VEERTIENDE HOOFDSTUK.Paul en Dick krijgen les.

... bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.

... bracht de beesten in hun kooien aan 't huilen.

Zoo doorkruiste de optocht eenige malen het dorp van rechts naar links en van links naar rechts. Op enkele punten maakte de wagen halt, dan toeterden alle instrumenten voor een oogenblik op hun allerhardst en daarna hield de Markies de volgende toespraak.

„Dames en heeren! Met welwillende vergunning van het EdelAchtbaar bestuur dezer stad, en op dringende uitnoodiging van eenige beminnaars der hoogere gymnastiek en van merkwaardigevoortbrengselenuit het dierenrijk, zal de wereldvermaardekoninklijke troep van den Markies van Galimedes, die reeds de eer had voor verscheidene gekroonde hoofden van Europa op te treden, hier hedenavond om acht uur eene voorstelling geven op het Theater van het hotel „de Ooievaar.”

Het zou te veel van uw aller geduld gevergd zijn, wanneer ik ook maar trachtte eenekleinebeschrijving te geven van alle wonderen, die zich daar aan uwe blikken zullen vertoonen.

Zeker ware ik morgenochtend nog niet gereed, wanneer ik u alles zou opnoemen. Daar dit onbegonnen werk zou zijn, zal ik mij bepalen tot het vermelden van slechts enkele der grootste artiesten en merkwaardigheden van mijn gezelschap.

Ten eerste dan zult ge zien den Markies van Galimedes in zijne onovertroffen vaardigheid in de magie en hoogere goochelkunst. Hij zal alle zakdoeken, horloges, juweelen enz. van elk der toeschouwers, die ze hem durft toevertrouwen, voor uwe oogen doen verdwijnen.

Vervolgens zal ik aan u presenteeren Hare Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden, een van de weinige overgebleven inboorlingen dier eilandengroep. Haar spijs bestaat enkel alleen uit degens en horloges, welke voorwerpen zij in uw bijzijn zal verslinden.

De gezusters Sylpha.

De gezusters Sylpha.

Dan zult ge zien, dames en heeren, de gezusters Sylpha, luchtacrobaten van den eersten rang. Het isvan algemeene bekendheid, dat de beroemde Parijsche Koningin der lucht-acrobaten: Kan-kan, door de bewonderenswaardige verrichtingen der gezusters Sylpha zóó werd overbluft, dat zij haar vak vaarwel zeide en in een klooster ging. Deze geschiedenis is wijd en zijd in de couranten verkondigd; ik kan u dus voor de waarheid ervan instaan.

Te zamen met deze onvergetelijke acrobaten zullen hare zusters de slangenmenschen op het tooneel verschijnen en u verstomd doen staan door hare sprongen, draaiingen, wendingen en buitelingen. Dan zult ge nog zien Komus, den grooten clown, wiens ongeëvenaarde geestigheid u zóó zal doen bersten van lachen, dat op het einde der voorstelling alle knoopen van uw kleeren afgesprongen zullen zijn.

Het zou mij te ver voeren wanneer ik u al de bekwaamheden opnoemde van Jon-Jon den sterksten man ter wereld. De eerste maal dat ik dezen modernen Simson zag, was hij juist in gevecht met een leeuw in de woestijn. Jon-Jon overwon. Ik bood hem oogenblikkelijk een plaats bij mijn gezelschap aan en het aanbod was voor hem te verleidelijk, dan dat hij het niet met beide handen zou aangrijpen. Hij legt een knoop in een ijzeren staaf, zooals een ander dat in een touw doet en aan het eind zijner verrichtingen zal hij met zijn tanden twee van de dikste menschen uit het publiek opnemen en over zijn hoofd, dertig voet ver, wegwerpen.

Hyinski, de Japansche jongleur.

Hyinski, de Japansche jongleur.

Dan, dames en heeren, zult ge nog bewonderen Hyinski, den beroemden Japanschen jongleur, nog onlangs benoemd tot lijfjongleur van Z. M. den keizer van Japan.

Dan zult ge zien twee wonderen, eenig in hun soort, die zich alhier voor 't eerst aan 't publiek zullen vertoonen.

Voorts zal ik aan u presenteeren het gedresseerde zwijn Heliogabalus, dat beter kan optellen dan menig knap kassier en u op den dag af den leeftijd zal weten te zeggen van elke dame uit het publiek.

Dames en heeren, ik zal kort zijn. Veel zou ik u nog kunnen vertellen, maar de tijd voor de avondvoorstelling nadert.

Laat mij er dit nog bijvoegen, dat sinds Noach'stijden zelden, neen nooit eene verzameling van dieren is aangetroffen, zóó uiteenloopend en zeldzaam, als zich in mijne menagerie bevindt.

Aan het eind der voorstelling zal ik nog uwe aandacht vragen voor een gevecht tusschen twee beren en twee bulhonden, waarvan u de haren te berge zullen rijzen.

En nu zult ge mij vragen: „wat moet ik betalen om getuige te kunnen zijn van al deze wonderbaarlijke verrichtingen?”

Ja, zeer geëerd publiek, dat is een moeilijk te beantwoorden vraag. Overal waar ik met mijn gezelschapoptrad, in St. Petersburg, Weenen, Rome, Madrid, Jeruzalem, overal betaalde men mij een gulden, een rijksdaalder, vijf gulden soms, voor een loge tien gulden. Maar hier zal ik bescheiden zijn, ik wil, dat zelfs de geringste onder u van mijne leerrijke voorstelling zal kunnen profiteeren. Daarom vraag ik geen tien gulden, geen vijf gulden, geen twee gulden, neen, zelfs geen gulden. Ik vraag—hoeveel denkt ge? Wel, ik vraag slechts de belachelijk kleine som van één stuiver.

Neen, dames en heeren, uw ooren bedriegen u niet,—één stuiver slechts de persoon.

... en holden om het hardst weg.

... en holden om het hardst weg.

Bovendien zullen kinderen beneden de twaalf jaar die hun bankpapier en goudgeld liever niet willen wisselen, (want als geld eenmaal gewisseld is, dan glijdt het helaas! maar al te gauw door de vingers) toegelaten worden tegen betaling van één ei. (Alle kleine jongens staan bij deze mededeeling eerst een oogenblik sprakeloos van verbazing en hollen dan om 't hardst weg.)

Dus, dames en heeren, profiteert van de gelegenheid.

Wanneer ge geen stuiver bezit of geen ei kunt machtig worden, dan zult ge de grootste wonderen der oude en nieuwe wereld niet kunnen aanschouwen. Ik hoop echter, dat er geen enkele onder u gevonden wordt, die van dat schouwspel verstoken moet blijven.”

Hierop viel het muziekkorps weer met een helsch lawaai in.

De voorstelling zou beginnen. Het publiek stroomde naar de herberg. Kinderen beneden de twaalf jaar kwamen bij twintig te gelijk. Ik geloof niet, dat allen op even eerlijke wijze hun „entree” hadden bemachtigd en den volgenden dag begreep menig moedertje niet waar toch al haar eieren gebleven waren.

Er werden zóóveel eieren in betaling gegeven, dat men niet wist waar ze te bergen en uit de keuken van „de Ooievaar” moest een waschtobbe worden geleend om ze in te doen.

De Koningin stond bij de deur en inde geld en eieren. Bij tusschenpoozen sloeg ze met kracht op een groote gong en schreeuwde: „Eén stuiver maar als 't je blieft, één stuiver of één ei!”

Jonas en de meisjes waren prachtig uitgedoscht. Jonas als clown en de meisjes in tricot met korte rokken. Met veelzeggende gebaren wezen ze dan weer op zichzelf en elkander, dan weer naar de monsterachtig leelijke prenten achter zich, en dat beteekende: „Alles wat ge daar afgebeeld ziet wordt door ons vertoond.”

... waar toch al haar eieren gebleven waren.

... waar toch al haar eieren gebleven waren.

Om het publiek nog meer te lokken besloot de Markies een kleine comedie op het tooneeltje voor de deur te doen vertoonen.

De comedie was getiteld:

„De dame en haar luie knecht.”

Paul zou de hoofdrol vervullen. Anders was dit de taak van Jonas, maar die was nu juist bezig versch stroo in de kooien te leggen.

„Hoe kan ik nou comedie spelen als ik het stuk niet eens ken,” zei Paul.

„Dat komt er niet op aan,” antwoordde de Markies, „je geeft maar antwoord op wat men je vraagt, daarmee uit,” en meteen gaf hij Paul een flinken schop, waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.

„Ha, ha, zijt ge daar eindelijk luiaard,” riep de Koningin die voorDamespeelde, „waar hebt ge den wijn gelaten?”

De knecht: (Paul) „Welke wijn?”

De dame: Wel, den wijn waarvoor ik u tien stuivers gaf om denzelven te koopen.

De knecht: 'k Kreeg nooit tien stuivers van je om wijn te koopen.

De dame: Ha, ha! hoor dien snuiter eens! Hij durft het mij heeten te liegen. Waar is de wijn?

De knecht: Och wat zeur je toch van: „Waar is de wijn?” ik weet van geen wijn.

De dame: O gij kleine gulzigaard, ik begin tegelooven, dat gij den wijn hebt opgedronken.

De knecht: Al was er wijn geweest dan zou ik toch geen droppel ervan hebben kunnen proeven. Jij houdt er zelf veel te veel van.

Een stem achter de schermen: Mooi gezeid. Maak er een gebaar bij.

.... waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.

.... waardoor hij plotseling midden op het tooneel stond.

Maar Paul verstond of begreep de bedoeling van den Markies niet goed en stak zijne tong uit. De „dame” werd nu in ernst boos, liep op Paul toe en gaf hem een klap om de ooren, die klonk als 'n klok. Paul week achteruit, de „dame” achtervolgde hem, totdat hij aan den achterkant van het tooneel gekomen geen steun meer vond, zijn evenwicht verloor en naar beneden tuimelde.

Voor het publiek was de comedie nu afgeloopen.

Het juichte de vertooners daverend toe; 't was dan ook erg natuurlijk geweest.

Voor een der vertooners begon de comedie echter nu pas goed te worden. Paul viel namelijk in de waschtobbe met eieren, alsof die daar expres voor dat doel was neergezet. Den Markies, die het zag, liepen de tranen over de wangen van 't lachen.

„Ik dacht datikveel van eieren hield,” zei hij, „maar zooveel als jij er van schijnt te houden! je bent een echte veelvraat!”

Paul had zeker wel dadelijk een antwoord klaar gehad, als de gele kleverige massa, die over zijn gezicht droop, hem niet belet had een woord te zeggen. Hij wreef zich met de handen over oogen en mond, maar hoe meer hij wreef, hoe meer verspreidde zich de eierdoor en hoe stijver kleefde die op zijn gezicht vast.

Plotseling riep de markies: „Houd op, houd op! wrijf geen droppel meer af! Ik heb daar 'n heerlijk idee! Ik beloofde die domme boeren, dat ik ze twee nog nooit vertoonde wonderen zou laten zien en ik was m'n belofte al heelemaal vergeten. Maar nu, als bij toeval, ontdek ik het eene wonder. Houd op met dat gewrijf! Hoe meer je kleeft hoe beter. Ik ga 'n wilde van je maken mijn jongen, een echte wilde!”

Al pratend duwde de Markies Paul in een dichtbijzijnden stal, die als algemeene kleedkamer van dentroep dienst deed. Hij had daar even te voren een stuk of wat kippen opgemerkt, die kalm naast elkaar zaten te slapen. De dieren te grijpen en ze meteen den nek om te draaien was het werk van een oogenblik. Het gebeurde zoo gauw, dat de arme kippen, geloof ik, zelf niet eens wisten, dat ze dood waren. Even handig en vlug waren de beesten geplukt en nu begon de Markies Paul van top tot teen met de veeren te bedekken, die overal op en in de kleverige eimassa bleven zitten. Van de vleugels en de staart maakte hij een soort diadeem, dien hij in het haar van den jongen vastplantte. Op een paar pas afstand beschouwde hij met welgevallen zijn „schepping.” „Wel, wel, je lijkt nog veel meer op 'n wilde dan Vrijdag van Robinson,” zei hij. „'t Is altijd gevaarlijk om de toekomst te voorspellen, maar ditmaal ben ik er zoo goed als zeker van, dat je succes zult hebben, zeldzaam succes! Nu zal ik je nog leeren hoe je je tegenover het publiek als wilde moet gedragen. Zet je rechtervoet vooruit—zóó. Kom nu een paar stappen voorwaarts—zóó. Hier is 't handvat van een ouden mattenklopper, neem dat voor oorlogswapen en nu vooruit, de linkerhand in de zij, in de rechterhand het wapen—zóó. Wat zei je daar? Speel je niet voor mal?”

De Markies nam, dit zeggend, als bij toeval een stevig touwtje van den grond op en zweepte dit heen en weer.

Paul zette dadelijk den rechtervoet vooruit, de linkerhand in de zijde en sloeg woedend met zijn wapen in het rond.

„Zoo is 't goed.” zei de Markies, „ik verstond je zoo juist bepaald verkeerd.”

„Rol nu je oogen en schud je hoofd, alsof je het geheele publiek wel dadelijk zoudt willen verslinden.

Prachtig! uitstekend! Nu moet je nog maar alleen de taal van je land leeren. Luister, je moedertaal is: „Acasa! Bojador! Draa!” Zeg mij dat na: „Acasa! Bojador! Draa!””

Paul keek even naar het eindje touw en zei toen zijn lesje op.

„Dat gaat wel voor een nieuweling, maar in dat „Draa” zit nog niet genoeg klank. Je moet het meer laten rollen. „Dra...a.” Probeer 't nog eens.”

Paul gehoorzaamde.

„Dat gaat veel beter. Denk er nu om, dat je het op het tooneel net zoo goed doet! Je opvoeding is nu bijna voltooid, er mankeert nog maar 'n kleinigheid aan; zie je die kippen, die ik zoo juist plukte? Nu, die vette diertjes zal ik je voor 't publiek laten zien en zoodra je ze in 't oog krijgt moet je er op aanvallen als 'n wild beest en ze met huid en haar verslinden. 't Zal 'n groot ongeëvenaard succes zijn. Wees dankbaar, dat ik je in de gelegenheid stel je groote gaven door het publiek te laten waardeeren. Waarlijk dat overkomt iemand maar zelden in de wereld.”

„Acasa! Bojador! Draa!”

„Acasa! Bojador! Draa!”

„En denkt ge soms, dat ik van plan ben die rauwe kippen op te eten?” zei Paul.

„Waarom niet? De meeste menschen zouden overgelukkig zijn als ze zoo'n kippetje op hun tafel kregen.”

„'nRauwekip,” verbeterde Paul,„'n gebraden kip zou 'k ook wel lusten.”

„'n Gebraden kip! Dat wil ik wel gelooven. Maardaar is heelemaal geen kunst aan. Daar behoeft men geen artiest van beroep voor te zijn om dat te kunnen doen. Elke dilettant doet dat met 't grootste genoegen. Maarrauwekippen te eten dat iskunst, dat doet de eerste de beste je niet na!”

„Je kunt daar nu wel staan praten als Brugman, maar ik ben niet van plan rauwe kippen te eten.”

„En je eet zewel, Vrijdag.”

„Ik eet ze niet.”

„Ja,” zei de Markies kalm, „wanneer je zoo vast op je stuk staat, dan zal ik weer mijne onfeilbare onderwijs-methode moeten toepassen, waarmee men jonge wilden heel gemakkelijk leert niet al te kieskeurig te zijn...”

De Markies nam toen een paar veeren die nog op den grond lagen en stak ze doodbedaard, alsof er niets bijzonders gebeurde, in Paul's blooten nek.

„Nu, Vrijdag, wat heb je liever, rauw vleesch of gebraden?”

„R-r-auw!”

„Je houdt dus ook heel veel van rauwe kippen?”

„J-j-a!”

„Dat dacht ik ook wel. 't Had me waarlijk erg gespeten wanneer je door al die eieren geen trek meer had in andere lekkere dingen. Zie zoo ik geloof, dat je nu wel 'n volleerde wilde zijt. Wanneer je nog 't een of ander weten wilt dan moet je me maar waarschuwen.”

Met deze woorden bracht de Markies Paul in een groote kooi en sloot de deur achter hem dicht.

„En nu nòg 'n wonder.” zeide hij. „Dick kom eens hier. Ja, laat eens zien, wat kan ik eigenlijk van jou maken?”

„Ik wil niet dat er wat van mij gemaakt wordt,” stotterde Dickie, „ik wil naar huis.”

„Nu nog mooier. Paul maakt zich nuttig voor zijn medemenschen en jij zoudt niets doen! Dat kan je zoo denken! Luiheid, mijn kleine man, is de bron van alle kwaad. Toen ik een kleine jongen was heb ik dat nooit begrepen, ik leerde de waarheid van dat spreekwoord helaas te laat in 'n zeer harde en bittere leerschool.”

Hij had de laatste woorden meer tot zichzelf dan tot Dick gesproken en een oogenblik bleef hij stil nadenkend voor zich uit staren.

„Komaan mijn jongen,” vervolgde hij weer op zijn gewonen toon, „wat moet er van jou worden? Ik weet het! Een man zonder hoofd, dat is gemakkelijk te maken en het effect zal schitterend zijn. Kom hier, dan zal ik je het hoofd afnemen.”

Dickie keek doodsbenauwd, want hij dacht niet anders of zijn laatste uur was geslagen.

„Gevonden, gevonden!” riep de Markies, „daar heb ik 'n schitterend idee, 'n geniaal denkbeeld! 'n Openbaring! Ik zal je hoofd afslaan, je vrouwenkleeren aantrekken en je aan het publiek voorstellenals het Grootste Wonder op Aarde, de Eenige Zwijgende Vrouw. Uit alle deelen van de wereld zullen de getrouwde mannen naar mijn spel komen om dat wonder te zien. Dickie ons fortuin is gemaakt.”

Maar het vooruitzicht op rijkdom en fortuin maakte blijkbaar heelemaal geen indruk. Dickie begon te huilen.

„Nou, nou! wat is dat nou!” zei de Markies op 'n vriendelijker toon, dan men van hem verwacht zou hebben, „wanneer je er geen lust in hebt, dan zullen we wat anders moeten bedenken. Ik weet 't al. Je moet optreden als vliegenvanger. 't Is 'n rol van weinig beteekenis en gemakkelijk te vervullen ook. Kom, laat mij je armen en beenen afnemen. Voortaan heb je die aanhangsels niet meer noodig.”

Dickie begreep niet, dat de spellebaas hem voor de grap bang maakte; hij meende in ernst dat zijn ledematen afgehakt zouden worden en smeekte om genade.

De Markies lette daar echter niet op, pakte hem beet, drukte hem de armen recht tegen het lijf en liet hem neerknielen in een grooten meelzak, dien hij verder geheel opvulde met stroo. Het bovengedeelte bond hij met een stevig koord om Dickie's hals en op zijn hoofd zette hij een oud fluweelen kalotje, waarin hij een paar pauweveeren stak. Daarna schilderde hij een roode ster op zijn voorhoofd en duwde en trok zoolang aan den zak, tot er geen vouwtje meerin was en niemand kon zien waar de jongen eindigde en de opgevulde zak begon.

Toen zette hij hem op 'n soort van voetstuk en bracht hem in 'n andere kooi naast die van Paul.

„Ik ben trotsch op mijn werk!” riep hij uit. „Nog nooit zag ik twee zoo volmaakte wonderen te zamen! Maar 't publiek wordt ongeduldig. Ik moet naar voren. Houdt jelui bedaard en kalm en denkt maar eens goed over je rollen na. Dadelijk kom ik weer terug en ik hoop, dat ik jelui geheugen niet behoef op te frisschen.”

En haastig liep hij weg, blijkbaar zeer voldaan over zijn arbeid.

... tot groote schade van de horloges,hoeden en duiven.

... tot groote schade van de horloges,hoeden en duiven.

Paul en Dick bleven alleen en de voorstelling begon. Zij begon als gewoonlijk met de goocheltoeren van den Markies van Galimedes. Hij raakte slechts even het knoopsgat van zijn jas aan en... een prachtige roos kwam te voorschijn. Hij leende een horloge, hamerde dit aan kleine stukjes en haalde het dan weer gaaf en wel uit den zak van een ouden mijnheer, die bij hoog en laag gezworen had, dat hij geen horloge bij zich droeg. Dan vulde hij een glas met water, en als hij het in den schoot van een dame omkeerde was de inhoud in bloemen veranderd. Hij schonk uit dezelfde flesch een glas port, een glas sherry en een glas cognac; en de dames en heeren, die op zijn verzoek den inhoudder glazen mochten proeven, vonden dit vooral 'n prachtige toer. Hij sneed den kop van 'n duif af, sprak eenige hocus-pocussen en... de vogel was weer levend. Hij klutste eieren in 'n geleenden hoed en bakte er een ommelet in, die hij onder het publiek verdeelde. Daarna gaf hij den hoed geheel ongeschonden, weer aan zijn eigenaar terug, die al dat geknoei had aangezien met 'n gezicht bleek van angst, voor 't verlies van zijn hoofddeksel. Al deze toeren en nog een heeleboel meer hadden het succes dat ze altijd en overal hadden.

Wel 'n dag of veertien lang probeerden de dorpsbewonersof ze den goochelaar ook na konden doen tot groote schade van de horloges, hoeden en duiven uit het dorp, maar het gelukte hun niet. Treurig keken ze dan naar de slachtoffers, krabden zich achter de ooren en zeiden: „Maar wat drommel hoe deed hij dat dan toch?”

Na den Markies traden „de onvergelijkelijke en bewonderenswaardige gezusters Sylpha” op.

Het waren een paar leelijke dochters van de nog veel leelijker moeder en hunne verrichtingen bleven ver beneden het middelmatige. Het mooiste van de vertooning was, toen een van de zusters net deed of ze haar evenwicht verloor, bijna viel, maar gelukkig nog juist bij tijds het koord vastgreep. Het publiek begreep in 't geheel niet dat alles slechts voorgewend was. Het meende, dat een van de zusters werkelijk een oogenblik tusschen leven en dood zweefde en 't was een algemeen gejuich en handgeklap toen alles zoo gelukkig afliep.

De Slangenmenschen, die onderwijl van uit een hoek naar de kunsten van hare zusters hadden staan gluren, kwamen nu op het tooneel en deden het publiek „verstomd staan door hare buitelingen, draaiingen en wendingen.” Ook Komus, de Groote Clown, vertoonde zich. Hij beproefde na elke gymnastische toer de gezusters na te doen, maar natuurlijk gelukte dit hem nooit. Na elke mislukte poging boog hij diep voor het publiek, dat niet op hield te schaterlachenover zijn geestigheden. De vroolijkheid bereikte haar toppunt toen Komus overal liep te zoeken naar zijn muts, die hij in de hand hield; toen hij bij ongeluk tegen een paal aanliep met zoo'n schok, dat hij ervan op den grond tuimelde, waarna hij zichzelf weer ophielp bij het achterste gedeelte van zijn groote, wijde broek; toen hij zich een klinkenden slag op de wang gaf, om een denkbeeldige vlieg dood te slaan, en meer grappige kunsten vertoonde, die even geestig zijn als oorspronkelijk en waarover de toeschouwers zich bijna een ongeluk lachten.

Thans achtte de Markies het geschikte oogenblik gekomen, om den dorpelingen de eerste groote teleurstelling mee te deelen.

.... tegen een paal aanliep.

.... tegen een paal aanliep.

Met doodelijk verschrikt gelaat kwam hij plotseling van achter de coulissen te voorschijn.

„Ik moet u allen een hoogst treurig voorval meedeelen,” riep hij uit.

„Blijft allen rustig zitten, er is geen brand! Neen iets veel ergers dan brand is ons overkomen. Jon-Jon, de sterkste man der wereld, is dood!”

„Dood?” herhaalden allen fluisterend.

„Ja dood!” hernam de Markies. „Hier heb ik z'n brief, waarin hij mij schrijft, dat hij hedenavond, op zijn gewone wandeling, aangereden is door een dame op 'n fiets en gedood werd.”

„Gedood door een dame!” riep iedereen. „De sterkste man der wereld, gedood door een dame!”

Sommige vrouwen en kinderen die ook wel eens bijna door een rijwiel omvergereden waren, keken erg medelijdend, maar er waren velen onder de toeschouwers, die hun schouders ophaalden en blijkbaar niet veel van het verhaal van den Markies geloofden.

De Markies merkte dit wel degelijk op en daarom ging hij heel rad sprekend, zoo gauw mogelijk met zijn toespraak voort om verdere redeneeringen te voorkomen.

„Dames en heeren,” vervolgde hij, „nu zal ten tooneele verschijnen Hare Majesteit de Koningin van de Isofagus-eilanden.”

Daarop verscheen de Koningin met rood gezicht, rood haar, vuurroode bloote armen en gekleed in eenverlepte rood zijden japon met schitterende loovertjes. Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van Hare Hoogheid aan.

Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van Hare Hoogheid aan.

Trompetgeschal achter de schermen kondigde de komst van Hare Hoogheid aan.

Toen de „klaroenen” zwegen nam zij met een minzaam koninklijk gebaar een zwaard uit de handen van den knielenden Markies. Eenige malen zwaaide ze er mee in het rond, zoodat alle menschen op deeerste rij dachten, dat het op hen gemunt was, drukte het tegen haar borst en hield het heft ter hoogte van haar lippen, om te toonen hoe diep het zwaard in haar lichaam zou binnendringen.

Toen opende Hare Majesteit haar grooten mond en slokte het zwaard langzaam in.

Natuurlijk slokte ze het niet in werkelijkheid in, want het wapen was uit een menigte geledingen saamgesteld, die door een eenvoudig mechaniek in elkaar schoven.

Nadat de toejuichingen een weinig bedaard waren haalde ze het zwaard weer voor den dag en boog, met een indrukwekkende waardigheid, naar links en rechts.

„Dames en heeren,” zei de Markies, terwijl hij drie passen naar voren trad, „Hare Majesteit is getroffen door uwe vriendelijke ontvangst en wil u, uit dankbaarheid, nog eene van hare zeldzame kunstverrichtingen doen zien. Zij zal een goed loopend horloge met ketting naar binnen slikken. Zou een van de heeren zoo goed willen zijn mij een horloge te leenen?”

„O, dank u mijnheer! Dank u, één is genoeg! Eens toen de Koningin nog tusschen haar onbeschaafd volk verblijf hield, gebeurde het, dat zij spelenderwijs een horloge door haar keelgat liet zakken. Juist wilde zij het terugtrekken, toen de ketting brak en het onverteerbaar voorwerp zonk in haar koninklijke maag.Dit scheen een groot ongeluk, maar er is geen ongeluk zonder geluk; zoo ook hier. Het horloge was een repeteerhorloge en liep uitstekend.

Hierdoor kwam het, dat Hare Majesteit tot grooten zegen werd voor hare onderdanen op de Isofagus-eilanden. De bewoners van deze ver verwijderde landen zijn nomaden. Een algemeenen tijd als dien van Greenwich kennen zij niet. Wanneer nu een der zwervende stammen in de diepte der ondoordringbare wouden hun Koningin ontmoetten, zette men zich bij haar neder en wachtte geduldig tot het verborgen uurwerk sloeg, waarna een ieder zijn horloge gelijk zette en verder toog.”

„Wie wond het horloge op?” riep een van de ongeloovigen uit het publiek.

„Het was net als de tong van zeker iemand, altijd door in beweging,” antwoordde de Markies.

De man wilde nog iets zeggen, maar het gelach dat op het handige antwoord volgde was zóó luide, dat niemand hem verstond.

Toen alles weer stil was deed de Koningin het geleende horloge en daarna de ketting, schakel voor schakel in haar mond verdwijnen, doch droeg wel zorg dat het einde der ketting stevig tusschen hare gesloten lippen bleef zitten.

De Markies vroeg daarop aan een van de jeugdige toeschouwers, op het tooneel te willen komen, ten einde zich te overtuigen, dat het horlogewel degelijk in de maag der Koningin tikte.

Na veel gegrinnik kwam eindelijk een haveloos jongetje op het tooneel en verklaarde dadelijk, dat hij „het ergens hoorde tikken,” wat hij dan ook werkelijk deed, want er was een klein uurwerk verborgen in de plooien van de ceintuur der dikke vrouw.

... „het ergens hoorde tikken.”

... „het ergens hoorde tikken.”

Hare Majesteit tilde daarna nog enorm „zware” gewichten op van hol plaatijzer, waarop ongelooflijk groote getallen waren geschilderd, om te toonen hoezwaar ze wel waren, waarna de Markies bekend maakte, dat er tien minuten pauze zou worden gehouden, als wanneer het tweede deel der voorstelling een aanvang zou nemen.

„En waar blijft Hyinski, de beroemde Japansche jongleur?” riep een van de ongeloovigen, want evenmin als Jon-Jon, was er ooit iemand die Hyinski heette aan het gezelschap verbonden geweest.

De Markies sloeg langzaam zijn oogen op en zag den spreker recht in 't gelaat.

„Niemand,” zeide hij, „zou deze vraag doen wanneer hij de oorzaak kende van Hyinski's afwezigheid. Al schijnen wij artiesten voor 't oog der wereld altijd vroolijk en opgewekt, wij hebben toch ook ons verdriet en onze zorgen. Hyinski knielt op 't oogenblik neder aan het ziekbed zijner stervende moeder...”

„Och arme!” riep het vrouwelijk deel van het publiek en keek met verwijtende blikken naar den vrager, „je moest je schamen, jij, om zoo iemand nog te willen laten optreden.”

De triomf van den markies was volkomen en hij leidde de Koningin van het tooneel onder een donderend applaus.

Na de pauze zou de spellebaas aan alle weetgierigen de wonderen zijner menagerie laten zien. Maar hij was niet zoo gelukkig als bij het eerste deel der voorstelling.

Het publiek was teleurgesteld, want het had veel meer verwacht te zien dan de dieren, die de Markies onder allerlei onverstaanbare Latijnsche namen voorstelde.

Zoo waren de omstanders dan eindelijk genaderd totHeliogabalus, het gedresseerde Varken.

„Komaan, loffelijke vertegenwoordiger van het zwijnenras,” zeide de Markies, „neem deze vlag in uw bek en leg haar neder aan de voeten van den grootsten dwaas uit dit gezelschap.”

Het varken knorde, liep heen en weer en legde eindelijk, geleid door zijn meester, het vlaggetje neer vlak voor den man, die wilde weten waar Hyinski bleef.

„Het is bewonderenswaardig hoe juistHeliogabalushet karakter van de menschen weet te verklaren,” zei de Markies droogjes.

... legde eindelijk, geleid door zijn meester, het vlaggetje neer.

... legde eindelijk, geleid door zijn meester, het vlaggetje neer.

„Als je uïg wordt mot je 't zeggen,” bromde de man, „maar laat 'm nou 's 'n som maken.”

De Markies schoof dadelijk een schoolbord naar voren, waarop eenige cijfers geschreven waren.Heliogabaluskeek naar het bord met het onnoozele gezicht van iemand, die tòch de vraag niet beantwoorden kan en haar ook nietbehoeftte beantwoorden.

„Vooruit naar je hok,” riep eindelijk de Markies ongeduldig, toen het beest als gewoonlijk stokstijf bleef staan, „ik heb meer te doen dan te staan wachten of jij dezen heeren en dames een genoegen wilt doen of niet.”

En dadelijk stapte hij voort naar de kooi, waarin de geit woonde.

„Hier bevinden wij ons,” zoo begon hij, „tegenover een zeldzaam exemplaar van de Alpaca der Peruviaansche Andes. Het feit alleen, dat het elegante dier precies gelijkt op onze gewone of huisgeit maakt het tot een waardig voorwerp van uwe buitengewone belangstelling.”

Eén ding was er waarnaar de toeschouwers steeds reikhalzend uitzagen en dat de Markies hun niet kon laten zien.

Sprekend over de wilde dieren in zijne menagerie had hij beloofd hun een gevecht te laten zien tusschen beren en bulhonden, „waarvan u de haren te berge zullen rijzen.”

Bij elk nieuwwilddier riepen eenige ongeloovigen steeds om „de beren.” Toen de Markies het gevecht aan het dorpspubliek beloofde, dacht hij niet anders òf ze zouden het vergeten òf hij zou er zich wel op de een of andere wijze uit kunnen redden. Het ging ditmaal echter zeer moeilijk.

Voor enkele oogenblikken scheen het geroep om de beren tot zwijgen gebracht, toen de Markies genaderdwas tot de kooien der beide „grootste Wereldwonderen.”

Eerst was Dickie aan de beurt.

„Hier Dames en heeren,” sprak hij, „ziet ge een van de wonderlijkste spelingen der natuur. De wetenschappelijke naam ervan isPaddestolaphyllum honorarum, of eenvoudiger de Vliegenvanger.

... een zeldzaam exemplaar.

... een zeldzaam exemplaar.

Let wel op de buitengewone vorming van dit wonder, half dier half plant. De beroemde Darwin heeft er jarenlang zijne hersenen mede gepijnigd of hij het in het planten- dan wel in het dierenrijk moest rangschikken. Hij heeft het raadsel niet kunnen oplossen. Men vindt De Vliegenvanger enkel in de holen in het hartje van Mexico, waar hij tusschen de rotsen groeit evenals bij ons de paddestoel tusschen het mos. Hij kan niet spreken en wordt alleen gevoed met vliegen. Wees zoo goed dames en heeren hiervan slechts de proef te willen nemen.”

Dadelijk begonnen de omstanders vliegen te vangen en hielden die den ongelukkigen Dick voor den mond. Maar Dick bedankte wel voor die lekkernij, hij walgde ervan.

De ongeloovigen onder het publiek hadden groote pret en grinnikten van genoegen, maar de Markies liet zich door niets uit het veld slaan.

„'t Is niet te verwonderen, dames en heeren, dathijofhetgeen trek meer in vliegen heeft. Hij heeft er vandaag al zóóveel gegeten, dat 't me verwondert dat er nog één enkele vlieg in deze heerlijke dreven te vinden is. Bovendien is het zóó gewoon alleen door mij gevoed te worden, dat ik niet geloof, dat het eenig voedsel van een vreemde zal aannemen.”

„Geef mij al uwe gevangen vliegen, als 't u belieft. Ge zult zien hoe gretig hij er naar hapt.”

De Markies nam een dikken brommer, bracht dien aan Dickie's lippen en zei zachtjes: „Drommelsche jongen eet dan toch! of ik zal je raken vanavond.”

Doch de walging voor het vieze voedsel behaalde de overwinning op Dickie's vrees voor een gevoelige straf: zijn lippen bleven stijf opeengeklemd.

Een luid en spottend gelach ging er onder de toeschouwers op, toen de proef voor de tweede maal mislukte.

„Helaas! dames en heeren,” zei de Markies, die heelemaal niet uit het veld geslagen scheen, „'t is juist zooals ik gezegd heb. Het ding is tot den halstoe volgepropt. Ik bemerk heel goed, dat er eenigen onder u zijn, die aan de echtheid van dit natuurwonder twijfelen. Ik zeg: laat ze twijfelen. Zij denken waarschijnlijk dat ze het beter weten dan zoovele geleerde heeren. Ik denk altijd maar:Risu inepto res ineptior nulla.”

De dorpsbewoners begrepen niets van de vreemde woorden, zij keken elkander aan, knikten en meenden dat de Markies toch zeker wel een geleerde moest zijn.

„Wat mij betreft,” vervolgde de spellebaas, „ik zie in zijne weigering om voedsel te gebruiken een bewijs, dat de lagere plant- en diersoorten soms ver boven de hoogere soorten staan. Wij mochten de les, die het ons leert wel ter harte nemen. Het weet maat te houden en voelt wanneer 't genoeg gehad heeft. Ge ziet, dames en heeren, den houten stok waaruit het voortkomt en waarop het groeit. De Natuur gaf het geen armen en beenen en evenmin een spraakvermogen.”

Plotseling riep Dickie: „O! mijn beenen, mijn beenen. Ik krijg de kramp in mijn beenen. Ze zitten veel te stijf vastgebonden!”

„Dit wonder hebben we nu genoeg bekeken,” zei de Markies met een zeldzame tegenwoordigheid van geest, want het gelach was zóó uitbundig, dat 't een steenen beeld van zijn voetstuk had kunnen doen tuimelen.

De beurt was nu aan Paul.

Gedachtig aan de gevoelige les, die hij voor de voorstelling gehad had, sprong Paul met woeste blikken naar voren en riep zoo krijschend: „Acasa! Bojador! Draa!” dat alle omstanders een rilling door de leden voer.

... een vrouw met een spichtig gezicht.

... een vrouw met een spichtig gezicht.

Toen allen wat van den eersten schrik bekomen waren, waagde een vrouw met dunne lippen en een erg spichtig gezicht het aan den Markies te vragen of dit dier door zachtheid getemd was.

Zoo tam en onderworpen was Paul nog niet of hij had nog wel iets behouden van zijn vroegeren ondeugenden aard.

Hij sprong op de vrouw toe, rammelde aan de stangen van zijn kooi alsof hij ze er uit wou rukken en liep toen, al schreeuwend op handen en voeten in zijn gevangenis heen en weer als een razende hond.

Doodelijk verschrikt vloog de vrouw de straat op en nooit zag men een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken als deze deed.

... een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken.

... een magere spitsneuzige vrouw zulke beenen maken.

„Dit zeldzame dier, dames en heeren,” zoo begon de Markies, „dat ik op een onherbergzame kust vond en mocht bemachtigen, is de laatst overgebleven vertegenwoordiger van een uitgestorven geslacht, zoodat u allen hier de zeldzame gelegenheid wordt geboden eene nauwkeurige studie te maken van uwe voorvaderen.”

„Ik ontdekte hem in een hol in de woestijn van Bobbykattapultem, negen mijlen ten zuiden van de Pool en slechts na een hevig en bloedig gevecht, waarin hij vier mannen verscheurde en verslond, gelukte het ons hem te binden en mede te voeren.”

De omstanders waren geheel oor. Met open mond staarden ze naar hun voorvader, die er zoo bepluimd en gevederd uitzag.

„De geleerde heeren,” verklaarde de Markies, „zeggen ons, dat de eerste menschen er ongeveer juist zoo uitzagen als tegenwoordig de kippen en hanen. Bij nadere beschouwing zult ge zien hoe merkwaardig precies de gelijkenis is. Een andere merkwaardige eigenschap van dit dier is de zeldzame gulzigheid waarmede hij alles verslindt wat binnen zijn bereik is: oud ijzer, baleinen, stukken hout enz. enz. Bij gebrek aan iets anders zal ik u toonen hoe hij een rauwe kip naar binnen werkt.”

„Kom wildeman, laat eens aan de dames zien, dat er wel degelijk leden van het mannelijk geslacht bestaan, die het niet kan schelen wat men hun 's middags voorzet.”

De Markies wierp daarop een kip in de kooi.

Paul grijnsde vreeselijk, riep voortdurendAcasa! Bojador! Dra...a!en speelde de rol van wilde prachtig, maar hij vloog niet als een uitgehongerd dier op het rauwe kuiken aan en scheen nog in 't onzekere welk kwaad hij zou kiezen als het beste: de stok van zijn meester of de onsmakelijke maaltijd.

„Misschien houdt hij meer van een stuk oud roest,” riep op eenmaal een stem achter uit het lokaal.

Paul zag op en zag boven alle menschen het hoofd van „de Zwarte” uitsteken, die hem met zijn eenehand een oude kachelpijp voorhield. Bij het zien van dezen geheimzinnigen kwelgeest, werd het den knaap bang om het hart, hij liet het kuiken vallen en kroop achter in de kooi, met zijn gezicht naar den wand.

De Markies kreeg het langzamerhand te kwaad. Hij was aan de Filistijnen overgeleverd en die jubelden over hun zegepraal. „De beren, de beren!” klonk voortdurend het eentonig geroep, wanneer hij beproefde door zijn welsprekendheid de gemoederen tot kalmte te brengen. „We willen de beren zien of we slaan alles stuk!” dreigden ze en gedurende eenige oogenblikken hoorde men niets anders dan sissen, fluiten, zingen, miauwen en allerlei uitroepen en gillen door elkaar.

Nu trad de Koningin op het tooneel en stapte tot vlak bij de grootste lawaaimakers.

„Stil, stil daar komt de juffrouw,” riepen eenigen, „houdt jelui toch stil, ze wil wat zeggen.”

„De juffrouw” wou dan ook werkelijk wat zeggen. Met 'n paar krasse woorden verzocht ze het publiek zoo gauw mogelijk te maken, dat het de deur uit kwam.

Het publiek had daar echter heelemaal geen plan op en begon opnieuw verwoed te schreeuwen om: „de beren.” De Koningin, die zag dat hare woorden geen uitwerking hadden, begon nu uit een ander vaatje te tappen. Ze trad op den eersten den besten toe en greep hem bij de haren.

Ongelukkig droeg de arme man een pruik, zoodat hem op eenmaal zijn geheele haartooi ontrukt werd, die de Koningin zegevierend rondzwaaide als een Indiaansch opperhoofd de scalp van zijn vijand, waarna ze de pruik over de hoofden van de menigte heen, de deur uitslingerde.

Daar verscheen in de deuropening de groote dorpsveldwachter, op den voet gevolgd door den kleinen burgemeester, die er allesbehalve burgemeesterachtig uitzag.

Men zou eerder gedacht hebben, dat de veldwachter den burgemeester opbracht, dan dat hij hem gehaald had om mee te helpen de rust te herstellen.

„Wat is hier te doen?” vroeg het kleine mannetje.

„Hij heeft ons een berengevecht beloofd en nou is ie van plan er stikum uit te knijpen!” riep een uit de menigte.

„Hoe kan ik mijn belofte houden?” zei de Markies, „ik heb geen honden.”

„Da's niemendal, er zijn genoeg honden in het dorp!”

„Maar een dorpshond mag ik niet wagen aan twee beren, ze zouden de honden oogenblikkelijk verscheuren.”

„Dat wagen we er op, jà dat wagen we er op,” riepen velen.

„Als dat zoo is,” zei de burgemeester met een diepegrafstem, „moet u de beren vertoonen of het geld teruggeven.”

Bij die laatste woorden begonnen de oogen van den spellebaas zoo onheilspellend te rollen, dat de arme kleine burgervader zich halverwege achter een dikke boer verschool.


Back to IndexNext