ZEVENTIENDE HOOFDSTUKDe beren.

... dat de veldwachter den burgemeester opbracht.

... dat de veldwachter den burgemeester opbracht.

„Misschien,” zei hij aarzelend, „moet ik eerst de verschillende omstandigheden nog eens nader onderzoeken.”

„Neen hoor, dat behoeft niet,” klonk het luide. „Hij kan er niets tegen inbrengen!”

„Nu, dan herhaal ik nog eens,” bromde de burgemeester,„òf het geld, òf de beren!”

Een goedkeurend gemompel begroette deze uitspraak van de machtige overheid.

De uitspraak was geheel in den geest van de menigte en daarom juichte de menigte de overheid toe.

„Nu, dan, het zij zoo,” sprak de Markies,„het gevecht zal plaats hebben, doch gun mij tot morgen uitstel.”

„Niet doen, niet doen,” hoorde men roepen, „dan gaat hij er vannacht van door!”

Het spijt mij voor den Markies, maar dit was waarlijk zijn heimelijk plan. Het was voor hem dan ook eene groote teleurstelling toen de burgemeester aan den veldwachter bevel gaf te zorgen, dat de troep 's nachts in het dorp bleef. Hij zon reeds op middelen hoe zijne belofte te vervullen en niet te vergeefs werkte zijn altijd vruchtbaar brein.

„Ik houd er niet van mij tegen de machtige overheid te verzetten,” zoo sprak hij, „de voorstelling zal dus morgenochtend plaats hebben.”

Een luid „hoera!” begroette deze woorden en het volk trok af, de burgemeester achteraan.

De Markies had in zijn voorraadkamer twee berenhuiden. Een der beide beren aan wie ze eenmaal toebehoorden, was van ouderdom gestorven en de andere beer was doodgeschoten, omdat hij zooals ik verteld heb, den vroegeren eigenaar van de menagerie had verscheurd.

Deze beide huiden moesten schoongemaakt, toegenaaid en opgevuld worden met stroo en zouden dan als opgezette beren de verwoede aanvallen der honden rustig afwachten.

De Koningin van de Isofagus-eilanden verklaarde zich gaarne bereid in de nachtelijke stilte de beide beren in orde te maken.

Waarschijnlijk werd haar teeder hart wel eenigszins bewogen, toen zij de huid onder handen nam van den beer, die haar eersten man zoo ongelukkig naar de andere wereld had geholpen.

Toen Paul en Dickie 's morgens wakker werden wisten ze eerst niet recht wat ze zagen. Vlak voor hen stonden de spellebaas en zijn vrouw ieder met een berenhuid in de hand.

De Markies had 's nachts niet geslapen en misschien wel wat heel dikwijls de brandewijnflesch voor den mond gezet, om zich te troosten over zijn niet zeer benijdbaar lot.

Misschien was het wel de invloed van den brandewijn, die hem op het denkbeeld had gebracht deberenhuidenniet op te vullen met stroo, maar er de beide jongens in te naaien.

Paul en Dickie werden bij het vooruitzicht overeenige oogenblikken beer te moeten worden en met wie weet welke groote honden te moeten vechten bleek van angst.

„Kijk maar niet zoo benauwd,” troostte de Markies, „honden moeten er op afgericht zijn om met beren te vechten en bovendien zal ik wel zorgen, dat ik niets dan kleine mormels uitzoek, die op de vlucht gaan als je maar even een poot oplicht.”

„'t Was al erg genoeg dat ik voor wilde moest spelen,” zei Paul, „maar in die berenhuid krijg je me nooit.”

„Jongetje, je weet niet wat je weigert, het zal 't grootste succes zijn dat je in je leven zult behalen. Waardeer het, dat ik je de kans geef. Niet iedereen is het voorrecht gegund voor beer te mogen spelen.”

„Gun jij jezelf dan maar dat voorrecht hoor!” zei Paul, „ik wil niet.”

„Ik wil niet is een zeer leelijk woord in den mond van een kind, mij dunkt we moesten dat uit uw woordenboek schrappen. Ik ken daarvoor een zeer gemakkelijk middeltje.”

„Je bent een echte wreedaard,” riep Paul, toen de Markies zijn middeltje had toegepast.

Hijzelf was door de toepassing buiten adem geraakt, maar hij had zijn doel bereikt, want het behoefde Paul nu niet tweemaal gezegd te worden in de berenhuid te stappen. Hij deed het heel gewillig en Dickie volgde zijn voorbeeld. De Koningin naaidenu de huiden vast en de Markies deed beiden een korf voor, maakte een zware ketting om hun bekken vast en bracht ze in den stal.

't Was nog maar vroeg in den morgen, toen reeds uit alle hemelstreken mannen, vrouwen en kinderen toestroomden om getuige te zijn van het berengevecht. Het was een gedring en geduw om zich toch vooral een goed plaatsje te verzekeren, vooraan bij het touw, dat van den eenen hoek naar den anderen was gespannen om al te veel opdringen te voorkomen.

.... uit alle hemelstreken vrouwen, mannen en kinderen toestroomden.

.... uit alle hemelstreken vrouwen, mannen en kinderen toestroomden.

Daar verscheen de Markies om de honden uit te zoeken, die de eer zouden genieten in het strijdperk te treden. Hoerageroep en voetgetrappel van de ongeduldige menigte begroette zijn komst.

Nadat hij een keuze had gedaan beklom hij de kleine verhevenheid voor de deur, om eenige woorden tot het publiek te richten.

Nauwelijks had hij echter een paar zinnen gesproken, of men hoorde geschuifel en geroep en het publiekbegreep, dat er iets met de vertooning niet in den haak was. Wat was het geval?

Nadat hij een keuze had gedaan...

Nadat hij een keuze had gedaan...

Onze beide beren bemerkten, dat ze een oogenblik zonder toezicht waren gelaten en hadden de verzoeking niet kunnen weerstaan het hazenpad te kiezen.

Ongelukkig voor hen maakten de kettingen, die om hun halzen zaten, zoo'n lawaai op de straatsteenen, dat een paar oude vrouwtjes over de gordijntjes kwamen gluren wat of dit lawaai beduidde.

Daar zagen die vreedzame oudjes een paar wilde dieren over de straat rennen.

Ze schreeuwden en riepen om hulp en hun geroep en geschreeuw plantte zich voort en groeide aan.

De twee beren werden twintig wilde beesten, die door het dorp liepen en reeds een dozijn vrouwen en kinderen verslonden hadden.

Ieder, die op straat was holde zoo hard hij kon naar zijn woning en deed de deur op slot. 't Was een herrie en een lawaai;met elk oogenblik werden het rumoer en de onrust grooter. (Zie detitelplaat.)

De moedigsten onder de mannen wapenden zich met hooivorken, schoffels, stokken, worststoppers en allerlei mogelijke en onmogelijke wapenen en draafden alle kanten uit. Sommige gelukkigen bezaten nog een oud verroest geweer, dat jaren niet gebruikt was, en waarmee ze natuurlijk niet meer konden schieten, maar zij voelden zich beter gewapend dan alle anderen.

De kerkklokken luidden, de naastbijzijnde dorpsbesturen werden gewaarschuwd. De rustende schutterij kwam overal in 't geweer. Niemand in de omliggende plaatsen wist wat er eigenlijk gaande was; men dacht aan voortvluchtige moordenaars of dieven of brandstichters. Alle toegangen tot de dorpen werden afgezet en wel drieentwintig personen werden gearresteerd omdat ze er verdacht uitzagen.

Onderwijl joegen de beide jongens maar steedsvoort, achtervolgd door menschen en honden. Alles wat ze op hun weg ontmoetten ging voor hen op de vlucht: paarden, koeien, varkens, schapen en vogels. Eindelijk vielen ze uitgeput neer in een greppel, die gedeeltelijk verborgen lag achter een dikke haag.

... een paar wilde dieren over de straat rennen.

... een paar wilde dieren over de straat rennen.

„Hei daar!” riep een van de jagers een oogenblik later, „zagen jelui welken kant de wilde dieren uitliepen?”

„Nee!”

„Zag je ze daar net niet achter die haag?”

„Wel nee, ze liepen in 't korenveld.”

„Als ze maar niet naar 't dorp teruggekeerd zijn?”

„Dan worden onze arme vrouwen en kinderen verscheurd!”

„Terug dan naar het dorp!”

„Maar kijk daar eens!”

„Waar?”

„Die hond daar kwam zoo angstig uit die greppel vandaan, met de staart tusschen de beenen.”

„Ik hoor wat! Ze zitten in de greppel, ik hoor de kettingen rammelen!”

„Ga er dan in en haal ze er uit.”

„Nee! Ga jij er in.”

„Nee! Ik heb een geweer, ik zal hier blijven staan en ze schieten zoo gauw ze te voorschijn komen.”

Op 't zelfde oogenblik ging het geweer vanzelf af en door den schok viel de dappere schutter achterover plat op den grond. Zoodra hij weer opgekrabbeld was liep hij zoo hard hij kon weg, zag naar links noch rechts en liet zijn geweer in den steek.

Nu kwam er voor de jongens een gevaarlijk oogenblik, want de menigte begon steenen in de greppel te gooien, doch ook nu weer was er redding nabij.

Hijgend en blazend en nat van 't zweet door 't harde loopen, stond daar op eenmaal „de Zwarte” tusschen de greppel en de gooiende en schreeuwende jagers. Zijn groote gestalte en zijn krijgshaftig voorkomen brachten alle gemoederen in een oogwenk tot kalmte.

„Houd op, houd op!” riep hij, terwijl hij met den zakdoek zijn kletsnat voorhoofd afdroogde. „Waartoe zou het dienen die arme dieren te dooden? Ze hebbenniemand kwaad gedaan. Ze zijn de broodwinning van dien armen stakkerd van een spellebaas. Jelui hebt er geen voordeel van en 't is tot zijn onberekenbaar nadeel. Komaan, ga nu kalm naar huis en wees verstandig. Ik zal met behulp van den baas de beren wel uit hun schuilplaats halen.”

Alles wat ze op hun weg ontmoetten ging voor hen op de vlucht.

Alles wat ze op hun weg ontmoetten ging voor hen op de vlucht.

De Markies was nu ook naderbij gekomen. Achter hem zag men den kleinen burgemeester.

„Wanneer de man ons van de tegenwoordigheid der beren verlost, kan hij ongehinderd vertrekken,” hoorde men hem zeggen met zijn diepe grafstem.

Dit lag nu eigenlijk heelemaal niet in 't idee van de dorpsbewoners, die op een aardig schandaaltje gehoopt hadden.

Onwillig en mopperend trokken ze langzaam af.Ook de burgemeester wandelde zoo statig mogelijk heen, maar hij ging bij voorkeur niet met de dorpelingen mee.

„Komaan, eruit onwillige dieren,” riep nu de Markies.

Hij en de „Zwarte” namen elk een beer bij de ketting. Zoo nu en dan gaf de Markies, om den schijn te bewaren, de „wilde beesten” een striem met zijn zweep.

Toen ze het dorp bereikten was het als uitgestorven.

Niemand vertoonde zich, hetzij uit vrees, hetzij uit teleurstelling, maar de Markies vond de weinige belangstelling niet onaangenaam, want nu kon de troep ongehinderd zoo spoedig mogelijk vertrekken.

Langzaam wandelde de Markies met den „Zwarte,” in druk gesprek, achter den kermiswagen, tot de laatste bij eene kromming van den weg met een stevigen handdruk afscheid nam.

Een diep zwaarmoedige trek lag op het gelaat van den spellebaas. De heerlijke blauwe lucht, de boomen met hun ontluikend groen, het golvend koorn, de fluitende en zingende vogels, de paarden, die voor den ploeg langzaam diepe voren trokken in het land, alles ademde rust en vrede, de reine kalmte van het landleven. Hoe ellendig was zijn eigen leven, vergeleken bij dit vreedzaam bestaan en hoe anders had het kunnen zijn!

Doch gedane zaken nemen geen keer.

De dronkemansstem van Jonas kwam zijn mijmeringen verstoren.

„Er is een dorp in zicht!” riep hij, „moeten we stilhouden?”

De Markies loosde een diepe zucht, toen klom hij in den wagen. Hij was weerspellebaasvan top tot teen.

... de paarden die voor den ploeg langzaam diepe voren trokken in het land.

... de paarden die voor den ploeg langzaam diepe voren trokken in het land.

„We zijn dicht bij een dorp,” sprak hij, en schudde de half slapende Koningin bij de schouders, „we moeten noodzakelijk ons middagmaal verdienen, 't is te hopen, dat we wat fortuinlijker zijn dan de laatste maal.”

Men koos een schuur uit waarin de voorstelling zou gegeven worden. Spoedig zullen we zien, dat dit geen gelukkige keuze was. De schuur lag afgezonderd van andere woningen of bergplaatsen, de wanden waren van planken op gelijke afstanden van elkaar en de tusschenruimten aangevuld met bossen stroo.

Zooals altijd kondigde de troep zich aan door een barbaarsche muziek, en hield de Markies een lange toespraak, waarnaar de eenvoudige dorpsbewoners met open mond en ooren luisterden.

.... vermomd als een eerwaardig grijsaard.

.... vermomd als een eerwaardig grijsaard.

Ditmaal vergastte hij bij de voorstelling het publiek niet op goocheltoeren. Hij had iets anders, iets beters bedacht.

's Middags was er eerst een extra voorstelling, waarin de Markies optrad vermomd als een eerwaardig grijsaard. Hij verklaarde het geheim te bezitten, waardoor het aan een ieder vrij zou staan zoo lang televen als hij verkoos, zonder ziekten en kwalen. Dit geheim kon elkeen van hem koopen voor de som van drie stuivers. Het bestond in een fleschje gevuld met een doorschijnende vloeistof.

... die in boerenkleedij.

... die in boerenkleedij.

De eerste koopers waren de Koningin met hare dochters en Jonas, die in boerenkleedij de menschen op deze wijze tot koopen moesten aanmoedigen. Zij kochten ieder twee fleschjes met het levenwekkende vocht en hun voorbeeld vond zooveel navolging, dat spoedig het geheele dorp zich voorstelde nooit meer een dokter noodig te hebben en zoo oud te zullen worden als Methusalem.

Wanneer men gezien had hoe het levenwekkend vocht eenigen tijd te voren met emmersvol uit de pomp was gehaald en door den Markies in zorgvuldig gekurkte fleschjes was gedaan, zeker had dan menige arme slokker zijn drie stuivers in den zak gehouden.

... door den Markies in zorgvuldig gekurkte fleschjes was gedaan.

... door den Markies in zorgvuldig gekurkte fleschjes was gedaan.

Maar de wereld wil bedrogen zijn en hoevele verstandige, ja geleerde menschen zouden er zijn, die zich niet wel eens door een kwakzalver hebben laten beetnemen?

„En wat moet er nu van jelui worden, ongelukkige jonge beren?” riep de Markies, toen hij bezig was alles voor de groote avondvoorstelling in gereedheid te brengen.

„Beren kan ik niet meer van je maken en voor natuurwonderen zijn jelui ook totaal ongeschikt. Laat eens zien... Mij dunkt ik moest jelui beiden op sterkwater zetten en je dan aan 't publiek vertoonen als twee natuurwonderen uit den grijzen voortijd, dat zal een ongeëvenaard succes zijn!”

„Ben je bang om te verdrinken,Dick? Nu, dat zou anders nog zoo kwaad niet zijn, dan was ik meteen op een fatsoenlijke manier van je af. Maar als je geen aardigheid aan de sterkwatervertooning hebt dan gelukt ze toch niet.”

„Dus maar weer wat anders bedacht. Koorddansen! Dat is 'n idee.”

„We kunnen toch geen koorddansen als we het nooit geleerd hebben!” zei Paul.

„O jawel dat kan een pasgeboren kind, we volgen dan maar dezelfde leermethode als met de klarinet. Je zult eens zien hoe prachtig het gaat! Misschien breek je bij de eerste oefening een arm of been, maar daar zal minder op gelet worden. Het publiek ziet zoo iets wel graag. Een zaal is nooit beter bezet dan wanneer de een of ander een levensgevaarlijk waagstuk gaat ondernemen.”

„Wat zei je daar? Heb je ook al geen lust in koorddansen? 't Kost vanavond moeite om 't je naar den zin te maken.”

„Maar nu weet ik dan toch wat. Vuur zul je eten, allebei. Je mag me wel erg dankbaar zijn, dat ik je dit toesta, want 't zal voor eeuwig jelui namen wijd en zijd bekend maken door de geheele wereld. Dus nu zijn we er: Vuureters zal ik van je maken.”

„Ja je hebt goed praten,” zei Paul, „maar ik laat geen vuureter van me maken,” en Dickie stond met een sufferig gezichtje in 't rond te kijken en dacht dat hij wel nooit zijn ouderlijk huis terug zou zien.

„Wat ik zeg dat gebeurt,” zei de Markies.

„Wat geef ik er om wat jij zegt,” riep Paul, die zijn brutaliteit niet verloren had.

„Dat zullen we dan nog eens beter moeten leerenjongetje; 't schijnt dat al de vorige lessen niet gebaat hebben.” De Markies wierp kalm zijn eindje sigarette weg en gaf het woord aan het rietje om een proeve van zijn onderwijsmethode af te leggen.

De voorstelling had het gewone verloop tot aan de pauze. Na de pauze zouden, zooals het programma zeide, „Cacus en Cuculus optreden, twee zonen van Vulcanus, die bij een uitbarsting van de Etna met de kokende lava naar boven waren geworpen.”

„Kom Cacus en Cuculus,” zei de spellebaas, „laat me jelui even leeren hoe je als waardige zonen van Vulcanus zult kunnen optreden. Je hebt niet anders te doen dan een hoopje boomwol net zoo lang te kauwen tot het heelemaal doortrokken is van vocht. Als je dan genoeg hebt om je mond geheel mee vol te proppen, zet je in 't midden een stukje smeulend zwam, stopt alles in je mond en dan blaas je maar. Je zult dan zien, dat er een vurige tong uit je mond te voorschijn schiet. Denk er om dat je alleen door den neus moogt inademen. Ik heb op 't oogenblik ongelukkig geen boomwol, maar dit uitgeplozen touw is net zoo goed.”

De jongens rilden van angst alleen bij de gedachte aan die vurige tongen, maar ze durfden zich niet verzetten uit vrees voor het rietje.

Toen nam de Markies een stuk roodaarde en wreef daar het gezicht, de beenen en de armen van de jongens zoo lang mee in tot ze er uitzagen als geborenIndianen. Hij deed hen een paar roode doeken om en ging toen haastig weg om de voorstelling verder te leiden. Daarna bracht de Koningin de beide vuureters op het tooneel.

... hoog door de lucht in zee geworpen.

... hoog door de lucht in zee geworpen.

„Dames en heeren,” zoo sprak de Markies, „zooals ge op het Programma kunt zien, staan hier voor u twee echte zonen van Vulcanus: Cacus en Cuculus. Bij eene uitbarsting van de Etna werden ze uit hunne vuurwoning hoog door de lucht in zee geworpen. De kapitein van een voorbijvarend schip zag dit, redde beide uit de golven en bracht hen behouden op zijn vaartuig. Voor deze heldendaad ontving hij de medaljevan verdienste van de Academie van Kunsten en Wetenschappen. Bijna had hij zijn dood in de golven gevonden, want de hitte die de monsters rondom zich verspreidden, was zoo groot, dat het schip er door in brand geraakte. Gelukkig wist men het vuur te blusschen en de beide ontvlambare passagiers werden gedurende de geheele reis in groote tobben met water gezet, die elk oogenblik op nieuw gevuld moesten worden, want als het water met hunne lichamen in aanraking kwam veranderde het in damp. (Groote verbazing bij het publiek). Sedert dien tijd is de hitte van hunne lichamen wat verminderd, maar men dient nog altijd zeer voorzichtig met hen om te gaan.”

„Ik zal u een klein staaltje laten zien van de wijze waarop ze ademhalen.”

In 't volgend oogenblik vlamden twee vurige tongen uit de monden der beide knapen.

Een daverend applaus en kreten van verwondering volgden op dit kunststuk.

Doch wat was dát?

Het uitgeplozen touw in de monden der jongens was zeker niet goed toebereid... het vatte plotseling vlam! In radeloozen angst liepen de vuureters op het tooneel heen en weer, scheurden en trokken de brandende massa uit hun mond en smeten die links en rechts over de planken.

Het vuur kwam dicht bij den planken wand, waartusschenzooals ik zei, bossen stroo waren geplaatst. Het stroo begon te branden!!

Tot overmaat van ramp gooide een van de verschrikte toeschouwers nog een petroleumlamp omver, zoodat alles op eenmaal in lichtelaaie stond.

Cacus en Cuculus.

Cacus en Cuculus.

Er ontstond een paniek, kinderen gilden, vrouwen vielen flauw, mannen vluchtten. Allen drongen naar den uitgang onder een angstig gegil. Ieder wildede eerste zijn. Sommigen stikten bijna in het gedrang en kermden en jammerden; en het stroo kraakte en knapperde, de vlammen stegen hooger en hooger, de rook werd al dichter.

Wanneer het publiek wat kalmer was geweest en den Markies had geholpen om het brandende stroo te blusschen toen het pas vuur vatte, dan was er zoo goed als niets gebeurd, want in zulke gevallen kunnen moed en tegenwoordigheid van geest ons leven meestal eerder redden dan een overhaaste vlucht.

Eerst dacht men, dat allen levend en ongedeerd uit het brandende gebouw waren gekomen, toen men op eenmaal midden tusschen rook en vuur, twee kleine roode lichamen boven in de hanebalken van de schuur zag zitten. Het waren onze beide ongelukkige zonen van Vulcanus.

Door angst en schrik geheel van hun stuk gebracht, hadden ze boven op de dwarsbalken van de schuur een goed heenkomen gezocht.

Een kreet van schrik ging uit de menigte op. De jongens waren verloren, niemand durfde, uit vrees voor eigen leven, een poging tot redding te wagen.

Daar drong zich iemand door de menschenmassa heen, vloog de schuur binnen en was in een ommezien in den dikken rook verdwenen.

Wie was het? Niemand kende hem. „Het was een groote man,” zei de een. „Ja, met dikke, zwarte knevels,” zei een ander.

Algemeen was men van gevoelen, dat hij 't er niet levend zou afbrengen en reeds schepte men er een droevig vermaak in lofspraken te houden op hem die men veronderstelde dat zoo treurig aan zijn einde kwam, want gewoonlijk is het groote publiek erg gul met loftuitingen als iemand dood is.

Maar de „Zwarte” was niet dood. Het duurde niet lang of men zag hem weer te voorschijn komen, zwart van den rook, met verbrande haren en bijna onherkenbaar. Zegevierend droeg hij onder elken arm een kleinen vuurduivel.

Hij werd omringd en bestormd door alle omstanders. Ieder prees hem, elkeen wilde hem de hand drukken. Maar hij stoorde zich niet aan al de toegestoken handen, hij maakte zich ruim baan en was spoedig in de duisternis verdwenen.

Den volgenden morgen zag men eerst recht wat de Markies bij de ramp verloren had! Alle beesten uit de menagerie waren in de vlammen omgekomen! Het orgel was verbrand en nog veel meer kostbare zaken, die voor een spellebaas van groote waarde zijn. Er kwam nog bij, dat de schuur niet verzekerd was en de eigenaar kwam al spoedig met een lange rekening van alle schade, die hij geleden had.

Zoo is nu eenmaal 's werelds loop, onverschillig of men lacht of schreit of men vreugde ondervindt of droefheid, aan 't eind van alles komt de man met de rekening.

De Markies had echter heelemaal geen plan die rekening te betalen.

„Wat!” riep hij verbaasd, „hoe durft ge mij op 't oogenblik met zoo iets aankomen?”

„Nu! terwijl het vuur nog smeult onder de asch en schrik en angst nog zetelen in aller harten! Alle bewoners zijn geheel vervuld van medelijden, en gij, gij durft bij zoo'n groot ongeluk aan geld denken! Geld! Bah! Misschien zoudt ge wel een voordeelig zaakje willen maken van deze ramp, waarover elk rechtgeaard mensch slechts spreekt met een hart, overloopend van medegevoel voor mij en mijn ongelukkig gezin.”

„Neen, mijn vriend. Geld kan ik u niet geven. Zoo iets betaalt men niet. Gij ook zult tevreden moeten zijn met het medelijden uwer dorpsgenooten en met hunne achting, die ook ik u niet zal onthouden, wanneer ge op geen andere voldoening blijft aandringen.”

De Markies had met de noodige plechtigheid gesproken en de menschen, die zich om hen verzameld hadden waren dan ook blijkbaar geheel onder den indruk zijner redevoering.

Maar de eigenaar van de verbrande schuur was in 't geheel niet geroerd. Hij was een klein driftig kereltje, met een paar stekelige oogjes en een hoogen schouder, waardoor het soms net leek of hij geen nek had. Toen de Markies zich met fieren tred wilde verwijderen, pakte hij hem bij zijn jaspanden.

„Raak mij niet aan, laat me los!” riep de Markies,„het zal u berouwen, ik zal uw naam aan de verachting van al de komende geslachten prijsgeven.”

„Geld moet ik hebben,” riep de kleine man.

„Ja, geldhebik niet, maar ik zal u een wissel geven op mijn bankiershuis, dat is nog beter dan geld.”

„Wissel, wissel, ik wil klinkende munt!”

„Och wat,” zei iemand uit 't volk, „houdt toch op; die arme slokker heeft alles verloren wat hij bezat enjouwoude schuur stond toch op 't invallen!”

„Dat is de kwestie niet,” riep de booze kleine man, „hij heeft mijn schuur doen verbranden en als hij mij niet betaalt dan lever ik hem over aan het gerecht.”

„O ho! begin je uit dat vaatje te tappen goede vriend!” zei de Markies, die steeds kalmer werd hoe meer zijn tegenpartij zich opwond. „Laten we de zaak dan eens van een anderen kant bezien. Ik huurde die schuur van u om zonder gevaar of hinder mijne voorstellingen te kunnen geven; gij zeidet mij, dat hij voor het doel geschikt was.”

„Dit alles zult gijmijmoeten vergoeden,amice. Wat zegt gij ervan dames en heeren?”

De dames en heeren omstanders waren allen arme lieden, die natuurlijk het meeste voelden voor een lotgenoot even arm als zij. Ze gaven dan ook luide hun instemming te kennen met de woorden van den Markies.

„Jou leelijke schooier!” riep de eigenaar van deschuur, „je brengt me tot het uiterste, ik kan nauwelijks meer staan van woede.”

.... pakte hem bij zijn jaspanden.

.... pakte hem bij zijn jaspanden.

„Och koetsier,” zei de Markies zich langzaam naar Jonas omwendend, „geef mijnheer eens 'n stoel.”

Bleek van woede wierp de razende man een blik op den Markies zóó vol haat, dat de grootste babbelaar er door tot zwijgen zou gebracht zijn.

„Wat let me je een opstopper te geven, waarvanje niet veel kunt navertellen! Als ik maar eerst mijn geld heb, dan geve de hemel dat ik nooit je ellendige tronie weerzie.”

„Nou, wanneer je me op slag een rijksdaalder geeft, dan zal een ieder verwonderd staan hoe gauw de hemel je wensch vervult, zelfs nog vóór je je geld ontvangen hebt.”

Het woedende ventje zag in, dat de Markies hem de baas was en de lachers op zijn hand had. Hij begon nu te schelden en maakte den Markies een compliment over zijn blanken neus, die in werkelijkheid zooals we weten vuurrood was.

Waarop de eigenaar van den neus den ander verklaarde nooit schooner gevormde nek en schouders gezien te hebben dan bij hem.

„Straatslijper, ge hebt mijn schuur verbrand,” huilde de woedende man, „maar ik geloof, dat ge mij ook wel zoudt willen verslinden, alleen maar om van de betaling af te zijn.”

„Vraag wel excuus,” zei de Markies hoogst ernstig. „Ik U verslinden? Neen dáárvoor heb ik te veel eerbied voor mijn maag.”

Het was niet te voorzien tot welke gevolgen deze ongelijke strijd nog aanleiding had kunnen geven als er niet een derde persoon in het strijdperk was getreden.

Die derde was de „Zwarte.” Hij wenkte beide partijen met hem mede te gaan en toen ze op eenigenafstand van de menigte korten tijd met elkander gesproken hadden, verdween de „Zwarte” even plotseling als hij gekomen was.

De Markies en het kromme mannetje schenen op eenmaal de beste vrienden van de wereld geworden te zijn.

„Bij dergelijke twisten is het van groot belang elkander onderling goed te verstaan,” zei de Markies.

„Ja, ja, zoo is het,” antwoordde zijn vroegere tegenstander. „Geef mij uw hand. Het spijt me dat ik me misschien wat ondoordacht heb uitgelaten.”

„Daar spreken we niet meer over,” antwoordde de Markies en hij schudde recht hartelijk de hem toegestoken hand. „'t Gebeurt immers dagelijks, dat nette menschen eens driftig op elkaar worden en elkaar minder vleiende benamingen geven, maar dat neemt niet weg dat ze elkander daarom even goed kunnen begrijpen en achten! Denk bijvoorbeeld eens aan onze volksvertegenwoordigers... Niet waar?...”

„Mag ik u een glas bier aanbieden?”

„Zeer gaarne, zeer gaarne! Kijk, ik was op het punt u juist hetzelfde te vragen, maar ik zal niet langer dan een enkel oogenblik van uw gezelschap kunnen profiteeren, want ik heb bij mijn troep een paar leerlingen, over wie het noodig is dat ik een waakzaam oog houd.”

Maar de Markies bleef langer bij zijn bier dan een oogenblik. Het oogenblik werd een uur; het werdmeerdan een uur. De Markiesbleefbij zijn bier.

Eindelijk bood zich dan aan onze kleine weggeloopen deugnieten de zoo lang verbeide gelegenheid aan om te ontvluchten.

Ik behoef niet te zeggen, dat ze die gelegenheid met beide handen of liever met beide beenen aangrepen.

Het was reeds bijna donker toen de jongens zacht en behoedzaam wegslopen. Ze durfden naar rechts noch links te zien; ze durfden bijna niet ademhalen. Hun hartjes klopten zoo luide dat het was of ieder in den omtrek ze moest hooren kloppen; het klonk hun zelf in de ooren als ver verwijderde hamerslagen. Hand in hand, eerst langzaam, op de teenen, maar dan al harder en harder liepen ze voort. Ze vlogen meer dan ze liepen! Een weinig buiten het dorp liep de straatweg langs een dicht dennebosch. Als ze dáár maar eenmaal waren, dacht Paul, dan waren ze gered. Diep in het bosch tusschen de lage dennen zou niemand hen vinden, en beiden gaven een zucht van verlichtingtoen ze de eerste rijen boomen van het bosch achter zich hadden, daar gevoelden ze zich veilig, voor ieders oog verborgen. Tusschen de boomen was het veel donkerder dan op den weg; ze konden geen hand voor oogen zien en liepen maar op den tast voort.

Nu eens struikelde Paul over een tak of viel Dickie in een kuil; dan weer schramden ze zich gezicht en handen aan de struiken of liepen zich een buil tegen de boomen. Maar pijn voelden ze niet; ze dachten aan niets anders dan aan loopen, loopen zoo hard ze maar konden, hoe verder hoe beter. Doch eindelijk konden ze niet meer, het bosch leek wel veel grooter en dieper dan ze zich voorgesteld hadden en de nacht was zoo donker en de wind ruischte zoo klagend door de boomtoppen. Angstig door de duisternis, die maar geen einde scheen te nemen en doodelijk vermoeid, vielen beide jongens op den met dennenaalden bezaaiden grond neer en schreiden bitter. Stijf hielden ze elkander omklemd tot Dickie, moe van 't huilen, in slaap viel.

Paul durfde zich niet verroeren uit vrees dat Dick dan wakker zou worden. Een gevoel van groote wroeging en diep medelijden met zijn arm klein slachtoffer werd steeds sterker bij hem en het besef, dat hij niets ongedaan kon maken van alles wat zijn kleine metgezel door hem geleden had, gaf hem een gevoel van wanhoop zóó groot, dat hij op dit oogenblik alles welhad willen geven en alles wel had willen doen, wanneer hij Dickie daardoor weer behouden in zijns vaders huis kon doen terugkeeren.

Daar zaten ze nu samen in het bosch op den grond in den donkeren nacht. Niets zag Paul om zich heen dan duisternis; niets hoorde hij dan den wind en de ademhaling van Dickie, die nog snikte in zijn slaap. O! die vreeselijke nacht! Alles wat ze de laatste dagen doorleefd hadden kwam Paul zoo helder voor den geest, als zag hij het vóór zich en steeds weer zag hij zichzelf: kwaad doende, ondeugend, anderen plagend, een onnutte deugniet. Wat hij ook voor onaangenaams ondervonden had, 't was allemaal door eigen schuld.—Had hij er ooit aan gedacht welk een verdriet hij zijn ouders aandeed? Zorgden ze niet voor hem met veel meer liefde dan hij verdiende?

Zij leefden alléén voor hem, voor zijn zusjes en voor allen, die ze liefhadden. En hij?

Hij leefde alleen voor zichzelf.Hungenoegen was anderen gelukkig te maken.Zijngenoegen was anderen het leven te verbitteren en dit vermeend genoegen eindigde altijd met straf, scheldwoorden, onrust en onaangenaamheid.

Hoe snakte hij op 't oogenblik naar rust, naar kalmte, naar een aangenaam tehuis.

Als het nu licht werd en zijne moeder stond op eenmaal voor hem, hoe zou hij haar om den hals vallen vol schaamte en berouw.

Nu besefte hij eerst recht wat zij geleden moest hebben door zijn onhebbelijk gedrag.

Zou hij wel ooit weer terugkeeren onder zijns vaders dak? Wanneer hij dan weer zijn middageten kreeg aan een zindelijk gedekte tafel, dan zouden zijn ouders niet meer behoeven te klagen, dat hij morste en onhebbelijk at. Hij gruwde van het eten in den kermiswagen van de vuile en morsige Koningin der Isofagus-eilanden. Hoe was het mogelijk, dat hij zich 's morgens óók wel eens niet gewasschen had! Zou zijn moeder hem dan ook zoo vies gevonden hebben? Met een onuitputtelijk geduld maande zij hem steeds weer aan toch zindelijk te zijn en hij gaf er den brui van.

Voortaan zou en moest dat anders worden. Hij wilde zijn haren niet meer ongeborsteld laten, zijn nagels ongeschuierd, zijn lichaam ongewasschen.

Men zou eens zien hoe netjes hij aan 't ontbijt zou komen, hoe flink hij zijn lessen zou leeren, hoe hij in alles zou trachten zijn best te doen.

„O Dickie! Dickie!” snikte hij uit, „als jij me dan maar vergeven kunt!” en hij drukte het kleine ventje met zoo'n onstuimigheid tegen zich aan, dat Dick wakker werd.

En Dick verweet hem niets; hij voelde als bij instinct hoe diep en ernstig het berouw was van zijn lotgenoot. Al liefkoozend liet hij zijn hand over die van Paul gaan en hield haar stevig vast.

Van dit oogenblik af waren zij onafscheidelijke vrinden. Hand in hand sliepen ze beiden in tot het daglicht hen wekte.

Het was geen vroolijk lachende zon, die aan den hemel stond. De lucht was bedekt met dikke grijze wolken en de regen begon langzaam te vallen.

De jongens richtten zich op beide handen op en wreven zich de oogen uit, want ze dachten eerst nog dat ze droomden, toen ze bemerkten, dat ze 's nachts in hun haast om steeds verder te loopen, door de duisternis misleid, gedurig van richting waren veranderd, waardoor ze maar op een paar meter afstand lagen van de plaats waar ze het bosch waren binnengegaan.

En nog grooter werd hunne verbazing, toen ze door de boomen den Markies met „de Zwarte” op den straatweg zagen loopen, druk pratend.

„De Zwarte” nam spoedig afscheid en liep haastig door, maar de Markies kwam recht op de plaats af waar zij lagen, alsof dit zoo vanzelf sprak en zei: „Wel, wel, heb jelui lekker geslapen? 't Is wel eens verkwikkend zoo'n nacht in de open lucht.”

De jongens waren zoo verbluft, dat ze geen woord konden zeggen.

„Hoor eens,” zei Paul eindelijk, „ik ben van plan mijn leven te beteren; ik wil naar huis om daar alles weer goed te maken en wanneer u me dat niet wilt toestaan, zal ik 't aan den eersten den besten veldwachter vertellen dien we tegenkomen.”

De Markies blies verscheidene kringetjes in de lucht, maar door den regen ging het effect ervan verloren.

„Als het je hetzelfde is,” zei hij, „zullen we later samen eens kalmpjes over dat zaakje praten. Jelui kwaamt beiden geheel uit eigen vrijen wil bij mijn gezelschap en ik zou zeggen, dat een dergelijk engagement maar niet zoo in eens verbroken kan worden, doch het kan zijn, dat jij het beter weet. Ook zou ik het hoogst ondankbaar vinden, wanneer je mijn gezelschap verliet, nadat ik zooveel moeite ten koste heb gelegd je tot een goed acteur te vormen. Het weer is op 't oogenblik te slecht om in de open lucht een rede te houden over de ondankbaarheid. 't Eenigste wat ik nog te zeggen heb is dit: Jelui blijft voorloopig beiden bij me, want ik heb daar zoo juist eene uitnoodiging ontvangen om eene voorstelling te komen geven op een buitenplaats hier in de nabijheid en daarvoor kan ik geen enkele mijner sujetten missen. Zie je daar in de verte dat troepje, dat er uitziet als een hoop natte kippen? Dat is alles wat overgebleven is van het prachtige spel van den Markies van Galimedes. Laten we naar hen toe gaan.”

„Paul,” fluisterde Dickie, „laten we maar meegaan. Zoo gauw we op die buitenplaats zijn vertellen we alles aan de menschen daar.”

Paul knikte en 't duurde niet lang of de spellebaas was met de jongens bij den troep gekomen.

De Markies had wel gelijk, zijn spel was er droevig aan toe. Al zijn dieren had hij verloren en de kermiswagen was ook geheel verbrand. De tooneelcostumes, eenige dingen die bij het goochelen gebruikt werden en nog 'n oud orgel was het eenigste wat hij, met gevaar voor eigen leven, had kunnen redden.

Doch, vreemd genoeg, hij scheen door het verlies van bijna alles wat tot zijn levensonderhoud moest dienen, in 't minst niet terneergeslagen.

„Als we bij alle tegenspoeden, die we op onzen levensweg ontmoeten, dadelijk ons zelf de haren uit gaan trekken,” zei hij, „zouden we gauw allemaal kale hoofden hebben. Laten we de dingen maar wijsgeerig opvatten en een glaasje klare gaan drinken. „Heb geen zorgen vóór den tijd” en „Iederen dag heeft genoeg aan z'n eigen leed” zijn, geloof ik, gezegden van een wijs man uit de oudheid. Maar komaan, we moeten onzen tijd niet staan te verpraten, we hebben nog een heel eind te loopen en we kunnen natuurlijk niet allemaal rijden. De Koningin zal op den rug van Bucefalus zeker een zeer bevallig figuur maken en de meisjes kunnen op de beurt wel op Marengo plaats nemen. Jelui beiden, jongens, en ik, wij gaan te voet, want wel is waar hebben we alles verloren, maar de hoffelijkheid voor 't schoone geslacht is ons gelukkig nog bijgebleven.”

„Jonas is er waarschijnlijk stilletjes uitgeknepen. Natuurlijk, dat is zoo der menschen aard, waar geenaas is zijn ook geen gieren. Voorwaarts, armzalige troep!”

Paul en Dickie vonden het heerlijk, dat ze eindelijk op weg konden gaan, ze werden moe van 't wachten in koude en regen; en de buitenplaats nam al hun gedachten in beslag.

Den geheelen dag sukkelde de troep voort over den spiegelgladden weg, nat en glad door regen en slik. Water was boven, modder beneden en slik rondom hen.


Back to IndexNext