Vierde Hoofdstuk.

Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.Noodlot of eigen schuld?„Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen.”„Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden.”„Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn,de tuin wordt met lampionsgeïllumineerden er wordt nog een vuurwerkje afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en het is tegenwoordig zulk mooi weer.”„Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo mooi met al die boomen en struiken.”„Ja, ’t is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?”„Als ’k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?”„Goed,” en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, niet zoo heel goed stonden.Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.„Is Moeder in de huiskamer?” vroeg Wies aan Betje, die opendeed.„Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik.”Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, gevolgd door Lottie.Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.„Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu is er een feest, de tuin wordtgeïllumineerd, het zal eenig zijn.”„Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja.”Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje naar het andere.„Dag meisjes,” zei ze kalm. „Wil je even de deur achter je toedoen, Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je mocht komen?”„Ja mevrouw,” zei Lottie, nu heel wat bedaarder.Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.„Ik mag toch, Moes,” drong Wies aan.„Toe ja, mevrouw,” viel Lottie haar bij.Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.„Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.Dus vind ik, dat ze ’s avonds haar tijd aan haar werk moet besteden en niet uit mag gaan.”Lottie keek diep teleurgesteld.Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.„Ze kan vanmiddag werken,” opperde Lottie, „we hebben toch onzen vrijen middag.”„Hè ja, dat kan best,” zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.„We hebben niet heel veel te doen,” voegde Lottie er nog aarzelend bij.Wies keek haar eens aan.Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.Mevrouw Schotter dacht even na.„Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan.”Lottie klapte vroolijk in hare handen.„Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat natuurlijk ook.”„Ze moet eerst nog pianostudeeren.”„O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag mevrouw. Tot vanavond Wies.”Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.„Dag Lot, lekkere dot,” rijmde hij.Lottie worstelde zich los.„Wil je dat wel eens laten, brutale jongen,” gierde ze, hard wegloopend.Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.„Wat moest dat grappige, kleine ding hier?” vroeg hij.„Grappig klein ding,” zei Wies verontwaardigd, „Lot is mijn vriendin en even oud als ik.”„Is die peuter al veertien, och kom!” en Henk trok een ongeloovig gezicht.Zijn zusje vatte vuur.„Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor.”„Echt?” spotte Henk, „maar dan toch een dwergachtige snoes, en ….”„Zou jullie niet eens beginnen,” viel hun moeder in, „me dunkt, dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk.”„Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen heb ik hem even thuis gebracht.”„Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?” fluisterde Wies.„Hou je mond,” mompelde haar broer.Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:„Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen,als de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook.Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze hare vingeroefeningen.Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje de kamer verlaten had en ze dus alleen was.Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die eentonige oefeningen.Nu nog die even saaie gamma’s. Ze begon, maar hare gedachten waren er niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma’s gingen toch immers machinaal, maar nu durfde ze niet.Ze hadden die afschuwelijke regels van deParticipe Passéte herhalen en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, dat Lot zoo mooi vond.Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze dat versje nog zou kunnen opzeggen:De lente was gekomen,De bosschen waren groen,Ik zat heerlijk te droomen,Op een bankje in ’t plantsoen,Daar kwam een kleine elf,Uit een der bloemen gekropen,’t Was ’t bloemengeestje zelf,Dat daar kwam aangeslopen.„Lief meisje,” sprak het ….„Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder dat je ophoudt met je oefeningen?”Verschrikt keerde Wies zich om.Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, dan zooals ze nu deed.„Kind,” zei deze nog, „als je wist, wat het me een verdriet doet, dat je zoo weinig vertrouwbaar bent.”Ontsteld keek Wies haar aan.Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?„Ben ik niet te vertrouwen?” stotterde ze.Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.„Wat noem je het anders,” zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, „als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?”Wies voelde, dat Moeder gelijk had.„Maar ik doe het niet expres,” zei ze zacht.„Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid.”Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op kon zeggen.Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met hen en Marietje te gaan wandelen.Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, om aan hare lessen te beginnen.Wat zou ze eerst doen?Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?Even tellen.Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor zich op tafel, begon ze.1565 Verbond der edelen.Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond meer bij.„Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen gehouden.”Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.Hoe was dat mooie gedicht ook weer?Adieu charmant pays de France,Que je dois tant chérir,Berceau de mon heureux enfanceAdieu, te quitter, c’est mourir.Wat klonk dat toch mooi,charmant pays de France, als de Fransche juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het zoo echt.Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veelliever dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, omdat de andere geen Hollandsch kende.Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer wat zijn, met deParticipe Passé, ze wist er geen woord van en had al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed uurtje en ze kende nog niets.Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, dat zij ze kende.Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.„Even opstaan, me even bewegen,” dacht ze en de daad bij het woord voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te loopen.Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, druk strootjes en veertjes aandragend.Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hunkleine, nog kale lijfjes en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes overging ….Hé, wat was dat?„Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen was.”„Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?”„Klaar?”Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.Henk lachte vroolijk.„Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is.”„Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,” en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.„Daar komt Moeder aan,” zei Henk en liep naar de voordeur om open te doen.Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, dat ze hare lessen voor morgen niet kende.Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan vanavond.Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in den tijd van de feeën leefde en dat ereen was, die haar beschermen wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het maar te herhalen had.„Heb je hoofdpijn, Wies?” vroeg haar moeder, „je bent zoo stil.”„Welneen,” antwoordde Henk voor haar, „ze is alleen maar weer in het rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een stoel te zitten slapen.”Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies raden, waar ze aan dacht.Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.„Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet,” zei ze, „je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten.”„Is ze ook,” beaamde Henk.Zijn moeder keek ontevreden.„Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van meent, maar het klinkt naar.”Zich toen tot Wies wendend:„Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat gaan opknappen.”Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te laten overhooren.De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van de laatste zes kende ze er geen een.Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.„Noem je dat je les kennen?” vroeg ze.Wies schudde van neen.„Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?”Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.„HetParticipe Passé? Goed, begin maar.”Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heelgauw kon ze niet verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, Wies niet naar het feestje te laten gaan.„Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?”Louise’s oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.„Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je lessen niet kent en ze dus over moet leeren.”„Mag ik dat morgenochtend niet doen?”„Natuurlijk niet.”„Moet ik heusch thuis blijven van avond?”„Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog niet kent.”Met deze woorden verliet ze de kamer.Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.„Mijn heerlijk avondje,” steunde ze, „het zou zoo verrukkelijk geweest zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol prettig bij Lottie.”Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte aan wat ze nu misliep.Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze met een ruk rechtop zitten en verklaarde:„Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret mag hebben, werk ik ook niet meer.”Toen wrevelig van zich af schoppend:„Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend kunnen overleeren. Ik kan ’t toch niet helpen, dat ik niet bij die droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet.”Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en een leesboek van het boekenrekje nam.Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad omsloeg.Opeens ging haar een licht op.„Welk boek heb je daar voor je, Louise?” vroeg ze.Wies werd donkerrood.Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet antwoorden.Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg het titelblad op en zag toen Louise aan.Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, die haar steeds strak aankeken.Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna zonder zich te bewegen.Daar verbrak haar moeder de stilte.„Hoe durf je,” was alles, wat ze zei.Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.„En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk dan eens goed over je gedrag na.”Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend had, stond Louise langzaam op.Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.„Goedennacht, Moes,” zei ze zacht.Haar moeder wendde het hoofd af.„Ga nu maar,” zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw een enkele ster.Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele schitterende puntjes.Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij …. zoo slecht.Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, te ellendig, om er verder op te letten.Nuhad ze schuld,nuhad Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres zoo slecht geleerd had.O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis moest blijven om haar lessen over te leeren, stil tegaan zitten lezen, dat was heel erg, dat voelde ze.En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te onrustig geweest.Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar geëischt werd.„Hoe durf je,” had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder gedaan had.Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, hij vertrouwde haar zoo volkomen.„Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren,” zei ze met pathos.Wie lachte daar?Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem hoorde zeggen:„Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven.”Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar overdreven vond.Och, als Vader maar niet zoover weg was!Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.Toen flitste het door haar hoofd.„Het vuurwerk.”Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat het huis van Lottie lag.Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld mocht ze er niet bij zijn.Door haar eigen schuld?Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets misliep.Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die fout, ze gaf er maar altijd aan toe.Dat moest nu anders worden.Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom als niet te veranderen beschouwd had.

Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.Noodlot of eigen schuld?„Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen.”„Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden.”„Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn,de tuin wordt met lampionsgeïllumineerden er wordt nog een vuurwerkje afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en het is tegenwoordig zulk mooi weer.”„Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo mooi met al die boomen en struiken.”„Ja, ’t is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?”„Als ’k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?”„Goed,” en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, niet zoo heel goed stonden.Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.„Is Moeder in de huiskamer?” vroeg Wies aan Betje, die opendeed.„Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik.”Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, gevolgd door Lottie.Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.„Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu is er een feest, de tuin wordtgeïllumineerd, het zal eenig zijn.”„Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja.”Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje naar het andere.„Dag meisjes,” zei ze kalm. „Wil je even de deur achter je toedoen, Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je mocht komen?”„Ja mevrouw,” zei Lottie, nu heel wat bedaarder.Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.„Ik mag toch, Moes,” drong Wies aan.„Toe ja, mevrouw,” viel Lottie haar bij.Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.„Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.Dus vind ik, dat ze ’s avonds haar tijd aan haar werk moet besteden en niet uit mag gaan.”Lottie keek diep teleurgesteld.Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.„Ze kan vanmiddag werken,” opperde Lottie, „we hebben toch onzen vrijen middag.”„Hè ja, dat kan best,” zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.„We hebben niet heel veel te doen,” voegde Lottie er nog aarzelend bij.Wies keek haar eens aan.Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.Mevrouw Schotter dacht even na.„Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan.”Lottie klapte vroolijk in hare handen.„Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat natuurlijk ook.”„Ze moet eerst nog pianostudeeren.”„O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag mevrouw. Tot vanavond Wies.”Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.„Dag Lot, lekkere dot,” rijmde hij.Lottie worstelde zich los.„Wil je dat wel eens laten, brutale jongen,” gierde ze, hard wegloopend.Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.„Wat moest dat grappige, kleine ding hier?” vroeg hij.„Grappig klein ding,” zei Wies verontwaardigd, „Lot is mijn vriendin en even oud als ik.”„Is die peuter al veertien, och kom!” en Henk trok een ongeloovig gezicht.Zijn zusje vatte vuur.„Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor.”„Echt?” spotte Henk, „maar dan toch een dwergachtige snoes, en ….”„Zou jullie niet eens beginnen,” viel hun moeder in, „me dunkt, dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk.”„Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen heb ik hem even thuis gebracht.”„Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?” fluisterde Wies.„Hou je mond,” mompelde haar broer.Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:„Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen,als de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook.Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze hare vingeroefeningen.Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje de kamer verlaten had en ze dus alleen was.Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die eentonige oefeningen.Nu nog die even saaie gamma’s. Ze begon, maar hare gedachten waren er niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma’s gingen toch immers machinaal, maar nu durfde ze niet.Ze hadden die afschuwelijke regels van deParticipe Passéte herhalen en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, dat Lot zoo mooi vond.Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze dat versje nog zou kunnen opzeggen:De lente was gekomen,De bosschen waren groen,Ik zat heerlijk te droomen,Op een bankje in ’t plantsoen,Daar kwam een kleine elf,Uit een der bloemen gekropen,’t Was ’t bloemengeestje zelf,Dat daar kwam aangeslopen.„Lief meisje,” sprak het ….„Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder dat je ophoudt met je oefeningen?”Verschrikt keerde Wies zich om.Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, dan zooals ze nu deed.„Kind,” zei deze nog, „als je wist, wat het me een verdriet doet, dat je zoo weinig vertrouwbaar bent.”Ontsteld keek Wies haar aan.Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?„Ben ik niet te vertrouwen?” stotterde ze.Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.„Wat noem je het anders,” zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, „als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?”Wies voelde, dat Moeder gelijk had.„Maar ik doe het niet expres,” zei ze zacht.„Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid.”Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op kon zeggen.Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met hen en Marietje te gaan wandelen.Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, om aan hare lessen te beginnen.Wat zou ze eerst doen?Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?Even tellen.Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor zich op tafel, begon ze.1565 Verbond der edelen.Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond meer bij.„Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen gehouden.”Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.Hoe was dat mooie gedicht ook weer?Adieu charmant pays de France,Que je dois tant chérir,Berceau de mon heureux enfanceAdieu, te quitter, c’est mourir.Wat klonk dat toch mooi,charmant pays de France, als de Fransche juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het zoo echt.Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veelliever dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, omdat de andere geen Hollandsch kende.Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer wat zijn, met deParticipe Passé, ze wist er geen woord van en had al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed uurtje en ze kende nog niets.Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, dat zij ze kende.Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.„Even opstaan, me even bewegen,” dacht ze en de daad bij het woord voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te loopen.Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, druk strootjes en veertjes aandragend.Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hunkleine, nog kale lijfjes en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes overging ….Hé, wat was dat?„Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen was.”„Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?”„Klaar?”Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.Henk lachte vroolijk.„Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is.”„Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,” en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.„Daar komt Moeder aan,” zei Henk en liep naar de voordeur om open te doen.Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, dat ze hare lessen voor morgen niet kende.Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan vanavond.Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in den tijd van de feeën leefde en dat ereen was, die haar beschermen wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het maar te herhalen had.„Heb je hoofdpijn, Wies?” vroeg haar moeder, „je bent zoo stil.”„Welneen,” antwoordde Henk voor haar, „ze is alleen maar weer in het rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een stoel te zitten slapen.”Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies raden, waar ze aan dacht.Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.„Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet,” zei ze, „je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten.”„Is ze ook,” beaamde Henk.Zijn moeder keek ontevreden.„Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van meent, maar het klinkt naar.”Zich toen tot Wies wendend:„Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat gaan opknappen.”Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te laten overhooren.De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van de laatste zes kende ze er geen een.Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.„Noem je dat je les kennen?” vroeg ze.Wies schudde van neen.„Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?”Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.„HetParticipe Passé? Goed, begin maar.”Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heelgauw kon ze niet verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, Wies niet naar het feestje te laten gaan.„Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?”Louise’s oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.„Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je lessen niet kent en ze dus over moet leeren.”„Mag ik dat morgenochtend niet doen?”„Natuurlijk niet.”„Moet ik heusch thuis blijven van avond?”„Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog niet kent.”Met deze woorden verliet ze de kamer.Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.„Mijn heerlijk avondje,” steunde ze, „het zou zoo verrukkelijk geweest zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol prettig bij Lottie.”Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte aan wat ze nu misliep.Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze met een ruk rechtop zitten en verklaarde:„Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret mag hebben, werk ik ook niet meer.”Toen wrevelig van zich af schoppend:„Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend kunnen overleeren. Ik kan ’t toch niet helpen, dat ik niet bij die droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet.”Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en een leesboek van het boekenrekje nam.Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad omsloeg.Opeens ging haar een licht op.„Welk boek heb je daar voor je, Louise?” vroeg ze.Wies werd donkerrood.Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet antwoorden.Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg het titelblad op en zag toen Louise aan.Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, die haar steeds strak aankeken.Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna zonder zich te bewegen.Daar verbrak haar moeder de stilte.„Hoe durf je,” was alles, wat ze zei.Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.„En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk dan eens goed over je gedrag na.”Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend had, stond Louise langzaam op.Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.„Goedennacht, Moes,” zei ze zacht.Haar moeder wendde het hoofd af.„Ga nu maar,” zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw een enkele ster.Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele schitterende puntjes.Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij …. zoo slecht.Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, te ellendig, om er verder op te letten.Nuhad ze schuld,nuhad Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres zoo slecht geleerd had.O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis moest blijven om haar lessen over te leeren, stil tegaan zitten lezen, dat was heel erg, dat voelde ze.En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te onrustig geweest.Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar geëischt werd.„Hoe durf je,” had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder gedaan had.Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, hij vertrouwde haar zoo volkomen.„Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren,” zei ze met pathos.Wie lachte daar?Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem hoorde zeggen:„Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven.”Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar overdreven vond.Och, als Vader maar niet zoover weg was!Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.Toen flitste het door haar hoofd.„Het vuurwerk.”Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat het huis van Lottie lag.Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld mocht ze er niet bij zijn.Door haar eigen schuld?Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets misliep.Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die fout, ze gaf er maar altijd aan toe.Dat moest nu anders worden.Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom als niet te veranderen beschouwd had.

Vierde Hoofdstuk.Vierde Hoofdstuk.Noodlot of eigen schuld?

Vierde Hoofdstuk.

„Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen.”„Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden.”„Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn,de tuin wordt met lampionsgeïllumineerden er wordt nog een vuurwerkje afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en het is tegenwoordig zulk mooi weer.”„Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo mooi met al die boomen en struiken.”„Ja, ’t is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?”„Als ’k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?”„Goed,” en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, niet zoo heel goed stonden.Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.„Is Moeder in de huiskamer?” vroeg Wies aan Betje, die opendeed.„Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik.”Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, gevolgd door Lottie.Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.„Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu is er een feest, de tuin wordtgeïllumineerd, het zal eenig zijn.”„Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja.”Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje naar het andere.„Dag meisjes,” zei ze kalm. „Wil je even de deur achter je toedoen, Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je mocht komen?”„Ja mevrouw,” zei Lottie, nu heel wat bedaarder.Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.„Ik mag toch, Moes,” drong Wies aan.„Toe ja, mevrouw,” viel Lottie haar bij.Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.„Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.Dus vind ik, dat ze ’s avonds haar tijd aan haar werk moet besteden en niet uit mag gaan.”Lottie keek diep teleurgesteld.Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.„Ze kan vanmiddag werken,” opperde Lottie, „we hebben toch onzen vrijen middag.”„Hè ja, dat kan best,” zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.„We hebben niet heel veel te doen,” voegde Lottie er nog aarzelend bij.Wies keek haar eens aan.Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.Mevrouw Schotter dacht even na.„Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan.”Lottie klapte vroolijk in hare handen.„Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat natuurlijk ook.”„Ze moet eerst nog pianostudeeren.”„O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag mevrouw. Tot vanavond Wies.”Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.„Dag Lot, lekkere dot,” rijmde hij.Lottie worstelde zich los.„Wil je dat wel eens laten, brutale jongen,” gierde ze, hard wegloopend.Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.„Wat moest dat grappige, kleine ding hier?” vroeg hij.„Grappig klein ding,” zei Wies verontwaardigd, „Lot is mijn vriendin en even oud als ik.”„Is die peuter al veertien, och kom!” en Henk trok een ongeloovig gezicht.Zijn zusje vatte vuur.„Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor.”„Echt?” spotte Henk, „maar dan toch een dwergachtige snoes, en ….”„Zou jullie niet eens beginnen,” viel hun moeder in, „me dunkt, dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk.”„Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen heb ik hem even thuis gebracht.”„Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?” fluisterde Wies.„Hou je mond,” mompelde haar broer.Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:„Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen,als de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook.Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze hare vingeroefeningen.Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje de kamer verlaten had en ze dus alleen was.Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die eentonige oefeningen.Nu nog die even saaie gamma’s. Ze begon, maar hare gedachten waren er niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma’s gingen toch immers machinaal, maar nu durfde ze niet.Ze hadden die afschuwelijke regels van deParticipe Passéte herhalen en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, dat Lot zoo mooi vond.Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze dat versje nog zou kunnen opzeggen:De lente was gekomen,De bosschen waren groen,Ik zat heerlijk te droomen,Op een bankje in ’t plantsoen,Daar kwam een kleine elf,Uit een der bloemen gekropen,’t Was ’t bloemengeestje zelf,Dat daar kwam aangeslopen.„Lief meisje,” sprak het ….„Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder dat je ophoudt met je oefeningen?”Verschrikt keerde Wies zich om.Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, dan zooals ze nu deed.„Kind,” zei deze nog, „als je wist, wat het me een verdriet doet, dat je zoo weinig vertrouwbaar bent.”Ontsteld keek Wies haar aan.Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?„Ben ik niet te vertrouwen?” stotterde ze.Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.„Wat noem je het anders,” zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, „als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?”Wies voelde, dat Moeder gelijk had.„Maar ik doe het niet expres,” zei ze zacht.„Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid.”Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op kon zeggen.Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met hen en Marietje te gaan wandelen.Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, om aan hare lessen te beginnen.Wat zou ze eerst doen?Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?Even tellen.Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor zich op tafel, begon ze.1565 Verbond der edelen.Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond meer bij.„Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen gehouden.”Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.Hoe was dat mooie gedicht ook weer?Adieu charmant pays de France,Que je dois tant chérir,Berceau de mon heureux enfanceAdieu, te quitter, c’est mourir.Wat klonk dat toch mooi,charmant pays de France, als de Fransche juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het zoo echt.Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veelliever dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, omdat de andere geen Hollandsch kende.Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer wat zijn, met deParticipe Passé, ze wist er geen woord van en had al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed uurtje en ze kende nog niets.Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, dat zij ze kende.Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.„Even opstaan, me even bewegen,” dacht ze en de daad bij het woord voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te loopen.Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, druk strootjes en veertjes aandragend.Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hunkleine, nog kale lijfjes en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes overging ….Hé, wat was dat?„Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen was.”„Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?”„Klaar?”Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.Henk lachte vroolijk.„Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is.”„Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,” en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.„Daar komt Moeder aan,” zei Henk en liep naar de voordeur om open te doen.Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, dat ze hare lessen voor morgen niet kende.Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan vanavond.Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in den tijd van de feeën leefde en dat ereen was, die haar beschermen wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het maar te herhalen had.„Heb je hoofdpijn, Wies?” vroeg haar moeder, „je bent zoo stil.”„Welneen,” antwoordde Henk voor haar, „ze is alleen maar weer in het rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een stoel te zitten slapen.”Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies raden, waar ze aan dacht.Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.„Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet,” zei ze, „je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten.”„Is ze ook,” beaamde Henk.Zijn moeder keek ontevreden.„Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van meent, maar het klinkt naar.”Zich toen tot Wies wendend:„Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat gaan opknappen.”Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te laten overhooren.De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van de laatste zes kende ze er geen een.Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.„Noem je dat je les kennen?” vroeg ze.Wies schudde van neen.„Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?”Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.„HetParticipe Passé? Goed, begin maar.”Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heelgauw kon ze niet verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, Wies niet naar het feestje te laten gaan.„Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?”Louise’s oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.„Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je lessen niet kent en ze dus over moet leeren.”„Mag ik dat morgenochtend niet doen?”„Natuurlijk niet.”„Moet ik heusch thuis blijven van avond?”„Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog niet kent.”Met deze woorden verliet ze de kamer.Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.„Mijn heerlijk avondje,” steunde ze, „het zou zoo verrukkelijk geweest zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol prettig bij Lottie.”Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte aan wat ze nu misliep.Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze met een ruk rechtop zitten en verklaarde:„Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret mag hebben, werk ik ook niet meer.”Toen wrevelig van zich af schoppend:„Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend kunnen overleeren. Ik kan ’t toch niet helpen, dat ik niet bij die droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet.”Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en een leesboek van het boekenrekje nam.Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad omsloeg.Opeens ging haar een licht op.„Welk boek heb je daar voor je, Louise?” vroeg ze.Wies werd donkerrood.Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet antwoorden.Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg het titelblad op en zag toen Louise aan.Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, die haar steeds strak aankeken.Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna zonder zich te bewegen.Daar verbrak haar moeder de stilte.„Hoe durf je,” was alles, wat ze zei.Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.„En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk dan eens goed over je gedrag na.”Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend had, stond Louise langzaam op.Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.„Goedennacht, Moes,” zei ze zacht.Haar moeder wendde het hoofd af.„Ga nu maar,” zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw een enkele ster.Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele schitterende puntjes.Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij …. zoo slecht.Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, te ellendig, om er verder op te letten.Nuhad ze schuld,nuhad Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres zoo slecht geleerd had.O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis moest blijven om haar lessen over te leeren, stil tegaan zitten lezen, dat was heel erg, dat voelde ze.En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te onrustig geweest.Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar geëischt werd.„Hoe durf je,” had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder gedaan had.Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, hij vertrouwde haar zoo volkomen.„Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren,” zei ze met pathos.Wie lachte daar?Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem hoorde zeggen:„Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven.”Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar overdreven vond.Och, als Vader maar niet zoover weg was!Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.Toen flitste het door haar hoofd.„Het vuurwerk.”Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat het huis van Lottie lag.Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld mocht ze er niet bij zijn.Door haar eigen schuld?Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets misliep.Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die fout, ze gaf er maar altijd aan toe.Dat moest nu anders worden.Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom als niet te veranderen beschouwd had.

„Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen.”

„Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden.”

„Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn,de tuin wordt met lampionsgeïllumineerden er wordt nog een vuurwerkje afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en het is tegenwoordig zulk mooi weer.”

„Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo mooi met al die boomen en struiken.”

„Ja, ’t is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?”

„Als ’k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?”

„Goed,” en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.

Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.

Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, niet zoo heel goed stonden.

Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.

„Is Moeder in de huiskamer?” vroeg Wies aan Betje, die opendeed.

„Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik.”

Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, gevolgd door Lottie.

Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.

„Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu is er een feest, de tuin wordtgeïllumineerd, het zal eenig zijn.”

„Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja.”

Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje naar het andere.

„Dag meisjes,” zei ze kalm. „Wil je even de deur achter je toedoen, Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je mocht komen?”

„Ja mevrouw,” zei Lottie, nu heel wat bedaarder.

Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.

„Ik mag toch, Moes,” drong Wies aan.

„Toe ja, mevrouw,” viel Lottie haar bij.

Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.

„Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.

Dus vind ik, dat ze ’s avonds haar tijd aan haar werk moet besteden en niet uit mag gaan.”

Lottie keek diep teleurgesteld.

Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.

„Ze kan vanmiddag werken,” opperde Lottie, „we hebben toch onzen vrijen middag.”

„Hè ja, dat kan best,” zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.

„We hebben niet heel veel te doen,” voegde Lottie er nog aarzelend bij.

Wies keek haar eens aan.

Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.

Mevrouw Schotter dacht even na.

„Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan.”

Lottie klapte vroolijk in hare handen.

„Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat natuurlijk ook.”

„Ze moet eerst nog pianostudeeren.”

„O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag mevrouw. Tot vanavond Wies.”

Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.

Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.

„Dag Lot, lekkere dot,” rijmde hij.

Lottie worstelde zich los.

„Wil je dat wel eens laten, brutale jongen,” gierde ze, hard wegloopend.

Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.

„Wat moest dat grappige, kleine ding hier?” vroeg hij.

„Grappig klein ding,” zei Wies verontwaardigd, „Lot is mijn vriendin en even oud als ik.”

„Is die peuter al veertien, och kom!” en Henk trok een ongeloovig gezicht.

Zijn zusje vatte vuur.

„Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor.”

„Echt?” spotte Henk, „maar dan toch een dwergachtige snoes, en ….”

„Zou jullie niet eens beginnen,” viel hun moeder in, „me dunkt, dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk.”

„Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen heb ik hem even thuis gebracht.”

„Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?” fluisterde Wies.

„Hou je mond,” mompelde haar broer.

Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:

„Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen,als de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben,” voegde ze er glimlachend bij.

Wies lachte ook.

Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze hare vingeroefeningen.

Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje de kamer verlaten had en ze dus alleen was.

Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die eentonige oefeningen.

Nu nog die even saaie gamma’s. Ze begon, maar hare gedachten waren er niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.

Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma’s gingen toch immers machinaal, maar nu durfde ze niet.

Ze hadden die afschuwelijke regels van deParticipe Passéte herhalen en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, dat Lot zoo mooi vond.

Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze dat versje nog zou kunnen opzeggen:

De lente was gekomen,De bosschen waren groen,Ik zat heerlijk te droomen,Op een bankje in ’t plantsoen,Daar kwam een kleine elf,Uit een der bloemen gekropen,’t Was ’t bloemengeestje zelf,Dat daar kwam aangeslopen.„Lief meisje,” sprak het ….

De lente was gekomen,

De bosschen waren groen,

Ik zat heerlijk te droomen,

Op een bankje in ’t plantsoen,

Daar kwam een kleine elf,

Uit een der bloemen gekropen,

’t Was ’t bloemengeestje zelf,

Dat daar kwam aangeslopen.

„Lief meisje,” sprak het ….

„Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder dat je ophoudt met je oefeningen?”

Verschrikt keerde Wies zich om.

Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.

Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, dan zooals ze nu deed.

„Kind,” zei deze nog, „als je wist, wat het me een verdriet doet, dat je zoo weinig vertrouwbaar bent.”

Ontsteld keek Wies haar aan.

Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?

„Ben ik niet te vertrouwen?” stotterde ze.

Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.

„Wat noem je het anders,” zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, „als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?”

Wies voelde, dat Moeder gelijk had.

„Maar ik doe het niet expres,” zei ze zacht.

„Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid.”

Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op kon zeggen.

Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met hen en Marietje te gaan wandelen.

Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.

Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, om aan hare lessen te beginnen.

Wat zou ze eerst doen?

Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?

Even tellen.

Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.

Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor zich op tafel, begon ze.

1565 Verbond der edelen.

Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond meer bij.

„Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen gehouden.”

Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.

Hoe was dat mooie gedicht ook weer?

Adieu charmant pays de France,Que je dois tant chérir,Berceau de mon heureux enfanceAdieu, te quitter, c’est mourir.

Adieu charmant pays de France,

Que je dois tant chérir,

Berceau de mon heureux enfance

Adieu, te quitter, c’est mourir.

Wat klonk dat toch mooi,charmant pays de France, als de Fransche juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het zoo echt.

Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veelliever dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, omdat de andere geen Hollandsch kende.

Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer wat zijn, met deParticipe Passé, ze wist er geen woord van en had al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.

Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.

Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed uurtje en ze kende nog niets.

Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, dat zij ze kende.

Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.

„Even opstaan, me even bewegen,” dacht ze en de daad bij het woord voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te loopen.

Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, druk strootjes en veertjes aandragend.

Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hunkleine, nog kale lijfjes en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes overging ….

Hé, wat was dat?

„Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen was.”

„Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?”

„Klaar?”

Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.

Henk lachte vroolijk.

„Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is.”

„Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire,” en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.

„Daar komt Moeder aan,” zei Henk en liep naar de voordeur om open te doen.

Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, dat ze hare lessen voor morgen niet kende.

Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.

Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.

Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan vanavond.

Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.

Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in den tijd van de feeën leefde en dat ereen was, die haar beschermen wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het maar te herhalen had.

„Heb je hoofdpijn, Wies?” vroeg haar moeder, „je bent zoo stil.”

„Welneen,” antwoordde Henk voor haar, „ze is alleen maar weer in het rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een stoel te zitten slapen.”

Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies raden, waar ze aan dacht.

Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.

„Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet,” zei ze, „je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten.”

„Is ze ook,” beaamde Henk.

Zijn moeder keek ontevreden.

„Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van meent, maar het klinkt naar.”

Zich toen tot Wies wendend:

„Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat gaan opknappen.”

Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te laten overhooren.

De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van de laatste zes kende ze er geen een.

Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.

„Noem je dat je les kennen?” vroeg ze.

Wies schudde van neen.

„Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?”

Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.

„HetParticipe Passé? Goed, begin maar.”

Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heelgauw kon ze niet verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.

Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.

Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, Wies niet naar het feestje te laten gaan.

„Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?”

Louise’s oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.

„Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je lessen niet kent en ze dus over moet leeren.”

„Mag ik dat morgenochtend niet doen?”

„Natuurlijk niet.”

„Moet ik heusch thuis blijven van avond?”

„Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog niet kent.”

Met deze woorden verliet ze de kamer.

Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.

„Mijn heerlijk avondje,” steunde ze, „het zou zoo verrukkelijk geweest zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol prettig bij Lottie.”

Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte aan wat ze nu misliep.

Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze met een ruk rechtop zitten en verklaarde:

„Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret mag hebben, werk ik ook niet meer.”

Toen wrevelig van zich af schoppend:

„Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend kunnen overleeren. Ik kan ’t toch niet helpen, dat ik niet bij die droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet.”

Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en een leesboek van het boekenrekje nam.

Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.

Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.

Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad omsloeg.

Opeens ging haar een licht op.

„Welk boek heb je daar voor je, Louise?” vroeg ze.

Wies werd donkerrood.

Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.

Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet antwoorden.

Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg het titelblad op en zag toen Louise aan.

Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, die haar steeds strak aankeken.

Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna zonder zich te bewegen.

Daar verbrak haar moeder de stilte.

„Hoe durf je,” was alles, wat ze zei.

Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.

„En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk dan eens goed over je gedrag na.”

Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend had, stond Louise langzaam op.

Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.

„Goedennacht, Moes,” zei ze zacht.

Haar moeder wendde het hoofd af.

„Ga nu maar,” zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.

Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.

Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.

De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw een enkele ster.

Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele schitterende puntjes.

Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij …. zoo slecht.

Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, te ellendig, om er verder op te letten.

Nuhad ze schuld,nuhad Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.

Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres zoo slecht geleerd had.

O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.

Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.

Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.

Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis moest blijven om haar lessen over te leeren, stil tegaan zitten lezen, dat was heel erg, dat voelde ze.

En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te onrustig geweest.

Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar geëischt werd.

„Hoe durf je,” had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.

Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.

Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder gedaan had.

Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?

Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.

Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, hij vertrouwde haar zoo volkomen.

„Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren,” zei ze met pathos.

Wie lachte daar?

Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem hoorde zeggen:

„Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven.”

Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar overdreven vond.

Och, als Vader maar niet zoover weg was!

Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.

Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.

Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.

Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.

Toen flitste het door haar hoofd.

„Het vuurwerk.”

Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat het huis van Lottie lag.

Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.

Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.

Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld mocht ze er niet bij zijn.

Door haar eigen schuld?

Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets misliep.

Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die fout, ze gaf er maar altijd aan toe.

Dat moest nu anders worden.

Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.

En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom als niet te veranderen beschouwd had.


Back to IndexNext