Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Overgaan of blijven zitten?De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar toch …. zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze zich vast.Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boekente moeten doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.O! ’t zou afschuwelijk zijn.En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi rapport en ging schitterend over.En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooitexpresniet opgelet, of hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader’s ouders geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele leven lang hard gewerkt als notaris in die streek entante Marie was net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als haar tante.Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel te zijn, beweerde ze lachend.Ze leefde, als ’t ware, op het land, ze had gelegenheid planten en bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed zou zijn.Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol appelen, als het weer tegenwerkte.Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch had, „naar mijn moeder.” Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, „als ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden.”Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.„De stumpers,” dacht Wies, „dat zijn de gezakten.”Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs bitter schreiend.Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer naar buiten.Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.Het was de hare niet.Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze …„Louise Schotter.”Een schok ging haar door ’t hoofd, toch … toch …„Ja,” antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes naar binnen.Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar half de woorden, die de juffrouw daarna tot haarbeide lotgenooten richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze voor een feit stond, dat ze gezakt was.Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar bestemd waren.„Van jou, Louise, spijt ’t me bizonder, dat we je moeten laten zitten, want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn.”Wies hoorde dit alles aan als in een droom.Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best mee had gekund.Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen waren zoo zwaar en haar hart niet minder.Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en staarde voor zich uit.Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar uitkeek. Hé, wat was dat?Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie’s stem zei vlak bij haar:„Och Wies, wees maar niet meer boos.”Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.„Ik ben niet meer boos,” mompelde ze.„Niet? O, gelukkig,” en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat een zoen te geven, die klapte.Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden liepen zwijgend eenige passen voort.Toen begon Lottie:„O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, als je hulp noodig hadt.”„Dat kon ik immers niet.”„Waarom niet, had het toch maar gedaan.”Toen Wies’ arm tegen zich aandrukkend:„Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn hulp aan te bieden.”„Had je het maar gedaan,” zuchtte Wies.„Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?” klonk het benauwd.„Misschien wel.”Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.„Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,” zei ze.„Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je.”Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.„Maar ik ga met je mee.”„Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het.”Lottie zweeg bedrukt.Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.„Wij hebben elkaar ten minste weer,” zei ze na een poosje op hartelijken toon.„Zoolang als ’t duurt,” antwoordde Wies.„Zoolang als ’t duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten we er nu niet meer aan denken.”„Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan.”Lottie keek haar van terzijde aan.„Zou jij zoo doen?” vroeg ze eenvoudig.„Ik? Natuurlijk niet.”„Denk het dan ook niet van mij.”Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het leelijk vond, zoo te handelen.Ze drukte Lot’s arm tegen zich aan en zei:„Je bent veel te goed voor me.”Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.„Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio.”Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep door, zonder verder om te kijken.Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.„Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?” vroeg deze verschrikt.„Jawel,” snikte Lottie, „maar die arme Wies.”Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet over was en zoo’n verdriet had.Lottie’s moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies’ eigen schuld en eerlijk gezegd, kon ze niet eensmedelijdenmet haar hebben, ze kreeg, wat ze verdiend had.Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat hethaar eigen schuld was en dat ze maar beter op moest passen. Maarzijhad medelijden met haar en zou haar een volgend jaar toch helpen, als ’t noodig mocht zijn, dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar worden, nooit.Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, diep ademhalend.Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:„Wel?”„Blijven zitten,” was het nauw hoorbare antwoord.Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar werktuigelijk.Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.Waarom zei Moeder niets?Wat moest ze nu doen?Kon ze heengaan, de kamer uit?Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.En Moeder naaide maar door.„Mag ik gaan?” vroeg ze eindelijk zacht.Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?Wies liep naar haar toe.„Moesje,” zei ze smeekend.Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.„Het doet me zoo’n verdriet voor Vader,” zei ze.Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, toen ze zei:„Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt houden, zal ik nader met je spreken.”Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, dan was het achter den rug.Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:„’t Is mis, dat zie ik al.”Henk’s jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:„De ziel.”Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed op te passen.Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan en te dragen, wat komen zou.Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken,om zich een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.Wies’ hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar te gaan zitten.„Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?” vroeg ze.Wies knikte van ja.Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, of wat anders moeten hooren?„Hoor eens, Louise,” begon Moeder, „ik was al bang, dat het mis met je gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik Vader voorstellen, je maar van school te nemen.”„Me van school nemen?” vroeg Wies verschrikt.„Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn.”Wies was een oogenblik stom van schrik.„Maar Moeder,” barstte ze toen los, „ik heb een hekel aan alles wat met huiswerk in verband staat.”„Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, zooals jij, doet veel beter, haar handen teleeren gebruiken, zoodoende kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden.”„Maar ik ben niet dom!”„Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren.”Wies stond verslagen.Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.Eensklaps ging haar een licht op.„Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen.”„Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen een maand hebben.”„Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?”„Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je hem zelf schrijven.”„Och neen, Moeder!”„Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail.”„Kunt u het niet doen?”„Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet.”„Ik vind het zoo afschuwelijk.”„Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat verdiend, dunkt me.”Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze wilde of niet.„Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend,” zei ze.Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op knorrigen toon, maar licht kleurend:„Nu geen spitsvondigheden, als ’t je blieft. Je schrijft vanavond aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit.”Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.Wies lachte nog even.„Daar zat Moeder vast,” dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar dat duurde niet lang.De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond aan Vader schrijven, dat ze zoo’n berouw had en best leeren kon. Maar vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet beter kon!
Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Overgaan of blijven zitten?De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar toch …. zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze zich vast.Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boekente moeten doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.O! ’t zou afschuwelijk zijn.En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi rapport en ging schitterend over.En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooitexpresniet opgelet, of hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader’s ouders geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele leven lang hard gewerkt als notaris in die streek entante Marie was net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als haar tante.Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel te zijn, beweerde ze lachend.Ze leefde, als ’t ware, op het land, ze had gelegenheid planten en bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed zou zijn.Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol appelen, als het weer tegenwerkte.Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch had, „naar mijn moeder.” Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, „als ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden.”Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.„De stumpers,” dacht Wies, „dat zijn de gezakten.”Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs bitter schreiend.Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer naar buiten.Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.Het was de hare niet.Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze …„Louise Schotter.”Een schok ging haar door ’t hoofd, toch … toch …„Ja,” antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes naar binnen.Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar half de woorden, die de juffrouw daarna tot haarbeide lotgenooten richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze voor een feit stond, dat ze gezakt was.Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar bestemd waren.„Van jou, Louise, spijt ’t me bizonder, dat we je moeten laten zitten, want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn.”Wies hoorde dit alles aan als in een droom.Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best mee had gekund.Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen waren zoo zwaar en haar hart niet minder.Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en staarde voor zich uit.Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar uitkeek. Hé, wat was dat?Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie’s stem zei vlak bij haar:„Och Wies, wees maar niet meer boos.”Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.„Ik ben niet meer boos,” mompelde ze.„Niet? O, gelukkig,” en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat een zoen te geven, die klapte.Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden liepen zwijgend eenige passen voort.Toen begon Lottie:„O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, als je hulp noodig hadt.”„Dat kon ik immers niet.”„Waarom niet, had het toch maar gedaan.”Toen Wies’ arm tegen zich aandrukkend:„Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn hulp aan te bieden.”„Had je het maar gedaan,” zuchtte Wies.„Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?” klonk het benauwd.„Misschien wel.”Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.„Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,” zei ze.„Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je.”Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.„Maar ik ga met je mee.”„Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het.”Lottie zweeg bedrukt.Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.„Wij hebben elkaar ten minste weer,” zei ze na een poosje op hartelijken toon.„Zoolang als ’t duurt,” antwoordde Wies.„Zoolang als ’t duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten we er nu niet meer aan denken.”„Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan.”Lottie keek haar van terzijde aan.„Zou jij zoo doen?” vroeg ze eenvoudig.„Ik? Natuurlijk niet.”„Denk het dan ook niet van mij.”Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het leelijk vond, zoo te handelen.Ze drukte Lot’s arm tegen zich aan en zei:„Je bent veel te goed voor me.”Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.„Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio.”Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep door, zonder verder om te kijken.Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.„Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?” vroeg deze verschrikt.„Jawel,” snikte Lottie, „maar die arme Wies.”Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet over was en zoo’n verdriet had.Lottie’s moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies’ eigen schuld en eerlijk gezegd, kon ze niet eensmedelijdenmet haar hebben, ze kreeg, wat ze verdiend had.Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat hethaar eigen schuld was en dat ze maar beter op moest passen. Maarzijhad medelijden met haar en zou haar een volgend jaar toch helpen, als ’t noodig mocht zijn, dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar worden, nooit.Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, diep ademhalend.Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:„Wel?”„Blijven zitten,” was het nauw hoorbare antwoord.Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar werktuigelijk.Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.Waarom zei Moeder niets?Wat moest ze nu doen?Kon ze heengaan, de kamer uit?Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.En Moeder naaide maar door.„Mag ik gaan?” vroeg ze eindelijk zacht.Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?Wies liep naar haar toe.„Moesje,” zei ze smeekend.Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.„Het doet me zoo’n verdriet voor Vader,” zei ze.Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, toen ze zei:„Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt houden, zal ik nader met je spreken.”Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, dan was het achter den rug.Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:„’t Is mis, dat zie ik al.”Henk’s jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:„De ziel.”Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed op te passen.Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan en te dragen, wat komen zou.Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken,om zich een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.Wies’ hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar te gaan zitten.„Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?” vroeg ze.Wies knikte van ja.Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, of wat anders moeten hooren?„Hoor eens, Louise,” begon Moeder, „ik was al bang, dat het mis met je gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik Vader voorstellen, je maar van school te nemen.”„Me van school nemen?” vroeg Wies verschrikt.„Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn.”Wies was een oogenblik stom van schrik.„Maar Moeder,” barstte ze toen los, „ik heb een hekel aan alles wat met huiswerk in verband staat.”„Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, zooals jij, doet veel beter, haar handen teleeren gebruiken, zoodoende kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden.”„Maar ik ben niet dom!”„Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren.”Wies stond verslagen.Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.Eensklaps ging haar een licht op.„Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen.”„Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen een maand hebben.”„Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?”„Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je hem zelf schrijven.”„Och neen, Moeder!”„Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail.”„Kunt u het niet doen?”„Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet.”„Ik vind het zoo afschuwelijk.”„Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat verdiend, dunkt me.”Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze wilde of niet.„Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend,” zei ze.Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op knorrigen toon, maar licht kleurend:„Nu geen spitsvondigheden, als ’t je blieft. Je schrijft vanavond aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit.”Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.Wies lachte nog even.„Daar zat Moeder vast,” dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar dat duurde niet lang.De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond aan Vader schrijven, dat ze zoo’n berouw had en best leeren kon. Maar vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet beter kon!
Achtste Hoofdstuk.Achtste Hoofdstuk.Overgaan of blijven zitten?
Achtste Hoofdstuk.
De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar toch …. zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze zich vast.Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boekente moeten doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.O! ’t zou afschuwelijk zijn.En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi rapport en ging schitterend over.En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooitexpresniet opgelet, of hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader’s ouders geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele leven lang hard gewerkt als notaris in die streek entante Marie was net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als haar tante.Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel te zijn, beweerde ze lachend.Ze leefde, als ’t ware, op het land, ze had gelegenheid planten en bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed zou zijn.Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol appelen, als het weer tegenwerkte.Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch had, „naar mijn moeder.” Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, „als ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden.”Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.„De stumpers,” dacht Wies, „dat zijn de gezakten.”Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs bitter schreiend.Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer naar buiten.Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.Het was de hare niet.Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze …„Louise Schotter.”Een schok ging haar door ’t hoofd, toch … toch …„Ja,” antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes naar binnen.Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar half de woorden, die de juffrouw daarna tot haarbeide lotgenooten richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze voor een feit stond, dat ze gezakt was.Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar bestemd waren.„Van jou, Louise, spijt ’t me bizonder, dat we je moeten laten zitten, want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn.”Wies hoorde dit alles aan als in een droom.Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best mee had gekund.Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen waren zoo zwaar en haar hart niet minder.Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en staarde voor zich uit.Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar uitkeek. Hé, wat was dat?Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie’s stem zei vlak bij haar:„Och Wies, wees maar niet meer boos.”Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.„Ik ben niet meer boos,” mompelde ze.„Niet? O, gelukkig,” en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat een zoen te geven, die klapte.Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden liepen zwijgend eenige passen voort.Toen begon Lottie:„O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, als je hulp noodig hadt.”„Dat kon ik immers niet.”„Waarom niet, had het toch maar gedaan.”Toen Wies’ arm tegen zich aandrukkend:„Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn hulp aan te bieden.”„Had je het maar gedaan,” zuchtte Wies.„Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?” klonk het benauwd.„Misschien wel.”Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.„Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,” zei ze.„Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je.”Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.„Maar ik ga met je mee.”„Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het.”Lottie zweeg bedrukt.Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.„Wij hebben elkaar ten minste weer,” zei ze na een poosje op hartelijken toon.„Zoolang als ’t duurt,” antwoordde Wies.„Zoolang als ’t duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten we er nu niet meer aan denken.”„Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan.”Lottie keek haar van terzijde aan.„Zou jij zoo doen?” vroeg ze eenvoudig.„Ik? Natuurlijk niet.”„Denk het dan ook niet van mij.”Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het leelijk vond, zoo te handelen.Ze drukte Lot’s arm tegen zich aan en zei:„Je bent veel te goed voor me.”Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.„Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio.”Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep door, zonder verder om te kijken.Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.„Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?” vroeg deze verschrikt.„Jawel,” snikte Lottie, „maar die arme Wies.”Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet over was en zoo’n verdriet had.Lottie’s moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies’ eigen schuld en eerlijk gezegd, kon ze niet eensmedelijdenmet haar hebben, ze kreeg, wat ze verdiend had.Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat hethaar eigen schuld was en dat ze maar beter op moest passen. Maarzijhad medelijden met haar en zou haar een volgend jaar toch helpen, als ’t noodig mocht zijn, dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar worden, nooit.Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, diep ademhalend.Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:„Wel?”„Blijven zitten,” was het nauw hoorbare antwoord.Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar werktuigelijk.Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.Waarom zei Moeder niets?Wat moest ze nu doen?Kon ze heengaan, de kamer uit?Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.En Moeder naaide maar door.„Mag ik gaan?” vroeg ze eindelijk zacht.Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?Wies liep naar haar toe.„Moesje,” zei ze smeekend.Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.„Het doet me zoo’n verdriet voor Vader,” zei ze.Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, toen ze zei:„Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt houden, zal ik nader met je spreken.”Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, dan was het achter den rug.Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:„’t Is mis, dat zie ik al.”Henk’s jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:„De ziel.”Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed op te passen.Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan en te dragen, wat komen zou.Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken,om zich een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.Wies’ hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar te gaan zitten.„Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?” vroeg ze.Wies knikte van ja.Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, of wat anders moeten hooren?„Hoor eens, Louise,” begon Moeder, „ik was al bang, dat het mis met je gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik Vader voorstellen, je maar van school te nemen.”„Me van school nemen?” vroeg Wies verschrikt.„Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn.”Wies was een oogenblik stom van schrik.„Maar Moeder,” barstte ze toen los, „ik heb een hekel aan alles wat met huiswerk in verband staat.”„Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, zooals jij, doet veel beter, haar handen teleeren gebruiken, zoodoende kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden.”„Maar ik ben niet dom!”„Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren.”Wies stond verslagen.Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.Eensklaps ging haar een licht op.„Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen.”„Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen een maand hebben.”„Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?”„Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je hem zelf schrijven.”„Och neen, Moeder!”„Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail.”„Kunt u het niet doen?”„Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet.”„Ik vind het zoo afschuwelijk.”„Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat verdiend, dunkt me.”Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze wilde of niet.„Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend,” zei ze.Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op knorrigen toon, maar licht kleurend:„Nu geen spitsvondigheden, als ’t je blieft. Je schrijft vanavond aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit.”Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.Wies lachte nog even.„Daar zat Moeder vast,” dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar dat duurde niet lang.De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond aan Vader schrijven, dat ze zoo’n berouw had en best leeren kon. Maar vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet beter kon!
De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.
Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar toch …. zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze zich vast.
Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.
Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boekente moeten doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.
O! ’t zou afschuwelijk zijn.
En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi rapport en ging schitterend over.
En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.
En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooitexpresniet opgelet, of hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.
Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.
Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader’s ouders geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.
En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele leven lang hard gewerkt als notaris in die streek entante Marie was net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als haar tante.
Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.
Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel te zijn, beweerde ze lachend.
Ze leefde, als ’t ware, op het land, ze had gelegenheid planten en bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed zou zijn.
Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol appelen, als het weer tegenwerkte.
Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.
Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch had, „naar mijn moeder.” Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, „als ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden.”
Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.
Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.
Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.
Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.
Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.
„De stumpers,” dacht Wies, „dat zijn de gezakten.”
Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs bitter schreiend.
Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer naar buiten.
Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.
Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.
Het was de hare niet.
Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze …
„Louise Schotter.”
Een schok ging haar door ’t hoofd, toch … toch …
„Ja,” antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes naar binnen.
Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar half de woorden, die de juffrouw daarna tot haarbeide lotgenooten richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze voor een feit stond, dat ze gezakt was.
Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar bestemd waren.
„Van jou, Louise, spijt ’t me bizonder, dat we je moeten laten zitten, want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn.”
Wies hoorde dit alles aan als in een droom.
Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best mee had gekund.
Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.
Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.
Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen waren zoo zwaar en haar hart niet minder.
Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.
Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en staarde voor zich uit.
Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar uitkeek. Hé, wat was dat?
Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie’s stem zei vlak bij haar:
„Och Wies, wees maar niet meer boos.”
Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.
„Ik ben niet meer boos,” mompelde ze.
„Niet? O, gelukkig,” en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat een zoen te geven, die klapte.
Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden liepen zwijgend eenige passen voort.
Toen begon Lottie:
„O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, als je hulp noodig hadt.”
„Dat kon ik immers niet.”
„Waarom niet, had het toch maar gedaan.”
Toen Wies’ arm tegen zich aandrukkend:
„Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn hulp aan te bieden.”
„Had je het maar gedaan,” zuchtte Wies.
„Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?” klonk het benauwd.
„Misschien wel.”
Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.
„Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is,” zei ze.
„Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je.”
Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.
„Maar ik ga met je mee.”
„Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het.”
Lottie zweeg bedrukt.
Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.
„Wij hebben elkaar ten minste weer,” zei ze na een poosje op hartelijken toon.
„Zoolang als ’t duurt,” antwoordde Wies.
„Zoolang als ’t duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten we er nu niet meer aan denken.”
„Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan.”
Lottie keek haar van terzijde aan.
„Zou jij zoo doen?” vroeg ze eenvoudig.
„Ik? Natuurlijk niet.”
„Denk het dan ook niet van mij.”
Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het leelijk vond, zoo te handelen.
Ze drukte Lot’s arm tegen zich aan en zei:
„Je bent veel te goed voor me.”
Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.
Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.
„Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio.”
Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep door, zonder verder om te kijken.
Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.
„Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?” vroeg deze verschrikt.
„Jawel,” snikte Lottie, „maar die arme Wies.”
Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet over was en zoo’n verdriet had.
Lottie’s moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies’ eigen schuld en eerlijk gezegd, kon ze niet eensmedelijdenmet haar hebben, ze kreeg, wat ze verdiend had.
Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat hethaar eigen schuld was en dat ze maar beter op moest passen. Maarzijhad medelijden met haar en zou haar een volgend jaar toch helpen, als ’t noodig mocht zijn, dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar worden, nooit.
Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, diep ademhalend.
Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.
Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:
„Wel?”
„Blijven zitten,” was het nauw hoorbare antwoord.
Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar werktuigelijk.
Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.
Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.
Waarom zei Moeder niets?
Wat moest ze nu doen?
Kon ze heengaan, de kamer uit?
Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.
En Moeder naaide maar door.
„Mag ik gaan?” vroeg ze eindelijk zacht.
Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?
Wies liep naar haar toe.
„Moesje,” zei ze smeekend.
Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.
„Het doet me zoo’n verdriet voor Vader,” zei ze.
Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.
Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.
Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, toen ze zei:
„Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt houden, zal ik nader met je spreken.”
Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, dan was het achter den rug.
Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:
„’t Is mis, dat zie ik al.”
Henk’s jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.
Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:
„De ziel.”
Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed op te passen.
Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan en te dragen, wat komen zou.
Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken,om zich een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.
Wies’ hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.
Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar te gaan zitten.
„Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?” vroeg ze.
Wies knikte van ja.
Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, of wat anders moeten hooren?
„Hoor eens, Louise,” begon Moeder, „ik was al bang, dat het mis met je gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik Vader voorstellen, je maar van school te nemen.”
„Me van school nemen?” vroeg Wies verschrikt.
„Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn.”
Wies was een oogenblik stom van schrik.
„Maar Moeder,” barstte ze toen los, „ik heb een hekel aan alles wat met huiswerk in verband staat.”
„Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, zooals jij, doet veel beter, haar handen teleeren gebruiken, zoodoende kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden.”
„Maar ik ben niet dom!”
„Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.
Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren.”
Wies stond verslagen.
Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.
Eensklaps ging haar een licht op.
„Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen.”
„Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen een maand hebben.”
„Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?”
„Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je hem zelf schrijven.”
„Och neen, Moeder!”
„Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail.”
„Kunt u het niet doen?”
„Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet.”
„Ik vind het zoo afschuwelijk.”
„Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat verdiend, dunkt me.”
Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze wilde of niet.
„Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend,” zei ze.
Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op knorrigen toon, maar licht kleurend:
„Nu geen spitsvondigheden, als ’t je blieft. Je schrijft vanavond aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit.”
Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.
Wies lachte nog even.
„Daar zat Moeder vast,” dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar dat duurde niet lang.
De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond aan Vader schrijven, dat ze zoo’n berouw had en best leeren kon. Maar vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.
Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet beter kon!