Mag ik hem niet losmaken,” vroeg Tony weer.“Nee hoor, dan heb ik niets geen pret” en Tony gaf het dwingelandje haar zin.Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.“Waar is Tony, Moesje?” vroeg zusje.“Uit,” zei moeder, “naar de wei met Désiré.”“Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?”“Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan.”Groote tranen! Schokkend snikte ze. “Hoe leelijk van Tony, zie je wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij.” Ze wierp zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.meer van dien naren hond houdt.meer van dien naren hond houdt.Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om den hond gaf dan om haar.“Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier gekomen!—”Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toenachter haar om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, trapte zij achteruit:“Ga je weg! naar beest!” Zóó erg meende zij het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus keek hem na. “Wat zal Tony zeggen,” dacht zij.“Wat is er gebeurd, Désiré?”hoorde zij Tony vragen.“Kom hier en laat de baas eens kijken.”De hond jankte luider, zeker bevoelde Tony zijn poot. “Heb je in een spijker getrapt?” Juist kwam vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.“Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de knel heeft gezeten.”“Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen,” antwoordde Tony.Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang.Ze durfde vader en Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar moeder, die aardbeien plukte.“Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch,” zei moeder.Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd in moeders rokken.“Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, help moeder maar plukken,” hernam moeder, die dacht, dat het alleen daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, om Désiré naar het hok te brengen.“Wat is er met Désiré,”riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.Op moeders schootOp moeders schoot“Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig bezig?” Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. “Heb je geschreid? Waarom?” Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. “Lach eens gauw, lachen, zeg ik.” Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met aardbeien.Toen moeder haar ’s avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar hoofdje achterover en vroeg: “Is zusje heel lief geweest vandaag?” Toen snikte ze.“Maar ik had het zoo erg niet gemeend.” “Wat,” vroeg moeder verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet had meegenomen. “Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem zoo’n pijn deed, heusch niet,” zei zus. Nu begreep moeder ineens en vriendelijk maar ernstig zei moeder:“Ik ben blij, dat je er spijt van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat broer zooveel van hem houdt.”Zus zei “neen moesje,” kreeg een nachtkus en ging slapen.Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: “Leuk hè, Tony, weer zoo samen. Met Désiré is toch zoo vervelend,” en Tony zei maar niets, want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.6. De landlooper.Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht wasaan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: “Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken.”“Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad,” zei Tony.“Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,” en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde hem altijd.’t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter voorbij ging.“Hebben jelui hem al, van Buren?” riep de melkboer hem toe.“Nee,” antwoordde de veldwachter, “maar je mag de voordeur wel dicht houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij kon best eens binnenkomen, als je hem zoo uitnoodigt.”“Over wien heb je ’t nou?”vroeg Jans.“Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt.”“Ja, dat is secuur, ’t moet hem zijn.” antwoordde de veldwachter,“en hij zal me geen tweeden keer ontloopen.”Zette de handen in de zijZette de handen in de zijJans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs dan een enkele boer,die in de wei zijn koeien liet grazen en bij het bosch woonde.De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand wegduwen. “Houd je mond, mormel,” siste hij door zijn vuile tanden en ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden kettinkje, dat ze om haar halsje had. “Jelui alles en ik niks hè,” mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller afgevlogen, die hij in zijn been beet.Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré woedend blaffen, de man vloekenen tieren, de haag kraken, maar keek niet om en liep onder ’t geroep van “Moeder! moeder een dief!” zoo gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de gang weer in, naar de voordeur en gilde “Van Buren, Van Buren—hier, hier!” De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, daar het beest hem niet wilde loslaten.op den kop van den hond.op den kop van den hond.“Ga vader halen,” riep moeder tegen zus “gauw!” maar juist kwam de veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller door Jans van het kantoor gehaald. “Houd hem, Désiré,” riep de veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kopvan den hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, over den haag teruggetrokken.“Laat losDésiré, kom hier,” riep moeder, die zag hoe hij den man gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. “Beste hond, goed beest.” Brr, ze rilde. Zoo’n vreeselijke man. Wie weet wat hij haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.“Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,” en de hond drukte zich tegen haar aan.Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.“Nee weg, weg,” riep ze. “Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man gedaan zou hebben.”“Kom hier” en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.Vader kwam even later weer terug—een paar boeren hadden den man met den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.“Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?”“Ja,” zei moeder, “dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst.”sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.“O, wat is dat lief van je Désiré,” riep Tony.“Nu hou je toch wel van hem, hè.”Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief zusje gered had.“Moeder,” zei hij nadenkend. “Weet u wat ik zoo jammer vind. Als een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben wil. Maar bij een hond kan het niet.”“Neen,” zei moeder, “dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel.”Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals vader en moeder, en de anderendeden of speelde niet met hem. Het kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.7. Uit logeeren.Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.“Nu!” zei moeder. “Wat dunkt u, vader, zoo’n flinke jongen mag wel eens een extra’tje hebben.”“Ja, zullen we het dan maar doen?” vroeg vader lachend.“Wat doen,” zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten en zeiden nog niets.“Watte, moesje?” vleide zus.“Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen.”“Wat niet graag willen?”“Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën mee naar grootvader en grootmoeder?”“O heerlijk! Ik! en ik!” riepen ze allebei en vlogen hun ouders om den hals.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.“Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan—hè, ja vader, mag dat?”“Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als we derde klas gaan kan hij mee.”Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke tijding te brengen.“Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!”“Och kom,” zei Jans. “Désiré mee, hoe kan dat nou?”“Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!”“Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, dat hij los kan loopen.”“Ja natuurlijk, hij is zoo slim,” antwoordde Tony trotsch op zijn lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn vreugde uit te buitelen.De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele familie naar den trein.Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in zijn nopjes.als een deftig passagierals een deftig passagierEnkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden niet in de coupée, al verzekerde Tony ook:“hij doet heusch geen kwaad, komt u maar gerust.”Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook nog een onverwachte logé zag uitstijgen.“Is dat nu Désiré,” zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen hartelijk had verwelkomd.“Ja, grootvader, ’t mocht wel, niet?”“Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. ’t Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoederde pannekoeken al klaar heeft.”Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.“Hij hoort toch bij de familie,” zei de lieve vrouw, “en was in de uitnoodiging begrepen,” en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de mat veegde—en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als de kleinkinderen.Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij “Nooit gedacht”. Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het erf. Pere- en appelboomen—kersen en aardbeien—een lief tuintje met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, zaten de kinderen en de hond er boven op.Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.Zaten de kinderen en de hond er boven op.Zaten de kinderen en de hond er boven op.“Jongens, hij zal heelemaal verwennen,” zei moeder, “dan gaat hij thuis nog bedelen.”“Ja, moeder,” antwoordde Tony “en wij worden hier ook verwend.”“Daar ben ik ook hard bang voor,” hernam moeder weer, “en dan hebben we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen.”Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op het bord en gooide den hond een been toe.Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader bleef lachen: “’t zalzoo’n vaart niet loopen, thuis is thuis—maar ze zijn nu ook op ‘Nooit gedacht.’”Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: “Zoo sprak je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon,” en vader antwoordde: “Neen, toen deed u het” en hij boog zich over grootmoeder heen en kuste haar, dat het klapte.“Foei, foei,wat moeten de kinderen wel denken,” zei ze.“Dat u een lieve grootmoeder bent,” zei Tony, greep grootmoeders hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, “en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, hè Désiré, wat zeg jij.”En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal met Tony eens.Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat ook al niet en deed hij het niet meer.8. In gevaar.Het was Zondag en prachtig weer.Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Kooging op den bok zitten met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, om er heen te loopen. Het was stil op deboerderij, alles blonk tegen je aan—tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden de vertrekkenden na.“Dag, jongens!”riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. “Ga niet te ver uit de buurt, hoor!”Koo op den bok.Koo op den bok.“Dag zus, zoet zijn,” riep moeder en wuifde met de hand, boog zich om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. “Dag! dag!!”Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré het erf op en lieten zichonder luid gejuich en geblaf door zus en Trijntje nazetten.Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het eten zorgen.“Mogen wij nog even verder,” vroeg Tony. “Even naar het bloemenveld.”“Ja, dat is goed,” zei Trijntje, “dat is niet zoo ver. Maar dan weer thuis komen, hoor.”“Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor grootmoeder,” zei zus.“Ja, heerlijk.” Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij wou eens zien, waar die laan eigenlijk opuit liep, en wat er achter die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals moeder het voor de grap noemde.Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht op de boomen af.Naar hartelust plukken.Naar hartelust plukken.“Wat moet dat? Wat heb je,” riep zijn kleine baas verwonderd en volgde hem wat langzamer.Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed water lustig staan drinken.“O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet eens,” zei Tony bij zich zelven. “Wacht, jongetje, je kon wel weer eens zwemmen, net als gisteren met vader.“Kom hier, Désiré.” Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.“Zus! zus!” riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn handen als roeper aan zijn mond en riep “zus, zus, Emy!!” Désiré snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide armen vol bloemen had.“Kijk, Tony, mooi hè,” draag jij ook wat, dan maken we er thuis een boeket van.”“Ja prachtig,” antwoordde Tony, “leg ze maar even neer en kom eens mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee” en hij trok zus haastig mee naar de rivier.Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water en riep: “Désiré pak ze.” Désiré bedacht zich niet en met aandacht keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den bek terugkeerde.Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.“Kijk,” zei ze, “nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan den overkant.”“Ja,” zei Tony, “dat is leuk, kom mee!”Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond stak een eind de rivier in.“Ik durf eigenlijk niet verder,” zei hij nog.“He flauw!” zei zus.“Nou ga jij dan.”“Ja maar ik ben een klein meisje,” zei de wijsneus.“Nou vooruit,” zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam zoo een aardig eindje naar voren.Désiré stond aan den kant en blafte jankend.Zus klapte in haar handen van pleizier:“Gooi nou!” riep ze.“Désiré! pak ze!” riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo’n kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.“Tony! O, moeder, help!” riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony was een heel eind af....“Moeder! Vader!” gilde ze in haar angst.“Vader,” gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.in het water zinken.in het water zinken.Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.Zus liep wanhopig heen en weer.De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.“Gauw, Désiré, gauw,” riep het kind, voelend, dat hij zonk.Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en dieper in het water zinken, ze zag, dat hijverdween, voordat de hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.9. De Redding.“O, Désiré,” riep ze smeekend, “houd hem vast, houd hem vast.““Help! help!”riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.“Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan,” riep ze en het was of het moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. “Toe dan, goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan.”“O lieve Heer, laat hem niet verdrinken,” bad ze; boog verder voorover en greep een stuk van Tony’s blouse. Ze trok en trok zoo hard ze kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten ze den drenkeling tegen den kant op.Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan allekanten. Zus boog zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony’s oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van het bloemenveld.“Désiré! hier,” riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met broertje, die maar al sliep. “O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit meer boos op je zijn, loop niet weg.”“Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony,” snikte ze dan en begon hevig te schreien.Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later nogmaals terug te gaan.Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij naderbij en riep: “Wat is er gebeurd? Heeft diejongen in het water gelegen?” Zus keek hem verstomd aan. “Hoe lang is het al geleden” vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, legde zijne hand op Tony’s borst, zijn oor er tegen en begon haastig zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. “Wie ben jelui, ik ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je vlak bij?”Zus zag hoe de man Tony’s armen heen en weer ging bewegen, ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.“Toe kindje,” hijgde de man, “ga toch, daar is een huis. Haal gauw hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, gauw.” Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam er een meisje naar buiten, vroolijk zingendliep ze op zus af en zei vriendelijk. “Wel—wat had de jonge juffer?”Kwam een meisje naar buiten.Kwam een meisje naar buiten.Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei zacht. “Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water gelegen.”“Wie, die man?” zei het meisje verschrikt.“Neen, Tony, en hij heeft z’n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, ik ben zoo bang,” riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van het meisje en wilde haar meetrekken.”“Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!” riep ze naar binnen, “kom gauw mee, er is een in het water gevallen.” Twee lange boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel vooruit.Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:“Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?” “Emy, en hij is Tony,” snikte het kind.“En waar zijn je vader en moeder.” “Naar de kerk.”“Maar bij wie ben jelui hier, dan?” “Bij grootvader, daar,” wees zus, “over het bloemenveld.” “O, wacht, op ‘Nooit gedacht’”.“Ja,” zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar werd gevraagd.Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus sprong op hem toe. “Tony, lieve Tony,” riep ze en zoende hem. Hij keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. “Benauwd,” riep hij toen en begon te braken.Toen rilde hij. “Ik ben zoo koud, Moeder!” zei hij.De dikke man tilde hem op. “Kan je hem dragen,”vroeg hij Jacob. “Ja, geef maar op,” zei de grootste van de jongens en geen moeder had haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan de knaap deed.“Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud,” zei de dikke man.“Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan zoo gauw niet.”De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens korte beentjes moeite deden hen bij te houden.10.Désiréoverwint.Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje toe. “O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen.”Trijntje verbleekte. “In het water en” .... ze liep de mannen tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: “Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen.”Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje vertelde wat zij wist.“Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen,” lamenteerde Trijntje en sloeg jammerend de handen in elkaar. “Er is niemand thuis.”Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren uit. “Ziezoo,” zei Siem, “nou afdrogen en in een wollen deken in bed.” Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik in de bedstee gestopt.“Wat warme koffie of thee,” zei Siem.En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warmethee met een theelepeltje ingegoten.“Waar is moeder,” vroeg hij nog eens.“Ja, die komt zoo,” zei Siem, “ga nou maar eerst wat slapen.”“Waar ben ik?” vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.“Hier,” zei zus, “bij grootmoe in de bedstee.”Tony werd in een wollen deken gewikkeld.Tonywerd in een wollen deken gewikkeld.Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.“Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen,” vroeg Teun. “Is er niet een fiets van een van de jongens.”“Zeker,” zei Trijn, “pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat de boerin niet te veel schrikt. Nouik bedank jelui wel hoor. Siem blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van je vinden.”Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor het bed zitten.Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje opsprong. “Daar ben ze!” Zus werd door den schok wakker. Ze droomde dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor de bedstee neerzette, riep ze: “Désiré, help dan toch.”De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich over hem heenboog, fluisterde zij: “Lieve goede Désiré, jij hebt hem er uitgehaald,” en ze nam zijn kop in haar armen.Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk op en vloog schreiend op hen toe. “We konden het niet helpen! maar Désiré heeft hem er uitgehaald,”riep ze en vertelde aan één stuk, wat er was gebeurd.Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.“Désiré,” zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.“Vader, moeder,” riep hij zacht en begon te schreien, “ik dacht, dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen.”Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen heen.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Hij heeft je er uit gehaald,” zei zus nog eens weer. “Zoete hond.”“Heb ik het niet gedroomd?” vroeg Tony.“Neen,” zei vader, “hoe is het nu? Hoe voel je je?”“Goed vader, ik kan wel opstaan,” en hij wilde overeind komen, maar dat mocht niet.“Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik maar niet,” zei grootmoeder.“Ik heb getrokken,” zei zus nu, “want hij was zoo moe, hij kon haast niet meer.”De tranen sprongen moeder in de oogen. “Die kleine zus en die goeie hond.”“Je bent een flinke meid, hoor,” zei grootvader. “Samen heb jelui hem dus gered.”“Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen,” merkte grootmoeder weer op.“Maar, Désiré was er toch bij,” zei zus weer.“Wat is zoo’n beest toch slim, om hulp te halen.”“Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo’n dier hebben genomen. Eerst heeft hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard.” zei grootvader.“Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je zult het altijd goed bij ons hebben, hoor,” en iedereen op zijn beurt haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier.“Désiré!” riep Tony.Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré’s hals en fluisterde—“Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel als allemaal—net zooveel als jij.” En Tony kwam overeind en in een omarming nam hij zus en Désiré. “Ja, jelui hebt me samen er uitgehaald. Wat ben ik blij—wat ben ik blij.”En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: “Dat is een zegen des Heeren,” en moeder knikte van ja.Samen naar school.Samen naar school.Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, om hem een cadeautje te brengen en naarAnnekeen Teunis en Jacob, om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: “Wacht u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet.” Hoe ver de hond ook was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen ze samen naar de school om Tony af te halen.“Moeder,” zei Tony, “ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij houdt ook meer van den hond.”“Neen,” zei zus ernstig, “ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij mijn lieven schat uit het water heeft gehaald.”“Tony maakt maar gekheid,” antwoordde moeder, “hij weet wel beter.”“Och ja,” zei Tony lachend, “ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu drie trouwe kameraden. Kom hier” en hij tilde zus op den rug van Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en moeder keken hen dankbaar lachend na.1Zie titelplaat.

1. Broer en Zus.“Moesje, waar is zus?” roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt en zijne roode lippen op haar wangen drukt.“Moesje, waar is zus?”“Moesje, waar is zus?”“Dag vent, zus is buiten in den tuin,” antwoordt moeder, terwijl zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg is hij—de tuindeur door—de plaats over, zoo gauw zijn dikke beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in rond. Lijsje ligt in een hoek,—haar wangen zijn afgeschrabd, een neus heeft ze al lang niet meer—hetpaardje van Tony, dat twee wieltjes mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, zij staat! “Boer! Boer!” De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en plof—daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. “Snoezebol, dag lekkere schat,” en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.“Da! da!” ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.“Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook vliegen? Daar ga je!” en hij tilt zus omhoog.“Voorzichtig, Tony,” roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen keek. “Je zoudt haar laten vallen,” en ze vangt zus in hare armen op.“Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is paatje al thuis?”“Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.—Nu speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; maar niet meer optillen, hoor,” en moeder zet zus weer in de box.“Da! da!” roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar lief, klein molletje van vijftien maanden. “Hoe heerlijk,” denkt ze, “dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet.”Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. “Hoea!” roept ze in eens en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.“Moes! Moes! kijk u eens!” roept Tony verrukt.“Emy staat alleen!”Bij de keukendeur kijkt moeder om. “Ja, ja, moeder ziet het; val maar niet, zus,” roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar lachend op en kust haar.“Nee, nee,” roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet van kussen. “Hoea!” weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.“Kom dan,” zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken zitten met uitgestrekte armen. “Kom bij broer.” Zus waggelt en valt, maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.“Hier, pak vast,” zegt hij dan en geeft haar een takje als ballanceerstok in haar handjes. “Goed vasthouden.” De dikke knuistjes grijpen het takje stevig vast. “Ja, ja,” knikt ze.“Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze,” en het gaat heusch. Twee, drie, vier stapjes—wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.Vader is thuis gekomen en roept lachend: “Hallo!” terwijl hij den tuin in komt. Het kraaiendetweetalkijkt op en Tony roept vader toe: “Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!” Maar nu wil ze niet, ze gaatopden grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept vroolijk: “Kom jelui?” Tony slingert zich om vaders been en zingend gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen met Tony of vader.

“Moesje, waar is zus?” roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt en zijne roode lippen op haar wangen drukt.

“Moesje, waar is zus?”“Moesje, waar is zus?”

“Moesje, waar is zus?”

“Dag vent, zus is buiten in den tuin,” antwoordt moeder, terwijl zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg is hij—de tuindeur door—de plaats over, zoo gauw zijn dikke beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in rond. Lijsje ligt in een hoek,—haar wangen zijn afgeschrabd, een neus heeft ze al lang niet meer—hetpaardje van Tony, dat twee wieltjes mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, zij staat! “Boer! Boer!” De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en plof—daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. “Snoezebol, dag lekkere schat,” en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.

“Da! da!” ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.

“Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook vliegen? Daar ga je!” en hij tilt zus omhoog.

“Voorzichtig, Tony,” roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen keek. “Je zoudt haar laten vallen,” en ze vangt zus in hare armen op.

“Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is paatje al thuis?”

“Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.—Nu speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; maar niet meer optillen, hoor,” en moeder zet zus weer in de box.

“Da! da!” roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!

Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar lief, klein molletje van vijftien maanden. “Hoe heerlijk,” denkt ze, “dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet.”

Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. “Hoea!” roept ze in eens en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.

“Moes! Moes! kijk u eens!” roept Tony verrukt.“Emy staat alleen!”

Bij de keukendeur kijkt moeder om. “Ja, ja, moeder ziet het; val maar niet, zus,” roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar lachend op en kust haar.

“Nee, nee,” roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet van kussen. “Hoea!” weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.

“Kom dan,” zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken zitten met uitgestrekte armen. “Kom bij broer.” Zus waggelt en valt, maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.

“Hier, pak vast,” zegt hij dan en geeft haar een takje als ballanceerstok in haar handjes. “Goed vasthouden.” De dikke knuistjes grijpen het takje stevig vast. “Ja, ja,” knikt ze.

“Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze,” en het gaat heusch. Twee, drie, vier stapjes—wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.

Vader is thuis gekomen en roept lachend: “Hallo!” terwijl hij den tuin in komt. Het kraaiendetweetalkijkt op en Tony roept vader toe: “Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!” Maar nu wil ze niet, ze gaatopden grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept vroolijk: “Kom jelui?” Tony slingert zich om vaders been en zingend gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen met Tony of vader.

2. Emy’s ridder.De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.“En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony.”Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje voor het postkantoor stond.“Welles,” antwoordde Tony met overtuiging.“Nietis,” zei het meisje weer, “kijk dan, ze heeft mij een duw gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil,” en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.“Ja,” zegt Tony, “maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet helpen.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen,” zei Emy nu, “ga je mee naar moeder, Tony?” en ze trok haar broer mee naar huis. Hij hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, blonde krulletjes. “Net poppehaar,” zeiden de menschen en dat vond Tony leuk om te hooren.Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. “Hij bederft haar,” zei Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk voor haar uitzocht.“Eerst kijken, wat het mooiste is,” zegt hij dan. “Hier, dit is beter, laten we ruilen.” Maar nu begint zus te zeggen, “kijken wat het grootste is,” en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.“Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben,” zegt moeder, “geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste.” “Och, laat u maar, moesje,” en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, “neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn.”“Wat is dat, moe?” zegt Emy.“Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander denkt,” antwoordt moeder, “niets lief.”Dan trekt ze heusch soms een lipje.Dan trekt ze heusch soms een lipje.“Nee, niets lief,” zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine ding ziet het dadelijk. “Ja,” zegt vader, “Tony krijgt het grootste, omdat hij zooveel grooter is dan zus,”en dan trekt ze heusch soms een lipje.Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was Zondag. “In de kamer blijven” zei moeder, “of je zou naar bed moeten.”Vader gaat uit. “Tony ga je mee?”“Och nee, Pa!”“Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?” zegt moeder.“Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat ik mijn soldaten zou opzetten.”“Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te graag, dat je mee gaat.” Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te pruilen. “Hij heeft het beloofd.—Vader is groot, maar zus is klein.”“Neen,” zegt moeder, “zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje slordig. We zullen het samen eens opknappen”, en moeder gaat mee naar het speelhoekje en zus vergeet haarverdriet. Tony gaat met vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: “Straks gaat Tony mee spelen.” “Zeker,” zegt moeder, “straks” en zus weet, dat hij het doen zal en is tevreden.“Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?” zegt moeder verschrikt. “Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen zakdoek.”“Nee moe—nee!—ja!” snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.“O, Tony!” roept zusje verschrikt “het bloedt, het bloedt allemaal” en ze zet het op een schreien. “Stil kindje, kom, gauw mee naar de pomp Tony,” en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony’s neus is opgezet en een schram over zijn wang bloedt.Kind ben je gevallen?Kind ben je gevallen?“O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd,” zegt zusen steekt haar vingertje door een winkelhaak in zijn rug. “En heelemaal vuil moe, O!”“Hoe komt het dan toch,” zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met watten dicht stopt.“O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,” en hij balde zijn vuisten.“O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren.”“Ja, maar ik moest wel, moeder—hij zei—hij zei—”“Nu?”“Hij zei, wat van zus—en, dat laat ik niet zeggen, hij zei:‘ze is een akelige kribbekat.’” Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de vuisten of Bert weer voor hem stond.“Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is,” zei moeder ernstig.Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, wat ze zei.“Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt,” vervolgde moeder, maar Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem mee en speelde met hem. “Vader,” zei ze, toen die thuis kwam van het kantoor, “Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij heeft al zoo’n pijn. Wees U maarniet boos.” En vader zei alleen: “zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je moet niet vechten, Tony”—en nu kon Tony toch niet denken, dat vader er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.

De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.

“En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony.”

Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje voor het postkantoor stond.

“Welles,” antwoordde Tony met overtuiging.

“Nietis,” zei het meisje weer, “kijk dan, ze heeft mij een duw gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil,” en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.

“Ja,” zegt Tony, “maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet helpen.”

“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”

“Kijk mijn schort! Heelemaal vuil.”

“Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen,” zei Emy nu, “ga je mee naar moeder, Tony?” en ze trok haar broer mee naar huis. Hij hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, blonde krulletjes. “Net poppehaar,” zeiden de menschen en dat vond Tony leuk om te hooren.

Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. “Hij bederft haar,” zei Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk voor haar uitzocht.

“Eerst kijken, wat het mooiste is,” zegt hij dan. “Hier, dit is beter, laten we ruilen.” Maar nu begint zus te zeggen, “kijken wat het grootste is,” en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.

“Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben,” zegt moeder, “geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste.” “Och, laat u maar, moesje,” en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, “neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn.”

“Wat is dat, moe?” zegt Emy.

“Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander denkt,” antwoordt moeder, “niets lief.”

Dan trekt ze heusch soms een lipje.Dan trekt ze heusch soms een lipje.

Dan trekt ze heusch soms een lipje.

“Nee, niets lief,” zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine ding ziet het dadelijk. “Ja,” zegt vader, “Tony krijgt het grootste, omdat hij zooveel grooter is dan zus,”en dan trekt ze heusch soms een lipje.

Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was Zondag. “In de kamer blijven” zei moeder, “of je zou naar bed moeten.”

Vader gaat uit. “Tony ga je mee?”

“Och nee, Pa!”

“Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?” zegt moeder.

“Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat ik mijn soldaten zou opzetten.”

“Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te graag, dat je mee gaat.” Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te pruilen. “Hij heeft het beloofd.—Vader is groot, maar zus is klein.”

“Neen,” zegt moeder, “zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje slordig. We zullen het samen eens opknappen”, en moeder gaat mee naar het speelhoekje en zus vergeet haarverdriet. Tony gaat met vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: “Straks gaat Tony mee spelen.” “Zeker,” zegt moeder, “straks” en zus weet, dat hij het doen zal en is tevreden.

“Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?” zegt moeder verschrikt. “Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen zakdoek.”

“Nee moe—nee!—ja!” snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.

“O, Tony!” roept zusje verschrikt “het bloedt, het bloedt allemaal” en ze zet het op een schreien. “Stil kindje, kom, gauw mee naar de pomp Tony,” en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony’s neus is opgezet en een schram over zijn wang bloedt.

Kind ben je gevallen?Kind ben je gevallen?

Kind ben je gevallen?

“O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd,” zegt zusen steekt haar vingertje door een winkelhaak in zijn rug. “En heelemaal vuil moe, O!”

“Hoe komt het dan toch,” zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met watten dicht stopt.

“O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,” en hij balde zijn vuisten.

“O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren.”

“Ja, maar ik moest wel, moeder—hij zei—hij zei—”

“Nu?”

“Hij zei, wat van zus—en, dat laat ik niet zeggen, hij zei:‘ze is een akelige kribbekat.’” Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de vuisten of Bert weer voor hem stond.

“Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is,” zei moeder ernstig.

Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, wat ze zei.

“Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt,” vervolgde moeder, maar Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem mee en speelde met hem. “Vader,” zei ze, toen die thuis kwam van het kantoor, “Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij heeft al zoo’n pijn. Wees U maarniet boos.” En vader zei alleen: “zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je moet niet vechten, Tony”—en nu kon Tony toch niet denken, dat vader er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.

3. Haar geheim.Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren op z’n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. “Ja,” zei hij dan, “het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook.”Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht en bedaard. Soms kon ze tijden met haarpoppen in een hoekje zitten moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder iets te zeggen.“Moeder,” vroeg ze op eens “wat krijgt Tony van U en van Vader?”“Wat denk je?” antwoordde moeder.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.“Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat krijgt hij natuurlijk niet,” zei ze weer.“Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?”“Ik zal het u influisteren,” antwoordde zus, wierp haar breiwerk neer in ’t gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, zei ze ’t heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. “Jongens, jongens, dat is geen kleinigheid,” zei ze, “dat is heel duur.”Emy’s gezicht betrok. “Maar hij zou het zoo heel, heelerg graag hebben,” zei ze, “en hij is toch zoo lief, moesje.”“Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en vader, hè?” was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, om het te kussen.“Neen,” antwoordde zus dadelijk. “Ik houd van vader, van moeder en van Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden.”“Nu,” antwoordde moeder, “als je van vader en moeder net zooveel houdt, als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,” en zij lachte hartelijk.“Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?”“Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine vleister,” zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en dacht: “hij krijgt hem wel,” hardop zei ze: “Wat zal hij blij zijn!”

Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren op z’n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. “Ja,” zei hij dan, “het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook.”

Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.

Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht en bedaard. Soms kon ze tijden met haarpoppen in een hoekje zitten moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.

Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder iets te zeggen.

“Moeder,” vroeg ze op eens “wat krijgt Tony van U en van Vader?”

“Wat denk je?” antwoordde moeder.

dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.

dan was ze net de kleine lord Fauntleroy.

“Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat krijgt hij natuurlijk niet,” zei ze weer.

“Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?”

“Ik zal het u influisteren,” antwoordde zus, wierp haar breiwerk neer in ’t gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, zei ze ’t heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. “Jongens, jongens, dat is geen kleinigheid,” zei ze, “dat is heel duur.”

Emy’s gezicht betrok. “Maar hij zou het zoo heel, heelerg graag hebben,” zei ze, “en hij is toch zoo lief, moesje.”

“Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en vader, hè?” was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, om het te kussen.

“Neen,” antwoordde zus dadelijk. “Ik houd van vader, van moeder en van Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden.”

“Nu,” antwoordde moeder, “als je van vader en moeder net zooveel houdt, als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,” en zij lachte hartelijk.

“Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?”

“Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine vleister,” zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en dacht: “hij krijgt hem wel,” hardop zei ze: “Wat zal hij blij zijn!”

4. Een prettige verjaardag.De groote dag kwam eindelijk. Tony’s verjaardag. De knikkerzak was met ijverig werken gelukkig afgekomen.Van boven was er een rood bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, dat het op tijd af was.Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer van zijn hoofd.“Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!”1Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. “O, ik ben jarig vandaag! Hé zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?” “Ja, zelf gemaakt.” “Nu dat is mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo’n mooien.” En hij kuste haar ontstuimig. “Wat zullen de jongens er wel van zeggen, prachtig! fijn!”“Ja, hè,” zei zus, “en dat rooie bandje. Dat kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar allemaal?” Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een koker met de Koningin—en het prinsesje ook.—Een sponsedoos met twee dwergjes.—Een tol! rood—wit en blauw! “Van de vlag hè?” zei zus.—“Nou enecht,..”zei broer weer “Knikkers! wat een boel geen kalke daaien, echte knarren!” “Mag ik dan ook ’s knikkeren,” vroeg zus. “Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, om te bikkelen.” “Nog wat zeg, kijk!”“Wat een plak, o!”“Lust je een stukje!”“Nou of.” Hmm!! “lekkere melkchocolade.”“Wat zitten jelui daar toch te doen?” vroeg moeder, die wakker werd door het drukke praten.“Hè, moes,” riep Tony “allemaal voor mij, zoo mooi,” en hij wipte uit bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor al dat moois.“Ben je nog al tevreden,” vroeg moeder schalks lachend. “Nou of,” antwoordde Tony met overtuiging. “Kijk U eens dit boek. ‘Lentegroen.’ Wat een leuke plaatjes.”“Zoo,” zei vader nu ook ontwakend. “Heb je al je presenten al gekregen en wat zeg je van het mijne?”“Wel neen” zei moeder, “dat heeft hij nog niet.”“Krijg ik dan nog meer,” vroeg Tony opspringend van pleizier.“Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht hebben.”“Wat is dat, moeder, toe zeg ’t eens?”“Ik weet ’t, ik weet ’t,” riep zus, sprong op moeder toe en riep, “Is ’t toch, hé moesje,” maar moeder lachte en zei “Ik zeg niets. Eerst aankleeden.”Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te poetsen, ik geloof ’t haast, maar hij washeel vlug klaar en zus was zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook binnenkwam was het: “Nu ’t cadeau. Ga maar mee jongens.”Mee—waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van pleizier: “Ik weet ’t, zus weet ’t.”Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit gestaan had.“O, vader,” riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot onder vaders beenen door, deed de deur open en.... “Pas op” riep vader nog—sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.“Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn,” riep hij verrukt.Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar moeder en zus.“Kom,Emy, niet bang zijn,” zei moeder en bracht haar bij den hond, maar ze wilde hem niet aaien.Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en metde achterpooten schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien grooten bek.“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?” vroeg hij ongeloovig.“Heusch voor jou,” zei vader, “als je goed voor hem zorgen kunt, zijn hok schoonhoudt en voor zijneten zorgt. Hem wasschen zullen moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, want hij is nog jong. Kijk!” vader liet hem los en de hond bedacht zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij allen besnuffelen. “Zeker om kennis te maken,” zei Tony.“O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, dan zal hij wel veel van me gaan houden.”“Dat is best,” zei vader, “maar niet verwennen. Hij mag vooreerst niet in de kamer komen—alleen in het speelkamertje en hij moet ook leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien.”“Ik vind hem zoo mooi.”“Maar zoo groot,” zei zus.“Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe heet hij?”“Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam.”“Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd.Zoo heet dat buiten van dien timmerman, immers.”“Noem hem dan—Verlangd of gewenscht—Dat is Hollandsch.”“Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd—Verlangd! of Gewenscht, kom eens hier. Het hindert toch niet.”“Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal geven en je vrienden en kennissenuitnoodigen.”“Hè moe, mag dat heusch?” vroeg Tony.“Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee.Maar nu moeten we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag nog schoolblijven.”“Dat doet de Meester toch niet!—Wat zullen ze kijken.—Hij is nog grooter, dan Nero van den slager en mooier ook.”Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.Toen ze zaten te eten, zei moeder, “ik geloof, dat je vader nog niet eens bedankt hebt.” “O nee,” zei Tony en met een reepje in zijn mond sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, om zijn vreugde uit te juichen.Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.“Désiré,” riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den kop op. “Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet om twaalf uur meebrengen?”“Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, dat weet je wel.”“Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag Désiré!” en weg was hij.Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen de halve klasse te hebben aangetast.Meester wilde ook graag den hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, ’s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré’s doopmaal wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu juist zoo heel moeielijk waren vandaag.Vier uur!—hè.—Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.“Vier uur hè?”“Vier uur hè?”“Désiré, Désiré,” riep de baas. In het speelkamertje?Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.“Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten we hem meenemen naar buiten!”Daar stoeiden en holden ze weldra met het vluggedier in het zand. Hij maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn hond lekker gegeten en gedronken.Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest met zijn prachtigen hond.Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite naar huis en broer en zus moesten naar bed.“Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen,” vroeg Tony.“Nu van avond dan,” zei moeder. “Hè lekker, toe zus ga je mee!” Samen vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. “Nacht hoor, droom je eens van me!”Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.

De groote dag kwam eindelijk. Tony’s verjaardag. De knikkerzak was met ijverig werken gelukkig afgekomen.Van boven was er een rood bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, dat het op tijd af was.

Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer van zijn hoofd.

“Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!”1

Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. “O, ik ben jarig vandaag! Hé zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?” “Ja, zelf gemaakt.” “Nu dat is mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo’n mooien.” En hij kuste haar ontstuimig. “Wat zullen de jongens er wel van zeggen, prachtig! fijn!”“Ja, hè,” zei zus, “en dat rooie bandje. Dat kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar allemaal?” Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een koker met de Koningin—en het prinsesje ook.—Een sponsedoos met twee dwergjes.—Een tol! rood—wit en blauw! “Van de vlag hè?” zei zus.—“Nou enecht,..”zei broer weer “Knikkers! wat een boel geen kalke daaien, echte knarren!” “Mag ik dan ook ’s knikkeren,” vroeg zus. “Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, om te bikkelen.” “Nog wat zeg, kijk!”

“Wat een plak, o!”“Lust je een stukje!”“Nou of.” Hmm!! “lekkere melkchocolade.”

“Wat zitten jelui daar toch te doen?” vroeg moeder, die wakker werd door het drukke praten.

“Hè, moes,” riep Tony “allemaal voor mij, zoo mooi,” en hij wipte uit bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor al dat moois.

“Ben je nog al tevreden,” vroeg moeder schalks lachend. “Nou of,” antwoordde Tony met overtuiging. “Kijk U eens dit boek. ‘Lentegroen.’ Wat een leuke plaatjes.”

“Zoo,” zei vader nu ook ontwakend. “Heb je al je presenten al gekregen en wat zeg je van het mijne?”

“Wel neen” zei moeder, “dat heeft hij nog niet.”

“Krijg ik dan nog meer,” vroeg Tony opspringend van pleizier.

“Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht hebben.”

“Wat is dat, moeder, toe zeg ’t eens?”

“Ik weet ’t, ik weet ’t,” riep zus, sprong op moeder toe en riep, “Is ’t toch, hé moesje,” maar moeder lachte en zei “Ik zeg niets. Eerst aankleeden.”

Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te poetsen, ik geloof ’t haast, maar hij washeel vlug klaar en zus was zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.

Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook binnenkwam was het: “Nu ’t cadeau. Ga maar mee jongens.”

Mee—waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.

Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van pleizier: “Ik weet ’t, zus weet ’t.”

Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit gestaan had.

“O, vader,” riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot onder vaders beenen door, deed de deur open en.... “Pas op” riep vader nog—sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.

“Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn,” riep hij verrukt.

Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.

De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar moeder en zus.

“Kom,Emy, niet bang zijn,” zei moeder en bracht haar bij den hond, maar ze wilde hem niet aaien.

Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en metde achterpooten schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien grooten bek.

“Is die nu heusch voor mij, vader?”“Is die nu heusch voor mij, vader?”

“Is die nu heusch voor mij, vader?”

“Is die nu heusch voor mij, vader?” vroeg hij ongeloovig.

“Heusch voor jou,” zei vader, “als je goed voor hem zorgen kunt, zijn hok schoonhoudt en voor zijneten zorgt. Hem wasschen zullen moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, want hij is nog jong. Kijk!” vader liet hem los en de hond bedacht zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij allen besnuffelen. “Zeker om kennis te maken,” zei Tony.

“O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, dan zal hij wel veel van me gaan houden.”

“Dat is best,” zei vader, “maar niet verwennen. Hij mag vooreerst niet in de kamer komen—alleen in het speelkamertje en hij moet ook leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien.”

“Ik vind hem zoo mooi.”

“Maar zoo groot,” zei zus.

“Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe heet hij?”

“Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam.”

“Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd.Zoo heet dat buiten van dien timmerman, immers.”

“Noem hem dan—Verlangd of gewenscht—Dat is Hollandsch.”

“Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd—Verlangd! of Gewenscht, kom eens hier. Het hindert toch niet.”

“Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal geven en je vrienden en kennissenuitnoodigen.”

“Hè moe, mag dat heusch?” vroeg Tony.

“Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee.Maar nu moeten we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag nog schoolblijven.”

“Dat doet de Meester toch niet!—Wat zullen ze kijken.—Hij is nog grooter, dan Nero van den slager en mooier ook.”

Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.

Toen ze zaten te eten, zei moeder, “ik geloof, dat je vader nog niet eens bedankt hebt.” “O nee,” zei Tony en met een reepje in zijn mond sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, om zijn vreugde uit te juichen.

Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.

“Désiré,” riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den kop op. “Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet om twaalf uur meebrengen?”

“Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, dat weet je wel.”

“Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag Désiré!” en weg was hij.

Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen de halve klasse te hebben aangetast.Meester wilde ook graag den hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, ’s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré’s doopmaal wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu juist zoo heel moeielijk waren vandaag.

Vier uur!—hè.—Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.

“Vier uur hè?”“Vier uur hè?”

“Vier uur hè?”

“Désiré, Désiré,” riep de baas. In het speelkamertje?

Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.

“Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten we hem meenemen naar buiten!”

Daar stoeiden en holden ze weldra met het vluggedier in het zand. Hij maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.

Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn hond lekker gegeten en gedronken.

Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest met zijn prachtigen hond.

Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite naar huis en broer en zus moesten naar bed.

“Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen,” vroeg Tony.

“Nu van avond dan,” zei moeder. “Hè lekker, toe zus ga je mee!” Samen vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. “Nacht hoor, droom je eens van me!”

Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.

5.Désiréen Emy.“Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!”Eerst rechtop!Eerst rechtop!“Nee nog niet happen.—Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem eens aan zijn voorpooten.—Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten hoor. Een—twee—drie—vier—vijf—zes—. Mooi zoo! Daar is de worst! Zie je wel zus, hij kan ’t al. Désiré, hier!—Hij komt dadelijk, leuk hé?”Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was net, of hij er altijd geweest was.“Nou ik es,” zei zus: “Désiré, hier!”“Zie je wel, hij doet ’t niet voor me,” en ze stampte met haar voet.“Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok,” zei Tony, “dat vindt hij ook niet lief.”“Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten,” pruilde zus.“Hij heeft ’t toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen.”“Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten.”“Jij mag hem niet slaan.””’t Is een naar beest, ik houd niet van hem,” snikte zus nu en liep weg, om haar troost bij moeder te zoeken.“Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond.”“Foei,” zei moeder, “zus je moet niet zulke leelijke dingen zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, vindt moeder haar niet lief.”“Ik vind Désiré niet lief,” hield zus vol “en ik vind het niets prettig, dat Tony hem gekregen heeft.”“Je meent het niet,” zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe en bleef pruilen.Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg gewend en liep buiten in het bosch los.Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.“Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij,”vleide ze eens, dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.“Ik speel toch immers met je,” zei Tony.“Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.“Kijk nou,” zei Tony, “je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je.”“Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,” vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch den halsband om en bond hem aan een boom vast. “Nu stil liggen—koest, hoor.”Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.“Stil hoor,” riep zus.“Mag ik hem niet losmaken,” vroeg Tony weer.“Nee hoor, dan heb ik niets geen pret” en Tony gaf het dwingelandje haar zin.Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.“Waar is Tony, Moesje?” vroeg zusje.“Uit,” zei moeder, “naar de wei met Désiré.”“Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?”“Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan.”Groote tranen! Schokkend snikte ze. “Hoe leelijk van Tony, zie je wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij.” Ze wierp zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.meer van dien naren hond houdt.meer van dien naren hond houdt.Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om den hond gaf dan om haar.“Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier gekomen!—”Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toenachter haar om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, trapte zij achteruit:“Ga je weg! naar beest!” Zóó erg meende zij het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus keek hem na. “Wat zal Tony zeggen,” dacht zij.“Wat is er gebeurd, Désiré?”hoorde zij Tony vragen.“Kom hier en laat de baas eens kijken.”De hond jankte luider, zeker bevoelde Tony zijn poot. “Heb je in een spijker getrapt?” Juist kwam vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.“Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de knel heeft gezeten.”“Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen,” antwoordde Tony.Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang.Ze durfde vader en Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar moeder, die aardbeien plukte.“Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch,” zei moeder.Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd in moeders rokken.“Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, help moeder maar plukken,” hernam moeder, die dacht, dat het alleen daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, om Désiré naar het hok te brengen.“Wat is er met Désiré,”riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.Op moeders schootOp moeders schoot“Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig bezig?” Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. “Heb je geschreid? Waarom?” Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. “Lach eens gauw, lachen, zeg ik.” Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met aardbeien.Toen moeder haar ’s avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar hoofdje achterover en vroeg: “Is zusje heel lief geweest vandaag?” Toen snikte ze.“Maar ik had het zoo erg niet gemeend.” “Wat,” vroeg moeder verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet had meegenomen. “Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem zoo’n pijn deed, heusch niet,” zei zus. Nu begreep moeder ineens en vriendelijk maar ernstig zei moeder:“Ik ben blij, dat je er spijt van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat broer zooveel van hem houdt.”Zus zei “neen moesje,” kreeg een nachtkus en ging slapen.Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: “Leuk hè, Tony, weer zoo samen. Met Désiré is toch zoo vervelend,” en Tony zei maar niets, want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.

“Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!”

Eerst rechtop!Eerst rechtop!

Eerst rechtop!

“Nee nog niet happen.—Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem eens aan zijn voorpooten.—Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten hoor. Een—twee—drie—vier—vijf—zes—. Mooi zoo! Daar is de worst! Zie je wel zus, hij kan ’t al. Désiré, hier!—Hij komt dadelijk, leuk hé?”

Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was net, of hij er altijd geweest was.

“Nou ik es,” zei zus: “Désiré, hier!”

“Zie je wel, hij doet ’t niet voor me,” en ze stampte met haar voet.

“Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok,” zei Tony, “dat vindt hij ook niet lief.”

“Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten,” pruilde zus.

“Hij heeft ’t toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen.”

“Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten.”

“Jij mag hem niet slaan.”

”’t Is een naar beest, ik houd niet van hem,” snikte zus nu en liep weg, om haar troost bij moeder te zoeken.

“Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond.”

“Foei,” zei moeder, “zus je moet niet zulke leelijke dingen zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, vindt moeder haar niet lief.”

“Ik vind Désiré niet lief,” hield zus vol “en ik vind het niets prettig, dat Tony hem gekregen heeft.”

“Je meent het niet,” zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe en bleef pruilen.

Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg gewend en liep buiten in het bosch los.

Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.

“Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij,”vleide ze eens, dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.

“Ik speel toch immers met je,” zei Tony.

“Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.

“Kijk nou,” zei Tony, “je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je.”

“Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,” vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch den halsband om en bond hem aan een boom vast. “Nu stil liggen—koest, hoor.”

Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.

“Stil hoor,” riep zus.

“Mag ik hem niet losmaken,” vroeg Tony weer.

“Nee hoor, dan heb ik niets geen pret” en Tony gaf het dwingelandje haar zin.

Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.

“Waar is Tony, Moesje?” vroeg zusje.

“Uit,” zei moeder, “naar de wei met Désiré.”

“Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?”

“Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan.”

Groote tranen! Schokkend snikte ze. “Hoe leelijk van Tony, zie je wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij.” Ze wierp zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.

meer van dien naren hond houdt.meer van dien naren hond houdt.

meer van dien naren hond houdt.

Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om den hond gaf dan om haar.

“Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier gekomen!—”

Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toenachter haar om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, trapte zij achteruit:“Ga je weg! naar beest!” Zóó erg meende zij het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus keek hem na. “Wat zal Tony zeggen,” dacht zij.

“Wat is er gebeurd, Désiré?”hoorde zij Tony vragen.

“Kom hier en laat de baas eens kijken.”De hond jankte luider, zeker bevoelde Tony zijn poot. “Heb je in een spijker getrapt?” Juist kwam vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.

“Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de knel heeft gezeten.”

“Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen,” antwoordde Tony.

Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang.Ze durfde vader en Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar moeder, die aardbeien plukte.

“Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch,” zei moeder.

Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd in moeders rokken.

“Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, help moeder maar plukken,” hernam moeder, die dacht, dat het alleen daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, om Désiré naar het hok te brengen.

“Wat is er met Désiré,”riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.

Op moeders schootOp moeders schoot

Op moeders schoot

“Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig bezig?” Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. “Heb je geschreid? Waarom?” Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. “Lach eens gauw, lachen, zeg ik.” Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.

Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met aardbeien.

Toen moeder haar ’s avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar hoofdje achterover en vroeg: “Is zusje heel lief geweest vandaag?” Toen snikte ze.

“Maar ik had het zoo erg niet gemeend.” “Wat,” vroeg moeder verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet had meegenomen. “Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem zoo’n pijn deed, heusch niet,” zei zus. Nu begreep moeder ineens en vriendelijk maar ernstig zei moeder:“Ik ben blij, dat je er spijt van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat broer zooveel van hem houdt.”

Zus zei “neen moesje,” kreeg een nachtkus en ging slapen.

Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: “Leuk hè, Tony, weer zoo samen. Met Désiré is toch zoo vervelend,” en Tony zei maar niets, want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.

6. De landlooper.Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht wasaan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: “Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken.”“Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad,” zei Tony.“Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,” en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde hem altijd.’t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter voorbij ging.“Hebben jelui hem al, van Buren?” riep de melkboer hem toe.“Nee,” antwoordde de veldwachter, “maar je mag de voordeur wel dicht houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij kon best eens binnenkomen, als je hem zoo uitnoodigt.”“Over wien heb je ’t nou?”vroeg Jans.“Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt.”“Ja, dat is secuur, ’t moet hem zijn.” antwoordde de veldwachter,“en hij zal me geen tweeden keer ontloopen.”Zette de handen in de zijZette de handen in de zijJans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs dan een enkele boer,die in de wei zijn koeien liet grazen en bij het bosch woonde.De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand wegduwen. “Houd je mond, mormel,” siste hij door zijn vuile tanden en ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden kettinkje, dat ze om haar halsje had. “Jelui alles en ik niks hè,” mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller afgevlogen, die hij in zijn been beet.Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré woedend blaffen, de man vloekenen tieren, de haag kraken, maar keek niet om en liep onder ’t geroep van “Moeder! moeder een dief!” zoo gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de gang weer in, naar de voordeur en gilde “Van Buren, Van Buren—hier, hier!” De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, daar het beest hem niet wilde loslaten.op den kop van den hond.op den kop van den hond.“Ga vader halen,” riep moeder tegen zus “gauw!” maar juist kwam de veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller door Jans van het kantoor gehaald. “Houd hem, Désiré,” riep de veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kopvan den hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, over den haag teruggetrokken.“Laat losDésiré, kom hier,” riep moeder, die zag hoe hij den man gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. “Beste hond, goed beest.” Brr, ze rilde. Zoo’n vreeselijke man. Wie weet wat hij haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.“Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,” en de hond drukte zich tegen haar aan.Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.“Nee weg, weg,” riep ze. “Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man gedaan zou hebben.”“Kom hier” en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.Vader kwam even later weer terug—een paar boeren hadden den man met den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.“Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?”“Ja,” zei moeder, “dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst.”sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.“O, wat is dat lief van je Désiré,” riep Tony.“Nu hou je toch wel van hem, hè.”Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief zusje gered had.“Moeder,” zei hij nadenkend. “Weet u wat ik zoo jammer vind. Als een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben wil. Maar bij een hond kan het niet.”“Neen,” zei moeder, “dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel.”Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals vader en moeder, en de anderendeden of speelde niet met hem. Het kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.

Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht wasaan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: “Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken.”

“Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad,” zei Tony.

“Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,” en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde hem altijd.

’t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.

Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter voorbij ging.

“Hebben jelui hem al, van Buren?” riep de melkboer hem toe.

“Nee,” antwoordde de veldwachter, “maar je mag de voordeur wel dicht houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij kon best eens binnenkomen, als je hem zoo uitnoodigt.”

“Over wien heb je ’t nou?”vroeg Jans.

“Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt.”

“Ja, dat is secuur, ’t moet hem zijn.” antwoordde de veldwachter,“en hij zal me geen tweeden keer ontloopen.”

Zette de handen in de zijZette de handen in de zij

Zette de handen in de zij

Jans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.

Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.

Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs dan een enkele boer,die in de wei zijn koeien liet grazen en bij het bosch woonde.

De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.

Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.

Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand wegduwen. “Houd je mond, mormel,” siste hij door zijn vuile tanden en ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden kettinkje, dat ze om haar halsje had. “Jelui alles en ik niks hè,” mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.

Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller afgevlogen, die hij in zijn been beet.

Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré woedend blaffen, de man vloekenen tieren, de haag kraken, maar keek niet om en liep onder ’t geroep van “Moeder! moeder een dief!” zoo gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de gang weer in, naar de voordeur en gilde “Van Buren, Van Buren—hier, hier!” De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.

Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, daar het beest hem niet wilde loslaten.

op den kop van den hond.op den kop van den hond.

op den kop van den hond.

“Ga vader halen,” riep moeder tegen zus “gauw!” maar juist kwam de veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller door Jans van het kantoor gehaald. “Houd hem, Désiré,” riep de veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kopvan den hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, over den haag teruggetrokken.

“Laat losDésiré, kom hier,” riep moeder, die zag hoe hij den man gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. “Beste hond, goed beest.” Brr, ze rilde. Zoo’n vreeselijke man. Wie weet wat hij haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.

“Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,” en de hond drukte zich tegen haar aan.

Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.

“Nee weg, weg,” riep ze. “Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man gedaan zou hebben.”

“Kom hier” en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.

Vader kwam even later weer terug—een paar boeren hadden den man met den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.

“Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?”

“Ja,” zei moeder, “dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst.”

sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.

sloot vol verrukking zijn vriend in de armen.

“O, wat is dat lief van je Désiré,” riep Tony.“Nu hou je toch wel van hem, hè.”

Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.

Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief zusje gered had.

“Moeder,” zei hij nadenkend. “Weet u wat ik zoo jammer vind. Als een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben wil. Maar bij een hond kan het niet.”

“Neen,” zei moeder, “dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel.”

Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals vader en moeder, en de anderendeden of speelde niet met hem. Het kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.

7. Uit logeeren.Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.“Nu!” zei moeder. “Wat dunkt u, vader, zoo’n flinke jongen mag wel eens een extra’tje hebben.”“Ja, zullen we het dan maar doen?” vroeg vader lachend.“Wat doen,” zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten en zeiden nog niets.“Watte, moesje?” vleide zus.“Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen.”“Wat niet graag willen?”“Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën mee naar grootvader en grootmoeder?”“O heerlijk! Ik! en ik!” riepen ze allebei en vlogen hun ouders om den hals.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.“Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan—hè, ja vader, mag dat?”“Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als we derde klas gaan kan hij mee.”Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke tijding te brengen.“Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!”“Och kom,” zei Jans. “Désiré mee, hoe kan dat nou?”“Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!”“Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, dat hij los kan loopen.”“Ja natuurlijk, hij is zoo slim,” antwoordde Tony trotsch op zijn lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn vreugde uit te buitelen.De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele familie naar den trein.Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in zijn nopjes.als een deftig passagierals een deftig passagierEnkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden niet in de coupée, al verzekerde Tony ook:“hij doet heusch geen kwaad, komt u maar gerust.”Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook nog een onverwachte logé zag uitstijgen.“Is dat nu Désiré,” zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen hartelijk had verwelkomd.“Ja, grootvader, ’t mocht wel, niet?”“Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. ’t Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoederde pannekoeken al klaar heeft.”Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.“Hij hoort toch bij de familie,” zei de lieve vrouw, “en was in de uitnoodiging begrepen,” en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de mat veegde—en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als de kleinkinderen.Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij “Nooit gedacht”. Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het erf. Pere- en appelboomen—kersen en aardbeien—een lief tuintje met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, zaten de kinderen en de hond er boven op.Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.Zaten de kinderen en de hond er boven op.Zaten de kinderen en de hond er boven op.“Jongens, hij zal heelemaal verwennen,” zei moeder, “dan gaat hij thuis nog bedelen.”“Ja, moeder,” antwoordde Tony “en wij worden hier ook verwend.”“Daar ben ik ook hard bang voor,” hernam moeder weer, “en dan hebben we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen.”Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op het bord en gooide den hond een been toe.Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader bleef lachen: “’t zalzoo’n vaart niet loopen, thuis is thuis—maar ze zijn nu ook op ‘Nooit gedacht.’”Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: “Zoo sprak je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon,” en vader antwoordde: “Neen, toen deed u het” en hij boog zich over grootmoeder heen en kuste haar, dat het klapte.“Foei, foei,wat moeten de kinderen wel denken,” zei ze.“Dat u een lieve grootmoeder bent,” zei Tony, greep grootmoeders hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, “en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, hè Désiré, wat zeg jij.”En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal met Tony eens.Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat ook al niet en deed hij het niet meer.

Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.

“Nu!” zei moeder. “Wat dunkt u, vader, zoo’n flinke jongen mag wel eens een extra’tje hebben.”

“Ja, zullen we het dan maar doen?” vroeg vader lachend.

“Wat doen,” zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten en zeiden nog niets.

“Watte, moesje?” vleide zus.

“Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen.”

“Wat niet graag willen?”

“Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën mee naar grootvader en grootmoeder?”

“O heerlijk! Ik! en ik!” riepen ze allebei en vlogen hun ouders om den hals.

Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.

Eenig zeg Jans, we gaan naar grootvader.

Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.

“Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan—hè, ja vader, mag dat?”

“Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als we derde klas gaan kan hij mee.”

Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke tijding te brengen.

“Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!”

“Och kom,” zei Jans. “Désiré mee, hoe kan dat nou?”

“Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!”

“Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, dat hij los kan loopen.”

“Ja natuurlijk, hij is zoo slim,” antwoordde Tony trotsch op zijn lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn vreugde uit te buitelen.

De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele familie naar den trein.

Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in zijn nopjes.

als een deftig passagierals een deftig passagier

als een deftig passagier

Enkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden niet in de coupée, al verzekerde Tony ook:“hij doet heusch geen kwaad, komt u maar gerust.”

Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.

Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook nog een onverwachte logé zag uitstijgen.

“Is dat nu Désiré,” zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen hartelijk had verwelkomd.

“Ja, grootvader, ’t mocht wel, niet?”

“Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. ’t Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoederde pannekoeken al klaar heeft.”

Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.

“Hij hoort toch bij de familie,” zei de lieve vrouw, “en was in de uitnoodiging begrepen,” en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de mat veegde—en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als de kleinkinderen.

Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij “Nooit gedacht”. Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het erf. Pere- en appelboomen—kersen en aardbeien—een lief tuintje met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, zaten de kinderen en de hond er boven op.

Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.

Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.

Dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield.

Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.

Zaten de kinderen en de hond er boven op.Zaten de kinderen en de hond er boven op.

Zaten de kinderen en de hond er boven op.

“Jongens, hij zal heelemaal verwennen,” zei moeder, “dan gaat hij thuis nog bedelen.”

“Ja, moeder,” antwoordde Tony “en wij worden hier ook verwend.”

“Daar ben ik ook hard bang voor,” hernam moeder weer, “en dan hebben we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen.”

Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op het bord en gooide den hond een been toe.

Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader bleef lachen: “’t zalzoo’n vaart niet loopen, thuis is thuis—maar ze zijn nu ook op ‘Nooit gedacht.’”

Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: “Zoo sprak je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon,” en vader antwoordde: “Neen, toen deed u het” en hij boog zich over grootmoeder heen en kuste haar, dat het klapte.

“Foei, foei,wat moeten de kinderen wel denken,” zei ze.

“Dat u een lieve grootmoeder bent,” zei Tony, greep grootmoeders hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, “en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, hè Désiré, wat zeg jij.”

En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal met Tony eens.

Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat ook al niet en deed hij het niet meer.

8. In gevaar.Het was Zondag en prachtig weer.Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Kooging op den bok zitten met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, om er heen te loopen. Het was stil op deboerderij, alles blonk tegen je aan—tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden de vertrekkenden na.“Dag, jongens!”riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. “Ga niet te ver uit de buurt, hoor!”Koo op den bok.Koo op den bok.“Dag zus, zoet zijn,” riep moeder en wuifde met de hand, boog zich om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. “Dag! dag!!”Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré het erf op en lieten zichonder luid gejuich en geblaf door zus en Trijntje nazetten.Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het eten zorgen.“Mogen wij nog even verder,” vroeg Tony. “Even naar het bloemenveld.”“Ja, dat is goed,” zei Trijntje, “dat is niet zoo ver. Maar dan weer thuis komen, hoor.”“Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor grootmoeder,” zei zus.“Ja, heerlijk.” Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij wou eens zien, waar die laan eigenlijk opuit liep, en wat er achter die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals moeder het voor de grap noemde.Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht op de boomen af.Naar hartelust plukken.Naar hartelust plukken.“Wat moet dat? Wat heb je,” riep zijn kleine baas verwonderd en volgde hem wat langzamer.Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed water lustig staan drinken.“O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet eens,” zei Tony bij zich zelven. “Wacht, jongetje, je kon wel weer eens zwemmen, net als gisteren met vader.“Kom hier, Désiré.” Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.“Zus! zus!” riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn handen als roeper aan zijn mond en riep “zus, zus, Emy!!” Désiré snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide armen vol bloemen had.“Kijk, Tony, mooi hè,” draag jij ook wat, dan maken we er thuis een boeket van.”“Ja prachtig,” antwoordde Tony, “leg ze maar even neer en kom eens mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee” en hij trok zus haastig mee naar de rivier.Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water en riep: “Désiré pak ze.” Désiré bedacht zich niet en met aandacht keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den bek terugkeerde.Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.“Kijk,” zei ze, “nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan den overkant.”“Ja,” zei Tony, “dat is leuk, kom mee!”Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond stak een eind de rivier in.“Ik durf eigenlijk niet verder,” zei hij nog.“He flauw!” zei zus.“Nou ga jij dan.”“Ja maar ik ben een klein meisje,” zei de wijsneus.“Nou vooruit,” zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam zoo een aardig eindje naar voren.Désiré stond aan den kant en blafte jankend.Zus klapte in haar handen van pleizier:“Gooi nou!” riep ze.“Désiré! pak ze!” riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo’n kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.“Tony! O, moeder, help!” riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony was een heel eind af....“Moeder! Vader!” gilde ze in haar angst.“Vader,” gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.in het water zinken.in het water zinken.Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.Zus liep wanhopig heen en weer.De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.“Gauw, Désiré, gauw,” riep het kind, voelend, dat hij zonk.Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en dieper in het water zinken, ze zag, dat hijverdween, voordat de hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.

Het was Zondag en prachtig weer.

Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Kooging op den bok zitten met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, om er heen te loopen. Het was stil op deboerderij, alles blonk tegen je aan—tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden de vertrekkenden na.

“Dag, jongens!”riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. “Ga niet te ver uit de buurt, hoor!”

Koo op den bok.Koo op den bok.

Koo op den bok.

“Dag zus, zoet zijn,” riep moeder en wuifde met de hand, boog zich om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. “Dag! dag!!”

Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré het erf op en lieten zichonder luid gejuich en geblaf door zus en Trijntje nazetten.

Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het eten zorgen.

“Mogen wij nog even verder,” vroeg Tony. “Even naar het bloemenveld.”

“Ja, dat is goed,” zei Trijntje, “dat is niet zoo ver. Maar dan weer thuis komen, hoor.”

“Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor grootmoeder,” zei zus.

“Ja, heerlijk.” Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.

Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij wou eens zien, waar die laan eigenlijk opuit liep, en wat er achter die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals moeder het voor de grap noemde.

Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht op de boomen af.

Naar hartelust plukken.Naar hartelust plukken.

Naar hartelust plukken.

“Wat moet dat? Wat heb je,” riep zijn kleine baas verwonderd en volgde hem wat langzamer.

Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed water lustig staan drinken.

“O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet eens,” zei Tony bij zich zelven. “Wacht, jongetje, je kon wel weer eens zwemmen, net als gisteren met vader.

“Kom hier, Désiré.” Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.

“Zus! zus!” riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn handen als roeper aan zijn mond en riep “zus, zus, Emy!!” Désiré snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide armen vol bloemen had.

“Kijk, Tony, mooi hè,” draag jij ook wat, dan maken we er thuis een boeket van.”

“Ja prachtig,” antwoordde Tony, “leg ze maar even neer en kom eens mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee” en hij trok zus haastig mee naar de rivier.

Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water en riep: “Désiré pak ze.” Désiré bedacht zich niet en met aandacht keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den bek terugkeerde.

Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.

“Kijk,” zei ze, “nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan den overkant.”

“Ja,” zei Tony, “dat is leuk, kom mee!”

Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond stak een eind de rivier in.

“Ik durf eigenlijk niet verder,” zei hij nog.

“He flauw!” zei zus.

“Nou ga jij dan.”

“Ja maar ik ben een klein meisje,” zei de wijsneus.

“Nou vooruit,” zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.

Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam zoo een aardig eindje naar voren.

Désiré stond aan den kant en blafte jankend.

Zus klapte in haar handen van pleizier:“Gooi nou!” riep ze.

“Désiré! pak ze!” riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo’n kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.

“Tony! O, moeder, help!” riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony was een heel eind af....“Moeder! Vader!” gilde ze in haar angst.

“Vader,” gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.

in het water zinken.in het water zinken.

in het water zinken.

Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.

Zus liep wanhopig heen en weer.

De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.

“Gauw, Désiré, gauw,” riep het kind, voelend, dat hij zonk.

Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en dieper in het water zinken, ze zag, dat hijverdween, voordat de hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.

9. De Redding.“O, Désiré,” riep ze smeekend, “houd hem vast, houd hem vast.““Help! help!”riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.“Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan,” riep ze en het was of het moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. “Toe dan, goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan.”“O lieve Heer, laat hem niet verdrinken,” bad ze; boog verder voorover en greep een stuk van Tony’s blouse. Ze trok en trok zoo hard ze kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten ze den drenkeling tegen den kant op.Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan allekanten. Zus boog zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony’s oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van het bloemenveld.“Désiré! hier,” riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met broertje, die maar al sliep. “O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit meer boos op je zijn, loop niet weg.”“Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony,” snikte ze dan en begon hevig te schreien.Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later nogmaals terug te gaan.Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij naderbij en riep: “Wat is er gebeurd? Heeft diejongen in het water gelegen?” Zus keek hem verstomd aan. “Hoe lang is het al geleden” vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, legde zijne hand op Tony’s borst, zijn oor er tegen en begon haastig zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. “Wie ben jelui, ik ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je vlak bij?”Zus zag hoe de man Tony’s armen heen en weer ging bewegen, ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.“Toe kindje,” hijgde de man, “ga toch, daar is een huis. Haal gauw hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, gauw.” Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam er een meisje naar buiten, vroolijk zingendliep ze op zus af en zei vriendelijk. “Wel—wat had de jonge juffer?”Kwam een meisje naar buiten.Kwam een meisje naar buiten.Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei zacht. “Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water gelegen.”“Wie, die man?” zei het meisje verschrikt.“Neen, Tony, en hij heeft z’n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, ik ben zoo bang,” riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van het meisje en wilde haar meetrekken.”“Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!” riep ze naar binnen, “kom gauw mee, er is een in het water gevallen.” Twee lange boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel vooruit.Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:“Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?” “Emy, en hij is Tony,” snikte het kind.“En waar zijn je vader en moeder.” “Naar de kerk.”“Maar bij wie ben jelui hier, dan?” “Bij grootvader, daar,” wees zus, “over het bloemenveld.” “O, wacht, op ‘Nooit gedacht’”.“Ja,” zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar werd gevraagd.Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus sprong op hem toe. “Tony, lieve Tony,” riep ze en zoende hem. Hij keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. “Benauwd,” riep hij toen en begon te braken.Toen rilde hij. “Ik ben zoo koud, Moeder!” zei hij.De dikke man tilde hem op. “Kan je hem dragen,”vroeg hij Jacob. “Ja, geef maar op,” zei de grootste van de jongens en geen moeder had haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan de knaap deed.“Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud,” zei de dikke man.“Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan zoo gauw niet.”De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens korte beentjes moeite deden hen bij te houden.

“O, Désiré,” riep ze smeekend, “houd hem vast, houd hem vast.““Help! help!”riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.

“Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan,” riep ze en het was of het moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. “Toe dan, goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan.”

“O lieve Heer, laat hem niet verdrinken,” bad ze; boog verder voorover en greep een stuk van Tony’s blouse. Ze trok en trok zoo hard ze kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten ze den drenkeling tegen den kant op.

Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan allekanten. Zus boog zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony’s oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.

De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van het bloemenveld.

“Désiré! hier,” riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met broertje, die maar al sliep. “O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit meer boos op je zijn, loop niet weg.”

“Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony,” snikte ze dan en begon hevig te schreien.

Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later nogmaals terug te gaan.

Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij naderbij en riep: “Wat is er gebeurd? Heeft diejongen in het water gelegen?” Zus keek hem verstomd aan. “Hoe lang is het al geleden” vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, legde zijne hand op Tony’s borst, zijn oor er tegen en begon haastig zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. “Wie ben jelui, ik ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je vlak bij?”Zus zag hoe de man Tony’s armen heen en weer ging bewegen, ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.

“Toe kindje,” hijgde de man, “ga toch, daar is een huis. Haal gauw hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, gauw.” Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam er een meisje naar buiten, vroolijk zingendliep ze op zus af en zei vriendelijk. “Wel—wat had de jonge juffer?”

Kwam een meisje naar buiten.Kwam een meisje naar buiten.

Kwam een meisje naar buiten.

Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei zacht. “Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water gelegen.”

“Wie, die man?” zei het meisje verschrikt.

“Neen, Tony, en hij heeft z’n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, ik ben zoo bang,” riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van het meisje en wilde haar meetrekken.”

“Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!” riep ze naar binnen, “kom gauw mee, er is een in het water gevallen.” Twee lange boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel vooruit.

Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:

“Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?” “Emy, en hij is Tony,” snikte het kind.

“En waar zijn je vader en moeder.” “Naar de kerk.”

“Maar bij wie ben jelui hier, dan?” “Bij grootvader, daar,” wees zus, “over het bloemenveld.” “O, wacht, op ‘Nooit gedacht’”.

“Ja,” zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar werd gevraagd.

Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus sprong op hem toe. “Tony, lieve Tony,” riep ze en zoende hem. Hij keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. “Benauwd,” riep hij toen en begon te braken.

Toen rilde hij. “Ik ben zoo koud, Moeder!” zei hij.

De dikke man tilde hem op. “Kan je hem dragen,”vroeg hij Jacob. “Ja, geef maar op,” zei de grootste van de jongens en geen moeder had haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan de knaap deed.

“Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud,” zei de dikke man.“Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan zoo gauw niet.”

De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens korte beentjes moeite deden hen bij te houden.

10.Désiréoverwint.Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje toe. “O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen.”Trijntje verbleekte. “In het water en” .... ze liep de mannen tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: “Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen.”Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje vertelde wat zij wist.“Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen,” lamenteerde Trijntje en sloeg jammerend de handen in elkaar. “Er is niemand thuis.”Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren uit. “Ziezoo,” zei Siem, “nou afdrogen en in een wollen deken in bed.” Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik in de bedstee gestopt.“Wat warme koffie of thee,” zei Siem.En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warmethee met een theelepeltje ingegoten.“Waar is moeder,” vroeg hij nog eens.“Ja, die komt zoo,” zei Siem, “ga nou maar eerst wat slapen.”“Waar ben ik?” vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.“Hier,” zei zus, “bij grootmoe in de bedstee.”Tony werd in een wollen deken gewikkeld.Tonywerd in een wollen deken gewikkeld.Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.“Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen,” vroeg Teun. “Is er niet een fiets van een van de jongens.”“Zeker,” zei Trijn, “pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat de boerin niet te veel schrikt. Nouik bedank jelui wel hoor. Siem blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van je vinden.”Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor het bed zitten.Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje opsprong. “Daar ben ze!” Zus werd door den schok wakker. Ze droomde dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor de bedstee neerzette, riep ze: “Désiré, help dan toch.”De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich over hem heenboog, fluisterde zij: “Lieve goede Désiré, jij hebt hem er uitgehaald,” en ze nam zijn kop in haar armen.Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk op en vloog schreiend op hen toe. “We konden het niet helpen! maar Désiré heeft hem er uitgehaald,”riep ze en vertelde aan één stuk, wat er was gebeurd.Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.“Désiré,” zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.“Vader, moeder,” riep hij zacht en begon te schreien, “ik dacht, dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen.”Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen heen.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Ik heb getrokken,” zei zus.“Hij heeft je er uit gehaald,” zei zus nog eens weer. “Zoete hond.”“Heb ik het niet gedroomd?” vroeg Tony.“Neen,” zei vader, “hoe is het nu? Hoe voel je je?”“Goed vader, ik kan wel opstaan,” en hij wilde overeind komen, maar dat mocht niet.“Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik maar niet,” zei grootmoeder.“Ik heb getrokken,” zei zus nu, “want hij was zoo moe, hij kon haast niet meer.”De tranen sprongen moeder in de oogen. “Die kleine zus en die goeie hond.”“Je bent een flinke meid, hoor,” zei grootvader. “Samen heb jelui hem dus gered.”“Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen,” merkte grootmoeder weer op.“Maar, Désiré was er toch bij,” zei zus weer.“Wat is zoo’n beest toch slim, om hulp te halen.”“Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo’n dier hebben genomen. Eerst heeft hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard.” zei grootvader.“Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je zult het altijd goed bij ons hebben, hoor,” en iedereen op zijn beurt haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier.“Désiré!” riep Tony.Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré’s hals en fluisterde—“Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel als allemaal—net zooveel als jij.” En Tony kwam overeind en in een omarming nam hij zus en Désiré. “Ja, jelui hebt me samen er uitgehaald. Wat ben ik blij—wat ben ik blij.”En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: “Dat is een zegen des Heeren,” en moeder knikte van ja.Samen naar school.Samen naar school.Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, om hem een cadeautje te brengen en naarAnnekeen Teunis en Jacob, om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: “Wacht u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet.” Hoe ver de hond ook was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen ze samen naar de school om Tony af te halen.“Moeder,” zei Tony, “ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij houdt ook meer van den hond.”“Neen,” zei zus ernstig, “ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij mijn lieven schat uit het water heeft gehaald.”“Tony maakt maar gekheid,” antwoordde moeder, “hij weet wel beter.”“Och ja,” zei Tony lachend, “ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu drie trouwe kameraden. Kom hier” en hij tilde zus op den rug van Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en moeder keken hen dankbaar lachend na.

Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje toe. “O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen.”

Trijntje verbleekte. “In het water en” .... ze liep de mannen tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: “Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen.”

Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.

Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje vertelde wat zij wist.

“Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen,” lamenteerde Trijntje en sloeg jammerend de handen in elkaar. “Er is niemand thuis.”

Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren uit. “Ziezoo,” zei Siem, “nou afdrogen en in een wollen deken in bed.” Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik in de bedstee gestopt.

“Wat warme koffie of thee,” zei Siem.

En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warmethee met een theelepeltje ingegoten.

“Waar is moeder,” vroeg hij nog eens.

“Ja, die komt zoo,” zei Siem, “ga nou maar eerst wat slapen.”

“Waar ben ik?” vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.

“Hier,” zei zus, “bij grootmoe in de bedstee.”

Tony werd in een wollen deken gewikkeld.Tonywerd in een wollen deken gewikkeld.

Tonywerd in een wollen deken gewikkeld.

Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.

“Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen,” vroeg Teun. “Is er niet een fiets van een van de jongens.”

“Zeker,” zei Trijn, “pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat de boerin niet te veel schrikt. Nouik bedank jelui wel hoor. Siem blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van je vinden.”

Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor het bed zitten.

Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.

De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje opsprong. “Daar ben ze!” Zus werd door den schok wakker. Ze droomde dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor de bedstee neerzette, riep ze: “Désiré, help dan toch.”

De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich over hem heenboog, fluisterde zij: “Lieve goede Désiré, jij hebt hem er uitgehaald,” en ze nam zijn kop in haar armen.

Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk op en vloog schreiend op hen toe. “We konden het niet helpen! maar Désiré heeft hem er uitgehaald,”riep ze en vertelde aan één stuk, wat er was gebeurd.

Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.

“Désiré,” zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.

“Vader, moeder,” riep hij zacht en begon te schreien, “ik dacht, dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen.”

Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen heen.

“Ik heb getrokken,” zei zus.“Ik heb getrokken,” zei zus.

“Ik heb getrokken,” zei zus.

“Hij heeft je er uit gehaald,” zei zus nog eens weer. “Zoete hond.”

“Heb ik het niet gedroomd?” vroeg Tony.

“Neen,” zei vader, “hoe is het nu? Hoe voel je je?”

“Goed vader, ik kan wel opstaan,” en hij wilde overeind komen, maar dat mocht niet.

“Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik maar niet,” zei grootmoeder.

“Ik heb getrokken,” zei zus nu, “want hij was zoo moe, hij kon haast niet meer.”

De tranen sprongen moeder in de oogen. “Die kleine zus en die goeie hond.”

“Je bent een flinke meid, hoor,” zei grootvader. “Samen heb jelui hem dus gered.”

“Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen,” merkte grootmoeder weer op.

“Maar, Désiré was er toch bij,” zei zus weer.

“Wat is zoo’n beest toch slim, om hulp te halen.”

“Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo’n dier hebben genomen. Eerst heeft hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard.” zei grootvader.

“Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je zult het altijd goed bij ons hebben, hoor,” en iedereen op zijn beurt haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier.“Désiré!” riep Tony.

Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré’s hals en fluisterde—“Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel als allemaal—net zooveel als jij.” En Tony kwam overeind en in een omarming nam hij zus en Désiré. “Ja, jelui hebt me samen er uitgehaald. Wat ben ik blij—wat ben ik blij.”

En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: “Dat is een zegen des Heeren,” en moeder knikte van ja.

Samen naar school.Samen naar school.

Samen naar school.

Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, om hem een cadeautje te brengen en naarAnnekeen Teunis en Jacob, om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: “Wacht u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet.” Hoe ver de hond ook was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.

Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen ze samen naar de school om Tony af te halen.

“Moeder,” zei Tony, “ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij houdt ook meer van den hond.”

“Neen,” zei zus ernstig, “ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij mijn lieven schat uit het water heeft gehaald.”

“Tony maakt maar gekheid,” antwoordde moeder, “hij weet wel beter.”

“Och ja,” zei Tony lachend, “ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu drie trouwe kameraden. Kom hier” en hij tilde zus op den rug van Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en moeder keken hen dankbaar lachend na.

1Zie titelplaat.

1Zie titelplaat.


Back to IndexNext