Derde Hoofdstuk.

Derde Hoofdstuk.Derde Hoofdstuk.De storm.Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer gebracht.Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen even blij.De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en …. van het gebroken glas.Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel aannam en netjes op een stoel legde.„Of wil ik het goed liever naar boven brengen,” vroeg ze, „gaat u zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?”„Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het fonteintje wasschen,” zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden haar gladstrijkend.Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde portret.Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.„Wie heeft dat zoo mooi gedaan?” vroeg ze.„Wies,” riep Henk.„Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest,” en zich omkeerende wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog onwillekeurig op het versierde portret viel.Wat was dat?Zag ze dat goed?Liep daar midden over het glas een barst?Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret beschadigd was.Louise’s hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige uitdrukking om haar mond.„De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,” zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, ze zou dan zeker beginnen te schreien.„Willen we nu maar gaan eten,” vroeg haar moeder en gaf zelf het voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.„Zal ik soms daar gaan zitten?” vroeg hij weifelend aan zijn moeder, op den stoel tegenover haar wijzend.Deze knikte toestemmend.„Ja, dat is gezelliger, zoo’n leege stoel maakt zoo’n treurigen indruk,” zei ze zacht.Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.„Is er iets, wou je wat zeggen?” vroeg haar moeder, maar daar Betje juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal samen er een nieuw glas op zouden laten maken.Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het langzaam uit het gezicht verdwenen was.De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was zeer minder bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord tot haar richtte.Henk stootte haar aan.„Luister je niet, naar wat ik vertel?” vroeg haar moeder.Wies keek haar aan en barstte toen los:„Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader meegevoerd werd. O, Moes, Moes!” en haar gezicht in haar servet verbergend, snikte ze het uit.Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar hand op Louise’s schouder legde.„Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn verdriet, dat gaat nu eenmaal niet.”Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm gezicht en rustige manieren.Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, zoo beredeneerd.Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, dan de ander.Waar hadden ze het nu over?Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had alafgedaan, natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij haar, neen, niet bij haar!Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?Nu al lachen!Het was niet om uit te houden.„Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen,” zei ze scherp.Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur.”„Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk en Marietje afschuwelijk onverschillig,” klonk het heftig.Henk trok zijn schouders op.„Ze is weer half gek,” zei hij.„Ikhalf gek,ikhalf gek, jij zelf bent ….”„Is ’t uit, Louise,” viel haar moeder in. „Je bent blijkbaar overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, dat je veel van hem houdt.”Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken te halen.Ze voelde zich geslagen.Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, door aan zijne woorden te denken.Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls gelijk had.Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, nietprikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, dat ze het ’t liefst zou hebben uitgegild.Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste had willen zijn.O, het was om wanhopend onder te worden.„Wies!” galmde Henk’s stem door de gang, „waar blijf je, kom je je werk niet maken?”„Ja, ik kom al.”Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen haar ceintuur.Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te krimpen van verdriet.Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever hadden,haargoed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd naar binnen en ging met zoo’n air aan de tafel zitten, dat Henk het uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze eengevoel van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet beginnen, vond ze.„Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit.”„Ik ben niet moe.”„Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje meepraten, dat is gezellig.”Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.„Ik ben eigenlijk klaar,” zei ze, „ik zat maar zoowat te suffen.”„De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster,” lachte Henk.Wies keek hem boos aan, die jongen met ….Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.„Zou je niet wat breien ondertusschen,” zei haar moeder, „die kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig.”Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide er nu tegenwoordig nog kousen.Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn en nooit met leege handen te zitten.En ons Wiesje deed niets liever.Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spellaten, dat was een genot, een heerlijkheid!Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.„Wat ben je toch gezellig,” merkte Henk op, „als je onder je meisjes bent, heb je ook meer praats.”„Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, maar jij ….”„Wat is het weer veranderd,” viel Moeder ter afleiding in, „vanochtend was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook.”„Ja,” beaamde Henk, „dat zijn zoo van die grillen van onze lieve Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?” voegde hij er, op Marietje wijzend, bij.Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond nu kalm op.„Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig,” zei ze, haar moeder een nachtkus gevend.Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:„Zoo’n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee.”Henk keek bedenkelijk.„Een beetje saai, hè?” zei hij.„Saai?”Zijn moeder keek verwonderd.„Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je dat saai?”„Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders,” plaagde hij.„Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven kindje, altijd geweest trouwens, en ….”„Maar Louise,” viel haar moeder lachend in, terwijl Henk hetuitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.„Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind.”„Arm schaap,” spotte haar broer, maar liet er op volgen:„Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn.”„Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje.”Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.„Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld is, dat vergeet je heelemaal.”„Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me.”„Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren,” plaagde Henk.„Dan hoor ik muziek.”Nu lachte haar moeder hartelijk.„Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar mag je wel aan denken.”Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar breiwerk weer rustig in haar schoot.„Ja, ziet u,” zei ze peinzend, „ik wil wel goed studeeren, ik neem het me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat wou ik.”„Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?”Nu moest Wies zelf lachen.„Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring.”„Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, geef maar hier. Slaap lekker!”Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door al de emoties, die de dag gebracht had.Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.Wat hoorde ze toch?Wat een vreemd gesteun en gekraak.Ze richtte zich in bed op en luisterde.Dat was de wind.En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in te slapen.Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.Wat was dat nu weer?Hagel, het was bepaald noodweer.De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.Met een ruk zat ze overeind.Storm …. en Vader op zee.Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader in dezen storm op zee.Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste spel van den storm.Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan weer de hooge golven over het dek slaan.Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.Hij zou met het schip moeten vergaan.Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet meer los.Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten terugkeeren.Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te groot achten, dat was prachtig!„En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen.”Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan ze gelezen had.Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, wat je moest.O, wat een rukwind!Angstig kroop Wies ineen.„Vadertje, Vadertje,” kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed zittend, haar hoofd voorover gebogen, „was u toch maar bij me.”Weer een stormvlaag.Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader konden ze geen van allen.En de mogelijkheid bestond, met zoo’n storm kon men voor niets instaan, ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, daarna gierde hij nog heviger dan te voren.Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare oogen en kreunde.Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?„O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, wat gebeurt er met u!”Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer onder de hare was, niet weinig ontstellen.Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd het wanhopend gesnik van haar dochtertje.Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag liggen huilen.Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, had ze ergens pijn?Wies schudde heftig van neen.„Wat is er dan?”„Vader, Vader, de storm.”Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen voelde, zei wat ruw:„O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed.”Die woorden werkten als een stortbad.Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.„Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, dwaas kind, dat je bent.”„Niet van kou, van angst,” verbeterde Wies.„Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel.”Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.„Bent u heelemaal niet bang?” fluisterde ze.„Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en niets goed mee.”Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, haar groote angst verdween langzamerhand.„Maar het portret,” fluisterde ze nog.„Welk portret?”„Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen.”„Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?”Wies aarzelde.Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag gezegd had.„Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het glas breekt?”Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe dwazer, kind, ik zal eens goed op je lettenin den eersten tijd en je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer zoo soezerig en onmogelijk.”Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, staarde Wies droomerig voor zich uit.„Ja Moes,” was al wat ze antwoordde.Haar moeder glimlachte.Het leek wel, of ze al half sliep.„Goedennacht dan,” zei ze wat vriendelijker, „en slaap lekker.”Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.„Die Wies,” dacht ze toen, „dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen.”

Derde Hoofdstuk.Derde Hoofdstuk.De storm.Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer gebracht.Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen even blij.De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en …. van het gebroken glas.Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel aannam en netjes op een stoel legde.„Of wil ik het goed liever naar boven brengen,” vroeg ze, „gaat u zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?”„Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het fonteintje wasschen,” zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden haar gladstrijkend.Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde portret.Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.„Wie heeft dat zoo mooi gedaan?” vroeg ze.„Wies,” riep Henk.„Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest,” en zich omkeerende wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog onwillekeurig op het versierde portret viel.Wat was dat?Zag ze dat goed?Liep daar midden over het glas een barst?Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret beschadigd was.Louise’s hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige uitdrukking om haar mond.„De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,” zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, ze zou dan zeker beginnen te schreien.„Willen we nu maar gaan eten,” vroeg haar moeder en gaf zelf het voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.„Zal ik soms daar gaan zitten?” vroeg hij weifelend aan zijn moeder, op den stoel tegenover haar wijzend.Deze knikte toestemmend.„Ja, dat is gezelliger, zoo’n leege stoel maakt zoo’n treurigen indruk,” zei ze zacht.Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.„Is er iets, wou je wat zeggen?” vroeg haar moeder, maar daar Betje juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal samen er een nieuw glas op zouden laten maken.Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het langzaam uit het gezicht verdwenen was.De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was zeer minder bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord tot haar richtte.Henk stootte haar aan.„Luister je niet, naar wat ik vertel?” vroeg haar moeder.Wies keek haar aan en barstte toen los:„Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader meegevoerd werd. O, Moes, Moes!” en haar gezicht in haar servet verbergend, snikte ze het uit.Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar hand op Louise’s schouder legde.„Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn verdriet, dat gaat nu eenmaal niet.”Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm gezicht en rustige manieren.Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, zoo beredeneerd.Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, dan de ander.Waar hadden ze het nu over?Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had alafgedaan, natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij haar, neen, niet bij haar!Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?Nu al lachen!Het was niet om uit te houden.„Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen,” zei ze scherp.Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur.”„Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk en Marietje afschuwelijk onverschillig,” klonk het heftig.Henk trok zijn schouders op.„Ze is weer half gek,” zei hij.„Ikhalf gek,ikhalf gek, jij zelf bent ….”„Is ’t uit, Louise,” viel haar moeder in. „Je bent blijkbaar overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, dat je veel van hem houdt.”Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken te halen.Ze voelde zich geslagen.Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, door aan zijne woorden te denken.Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls gelijk had.Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, nietprikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, dat ze het ’t liefst zou hebben uitgegild.Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste had willen zijn.O, het was om wanhopend onder te worden.„Wies!” galmde Henk’s stem door de gang, „waar blijf je, kom je je werk niet maken?”„Ja, ik kom al.”Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen haar ceintuur.Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te krimpen van verdriet.Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever hadden,haargoed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd naar binnen en ging met zoo’n air aan de tafel zitten, dat Henk het uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze eengevoel van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet beginnen, vond ze.„Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit.”„Ik ben niet moe.”„Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje meepraten, dat is gezellig.”Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.„Ik ben eigenlijk klaar,” zei ze, „ik zat maar zoowat te suffen.”„De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster,” lachte Henk.Wies keek hem boos aan, die jongen met ….Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.„Zou je niet wat breien ondertusschen,” zei haar moeder, „die kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig.”Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide er nu tegenwoordig nog kousen.Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn en nooit met leege handen te zitten.En ons Wiesje deed niets liever.Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spellaten, dat was een genot, een heerlijkheid!Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.„Wat ben je toch gezellig,” merkte Henk op, „als je onder je meisjes bent, heb je ook meer praats.”„Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, maar jij ….”„Wat is het weer veranderd,” viel Moeder ter afleiding in, „vanochtend was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook.”„Ja,” beaamde Henk, „dat zijn zoo van die grillen van onze lieve Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?” voegde hij er, op Marietje wijzend, bij.Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond nu kalm op.„Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig,” zei ze, haar moeder een nachtkus gevend.Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:„Zoo’n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee.”Henk keek bedenkelijk.„Een beetje saai, hè?” zei hij.„Saai?”Zijn moeder keek verwonderd.„Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je dat saai?”„Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders,” plaagde hij.„Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven kindje, altijd geweest trouwens, en ….”„Maar Louise,” viel haar moeder lachend in, terwijl Henk hetuitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.„Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind.”„Arm schaap,” spotte haar broer, maar liet er op volgen:„Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn.”„Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje.”Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.„Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld is, dat vergeet je heelemaal.”„Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me.”„Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren,” plaagde Henk.„Dan hoor ik muziek.”Nu lachte haar moeder hartelijk.„Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar mag je wel aan denken.”Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar breiwerk weer rustig in haar schoot.„Ja, ziet u,” zei ze peinzend, „ik wil wel goed studeeren, ik neem het me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat wou ik.”„Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?”Nu moest Wies zelf lachen.„Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring.”„Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, geef maar hier. Slaap lekker!”Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door al de emoties, die de dag gebracht had.Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.Wat hoorde ze toch?Wat een vreemd gesteun en gekraak.Ze richtte zich in bed op en luisterde.Dat was de wind.En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in te slapen.Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.Wat was dat nu weer?Hagel, het was bepaald noodweer.De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.Met een ruk zat ze overeind.Storm …. en Vader op zee.Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader in dezen storm op zee.Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste spel van den storm.Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan weer de hooge golven over het dek slaan.Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.Hij zou met het schip moeten vergaan.Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet meer los.Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten terugkeeren.Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te groot achten, dat was prachtig!„En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen.”Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan ze gelezen had.Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, wat je moest.O, wat een rukwind!Angstig kroop Wies ineen.„Vadertje, Vadertje,” kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed zittend, haar hoofd voorover gebogen, „was u toch maar bij me.”Weer een stormvlaag.Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader konden ze geen van allen.En de mogelijkheid bestond, met zoo’n storm kon men voor niets instaan, ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, daarna gierde hij nog heviger dan te voren.Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare oogen en kreunde.Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?„O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, wat gebeurt er met u!”Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer onder de hare was, niet weinig ontstellen.Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd het wanhopend gesnik van haar dochtertje.Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag liggen huilen.Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, had ze ergens pijn?Wies schudde heftig van neen.„Wat is er dan?”„Vader, Vader, de storm.”Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen voelde, zei wat ruw:„O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed.”Die woorden werkten als een stortbad.Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.„Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, dwaas kind, dat je bent.”„Niet van kou, van angst,” verbeterde Wies.„Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel.”Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.„Bent u heelemaal niet bang?” fluisterde ze.„Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en niets goed mee.”Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, haar groote angst verdween langzamerhand.„Maar het portret,” fluisterde ze nog.„Welk portret?”„Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen.”„Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?”Wies aarzelde.Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag gezegd had.„Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het glas breekt?”Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe dwazer, kind, ik zal eens goed op je lettenin den eersten tijd en je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer zoo soezerig en onmogelijk.”Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, staarde Wies droomerig voor zich uit.„Ja Moes,” was al wat ze antwoordde.Haar moeder glimlachte.Het leek wel, of ze al half sliep.„Goedennacht dan,” zei ze wat vriendelijker, „en slaap lekker.”Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.„Die Wies,” dacht ze toen, „dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen.”

Derde Hoofdstuk.Derde Hoofdstuk.De storm.

Derde Hoofdstuk.

Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer gebracht.Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen even blij.De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en …. van het gebroken glas.Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel aannam en netjes op een stoel legde.„Of wil ik het goed liever naar boven brengen,” vroeg ze, „gaat u zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?”„Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het fonteintje wasschen,” zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden haar gladstrijkend.Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde portret.Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.„Wie heeft dat zoo mooi gedaan?” vroeg ze.„Wies,” riep Henk.„Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest,” en zich omkeerende wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog onwillekeurig op het versierde portret viel.Wat was dat?Zag ze dat goed?Liep daar midden over het glas een barst?Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret beschadigd was.Louise’s hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige uitdrukking om haar mond.„De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,” zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, ze zou dan zeker beginnen te schreien.„Willen we nu maar gaan eten,” vroeg haar moeder en gaf zelf het voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.„Zal ik soms daar gaan zitten?” vroeg hij weifelend aan zijn moeder, op den stoel tegenover haar wijzend.Deze knikte toestemmend.„Ja, dat is gezelliger, zoo’n leege stoel maakt zoo’n treurigen indruk,” zei ze zacht.Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.„Is er iets, wou je wat zeggen?” vroeg haar moeder, maar daar Betje juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal samen er een nieuw glas op zouden laten maken.Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het langzaam uit het gezicht verdwenen was.De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was zeer minder bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord tot haar richtte.Henk stootte haar aan.„Luister je niet, naar wat ik vertel?” vroeg haar moeder.Wies keek haar aan en barstte toen los:„Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader meegevoerd werd. O, Moes, Moes!” en haar gezicht in haar servet verbergend, snikte ze het uit.Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar hand op Louise’s schouder legde.„Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn verdriet, dat gaat nu eenmaal niet.”Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm gezicht en rustige manieren.Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, zoo beredeneerd.Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, dan de ander.Waar hadden ze het nu over?Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had alafgedaan, natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij haar, neen, niet bij haar!Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?Nu al lachen!Het was niet om uit te houden.„Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen,” zei ze scherp.Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur.”„Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk en Marietje afschuwelijk onverschillig,” klonk het heftig.Henk trok zijn schouders op.„Ze is weer half gek,” zei hij.„Ikhalf gek,ikhalf gek, jij zelf bent ….”„Is ’t uit, Louise,” viel haar moeder in. „Je bent blijkbaar overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, dat je veel van hem houdt.”Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken te halen.Ze voelde zich geslagen.Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, door aan zijne woorden te denken.Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls gelijk had.Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, nietprikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, dat ze het ’t liefst zou hebben uitgegild.Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste had willen zijn.O, het was om wanhopend onder te worden.„Wies!” galmde Henk’s stem door de gang, „waar blijf je, kom je je werk niet maken?”„Ja, ik kom al.”Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen haar ceintuur.Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te krimpen van verdriet.Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever hadden,haargoed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd naar binnen en ging met zoo’n air aan de tafel zitten, dat Henk het uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze eengevoel van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet beginnen, vond ze.„Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit.”„Ik ben niet moe.”„Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje meepraten, dat is gezellig.”Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.„Ik ben eigenlijk klaar,” zei ze, „ik zat maar zoowat te suffen.”„De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster,” lachte Henk.Wies keek hem boos aan, die jongen met ….Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.„Zou je niet wat breien ondertusschen,” zei haar moeder, „die kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig.”Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide er nu tegenwoordig nog kousen.Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn en nooit met leege handen te zitten.En ons Wiesje deed niets liever.Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spellaten, dat was een genot, een heerlijkheid!Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.„Wat ben je toch gezellig,” merkte Henk op, „als je onder je meisjes bent, heb je ook meer praats.”„Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, maar jij ….”„Wat is het weer veranderd,” viel Moeder ter afleiding in, „vanochtend was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook.”„Ja,” beaamde Henk, „dat zijn zoo van die grillen van onze lieve Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?” voegde hij er, op Marietje wijzend, bij.Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond nu kalm op.„Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig,” zei ze, haar moeder een nachtkus gevend.Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:„Zoo’n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee.”Henk keek bedenkelijk.„Een beetje saai, hè?” zei hij.„Saai?”Zijn moeder keek verwonderd.„Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je dat saai?”„Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders,” plaagde hij.„Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven kindje, altijd geweest trouwens, en ….”„Maar Louise,” viel haar moeder lachend in, terwijl Henk hetuitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.„Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind.”„Arm schaap,” spotte haar broer, maar liet er op volgen:„Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn.”„Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje.”Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.„Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld is, dat vergeet je heelemaal.”„Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me.”„Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren,” plaagde Henk.„Dan hoor ik muziek.”Nu lachte haar moeder hartelijk.„Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar mag je wel aan denken.”Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar breiwerk weer rustig in haar schoot.„Ja, ziet u,” zei ze peinzend, „ik wil wel goed studeeren, ik neem het me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat wou ik.”„Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?”Nu moest Wies zelf lachen.„Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring.”„Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, geef maar hier. Slaap lekker!”Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door al de emoties, die de dag gebracht had.Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.Wat hoorde ze toch?Wat een vreemd gesteun en gekraak.Ze richtte zich in bed op en luisterde.Dat was de wind.En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in te slapen.Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.Wat was dat nu weer?Hagel, het was bepaald noodweer.De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.Met een ruk zat ze overeind.Storm …. en Vader op zee.Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader in dezen storm op zee.Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste spel van den storm.Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan weer de hooge golven over het dek slaan.Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.Hij zou met het schip moeten vergaan.Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet meer los.Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten terugkeeren.Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te groot achten, dat was prachtig!„En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen.”Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan ze gelezen had.Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, wat je moest.O, wat een rukwind!Angstig kroop Wies ineen.„Vadertje, Vadertje,” kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed zittend, haar hoofd voorover gebogen, „was u toch maar bij me.”Weer een stormvlaag.Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader konden ze geen van allen.En de mogelijkheid bestond, met zoo’n storm kon men voor niets instaan, ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, daarna gierde hij nog heviger dan te voren.Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare oogen en kreunde.Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?„O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, wat gebeurt er met u!”Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer onder de hare was, niet weinig ontstellen.Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd het wanhopend gesnik van haar dochtertje.Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag liggen huilen.Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, had ze ergens pijn?Wies schudde heftig van neen.„Wat is er dan?”„Vader, Vader, de storm.”Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen voelde, zei wat ruw:„O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed.”Die woorden werkten als een stortbad.Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.„Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, dwaas kind, dat je bent.”„Niet van kou, van angst,” verbeterde Wies.„Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel.”Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.„Bent u heelemaal niet bang?” fluisterde ze.„Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en niets goed mee.”Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, haar groote angst verdween langzamerhand.„Maar het portret,” fluisterde ze nog.„Welk portret?”„Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen.”„Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?”Wies aarzelde.Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag gezegd had.„Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het glas breekt?”Haar moeder keek haar verbaasd aan.„Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe dwazer, kind, ik zal eens goed op je lettenin den eersten tijd en je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer zoo soezerig en onmogelijk.”Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, staarde Wies droomerig voor zich uit.„Ja Moes,” was al wat ze antwoordde.Haar moeder glimlachte.Het leek wel, of ze al half sliep.„Goedennacht dan,” zei ze wat vriendelijker, „en slaap lekker.”Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.„Die Wies,” dacht ze toen, „dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen.”

Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer gebracht.

Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen even blij.

De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en …. van het gebroken glas.

Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel aannam en netjes op een stoel legde.

„Of wil ik het goed liever naar boven brengen,” vroeg ze, „gaat u zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?”

„Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het fonteintje wasschen,” zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden haar gladstrijkend.

Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde portret.

Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.

„Wie heeft dat zoo mooi gedaan?” vroeg ze.

„Wies,” riep Henk.

„Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest,” en zich omkeerende wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog onwillekeurig op het versierde portret viel.

Wat was dat?

Zag ze dat goed?

Liep daar midden over het glas een barst?

Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret beschadigd was.

Louise’s hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.

Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige uitdrukking om haar mond.

„De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing,” zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.

Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, ze zou dan zeker beginnen te schreien.

„Willen we nu maar gaan eten,” vroeg haar moeder en gaf zelf het voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.

Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.

„Zal ik soms daar gaan zitten?” vroeg hij weifelend aan zijn moeder, op den stoel tegenover haar wijzend.

Deze knikte toestemmend.

„Ja, dat is gezelliger, zoo’n leege stoel maakt zoo’n treurigen indruk,” zei ze zacht.

Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.

Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.

„Is er iets, wou je wat zeggen?” vroeg haar moeder, maar daar Betje juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.

Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal samen er een nieuw glas op zouden laten maken.

Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.

Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het langzaam uit het gezicht verdwenen was.

De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.

Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.

Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was zeer minder bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord tot haar richtte.

Henk stootte haar aan.

„Luister je niet, naar wat ik vertel?” vroeg haar moeder.

Wies keek haar aan en barstte toen los:

„Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader meegevoerd werd. O, Moes, Moes!” en haar gezicht in haar servet verbergend, snikte ze het uit.

Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar hand op Louise’s schouder legde.

„Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn verdriet, dat gaat nu eenmaal niet.”

Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.

Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm gezicht en rustige manieren.

Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, zoo beredeneerd.

Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, dan de ander.

Waar hadden ze het nu over?

Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had alafgedaan, natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij haar, neen, niet bij haar!

Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?

Nu al lachen!

Het was niet om uit te houden.

„Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen,” zei ze scherp.

Haar moeder keek haar verbaasd aan.

„Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur.”

„Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk en Marietje afschuwelijk onverschillig,” klonk het heftig.

Henk trok zijn schouders op.

„Ze is weer half gek,” zei hij.

„Ikhalf gek,ikhalf gek, jij zelf bent ….”

„Is ’t uit, Louise,” viel haar moeder in. „Je bent blijkbaar overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, dat je veel van hem houdt.”

Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken te halen.

Ze voelde zich geslagen.

Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, door aan zijne woorden te denken.

Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls gelijk had.

Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, nietprikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.

Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, dat ze het ’t liefst zou hebben uitgegild.

Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste had willen zijn.

O, het was om wanhopend onder te worden.

„Wies!” galmde Henk’s stem door de gang, „waar blijf je, kom je je werk niet maken?”

„Ja, ik kom al.”

Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen haar ceintuur.

Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te krimpen van verdriet.

Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever hadden,haargoed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd naar binnen en ging met zoo’n air aan de tafel zitten, dat Henk het uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.

Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.

Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.

Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze eengevoel van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet beginnen, vond ze.

„Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit.”

„Ik ben niet moe.”

„Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje meepraten, dat is gezellig.”

Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.

„Ik ben eigenlijk klaar,” zei ze, „ik zat maar zoowat te suffen.”

„De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster,” lachte Henk.

Wies keek hem boos aan, die jongen met ….

Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.

Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.

„Zou je niet wat breien ondertusschen,” zei haar moeder, „die kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig.”

Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.

Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide er nu tegenwoordig nog kousen.

Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn en nooit met leege handen te zitten.

En ons Wiesje deed niets liever.

Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spellaten, dat was een genot, een heerlijkheid!

Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.

Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.

„Wat ben je toch gezellig,” merkte Henk op, „als je onder je meisjes bent, heb je ook meer praats.”

„Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, maar jij ….”

„Wat is het weer veranderd,” viel Moeder ter afleiding in, „vanochtend was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook.”

„Ja,” beaamde Henk, „dat zijn zoo van die grillen van onze lieve Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?” voegde hij er, op Marietje wijzend, bij.

Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond nu kalm op.

„Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig,” zei ze, haar moeder een nachtkus gevend.

Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:

„Zoo’n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee.”

Henk keek bedenkelijk.

„Een beetje saai, hè?” zei hij.

„Saai?”

Zijn moeder keek verwonderd.

„Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je dat saai?”

„Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders,” plaagde hij.

„Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven kindje, altijd geweest trouwens, en ….”

„Maar Louise,” viel haar moeder lachend in, terwijl Henk hetuitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.

„Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind.”

„Arm schaap,” spotte haar broer, maar liet er op volgen:

„Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn.”

„Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje.”

Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.

„Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld is, dat vergeet je heelemaal.”

„Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me.”

„Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren,” plaagde Henk.

„Dan hoor ik muziek.”

Nu lachte haar moeder hartelijk.

„Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar mag je wel aan denken.”

Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar breiwerk weer rustig in haar schoot.

„Ja, ziet u,” zei ze peinzend, „ik wil wel goed studeeren, ik neem het me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat wou ik.”

„Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?”

Nu moest Wies zelf lachen.

„Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring.”

„Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, geef maar hier. Slaap lekker!”

Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door al de emoties, die de dag gebracht had.

Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.

Wat hoorde ze toch?

Wat een vreemd gesteun en gekraak.

Ze richtte zich in bed op en luisterde.

Dat was de wind.

En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.

Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.

Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.

Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in te slapen.

Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.

Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.

Wat was dat nu weer?

Hagel, het was bepaald noodweer.

De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.

Met een ruk zat ze overeind.

Storm …. en Vader op zee.

Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader in dezen storm op zee.

Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste spel van den storm.

Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan weer de hooge golven over het dek slaan.

Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.

Hij zou met het schip moeten vergaan.

Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet meer los.

Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten terugkeeren.

Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te groot achten, dat was prachtig!

„En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen.”

Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan ze gelezen had.

Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.

Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, wat je moest.

O, wat een rukwind!

Angstig kroop Wies ineen.

„Vadertje, Vadertje,” kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed zittend, haar hoofd voorover gebogen, „was u toch maar bij me.”

Weer een stormvlaag.

Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.

Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!

O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader konden ze geen van allen.

En de mogelijkheid bestond, met zoo’n storm kon men voor niets instaan, ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.

Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, daarna gierde hij nog heviger dan te voren.

Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.

Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.

Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare oogen en kreunde.

Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?

„O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, wat gebeurt er met u!”

Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.

De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer onder de hare was, niet weinig ontstellen.

Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd het wanhopend gesnik van haar dochtertje.

Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag liggen huilen.

Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, had ze ergens pijn?

Wies schudde heftig van neen.

„Wat is er dan?”

„Vader, Vader, de storm.”

Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen voelde, zei wat ruw:

„O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed.”

Die woorden werkten als een stortbad.

Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.

„Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, dwaas kind, dat je bent.”

„Niet van kou, van angst,” verbeterde Wies.

„Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel.”

Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.

„Bent u heelemaal niet bang?” fluisterde ze.

„Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en niets goed mee.”

Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, haar groote angst verdween langzamerhand.

„Maar het portret,” fluisterde ze nog.

„Welk portret?”

„Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen.”

„Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?”

Wies aarzelde.

Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag gezegd had.

„Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het glas breekt?”

Haar moeder keek haar verbaasd aan.

„Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe dwazer, kind, ik zal eens goed op je lettenin den eersten tijd en je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer zoo soezerig en onmogelijk.”

Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, staarde Wies droomerig voor zich uit.

„Ja Moes,” was al wat ze antwoordde.

Haar moeder glimlachte.

Het leek wel, of ze al half sliep.

„Goedennacht dan,” zei ze wat vriendelijker, „en slaap lekker.”

Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.

„Die Wies,” dacht ze toen, „dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen.”


Back to IndexNext