... ik ben de molenaar.
... ik ben de molenaar.
Juffrouw Boks was de dikste, goedigste en vroolijkste vrouw die men zich maar kan voorstellen.
In een oogenblik waren de jongens gekleed en gereed. Ze voelden zich gezond en vroolijk, maar ze hadden een razenden honger. Doch daarvoor wist juffrouw Boks raad.
Zij bracht aan ieder een dik stuk bruin brood en zette een groote schotel met aardappelen voor henop de tafel en boven op de aardappelen lag een stuk varkensvleesch zoo malsch en sappig, dat men er wel zóó in had willen bijten. De jongens lieten zich dan ook niet lang nooden, maar vielen als een paar uitgehongerde wolven op den maaltijd aan, terwijl de molenaarsvrouw naar hen stond te kijken met zoo'n breeden glimlach op haar vergenoegd gezicht, dat de ooren bijna visite kregen van haar mondhoeken.
Eindelijk was alles opgegeten, de borden waren zelfs schoon gelikt.
„Nou? hoe heb je 't nou bij me?” fluisterde Paul zijn metgezel in 't oor, met een zegevierend glimlachje.
„Op 't oogenblik best,” zei Dickie, „maar wie zegt, dat het zoo blijven zal.”
Vóór Paul nog had kunnen antwoorden, kwam de molenaar de keuken binnen met een gezicht stralend van innerlijkevergenoegdheid.
„Goeie morgen jeugdige zeerobben,” zei hij, „nou heb ik eigenlijk alles voor jelui gedaan wat ik met den besten wil kàn doen en ik weet nou niets beters dan jelui 'n voorspoedige reis toe te wenschen, wanneer je plan hebt voor de tweede maal een watertochtje te maken.”
Paul keek wat teleurgesteld.
„Ja, ja, ik begrijp er alles van, jelui hebt genoeg gekregen van 't water. Nou 't is niet te verwonderen. Maar, te drommel wat zijn dat voor ouders van jelui,die je zoo moederziel alleen laten rondzwerven?”
Juffrouw Boks.
Juffrouw Boks.
De jongens voelden zich bij die vraag blijkbaar niet erg op hun gemak.
„Wij hebben geen ouders meer,” zei Paul botweg.
De molenaar en zijn vrouw zagen elkaar eens van terzijde aan.
„Och heer!” zei de eerste en draaide zich halverwege om, want hij kon z'n lachen niet laten.
„Weesjes! Och hoe treurig! 't Zijn twee weezen,vrouw, denk 's even lieve, och, och!”
De „lieve” hield op eens haar schort voor 't gezicht en liep de keuken uit, want ze lachte zoo onbedaarlijk, dat haar dikke rug schudde.
De jongens begrepen er niets van.
„Ja,” zei de molenaar, alle moeite doende om ernstig te blijven, „mijn vrouw is zoo erg gevoelig; ze heeft zoo met jelui te doen, ze huilt over je treurig lot. Nou, en wij hebben geen kleine piepkuikens zooals jelui, wil je soms bij ons blijven? Maar op ééne voorwaarde.”
Paul luisterde met open mond.
„Ik heb een sterken jongen noodig om mij bij 't werk te helpen en jelui tweetjes zijn, denk ik, samen wel zoo sterk als één zoo'n jongen. 't Schijnt dat jelui de kokerij van juffrouw Boks nogal lekker vinden,hè?” en hij keek naar de ledige schotels. „Als je nou bij mij je kostje wilt verdienen, dan zal ik 't je altijd zoo goed geven als vandaag en krijgen jelui nog watzakgeld ook voor de Zondagen. Nou? Wat zeg je daar nou van?”
... trokken zakken naar de hoogte.
... trokken zakken naar de hoogte.
Paul keek Dickie aan en wist niet wat te zeggen.
„Je behoeft niet zoo dadelijk te antwoorden,” zei de molenaar, „over 'n minuut of tien kom ik terug en dan mot je beslissen: òf de molen, òf goeie reis verder.”
Toen ze alleen waren zei Paul: „Wel da's 'n gelukje; wat zeg jij?”
Maar Dickie was in diep nadenken verzonken.
„Ikwil naar huis,” zei hij eindelijk.
„Ga dan maar heen, en krijg 'n lekker pak van je vader!” riep Paul, en hij verzon allerlei vreeselijke dingen, die gebeuren konden wanneer Dickie weer naar zijn vader terugkeerde.
„Jij moet weten wat je doet,” zoo besloot hij, „maar ik blijf hier; ik eet net zooveel als ik wil; ik krijg een hoopzakgeld; daarmee koop ik allerlei moois op kermissen en 'k heb plezier voor zes.”
„Zouden we echt zooveel plezier hebben,” zei Dickie weifelend.
„Natuurlijk! Heb je ooit grappiger lui gezien dan die goedige dikkert en z'n vrouw?”
„Zelijkenwel aardig,” zei Dick voorzichtig.
„Nou, blijf je?”
„Ja, als we dan ook echt een boel plezier hebben.”
En zoo kwam het, dat Paul, toen de molenaar na tien minuten terugkwam, uit naam van hen beiden kon zeggen dat ze bleven.
Wat later op den dag waren de jongens al aan 't werk. Ze trokken zakken koorn aan een katrol in de hoogte en lieten zakken meel naar beneden. Ze vonden het 'n allerprettigst werk en als de molenaar hen wat vroeg, dan liepen ze niet, neen, ze vlogen om het gevraagde te halen of te brengen.
Met etenstijd kwamen ze vroolijk de keuken binnen, alsof ze van 'n feestje kwamen.
De aardappelen met 't varkensvleesch en het bruine brood, wat smaakte dat alles weer verrukkelijk. Nog nooit hadden ze zóó lekker geslapen als dien nacht.
Den volgenden morgen waren ze wat stijf en pijnlijk van 't ongewone werk en toen ze weer, maar altijd door zakken op en neer moesten trekken, ging dit niet met zooveel geestdrift als den eersten dag.
Den derden dag was de ijver aanmerkelijk bekoelden hij was nòg minder op den vierden, enweerminder op den vijfden dag.
Daarbij kwam dat ze elken dag op nieuw varkensvleesch met aardappelen kregen. Het was den eersten dag een prachtige schotel geweest, toen ze met hun maaltijden zoo'n eind achterop waren, maar nu begon de steeds terugkeerende lekkernij hun tegen te staan.
Paul vooral kòn het bijna niet meer eten. Zoo nu en dan betrapte hij er zichzelf op, dat hij in z'n gedachten vergelijkingen zat te maken tusschen zijn maaltijden van nu en vroeger, toen zijn moeder nog allerlei lekkere schoteltjes voor hem klaarmaakte.
En het was niet het steeds weer opgedischte varkensvleesch met de aardappelen alléén die hem hinderden, maar Dickie hield niet op hem met verwijtingen te overladen, want de beloofde pret liet nog steeds op zich wachten.
De molenaar scheen het er in tegendeel op gezet te hebben de beide jongens vooral geen gemakkelijk leventje te laten leiden. Steeds kregen ze meer en zwaarder werk. Ze moesten de graanzolders vegen, hout hakken en den tuin omspitten, ja, de molenaar gelastte Paul zelfs eens om den stal van de ezels schoon te vegen en de beesten te roskammen.
Dat was iets verschrikkelijks voor Paul. Hij, het verwende zoontje van een rijk man; hij, van wienmen altijd gezegd had, dat hij nooit handenarbeid zou behoeven te verrichten, hij moest... ezels roskammen!
Maar de molenaar gaf zijne bevelen op eene wijze, die geen ongehoorzaamheid toeliet.
Wat echter zoo wonderlijk was; wanneer hij 't een of ander vuile werkje aan de jongens had opgedragen, kon hij soms op eens hard wegloopen en als ze hem niet meer konden zien, hoorden ze toch nog dikwijls een geluid, alsof iemand stikte van 't lachen.
... in een groote tobbe met water.
... in een groote tobbe met water.
Toen dit weer eens gebeurde en mijnheer Boks in de keuken gevlucht was, sloop Paul op de teenen naar het keukenraam en zag daar den molenaar vuurrood van 't ingehouden lachen en zijn vrouw, die hem maar steeds op den rug klopte, alsof ze bang was, dat hij in de lachbui zou blijven.
„Waarom zouden ze toch altijd zoo lachen?” zeiPaul, toen hij van zijn verkenningstocht terugkwam.
„Om ons!” antwoordde Dickie.
Nog scheen Paul niet genoeg vernederd. Toen hij eens 's avonds bezig was den ezel te roskammen sloeg hij het beest, voor de variatie, met den roskam op 'n beenig gedeelte van zijn achterpoot.
„Een paardenspel, een paardenspel.”
„Een paardenspel, een paardenspel.”
De ezel sloeg achteruit en 't volgend oogenblik zat Paul, proestend en spartelend, in een groote tobbe met water, die bij de staldeur stond.
Hij probeerde er gauw uit te kruipen en net te doen, alsof er niets gebeurd was, maar wie stond daar voor hem?
't Was „de Zwarte.” Hij stond daar, zijn beenen uitgespreid, de armen over elkaar en brulde letterlijk van 't lachen. 't Scheen wel of die man altijd getuige moest zijn van Paul's ongelukken.
Paul schaamde zich diep, doch toen hij zijn oogen weer durfde opslaan was de geheimzinnige Zwarte verdwenen.
In een aanval van woede vloog de jongen op den ezel toe en begon het dier te slaan, alsof het een stoffig karpet was. Plotseling hield hij op, werd beurtelings rood en wit, beet zich op de lippen en barstte in tranen uit.
Op dat oogenblik klonk er in de verte muziek.
Er was maar weinig toe noodig om den knaap van de goede voornemens, die bij hem mochten opkomen, af te brengen.
„Dickie, Dickie!” riep hij uit, „een paardenspel, een paardenspel!” en hij vloog naar buiten om de optocht te zien voorbijgaan.
De optocht naderde; 't was een reizende troep acrobaten met een klein wilde-beestenspel. Daar gebeurde echter iets onverwachts.... de troep hield in al haar heerlijkheid, vlak voor den molen stil.
De baas van het spel, 't welk zoo de opmerkzaamheid der jongens trok, had reeds op het kerkplein van het dorp met luider stem verkondigd, dat hij „met toestemming van de overheid en op herhaald en uitdrukkelijk verlangen van het publiek” (dat echter tot op dit oogenblik niet wist dat de baas bestond) dezen avond eene voorstelling zou geven, en dat hij reeds op weg was naar den molen, waar hij hoopte een voldoende ruimte voor dit doel te kunnen huren.
Over het huren waren mijnheer en juffrouw Boks het gauw genoeg met den spellebaas eens, want ze verheugden zich, net als een paar kinderen, op het genoegen dat hun te wachten stond.
De Markies van Galimedes.
De Markies van Galimedes.
De kooien, waarin de wilde beesten zaten, werden nu door den baas uit den wagen genomen en in het pakhuis, naast den molen, tegen den wand opgesteld.
Paul en Dickie hielpen mee zoo hard ze konden. Het was voor hen een onuitsprekelijk heerlijk werk en in de wolken waren ze, toen de eigenaar hun voor hun moeite een vrijkaartje gaf.
Voor we nu verder gaan wil ik een kleine beschrijving geven van den eigenaar van het spel, en zijn menagerie wat van dichterbij bekijken.
Hij was iemand van tusschen de 30 en 40 jaar, maar hij zag er veel ouder uit. Hij was lang, mager en had een regelmatig gezicht, maar een ongeregeld leven had zijn wangen vóór den tijd geel bleek gekleurd en doorgroefd met rimpels. Een tegenstelling met zijn wangen vormde zijn neus. Die was zoo dik en rood en glom zoo, dat het me niet verwonderd zou hebben als een bijziende mug er eens op was aangevlogen, in de veronderstelling dat het een lichtje was.
Zijn hoofd was geheel kaal, behalve van achteren in zijn nek, waar het haar in lange lokken bijna tot zijn schouders reikte. Hij droeg een lange bruine overjas, die waarschijnlijk vroeger heel mooi was geweest, maar nu verkleurd was en vol met vlekken. Zijn vest was van schitterend gebloemde zijde met slechts hier en daar een knoop. De pijpen van zijn broek, die op merkwaardige wijze links en rechts versteldwas, verdwenen in een paar oude kaplaarzen, waarvan de zolen op vele plaatsen met bindtouw aan het bovengedeelte waren vastgenaaid. Om zijn hals droeg hij een verkleurden zakdoek en op zijn hoofd een ouden zijden hoed met vervaarlijk breeden rand. Wanneer hij niet praatte dronk hij bittertjes of rookte sigaretten.
Na deze beschrijving kunt ge u den Markies van Galimedes zeker duidelijk voorstellen.
... een ondankbare jonge beer.
... een ondankbare jonge beer.
Zijn ware naam was Louis Danglemont en hij behoorde tot een zeer aanzienlijk geslacht. Hij was naar de academie gezonden om te studeeren, doch, zooals het wel eens meer gaat, hij had geluierd toen hij moest werken. Zijn vader zond hem geld voor 't koopen van boeken en hij gebruikte het om plezier te maken.
Ten laatste begon dit zijn vader te vervelen. Hij zond geen geld meer en de zoon, die geldmoesthebben, maakte een valschen wissel.
Het bedrog kwam uit en Louis moest vluchten om niet in de gevangenis te komen. Een tijdlang leefde hij van de opbrengst van zijn gouden ringen, horlogeketting en andere sieraden. Toen dit geld verteerd was, wist hij niet wat te beginnen; werken kon hij niet, hij had niets geleerd als pretmaken en... hij kreeg honger.
't Was op dit kritieke oogenblik van zijn leven, terwijl hij juist liep te denken over een sprong in het water, die een einde aan de ellende zou maken, dat hij op den straatweg waar hij langs liep, een groote dikke vrouw ontmoette, niet jong meer en zeer leelijk, maar die als tegenwicht voor het totaal gemis aan lichamelijk schoon, de eigenares was van een verplaatsbare menagerie.
Haar echtgenoot, de vroegere bezitter van 't spel, was voor eenige weken verscheurd door een ondankbaren jongen beer, dien hij met veel moeite gepoogd had te temmen.
Natuurlijk was zijn weduwe nu ontroostbaar. Maar nu scheen ze haar verdriet vrij wel te boven; zij knikte den eenzamen zwerver tenminste zoo aanminnig toe, dat Louis Danglemont niet kon nalaten een praatje met de schoone dame te maken, hetgeen zij niet onaardig scheen te vinden. Toen ze met haarmenagerie weer door was gegaan, bleef Louis Danglemont nog zitten peinzen, volle drie uur lang op een bank aan den weg, maar daarna was zijn besluit genomen; hij achterhaalde de schoone weduwe met al haar hebben en houën, de beesten niet te vergeten.
Voor de nieuwe op te zetten huishouding bracht hij mede zijn voorname manieren en nette verschijning, een groote radheid van tong en een handigheid in het verrichten van kleine goocheltoeren, waarin hij zich vroeger, uit liefhebberij, geoefend had.
De menagerie.
De menagerie.
Haar bruidsschat was een groote slokdarm—want ze was een „degenslikster”—een stuk of wat dochters uit haar eerste huwelijk, die allerlei acrobatische toeren konden verrichten, en dan: de menagerie.
Louis Danglemont doopte zichzelf: „Markies van Galimedes” en kroonde zijn vrouw tot „Koningin der Isofagus-eilanden.”
Hij begon zijn nieuwe loopbaan met meer moed dan men van hem verwacht zou hebben. Maar honger is een scherp zwaard dat wist hij bij ondervinding.
Tien lange jaren had dit wonderlijk paar menschen nu te zamen in voortdurende onmin geleefd. De vrouw was ontevreden, omdat de smaak van haar man zoo hemelsbreed met dien van haar verschilde en hij, de welopgevoede man, voelde zich ongelukkig in eene omgeving, waarin hij volstrekt niet paste.
Behalve dit „gelukkige” echtpaar en de bovengemelde kinderen behoorde er nog één persoon tot dezen ellendigen troep. Zijn naam was Jonas, maar aan het publiek werd hij gewoonlijk voorgesteld als Komus, de Groote Clown.
De menagerie was ook niet in een zeer schitterenden staat. Zij bestond uit een gedresseerd varken, een pelikaan, twee vossen, een aap, een paar konijnen, een angora-kat, een geit, een troepje kippen, en vier opgezette slangen. Dezedoodgewonedieren, werden zoo nu en dan opgeverfd of op allerlei manieren versierd en vervormd aan de verbaasde dorpsbewoners als wonderen uit de dierenwereld vertoond.
Laat ons nu naar den molen terugkeeren.
Het was hoog noodig, dat de troep van den „Markies,”zooals we hem voortaan zullen noemen met eenige werkende leden vermeerderd werd, maar hij had geen geld om volleerde kunstemakers te betalen.
... aan de verbaasde dorpsbewoners als wonderen uit de dierenwereld vertoond.
... aan de verbaasde dorpsbewoners als wonderen uit de dierenwereld vertoond.
Hij was er dan ook steeds op uit te trachten een paar nieuwelingen voor 't vak op te leiden.
Toen hij Paul en Dickie zag was hij dadelijk besloten hen voor zich te winnen en beiden met zich mee te voeren.
Hij en zijn vrouw waren een en al vriendelijkheid voor de beide jongens. Ze werden aan al de leden van het gezelschap voorgesteld en ze kregen van allen een hand. De kinderen voelden zich in een andere wereld en aan het eind van de voorstelling kwam de Markies naar hen toe, boog diep voor hen, alsof ze voorname heeren waren, en sprak:
„Jonge vrienden, ik kan u niet half zeggen, welk een leed het mij doet, wanneer ik twee jongens zooals gij zijt, beiden met zoo'n verstandig en aangenaam voorkomen, zulk een nietswaardige betrekking zie vervullen. Molenaarsknecht! Bah! Gij,” zoo zeide hij tot Paul, „schijnt me toe veel talenten te bezitten; ge zijt met uw knap uiterlijk voor wat beters in de wieg gelegd; ge moest u gaan bekwamen inhetvak.”
„Ik geloof niet...” begon Paul met een nederig gebaar, terwijl zijn neus krulde van trots.
„Neem me niet kwalijk,” zei de Markies, „maar van zulke dingen heb ik meer verstand dan gij. Gij hebt talent. Ik durf er mijn geheele menagerie onder verwedden, dat ge talent hebt.”
„U zal het 't beste weten,” zei Paul.
„Dat spreekt, dat spreekt,” antwoordde de Markies, terwijl hij een groote rookwolk uitblies. „Ge hebt overal talent voor, zelfs om op het tooneel te gaan. Uit uw geheele houding spreekt de tooneelspeler.”
„Ja?” vroeg Paul en kleurde eventjes.
„Zeker, zoo is 't,” antwoordde de Markies, „gijzijt als voor 't tooneel geschapen.”
„O! mijnheer, ik kan 't haast niet gelooven,” viel Paul in; al die lof was te veel voor den jongen.
„Wie kan zeggen hoe beroemd ge nog eens zult worden?” vervolgde de spellebaas, terwijl hij gemakkelijk ging zitten, met de armen over elkander geslagen... op de kooi van de vossen. „Ge kunt een „ster” worden in de tooneelwereld. Dan zijt ge beroemd! Het publiek zal u toejuichen, het zal allerlei bijzonderheden uit uw leven willen weten. De courantenschrijvers zullen bij u komen en u uithooren; ze zullen uw meening vragen over de kunst en willen weten hoe dikwijls ge de nagels van uwe teenen knipt.”
Zeldzame dieren.
Zeldzame dieren.
Hier hield de Markies even op en blies eenige groote rookwolken de lucht in.
„En gij,” zei hij, zich tot Dickie wendend, „ik zoumij zeer moeten vergissen als gij niet even begaafd waart als uw metgezel.”
„O neen,” zei 't kleine kereltje, „Paul kan op z'n hoofd staan en prachtig de ooren bewegen, maar ik kan heelemaal niks van dat alles.”
„En al wàs dat nu zoo,” zei de Markies, „dan behoeft dit toch uw roem op het tooneel niet in den weg te staan. Maar ge moet uw bekwaamheden niet onderschatten. Ik durf voorspellen, dat ge bijvoorbeeld een ongeëvenaard succès zult hebben in de rol van—laat ons zeggen van Coriolanus.”
Dickie antwoordde niet, maar 't leek wel of hij zich iets trachtte te herinneren wat hem maar niet te binnen wou schieten. Zijn voorhoofd trok hij op alle manieren in diepe rimpels.
„Waarom sta je zulke rare gezichten te trekken?” vroeg de Markies.
„Zou ik geen clown kunnen zijn?” stamelde Dickie, „dat was altijd 'n wensch van me.”
„Ja...a,” zei de spellebaas, „met 'n beetje goeden wil en wat oefening zouden we dat wel klaar spelen. Maar... gemakkelijk is het niet. Komaan,”voegde hij er bij, terwijl hij opstond en zijn handen op de schouders van de beide jongens legde, „zeg dien ouden tyran van een molenaar maar vaarwel en ga mee met mij en mijn gezelschap. Dan zult ge prachtig gekleed gaan in zijde en fluweel, geheel met goud omzoomd en allerlei lekkernijen krijgt ge: bijvoorbeeldelken dag... dikke sneden brood met boter en jam. Zoo'n aanbod komt nooit weer terug. Het is een zeldzaam buitenkansje.”
De jongens vonden dat ook.
„Dat is dus afgesproken,” zei de spellebaas. „Voor de zon opgaat breken we op. Waar slapen jelui?”
Dickie: Coriolanus.
Dickie: Coriolanus.
Paul beschreef hun slaapplaats zoo nauwkeurig mogelijk.
„Begrepen,” zei de Markies, „ik zal jelui dan roepen als we op 't punt van vertrekken staan. Maak nu dat je wegkomt, anders krijgt de wreede molenaar nog achterdocht en sluit jelui op!”
Zoo gauw mogelijk gingen de jongens weg.
Nauwelijks waren ze buiten gehoor of de „Koninginvan de Isofagus-eilanden” verscheen en sprak tot den „Markies van Galimedes” met een stem, schor door de vele degens en brandewijntjes: „Heb je die twee daar gefleurd?”
„Heb je die twee daar gefleurd?”
„Heb je die twee daar gefleurd?”
„Bedoel je daarmee of die beide jongens uit eigen vrijen wil er in hebben toegestemd lid van ons gezelschap te worden? Ja, dat hebben ze.Veni, vidi, vici.”
„En wat bedoeljijdaar nou mee?” zei de vrouw boos, „ik denk niet veel goeds! Altijd zeg je rare dingen tegen me in die verschrikkelijke taal, waar ik niemendal van versta.”
Lang voor de hanen kraaiden stond de Markies voor het bed van de jongens.
Ze werden dadelijk wakker.
„Sst!” zei hij. „Kleedt je dadelijk aan en spreekt geen woord.”
Ze deden zooals hun bevolen was en de Markies nam hen ieder aan een hand en leidde ze voorzichtig de trappen af. 't Was pikdonker om hen heen; ze stommelden en stootten en de trappen kraakten, maar de molenaar en zijn vrouw sliepen vast. Hun gesnork klonk luide in de stilte van den nacht, door het geheele huis. Zonder stoornis bereikten ze dan ook de buitendeur.
De Markies opende die voorzichtig en na nog enkele schreden stonden ze voor een groot vierkant zwart voorwerp.
Het was het achterste gedeelte van den kermiswagen.
De Markies klopte aan de deur. Dadelijk ging die open. Een arm werd naar buiten gestoken en de jongens werden half naar binnen getrokken en half naar binnen geduwd. De spellebaas volgde en de deur werd gesloten en gegrendeld.
Toen de dag aanbrak was de troep al een heel eind van den molen verwijderd.
De groote wagen zooals hij daar voortrolde, geleek in de morgenschemering wel een huis op wielen.
Maar 't was een bijzonder vuil huis, want van onder tot boven was 't met modder bespat en 't zag er uit, alsof het van af den dag dat het gemaakt was niet was schoongemaakt.
Jonas zat op den bok en stuurde, want als hij geen clown was vervulde hij de betrekking van koetsier. Zijn kleeren waren vuil en schunnig en de zweep, die hij in de hand hield was door midden gebroken.Een dikke lap hield de beide kapotte einden bijeen, zoodat de zweep er uitzag, alsof ze 'n zeere keel had.
Bucefalus en Marengo, de twee groote witte paarden, die het voertuig trokken, leken wel uit een vilderswerkplaats ontsnapt.
... een huis op wielen.
... een huis op wielen.
Toen de jongens in den wagen warenbinnengeloodst, vielen ze dadelijk in slaap, moe van 't laat naar bed gaan en 't vroeg opstaan. Bij 't wakker worden zagen ze eens rond en bemerkten al spoedig dat ze zich niet op een heel zindelijke plaats bevonden. Aan beide kanten van den wagen stonden de kooien met beesten tot aan den zolder opgestapeld. Daartusschen lagen de dochters des huizes te slapen door en over elkaar in zoo'n verwarden hoop, dat men bijna bang was, dat ieder bij 't opstaan, haar eigen beenen niet zou kunnen terugvinden.
De spellebaas en zijn vrouw waren de eenigsten die een beetje armslag hadden. Hij lag plat op z'n rug, met de handen onder 't hoofd, een sigarette te rooken; de brandewijnflesch stond naast hem op den grond.
De „Koningin” zat in een armstoel bij de deur te slapen en snorkte zóó hevig, dat zelfs het gedresseerde varken er niet door in slaap kon komen.
De jongens vonden al spoedig, dat 't aangenamer is naar wilde dieren te kijken wanneer ze in een spel vertoond worden, dan met diezelfde dieren, gepakt in een te kleinen wagen, op een warmen dag op reis te zijn.
Dickie viel al gauw weer in slaap, maar de eigenaardige reuk die er in den wagen hing, maakte het voor Paul onmogelijk den slaap weer te vatten.
Hij keek eens rond of hij ook ergens een plekje kon ontdekken waar hij een weinig frissche lucht kon inademen en zijn oog viel op een kleine opening, beneden in den zijkant van het voertuig. Hij kroop er heen en ging met het hoofd vlak voor de scheur liggen uitkijken. In 't eerst dacht hij er slechts aan hoe dwaas het van hem was geweest zich door de mooie praatjes van den Markies te hebben laten verlokken.
... voorbij groote bouwlanden.
... voorbij groote bouwlanden.
Langzamerhand echter begon hij het prettig te vinden op deze gemakkelijke wijze zijn voorgenomen reis om de wereld te vervolgen. Het landschap dathij door zijn kijkgat zag, was vroolijk door de zon verlicht; de frissche buitenlucht, die hij nu inademde deed hem goed; hij herleefde weer en geleund op zijn ellebogen begon hij alles wat ze voorbijtrokken nauwkeurig op te nemen. Ze reden voorbij groote bouwlanden, waar vrouwen bezig waren aardappelen te poten en langs malsche weiden waar koeien graasden. Groote zware karren getrokken door drie, soms vier paarden, hijgend van den zwaren last, kwamen hen tegen op den weg. Dan weer haalden ze een postlooper in met zijn brieventasch of een boerenvrouw met kortenrok, die een kruiwagen duwde, beladen met groente voor de naastbijzijnde markt. Eindelijk reden ze door een dorp, hobbelend over de onregelmatige keien van de hoofdstraat. Paul zag naar de huizen, groote en kleine, sommige met klimop begroeid, andere wit gepleisterd, enkele netjes met bloempotten op een rij voor de heldere ramen, andere onooglijk en vuil met groezelige gordijnen. Toen kwamen de velden weer, het ruischende koren, de appelboomen aan den kant van den weg.
De wagen schommelde heen en weer als een wieg en Paul sloot de oogen reeds half om zich in slaap te laten schommelen.
Plotseling echter opende hij ze weer. Wien had hij daar gezien, hollend naast den wagen alsof hij dien zoo juist had ingehaald? De „Zwarte” was het. Paul begreep er niets van. Hoe kwam die nu hier? Waarom was die man overal waar hij was. Paul begon bijna aan 't een of ander wonder te gelooven.
Daar opende Jonas de deur van den kermiswagen en zei tot den Markies: „Daar is iemand om je te spreken.”
De spellebaas stond langzaam op, stapte over het doolhof van armen en beenen heen, drong langs de slapende Koningin, opende de deur en sprong uit den wagen.
Paul luisterde met open mond en ooren. Maar hijkon niets hooren van wat de Markies en „de zwarte” met elkaar bespraken.
Hij voelde dat zij over hem spraken en spande al zijn krachten in om ook maar iets op te vangen, maar te vergeefs.
... groote zware karren.
... groote zware karren.
Eenmaal hoorde hij den markies op 'n zeer verwonderden toon zeggen:
„Wel neen! Die kleine bedelaars?” en toen het gesprek afgeloopen was, zei hij: „Zeker, ik begrijp het best, u kunt ten volle op mij vertrouwen.”
Toen de Markies den kermiswagen weer binnen kwam, keek Paul hem opmerkzaam aan, maar zijn trekken schenen wel uit marmer gehouwen, er stond niets op te lezen. Kalm ging hij weer liggen rooken alsof er niets was voorgevallen.
Het werd middag; de zon steeg hooger en hoe hooger de zon steeg hoe warmer het werd en met de warmte vermeerderde ook de onaangename atmosfeer binnen in den wagen. Tot overmaat van ramp woonden er ook nog millioenen vliegen, die door hunvoortdurende bloeddorstigheid iemand het leven bijna ondragelijk maakten.
En wat ook minder aangenaam was voor de reizigers, de paarden schenen de meest oneffene plaatsen van den weg uit te zoeken om den wagen door of over te trekken. Misschien werd Jonas wat slaperig door de heete middagzon; misschien ook werkte de inhoud van de flesch met brandewijn, die de Markies hem om het half uur eens toestak, niet voordeelig op zijn bekwaamheden als koetsier. Nu eens reed de wagen met het eene paar wielen over een steenhoop, om het andere oogenblik in een diepen kuil terecht te komen. Dan weer kropen de paarden als 't ware langs den weg om plotseling met een ruk verder te springen, waardoor al de leden van den troep tegen elkaar botsten en omver rolden. Als de beestjes dan een meter of wat gedraafd hadden stonden ze op eenmaal stil en de geheele familie tuimelde den anderen kant op.
Jonas zong onderwijl het hoogste lied, klapte met de zweep, stampte met z'n voeten op het spatbord en scheen bijzonder over zichzelf tevreden.
Eenmaal nog waagde Dickie het Paul te verwijten, dat hij zijne beloften zoo slecht hield.
Het was de laatste maal, want Paul werd rood van drift, sloeg met zijn vuist op den grond en riep: „Loop naar de weêrga!” en dit scheen Dickie zoo te verschrikken, dat hij in een hoek kroop en zich weleen uur lang zoo stil hield als een muis.
.... die de Markies hem om het half uur eens toestak.
.... die de Markies hem om het half uur eens toestak.
's Middags waren de beesten een paar maal gevoederd, want in een goed ingerichte menagerie gaan de beesten altijd vóór de menschen. Ook hadden de dochters der Koningin wat te eten gekregen, maar 't was alles Paul en Dickie's neus voorbij gegaan en ze hadden zich nog wel zoo verheugd op de boterhammen met jam!
Ze waren haast duizelig van den honger en hadden wat willen geven als hun maar weer een schotel aardappelen met varkensvleesch was voorgezet.
Eindelijk zei de Koningin met een dikke tong,—wantzij had het weer wat te druk met de brandewijnflesch aangelegd—„Vleesch krijgen jelui vandaag niet en jelui mot niet denke, dat je vóór de voorstelling van vanavond wat anders te eten krijgen. Als we niet genoeg geld innen, krijgen jelui dàn ook niemendal. Er is nog 'n half stuk brood en 'n saucijsje, maar dat is toch niet genoeg voor jelui tweeën en daarom zal ik 't maar opeten, anders geeft 't maar jaloerschheid en kibbelarij.”
„Hè, hè, dat gaat erin als koekedeeg.”
„Hè, hè, dat gaat erin als koekedeeg.”
Dit zeggende nam de beminnelijke dame uit deprovisiekast naast zich een stukje brood en een dikke rookworst.
Ze bekeek beiden met alle aandacht en zette er toen de tanden in, etend en smakkend als een hongerige koe in een klaverveld.
Toen ze zooveel gegeten had, dat ze onmogelijk meer iets naar binnen kon krijgen, nam ze een flinke teug brandewijn, veegde zich den mond af met den rug van de hand en zei met een zucht van voldoening: „Hè, hè, dat gaat erin as koekedeeg.”
Het werd avond en de karavaan trok een dorp binnen, waar de troep zou overnachten.
In 'n schuur van de herberg „de Ooievaar” zou de voorstelling plaats hebben.
„Vooruit, vooruit,” riep de markies, „ik kan geen handen in de zakken zien.”
Deze laatste opmerking was vooral tot Paul gericht, die tegen den deurpost leunde en niet van plan scheen 'n vinger uit te steken.
„Misschien begrijp jij daar nog niet recht, datikde baas ben, en dat iedereen doen moet watikzeg. 't Is 'n ding van 't hoogste belang om dat goed te begrijpen en daarom geef ik jeditom je bevattingsvermogen wat te versterken.”
Meteen gaf hij Paul zoo'n hevigen draai om de ooren als hij nog nooit van zijn leven gehad had.
Paul vond het dan ook maar 't beste dadelijk te gehoorzamen en aan 't werk te gaan.
Dickie die een oogenblik te voren ook niets uitvoerde en er uitzag als „'n beeld der wanhoop” begon van schrik hard mee te helpen om de kooien uit den wagen te tillen.
Toen de kooien in 't rond tegen den wand waren gezet en alles binnen in het gebouw voor de voorstelling in gereedheid was gebracht, werden er buiten op de muren groote veelkleurige biljetten aangeplakt, bedrukt met de wonderlijkste voorstellingen. Ten laatste werd er voor de deur een klein tooneeltje opgeslagen en de Markies maakte zich gereed aan het publiek bekend te maken, dat hij met zijn troep was aangekomen.
„Wel, jeugdige treurspelers,” zei hij tot Paul en Dickie, „nu is het oogenblik gekomen waarop wij aan de dorpsbewoners onze avondvoorstelling zullen aankondigen, want wij moeten ons souper nog verdienen. Het leven van een kunstenaar is niet allemaal plezier.”
De jongens waren het daar volkomen mee eens.
„Wij zullen de voorstelling aankondigen,” vervolgde hij, „door een aangename en liefelijk klinkende muziek. Gij, Koningin van mijn hart, zult wel zoo goed zijn de viool te bespelen. Gij, jonge dochters, moogtelk instrument nemen dat ge maar vinden kunt, als ge maar niet allen hetzelfde kiest. Jonas neemt de trombone. Dickie hijsch dien trommel eens op je rug; zie zoo, maak nu den trommelstok aan je rechter-elleboog vast. Knap zoo! Zet nu eens die bellekap op je hoofd. Heel goed! Nu...”
„Nog meer?” viel Dickie hem in de rede.
„Meer? Wel dit is nog maar 'n begin. Dus, zooals ik zei, steek deze mondharmonica in den kraag van je kiel. Nee! zoo niet, de openingen moeten vlak bij je lippen komen. Zoo gaat ie goed. Nu die schelletjes nog aan je voeten en de bekkens tusschen de knieën en dezen triangel aan je linker-elleboog. Als ik nog wat vergeten heb, hoop ik dat je me zult waarschuwen. Denk je van niet? Dan is 't goed! Nu moet je alleen maar je hoofd, ellebogen, vingers, knieën, voeten en handen allemaal tegelijk bewegen en zoo hard blazen als je kunt. Prachtig! Er bestaat geen knapper muzikant op de heele wereld dan jij.”
Daarop wendde hij zich tot Paul en zei: „Haal me de klarinet eens.”
„Haal 'm zelf,” zei Paul.
Juist bijtijds bukte de jongen zich, anders vrees ik dat z'n hoofd was afgeslagen.
't Volgend oogenblik had hij dan ook de klarinet maar gehaald.
„En wat mot ik daar nou mee doen?” vroeg hij.
„Wat of je daarmee moet doen? wel, 't is geen hooivork!Ik wil dat je ermee zult doen wat er gewoonlijk met 'n klarinet gedaan wordt.”
Geen knapper muzikant op de heele wereld.
Geen knapper muzikant op de heele wereld.
Paul zei, dat hij geen klarinet speelde.
„Daar vergis je je in mijn jongen. Iedereen kan de klarinet bespelen. Pasgeboren kinderen kunnen dit instrument soms nog mooier bespelen dan hun ouders.”
„Maar, ik zei immers...”
„Stil! Geen tegenwerpingen! Jij speelt de klarinet. Afgedaan!”
„Maar...”
„Jongen denk er om, het zal je berouwen als je niet gehoorzaamt.”
„Maar men heeft soms jaren noodig om 't te leeren.”
„Och! Dan heb ik een betere methode. Veel gemakkelijker en 't duurt oneindig korter.”
Daarop gaf de muziekmeester zijn leerling zoo'n klap met het instrument, dat de jongen dacht, dat hij in den grond zonk.
„Daar!” riep de Markies. „Is dat geen gemakkelijke manier van leeren? Nou kan je zeker de klarinet wel bespelen, hè?”
„Ik... ik denk van wel.”
„Ik denk 't ook. 't Is een leermethode, die nooit faalt. Speel.”
Paul blies met al de kracht van zijn longen in het mondstuk. De vreeselijk schrille toon dien hij deed hooren, bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.
„Bravo!” riep de Markies. „Je haalt, wel is waar, nog maar één noot uit het instrument en dat is 'n valsche, maar menschen die van een klarinet houden, zullen die noot prachtig vinden. Nu allen op den wagen!”
Het bovendeel en de zijstukken waren van den wagen afgenomen; de Markies ging voorop staan met zijn trompet en zoo ging de troep voorwaarts om luide zijne aanwezigheid in het dorp aan te kondigen.
En wel kondigden ze dieluideaan. Ieder speelde op zijn eigen manier en het eene instrument stoordezich totaal niet aan 't andere. De viool, de klarinet, de trombone, de triangel, ze krasten en bliezen en tingelden, zonder zich om iets wat naar maat geleek te bekommeren; 't was of ieder voor zich zijn best deed de anderen in sterkte van geluid te overtreffen.