II. Treintje spelen.

II. Treintje spelen.“Moesje, toe, zegt u maar ja”.“Moesje, toe, zegt u maar ja”.“Moesje, toe, zegt umaar ja,”Vleien Hans en Jantje,En het kleintje streelthaar wangMet zijn dikke handje.“Neen,” zegt Moeder,“JannemanJullie moet niet zeuren,’k Moet eerst weten,wat je wilt,Of ’t zal niet gebeuren.”“Treintje spelen,Moesje toe!’k Heb zoo’n heelmooi fluitje.Dan ben ik de conducteur;Machinist is Truitje.Anna zit aan het loketKaartjes te verkoopen.Hansje wil met vaders taschMet de kranten loopen.“U en zus zijn passagiers,En dan nog de poppen.Aap en beertje zal ik inBeestenwagens stoppen.”Moeder lacht en Moeder knikt.“O, het mag, gauw stoelen!Zet ze alle op een rij,”Zie ze eens krioelen!Eindlijk is de trein gereed.“Hola, conducteurtje!”Roept Moe hijgend van de haast“Doe—gauw open—’t deurtje.”Jantje zegt: “Stap in, Mevrouw,”Opent het portiertje.—“Maar de trein vertrekt nog niet,—’k Zet het op een kiertje.”Waarlijk daar komt grootmoe ook,Loopend op een vaartje.”’k Moet ook mee naar Amsterdam,Geef me gauw een kaartje.”Lijsje gaat in d’ eerste klasIn de derde Jetje.“Mag ik ook nog mee,” zegt PaNu dat wordt een pretje!“Kranten, Heeren, ’t Nieuws!” zegt Hans,”’t Handelsblad of ’t Leven!”Jantje zegt: “’t portier moet dicht,”Vader: “wacht nog even!”“Daar komt nog een juffrouw aanIn een wit toiletje.”Jan kijkt om, wie dat mag zijn?Wel, ’t is poes Minetje.Jan tilt poes ook in den treinEn gaat kaartjes knippen.Daarvoor moet hij iederen keerOp de treeplank wippen.“Nu—vertrek! ’t is klaar! Vooruit!”Roept hij dan tot Truitje.En hij blaast zoo hard hij kan,Op zijn schelle fluitje.Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!Ja, dat moet zoo, weet je.De machine stampt en blaastHansje helpt een beetje.En do machinist roept: “Tuu!”“Dag! Dag!” wat een leven!Jongens, zou de echte treinZooveel pret wel geven?Jan tilt poes ook in den trein.Jan tilt poes ook in den trein.III. De goudklomp.1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden heel ijverig. Het was soms zoo’n gehamer en geklop, dat de mieren er hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een eigen woning hebben moest.Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodatSoliman van schrik zijn houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: “Maar wat is er dan toch Orleman. Wat heb je dan toch?” Orleman stond als razend in de rondte te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, omdat hij een rood pakje aan had.De jongste prinses.De jongste prinses.Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel hij niets meer zien kon.“Kijk jij dan,” gilde hij uit—“Goud—echt goud.”“Och wat?” zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, “och wat.” Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef verstomd staan kijken.“Ja, ja,”knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, “Ja, ja! ’tisecht goud.” Toen grepen ze elkaar beet en dansten, voorover achterover, links en rechts zoo’n echt mooien dwergendans, zooals niemand ooitheeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien klomp zouden beginnen.“Weet je wat,” zei Orleman na veel over en weer praten: “Als de jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op.”zoo’n echt mooien dwergendans.zoo’n echt mooien dwergendans.“Goed,” zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon redeneeren, als een schooljongen—en ze gooiden de mutsen op, maar toen ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was je de knapste schooljongen geweest.“Nou,” zei Orleman weer, “dan weet ik nog wat.” En Soliman luisterde al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen verstandskies had. “We brengen hem aan den koning.” “Ja, aan den koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten beginnen.”“Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen.”Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een groot leger mieren aangewandeld.Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met hun allen op den klomp goud af.Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam ten laatste aan voor het paleis van den koning.Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits kamerjapon aande tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon ’n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. “Wat—pff—verlangt gij pff! Orleman?” pff pff!“Sire,” sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard den grond raakte; “Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, dat uwe Majesteit niet wijs is—hm—hm—alleen, maar ook goedertierend en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk, omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafelen sprak langzaam deze woorden:“Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.“Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk.” Toen wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.Toen Orleman buiten kwam en ’s konings woorden aan Soliman meedeelde, krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen, dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met zoo’n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een oogenblik verstomde.“Zie zoo,” zei Orleman, “nu niet verder. Laten we nu eerst eens beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen,” en hij ging er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en met stille trom den aftocht bliezen.Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het menschenkind, dat de koning bedoeld had.Zoo togen ze samen op weg.2. Wie zal hem hebben?Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.“Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar ’t veld niet om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er beter van. Ik wou, dat ik geld had—en die anderen, ze lachen maar, en ze werken maar en—”. “Kom,” zei Orleman, “hij is het niet. Geld kan hem niet gelukkig maken.”—Soliman was ook al opgestaan. Dezen man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de gedachten niet hooren.Een eenzame manEen eenzame man“Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O,hoe kon je je vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn kind slecht is....”“Ga mee,” zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen, “ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen; maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven.”En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den rijken man.Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde in een pan, terwijl ze een liedje zong.Soliman zei: “Die konden wel wat geld gebruiken” en Orleman antwoordde: “Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben” en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes spitsten hunne ooren.“Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.Op den weg een kermiswagen.Op den weg een kermiswagen.“Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er dan voor.”“Ja,” antwoordde de bedroefde, “jij hebt goed praten. Jij kan je fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd maar is:—Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers hebben.—Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik ging de wijde wereld in en reizen en—”“Vooruit maar,” zei Orleman en ze gingen weer verder. “Die moet vooral geen geld hebben.”Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: “Ach, al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger niet best en nu—”.“Daar zal het ook al niet helpen,” zei Orleman, “die kunnen we niet met goud helpen.”“Neen,” zuchtte Soliman, “maar laat die man voorzichtig zijn, dat hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn vrouw en kinderen, ’t is—’t is een—een schande voor een man,” en hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het vast hield, omdat die er duizelig van werd.Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of gedachten: “Als ik maar geld had.” Maar de bedroefden waren meest met geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zoudener niet wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het verdiend hadden.Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten uitrusten.“Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was,” zei Soliman, toen hij een beetje op adem was gekomen.“Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?”Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.“Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van anderen,” merkte Soliman op.Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd venstertje van een klein, vervallen huis.Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.3. Wat de dwergen verder zagen.Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten, sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten, waar geen enkele lantaarn brandde.“Kom!” zei Orleman, “daarheen!” en hij trok zijn muts over de ooren en greep de hand van zijn kameraad.Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren, maar Orleman hield hem terug.“Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar boven klimmen.” In een oogwenk waren ze op het dak.1Toen tegen den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de opening heen en keek naar beneden.“In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom maar!” Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. “Ssst, stil!” riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den grooten schoorsteen en zagen:—Aan een ruw houten tafel zat bij een kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed de wanden kraken.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de gordijnen gesloten waren.Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.“Och, lieve Heer,” prevelde zij “als moeder maarniet wakker wordt. Och ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo’n honger, och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van ’t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder en voor broertje.” De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig om zich heen.“Drinken,” fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen zochten angstig rond: “Is vader daar, lieveling.—Ja hè. Ben je daar Leendert. Geef me wat drinken.”—“Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw.”“Ja, gauw dan, gauw,” stamelde de zieke, dronk haastig en liet het moede hoofd weer in de kussens vallen.“Ja moesje, vader komt,” snikte het kind en boog zich over haar moeder en drukte een kus op haar wang.“Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij isonschuldig—ze kunnen hem niet langer houden—Ga nu slapen, kindje—of jij wordt ook ziek. Kom gauw—slapen”—en de zieke sloot de oogen en sliep zelve weer in.Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek tevoorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger te krijten. “Stil dan, broertje”—suste Liesje, en ze legde het mondje tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet; hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer op en fluisterde sussend:“Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja.” En ze suste het hongerige kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.“Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook die vader bestolen hebben—arme vader!” en snikkend liet ze het hoofd op de armen vallen voorover op de tafel.Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De tranen liepen langs hun wangen.Die van Soliman vielen op Orlemans neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.Greep zijn eenen been.Greep zijn eenen been.“Ik kan het niet langer aanzien,” fluisterde hij. “Ik zal haar even helpen.” Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even en—was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend, op zijn arm zat.“Vooruit nu,” zei Orleman, “naar boven!” En Soliman trok zich aan een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.“Wacht even,” zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.“Die is ’t” zei Soliman. “Die kan ’t zijn!” antwoordde Orleman voorzichtiger. “We moeten eerst dien vader zien.“Juist juist! we moeten eerst dien vader zien.”4. Gevonden.“Ben je klaar met je zakdoek? kom dan.” Weer greep Orleman Solimans hand maar meteen riep hij nu: “Och! lieve wind, neem ons mee, neem ons mee!” De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:“komt maar”en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans riep:“Hola! dank je wel. We zijn er.” Toen stonden ze ineens stil op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: “Hier is het,” en voor één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht door een klein getralied venster in een somber vertrek op’tgezicht van een man, die op een bank lag uitgestrekt.“Slaapt hij?” vroeg Soliman. “Neen,” antwoordde Orleman; “hij denkt; luister!”“Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe zou ’t ook. Ik ben onschuldig—gestolen hebben ze mij het geld dat mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben, al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij zoo lijden moesten dat—o, die schurken—ik zou—neen—neen, ik moet mijn vijanden vergeven.—Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind terug zal zien.—Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er maar niet door lijden moesten.” Snikkend verborg hij het gezicht in de handen.En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een verkwikkenden slaap.Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al dieverloren hadden, alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw begon.De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.Toen eerst sprak Soliman:“Zullen we ’t den koning vragen, of ’t deze menschen zijn?”“Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker, dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen nacht,” antwoordde Orleman.“Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud niet geven. Daar zou ze niets aan hebben” merkte Soliman op, verheugd, dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.“Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen.”Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den vriendelijken hollen boom.“Goede vriend,” zei Orleman. “Wil je ons den klomp alsjeblieft weer teruggeven?” want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude, holle boomen.“Zeker, zeker,” antwoordde de boom, die kraaktevan den storm en hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. “Dank je wel, hoor.”Wacht nog even.Wacht nog even.Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.“Ziezoo,” zei Orleman. “Nu zullen we een paar stukjes er af slaan.” Zij zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep Orleman echter: “Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen vliegen.” Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van het goud, maar de zakdoek bleef heel.—Jammer dat jongens zakdoeken ook niet zoo gemaakt zijn.“Genoeg!” riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.5. De opdracht wordt volbracht.In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen, zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud zou vinden.Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets van bemerkt.“Ga mee kijken, kom,” riep Orleman, die niet langer wachten wilde. “Ik zal haar wakker maken,” en ze lieten zich weer naar beneden glijden en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden, want ze huiverde in haar slaap.“Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden, dan zal ik haar naar bed sturen,” zei Orleman; meteen nam hij een goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.“Kom,” zei Orleman zacht, “neem het maar. Het is goud voor jou, lief kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom krijg je dit van de aardmannetjes.”“Voor mij,” vroeg ze nu.—“Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den haard en—.”“Voor mij?” vroeg ze nu.“Voor mij?” vroeg ze nu.“Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden.”Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.“Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geenkwaad gedaan, dat kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker,” riep ze haastig achter elkaar.“Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen, want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren.”“O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank u wel” en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.“Neen, neen,” riep Orleman “dat zijn we niet gewend” en meteen zetten ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken ze nog even om.Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen hoorden ze nog heel zacht: “Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen.”—Toen werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen metvluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen, maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes kwamen voorbij hollen: “Ik ben zoo bang,” zei het eene. “Hoe durf je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer.” “Och, kom, gauw maar, deze weg is veel korter,” en weg waren ze. Langen tijd kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.“Hij is ’t,” zei Orleman. “Ja, ja!” zei Soliman. Ze schoven een beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en mompelde in zich zelf:“Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,” en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen hem tegen.Hij wreef zich over het voorhoofd. “Wat heb ik nu?” mompelde hij. “Dat heb ik vannacht gedroomd. Ikslaap toch niet meer.” Hij stampte op den grond.Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met zijn voet den steen aan.—“Kom, ik ben een dwaas,” zei hij tot zich zelf. “Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet verder, of ik kom te laat aan den trein.”Hij keek er naar.Hij keek er naar.Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen loopen, maar bleef staan. “Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? ’t kan toch geen kwaad, al is het een dwaasheid.” Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.“Zie zoo—hij begrijpt het nog niet,” zei Soliman.“Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen.Ga je mee, dan zijn we er eerder dan hij.”Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis vervolgde naar huis.6. Weer gelukkig.Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het huisje van Liesje in het bosch.“Aha!” riep Orleman, “ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard.” “Jammer, jammer,” antwoordde zijn vriend. “Welneen, niets jammer; nu hebben zij het warm. En wij gaan door de deur.”Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in het eenige vertrekje van het huis.Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.“Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit.”En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op de deken stond een bordje met papen ze was bezig met eten, Een lach kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.“Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar zóó zien.”“Vader komt toch gauw, ’t wordt nu alles weer goed.”“Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken.” “Ja,” zei Liesje, “die lieve aardmannetjes!”Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.Daar klonk buiten een stap.“Stil,” zei moeder en wierp de lepel op haar bord, “pak eens aan Liesje. Daar is hij!” en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep het bordje, legde broertjein moeders arm en wilde naar de deur loopen, maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.Vragend zag hij naar binnen: “Vader!” gilde Liesje en wierp zich in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.“Leendert!” stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en zeide schor van het schreien: “Ben je ziek, Elsje, ziek en—” toen zag hij het kleintje in haar armen.“Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt.” En vader nam ook dit kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.“Och kom,” zei vader, “was het goud?”“Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft me er geld voor gegeven en ik heb nog meer.” Ze sprong van vaders schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.“Zou het toch?” prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.“Dit lijkt ook goud, maar—dan moet ik te wetenkomen, wie dat in het park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van.” Hij bekeek de kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar voren en bleven voor vader en Liesje staan.“O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman. “Wij hebben slechts onzen plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het is voor u.—Weest gelukkig.”“Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven.”“Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is volbracht. Weest gelukkig!” antwoordde Orleman en met een vriendelijken groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder en Liesje.De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze binnen moesten komen.“Wel?” vroeg zijne Majesteit. “Hebt ge hen gevonden.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Sire, door den klomp goud, hebben we een geheelgezin liet verloren geluk weergegeven,” zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn vertellen.“Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke Hoogheid.”Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk gebracht.1Zie plaat omslag.

II. Treintje spelen.“Moesje, toe, zegt u maar ja”.“Moesje, toe, zegt u maar ja”.“Moesje, toe, zegt umaar ja,”Vleien Hans en Jantje,En het kleintje streelthaar wangMet zijn dikke handje.“Neen,” zegt Moeder,“JannemanJullie moet niet zeuren,’k Moet eerst weten,wat je wilt,Of ’t zal niet gebeuren.”“Treintje spelen,Moesje toe!’k Heb zoo’n heelmooi fluitje.Dan ben ik de conducteur;Machinist is Truitje.Anna zit aan het loketKaartjes te verkoopen.Hansje wil met vaders taschMet de kranten loopen.“U en zus zijn passagiers,En dan nog de poppen.Aap en beertje zal ik inBeestenwagens stoppen.”Moeder lacht en Moeder knikt.“O, het mag, gauw stoelen!Zet ze alle op een rij,”Zie ze eens krioelen!Eindlijk is de trein gereed.“Hola, conducteurtje!”Roept Moe hijgend van de haast“Doe—gauw open—’t deurtje.”Jantje zegt: “Stap in, Mevrouw,”Opent het portiertje.—“Maar de trein vertrekt nog niet,—’k Zet het op een kiertje.”Waarlijk daar komt grootmoe ook,Loopend op een vaartje.”’k Moet ook mee naar Amsterdam,Geef me gauw een kaartje.”Lijsje gaat in d’ eerste klasIn de derde Jetje.“Mag ik ook nog mee,” zegt PaNu dat wordt een pretje!“Kranten, Heeren, ’t Nieuws!” zegt Hans,”’t Handelsblad of ’t Leven!”Jantje zegt: “’t portier moet dicht,”Vader: “wacht nog even!”“Daar komt nog een juffrouw aanIn een wit toiletje.”Jan kijkt om, wie dat mag zijn?Wel, ’t is poes Minetje.Jan tilt poes ook in den treinEn gaat kaartjes knippen.Daarvoor moet hij iederen keerOp de treeplank wippen.“Nu—vertrek! ’t is klaar! Vooruit!”Roept hij dan tot Truitje.En hij blaast zoo hard hij kan,Op zijn schelle fluitje.Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!Ja, dat moet zoo, weet je.De machine stampt en blaastHansje helpt een beetje.En do machinist roept: “Tuu!”“Dag! Dag!” wat een leven!Jongens, zou de echte treinZooveel pret wel geven?Jan tilt poes ook in den trein.Jan tilt poes ook in den trein.

“Moesje, toe, zegt u maar ja”.“Moesje, toe, zegt u maar ja”.

“Moesje, toe, zegt u maar ja”.

“Moesje, toe, zegt umaar ja,”Vleien Hans en Jantje,En het kleintje streelthaar wangMet zijn dikke handje.

“Moesje, toe, zegt umaar ja,”Vleien Hans en Jantje,En het kleintje streelthaar wangMet zijn dikke handje.

“Moesje, toe, zegt u

maar ja,”

Vleien Hans en Jantje,

En het kleintje streelt

haar wang

Met zijn dikke handje.

“Neen,” zegt Moeder,“JannemanJullie moet niet zeuren,’k Moet eerst weten,wat je wilt,Of ’t zal niet gebeuren.”

“Neen,” zegt Moeder,“JannemanJullie moet niet zeuren,’k Moet eerst weten,wat je wilt,Of ’t zal niet gebeuren.”

“Neen,” zegt Moeder,

“Janneman

Jullie moet niet zeuren,

’k Moet eerst weten,

wat je wilt,

Of ’t zal niet gebeuren.”

“Treintje spelen,Moesje toe!’k Heb zoo’n heelmooi fluitje.Dan ben ik de conducteur;Machinist is Truitje.Anna zit aan het loketKaartjes te verkoopen.Hansje wil met vaders taschMet de kranten loopen.

“Treintje spelen,Moesje toe!’k Heb zoo’n heelmooi fluitje.Dan ben ik de conducteur;Machinist is Truitje.Anna zit aan het loketKaartjes te verkoopen.Hansje wil met vaders taschMet de kranten loopen.

“Treintje spelen,

Moesje toe!

’k Heb zoo’n heel

mooi fluitje.

Dan ben ik de conducteur;

Machinist is Truitje.

Anna zit aan het loket

Kaartjes te verkoopen.

Hansje wil met vaders tasch

Met de kranten loopen.

“U en zus zijn passagiers,En dan nog de poppen.Aap en beertje zal ik inBeestenwagens stoppen.”

“U en zus zijn passagiers,En dan nog de poppen.Aap en beertje zal ik inBeestenwagens stoppen.”

“U en zus zijn passagiers,

En dan nog de poppen.

Aap en beertje zal ik in

Beestenwagens stoppen.”

Moeder lacht en Moeder knikt.“O, het mag, gauw stoelen!Zet ze alle op een rij,”Zie ze eens krioelen!

Moeder lacht en Moeder knikt.“O, het mag, gauw stoelen!Zet ze alle op een rij,”Zie ze eens krioelen!

Moeder lacht en Moeder knikt.

“O, het mag, gauw stoelen!

Zet ze alle op een rij,”

Zie ze eens krioelen!

Eindlijk is de trein gereed.“Hola, conducteurtje!”Roept Moe hijgend van de haast“Doe—gauw open—’t deurtje.”

Eindlijk is de trein gereed.“Hola, conducteurtje!”Roept Moe hijgend van de haast“Doe—gauw open—’t deurtje.”

Eindlijk is de trein gereed.

“Hola, conducteurtje!”

Roept Moe hijgend van de haast

“Doe—gauw open—’t deurtje.”

Jantje zegt: “Stap in, Mevrouw,”Opent het portiertje.—“Maar de trein vertrekt nog niet,—’k Zet het op een kiertje.”

Jantje zegt: “Stap in, Mevrouw,”Opent het portiertje.—“Maar de trein vertrekt nog niet,—’k Zet het op een kiertje.”

Jantje zegt: “Stap in, Mevrouw,”

Opent het portiertje.

—“Maar de trein vertrekt nog niet,—

’k Zet het op een kiertje.”

Waarlijk daar komt grootmoe ook,Loopend op een vaartje.”’k Moet ook mee naar Amsterdam,Geef me gauw een kaartje.”

Waarlijk daar komt grootmoe ook,Loopend op een vaartje.”’k Moet ook mee naar Amsterdam,Geef me gauw een kaartje.”

Waarlijk daar komt grootmoe ook,

Loopend op een vaartje.

”’k Moet ook mee naar Amsterdam,

Geef me gauw een kaartje.”

Lijsje gaat in d’ eerste klasIn de derde Jetje.“Mag ik ook nog mee,” zegt PaNu dat wordt een pretje!

Lijsje gaat in d’ eerste klasIn de derde Jetje.“Mag ik ook nog mee,” zegt PaNu dat wordt een pretje!

Lijsje gaat in d’ eerste klas

In de derde Jetje.

“Mag ik ook nog mee,” zegt Pa

Nu dat wordt een pretje!

“Kranten, Heeren, ’t Nieuws!” zegt Hans,”’t Handelsblad of ’t Leven!”Jantje zegt: “’t portier moet dicht,”Vader: “wacht nog even!”

“Kranten, Heeren, ’t Nieuws!” zegt Hans,”’t Handelsblad of ’t Leven!”Jantje zegt: “’t portier moet dicht,”Vader: “wacht nog even!”

“Kranten, Heeren, ’t Nieuws!” zegt Hans,

”’t Handelsblad of ’t Leven!”

Jantje zegt: “’t portier moet dicht,”

Vader: “wacht nog even!”

“Daar komt nog een juffrouw aanIn een wit toiletje.”Jan kijkt om, wie dat mag zijn?Wel, ’t is poes Minetje.

“Daar komt nog een juffrouw aanIn een wit toiletje.”Jan kijkt om, wie dat mag zijn?Wel, ’t is poes Minetje.

“Daar komt nog een juffrouw aan

In een wit toiletje.”

Jan kijkt om, wie dat mag zijn?

Wel, ’t is poes Minetje.

Jan tilt poes ook in den treinEn gaat kaartjes knippen.Daarvoor moet hij iederen keerOp de treeplank wippen.

Jan tilt poes ook in den treinEn gaat kaartjes knippen.Daarvoor moet hij iederen keerOp de treeplank wippen.

Jan tilt poes ook in den trein

En gaat kaartjes knippen.

Daarvoor moet hij iederen keer

Op de treeplank wippen.

“Nu—vertrek! ’t is klaar! Vooruit!”Roept hij dan tot Truitje.En hij blaast zoo hard hij kan,Op zijn schelle fluitje.

“Nu—vertrek! ’t is klaar! Vooruit!”Roept hij dan tot Truitje.En hij blaast zoo hard hij kan,Op zijn schelle fluitje.

“Nu—vertrek! ’t is klaar! Vooruit!”

Roept hij dan tot Truitje.

En hij blaast zoo hard hij kan,

Op zijn schelle fluitje.

Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!Ja, dat moet zoo, weet je.De machine stampt en blaastHansje helpt een beetje.

Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!Ja, dat moet zoo, weet je.De machine stampt en blaastHansje helpt een beetje.

Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!

Ja, dat moet zoo, weet je.

De machine stampt en blaast

Hansje helpt een beetje.

En do machinist roept: “Tuu!”“Dag! Dag!” wat een leven!Jongens, zou de echte treinZooveel pret wel geven?

En do machinist roept: “Tuu!”“Dag! Dag!” wat een leven!Jongens, zou de echte treinZooveel pret wel geven?

En do machinist roept: “Tuu!”

“Dag! Dag!” wat een leven!

Jongens, zou de echte trein

Zooveel pret wel geven?

Jan tilt poes ook in den trein.Jan tilt poes ook in den trein.

Jan tilt poes ook in den trein.

III. De goudklomp.1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden heel ijverig. Het was soms zoo’n gehamer en geklop, dat de mieren er hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een eigen woning hebben moest.Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodatSoliman van schrik zijn houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: “Maar wat is er dan toch Orleman. Wat heb je dan toch?” Orleman stond als razend in de rondte te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, omdat hij een rood pakje aan had.De jongste prinses.De jongste prinses.Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel hij niets meer zien kon.“Kijk jij dan,” gilde hij uit—“Goud—echt goud.”“Och wat?” zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, “och wat.” Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef verstomd staan kijken.“Ja, ja,”knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, “Ja, ja! ’tisecht goud.” Toen grepen ze elkaar beet en dansten, voorover achterover, links en rechts zoo’n echt mooien dwergendans, zooals niemand ooitheeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien klomp zouden beginnen.“Weet je wat,” zei Orleman na veel over en weer praten: “Als de jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op.”zoo’n echt mooien dwergendans.zoo’n echt mooien dwergendans.“Goed,” zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon redeneeren, als een schooljongen—en ze gooiden de mutsen op, maar toen ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was je de knapste schooljongen geweest.“Nou,” zei Orleman weer, “dan weet ik nog wat.” En Soliman luisterde al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen verstandskies had. “We brengen hem aan den koning.” “Ja, aan den koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten beginnen.”“Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen.”Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een groot leger mieren aangewandeld.Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met hun allen op den klomp goud af.Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam ten laatste aan voor het paleis van den koning.Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits kamerjapon aande tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon ’n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. “Wat—pff—verlangt gij pff! Orleman?” pff pff!“Sire,” sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard den grond raakte; “Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, dat uwe Majesteit niet wijs is—hm—hm—alleen, maar ook goedertierend en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk, omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafelen sprak langzaam deze woorden:“Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.“Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk.” Toen wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.Toen Orleman buiten kwam en ’s konings woorden aan Soliman meedeelde, krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen, dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met zoo’n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een oogenblik verstomde.“Zie zoo,” zei Orleman, “nu niet verder. Laten we nu eerst eens beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen,” en hij ging er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en met stille trom den aftocht bliezen.Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het menschenkind, dat de koning bedoeld had.Zoo togen ze samen op weg.2. Wie zal hem hebben?Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.“Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar ’t veld niet om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er beter van. Ik wou, dat ik geld had—en die anderen, ze lachen maar, en ze werken maar en—”. “Kom,” zei Orleman, “hij is het niet. Geld kan hem niet gelukkig maken.”—Soliman was ook al opgestaan. Dezen man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de gedachten niet hooren.Een eenzame manEen eenzame man“Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O,hoe kon je je vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn kind slecht is....”“Ga mee,” zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen, “ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen; maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven.”En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den rijken man.Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde in een pan, terwijl ze een liedje zong.Soliman zei: “Die konden wel wat geld gebruiken” en Orleman antwoordde: “Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben” en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes spitsten hunne ooren.“Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.Op den weg een kermiswagen.Op den weg een kermiswagen.“Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er dan voor.”“Ja,” antwoordde de bedroefde, “jij hebt goed praten. Jij kan je fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd maar is:—Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers hebben.—Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik ging de wijde wereld in en reizen en—”“Vooruit maar,” zei Orleman en ze gingen weer verder. “Die moet vooral geen geld hebben.”Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: “Ach, al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger niet best en nu—”.“Daar zal het ook al niet helpen,” zei Orleman, “die kunnen we niet met goud helpen.”“Neen,” zuchtte Soliman, “maar laat die man voorzichtig zijn, dat hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn vrouw en kinderen, ’t is—’t is een—een schande voor een man,” en hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het vast hield, omdat die er duizelig van werd.Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of gedachten: “Als ik maar geld had.” Maar de bedroefden waren meest met geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zoudener niet wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het verdiend hadden.Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten uitrusten.“Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was,” zei Soliman, toen hij een beetje op adem was gekomen.“Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?”Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.“Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van anderen,” merkte Soliman op.Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd venstertje van een klein, vervallen huis.Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.3. Wat de dwergen verder zagen.Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten, sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten, waar geen enkele lantaarn brandde.“Kom!” zei Orleman, “daarheen!” en hij trok zijn muts over de ooren en greep de hand van zijn kameraad.Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren, maar Orleman hield hem terug.“Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar boven klimmen.” In een oogwenk waren ze op het dak.1Toen tegen den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de opening heen en keek naar beneden.“In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom maar!” Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. “Ssst, stil!” riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den grooten schoorsteen en zagen:—Aan een ruw houten tafel zat bij een kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed de wanden kraken.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de gordijnen gesloten waren.Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.“Och, lieve Heer,” prevelde zij “als moeder maarniet wakker wordt. Och ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo’n honger, och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van ’t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder en voor broertje.” De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig om zich heen.“Drinken,” fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen zochten angstig rond: “Is vader daar, lieveling.—Ja hè. Ben je daar Leendert. Geef me wat drinken.”—“Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw.”“Ja, gauw dan, gauw,” stamelde de zieke, dronk haastig en liet het moede hoofd weer in de kussens vallen.“Ja moesje, vader komt,” snikte het kind en boog zich over haar moeder en drukte een kus op haar wang.“Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij isonschuldig—ze kunnen hem niet langer houden—Ga nu slapen, kindje—of jij wordt ook ziek. Kom gauw—slapen”—en de zieke sloot de oogen en sliep zelve weer in.Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek tevoorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger te krijten. “Stil dan, broertje”—suste Liesje, en ze legde het mondje tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet; hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer op en fluisterde sussend:“Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja.” En ze suste het hongerige kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.“Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook die vader bestolen hebben—arme vader!” en snikkend liet ze het hoofd op de armen vallen voorover op de tafel.Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De tranen liepen langs hun wangen.Die van Soliman vielen op Orlemans neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.Greep zijn eenen been.Greep zijn eenen been.“Ik kan het niet langer aanzien,” fluisterde hij. “Ik zal haar even helpen.” Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even en—was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend, op zijn arm zat.“Vooruit nu,” zei Orleman, “naar boven!” En Soliman trok zich aan een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.“Wacht even,” zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.“Die is ’t” zei Soliman. “Die kan ’t zijn!” antwoordde Orleman voorzichtiger. “We moeten eerst dien vader zien.“Juist juist! we moeten eerst dien vader zien.”4. Gevonden.“Ben je klaar met je zakdoek? kom dan.” Weer greep Orleman Solimans hand maar meteen riep hij nu: “Och! lieve wind, neem ons mee, neem ons mee!” De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:“komt maar”en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans riep:“Hola! dank je wel. We zijn er.” Toen stonden ze ineens stil op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: “Hier is het,” en voor één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht door een klein getralied venster in een somber vertrek op’tgezicht van een man, die op een bank lag uitgestrekt.“Slaapt hij?” vroeg Soliman. “Neen,” antwoordde Orleman; “hij denkt; luister!”“Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe zou ’t ook. Ik ben onschuldig—gestolen hebben ze mij het geld dat mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben, al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij zoo lijden moesten dat—o, die schurken—ik zou—neen—neen, ik moet mijn vijanden vergeven.—Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind terug zal zien.—Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er maar niet door lijden moesten.” Snikkend verborg hij het gezicht in de handen.En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een verkwikkenden slaap.Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al dieverloren hadden, alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw begon.De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.Toen eerst sprak Soliman:“Zullen we ’t den koning vragen, of ’t deze menschen zijn?”“Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker, dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen nacht,” antwoordde Orleman.“Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud niet geven. Daar zou ze niets aan hebben” merkte Soliman op, verheugd, dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.“Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen.”Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den vriendelijken hollen boom.“Goede vriend,” zei Orleman. “Wil je ons den klomp alsjeblieft weer teruggeven?” want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude, holle boomen.“Zeker, zeker,” antwoordde de boom, die kraaktevan den storm en hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. “Dank je wel, hoor.”Wacht nog even.Wacht nog even.Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.“Ziezoo,” zei Orleman. “Nu zullen we een paar stukjes er af slaan.” Zij zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep Orleman echter: “Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen vliegen.” Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van het goud, maar de zakdoek bleef heel.—Jammer dat jongens zakdoeken ook niet zoo gemaakt zijn.“Genoeg!” riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.5. De opdracht wordt volbracht.In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen, zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud zou vinden.Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets van bemerkt.“Ga mee kijken, kom,” riep Orleman, die niet langer wachten wilde. “Ik zal haar wakker maken,” en ze lieten zich weer naar beneden glijden en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden, want ze huiverde in haar slaap.“Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden, dan zal ik haar naar bed sturen,” zei Orleman; meteen nam hij een goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.“Kom,” zei Orleman zacht, “neem het maar. Het is goud voor jou, lief kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom krijg je dit van de aardmannetjes.”“Voor mij,” vroeg ze nu.—“Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den haard en—.”“Voor mij?” vroeg ze nu.“Voor mij?” vroeg ze nu.“Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden.”Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.“Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geenkwaad gedaan, dat kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker,” riep ze haastig achter elkaar.“Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen, want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren.”“O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank u wel” en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.“Neen, neen,” riep Orleman “dat zijn we niet gewend” en meteen zetten ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken ze nog even om.Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen hoorden ze nog heel zacht: “Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen.”—Toen werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen metvluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen, maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes kwamen voorbij hollen: “Ik ben zoo bang,” zei het eene. “Hoe durf je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer.” “Och, kom, gauw maar, deze weg is veel korter,” en weg waren ze. Langen tijd kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.“Hij is ’t,” zei Orleman. “Ja, ja!” zei Soliman. Ze schoven een beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en mompelde in zich zelf:“Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,” en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen hem tegen.Hij wreef zich over het voorhoofd. “Wat heb ik nu?” mompelde hij. “Dat heb ik vannacht gedroomd. Ikslaap toch niet meer.” Hij stampte op den grond.Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met zijn voet den steen aan.—“Kom, ik ben een dwaas,” zei hij tot zich zelf. “Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet verder, of ik kom te laat aan den trein.”Hij keek er naar.Hij keek er naar.Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen loopen, maar bleef staan. “Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? ’t kan toch geen kwaad, al is het een dwaasheid.” Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.“Zie zoo—hij begrijpt het nog niet,” zei Soliman.“Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen.Ga je mee, dan zijn we er eerder dan hij.”Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis vervolgde naar huis.6. Weer gelukkig.Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het huisje van Liesje in het bosch.“Aha!” riep Orleman, “ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard.” “Jammer, jammer,” antwoordde zijn vriend. “Welneen, niets jammer; nu hebben zij het warm. En wij gaan door de deur.”Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in het eenige vertrekje van het huis.Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.“Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit.”En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op de deken stond een bordje met papen ze was bezig met eten, Een lach kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.“Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar zóó zien.”“Vader komt toch gauw, ’t wordt nu alles weer goed.”“Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken.” “Ja,” zei Liesje, “die lieve aardmannetjes!”Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.Daar klonk buiten een stap.“Stil,” zei moeder en wierp de lepel op haar bord, “pak eens aan Liesje. Daar is hij!” en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep het bordje, legde broertjein moeders arm en wilde naar de deur loopen, maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.Vragend zag hij naar binnen: “Vader!” gilde Liesje en wierp zich in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.“Leendert!” stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en zeide schor van het schreien: “Ben je ziek, Elsje, ziek en—” toen zag hij het kleintje in haar armen.“Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt.” En vader nam ook dit kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.“Och kom,” zei vader, “was het goud?”“Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft me er geld voor gegeven en ik heb nog meer.” Ze sprong van vaders schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.“Zou het toch?” prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.“Dit lijkt ook goud, maar—dan moet ik te wetenkomen, wie dat in het park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van.” Hij bekeek de kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar voren en bleven voor vader en Liesje staan.“O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman. “Wij hebben slechts onzen plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het is voor u.—Weest gelukkig.”“Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven.”“Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is volbracht. Weest gelukkig!” antwoordde Orleman en met een vriendelijken groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder en Liesje.De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze binnen moesten komen.“Wel?” vroeg zijne Majesteit. “Hebt ge hen gevonden.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Sire, door den klomp goud, hebben we een geheelgezin liet verloren geluk weergegeven,” zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn vertellen.“Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke Hoogheid.”Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk gebracht.1Zie plaat omslag.

1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden heel ijverig. Het was soms zoo’n gehamer en geklop, dat de mieren er hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een eigen woning hebben moest.Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodatSoliman van schrik zijn houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: “Maar wat is er dan toch Orleman. Wat heb je dan toch?” Orleman stond als razend in de rondte te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, omdat hij een rood pakje aan had.De jongste prinses.De jongste prinses.Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel hij niets meer zien kon.“Kijk jij dan,” gilde hij uit—“Goud—echt goud.”“Och wat?” zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, “och wat.” Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef verstomd staan kijken.“Ja, ja,”knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, “Ja, ja! ’tisecht goud.” Toen grepen ze elkaar beet en dansten, voorover achterover, links en rechts zoo’n echt mooien dwergendans, zooals niemand ooitheeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien klomp zouden beginnen.“Weet je wat,” zei Orleman na veel over en weer praten: “Als de jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op.”zoo’n echt mooien dwergendans.zoo’n echt mooien dwergendans.“Goed,” zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon redeneeren, als een schooljongen—en ze gooiden de mutsen op, maar toen ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was je de knapste schooljongen geweest.“Nou,” zei Orleman weer, “dan weet ik nog wat.” En Soliman luisterde al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen verstandskies had. “We brengen hem aan den koning.” “Ja, aan den koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten beginnen.”“Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen.”Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een groot leger mieren aangewandeld.Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met hun allen op den klomp goud af.Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam ten laatste aan voor het paleis van den koning.Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits kamerjapon aande tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon ’n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. “Wat—pff—verlangt gij pff! Orleman?” pff pff!“Sire,” sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard den grond raakte; “Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, dat uwe Majesteit niet wijs is—hm—hm—alleen, maar ook goedertierend en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk, omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafelen sprak langzaam deze woorden:“Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.“Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk.” Toen wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.Toen Orleman buiten kwam en ’s konings woorden aan Soliman meedeelde, krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen, dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met zoo’n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een oogenblik verstomde.“Zie zoo,” zei Orleman, “nu niet verder. Laten we nu eerst eens beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen,” en hij ging er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en met stille trom den aftocht bliezen.Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het menschenkind, dat de koning bedoeld had.Zoo togen ze samen op weg.

In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden heel ijverig. Het was soms zoo’n gehamer en geklop, dat de mieren er hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een eigen woning hebben moest.

Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodatSoliman van schrik zijn houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: “Maar wat is er dan toch Orleman. Wat heb je dan toch?” Orleman stond als razend in de rondte te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, omdat hij een rood pakje aan had.

De jongste prinses.De jongste prinses.

De jongste prinses.

Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel hij niets meer zien kon.

“Kijk jij dan,” gilde hij uit—“Goud—echt goud.”

“Och wat?” zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, “och wat.” Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef verstomd staan kijken.

“Ja, ja,”knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, “Ja, ja! ’tisecht goud.” Toen grepen ze elkaar beet en dansten, voorover achterover, links en rechts zoo’n echt mooien dwergendans, zooals niemand ooitheeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien klomp zouden beginnen.

“Weet je wat,” zei Orleman na veel over en weer praten: “Als de jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op.”

zoo’n echt mooien dwergendans.zoo’n echt mooien dwergendans.

zoo’n echt mooien dwergendans.

“Goed,” zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon redeneeren, als een schooljongen—en ze gooiden de mutsen op, maar toen ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was je de knapste schooljongen geweest.

“Nou,” zei Orleman weer, “dan weet ik nog wat.” En Soliman luisterde al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen verstandskies had. “We brengen hem aan den koning.” “Ja, aan den koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten beginnen.”

“Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen.”

Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.

Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een groot leger mieren aangewandeld.

Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.

De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met hun allen op den klomp goud af.

Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam ten laatste aan voor het paleis van den koning.

Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits kamerjapon aande tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon ’n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. “Wat—pff—verlangt gij pff! Orleman?” pff pff!

“Sire,” sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard den grond raakte; “Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, dat uwe Majesteit niet wijs is—hm—hm—alleen, maar ook goedertierend en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen.”

“Wat—pff—verlangt gij, pff.”“Wat—pff—verlangt gij, pff.”

“Wat—pff—verlangt gij, pff.”

De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk, omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafelen sprak langzaam deze woorden:

“Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.

“Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk.” Toen wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.

Toen Orleman buiten kwam en ’s konings woorden aan Soliman meedeelde, krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen, dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met zoo’n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een oogenblik verstomde.

“Zie zoo,” zei Orleman, “nu niet verder. Laten we nu eerst eens beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen,” en hij ging er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en met stille trom den aftocht bliezen.

Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het menschenkind, dat de koning bedoeld had.

Zoo togen ze samen op weg.

2. Wie zal hem hebben?Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.“Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar ’t veld niet om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er beter van. Ik wou, dat ik geld had—en die anderen, ze lachen maar, en ze werken maar en—”. “Kom,” zei Orleman, “hij is het niet. Geld kan hem niet gelukkig maken.”—Soliman was ook al opgestaan. Dezen man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de gedachten niet hooren.Een eenzame manEen eenzame man“Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O,hoe kon je je vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn kind slecht is....”“Ga mee,” zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen, “ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen; maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven.”En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den rijken man.Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde in een pan, terwijl ze een liedje zong.Soliman zei: “Die konden wel wat geld gebruiken” en Orleman antwoordde: “Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben” en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes spitsten hunne ooren.“Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.Op den weg een kermiswagen.Op den weg een kermiswagen.“Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er dan voor.”“Ja,” antwoordde de bedroefde, “jij hebt goed praten. Jij kan je fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd maar is:—Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers hebben.—Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik ging de wijde wereld in en reizen en—”“Vooruit maar,” zei Orleman en ze gingen weer verder. “Die moet vooral geen geld hebben.”Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: “Ach, al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger niet best en nu—”.“Daar zal het ook al niet helpen,” zei Orleman, “die kunnen we niet met goud helpen.”“Neen,” zuchtte Soliman, “maar laat die man voorzichtig zijn, dat hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn vrouw en kinderen, ’t is—’t is een—een schande voor een man,” en hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het vast hield, omdat die er duizelig van werd.Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of gedachten: “Als ik maar geld had.” Maar de bedroefden waren meest met geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zoudener niet wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het verdiend hadden.Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten uitrusten.“Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was,” zei Soliman, toen hij een beetje op adem was gekomen.“Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?”Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.“Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van anderen,” merkte Soliman op.Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd venstertje van een klein, vervallen huis.Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.

Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.

“Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar ’t veld niet om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er beter van. Ik wou, dat ik geld had—en die anderen, ze lachen maar, en ze werken maar en—”. “Kom,” zei Orleman, “hij is het niet. Geld kan hem niet gelukkig maken.”—Soliman was ook al opgestaan. Dezen man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.

Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de gedachten niet hooren.

Een eenzame manEen eenzame man

Een eenzame man

“Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O,hoe kon je je vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn kind slecht is....”

“Ga mee,” zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen, “ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen; maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven.”

En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den rijken man.

Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde in een pan, terwijl ze een liedje zong.

Soliman zei: “Die konden wel wat geld gebruiken” en Orleman antwoordde: “Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben” en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.

Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes spitsten hunne ooren.

“Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.

Op den weg een kermiswagen.Op den weg een kermiswagen.

Op den weg een kermiswagen.

“Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er dan voor.”

“Ja,” antwoordde de bedroefde, “jij hebt goed praten. Jij kan je fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd maar is:—Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers hebben.—Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik ging de wijde wereld in en reizen en—”

“Vooruit maar,” zei Orleman en ze gingen weer verder. “Die moet vooral geen geld hebben.”

Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: “Ach, al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger niet best en nu—”.

“Daar zal het ook al niet helpen,” zei Orleman, “die kunnen we niet met goud helpen.”

“Neen,” zuchtte Soliman, “maar laat die man voorzichtig zijn, dat hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn vrouw en kinderen, ’t is—’t is een—een schande voor een man,” en hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het vast hield, omdat die er duizelig van werd.

Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of gedachten: “Als ik maar geld had.” Maar de bedroefden waren meest met geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zoudener niet wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het verdiend hadden.

Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten uitrusten.

“Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was,” zei Soliman, toen hij een beetje op adem was gekomen.

“Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?”

Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.

“Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van anderen,” merkte Soliman op.

Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd venstertje van een klein, vervallen huis.

Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.

3. Wat de dwergen verder zagen.Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten, sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten, waar geen enkele lantaarn brandde.“Kom!” zei Orleman, “daarheen!” en hij trok zijn muts over de ooren en greep de hand van zijn kameraad.Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren, maar Orleman hield hem terug.“Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar boven klimmen.” In een oogwenk waren ze op het dak.1Toen tegen den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de opening heen en keek naar beneden.“In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom maar!” Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. “Ssst, stil!” riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den grooten schoorsteen en zagen:—Aan een ruw houten tafel zat bij een kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed de wanden kraken.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de gordijnen gesloten waren.Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.“Och, lieve Heer,” prevelde zij “als moeder maarniet wakker wordt. Och ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo’n honger, och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van ’t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder en voor broertje.” De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig om zich heen.“Drinken,” fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen zochten angstig rond: “Is vader daar, lieveling.—Ja hè. Ben je daar Leendert. Geef me wat drinken.”—“Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw.”“Ja, gauw dan, gauw,” stamelde de zieke, dronk haastig en liet het moede hoofd weer in de kussens vallen.“Ja moesje, vader komt,” snikte het kind en boog zich over haar moeder en drukte een kus op haar wang.“Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij isonschuldig—ze kunnen hem niet langer houden—Ga nu slapen, kindje—of jij wordt ook ziek. Kom gauw—slapen”—en de zieke sloot de oogen en sliep zelve weer in.Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek tevoorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger te krijten. “Stil dan, broertje”—suste Liesje, en ze legde het mondje tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet; hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer op en fluisterde sussend:“Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja.” En ze suste het hongerige kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.“Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook die vader bestolen hebben—arme vader!” en snikkend liet ze het hoofd op de armen vallen voorover op de tafel.Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De tranen liepen langs hun wangen.Die van Soliman vielen op Orlemans neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.Greep zijn eenen been.Greep zijn eenen been.“Ik kan het niet langer aanzien,” fluisterde hij. “Ik zal haar even helpen.” Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even en—was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend, op zijn arm zat.“Vooruit nu,” zei Orleman, “naar boven!” En Soliman trok zich aan een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.“Wacht even,” zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.“Die is ’t” zei Soliman. “Die kan ’t zijn!” antwoordde Orleman voorzichtiger. “We moeten eerst dien vader zien.“Juist juist! we moeten eerst dien vader zien.”

Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten, sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten, waar geen enkele lantaarn brandde.

“Kom!” zei Orleman, “daarheen!” en hij trok zijn muts over de ooren en greep de hand van zijn kameraad.

Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.

Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren, maar Orleman hield hem terug.

“Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar boven klimmen.” In een oogwenk waren ze op het dak.1Toen tegen den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de opening heen en keek naar beneden.

“In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom maar!” Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. “Ssst, stil!” riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den grooten schoorsteen en zagen:—Aan een ruw houten tafel zat bij een kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed de wanden kraken.

Angstig keek het meisje op.Angstig keek het meisje op.

Angstig keek het meisje op.

Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de gordijnen gesloten waren.

Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.

“Och, lieve Heer,” prevelde zij “als moeder maarniet wakker wordt. Och ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo’n honger, och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van ’t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder en voor broertje.” De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig om zich heen.

“Drinken,” fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen zochten angstig rond: “Is vader daar, lieveling.—Ja hè. Ben je daar Leendert. Geef me wat drinken.”—

“Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw.”

“Ja, gauw dan, gauw,” stamelde de zieke, dronk haastig en liet het moede hoofd weer in de kussens vallen.

“Ja moesje, vader komt,” snikte het kind en boog zich over haar moeder en drukte een kus op haar wang.

“Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij isonschuldig—ze kunnen hem niet langer houden—Ga nu slapen, kindje—of jij wordt ook ziek. Kom gauw—slapen”—en de zieke sloot de oogen en sliep zelve weer in.

Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek tevoorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger te krijten. “Stil dan, broertje”—suste Liesje, en ze legde het mondje tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet; hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer op en fluisterde sussend:“Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja.” En ze suste het hongerige kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.

“Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook die vader bestolen hebben—arme vader!” en snikkend liet ze het hoofd op de armen vallen voorover op de tafel.

Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De tranen liepen langs hun wangen.Die van Soliman vielen op Orlemans neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.

Greep zijn eenen been.Greep zijn eenen been.

Greep zijn eenen been.

“Ik kan het niet langer aanzien,” fluisterde hij. “Ik zal haar even helpen.” Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even en—was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend, op zijn arm zat.

“Vooruit nu,” zei Orleman, “naar boven!” En Soliman trok zich aan een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.

“Wacht even,” zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.

“Die is ’t” zei Soliman. “Die kan ’t zijn!” antwoordde Orleman voorzichtiger. “We moeten eerst dien vader zien.

“Juist juist! we moeten eerst dien vader zien.”

4. Gevonden.“Ben je klaar met je zakdoek? kom dan.” Weer greep Orleman Solimans hand maar meteen riep hij nu: “Och! lieve wind, neem ons mee, neem ons mee!” De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:“komt maar”en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans riep:“Hola! dank je wel. We zijn er.” Toen stonden ze ineens stil op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: “Hier is het,” en voor één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht door een klein getralied venster in een somber vertrek op’tgezicht van een man, die op een bank lag uitgestrekt.“Slaapt hij?” vroeg Soliman. “Neen,” antwoordde Orleman; “hij denkt; luister!”“Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe zou ’t ook. Ik ben onschuldig—gestolen hebben ze mij het geld dat mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben, al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij zoo lijden moesten dat—o, die schurken—ik zou—neen—neen, ik moet mijn vijanden vergeven.—Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind terug zal zien.—Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er maar niet door lijden moesten.” Snikkend verborg hij het gezicht in de handen.En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een verkwikkenden slaap.Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al dieverloren hadden, alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw begon.De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.Toen eerst sprak Soliman:“Zullen we ’t den koning vragen, of ’t deze menschen zijn?”“Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker, dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen nacht,” antwoordde Orleman.“Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud niet geven. Daar zou ze niets aan hebben” merkte Soliman op, verheugd, dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.“Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen.”Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den vriendelijken hollen boom.“Goede vriend,” zei Orleman. “Wil je ons den klomp alsjeblieft weer teruggeven?” want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude, holle boomen.“Zeker, zeker,” antwoordde de boom, die kraaktevan den storm en hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. “Dank je wel, hoor.”Wacht nog even.Wacht nog even.Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.“Ziezoo,” zei Orleman. “Nu zullen we een paar stukjes er af slaan.” Zij zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep Orleman echter: “Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen vliegen.” Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van het goud, maar de zakdoek bleef heel.—Jammer dat jongens zakdoeken ook niet zoo gemaakt zijn.“Genoeg!” riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.

“Ben je klaar met je zakdoek? kom dan.” Weer greep Orleman Solimans hand maar meteen riep hij nu: “Och! lieve wind, neem ons mee, neem ons mee!” De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:“komt maar”en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans riep:“Hola! dank je wel. We zijn er.” Toen stonden ze ineens stil op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: “Hier is het,” en voor één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.

Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht door een klein getralied venster in een somber vertrek op’tgezicht van een man, die op een bank lag uitgestrekt.

“Slaapt hij?” vroeg Soliman. “Neen,” antwoordde Orleman; “hij denkt; luister!”

“Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe zou ’t ook. Ik ben onschuldig—gestolen hebben ze mij het geld dat mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben, al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij zoo lijden moesten dat—o, die schurken—ik zou—neen—neen, ik moet mijn vijanden vergeven.—Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind terug zal zien.—Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er maar niet door lijden moesten.” Snikkend verborg hij het gezicht in de handen.

En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een verkwikkenden slaap.

Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al dieverloren hadden, alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw begon.

De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.

Toen eerst sprak Soliman:“Zullen we ’t den koning vragen, of ’t deze menschen zijn?”

“Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker, dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen nacht,” antwoordde Orleman.

“Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud niet geven. Daar zou ze niets aan hebben” merkte Soliman op, verheugd, dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.

“Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen.”

Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den vriendelijken hollen boom.

“Goede vriend,” zei Orleman. “Wil je ons den klomp alsjeblieft weer teruggeven?” want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude, holle boomen.

“Zeker, zeker,” antwoordde de boom, die kraaktevan den storm en hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. “Dank je wel, hoor.”

Wacht nog even.Wacht nog even.

Wacht nog even.

Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.

“Ziezoo,” zei Orleman. “Nu zullen we een paar stukjes er af slaan.” Zij zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep Orleman echter: “Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen vliegen.” Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van het goud, maar de zakdoek bleef heel.—Jammer dat jongens zakdoeken ook niet zoo gemaakt zijn.

“Genoeg!” riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.

5. De opdracht wordt volbracht.In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen, zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud zou vinden.Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets van bemerkt.“Ga mee kijken, kom,” riep Orleman, die niet langer wachten wilde. “Ik zal haar wakker maken,” en ze lieten zich weer naar beneden glijden en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden, want ze huiverde in haar slaap.“Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden, dan zal ik haar naar bed sturen,” zei Orleman; meteen nam hij een goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.“Kom,” zei Orleman zacht, “neem het maar. Het is goud voor jou, lief kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom krijg je dit van de aardmannetjes.”“Voor mij,” vroeg ze nu.—“Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den haard en—.”“Voor mij?” vroeg ze nu.“Voor mij?” vroeg ze nu.“Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden.”Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.“Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geenkwaad gedaan, dat kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker,” riep ze haastig achter elkaar.“Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen, want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren.”“O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank u wel” en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.“Neen, neen,” riep Orleman “dat zijn we niet gewend” en meteen zetten ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken ze nog even om.Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen hoorden ze nog heel zacht: “Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen.”—Toen werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen metvluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen, maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes kwamen voorbij hollen: “Ik ben zoo bang,” zei het eene. “Hoe durf je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer.” “Och, kom, gauw maar, deze weg is veel korter,” en weg waren ze. Langen tijd kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.“Hij is ’t,” zei Orleman. “Ja, ja!” zei Soliman. Ze schoven een beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en mompelde in zich zelf:“Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,” en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen hem tegen.Hij wreef zich over het voorhoofd. “Wat heb ik nu?” mompelde hij. “Dat heb ik vannacht gedroomd. Ikslaap toch niet meer.” Hij stampte op den grond.Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met zijn voet den steen aan.—“Kom, ik ben een dwaas,” zei hij tot zich zelf. “Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet verder, of ik kom te laat aan den trein.”Hij keek er naar.Hij keek er naar.Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen loopen, maar bleef staan. “Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? ’t kan toch geen kwaad, al is het een dwaasheid.” Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.“Zie zoo—hij begrijpt het nog niet,” zei Soliman.“Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen.Ga je mee, dan zijn we er eerder dan hij.”Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis vervolgde naar huis.

In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen, zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.

Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.

In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud zou vinden.

Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets van bemerkt.

“Ga mee kijken, kom,” riep Orleman, die niet langer wachten wilde. “Ik zal haar wakker maken,” en ze lieten zich weer naar beneden glijden en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.

Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!

Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden, want ze huiverde in haar slaap.

“Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden, dan zal ik haar naar bed sturen,” zei Orleman; meteen nam hij een goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.

Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.

Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.

Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.

“Kom,” zei Orleman zacht, “neem het maar. Het is goud voor jou, lief kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom krijg je dit van de aardmannetjes.”

“Voor mij,” vroeg ze nu.—“Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den haard en—.”

“Voor mij?” vroeg ze nu.“Voor mij?” vroeg ze nu.

“Voor mij?” vroeg ze nu.

“Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden.”

Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.

“Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geenkwaad gedaan, dat kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker,” riep ze haastig achter elkaar.

“Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen, want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren.”

“O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank u wel” en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.

“Neen, neen,” riep Orleman “dat zijn we niet gewend” en meteen zetten ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken ze nog even om.

Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen hoorden ze nog heel zacht: “Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen.”—Toen werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.

Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen metvluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen, maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes kwamen voorbij hollen: “Ik ben zoo bang,” zei het eene. “Hoe durf je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer.” “Och, kom, gauw maar, deze weg is veel korter,” en weg waren ze. Langen tijd kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.

“Hij is ’t,” zei Orleman. “Ja, ja!” zei Soliman. Ze schoven een beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en mompelde in zich zelf:

“Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,” en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.

De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen hem tegen.

Hij wreef zich over het voorhoofd. “Wat heb ik nu?” mompelde hij. “Dat heb ik vannacht gedroomd. Ikslaap toch niet meer.” Hij stampte op den grond.

Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met zijn voet den steen aan.—“Kom, ik ben een dwaas,” zei hij tot zich zelf. “Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet verder, of ik kom te laat aan den trein.”

Hij keek er naar.Hij keek er naar.

Hij keek er naar.

Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen loopen, maar bleef staan. “Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? ’t kan toch geen kwaad, al is het een dwaasheid.” Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.

Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.

“Zie zoo—hij begrijpt het nog niet,” zei Soliman.

“Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen.Ga je mee, dan zijn we er eerder dan hij.”

Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis vervolgde naar huis.

6. Weer gelukkig.Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het huisje van Liesje in het bosch.“Aha!” riep Orleman, “ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard.” “Jammer, jammer,” antwoordde zijn vriend. “Welneen, niets jammer; nu hebben zij het warm. En wij gaan door de deur.”Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in het eenige vertrekje van het huis.Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.“Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit.”En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op de deken stond een bordje met papen ze was bezig met eten, Een lach kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.“Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar zóó zien.”“Vader komt toch gauw, ’t wordt nu alles weer goed.”“Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken.” “Ja,” zei Liesje, “die lieve aardmannetjes!”Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.Daar klonk buiten een stap.“Stil,” zei moeder en wierp de lepel op haar bord, “pak eens aan Liesje. Daar is hij!” en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep het bordje, legde broertjein moeders arm en wilde naar de deur loopen, maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.Vragend zag hij naar binnen: “Vader!” gilde Liesje en wierp zich in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.“Leendert!” stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en zeide schor van het schreien: “Ben je ziek, Elsje, ziek en—” toen zag hij het kleintje in haar armen.“Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt.” En vader nam ook dit kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.“Och kom,” zei vader, “was het goud?”“Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft me er geld voor gegeven en ik heb nog meer.” Ze sprong van vaders schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.“Zou het toch?” prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.“Dit lijkt ook goud, maar—dan moet ik te wetenkomen, wie dat in het park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van.” Hij bekeek de kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar voren en bleven voor vader en Liesje staan.“O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman. “Wij hebben slechts onzen plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het is voor u.—Weest gelukkig.”“Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven.”“Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is volbracht. Weest gelukkig!” antwoordde Orleman en met een vriendelijken groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder en Liesje.De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze binnen moesten komen.“Wel?” vroeg zijne Majesteit. “Hebt ge hen gevonden.”“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Sire, door den klomp goud, hebben we een geheelgezin liet verloren geluk weergegeven,” zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn vertellen.“Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke Hoogheid.”Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk gebracht.

Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het huisje van Liesje in het bosch.

“Aha!” riep Orleman, “ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard.” “Jammer, jammer,” antwoordde zijn vriend. “Welneen, niets jammer; nu hebben zij het warm. En wij gaan door de deur.”

Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in het eenige vertrekje van het huis.

Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.

“Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit.”

En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op de deken stond een bordje met papen ze was bezig met eten, Een lach kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.

“Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar zóó zien.”

“Vader komt toch gauw, ’t wordt nu alles weer goed.”

“Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken.” “Ja,” zei Liesje, “die lieve aardmannetjes!”

Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.

Daar klonk buiten een stap.

“Stil,” zei moeder en wierp de lepel op haar bord, “pak eens aan Liesje. Daar is hij!” en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep het bordje, legde broertjein moeders arm en wilde naar de deur loopen, maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.

Vragend zag hij naar binnen: “Vader!” gilde Liesje en wierp zich in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.

“Leendert!” stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en zeide schor van het schreien: “Ben je ziek, Elsje, ziek en—” toen zag hij het kleintje in haar armen.

“Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt.” En vader nam ook dit kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.

“Och kom,” zei vader, “was het goud?”

“Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft me er geld voor gegeven en ik heb nog meer.” Ze sprong van vaders schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.

“Zou het toch?” prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.

“Dit lijkt ook goud, maar—dan moet ik te wetenkomen, wie dat in het park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van.” Hij bekeek de kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.

Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar voren en bleven voor vader en Liesje staan.

“O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze.”

“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman. “Wij hebben slechts onzen plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het is voor u.—Weest gelukkig.”

“Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven.”

“Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is volbracht. Weest gelukkig!” antwoordde Orleman en met een vriendelijken groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder en Liesje.

De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze binnen moesten komen.

“Wel?” vroeg zijne Majesteit. “Hebt ge hen gevonden.”

“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.

“Dat is heelemaal niet noodig,” zei Orleman.

“Sire, door den klomp goud, hebben we een geheelgezin liet verloren geluk weergegeven,” zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn vertellen.

“Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke Hoogheid.”Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk gebracht.

1Zie plaat omslag.

1Zie plaat omslag.


Back to IndexNext