The Project Gutenberg eBook ofWeggeloopen!

The Project Gutenberg eBook ofWeggeloopen!This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Weggeloopen!Author: James BucklandLouis DesnoyersIllustrator: Cecil AldinTranslator: Mevr. Donath-van der ScheerRelease date: March 4, 2013 [eBook #42260]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WEGGELOOPEN! ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Weggeloopen!Author: James BucklandLouis DesnoyersIllustrator: Cecil AldinTranslator: Mevr. Donath-van der ScheerRelease date: March 4, 2013 [eBook #42260]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

Title: Weggeloopen!

Author: James BucklandLouis DesnoyersIllustrator: Cecil AldinTranslator: Mevr. Donath-van der Scheer

Author: James Buckland

Louis Desnoyers

Illustrator: Cecil Aldin

Translator: Mevr. Donath-van der Scheer

Release date: March 4, 2013 [eBook #42260]Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team athttp://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WEGGELOOPEN! ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accen, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.Variaties in spelling (met/zonder accen, met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden.

Van de meeste illustraties is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

rug

WEGGELOOPEN!

Met elk oogenblik werd de onrust grooter. (Bladz. 166.)

Met elk oogenblik werd de onrust grooter. (Bladz. 166.)

Met elk oogenblik werd de onrust grooter. (Bladz. 166.)

Weggeloopen!bewerkt doorADONAillustraties van CECILALDINVIJFDE DRUKALKMAAR—GEBR. KLUITMAN1919

Weggeloopen!

bewerkt doorADONA

illustraties van CECILALDIN

VIJFDE DRUK

ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN1919

BOEKDRUKKERIJ—GEBR. KLUITMAN—ALKMAAR

BOEKDRUKKERIJ—GEBR. KLUITMAN—ALKMAAR

In 1843 verscheen bij den uitgeverJ. J. Dubochet & Cie, 33 Rue de Seine, Paris, een boekje getiteld„Les Aventures de Jean-Paul Choppart,” par Louis Desnoyers.De Engelsche schrijver,James Buckland, nam dit verhaal tot voorbeeld voor zijn in 1898 uitgegeven boek:„Two Little Runaways” (Londen, Longmans, Green & Co.), geïllustreerd doorCecil Aldin.„Weggeloopen!” is de eenigszins verkorte bewerking van den Engelschen tekst, waarbij een ruim gebruik is gemaakt van de daarin voorkomende illustraties.ADONA.

In 1843 verscheen bij den uitgeverJ. J. Dubochet & Cie, 33 Rue de Seine, Paris, een boekje getiteld„Les Aventures de Jean-Paul Choppart,” par Louis Desnoyers.

De Engelsche schrijver,James Buckland, nam dit verhaal tot voorbeeld voor zijn in 1898 uitgegeven boek:„Two Little Runaways” (Londen, Longmans, Green & Co.), geïllustreerd doorCecil Aldin.

„Weggeloopen!” is de eenigszins verkorte bewerking van den Engelschen tekst, waarbij een ruim gebruik is gemaakt van de daarin voorkomende illustraties.

ADONA.

PAUL.

PAUL.

In Frankrijk, in de provincie Normandië, woonde de familie Steenvoorde: papa, mama en drie kinderen, twee meisjes en een jongen. De jongen heette Paul; hij was de oudste van het drietal, maar jammer genoeg, bij lange na de wijste niet.

Toen Paul zes jaar was ging hij naar school; hij werd er tenminste heengezonden, maar als hij slechts eenigszins kon, wandelde hij de schooldeur voorbij, om liever met allerlei straatjongens buiten te spelen. En als hij eens een enkele keer naar binnen stapte, danwas hij al binnen een kwartier weer op straat gezet. Paul kende geen gehoorzaamheid; hij deed precies en alleen wat hij zelf wilde en daar andere menschen gewoonlijk juist het tegenovergestelde verlangden, kreeg Paul voortdurend straf. Hij bleef echter onverbeterlijk, welke straf men hem ook oplegde. Wie hem zag loopen zou niet gezegd hebben, dat hij een kind van zeer welgestelde ouders was. Zijn haar hing altijd in ongeregelde franjes onder zijn pet uit en de broek, die vandaag nog nieuw was, toonde morgen reeds een gat op de knie, waar de voering door kwam kijken. Zijn dasje was gewoonlijk zoek of wel hij gebruikte het als zakdoek en zijn kousen hingen hem den geheelen dag op de neergetrapte schoenen, want het elastiek van zijn kousebanden gebruikte hij om er een katapult van te maken. Als men niets anders zag dan zijn handen wist men niet recht of die aan een neger of aan een roodhuid toebehoorden; hij wroette er den geheelen dag mee in allerlei vuil en aan wasschen had hij een broertje dood.

In den grond van zijn hart was Paul geen slechte jongen, maar zijn ouders hadden hem, toen hij nog klein was, in alles zijn eigen zin laten volgen en nu hij wat ouder werd was 't kwaad moeilijk meer te verhelpen. Hij zat zóó vol ondeugende streken, dat men het een rust kon noemen als hij niet thuis was.

Eens stond zijn vaders hoed op een tafeltje in de gang. Paul ging juist voorbij met een vollen inktpoten kon de verzoeking niet weerstaan den inhoud in den hoogen hoed van zijn vader uit te storten. Toen de heer Steenvoorde den hoed opzette om uit te gaan, geleek hij plotseling een neger.

Een ander maal verborg hij stilletjes een kikker in zijn zusjes servet. Toen ze het openvouwde viel het glibberige beest in haar soep. Nu zijn kikkerbilletjes misschien niet onsmakelijk wanneer ze goed toebereid zijn, maar levend in de warme soep laat ik ze aan de liefhebbers over.

.... om liever met allerlei straatjongens te spelen.

.... om liever met allerlei straatjongens te spelen.

Ik behoef niet te vertellen, dat Paul voortdurend op voet van oorlog was met de dienstboden. Die hielden het dan ook gewoonlijk geen drie maanden bij de familie Steenvoorde uit. En als ze zóó lang bleven was het wel een wonder.

Op een Zondagmorgen toen papa en mama Steenvoorde naar de kerk waren,—de dienstboden warenden vorigen avond voor een enkele maal weggeloopen,—kwam Paul, die den geheelen morgen zoek was geweest, de tuindeur inslenteren. Zijn oog viel op de kast onder de trap. „Hé Marie,” riep hij tot zijn zusje, „wat is dit toch 'n leuke kast! Kijk er eens in.” De goedige Marie keek naar binnen; Paul gaf haar een zetje en bom! daar sloeg de deur achter haar in 't slot.

„Paul, Paul, och laat me als 't je belieft er uit,” riep ze, „'t is hier zóó donker,” en ze sloeg met haar kleine vuisten tegen de deur. Maar Paul had heelemaal geen plan zijn gevangene zoo spoedig los te laten; hij draaide den sleutel om, stak hem in den zak en ging doodbedaard naar de huiskamer, waar hij zich van een boterham met jam bediende, die zijn moeder voor de koffie had klaar gezet. Zijn andere zusje begon van schrik met Marie mee te huilen en toen dit huilduet op z'n luidst was en Paul met het grootste welgevallen naar het concert zat te luisteren, kwamen de heer en mevrouw Steenvoorde thuis.

De heer Steenvoorde zag en hoorde oogenblikkelijk wat er gaande was. „Geef mij den sleutel van de kast!” riep hij, „waar is de sleutel van de kast?”

„Dien heeft Paul in zijn zak,” snikte Kato, het andere zusje.

„Dat lieg je,” riep Paul; doch toen pakte papa hem beet, zijn zakken werden uitgehaald en... de sleutel kwam voor den dag.

Nu barstte de storm los. Met de eene hand greep papa zijn veelbelovend zoontje bij den kraag; met de andere nam hij zijn dun buigzaam wandelstokje en wat er toen verder volgde laat ik het liefst maar aan de verbeelding over.

.... geleek op eenmaal wel een neger.

.... geleek op eenmaal wel een neger.

Mama Steenvoorde stond er bij met tranen in de oogen. „Beloof toch beterschap,” riep ze, „ach Paul het doet ons ook zoo'n pijn, als vader je moet slaan, nog veel meer dan jou.”

„Dat zou u niet zeggen als u de slagen voelde,” riep de onverbeterlijke Paul.

De heer Steenvoorde werd nu nog boozer door dit brutale antwoord. Even hield hij op om adem te scheppen en hem dan nog tot besluit een ferm pak voor zijn broek te geven. Maar Paul wist zich op dat oogenblik los te rukken en vloog het huis uit, den tuin door, de straat op, zonder ophouden, zonder omkijken, tot hij het dorp uit was. „Ziezoo,” zei hij, „ik zal ze wel leeren mij te slaan. Laat ze me nu maar zoeken; ik zal me niet zoo gemakkelijk laten vinden. Als ze dan thuis flink in angst zitten kom ik te voorschijn en vertel hun, dat ik niet van plan ben thuis te komen als ze me niet beloven mij nooit weer te slaan.”

In deze prettige stemming wandelde hij den straatweg een heel eind verder op.

Eindelijk kreeg hij honger en daar zijn maag de eenige was aan wie hij altijd prompt gehoorzaamde, dacht hij er over, dat het nu langzamerhand tijd werd naar huis te gaan. Na eenige aarzeling overwon hij dan ook zijn trots en keerde terug.

Langzaam liep hij voort, in de vaste overtuiging, dat hij wel spoedig iemand zou tegenkomen, een afgezant van zijn vader en moeder, om met hem over een spoedigen terugkeer in de ouderlijke woning te onderhandelen.

Maar hoe hij ook tuurde, hij ontdekte geen spoor van een afgezant.

Toen werd hij woedend; hij stampte op den grond met een gezicht alsof het hem een waar genoegen zougeweest zijn zoo hard op zijns vaders eksteroog te trappen.

.... wat toen verder volgde laat ik het liefst maar aan de verbeelding over.

.... wat toen verder volgde laat ik het liefst maar aan de verbeelding over.

Tranen van teleurstelling sprongen hem in de oogen en zijn mondhoeken begonnen verraderlijk te trillen als aankondiging van een groote stortbui, toen op eenmaal zijn geheele gezicht, als met een tooverslag veranderde.

Die plotselinge verandering werd veroorzaakt door een appelboom, dien Paul aan den zijkant van den weg zag staan.

't Was een pracht van een boom, vol heerlijke roodwangige appels.

„Wat kan 't mij ook schelen,” morde hij, „of ze me zoeken of niet zoeken. 'k Heb hier genoeg te eten. Ze mogen thuis hun eten houden. 'k Ga niet weer naar huis; 'k bedank ze lekker. Om voor elke grap een draai om de ooren te krijgen, of erger nog! Ze mogen van mijn part ophoepelen. Ik zal voortaan wel voor mijzelf zorgen; ik ga de wijde wereld in. Geld heb ik genoeg. 'k Heb wel een heel kwartje in mijn zak.”

Boven in den top van den boom hing een prachtige groote appel. „Die maar 't eerst,” dacht Paul en in een wip zat hij in de takken. Nauwelijks echter had hij een grooten hap uit den appel genomen of de tak, waarop hij stond, brak.

.... en daar hing hij!

.... en daar hing hij!

Daar viel Paul door al de takken van den boom tot den laagste, waaraan hij bleef haken met het achterste deel van zijn broek; en daar hing hij! In 't eerst sloeg hij wild met armen en beenen in de lucht maar op eenmaal zei het broekje: krak-krak en onmiddellijk hing Paul zoo stil als een muis en verroerde zich niet, want beneden hem lag een groote hoop scherven en fijn geklopte steenen en hij voelde, dat hij bij de geringste beweging zijn broek verder zou scheuren en hij op de steenen zou terecht komen.

In dezen zwevenden toestand werd hij opgemerkt door Roybon, den gemeenteveldwachter.

Roybon deed zijn gewone dagelijksche ronde en zag in de verte iets aan den appelboom hangen wat niet precies op een appel geleek. Nu wist Roybon wel, dat er gewoonlijk aan een appelboom niets anders groeit dan appels en daarom kwam hij gauw wat dichterbij om te zien welk vreemd voorwerp dat mocht wezen.

„Goedenmiddag, jongmensch,” zei hij, toen hij bemerkte dat het voorwerp een jongen was, „jij schijnt veel van appels te houden, hè? Dan lijk je mij wat; ik houd ook veel van appels, rauw of gekookt, dat komt er niet op aan, maar ik moet ze eerst gekocht en betaald hebben, hè? Kom d'r 's uit jeugdige losbol!”

Maar Paul scheen niet veel lust te hebben aan die vriendelijke uitnoodiging gevolg te geven.

Roybon zag er dan ook niet zeer zachtzinnig uit. Hij wàs niet kwaad en hield veel van een grapje, maar dit zou men aan zijn gezicht niet zeggen. Bruingebrand door de zon, met twee litteekens, van sabelhouwen, dwars over het voorhoofd, daarbij een paar groote knevels, waarvan de einden altijd strijdlustig in de hoogte stonden, geleek hij een echte oude ijzervreter. Daarbij kwam nog, dat hij maar één been bezat. „Het andere heb ik eens aan 'n kanonskogel cadeau gegeven, die mij in den oorlog voorbijvloog,”zoo vertelde hij aan ieder, die er hem naar vroeg. Een groote sabel slingerde altijd achter hem aan, van links naar rechts en van rechts naar links, net als de staart van een kat, die op een vogeltje loert.

't Was niet alleen Roybon die Paul vrees aanjoeg. Naast den veldwachter stond „Pak-an,” een niet zeer zachtzinnige dog. Hij blafte gedurig, liet zijn tanden zien en scheen naar niets zóó te verlangen als naar de beenen van Paul, om daar eens flink in te bijten.

„O! mijnheer de diender,” schreide Paul doodelijk beangst, „o! u wilt me toch geen kwaad doen?”

„Dat weet ik nog zoo net niet. Kom er maar eerst eens uit, dan zullen we verder zien. Ik ben nog wat ouderwetsch zie je, en ik houd er heelemaal niet van met iemand te praten, die in de lucht hangt, alsof hij bezig is een pas uitgevonden vliegmachine te probeeren.”

„Maar ik kan er niet uit komen!”

„Kan je er niet uitkomen! Hoe komt dat?”

Paul vertelde hoe het kwam.

„O zoo, is dat het geval; dan zullen we een handje moeten helpen,” en Roybon klauterde op den hoop scherven en haakte Paul los.

Eerst hield hij hem nog een poosje op armslengte van zich af, zwevend tusschen hemel en aarde en vertelde onderwijl aan Pak-an, dat hij niet moest denken, dat het een kluifje voor hem was. Toen zette hij den jongen voorzichtig op den grond.

Paul was er geheel op voorbereid, dat de veldwachter zoo dadelijk zijn zwaard zou trekken om hem het hoofd af te hakken en dat de hond op hem toe zou vliegen om hem een stuk uit de beenen te bijten, maar toen hij weer vasten grond onder zijn voeten voelde en bemerkte, dat al die akeligheden niet gebeurden, kreeg hij zijne gewone brutaliteit spoedig terug.

Hij stak zijn handen diep in de zakken en wandelde kalmpjes verder met groote onverschilligheid, een deuntje fluitend, alsof hij zoo onschuldig was als een pas geboren kind.

Maar zoo gemakkelijk liet Roybon hem niet gaan. Met zijn groote hand pakte hij hem stevig bij den schouder vast.

„Wa's dat nou! Laat me los!” riep Paul, „waarom hoû je me vast?”

„Omdat je appels gestolen hebt.”

„Dat kan je niet meenen!”

„Wat dee je dan boven in dien boom?”

„Weet ik 't? Ik denk dat ik daar wat aan 't wandelen was. Ik behoef jou toch geen permissie te vragen, als ik eens lust heb om wat in de takken van een boom te gaan wandelen? Daar heb jij niet mee te maken.”

„Waar komt die dan vandaan,” zei Roybon en hij nam den half afgebeten appel op, die op den weg was gevallen.

... en wandelde kalmpjes verder.

... en wandelde kalmpjes verder.

Paul kreeg een kleur tot achter de ooren. Hij herstelde zich echter spoedig.

„Hé!” zei hij, „die?” en hij bekeek den appel met alle aandacht, het hoofd een beetje op zij, alsof hij daar juist een natuurwonder ontdekte. „Wel, ik denk, dat die zoo groeide... Ja, 't is waar ook,” vervolgde hij na een kleine pauze, „ik ken iemand, die heeft in zijn tuin een boom vol appelen net precies zoo'n model als deze.”

„Dat wil ik graag gelooven jongetje; die zeker iemand is dan bepaald een buurman van jou,” zei Roybon lachend.

Nu werd Paul toch verlegen. De veldwachter keek hem zoo strak in de oogen. Paul was niets op zijn gemak.

Beiden zwegen eenige oogenblikken.

Paul verbrak de stilte het eerst: „Waarom heb je me toch eigenlijk zoo'n pijn gedaan, lafaard?” zei hij met een huilerige stem en wreef daarbij zijn elleboog met een pijnlijk vertrokken gezicht.

„Ik denk, dat die zoo groeide.”

„Ik denk, dat die zoo groeide.”

Roybon zette groote oogen op.

„Ik jou pijn doen? Wanneer deed ik je pijn?”

„Toen je me uit den boom scheurde en op den grond smeet.”

„Wel! Alle....!”

„Ja zeker! Je weet het heel goed. Ik ben bont en blauw over m'n geheele lijf.”

Een oogenblik keek Roybon, alsof hij het in Keulenhoorde donderen. Toen barstte hij in lachen uit.

„Hier!” zei hij, „ik zal je leeren leugens te verzinnen!” en meteen trok hij hem eens flink aan zijn ooren. „Nou? hoe smaakt dat? dee ik je nou pijn?”

„Laat mijn oor los of ik geef je een opstopper!”

Paul was nooit te voren met een veldwachter of politieagent in aanraking geweest, anders had hij wel geweten, dat die gewoonlijk niet met zich laten spotten.

„O zoo,” riep Roybon, „ben jij van die kracht jongetje. Ik was van plan om je te laten loopen, als ik er den schrik goed bij je in had, maar nu moet je mee.”

„Laat me los!” riep Paul al schoppend en stampend, „laat me los, of ik zal 't aan mijn vader zeggen!”

Paul vergat op dit oogenblik, dat hij nog niet zoo heel lang geleden van plan was geweest zijn ouderlijk huis en zijn vader en moeder voor goed te verlaten.

„Kom mee,” zei de veldwachter, want zijn geduld was nu uitgeput, „anders trek ik je weer aan de ooren.”

Paul begreep, dat dit niet enkel een dreigement was en ging schijnbaar onderworpen mee. Onderwijl zon hij echter steeds op middelen om te ontvluchten.

Plotseling stond hij stil, begon hevig te hoesten en hikte, alsof hij op 't punt was van te stikken: „Laat me los! Ik kan geen adem meer krijgen. Je worgt me!”

Zóó kunstig was Pauls komediespel, dat Roybon in den val liep.

Even liet hij Paul los en op 't zelfde oogenblik koos deze het hazenpad.

Maar hij had buiten Pak-an gerekend.

Voor hij tien pas had afgelegd had de hond hem bij het, een weinig te wijde, achterdeel van zijn broek gepakt.

Dadelijk stond Paul stil en hij deed ook geen moeite om los te komen, want in Pak-an erkende hij oogenblikkelijk zijn meerdere, met wien niet te spotten viel.

„Voorzichtig, Pak-an, voorzichtig,” riep Roybon, terwijl hij bedaard nader kwam, in ongeregelden pas stampend met zijn houten been over den weg. „Denk er aan, dat hij heelemaal bont en blauw is! En hij wou immers ook niet wegloopen; bewaar me neen. Hij begint juist een beetje van ons te houden.”

... had de hond hem bij zijn broek gepakt.

... had de hond hem bij zijn broek gepakt.

Die spottende toon maakte Paul razend, veel liever had hij een flink pak slaag gehad.

Bleek van drift vloog hij op Roybon aan.

„Geen gekheid jongetje als 't je belieft,” zei de veldwachter en greep de kleine polsen stevig tusschen zijn gespierde vingers. „Ga nu maar heel bedaardmee, anders zal ik je wat geven dat je nog lang zou heugen.”

Paul vond het dan ook maar geraden te doen zooals hem bevolen was.

't Is altijd een groote gebeurtenis op een dorp als er iemand wordt opgebracht. 't Brengt een kleine afwisseling in 't gewone dagelijksche onderwerp van gesprek, dat over niet veel anders handelt dan over het doen en laten van buurman en buurvrouw.

Men vertelde elkaar reeds van deur tot deur, dat er een zeer gevaarlijk misdadiger gevat was. Ieder die maar loopen kon, holde de straat op en de oudjes strompelden naar de voordeur of naar de open ramen, om van de voorbijgangers bijzonderheden te hooren van wat er te doen was.

„'t Is een moordenaar!” zei de een.

„Een brandstichter!” zei een ander.

„Een valsche munter!” riep een derde.

„Misschien is het die, die de bank bestolen heeft!” veronderstelde een vierde.

„Bepaald, dat is ie,” bevestigde een vijfde.

„Nou wat of ie is, da's alles om 't even,” zei elkeen,„maar dat 't 'n gemeene deugniet is, daarvoor behoef je 'm maar in z'n facie te kijken.”

't Was waar; Pauls gezicht, anders niet bepaald leelijk, was nu bijna mismaakt door zijn innerlijke woede, dat hij zoo werd aangegaapt door die menigte, zonder dat hij er iets tegen kon doen. Hij zag er uitom kleine kinderen naar bed te jagen en 't was best te begrijpen, dat de dorpsbewoners hem voor niet veel bijzonders hielden.

Elk oogenblik groeide de menigte aan. Alle honden van het dorp kwamen ook aanspringen en blaften dat hooren en zien verging,terwijl Pak-an steeds heen en weer liep, trots met den neus in den wind, alsof hij wou zeggen: „Dat is er nou een, dien ik gepakt heb.”

Te midden van dit oorverdoovend lawaai kwam de veldwachter met zijn gevangene op het gemeentehuis aan. De menigte die hem gevolgd was mocht niet binnenkomen. Als schadevergoeding vergenoegde ze zich van buiten af allerlei mooie scheldwoorden te roepen aan het adres van Paul, die daardoor niet bepaald zachter gestemd werd.

Nadat Roybon en Paul een tijdlang gewacht hadden trad de burgemeester binnen, gevolgd door een klerk.

De burgemeester zette zich statig in een grooten stoel met hoogen rug. Langzaam nam hij den bril van zijn neus, veegde voorzichtig de glazen schoon enzette hem toen weer op met eene deftigheid als ware hij een koning, die zichzelf de kroon op het hoofd zet, daarna kuchte hij een paar maal en vestigde zijn blik met gestrengheid op den gevangene. Eenige seconden keek hij Paul doordringend aan. Toen hij meende, dat de gevangene voldoende onder den indruk was van het gewichtig oogenblik, gaf hij door eene handbeweging aan den veldwachter te kennen, dat deze zijne aanklacht zou indienen.

.... en vestigde zijn blik met gestrengheid op den gevangene.

.... en vestigde zijn blik met gestrengheid op den gevangene.

Maar voor Paul was het oogenblik nog niet indrukwekkend en de omgeving niet plechtig genoeg. Oogenschijnlijk stond hij kalm rond te kijken, maar inwendig kookte hij van woede over de beleedigingen, die hem in de laatste paar uren waren aangedaan. Hij had behoefte zich daarover op iemand te wreken, onverschillig op wien.

Onderwijl deed Roybon in schitterende kleuren het verhaal van Paul's gevangenneming en van zijn verzet tegen de openbare macht.

Paul leunde onverschillig tegen de leuning van de bank waarop hij zat. Toen deed hij alsof het lange verhaal hem doodelijk begon te vervelen, hij draaide den burgemeester en den veldwachter den rug toe, zette zijn ellebogen wijd uit en met zijn kin geleund in beide handen, begon hij den klerk nauwkeurig op te nemen.

Dit verschafte hem blijkbaar een aangename afleiding en dit was niet te verwonderen, want de klerk was een wonderbaarlijk mannetje. Hij was zeldzaam dik en klein, net een kaatsbal en op dien bal zat een heel groot hoofd, dat van boven gezien, zoo mooi kaal, glad en rond was, dat het precies een ei geleek. Ik wed dat een broedsche kip de verzoeking niet zou hebben kunnen weerstaan om er op te gaan zitten en het uit te broeden.

„Heeft de gevangene ook nog iets tegen de aanklacht in te brengen?” vroeg de burgemeester.

„'t Zijn allemaal leugens,” gaf Paul brutaal ten antwoord. Dat was iets wat de burgemeester niet verwacht had. Gewoonlijk durfden ouden en jongen, die voor zijn „rechterstoel” gebracht werden, de oogen nauwelijks opslaan enalszij een woord zeiden, dan was het een vragen om vergeving of een betoon van berouw.

De klerk.

De klerk.

Maar deze kleine vuile jongen, met zijn gescheurde kleeren en ongekamde haren, durfde hem op zoo'n ongehoorde wijze toe te spreken! De deftige burgemeester was eenige oogenblikken geheel van zijn stuk gebracht. Toen zei hij: „Noem mij uw naam en dien van uwe ouders.”

Paul keek naar den zolder. Eindelijk zei hij na eenig nadenken:

„Die ben ik vergeten,” en hij haalde de schouders op alsof hij het hopeloos vond er verder over na te denken.

„Dwaasheid,” zei de burgemeester, „zeg de waarheid!”

„Hetisde waarheid,” zei Paul, „ik spreekaltijdde waarheid.”

De burgemeester scheen van woede wel twee maal zoo dik te worden als hij was, net als een kattestaart.

„Gevangene!” riep hij, „het is hier tijd noch plaats om gekheid te maken. Gij zijt beschuldigd van een ernstig misdrijf: diefstal!”

„Ik heb nooit gestolen,” zei Paul, die met groot genoegen zag hoe boos de burgemeester zich maakte.

„Gevangene! stapel niet de eene leugen op de andere. Dáár!” en hij wees bij elk woord met zijn vinger naar den afgebeten appel, die voor hem op de tafel lag, „dáár ligt het onwederlegbaar bewijs van uwe schuld. Beken, dat gij gestolen hebt en beloof beterschap, dan zal ik u met zachtheid behandelen. Hoe heet gij en waar woont gij. Het zal mij een vreugde zijn, u op het pad van eer en deugd te mogen terugbrengen en ik zal dadelijk order geven dat men u weder in de armen van uwe ouders terugvoere.”

Bij de gedachte aan de armen van zijne ouders kwam hem onwillekeurig het sterk en soepel stokje voor oogen, waarmede hij dezen morgen had kennisgemaakt en dit scheen Paul's herinneringsvermogen geheel in de war te brengen.

Nadat hij eenigen tijd in diep nadenken, met zijn hoofd op zijde, had zitten peinzen, zei hij met een hopelooze uitdrukking: „'t Geeft niets. Ik ben alles vergeten.”

Een diepe rimpel vertoonde zich op het voorhoofd van den burgemeester. „Gevangene,” zei hij, „bedenk u nog eens goed; het is voor 't laatst.”

„Ik ben 't vergeten; dat heb ik nu al tweemaal gezegd,” barstte Paul woedend los. „Schrijf ze een briefje dan kunnen ze 't u zelf vertellen.”

Bleek van verontwaardiging leunde de burgemeester in zijn stoel. Het duurde eenigen tijd, voor hij weer kon spreken. Toen stond hij op en sprak plechtig:

„Daar deze gevangene naar het schijnt noch den naam, noch de woonplaats zijner ouders weet op te geven, en dus zonder tehuis is en zonder middel van bestaan, zie ik mij genoodzaakt hem als een landlooper te beschouwen en als zoodanig tijdelijk in het gevangenhok van het dorp te doen opsluiten. Later zal hij naar de hoofdstad der provincie worden opgezonden, vanwaar hij wegens landlooperij naar de koloniën zal worden overgebracht.”

Daarop verzamelde de burgemeester zijne papieren en verliet met statigen tred de kamer.

Daar stond Paul als door den bliksem getroffen.Hij had de geheele zaak eigenlijk meer beschouwd als een kostelijke grap en gedurende de zitting had hij een innerlijke pret gehad van belang, maar die vreeselijke woorden: „gevangenis,” „koloniën” brachten hem geheel van zijn stuk.

„Alla vooruit,” riep de veldwachter spottend, „sta daar nu niet alsof je geen tien kunt tellen. Je bent er bij, jeugdige schobbejak! Komaan: Rechts uit de flank! Voorwaarts... marsch!”

Paul stond juist op het punt den burgemeester achterna te loopen, om hem te zeggen, dat hij nu wel zijneigennaam en woonplaats wou opgeven en alle namen en woonplaats wel van ieder, die hij kende, toen hij de spottende woorden van den veldwachter hoorde.

Dadelijk waren zijn goede voornemens in rook vervlogen. Hij sprong op Roybon toe, schopte, sloeg en beet,totdat hij stevig was vastgebonden en de kamer werd uitgesleept.

Er stonden nog een massa menschen voor het gemeentehuis; daarom bracht de veldwachter Paul door een achterdeur en langs een omweg naar het hok, dat vlak naast zijn eigen woning lag.

„Ziezoo, hier zijn we er eindelijk,” zei hij, terwijl hij Paul voor zich uit duwde. „Het is hier wel wat donker, maar als je van plan bent ergens te gaan logeeren, dan zou ik je raden, dat voortaan vooruit te schrijven. Als ik geweten had dat je kwam, dan zouik zeker voor electrisch licht gezorgd hebben. 't Is hier echter toch niet zoo heel ongezellig en 't is hier rustig en dat is een voornaam ding, want rust is een uitstekend iets als men zijn memorie kwijt is. Ja, ja, met die memorie daar kan je mee sukkelen.”

Met deze woorden ging de oude soldaat heen, schuddend van 't lachen over zijn eigen geestigheid.

Paul sloeg de oogen niet op, hij hoorde slechts hoe de zware deur toeviel en dat de sleutel tweemaal werd omgedraaid in het slot.

Daar zat Paul alleen, achter slot en grendel. Hij schaamde zich diep, maar was te trotsch om dit te erkennen.

„'k Geef er niet zóóveel om,” riep hij, terwijl hij met duim en vinger in de lucht knipte, „wat heb ik dien ouden, stijven stok van een burgemeester lekkertjes beet gehad!” en hij lachte luid, maar 't was geen vroolijke lach, dat voelde hij zelf ook wel.

Zijn vroolijkheid was dan ook niet van langen duur. Als hij opkeek zag hij niets dan de kale vochtige muren van zijn gevangenis, een bed van stroo, een kan met drinkwater en een driepootig bankje om op te zitten. 't Was droeve werkelijkheid, hij zat gevangen en 't hart zonk hem in de schoenen. Wezenloosstaarde hij een poos voor zich uit tot hem een gevoel bekroop van machtelooze woede en wraak. In dolle razernij voer hij uit tegen den veldwachter en den burgemeester, die hem gelukkig niet konden hooren; hij greep zijn kan met drinkwater en smeet die in gruizelementen op den vloer. De pooten van zijn stoel brak hij in stukken en met zijn hielen en vuisten begon hij een waar bombardement op de dikke houten deur.

Hier is je „souper.”

Hier is je „souper.”

Toen hij ten lange leste bemerkte, dat al dit lawaai geen ander gevolg had dan dat hij zichzelf de knokkels bont en blauw sloeg, wierp hij zich op zijnstroobed en barstte in een vloed van tranen los. Dit bracht hem eenigszins tot kalmte.

Toen hij daar zoo lag kwam de veldwachter met zijn avondeten.

Het was geen uitgebreid souper, want het bestond uit niets dan een korst droog brood.

„Is 't je al te binnen geschoten hoe je naam is?” vroeg de oude soldaat op langzamen sarrenden toon. „Niet? Da's vreemd! 't Is hier zoo'n rustig hoekje om goed na te denken. Maar 't komt er niet op aan hoor! Maak 't je maar niet te druk: de herinnering zal wel gauw komen. Ik hoop, dat de nieuwe springmatras je mag bevallen, de lakens en dekens zijn pas gelucht. Om negen uur morgenochtend zal het kamermeisje je komen wekken met een sterk kopje thee. Hier is je „souper.” 't Is wel niet veel, maar je moet maar denken: weinig doch uit een goed hart. Misschien zou je er wel een appel bij lusten. Nou? Zoo'n groote roode, je weet wel... hé?” en de oude plaaggeest ging de deur weer uit.

Paul's bloed kookte bij deze spotternij. Hij had Roybon wel willen vermorselen. Hij pakte de korst brood en gooide hem die achterna. De korst vloog juist over het hoofd van den veldwachter en viel op de steenen van de binnenplaats.

.... kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers te kijken.

.... kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers te kijken.

O, wat had hij daar gedaan! Hij had zijn avondeten weggegooid. Zijn waterkan was stuk; hij had dus geen enkele droppel water om zijn dorst te lesschen.De avond viel, de schaduwen werden langer. De nacht kwam. Paul was natuurlijk bang in 't donker en in dit pikduistere gevangenishok vermeerderde zijn vrees met het oogenblik. Allerlei schrikbeelden doemden voor hem op. In de stilte van den nacht kwamen er allerlei geluiden tot hem, die hem angst aanjoegen en toch niet anders waren dan het ritselen van het stroo of het zwiepen van een, door den wind bewogen, tak tegen den muur van zijn gevangenis.

Daar keek de maan nieuwsgierig door een opening tusschen de pannen van het dak en verlichtte Paul'sgezicht. Hevig schrok hij: hij meende een geest te zien! Minder aangenaam gezelschap dan het zachte maanlicht was een dikke rat, die over zijn rug liep.

Het koude zweet brak hem uit. Het was een nacht om nooit te vergeten. Hoe verlangde hij nu om thuis te zijn. Thuis bij zijn lieve moeder, die altijd voor hem zorgde, hem 's nachts een nachtlicht gaf omdat hij bang was in 't donker. Wat was hij toch dom geweest om dat alles te verlaten: zijn warm bed, de lekkernijen die hij 's avonds kreeg, de gezellige huiskamer!

Diep was zijn berouw over alles wat hij gedaan had. Maar het was een zelfzuchtig berouw, hij had spijt, omdat zijne dwaasheden hemzelf zooveel ellende berokkenden, maar niet omdat ze anderen verdriet deden.

Toen dan ook de dag weer aanbrak, verdween het berouw met al de verschrikkingen van den nacht.

Hij dacht er nu slechts over, hoe hij uit zijn gevangenis zou kunnen ontsnappen.

Nauwkeurig liet hij zijn blik gaan langs de vier muren, of hij ook ergens eene opening zag, toen hij op eens een hoofd gewaar werd, enkel een hoofd zonder het lichaam, dat door een kleine opening beneden aan de deur, naar hem gluurde.

Op eenmaal kwamen al de akelige droombeelden van den nacht hem weer in de gedachten en met beide handen voor 't gezicht sprong Paul naar den anderen kant van het hok.

Na een poosje kon hij niet nalaten eens even door zijn vingers heen te kijken of het vreeselijke hoofd er nog lag. Ja, het lag er nog en de oogen volgden hem overal waar hij ging, op dezelfde manier als de oogen van een portret iemand steeds door de geheele kamer schijnen te volgen.

Ten langen leste waagde hij het, 't hoofd opmerkzamer te bekijken. Gelukkig! Het rolde niet naar hem toe. Stil bleef het op zijn plaats liggen en Paul verzamelde al zijn moed en kwam met een kloppend hart wat dichter bij de deur.


Back to IndexNext