Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Naar Grootvader en Grootmoeder.„Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?” vroeg Jantje voor de zooveelste maal in de laatste dagen.„En naar Omoesje,” voegde Stan er bij.En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes voet hoog.Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.Daar riep Moeder.„Ja, Moes, heeft u me noodig?”„Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen.”Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig te hebben.„Ja Moes, ik kom,” riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad en de straat op rende …„Jan is de straat op,” riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar het kind kijken.Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende hij door.„Wil je wel eens dadelijk terugkomen,” riep ze, „stoute jongen,” maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.Wat te doen?Ze kon het kind op die manier niet inhalen.Daar kwam redding in den vorm van Henk.Als hij nu Jantje maar zag.Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te moeten laten.„Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft.”„Het stond nog open, maar ik heb het gesloten,” zei Wies.Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.„Jij?”„Ja, ik,” en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets gedacht had.„Wel, wel,” zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.„Het is meer dan tijd,” merkte de koetsier op.„Als we maar niet te laat komen,” zei Wies.„Dan gaan we een treintje later,” beweerde Henk kalm.„Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden.”„Welnou, dat kan toch wachten.”„Ik hoop maar, dat we op tijd zijn,” zei hun moeder zenuwachtig, „het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net tegen etenstijd aan.”„Om half vijf toch, is ’t niet?” vroeg Marietje.„Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging.”Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van verluchting, dat ze het station uitstoomden.Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, die tegenover hem zat.„Stil blijven zitten, jongens,” zei Moeder, Stan vasthoudend, die het voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.„Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft,” zei hij, van zich af trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking tusschen zijn tanden brommend.Jan hield ineens op met trappelen.„O, wat zeg je daar?” vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer vestigend, „wat leuk woord, zeg het nog eens, als ’t je blieft, anders kan ik het niet onthouden.”De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:„Toe, zeg nog eens wat leuks.”Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in ’t verst verwijderde hoekje van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.„Dat’s flauw,” beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, vroeg hij:„Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent u boos op hem?”Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.Dat vond hij aardig.„Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop kindertjes, kom gauw, gauw dan.”Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was niets meer te zien.„Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden,” vond Jantje en Stan wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.„Ze zijn anders nooit zoo,” zuchtte hun moeder.„O neen, dat spreekt vanzelf,” merkte de oude heer sarkastisch op, „kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is,” en het in zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: „Beroerde bengels.”Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier van Grootvader op de voorste bank.Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het een mooi jasje vond.Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.„Ik op het andere paard,” viel dadelijk Jantje in.„Goed hoor,” beloofde Piet, „maar dan nou stilzitten, anders rol je er uit.”Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels wilde trekken, toen Piet het hem verbood.Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.„Wat waren ze lastig,” zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje schikkend.„Opgewondenheid,” beweerde Marietje wijs, „er is veel te lang van te voren over de reis gesproken.”Henk lachte witjes.Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo’n klein wijs nest.Wies genoot.Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als bestrooid met schitterende diamanten.Ze werd er stil van.Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt je Woudrichem.„Schilderachtig plaatsje toch,” merkte ze hardop aan.„Een broeinest van besmettelijke ziekten,” antwoordde Moeder prozaïsch.Henk lachte.„Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,” zei hij.„Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw genoeg van vergeten,” beweerde Marietje.Wies zuchtte.De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.„Kijk, Loevenstein,” wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de oude, veel gebruikte bijbel te zien,maar die holle vertrekken waren voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote plannen, van hoop en gespannen verwachting.„Loevenstein, Wiesje,” plaagde Henk, toen ze zweeg, „krijgen we nu geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig slot, dat daar zoo poëtisch ….”„Schei toch uit,” zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het schrikken van de paarden.„Heb je het fluitje wel, Piet?” vroeg ze, „om den molenaar te waarschuwen.”„En of ik,” en Piet haalde een, aan een koord zittend,fluitje uit zijn jasje.„Een fluitje,” riep Jan verheugd en Stan herhaalde: „Een fluitje.”„Mag ik ook eens,” smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.„Ikke ook,” vroeg Stan.„Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden.”Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.„Nou ikke,” vroeg Stan.„De peerden schrikken er van, jong.”„Ik zal ’t heel zachtjes doen.”„Nou, vooruit dan,” en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje en gaf het toen tevreden aan Piet terug.Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis naar hen stonden uit te kijken.Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken gezichtjes.Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.„We eten een kwartiertje later vanmiddag,” zei tante Marie, „Moeder dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden willen hebben.”Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar niet overgaan.Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer belangstellend naar hare gesloten oogleden.„Slaapt Omoesje?” vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.„Neen, lieveling, ik ben klaar wakker.”„Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?”„Omdat ze toch niet zien kan.”Een oogenblik zat het kind in gedachte.Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.„Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman kan ook niet met dichte oogjes zien.”Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind bleef afgetrokken.Na een poosje vroeg het:„Wil Omoesje liever niet zien?”Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.„Laat hem bij mij,” zei ze, „hij is zoo lief.”Zich toen tot het kind wendend:„Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien.”„Heelemaal niks?” vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.„Neen, niets, mijn jongen.”„Mij ook niet?”„Kom hier, Jan,” riep zijn moeder, „kijk eens gauw, wat een aardig hondje daar loopt.”Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:„Mij ook niet?”„Neen ventje.”„En Stan niet, en Moes niet en Ota?”„Neen, niemand.”Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.„Vindt u het naar?” vroeg hij heel zacht.Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.„Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?”Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.„Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?”„Schaam je,” riep Wies, en Henk zei: „wat een aap.”Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:„Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor.”Jantje keek heel onschuldig.„Ik vroeg het zoo maar eens,” zei hij.Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.„Zal ik ook helpen?” vroeg Wies.Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen anders elkaar maar in den weg.Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze heerlijk vond.Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.„Breng me nog een oogenblikje in den tuin,” zei ze, „ik wil graag een kwartiertje rond loopen.”Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen langs de paden.Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor ze geheel zichzelve kon zijn.Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.„Wat ben je stil, Wiesje,” zei Grootmoeder eensklaps, „je bent toch wel goed?”Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand over haar kleindochters wangen.„Tranen?” vroeg ze.Wies veegde ze haastig af.„Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje zenuwachtig,” voegde ze er aarzelend bij.Grootmoeder had haar begrepen.„Grootvader zal nog wel eens met je spreken,” zei ze, „en dan beloof je vast, beter op te passen, nietwaar?”Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar grootmoeder haar niet zien kon.„Niet waar, kind?” herhaalde deze, „je zult het morgen aan Grootvader beloven?”Wies kreeg een kleur.Grootmoederdachtzeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze niet antwoordde.„Ja zeker, Grootmoesje, zeker,” haastte ze zich te zeggen, „u begrijpt toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk niet helpen.”Haar grootmoeder glimlachte.„Dat is iets, waarwijhet nog wel eens samen over zullen hebben,” zei ze, de hand van Wies drukkend.„Is Grootvader erg boos op me?” vroeg deze benauwd.„Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen.”„Ons zegt u, U ook?”.De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.„Wel een beetje,” zei ze toen zacht.Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.„Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet heelemaal helpen.”Haar grootmoeder schudde het hoofd.„Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn.”„Daar is Grootvader ook,” zei Wies en keek een beetje schuw naar den krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met eentevreden gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een gemakkelijken stoel.De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog deed opbruischen, anders niets.Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.Zewilde nugenieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid van het oogenblik.Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze nog een kopje thee wilde.„Ze is weer bij haar feeën op bezoek,” spotte Henk.„Dat is nog zoo’n kwaad gezelschap niet,” vond Grootmoeder.
Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Naar Grootvader en Grootmoeder.„Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?” vroeg Jantje voor de zooveelste maal in de laatste dagen.„En naar Omoesje,” voegde Stan er bij.En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes voet hoog.Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.Daar riep Moeder.„Ja, Moes, heeft u me noodig?”„Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen.”Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig te hebben.„Ja Moes, ik kom,” riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad en de straat op rende …„Jan is de straat op,” riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar het kind kijken.Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende hij door.„Wil je wel eens dadelijk terugkomen,” riep ze, „stoute jongen,” maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.Wat te doen?Ze kon het kind op die manier niet inhalen.Daar kwam redding in den vorm van Henk.Als hij nu Jantje maar zag.Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te moeten laten.„Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft.”„Het stond nog open, maar ik heb het gesloten,” zei Wies.Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.„Jij?”„Ja, ik,” en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets gedacht had.„Wel, wel,” zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.„Het is meer dan tijd,” merkte de koetsier op.„Als we maar niet te laat komen,” zei Wies.„Dan gaan we een treintje later,” beweerde Henk kalm.„Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden.”„Welnou, dat kan toch wachten.”„Ik hoop maar, dat we op tijd zijn,” zei hun moeder zenuwachtig, „het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net tegen etenstijd aan.”„Om half vijf toch, is ’t niet?” vroeg Marietje.„Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging.”Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van verluchting, dat ze het station uitstoomden.Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, die tegenover hem zat.„Stil blijven zitten, jongens,” zei Moeder, Stan vasthoudend, die het voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.„Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft,” zei hij, van zich af trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking tusschen zijn tanden brommend.Jan hield ineens op met trappelen.„O, wat zeg je daar?” vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer vestigend, „wat leuk woord, zeg het nog eens, als ’t je blieft, anders kan ik het niet onthouden.”De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:„Toe, zeg nog eens wat leuks.”Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in ’t verst verwijderde hoekje van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.„Dat’s flauw,” beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, vroeg hij:„Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent u boos op hem?”Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.Dat vond hij aardig.„Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop kindertjes, kom gauw, gauw dan.”Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was niets meer te zien.„Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden,” vond Jantje en Stan wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.„Ze zijn anders nooit zoo,” zuchtte hun moeder.„O neen, dat spreekt vanzelf,” merkte de oude heer sarkastisch op, „kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is,” en het in zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: „Beroerde bengels.”Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier van Grootvader op de voorste bank.Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het een mooi jasje vond.Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.„Ik op het andere paard,” viel dadelijk Jantje in.„Goed hoor,” beloofde Piet, „maar dan nou stilzitten, anders rol je er uit.”Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels wilde trekken, toen Piet het hem verbood.Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.„Wat waren ze lastig,” zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje schikkend.„Opgewondenheid,” beweerde Marietje wijs, „er is veel te lang van te voren over de reis gesproken.”Henk lachte witjes.Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo’n klein wijs nest.Wies genoot.Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als bestrooid met schitterende diamanten.Ze werd er stil van.Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt je Woudrichem.„Schilderachtig plaatsje toch,” merkte ze hardop aan.„Een broeinest van besmettelijke ziekten,” antwoordde Moeder prozaïsch.Henk lachte.„Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,” zei hij.„Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw genoeg van vergeten,” beweerde Marietje.Wies zuchtte.De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.„Kijk, Loevenstein,” wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de oude, veel gebruikte bijbel te zien,maar die holle vertrekken waren voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote plannen, van hoop en gespannen verwachting.„Loevenstein, Wiesje,” plaagde Henk, toen ze zweeg, „krijgen we nu geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig slot, dat daar zoo poëtisch ….”„Schei toch uit,” zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het schrikken van de paarden.„Heb je het fluitje wel, Piet?” vroeg ze, „om den molenaar te waarschuwen.”„En of ik,” en Piet haalde een, aan een koord zittend,fluitje uit zijn jasje.„Een fluitje,” riep Jan verheugd en Stan herhaalde: „Een fluitje.”„Mag ik ook eens,” smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.„Ikke ook,” vroeg Stan.„Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden.”Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.„Nou ikke,” vroeg Stan.„De peerden schrikken er van, jong.”„Ik zal ’t heel zachtjes doen.”„Nou, vooruit dan,” en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje en gaf het toen tevreden aan Piet terug.Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis naar hen stonden uit te kijken.Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken gezichtjes.Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.„We eten een kwartiertje later vanmiddag,” zei tante Marie, „Moeder dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden willen hebben.”Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar niet overgaan.Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer belangstellend naar hare gesloten oogleden.„Slaapt Omoesje?” vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.„Neen, lieveling, ik ben klaar wakker.”„Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?”„Omdat ze toch niet zien kan.”Een oogenblik zat het kind in gedachte.Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.„Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman kan ook niet met dichte oogjes zien.”Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind bleef afgetrokken.Na een poosje vroeg het:„Wil Omoesje liever niet zien?”Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.„Laat hem bij mij,” zei ze, „hij is zoo lief.”Zich toen tot het kind wendend:„Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien.”„Heelemaal niks?” vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.„Neen, niets, mijn jongen.”„Mij ook niet?”„Kom hier, Jan,” riep zijn moeder, „kijk eens gauw, wat een aardig hondje daar loopt.”Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:„Mij ook niet?”„Neen ventje.”„En Stan niet, en Moes niet en Ota?”„Neen, niemand.”Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.„Vindt u het naar?” vroeg hij heel zacht.Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.„Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?”Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.„Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?”„Schaam je,” riep Wies, en Henk zei: „wat een aap.”Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:„Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor.”Jantje keek heel onschuldig.„Ik vroeg het zoo maar eens,” zei hij.Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.„Zal ik ook helpen?” vroeg Wies.Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen anders elkaar maar in den weg.Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze heerlijk vond.Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.„Breng me nog een oogenblikje in den tuin,” zei ze, „ik wil graag een kwartiertje rond loopen.”Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen langs de paden.Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor ze geheel zichzelve kon zijn.Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.„Wat ben je stil, Wiesje,” zei Grootmoeder eensklaps, „je bent toch wel goed?”Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand over haar kleindochters wangen.„Tranen?” vroeg ze.Wies veegde ze haastig af.„Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje zenuwachtig,” voegde ze er aarzelend bij.Grootmoeder had haar begrepen.„Grootvader zal nog wel eens met je spreken,” zei ze, „en dan beloof je vast, beter op te passen, nietwaar?”Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar grootmoeder haar niet zien kon.„Niet waar, kind?” herhaalde deze, „je zult het morgen aan Grootvader beloven?”Wies kreeg een kleur.Grootmoederdachtzeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze niet antwoordde.„Ja zeker, Grootmoesje, zeker,” haastte ze zich te zeggen, „u begrijpt toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk niet helpen.”Haar grootmoeder glimlachte.„Dat is iets, waarwijhet nog wel eens samen over zullen hebben,” zei ze, de hand van Wies drukkend.„Is Grootvader erg boos op me?” vroeg deze benauwd.„Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen.”„Ons zegt u, U ook?”.De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.„Wel een beetje,” zei ze toen zacht.Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.„Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet heelemaal helpen.”Haar grootmoeder schudde het hoofd.„Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn.”„Daar is Grootvader ook,” zei Wies en keek een beetje schuw naar den krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met eentevreden gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een gemakkelijken stoel.De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog deed opbruischen, anders niets.Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.Zewilde nugenieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid van het oogenblik.Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze nog een kopje thee wilde.„Ze is weer bij haar feeën op bezoek,” spotte Henk.„Dat is nog zoo’n kwaad gezelschap niet,” vond Grootmoeder.
Negende Hoofdstuk.Negende Hoofdstuk.Naar Grootvader en Grootmoeder.
Negende Hoofdstuk.
„Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?” vroeg Jantje voor de zooveelste maal in de laatste dagen.„En naar Omoesje,” voegde Stan er bij.En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes voet hoog.Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.Daar riep Moeder.„Ja, Moes, heeft u me noodig?”„Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen.”Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig te hebben.„Ja Moes, ik kom,” riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad en de straat op rende …„Jan is de straat op,” riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar het kind kijken.Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende hij door.„Wil je wel eens dadelijk terugkomen,” riep ze, „stoute jongen,” maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.Wat te doen?Ze kon het kind op die manier niet inhalen.Daar kwam redding in den vorm van Henk.Als hij nu Jantje maar zag.Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te moeten laten.„Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft.”„Het stond nog open, maar ik heb het gesloten,” zei Wies.Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.„Jij?”„Ja, ik,” en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets gedacht had.„Wel, wel,” zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.„Het is meer dan tijd,” merkte de koetsier op.„Als we maar niet te laat komen,” zei Wies.„Dan gaan we een treintje later,” beweerde Henk kalm.„Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden.”„Welnou, dat kan toch wachten.”„Ik hoop maar, dat we op tijd zijn,” zei hun moeder zenuwachtig, „het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net tegen etenstijd aan.”„Om half vijf toch, is ’t niet?” vroeg Marietje.„Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging.”Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van verluchting, dat ze het station uitstoomden.Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, die tegenover hem zat.„Stil blijven zitten, jongens,” zei Moeder, Stan vasthoudend, die het voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.„Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft,” zei hij, van zich af trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking tusschen zijn tanden brommend.Jan hield ineens op met trappelen.„O, wat zeg je daar?” vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer vestigend, „wat leuk woord, zeg het nog eens, als ’t je blieft, anders kan ik het niet onthouden.”De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:„Toe, zeg nog eens wat leuks.”Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in ’t verst verwijderde hoekje van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.„Dat’s flauw,” beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, vroeg hij:„Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent u boos op hem?”Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.Dat vond hij aardig.„Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop kindertjes, kom gauw, gauw dan.”Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was niets meer te zien.„Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden,” vond Jantje en Stan wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.„Ze zijn anders nooit zoo,” zuchtte hun moeder.„O neen, dat spreekt vanzelf,” merkte de oude heer sarkastisch op, „kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is,” en het in zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: „Beroerde bengels.”Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier van Grootvader op de voorste bank.Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het een mooi jasje vond.Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.„Ik op het andere paard,” viel dadelijk Jantje in.„Goed hoor,” beloofde Piet, „maar dan nou stilzitten, anders rol je er uit.”Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels wilde trekken, toen Piet het hem verbood.Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.„Wat waren ze lastig,” zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje schikkend.„Opgewondenheid,” beweerde Marietje wijs, „er is veel te lang van te voren over de reis gesproken.”Henk lachte witjes.Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo’n klein wijs nest.Wies genoot.Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als bestrooid met schitterende diamanten.Ze werd er stil van.Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt je Woudrichem.„Schilderachtig plaatsje toch,” merkte ze hardop aan.„Een broeinest van besmettelijke ziekten,” antwoordde Moeder prozaïsch.Henk lachte.„Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,” zei hij.„Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw genoeg van vergeten,” beweerde Marietje.Wies zuchtte.De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.„Kijk, Loevenstein,” wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de oude, veel gebruikte bijbel te zien,maar die holle vertrekken waren voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote plannen, van hoop en gespannen verwachting.„Loevenstein, Wiesje,” plaagde Henk, toen ze zweeg, „krijgen we nu geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig slot, dat daar zoo poëtisch ….”„Schei toch uit,” zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het schrikken van de paarden.„Heb je het fluitje wel, Piet?” vroeg ze, „om den molenaar te waarschuwen.”„En of ik,” en Piet haalde een, aan een koord zittend,fluitje uit zijn jasje.„Een fluitje,” riep Jan verheugd en Stan herhaalde: „Een fluitje.”„Mag ik ook eens,” smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.„Ikke ook,” vroeg Stan.„Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden.”Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.„Nou ikke,” vroeg Stan.„De peerden schrikken er van, jong.”„Ik zal ’t heel zachtjes doen.”„Nou, vooruit dan,” en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje en gaf het toen tevreden aan Piet terug.Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis naar hen stonden uit te kijken.Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken gezichtjes.Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.„We eten een kwartiertje later vanmiddag,” zei tante Marie, „Moeder dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden willen hebben.”Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar niet overgaan.Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer belangstellend naar hare gesloten oogleden.„Slaapt Omoesje?” vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.„Neen, lieveling, ik ben klaar wakker.”„Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?”„Omdat ze toch niet zien kan.”Een oogenblik zat het kind in gedachte.Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.„Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman kan ook niet met dichte oogjes zien.”Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind bleef afgetrokken.Na een poosje vroeg het:„Wil Omoesje liever niet zien?”Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.„Laat hem bij mij,” zei ze, „hij is zoo lief.”Zich toen tot het kind wendend:„Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien.”„Heelemaal niks?” vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.„Neen, niets, mijn jongen.”„Mij ook niet?”„Kom hier, Jan,” riep zijn moeder, „kijk eens gauw, wat een aardig hondje daar loopt.”Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:„Mij ook niet?”„Neen ventje.”„En Stan niet, en Moes niet en Ota?”„Neen, niemand.”Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.„Vindt u het naar?” vroeg hij heel zacht.Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.„Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?”Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.„Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?”„Schaam je,” riep Wies, en Henk zei: „wat een aap.”Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:„Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor.”Jantje keek heel onschuldig.„Ik vroeg het zoo maar eens,” zei hij.Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.„Zal ik ook helpen?” vroeg Wies.Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen anders elkaar maar in den weg.Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze heerlijk vond.Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.„Breng me nog een oogenblikje in den tuin,” zei ze, „ik wil graag een kwartiertje rond loopen.”Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen langs de paden.Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor ze geheel zichzelve kon zijn.Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.„Wat ben je stil, Wiesje,” zei Grootmoeder eensklaps, „je bent toch wel goed?”Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand over haar kleindochters wangen.„Tranen?” vroeg ze.Wies veegde ze haastig af.„Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje zenuwachtig,” voegde ze er aarzelend bij.Grootmoeder had haar begrepen.„Grootvader zal nog wel eens met je spreken,” zei ze, „en dan beloof je vast, beter op te passen, nietwaar?”Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar grootmoeder haar niet zien kon.„Niet waar, kind?” herhaalde deze, „je zult het morgen aan Grootvader beloven?”Wies kreeg een kleur.Grootmoederdachtzeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze niet antwoordde.„Ja zeker, Grootmoesje, zeker,” haastte ze zich te zeggen, „u begrijpt toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk niet helpen.”Haar grootmoeder glimlachte.„Dat is iets, waarwijhet nog wel eens samen over zullen hebben,” zei ze, de hand van Wies drukkend.„Is Grootvader erg boos op me?” vroeg deze benauwd.„Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen.”„Ons zegt u, U ook?”.De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.„Wel een beetje,” zei ze toen zacht.Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.„Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet heelemaal helpen.”Haar grootmoeder schudde het hoofd.„Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn.”„Daar is Grootvader ook,” zei Wies en keek een beetje schuw naar den krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met eentevreden gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een gemakkelijken stoel.De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog deed opbruischen, anders niets.Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.Zewilde nugenieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid van het oogenblik.Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze nog een kopje thee wilde.„Ze is weer bij haar feeën op bezoek,” spotte Henk.„Dat is nog zoo’n kwaad gezelschap niet,” vond Grootmoeder.
„Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?” vroeg Jantje voor de zooveelste maal in de laatste dagen.
„En naar Omoesje,” voegde Stan er bij.
En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.
Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes voet hoog.
Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.
Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.
Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?
Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.
Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.
Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.
Daar riep Moeder.
„Ja, Moes, heeft u me noodig?”
„Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen.”
Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig te hebben.
„Ja Moes, ik kom,” riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad en de straat op rende …
„Jan is de straat op,” riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar het kind kijken.
Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.
Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende hij door.
„Wil je wel eens dadelijk terugkomen,” riep ze, „stoute jongen,” maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.
Wat te doen?
Ze kon het kind op die manier niet inhalen.
Daar kwam redding in den vorm van Henk.
Als hij nu Jantje maar zag.
Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.
Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te moeten laten.
„Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft.”
„Het stond nog open, maar ik heb het gesloten,” zei Wies.
Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.
„Jij?”
„Ja, ik,” en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets gedacht had.
„Wel, wel,” zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.
„Het is meer dan tijd,” merkte de koetsier op.
„Als we maar niet te laat komen,” zei Wies.
„Dan gaan we een treintje later,” beweerde Henk kalm.
„Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden.”
„Welnou, dat kan toch wachten.”
„Ik hoop maar, dat we op tijd zijn,” zei hun moeder zenuwachtig, „het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net tegen etenstijd aan.”
„Om half vijf toch, is ’t niet?” vroeg Marietje.
„Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging.”
Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van verluchting, dat ze het station uitstoomden.
Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, die tegenover hem zat.
„Stil blijven zitten, jongens,” zei Moeder, Stan vasthoudend, die het voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.
„Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft,” zei hij, van zich af trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking tusschen zijn tanden brommend.
Jan hield ineens op met trappelen.
„O, wat zeg je daar?” vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer vestigend, „wat leuk woord, zeg het nog eens, als ’t je blieft, anders kan ik het niet onthouden.”
De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.
Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.
Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:
„Toe, zeg nog eens wat leuks.”
Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in ’t verst verwijderde hoekje van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.
„Dat’s flauw,” beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, vroeg hij:
„Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent u boos op hem?”
Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.
Dat vond hij aardig.
„Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop kindertjes, kom gauw, gauw dan.”
Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was niets meer te zien.
„Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden,” vond Jantje en Stan wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.
Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.
Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.
„Ze zijn anders nooit zoo,” zuchtte hun moeder.
„O neen, dat spreekt vanzelf,” merkte de oude heer sarkastisch op, „kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is,” en het in zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: „Beroerde bengels.”
Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier van Grootvader op de voorste bank.
Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het een mooi jasje vond.
Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.
Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.
„Ik op het andere paard,” viel dadelijk Jantje in.
„Goed hoor,” beloofde Piet, „maar dan nou stilzitten, anders rol je er uit.”
Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels wilde trekken, toen Piet het hem verbood.
Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.
„Wat waren ze lastig,” zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje schikkend.
„Opgewondenheid,” beweerde Marietje wijs, „er is veel te lang van te voren over de reis gesproken.”
Henk lachte witjes.
Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo’n klein wijs nest.
Wies genoot.
Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als bestrooid met schitterende diamanten.
Ze werd er stil van.
Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt je Woudrichem.
„Schilderachtig plaatsje toch,” merkte ze hardop aan.
„Een broeinest van besmettelijke ziekten,” antwoordde Moeder prozaïsch.
Henk lachte.
„Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet,” zei hij.
„Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw genoeg van vergeten,” beweerde Marietje.
Wies zuchtte.
De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.
„Kijk, Loevenstein,” wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.
Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de oude, veel gebruikte bijbel te zien,maar die holle vertrekken waren voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote plannen, van hoop en gespannen verwachting.
„Loevenstein, Wiesje,” plaagde Henk, toen ze zweeg, „krijgen we nu geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig slot, dat daar zoo poëtisch ….”
„Schei toch uit,” zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.
Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het schrikken van de paarden.
„Heb je het fluitje wel, Piet?” vroeg ze, „om den molenaar te waarschuwen.”
„En of ik,” en Piet haalde een, aan een koord zittend,fluitje uit zijn jasje.
„Een fluitje,” riep Jan verheugd en Stan herhaalde: „Een fluitje.”
„Mag ik ook eens,” smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.
„Ikke ook,” vroeg Stan.
„Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden.”
Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.
„Nou ikke,” vroeg Stan.
„De peerden schrikken er van, jong.”
„Ik zal ’t heel zachtjes doen.”
„Nou, vooruit dan,” en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje en gaf het toen tevreden aan Piet terug.
Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.
Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis naar hen stonden uit te kijken.
Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken gezichtjes.
Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.
„We eten een kwartiertje later vanmiddag,” zei tante Marie, „Moeder dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden willen hebben.”
Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar niet overgaan.
Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer belangstellend naar hare gesloten oogleden.
„Slaapt Omoesje?” vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.
Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.
„Neen, lieveling, ik ben klaar wakker.”
„Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?”
„Omdat ze toch niet zien kan.”
Een oogenblik zat het kind in gedachte.
Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.
„Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman kan ook niet met dichte oogjes zien.”
Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind bleef afgetrokken.
Na een poosje vroeg het:
„Wil Omoesje liever niet zien?”
Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.
„Laat hem bij mij,” zei ze, „hij is zoo lief.”
Zich toen tot het kind wendend:
„Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien.”
„Heelemaal niks?” vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.
„Neen, niets, mijn jongen.”
„Mij ook niet?”
„Kom hier, Jan,” riep zijn moeder, „kijk eens gauw, wat een aardig hondje daar loopt.”
Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:
„Mij ook niet?”
„Neen ventje.”
„En Stan niet, en Moes niet en Ota?”
„Neen, niemand.”
Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.
„Vindt u het naar?” vroeg hij heel zacht.
Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.
„Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?”
Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.
Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.
„Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?”
„Schaam je,” riep Wies, en Henk zei: „wat een aap.”
Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:
„Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor.”
Jantje keek heel onschuldig.
„Ik vroeg het zoo maar eens,” zei hij.
Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.
„Zal ik ook helpen?” vroeg Wies.
Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen anders elkaar maar in den weg.
Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze heerlijk vond.
Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.
„Breng me nog een oogenblikje in den tuin,” zei ze, „ik wil graag een kwartiertje rond loopen.”
Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen langs de paden.
Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.
Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor ze geheel zichzelve kon zijn.
Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.
„Wat ben je stil, Wiesje,” zei Grootmoeder eensklaps, „je bent toch wel goed?”
Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand over haar kleindochters wangen.
„Tranen?” vroeg ze.
Wies veegde ze haastig af.
„Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje zenuwachtig,” voegde ze er aarzelend bij.
Grootmoeder had haar begrepen.
„Grootvader zal nog wel eens met je spreken,” zei ze, „en dan beloof je vast, beter op te passen, nietwaar?”
Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar grootmoeder haar niet zien kon.
„Niet waar, kind?” herhaalde deze, „je zult het morgen aan Grootvader beloven?”
Wies kreeg een kleur.
Grootmoederdachtzeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze niet antwoordde.
„Ja zeker, Grootmoesje, zeker,” haastte ze zich te zeggen, „u begrijpt toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk niet helpen.”
Haar grootmoeder glimlachte.
„Dat is iets, waarwijhet nog wel eens samen over zullen hebben,” zei ze, de hand van Wies drukkend.
„Is Grootvader erg boos op me?” vroeg deze benauwd.
„Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen.”
„Ons zegt u, U ook?”.
De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.
„Wel een beetje,” zei ze toen zacht.
Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.
„Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet heelemaal helpen.”
Haar grootmoeder schudde het hoofd.
„Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn.”
„Daar is Grootvader ook,” zei Wies en keek een beetje schuw naar den krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.
In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met eentevreden gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een gemakkelijken stoel.
De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog deed opbruischen, anders niets.
Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.
Zewilde nugenieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid van het oogenblik.
Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze nog een kopje thee wilde.
„Ze is weer bij haar feeën op bezoek,” spotte Henk.
„Dat is nog zoo’n kwaad gezelschap niet,” vond Grootmoeder.