VIJFDE HOOFDSTUK.Dick.

Het was een kinderhoofd met dikke bolle wangen en groote ronde oogen.

„Wat mot je?” vroeg Paul nijdig.

„Niks,” zei 't hoofd.

„Waarom kijk je dan zoo naar me?”

„Om dààrom! Vader zei, dat 'k eris moest zien hoe je 't maakte.”

„Wat heeftjouwvader met mij te maken?”

„Nou laat naar je kijken! Alsof je dat niet wist.”

„Maar ik weet 't echt niet.”

„Vader is veldwachter.”

Paul keek het hoofd eens van terzijde aan. „Fuut” floten zijn lippen in een lang gerekten toon.

Daarop vroeg hij, alsof 't hem eigenlijk heelemaalniet schelen kon: „Enne... gaf je vader je den sleutel?”

„Nee; maar ik nam 'm weg, want ik wou je graag 's van dichtbij bekijken, want vader zei, dat je 'n erge kwâ-jongen was.”

„Och?” 't Was wat waard geweest wanneer men dat Paul had kunnen hooren zeggen.

Na een poosje zei hij, zoo onverschillig mogelijk: „Nou...., wat ik wou zeggen, jij hebt dus den sleutel?”

„Ja.”

„Kom dan eris binnen. 't Is hier zoo leuk.”

„Nee hoor. Vader zei, dat ik niet met je mocht praten.”

„Wat heeft dat er nou meê te maken, domkop? Doe je dan altijd alles wat je vader zeit?”

„Ja zeker, want hij slaat me als ik 't niet doe.”

„Dan is ie 'n leelijke aap van 'n vent, en 'k zou wel lust hebben hem eens een opstopper te geven! Waar zit-ie op 't oogenblik?”

„Hij zet koffie.”

„Mooi zoo. Hij ziet dus niet wat jij uitvoert: dus je komt bij mij binnen. Voor één tel maar. We zullen zoo'n pret maken samen. Ik zal 'n heeleboel kunstjes voor je vertoonen. Ik kan 't wit van m'n oogen verdraaien en met beide oogen tegelijk scheel zien en mijn haar bewegen en mijn ooren ook.” Hij zei dit met een trots alsof niemand dan hij die kunstjes konvertoonen. „En dan,” zei hij geheimzinnig fluisterend, want hij had zijn mooiste kunsten voor 't sloteffect bewaard, „kan ik ook nog in 't rond draaien, zóó hard dat je zoudt zweren dat ik een karrewiel was: ik kan op mijn handen loopen en... op... mijn hoofdstaan!”

Het kereltje met de groote ronde oogen was een braaf jongetje, maar hij had zijn gebreken en een van de grootste was: nieuwsgierigheid. Een tijdlang streed zijn beter ik tegen de verzoeking, maar deze behaalde de overwinning, zooals helaas maar al te dikwijls gebeurt.

Toen hij het hok binnenging dacht hij weinig hoe duur hem deze dwaasheid zou te staan komen.

„Komaan,” riep Paul, „zoo mag ik 't zien. Niemand zal 't ooit te weten komen. Hoe heet je?”

„Dickie.”

„En ik heet Paul.”

Hiermede was de wederzijdsche voorstelling afgeloopen en begon Paul zijn kunsten te vertoonen. Eerst trok hij wel vijf minuten lang allerlei rare gezichten. Toen hij al zijn kunsten met oogen, neus, haar en ooren had vertoond, begon hij met de acrobatische toeren. Hij draaide het hok rond, nu op de handen en dan weer op de voeten, alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren. 't Ging zoo gauw, dat Dickie niet eens kon tellen hoeveel wielen en hoeveel spaken er wel waren. Hij wandelde op zijnhanden met de beenen in de lucht. Ten slotte stond hij zóó lang op zijn hoofd dat hij een hoestbui kreeg van benauwdheid.

Dickie stond met open mond en jaloersche blikken naar hem te kijken.

Paul was slim genoeg om dit op te merken. De vertooning had in alle opzichten een buitengewoon succès. „Hé ja!” riep hij opeens, alsof het denkbeeld hem daar zoo juist te binnen kwam: „Zou 't geen leuke mop wezen als je er mij eens uitliet?”

.... alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren.

.... alsof zijn ledematen spaken van een wiel waren.

„Nee, nee, dat mag ik niet!” zei Dickie snel, „dan krijg ik slaag.”

„Dan behoef je niet te denken, dat ik nog maar één kunst voor je vertoon; en wàt je gezien hebt, haalt niet bij de kunsten die ik nog kan—als ik ze namelijkwilvertoonen.”

Als Dickie het had mogen zeggen, dan was Pauldirect in vrijheid gesteld. Hij had er geen begrip van hoe een gewoon mensch zulke kunsten kon maken; hij beschouwde Paul als 'n soort wonder en had graag uit dankbaarheid voor de mooie vertooning de deur wagenwijd voor hem opengezet, maar... vader sloeg niet zacht; in gedachte voelde hij de pijn al.

Paul zag dat de eerste aanval op Dickie mislukte. Hij hernieuwde hem niet, maar beproefde het nu met een zijdelingsche manoeuvre.

„Slaat je vader je altijd als je niet precies doet wat hij wil? Daar zou ik ook lekker voor passen! Waarom loop je niet weg? Als je lust hebt met mij meê te gaan, dan doe je maar.”

Eenige oogenblikken liet hij Dickie tijd om dit geheel nieuwe denkbeeld in zijn kleine hersenen op te nemen.

Toen vervolgde hij: „Lijkt het je niet heerlijk toe om alles te doen waar je lust in hebt? Geen lessen leeren; niet altijd te moeten hooren: Maar Paul, met zulke vieze handen mag je niet aan tafel komen of Paul, nu mag je geen snoeperijen meer eten, als je juist trek aan wat lekkers hebt; en dan: Paul, zeg je taalles eens op. Wat kunnen mij die taallessen schelen! Als ik aan mijn moeder vraag: Mag ik een boterham? dan ga ik niet eerst bedenken: ik—onderwerp, mag—gezegde, een boterham—lijdend voorwerp. 't Is allemaal larie en daarom ben ik weggeloopen en nu ben ik vrij!”

„Vrij!?” riep Dickie,„en je zit in de gevangenis!”

Met een wanhopig gelaat keerde Paul zich af en schopte een scherf van zijn gebroken waterkan naar 't andere einde van 't hok. Toen hij Dickie weer aanzag, zwommen zijne oogen in tranen.

Die tranen deden meer dan de langste redevoeringen. Dickie kreeg medelijden met den armen gevangene.

„En als ik er jou nou uitlaat en ik loop met je weg, zou vader me dan niet slaan? Denk je vanzekerniet?”

„Nee natuurlijk niet,” riep Paul, „hij zal denken dat je verloren bent geraakt en als je dan weer thuiskomt is hij zóó blij, dat hij heelemaal niet aan slaan zal denken. Ja, het zou best kunnen gebeuren dat... hij je tien stuivers gaf van louter plezier.”

„Maar wat gaan we eigenlijk samen doen?” vroeg Dickie. Hij was het nog niet met zichzelven eens en hield den sleutel stijf vast in zijn kleine dikke handjes.

„Samen doen? O jé, een heeleboel gaan we doen. Ik heb geld genoeg bij me om pret te maken. Ik heb wel een heel kwartje!”

„Maar wat voor pret?”

„Nou, pret, gewoon pret. We hollen wat rond en dan laten we vliegers op. Vliegers! Prachtstukken! Geen gewone, maar die op draken gelijken en op visschen!”

Paul had zulke vliegers wel eens gezien in een boek van zijn vader over China.

„Maar waar kan je zoo'n vlieger krijgen?” vroeg Dickie.

„Die maak ik natuurlijk,” zei Paul, op een toon alsof hij zijn geheele leven niets anders gedaan had dan vliegers maken.

„Heb je dan vroeger wel eens meer zoo'n vlieger gemaakt,Paul?”

„Millioen van zulke vliegers!”

Paul werd ongeduldig, want elke minuut was kostbaar en door al het gepraat gingen er vele kostbare minuten verloren.

„Zanik nou niet lang. Ik weet wat ik zeg. Als de vliegers opgaan, ga ik boven op den rug van den draak zitten en ga dan al wuivend mee naar boven.”

„Maar Paul, kan je dat dan?”

„Ja, uilskieken! Dat heb ik al vier en zeventig keer gedaan en dan neem ik vuurwerk meê naar boven, en als 't donker is steek ik dat boven in de lucht af, en dan denkt iedereen dat het een komeet is en dan trek ik jou mee naar boven en we vliegen samen ver, ver weg misschien wel naar Parijs, en daar zijn zoo'n boel mooie speelgoedwinkels. Maar als je nu niet 'n beetje voortmaakt met me er uit te laten, dàn zie je van dit alles niets niemendal.”

Kleine Dick was geheel en al verbouwereerd. Met het grootste vertrouwen gaf hij Paul den sleutel,vol verlangen al dat moois en schitterends te zien.

De deur was open, maar er was nog een hooge muur dien ze over moesten voor ze buiten waren en in vrijheid.

Op handen en voeten, met ingehouden adem, slopen ze voort tot onder de ramen van Roybon's woonkamer. Op eenmaal echter begon Pak-an vervaarlijk te blaffen; hij had hen opgemerkt, vloog uit zijn hok, rukte aan zijn ketting en maakte een leven als een oordeel.

„Nu of nooit,” dachten de jongens.

„Nu of nooit,” dachten de jongens.

Tegelijk hoorden ze het stomp, stomp, van het houten been over den vloer van de woonkamer. Onbewegelijk en doodstil bleven de jongens staan.

Gelukkig voor hen was Roybon te veel verdiept in het koffiedrinken om veel aandacht te schenken aan het geblaf van Pak-an. Hij keek wel eens even uithet raam maar zag niet naar omlaag.

„Stil hond,” snauwde hij hem toe en ging toen weer weg van het venster.

„Nu of nooit,” dachten de jongens en zij haastten zich weg te komen, maar hun angst was zóó groot, dat ze net als in een benauwden droom het eene been bijna niet voor het andere konden krijgen.

Pak-an blafte maar steeds door. Het was verschrikkelijk om aan te hooren. Zijn haren stonden rechtovereind en hij liet al zijn tanden zien.

Toch kwamen de vluchtelingen eindelijk bij het hek, maar o ramp, de klink zat te hoog. „Zet de handen op je knieën,” fluisterde Paul Dickie toe en hij beet hem haast in zijn oor van zenuwachtigheid.

Het scheen een eeuwigheid vóór Paul op Dick'srug stond en de klink met bevende vingers had losgemaakt.

Het groote hek ging open, doch zonder een afscheid aan Pak-an kon Paul niet vertrekken. Hij greep een dikken steen en mikte dien precies op den neus van den hond. Zelfs Willem Tell zou eer ingelegd hebben met zulk treffen.

Een oogenblik later waren de beide jongens verdwenen.

Mijnheer Steenvoorde vond het in den beginne niet zoo heel erg, dat Paul weggeloopen was en 't eerste uur niet terugkwam. „'t Is mijn eigen schuld ook eigenlijk, dat de jongen zoo brutaal en ongezeggelijk is,” zoo dacht hij, „ik heb hem te weinig gestraft, hij is in den grond bedorven.” En papa Steenvoorde nam zich, hoewel een weinig laat, ten stelligste voor om Paul bij zijn terugkomst eens duchtig onder handen te nemen en hem ook in 't vervolg niet te sparen. Dàt Paul terug zou komen hieraan twijfelde niemand. Paul had altijd veel te veel eetlust om niet tegen etenstijd berouw te krijgen over zijn slecht gedrag.

Het was overigens wel een heele rust, dat men niets van den deugniet hoorde of zag. Het was zóóstil en kalm in huis, zóó vredig als het in tijden niet geweest was.

Het werd etenstijd, maar er kwam geen Paul.

Het werd avond... nòg was Paul nergens te zien.

Toen begonnen allen ongerust te worden. „Waar was hij? Wat deed hij? Was hem een ongeluk overkomen?”

Men vroeg het elkander herhaaldelijk zonder een antwoord te verwachten en voortdurend werd de angst grooter.

Men zocht door het huis, in het dorp, langs den weg; men vroeg, men riep, maar niemand had den jongen gezien.

't Werd steeds later, doch geen der familieleden dacht aan slapen.

Mijnheer Steenvoorde was misschien nog wel het minst van allen op zijn gemak, maar hij wilde dit niet toonen en trachtte de anderen zooveel mogelijk gerust te stellen en tot bedaren te brengen. Daarbij liep hij voortdurend de kamer op en neer als een wild dier in zijn kooi, keek elk oogenblik op zijn horloge en riep elke tien minuten, zoo hard hij maar kon, aan de voordeur: „Paul!”

't Was dus niet te verwonderen, dat het hem niet gelukte het vrouwelijk gezelschap te kalmeeren.

Mama Steenvoorde en de zusjes zaten dan ook jammerlijk te huilen, en alle drie herinnerden zich, dat ze wel eens een voorgevoel gehad hadden of heelvroeger eens gedroomd hadden, dat er Paul 'n groot ongeluk zou overkomen en telkens als papa tevergeefs buiten de deur stond te roepen, hieven ze een luid geweeklaag aan.

... met een veelbeteekenend glimlachje.

... met een veelbeteekenend glimlachje.

Eindelijk was de nacht voorbij. 't Was nog nauwelijks licht of daar werd aan de voordeur gescheld. Mijnheer Steenvoorde deed dadelijk open en stond tegenover een grooten stevigen man van om en bij de veertig jaar, met een lange zwarte snor en groote zwarte doordringende oogen.

De vreemdeling scheen iets zeer belangrijks aan den heer Steenvoorde mede te deelen.

Beide mannen spraken ten minste langen tijd samen.

Mama en de meisjes keken door de deur, maar ze hoorden niets, want mijnheer Steenvoorde was met den vreemdeling naar buiten gegaan en druk sprekende, liepen ze samen nog geruimen tijd voor het huis op en neer.

Toen de lange man met de donkere oogen heenging, namen ze hartelijk afscheid. De vreemdeling liep den weg op, die buiten het dorp voerde en mijnheer Steenvoorde kwam weer binnen bij zijn vrouw en kinderen, maar zijn gezicht was geheel veranderd; het glom van plezier en straalde zóóveel blijdschap uit, dat men het in de mistige morgenschemering best voor de opgaande zon had kunnen houden.

Hij werd verwelkomd met een kruisvuur van vragen.—„Wiewas dat?” „Wist hij iets?” „Wat is er gebeurd?” „Wat zei die man?”

„Gaat allen hier eens kalm om de tafel zitten,” zei de heer Steenvoorde, met een veelbeteekenend glimlachje, „en dan zal ik je alles vertellen.”

Nog dienzelfden avond verhuisde de familie voor eenige maanden naar een groot buitenverblijf, dat mijnheer Steenvoorde een paar dagen geleden gehuurd had om van het buitenleven te kunnen genieten.

In welk verband dit met de vroolijkheid van mijnheer Steenvoorde stond, en wat zijn plannen waren, zullen wij later vernemen.

Doodsbenauwd dat iemand hen zou achtervolgen liepen Paul en Dickie wel een mijl ver aldoor hard voort zonder om te zien. Ze waren zoo beangst, dat ze iedere oude vrouw die ze met een koe aan een touw langs den weg zagen loopen, voor Roybon hielden en Pak-an en ze liepen dan nog eens zoo hard.

Eindelijk konden ze niet meer en uitgeput vielen ze, buiten adem, in een greppel aan den kant van den weg, neer. Paul hijgde als een jonge hond, die lang achter een rijwiel gehold heeft. Toen hij een beetje bekomen was,kroop hij voorzichtig bij de glooiing van den greppel op en keek rond.

Er was niets of niemand te zien. Paul ging behagelijkop zijn rug liggen en keek naar de lucht. Maar wat was dat? Vlak boven hem hingen een menigte appelen aan een boom.

Ze liepen dan nog eens zoo hard.

Ze liepen dan nog eens zoo hard.

„Zie je die?” zei hij.

„Ja, maar daar mag je niet aankomen.”

„Waarom niet?”

„Da's stelen.”

„'t Mocht wat!” en Paul klom haastig in den boom.

„O! toe, doe dat niet, toe Paul laat 't, anders kom je weer in de gevangenis!”

In een ommezien stond Paul weer op den grond.

„Wat zei je daar?” riep hij.

„Je zat immers gevangen omdat je appels gestolen hadt.”

„Wie zat in de gevangenis?”

„Jij.”

„Ik?”

„Ja, jij.”

„Wie zei dat?”

„Vader zei 't. Hij zei dat je in de gevangenis zat omdat je een dief was.”

Paul werd vuurrood. In een opwelling van woede en schaamte vloog hij op Dickie aan.

Maar Dickie was niet voor een kleintje vervaard en Paul bemerkte, dat hij aan 't kortste eind trok.

„Daar komt je vader aan,” riep hij op eens en beiden holden weer een eind voort. Toen ze even stilstonden om adem te scheppen, zei Dickie: „Waar is vader dan?”

„In zijn vel!” lachte Paul, „ik houd je maar wat voor de mal.”

Dickie voelde zich teleurgesteld; in zijn hart had hij berouw en 't zou hem eene verlichting geweest zijn, als zijn vader werkelijk was komen aanstappen. Hij barstte in tranen uit.

„Als je nou gaat zitten grienen,” zei Paul, „dan helpt je dat toch niks.”

„Maar wat gaan we dan doen?”

„Doen? We maken een reis om de wereld samenen beleven een massa avonturen,” riep Paul uit op den toon van iemand die het leven en de wereld kent. „Maak je daar maar niet bezorgd over. 'k Heb immers een hoop geld bij me. 'k Heb wel 'n kwartje.”

„En je zou 'n vlieger maken.”

Maar Dickie was niet voor 'n kleintje vervaard.

Maar Dickie was niet voor 'n kleintje vervaard.

„Dat zal ik ook—maar 'k mot toch eerst wat hebben om 'm te maken. Ik kan toch geen vlieger maken van een straatweg.”

„Maar wanneer zal je er dan een maken?”

„Hoor eens,” zei Paul, „als je doorgaat met zoo te zaniken, dan maak ik er heelemaal geen,—dààr!”

„Wat is dat?” riep Paul op eenmaal. „Muziek geloofik! Ja, 'k zie 't, 't is 'n draaiorgel! 't Is kermis daar!”

„Kermis!” riep Dickie en dat eene woord verdreef als bij tooverslag al zijn verdriet. „Gauw, gauw er heen!”

Op eens de grootste vrienden van de wereld gingen ze er arm in arm op af. Gevangenissen, booze vaders, bijtende honden, ze bestonden niet meer voor hen, alles was vergeten door de kermistenten daar in de verte.

Onderwijl had de oude veldwachter zijn kopje koffie gedronken, zijn pijp gestopt en zette zich daarna in een gemakkelijken stoel bij het raam, om eens diep na te denken. Hij was weduwnaar en niemand stoorde hem in zijne overpeinzingen.

Toen de pijp was opgerookt, klopte hij er de asch uit, deed zijn uniformjas aan, zette zijn steek op en met de sabel op zij stapte hij naar de cel van Paul om te zien of deze zich den naam van zijn ouders al herinnerde.

Daar stond hij bij de open deur. Waar was de gevangene? Gevlogen!....

„Wat weerga!” riep hij: „wie ter wereld heeft dàt gedaan? Zou die kwâjongen van mij....? Holà! Dick!”

Maar hij kreeg natuurlijk geen antwoord.

„Hij heeft mijn jongen meegenomen en samen zijn ze weggeloopen!”

Ja, Roybon, zoo is het, je sloeg daar juist den spijker op den kop. Als een dolleman stampte hij met zijn houten been op den vloer, maar opeens bedacht hij zich en klom met moeite boven in de duiventil. Van hier uit kon hij de landstreek een heel eind ver overzien en ja waarlijk, daar heel in de verte daar zag hij twee kleine zwarte stippen. „Daar heb je ze waarachtig,” mompelde hij. Op gevaar af van zijn nek te breken, strompelde hij weer naar beneden.

.... stommelde Roybon den stoffigen weg langs.

.... stommelde Roybon den stoffigen weg langs.

„Kom mee, Pak-an.”

„Dat had ik al veel eerder bedacht,” meende Pak-an, „maar je wou niet naar me luisteren. Ik zal je nou wel wijzen waar ze zijn. Ik weet 't precies.”

Eenige oogenblikken later strompelde Roybon den stoffigen weg langs.

Hij was nog niet ver, toen iemand hem met luide stem toeriep: „Halloo!”

Hij keek om en zag een forschen man met lange zwarte knevels en groote doordringende oogen, die haastig achter hem aan kwam stappen. Toen begon een levendig gesprek. Roybon scheen het in den beginne niet met den ander eens te zijn, maar langzamerhand scheen hij van meening te veranderen tot de man met de knevels gelijk kreeg.

Ze stapten daarna samen voort, maar maakten niet veel haast tot groote verontwaardiging van Pak-an, die hier niets van begreep.

De kermispret was in vollen gang toen Paul en Dickie het dorpje bereikten.

Er waren draaimolens met valsche orgels; er was een wildebeestenspel met verschillende dieren, een schietspel, een hoofd van Jut, een poffertjeskraam. Er waren honden, die op twee beenen konden loopen net als menschen, en er waren menschen die op handen en voeten konden loopen, net als honden. Kooplieden en straatmuzikanten, goochelaars en oliekoekenverkoopers, alles gilde en toeterde door elkaar met het gelach en het gejuich der vroolijke kermisbezoekers.

De Kermis.

De Kermis.

Dickie had geen oogen genoeg om al het moois tezien, Paul sprong, danste, maakte rare grimassen en beiden hadden de dolste pret.

De man met het boevengezicht.

De man met het boevengezicht.

Daar zag Paul een tafeltje met allerlei lekkernijen. Zijn maag trok hem daarheen. Hij kon er gemakkelijk wat van koopen, want hij had immers een kwartje, en voor een kwartje kan men op een dorpskermis genoeg koopen om z'n heele maag van streek te maken. Paul stond nog in tweestrijd wat hij van al de heerlijkheden zou kiezen, toen zijn oog viel op eenrood en zwart geschilderd draaibord, met een groote draaiende naald in 't midden.

„Komaan jongeheer, beproef je geluk eris,” riep de man, die er bij stond, „als je 't wint krijg je meer koek dan je in een morgen op kunt eten.”

Paul bezweek voor de verzoeking. Met bevende hand zette hij zijn eersten stuiver op rood. De naald draaide, draaide eerst vlug, toen langzamer en stond eindelijk stil op zwart. Dadelijk zette Paul nog een stuiver in, ditmaal op zwart, maar de naald koos nu rood als eindstation. De man van het draaibord met zijn boevengezicht was Paul te slim af. Telkens als de naald bijna stilhield, gaf hij een klein zetje aan de tafel, waardoor ze steeds op een andere kleur dan de gekozene bleef stilstaan.

„Vooruit jongeheeren, vooruit, den moed niet opgeven, waag nog een kansje,” riep de man en Paul zette in en weer in tot zijn laatste stuiver in den zak van den bedrieger verdwenen was. Paul stond het schreien nader dan het lachen.

„Kom mee,” zei Dickie, „wat kan 't jou schelen,” en hij greep Paul's hand en trachtte hem mee te trekken, maar Paul leek wel als vastgenageld aan de plek. Hij bleef staren naar het roode en zwarte bord, waarop nu een nieuw slachtoffer zijn geluk beproefde.

„O Paul, kijk eens, een vechtpartij,” riep Dick.

Dit woord bracht Paul uit zijne verdooving. Hij keek in de richting, waarheen Dickie wees en ja,daar waren ze aan 't vechten. Mannen, vrouwen en kinderen sloegen elkaar met vuisten, parapluies en stokken.

Daar moest Paul het zijne van hebben. Hij was in een oogenblik midden in 't gedrang en zijn strijdlustige aard deed hem ook links en rechts klappen en stompen uitdeelen en... in ruil ontvangen.

De vroolijke kermisdrukte had op eenmaal plaats gemaakt voor een hevig straatgevecht. En de oorzaak? Ja, die wist eigenlijk niemand. Ik geloof, dat er iemand in 't gedrang zijn buurman op de eksteroogen had getrapt.

... een hevig straatgevecht.

... een hevig straatgevecht.

Daar verscheen op het tooneel van den strijd onze vriend met zijn stevige vuisten, zwarten knevel en groote donkere oogen. We zullen hem voortaan maar „de Zwarte” noemen. Met een vervaarlijke stem geboodhij: „Stilte!” en elk gehoorzaamde terstond aan die bevelende stem. Het vechten was uit als met een tooverslag. Men keek elkander eens verbaasd aan, want, zooals ik zei, de oorzaak van het algemeene gevecht kende eigenlijk niemand.

„De Zwarte” nam Paul en Dickie bij den kraag en bracht hen buiten het gedrang. Daar liet hij hen aan hun lot over. 't Was Paul of hij vol blauwe plekken zat en hij dacht juist eens even kalm te bekomen van al dat lawaai, toen hij bijna verlamd werd van schrik, want wie zag hij daar? Pak-an, die al snuffelend recht op hem toe kwam loopen en achter Pak-an: Roybon.

't Scheen een oogenblik of Paul's beenen niet voort wilden, maar 't duurde niet lang. Toen vloog hij heen als een pijl uit den boog, op de hielen gevolgd door Dickie.

De jongens draafden een tijdlang voort alsof ze hardloopers van beroep waren. Eindelijk konden ze niet meer en vielen uitgeput neer op het gras aan den kant van den weg.

Dickie zat een poos in diepe gedachten verzonken: „Ik geloof eigenlijk dat ik wel graag weer naar huis wou,” zei hij als resultaat van zijne overpeinzingen.

„Nou, doe wat je niet laten kunt, er is niemand die je tegenhoudt,” riep Paul, „ga naar huis, dan krijg je een lekker pak slaag.”

Dickie gaf geen antwoord. Eindelijk zei hij met tranen in de oogen: „Ze hebben me zoo gestompt, mijn arm doet zoo'n pijn.”

„Zóó,” riep Paul, „och heden, stompten ze jou?Kijk hier dan eens en hier en hier,” en hij wees op de schrammen in zijn gezicht en een groote dikke buil op zijn voorhoofd. „Huil ik? en jij zit te grienen om een beetje pijn aan je elleboog.”

Paul's gezicht vervulde Dick met medelijden.

„Ja,” zei hij, „je hebt ook wel gelijk, maar zie je, het duurt ook zoo lang voor we de wereld rond zijn. Is het nog een heel eind?”

't Was Paul niet de moeite waard om hierop te antwoorden.

„Kom, vooruit,” zei hij, „in plaats van malle vragen te doen deedt je beter wat aan te stappen, anders krijgt je vader je nog te pakken.”

Maar Dickie voelde zich ellendig, hij had niet het minste plan om op te staan en begon vervaarlijk te huilen. Goede raad was duur, elk oogenblik kon Roybon in zicht komen, ze moesten weg, het kostte wat 't wilde. Nog eens beproefde Paul Dickie door allerlei mooie beloften over te halen, maar 't hielp niet.

„Je houdt toch nooit je woord,” zei Dick.

„Wat blief? Hebben we dan geen hoop plezier gehad?”

„Wat je maar plezier noemen wil! 'n Raar plezier, slagen te krijgen, je geld te verliezen en honger te hebben.”

Ja, hiertegen kon Paul weinig inbrengen. Zwijgend boorde hij met den hiel van zijn schoen een kuil in den grond.

Eindelijk stond Dickie met een zucht op. Hij moest kiezen of deelen. Of meegaan óf terugkeeren en van zijn vader een pak slaag oploopen en hij koos het eerste. Op een paar moede beenen trok hij weer verder met zijn ondeugenden leidsman.

„Och heden, stompten ze jou?”

„Och heden, stompten ze jou?”

Zonder een woord te zeggen liepen ze een eindje voort. Daar zag Paul een braamstruik vol heerlijke rijpe bramen. „En wie zei nou, dat we niks te eten hadden!” riep hij. „Zie daar eens!” Hij vloog er heen en beiden begonnen te eten tot er geen braam meer over was. 't Was een karig maal, doch honger maakt rauwe boonen zoet en bramen zijn toch nog beter dan rauwe boonen.

„Nu maar weer voorwaarts,” zei Paul, toen de struik geplunderd was.

„Maar waar gaan we dan toch eigenlijk heen?”

„O, dat zal je wel zien.”

„Maar zeg het dan toch.”

„'t Komt er niet op an. Je zult het wel zien.” En voort gingen ze weer.

Daar zagen ze in de verte een stadje. „Neen, daar niet heen,” zei Paul, „daar vangen ze ons,” en ze sloegen links af een zijpad in en kwamen zoodoende aan den oever van een groote rivier.

„Ziezoo,” zei Paul, „daar zijn we er eindelijk, al den tijd heb ik naar dit plekje gezocht. Nou begint de pret. Kijk eris hier, kan je dit?”

Hij nam een plat kiezelsteentje op en liet het over de oppervlakte van het water scheren.

Dickie vond het grappig, probeerde het ook en ze vermaakten zich een tijdlang met dit spelletje, tot ze hun armen door het gooien bijna ontwricht hadden. Toen slenterden ze verder langs den rivieroever.

Plotseling stond Paul stil.

„Da's flink,” riep hij uit,„ze hebben hem gezonden!”

„Wat gezonden?” vroeg Dickie.

„Wel dàt, heb je dan je oogen in den zak!” zei Paul en hij wees naar een bootje, dat aan den stronk van een wilgeboom was vastgebonden. „Ik had bevel gegeven om het hierheen te zenden,” vervolgde hijmet een zeldzame gave van onwaarheden te verzinnen. „Nu begint eerst echt onze reis om de wereld.”

Het bootje was een oud wrak ding, dat er uitzag alsof het uit elkaar zou vallen als iemand er een beetje hardhandig mee omging.

Maar Paul had geen verstand van booten en was dus heelemaal niet bang.

„Kom je er niet mee in?” riep hij, nadat hij er zelf in was gekropen.

Maar Dickie keek niet naar hem. Hij staarde naar de lucht, die er onrustbarend donker begon uit te zien. Zwarte wolken pakten zich in het zuid-oosten samen en het water van de rivier zag er uit als inkt.

„Ik ben bang, Paul, dat het zal beginnen te regenen,” zei hij.

„Nou, wat hindert dat? We zullen niet smelten. Hier! Geef me 'n hand.”

Dickie was gerustgesteld. Hij greep de uitgestoken hand en sprong in de boot.

In 't eerst vermaakten ze zich met de boot op en neer te laten schommelen. Maar daar had Paul gauw genoeg van. 't Duurde niet lang of hij maakte het touw los en probeerde te roeien. Dit ging niet gemakkelijk. Het bootje dreef hoe langer hoe meer naar 't midden van de rivier; daar werd het door den stroom meegesleept, sneller en sneller!

Dickie was een goede weerprofeet geweest. Na een korte poos voelden ze reeds een paar dikke regendroppelsen spoedig viel de regen bij stroomen neer. De lucht zag pikzwart; een ijskoude wind gierde over het water.

Daar schoot op eenmaal een bliksemstraal uit de wolken; vreeselijk ratelde de donder; een hevig onweer barstte los boven hunne hoofden. De orkaan loeide, dikke hagelsteenen kletterden neer en verwondden hun gezicht en hunne handen. De eene donderslag volgde op den andere, het vuur was niet van den hemel, en 't werd avond, nacht bijna...

In doodelijken angst klampten de knapen zich aan de boot vast; ze dachten elk oogenblik te verdrinken.

Maar er was redding nabij. Zonder dat de beide kinderen hem zagen, was „de Zwarte” hen op grooten afstand gevolgd. Van een visscher, die dicht bij den oever woonde, leende hij een stevige boot. Met zijngespierde armen roeide hij, met krachtige slagen, door het hevig golvende water. Als een bliksemflits den geheelen omtrek electrisch verlichtte, zag hij de plaats waar de ongelukkige jongens dobberden. Zelfs te midden van het ratelend donderen hoorde hij hun hulpkreten. Daar sloeg een hoog opschuimende golf over de oude boot; zij steunde en kraakte en vloog in splinters. Bij een volgende lichtstraal was er noch van de jongens noch van de boot iets meer te ontdekken.

Een gevoel van warmte en een gewaarwording van schel licht deed de beide kleine zwervers langzaam bijkomen uit hun toestand van volslagen bewusteloosheid. Allengs bemerkten ze, dat ze in lakens gewikkeld plat op den grond lagen voor een groot vlammend houtvuur.

Langen tijd bleven ze stil en onbewegelijk liggen zonder ook maar een enkel woord te spreken.

Eindelijk richtte Paul zich halverwege op en keek liggende op zijn ellebogen, om zich heen.

Zij bevonden zich in een groote ouderwetsche keuken; allerlei ouderwetsch keukengereedschap hing aan den wand, voor zoover Paul dien kon zien. Hetvuur brandde op een groote vuurplaat. Men zou er gemakkelijk een schaap boven hebben kunnen braden aan 't spit, zoo'n groot vuur was 't.

Ander licht dan dat van het vuur was er niet en dit glansde op een gedeelte van de muren en tegen den zolder, maar liet de hoeken in 't donker.

Plotseling vlamde een houtsplinter hoog op en verlichtte voor een oogenblik het geheele vertrek.

Tot zijn groote verbazing zag Paul in een der hoeken twee gestalten: één dik en rond, één groot en forsch.

Weg was het licht weer, maar Paul meende toch nog te kunnen zien hoe beide gestalten zich naar elkaar toebogen en met hun hoofden duidden in de richting waar hij lag. Toen hoorde hij de eene zeggen:

„Dus dat heeft u dan goed begrepen?”

„Zeker, zeker,” zei de andere.

„Nou, goeien avond dan.”

Er ging een deur open en een groote, donkere gestalte ging naar buiten.

Daarop kwam de dikke nader bij het vuur en bleef vlak bij de jongens staan. Het licht van de houtvlammen speelde over zijn gezicht en 't leek wel, dacht Paul, of hij hen stilletjes stond uit te lachen.

Eindelijk zei de dikke oude man: „Ik verwed er een dubbeltje onder dat jelui niet weet waar je bent.”

Daar Paul blijkbaar geen lust aan wedden had en boe noch bah zei, vervolgde de man: „Wel, dan zalik 't je maar vertellen. Jelui benne in 'n molen en ik ben de molenaar.”

„Zijn we dan niet verdronken?” vroeg Dickie droomerig.

„Nee hoor, je bent zoo springlevend als 'n vischje in 't water, doch 't had maar weinig gescheeld of je was er geweest. Er was toevallig iemand vlak bij jullie en die heeft je nog net precies bij de haren uit 't water kunnen halen en in z'n boot zetten.”

Tot groote verwondering van de beide jongens schaterde de molenaar het uit na deze redeneering.

„Ik vind dat nou heelemaal niets om te lachen,” zei Paul.

„Nee, dat is 't ook eigenlijk niet, nee warempel niet; het spijt me, neem me niet kwalijk,” zei de molenaar.

En waarschijnlijk om te toonen hoe 't hem speet, barstte hij weer in zoo'n lachbui uit, dat de porceleinen kopjes op de latafel er van begonnen te rammelen.

„Hè, hè!” zei hij, en veegde zich de tranen van 't lachen uit de oogen.

„Nou moet je maar gaan slapen. Morgen vroeg zal juffrouw Boks, dat is m'n wijfje, jullie wel helpen en je droge kleeren brengen. En als je dan wat eten naar binnen gespeeld hebt, dan motten we eris samen praten. Goeie nacht.”

Daar ging de vroolijke dikkert en liet Paul en Dickiealleen. Ze waren te moe om samen nog een woord te wisselen en vielen spoedig in een diepen slaap.

Den volgenden morgen verscheen juffrouw Boks,op elken arm een stel droge kleeren, in de eene hand een waschkom met warm water en in de andere een handdoek met een dik stuk zeep.


Back to IndexNext