Dertiende Hoofdstuk.

Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.De thuiskomst.Morgen zouden ze weer naar huis gaan.Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke plichten vervullen …. en standjes krijgen.Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, als door een sluier.Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in den mist omringde alle van een stralenkrans.De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagdevormen gaven het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw verlicht venster van een boerenwoning.Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat een heerlijkheid, wat een poëzie!Een heel tijdje stond ze daar en genoot.Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was het mogelijk.Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam naar de diepte.O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden ….Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit,haar sterke verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik doodsbang geweest.Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk ’s avonds niet alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat te pakken.Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer naar de stad.Gelukkig allen te zamen.Dat was bijna anders geweest.Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.Maar gemakkelijk ging dat niet.Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel ernstig aangekeken en gezegd:„Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult.”Dat vreeselijke ooit vergeten?Nooit, nooit.Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets alsof ze haar niet meer vertrouwde.Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, maar thuis had ze niemandMoeder en die vertrouwde haar niet meer.En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel vast voornam, moest je dat toch kunnen.Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo’n gevoel, dat niemand haar helpen zou.Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan was.Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende duisternis haar hevig, ze kreeg zoo’n echt ongelukkig gevoel, alsof er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de oogleden tegen het licht knippend.„Daar is het verloren schaap,” lachte Grootvader, „waar ben je zoolang geweest, je moeder werd al ongerust.”„Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk loopen, op zichzelve kan ze wel passen.”„Onkruid vergaat niet,” beweerde de galante Henk.Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.„Ik maakte me wel ongerust,” zei ze hartelijk.Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels wel weer wat strakker aanhalen.„Het was zoo mooi bij de rivier,” zei Wies, gretig haar kopje thee uitdrinkend, „bepaald sprookjesachtig.”Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, uit haar dagelijksche taal te verbannen.Moeder zei wat scherp:„Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo’n warmen dag ligt er een leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen.”Wies kreeg een kleur.„Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar school te zullen gaan, al was ik ook doodziek.”„Praat nu maar geen onzin,” antwoordde haar moeder.Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.Nu zei hij:„Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken heeft op allerlei gebied.”Wies kreeg tranen in hare oogen.Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen het prettige er weer van weg.En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, dan van haar.„Kijk toch voor je,” snauwde ze, „wat zie je toch aan me, dat je me zoo aanstaart.”„En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen,” zei Grootvader.„Ja maar Marietje ….”Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:„Wiesje.”Louise zweeg en keek strak voor zich.Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar bed ging, dan ze had durven hopen.Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk …. alledaagsch.Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, dat ze dan gaan moesten.„En mijn kindje,” voegde ze er na een laatste omhelzing bij, „ik krijg goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust te maken.”„Neen, schat, ik zal mijn best doen,” beloofde Wies en gingtoen naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, die er haar vlug inhielp en het portier sloot.„Vooruit,” zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en groetende.De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.Wat een thuiskomst!Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.Wies had wel willen huilen van akeligheid.Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier zoo’n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, akelig, ellendig.Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.„Kom,” zei Moeder op geprikkelden toon, „sta daar nu niette suffen, maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en laat Marietje en mij maar sjouwen.”Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar en zenuwachtig door de omstandigheden.„Zet je hoed maar weer op,” beval deze, „en ga even brood halen, de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij.”Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:„Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng ook een paar ons rookvleesch mee.”„En moet er geen boter zijn?” vroeg Marietje, die al druk aan het stof afnemen was.„Dat’s waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik dan meer bestellen.”Wies stond verbluft.„Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat zoo gek.”„Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg.”Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.„Kan Marietje het niet doen?” vroeg ze aarzelend.Maar nu kreeg ze de volle laag.Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van de drukte.Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.„Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is toch duurder.”Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.„Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb,” en ze vloog op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo’n afschuwelijke boodschap, brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de school haar zag.Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur van het harde loopen, aankwam.Gelukkig, dat was alweer voorbij.Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, dat ze nu nog even melk moest gaan halen.„Melk?”„Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben.”„Melk, waar moet ik die halen?”„Bij den slager,” riep Henk achteruit de gang.Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen zacht de straat op de deur achter haar sluitend.Daar stond ze nu.Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nogtwee straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen om niet te morsen.Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar gunstig te zijn.Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan gevuld werd.„Kunt u er niet wat minder in doen?” vroeg ze.„Het is zoo de maat,” zei de winkeljuffrouw.„Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als ’t u blieft wat uit.”Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.„Kunt u zoo?” vroeg ze toen.Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, durfde ze niet.„Onze meid is ziek, ziet u,” voegde ze er, verlegen kleurend bij.„Ja, dat is lastig,” vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes vanboven dicht gevouwen.Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht niet te trekken.Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen vroolijk op haar af.„Dag Wies, ben je terug van buiten?” vroeg Jo, haar hand uitstekend.Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht gehouden moest worden.Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter elkander neer.„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Melk,” lachte Jo, „Wies loopt toch niet met melk rond.”Wies werd rood tot de wortels van hare haren.Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes stonden er om te lachen.„Het is melk,” zei ze benepen.„Och kom,” gierde Jo, „wat moet jij daar mee doen?”Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.„Ja, het is melk,” herhaalde ze,bonne mine à mauvais jeumakend en lachend als een boer, die kiespijn heeft. „Help me in ’s hemelsnaam dat druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,” voegde ze er in één adem bij.„Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn rok eens.”Dien wist raad.Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat was al weer in orde.„Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat over gaan,” klaagde Wies.„Wil ik een rijtuig halen?” spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, ze zou Jo’s zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef engelukkig niets zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de zak was en vond het niet frisch, zoo’n vuilen zakdoek over de kan heen.„Het papier was nat geworden,” zei Wies verlegen.„Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten.”Wies’ eenig antwoord was een zucht.Ze was en bleef Wies Ongeluk.Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.„Als ik maar niets breek,” dacht ze, het was vandaag weer zoo’n echte ongeluksdag.Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes gedaan had.„Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de sla schoon.”„Aardappelen en sla,” herhaalde Wies verschrikt.Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.„Ja, die heb je immers besteld?”„Vergeten,” mompelde Wies.„Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen,” lachte Henk, „want het heele rommeltje staat in de keuken.”Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar stonden zoowel de aardappelen, als de sla.„Daar begrijp ik niets van,” zei ze terugkeerend.„Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen,” antwoordde Moeder. „Toen je om de melk was, had ik zoo’n voorgevoel, dat je de groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan vragen, of je er geweest was.”„Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee gespeeld.Zoo’n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet onbeloond blijven en dus ….”„Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,” verzocht Moeder.Henk aarzelde nog even.„Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik soms ….?”Lieve jongen, toch!„Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een beetje citroensap wel weer in orde maken.”„Hebt u dan citroen?” vroeg Marietje.„Neen, dat ’s waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar niet ongerust hoor.”„Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes,” schertste Wies, „wil je dat soms voor ons doen?”Maar Henk liep lachend weg.„Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,” riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.De middag ging verder rustig voorbij.De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag zoo lang geslapen.Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had gegeven tot zulk een wantrouwen.Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij het raam aan het spelen.Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, toen ze Jan’s stemmetje naast zich hoorde roepen:„Kersjes, mooie kersjes te koop!”Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode balletjes.„Wat heb je daar?” vroeg ze, hem het mandje afnemend.„Kersjes.”Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes van de gordijnfranje waren.„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze ontsteld.„Geplukt van de boomen,” en Jantje wees naar de overgordijnen,waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden in lachen uit.Jantje en Stan schaterden mee.Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.„Zoo’n pret, jongelui,” zei ze opgewekt.Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies’ hand, hare oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:„Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?”„Kersjes geplukt,” verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.„Jou ondeugende jongen,” zei ze, hem bij een armpje schuddend, „hoe krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven.”Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder … nu Moeders lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach dan boosheid.Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.„Dat is een goed werkje voor jou, Wies,” zei ze, „dat moet je maar eens dadelijk netjes gaan doen.”„Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog geen tijd voor gehad.”„Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al zoo weinig kan toevertrouwen.”Henk schoot alweer in een lach.„Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes,” zei hij, „nu eens daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig uitgedacht door zulke jonge hersens.”„Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,” zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling geweest was.Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar opgedragen werkje.Henk rekte zich eens uit.„Daar kom jij weer goed af,” beweerde zijn zusje, „jongens hebben het veel beter in de wereld, dan meisjes.”„Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman toch een zotten kabouter, jij niet?”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als ik iets op me neem, schijnt het mis temoetengaan.”„Ja, als de feeën je verlaten!”„Toe, zanik niet.”Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo’n slecht begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel vervelends gebeurd.Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.

Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.De thuiskomst.Morgen zouden ze weer naar huis gaan.Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke plichten vervullen …. en standjes krijgen.Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, als door een sluier.Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in den mist omringde alle van een stralenkrans.De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagdevormen gaven het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw verlicht venster van een boerenwoning.Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat een heerlijkheid, wat een poëzie!Een heel tijdje stond ze daar en genoot.Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was het mogelijk.Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam naar de diepte.O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden ….Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit,haar sterke verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik doodsbang geweest.Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk ’s avonds niet alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat te pakken.Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer naar de stad.Gelukkig allen te zamen.Dat was bijna anders geweest.Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.Maar gemakkelijk ging dat niet.Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel ernstig aangekeken en gezegd:„Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult.”Dat vreeselijke ooit vergeten?Nooit, nooit.Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets alsof ze haar niet meer vertrouwde.Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, maar thuis had ze niemandMoeder en die vertrouwde haar niet meer.En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel vast voornam, moest je dat toch kunnen.Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo’n gevoel, dat niemand haar helpen zou.Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan was.Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende duisternis haar hevig, ze kreeg zoo’n echt ongelukkig gevoel, alsof er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de oogleden tegen het licht knippend.„Daar is het verloren schaap,” lachte Grootvader, „waar ben je zoolang geweest, je moeder werd al ongerust.”„Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk loopen, op zichzelve kan ze wel passen.”„Onkruid vergaat niet,” beweerde de galante Henk.Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.„Ik maakte me wel ongerust,” zei ze hartelijk.Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels wel weer wat strakker aanhalen.„Het was zoo mooi bij de rivier,” zei Wies, gretig haar kopje thee uitdrinkend, „bepaald sprookjesachtig.”Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, uit haar dagelijksche taal te verbannen.Moeder zei wat scherp:„Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo’n warmen dag ligt er een leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen.”Wies kreeg een kleur.„Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar school te zullen gaan, al was ik ook doodziek.”„Praat nu maar geen onzin,” antwoordde haar moeder.Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.Nu zei hij:„Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken heeft op allerlei gebied.”Wies kreeg tranen in hare oogen.Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen het prettige er weer van weg.En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, dan van haar.„Kijk toch voor je,” snauwde ze, „wat zie je toch aan me, dat je me zoo aanstaart.”„En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen,” zei Grootvader.„Ja maar Marietje ….”Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:„Wiesje.”Louise zweeg en keek strak voor zich.Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar bed ging, dan ze had durven hopen.Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk …. alledaagsch.Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, dat ze dan gaan moesten.„En mijn kindje,” voegde ze er na een laatste omhelzing bij, „ik krijg goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust te maken.”„Neen, schat, ik zal mijn best doen,” beloofde Wies en gingtoen naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, die er haar vlug inhielp en het portier sloot.„Vooruit,” zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en groetende.De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.Wat een thuiskomst!Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.Wies had wel willen huilen van akeligheid.Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier zoo’n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, akelig, ellendig.Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.„Kom,” zei Moeder op geprikkelden toon, „sta daar nu niette suffen, maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en laat Marietje en mij maar sjouwen.”Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar en zenuwachtig door de omstandigheden.„Zet je hoed maar weer op,” beval deze, „en ga even brood halen, de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij.”Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:„Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng ook een paar ons rookvleesch mee.”„En moet er geen boter zijn?” vroeg Marietje, die al druk aan het stof afnemen was.„Dat’s waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik dan meer bestellen.”Wies stond verbluft.„Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat zoo gek.”„Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg.”Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.„Kan Marietje het niet doen?” vroeg ze aarzelend.Maar nu kreeg ze de volle laag.Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van de drukte.Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.„Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is toch duurder.”Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.„Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb,” en ze vloog op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo’n afschuwelijke boodschap, brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de school haar zag.Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur van het harde loopen, aankwam.Gelukkig, dat was alweer voorbij.Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, dat ze nu nog even melk moest gaan halen.„Melk?”„Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben.”„Melk, waar moet ik die halen?”„Bij den slager,” riep Henk achteruit de gang.Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen zacht de straat op de deur achter haar sluitend.Daar stond ze nu.Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nogtwee straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen om niet te morsen.Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar gunstig te zijn.Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan gevuld werd.„Kunt u er niet wat minder in doen?” vroeg ze.„Het is zoo de maat,” zei de winkeljuffrouw.„Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als ’t u blieft wat uit.”Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.„Kunt u zoo?” vroeg ze toen.Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, durfde ze niet.„Onze meid is ziek, ziet u,” voegde ze er, verlegen kleurend bij.„Ja, dat is lastig,” vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes vanboven dicht gevouwen.Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht niet te trekken.Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen vroolijk op haar af.„Dag Wies, ben je terug van buiten?” vroeg Jo, haar hand uitstekend.Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht gehouden moest worden.Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter elkander neer.„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Melk,” lachte Jo, „Wies loopt toch niet met melk rond.”Wies werd rood tot de wortels van hare haren.Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes stonden er om te lachen.„Het is melk,” zei ze benepen.„Och kom,” gierde Jo, „wat moet jij daar mee doen?”Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.„Ja, het is melk,” herhaalde ze,bonne mine à mauvais jeumakend en lachend als een boer, die kiespijn heeft. „Help me in ’s hemelsnaam dat druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,” voegde ze er in één adem bij.„Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn rok eens.”Dien wist raad.Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat was al weer in orde.„Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat over gaan,” klaagde Wies.„Wil ik een rijtuig halen?” spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, ze zou Jo’s zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef engelukkig niets zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de zak was en vond het niet frisch, zoo’n vuilen zakdoek over de kan heen.„Het papier was nat geworden,” zei Wies verlegen.„Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten.”Wies’ eenig antwoord was een zucht.Ze was en bleef Wies Ongeluk.Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.„Als ik maar niets breek,” dacht ze, het was vandaag weer zoo’n echte ongeluksdag.Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes gedaan had.„Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de sla schoon.”„Aardappelen en sla,” herhaalde Wies verschrikt.Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.„Ja, die heb je immers besteld?”„Vergeten,” mompelde Wies.„Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen,” lachte Henk, „want het heele rommeltje staat in de keuken.”Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar stonden zoowel de aardappelen, als de sla.„Daar begrijp ik niets van,” zei ze terugkeerend.„Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen,” antwoordde Moeder. „Toen je om de melk was, had ik zoo’n voorgevoel, dat je de groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan vragen, of je er geweest was.”„Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee gespeeld.Zoo’n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet onbeloond blijven en dus ….”„Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,” verzocht Moeder.Henk aarzelde nog even.„Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik soms ….?”Lieve jongen, toch!„Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een beetje citroensap wel weer in orde maken.”„Hebt u dan citroen?” vroeg Marietje.„Neen, dat ’s waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar niet ongerust hoor.”„Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes,” schertste Wies, „wil je dat soms voor ons doen?”Maar Henk liep lachend weg.„Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,” riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.De middag ging verder rustig voorbij.De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag zoo lang geslapen.Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had gegeven tot zulk een wantrouwen.Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij het raam aan het spelen.Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, toen ze Jan’s stemmetje naast zich hoorde roepen:„Kersjes, mooie kersjes te koop!”Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode balletjes.„Wat heb je daar?” vroeg ze, hem het mandje afnemend.„Kersjes.”Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes van de gordijnfranje waren.„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze ontsteld.„Geplukt van de boomen,” en Jantje wees naar de overgordijnen,waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden in lachen uit.Jantje en Stan schaterden mee.Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.„Zoo’n pret, jongelui,” zei ze opgewekt.Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies’ hand, hare oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:„Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?”„Kersjes geplukt,” verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.„Jou ondeugende jongen,” zei ze, hem bij een armpje schuddend, „hoe krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven.”Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder … nu Moeders lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach dan boosheid.Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.„Dat is een goed werkje voor jou, Wies,” zei ze, „dat moet je maar eens dadelijk netjes gaan doen.”„Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog geen tijd voor gehad.”„Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al zoo weinig kan toevertrouwen.”Henk schoot alweer in een lach.„Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes,” zei hij, „nu eens daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig uitgedacht door zulke jonge hersens.”„Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,” zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling geweest was.Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar opgedragen werkje.Henk rekte zich eens uit.„Daar kom jij weer goed af,” beweerde zijn zusje, „jongens hebben het veel beter in de wereld, dan meisjes.”„Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman toch een zotten kabouter, jij niet?”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als ik iets op me neem, schijnt het mis temoetengaan.”„Ja, als de feeën je verlaten!”„Toe, zanik niet.”Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo’n slecht begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel vervelends gebeurd.Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.

Dertiende Hoofdstuk.Dertiende Hoofdstuk.De thuiskomst.

Dertiende Hoofdstuk.

Morgen zouden ze weer naar huis gaan.Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke plichten vervullen …. en standjes krijgen.Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, als door een sluier.Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in den mist omringde alle van een stralenkrans.De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagdevormen gaven het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw verlicht venster van een boerenwoning.Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat een heerlijkheid, wat een poëzie!Een heel tijdje stond ze daar en genoot.Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was het mogelijk.Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam naar de diepte.O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden ….Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit,haar sterke verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik doodsbang geweest.Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk ’s avonds niet alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat te pakken.Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer naar de stad.Gelukkig allen te zamen.Dat was bijna anders geweest.Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.Maar gemakkelijk ging dat niet.Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel ernstig aangekeken en gezegd:„Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult.”Dat vreeselijke ooit vergeten?Nooit, nooit.Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets alsof ze haar niet meer vertrouwde.Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, maar thuis had ze niemandMoeder en die vertrouwde haar niet meer.En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel vast voornam, moest je dat toch kunnen.Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo’n gevoel, dat niemand haar helpen zou.Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan was.Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende duisternis haar hevig, ze kreeg zoo’n echt ongelukkig gevoel, alsof er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de oogleden tegen het licht knippend.„Daar is het verloren schaap,” lachte Grootvader, „waar ben je zoolang geweest, je moeder werd al ongerust.”„Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk loopen, op zichzelve kan ze wel passen.”„Onkruid vergaat niet,” beweerde de galante Henk.Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.„Ik maakte me wel ongerust,” zei ze hartelijk.Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels wel weer wat strakker aanhalen.„Het was zoo mooi bij de rivier,” zei Wies, gretig haar kopje thee uitdrinkend, „bepaald sprookjesachtig.”Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, uit haar dagelijksche taal te verbannen.Moeder zei wat scherp:„Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo’n warmen dag ligt er een leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen.”Wies kreeg een kleur.„Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar school te zullen gaan, al was ik ook doodziek.”„Praat nu maar geen onzin,” antwoordde haar moeder.Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.Nu zei hij:„Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken heeft op allerlei gebied.”Wies kreeg tranen in hare oogen.Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen het prettige er weer van weg.En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, dan van haar.„Kijk toch voor je,” snauwde ze, „wat zie je toch aan me, dat je me zoo aanstaart.”„En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen,” zei Grootvader.„Ja maar Marietje ….”Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:„Wiesje.”Louise zweeg en keek strak voor zich.Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar bed ging, dan ze had durven hopen.Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk …. alledaagsch.Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, dat ze dan gaan moesten.„En mijn kindje,” voegde ze er na een laatste omhelzing bij, „ik krijg goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust te maken.”„Neen, schat, ik zal mijn best doen,” beloofde Wies en gingtoen naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, die er haar vlug inhielp en het portier sloot.„Vooruit,” zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en groetende.De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.Wat een thuiskomst!Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.Wies had wel willen huilen van akeligheid.Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier zoo’n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, akelig, ellendig.Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.„Kom,” zei Moeder op geprikkelden toon, „sta daar nu niette suffen, maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en laat Marietje en mij maar sjouwen.”Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar en zenuwachtig door de omstandigheden.„Zet je hoed maar weer op,” beval deze, „en ga even brood halen, de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij.”Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:„Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng ook een paar ons rookvleesch mee.”„En moet er geen boter zijn?” vroeg Marietje, die al druk aan het stof afnemen was.„Dat’s waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik dan meer bestellen.”Wies stond verbluft.„Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat zoo gek.”„Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg.”Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.„Kan Marietje het niet doen?” vroeg ze aarzelend.Maar nu kreeg ze de volle laag.Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van de drukte.Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.„Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is toch duurder.”Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.„Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb,” en ze vloog op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo’n afschuwelijke boodschap, brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de school haar zag.Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur van het harde loopen, aankwam.Gelukkig, dat was alweer voorbij.Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, dat ze nu nog even melk moest gaan halen.„Melk?”„Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben.”„Melk, waar moet ik die halen?”„Bij den slager,” riep Henk achteruit de gang.Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen zacht de straat op de deur achter haar sluitend.Daar stond ze nu.Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nogtwee straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen om niet te morsen.Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar gunstig te zijn.Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan gevuld werd.„Kunt u er niet wat minder in doen?” vroeg ze.„Het is zoo de maat,” zei de winkeljuffrouw.„Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als ’t u blieft wat uit.”Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.„Kunt u zoo?” vroeg ze toen.Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, durfde ze niet.„Onze meid is ziek, ziet u,” voegde ze er, verlegen kleurend bij.„Ja, dat is lastig,” vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes vanboven dicht gevouwen.Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht niet te trekken.Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen vroolijk op haar af.„Dag Wies, ben je terug van buiten?” vroeg Jo, haar hand uitstekend.Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht gehouden moest worden.Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter elkander neer.„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Melk,” lachte Jo, „Wies loopt toch niet met melk rond.”Wies werd rood tot de wortels van hare haren.Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes stonden er om te lachen.„Het is melk,” zei ze benepen.„Och kom,” gierde Jo, „wat moet jij daar mee doen?”Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.„Ja, het is melk,” herhaalde ze,bonne mine à mauvais jeumakend en lachend als een boer, die kiespijn heeft. „Help me in ’s hemelsnaam dat druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,” voegde ze er in één adem bij.„Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn rok eens.”Dien wist raad.Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat was al weer in orde.„Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat over gaan,” klaagde Wies.„Wil ik een rijtuig halen?” spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, ze zou Jo’s zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef engelukkig niets zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de zak was en vond het niet frisch, zoo’n vuilen zakdoek over de kan heen.„Het papier was nat geworden,” zei Wies verlegen.„Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten.”Wies’ eenig antwoord was een zucht.Ze was en bleef Wies Ongeluk.Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.„Als ik maar niets breek,” dacht ze, het was vandaag weer zoo’n echte ongeluksdag.Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes gedaan had.„Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de sla schoon.”„Aardappelen en sla,” herhaalde Wies verschrikt.Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.„Ja, die heb je immers besteld?”„Vergeten,” mompelde Wies.„Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen,” lachte Henk, „want het heele rommeltje staat in de keuken.”Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar stonden zoowel de aardappelen, als de sla.„Daar begrijp ik niets van,” zei ze terugkeerend.„Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen,” antwoordde Moeder. „Toen je om de melk was, had ik zoo’n voorgevoel, dat je de groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan vragen, of je er geweest was.”„Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee gespeeld.Zoo’n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet onbeloond blijven en dus ….”„Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,” verzocht Moeder.Henk aarzelde nog even.„Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik soms ….?”Lieve jongen, toch!„Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een beetje citroensap wel weer in orde maken.”„Hebt u dan citroen?” vroeg Marietje.„Neen, dat ’s waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar niet ongerust hoor.”„Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes,” schertste Wies, „wil je dat soms voor ons doen?”Maar Henk liep lachend weg.„Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,” riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.De middag ging verder rustig voorbij.De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag zoo lang geslapen.Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had gegeven tot zulk een wantrouwen.Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij het raam aan het spelen.Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, toen ze Jan’s stemmetje naast zich hoorde roepen:„Kersjes, mooie kersjes te koop!”Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode balletjes.„Wat heb je daar?” vroeg ze, hem het mandje afnemend.„Kersjes.”Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes van de gordijnfranje waren.„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze ontsteld.„Geplukt van de boomen,” en Jantje wees naar de overgordijnen,waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden in lachen uit.Jantje en Stan schaterden mee.Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.„Zoo’n pret, jongelui,” zei ze opgewekt.Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies’ hand, hare oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:„Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?”„Kersjes geplukt,” verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.„Jou ondeugende jongen,” zei ze, hem bij een armpje schuddend, „hoe krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven.”Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder … nu Moeders lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach dan boosheid.Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.„Dat is een goed werkje voor jou, Wies,” zei ze, „dat moet je maar eens dadelijk netjes gaan doen.”„Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog geen tijd voor gehad.”„Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al zoo weinig kan toevertrouwen.”Henk schoot alweer in een lach.„Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes,” zei hij, „nu eens daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig uitgedacht door zulke jonge hersens.”„Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,” zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling geweest was.Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar opgedragen werkje.Henk rekte zich eens uit.„Daar kom jij weer goed af,” beweerde zijn zusje, „jongens hebben het veel beter in de wereld, dan meisjes.”„Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman toch een zotten kabouter, jij niet?”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als ik iets op me neem, schijnt het mis temoetengaan.”„Ja, als de feeën je verlaten!”„Toe, zanik niet.”Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo’n slecht begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel vervelends gebeurd.Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.

Morgen zouden ze weer naar huis gaan.

Dan nog een paar vrije dagen en daarna zou het oude leventje weer beginnen, naar school gaan, lessen leeren, kleine, huishoudelijke plichten vervullen …. en standjes krijgen.

Wies kon een zucht niet onderdrukken, als ze aan dat alles dacht.

Het was een warme Augustusavond en ze was even uitgeloopen, den dijk op, om voor het laatst de rivier nog eens te zien, zooals ze daar lag in de avondschemering. Een grijze mist hing over het water en deed de verschillende lichtjes der schepen geheimzinnig flikkeren, als door een sluier.

Een sleepbootje sleepte vier aaneen gekoppelde schuiten voort, de lantaarns van deze vaartuigen deden hun licht als roode sterren door het grijsachtige waas schitteren en de weerkaatsing van het licht in den mist omringde alle van een stralenkrans.

De boomen aan den overkant doezelden weg, hun vervaagdevormen gaven het geheel iets spookachtigs, een enkele zware tak kwam donker naar voren, als een uitgestrekte arm en daarachter in de verte een flauw verlicht venster van een boerenwoning.

Wies stond heel stil en staarde dat alles aan.

Ze vergat, waarover ze daareven op weg van huis naar den dijk getobd had, ze dacht aan niets dan aan het schoone, dat ze voor zich zag. Wat een heerlijkheid, wat een poëzie!

Een heel tijdje stond ze daar en genoot.

Een beetje griezelig was het ook, die stilte rondom, die geheimzinnige lichtjes, ze zag nu geen schuiten meer, alleen de roode flikkeringen in den zwaarder wordenden damp boven de rivier.

Dat nu niemand anders eens uitliep om dat mooie te zien, hoe was het mogelijk.

Ze wilde eigenlijk, dat ze hier niet alleen stond.

Als het nu eens waar geweest was, wat men in deze waterrijke streek aan de kleine kinderen vertelde, om ze bang te maken en ze zoodoende van het water af te houden. Grootvader had haar vroeger ook dat sprookje wijs gemaakt en vertelde nu nog aan de kleintjes, dat wie wat te dicht bij het water kwam, meegenomen werd door de watervrouw, een lange, donkere gedaante, die oprees uit de rivier en de plassen en met hare lange, dunne armen het ongehoorzame kind omklemde en meenam naar de diepte.

O, ze zag haar voor zich, langzaam opstijgend uit het water, ze wist zeker, dat ze zou moeten blijven staan, hoe graag ze ook weggeloopen zou zijn, want in het bijna doorzichtige gelaat straalden twee oogen, die haar vasthielden, wreede, koude oogen, die haar aantrokken, als die van de slang de duif, ze zag de lange dunne vingers zich naar haar toekrommen, ze grepen den rand van haar rok beet, ze trokken haar naar het water, ze kon geen weerstand bieden ….

Met een rilling ging Wies onwillekeurig een pas achteruit,haar sterke verbeelding had haar weer eens meegesleept, ze was een oogenblik doodsbang geweest.

Kom, ze moest naar huis, ze mocht eigenlijk ’s avonds niet alleen zoover uitloopen, maar ze had de verleiding niet kunnen weerstaan. Enfin, Grootvader zou den laatsten avond wel niet boos op haar zijn en Moes zou haar niet gemist hebben, die had nog wat te pakken.

Dus morgen was het uit met de pret, dan gingen ze allen te zamen weer naar de stad.

Gelukkig allen te zamen.

Dat was bijna anders geweest.

Wies kreeg het benauwd, ze dacht zoo min mogelijk aan de vreeselijke uren, die ze op haar kamer doorleefd had, nu de kleintjes weer vroolijk en wel rondliepen, deed ze haar best die nare gedachten kwijt te raken.

Maar gemakkelijk ging dat niet.

Niemand had haar iets verweten, geen boos woord had ze gehoord, alleen had Grootvader haar dien avond bij het naar bed gaan heel ernstig aangekeken en gezegd:

„Mijn kind, ik denk, dat je deze les wel nooit vergeten zult.”

Dat vreeselijke ooit vergeten?

Nooit, nooit.

Wat Moeder betreft, die had iets vreemds in haar houding tegenover haar. Ze had haar ook niets over de zaak gezegd, waarschijnlijk vond Grootmoeder, dat ze genoeg had doorgemaakt en had zij Moes aangeraden, er niet meer over te spreken, maar Moeder had iets over zich, iets alsof ze haar niet meer vertrouwde.

Ze liet haar geen oogenblik met de kleintjes alleen, ze zei niets, dat was waar, maar de manier, waarop ze de jongens meenam, als ze alleen met haar zouden moeten blijven, drukte meer uit, dan woorden zouden kunnen doen. Hoe zou dat moeten gaan als ze weer thuis was? Hier waren Grootmoeder en Grootvader, die haar een soort steun gaven, maar thuis had ze niemandMoeder en die vertrouwde haar niet meer.

En toch kon ze dat nu wel, ze had zich zoo vast voorgenomen, hare gebreken te overwinnen, anders te worden, als je je zoo iets heel vast voornam, moest je dat toch kunnen.

Moeielijk zou het wel zijn, vreeselijk moeielijk en ze had zoo’n gevoel, dat niemand haar helpen zou.

Ze zag ook zoo op tegen den brief van Vader, het antwoord op haar schrijven, waarin ze zelf had moeten vertellen, dat ze niet overgegaan was.

Alles bij elkaar genomen, zag ze ontzettend op tegen de komende dagen.

Nu ze de lichten op de rivier niet meer zag, drukte de haar omringende duisternis haar hevig, ze kreeg zoo’n echt ongelukkig gevoel, alsof er niets dan zorgen en bezwaren in zicht waren en ze liep hard naar huis, waar het vriendelijke lamplicht haar tegemoet straalde en waar ze de familie gezellig om de theetafel zag zitten.

Ze deed het hek open, liep den tuin door en trad binnen, met de oogleden tegen het licht knippend.

„Daar is het verloren schaap,” lachte Grootvader, „waar ben je zoolang geweest, je moeder werd al ongerust.”

„Ik, Vader? Werkelijk niet, Louise zal niet in zeven slooten te gelijk loopen, op zichzelve kan ze wel passen.”

„Onkruid vergaat niet,” beweerde de galante Henk.

Grootmoeder strekte haar hand naar haar kleindochter uit.

„Ik maakte me wel ongerust,” zei ze hartelijk.

Wies gaf haar een kus en het kanten doekje, dat ze om haar hoofd gehad had in een hoek gooiend, zette ze zich naast haar grootmoeder neer.

Moeder keek ontevreden naar het neergesmeten sjaaltje, maar zweeg. Het was de laatste avond bij haar schoonouders, thuis zou ze de teugels wel weer wat strakker aanhalen.

„Het was zoo mooi bij de rivier,” zei Wies, gretig haar kopje thee uitdrinkend, „bepaald sprookjesachtig.”

Ze schrok, toen ze het gezegd had, ze voelde, dat ze wijs zou doen, voorloopig het woord sprookje en wat er mee in betrekking stond, uit haar dagelijksche taal te verbannen.

Moeder zei wat scherp:

„Ik hoop, dat je geen kou gevat hebt, na zoo’n warmen dag ligt er een leelijke damp op de rivier. Ik zou het al heel onaangenaam vinden, als je ziek werd, nu de school weer gaat beginnen.”

Wies kreeg een kleur.

„Ik zal niet ziek worden, in ieder geval beloof ik u, op tijd naar school te zullen gaan, al was ik ook doodziek.”

„Praat nu maar geen onzin,” antwoordde haar moeder.

Grootvader had dit gesprek stil aangehoord.

Nu zei hij:

„Ik ben er zeker van, dat Louise dit jaar goed zal oppassen en flink werken. Ze is er zelf van overtuigd, dat ze heel wat goed te maken heeft op allerlei gebied.”

Wies kreeg tranen in hare oogen.

Waarom voegde Grootvader er dat nu bij. Ze was al zoo blij geweest, dat hij vertrouwen in haar stelde, maar die laatste woorden namen het prettige er weer van weg.

En Marietje keek haar zoo echt aan, ze verbeeldde zich altijd, dat haar zusje zich haar meerdere voelde, dat vervelende, zoete kind, dat nergens moeite of last mee had en waarvan Moeder meer hield, dan van haar.

„Kijk toch voor je,” snauwde ze, „wat zie je toch aan me, dat je me zoo aanstaart.”

„En dan trachten wat zelfbeheersching te krijgen,” zei Grootvader.

„Ja maar Marietje ….”

Grootmoedertje greep haar hand en zei zacht:

„Wiesje.”

Louise zweeg en keek strak voor zich.

Hare lippen trilden, waarom bedierven ze nu haar laatsten avond hier.

Grootvader stelde voor na de thee een partijtje te sjoelbakken.

Marietje en Wies mochten dan nog wat opblijven en daar Grootmoeder voor het laatst nog eens tracteerde op gebakjes, waarvoor haar keuken beroemd was, konden ze zoodoende een prettig afscheidsfeestje hebben.

Het ging nu verder vroolijk toe, Wies vergat al spoedig, wat haar gehinderd had, ze kon goed sjoelbakken en had geluk ook, dien avond, zoodat ze zelfs den prijs won, die Grootvader gegeven had, een flink pak chocolade. Ze was zoo blij met de overwinning, dat ze de chocolade edelmoedig deelde met Henk en Marietje en vroolijker gestemd naar bed ging, dan ze had durven hopen.

Ze sliep goed, werd opgewekt wakker, maar al spoedig drong het tot haar door, dat ze vandaag weggingen en dat ze afscheid zou moeten nemen van Grootmoedertje en Grootvader. Om Tante gaf ze niet zooveel, die hield van haar kant ook meer van Marietje. Ze kon zich dat wel begrijpen, Marietje was een erg goed kind, ze deed altijd precies, wat ze moest, iedereen vond haar een wonder van braafheid, natuurlijk dat ze liever gevonden werd, dan haar zusje, die nu eenmaal zoo heel anders was. Het gekste was, dat ze niet eens graag heelemaal als Marietje zijn zou, ze had wel veel goeds, maar ze was zoo vreeselijk …. alledaagsch.

Als Moeder dat eens hoorde, gelukkig, dat die geen gedachten lezen kon.

Het afscheid werd onder bittere tranen genomen, Wies hing aan haar Grootmoeders hals en kon haar maar niet loslaten, ze kuste en kuste het lieve gezicht, totdat Grootvader beweerde, dat het meer dan tijd was en Grootmoedertje zelve hare armen losmaakte en zenuwachtig zei, dat ze dan gaan moesten.

„En mijn kindje,” voegde ze er na een laatste omhelzing bij, „ik krijg goede berichten van je, niet waar, ik behoef me niet meer ongerust te maken.”

„Neen, schat, ik zal mijn best doen,” beloofde Wies en gingtoen naar het wachtende rijtuig, een beetje voortgeduwd door Grootvader, die er haar vlug inhielp en het portier sloot.

„Vooruit,” zei hij tot den koetsier en weg reden ze, wuivende en groetende.

De reis liep tamelijk goed van stapel, maar was niet zoo vroolijk, als de heenreis. De kleintjes waren wel wat druk, maar deden toch geen gekke dingen, Henk en Wies hadden het land en waren stil en zelfs Marietje was onder den indruk van het vertrek, het was wel heerlijk buiten bij Grootpa en Grootma en tante Marie liet haar altijd zulke gezellige werkjes doen en prees haar zoo, als ze het goed deed.

De thuiskomst was allervervelendst. Ze kwamen in een huis, dat ruim een maand leeggestaan had, het rook er muf, doordat de ramen zoolang gesloten waren geweest en tot overmaat van ramp vonden ze een briefkaart van Betje, meldende, dat ze ziek was en zeker nog in geen week thuis zou kunnen komen, terwijl Ant, de keukenmeid nog een paar dagen permissie had, omdat er een bruiloft in de familie was.

Mevrouw Schotter wist in de eerste oogenblikken geen raad.

Wat een thuiskomst!

Een huis, waarin in geen weken iets gedaan was, dat wel is waar niet bewoond was geweest, maar waar toch aardig stof lag, geen hulp hoegenaamd en zelfs niets in huis om dien middag te eten.

De afspraak was geweest, dat Betje gelijktijdig met de familie zou thuiskomen, die had dan spoedig het noodige kunnen halen om een eenvoudig middagmaal te kunnen klaarmaken.

Wies had wel willen huilen van akeligheid.

Dan moest je pas uit het prettige huis van Grootvader komen en hier zoo’n somberen boel vinden. De zon hield zich ook schuil vandaag, de lucht zag er uit, of er regen zou komen, alles was triestig, akelig, ellendig.

Een duw in haar rug deed haar uit haar gepeins ontwaken.

„Kom,” zei Moeder op geprikkelden toon, „sta daar nu niette suffen, maar help eens een handje. Je staat daar maar met je goed nog aan en laat Marietje en mij maar sjouwen.”

Machinaal deed Wies haar mantel uit en zette haar hoed af.

Wat een toestand, alles even akelig en Moeder natuurlijk prikkelbaar en zenuwachtig door de omstandigheden.

„Zet je hoed maar weer op,” beval deze, „en ga even brood halen, de kinderen hebben honger en moeten eerst wat eten, dan zullen we ze een uurtje in bed stoppen en hebben we onze handen vrij.”

Toen Wies haar verbaasd aankeek, voegde ze er bij:

„Kom, versta je me niet. Ga gauw brood halen, hier is geld en breng ook een paar ons rookvleesch mee.”

„En moet er geen boter zijn?” vroeg Marietje, die al druk aan het stof afnemen was.

„Dat’s waar ook, breng een half pond boter mee, voor morgen kan ik dan meer bestellen.”

Wies stond verbluft.

„Moet ik brood en boter gaan halen? Hoe kan ik dat nu doen, het staat zoo gek.”

„Niets gek, doe maar gauw, wat ik zeg.”

Wies kreeg alweer tranen in hare oogen. Stel je voor, dat een van de meisjes van school haar daar zag staan boter koopen en brood.

„Kan Marietje het niet doen?” vroeg ze aarzelend.

Maar nu kreeg ze de volle laag.

Moeders opgekropte ontstemming barstte los en Wies moest heel wat hooren over haar onhandigheid, waardoor ze haar niets kon toevertrouwen, dan een boodschap doen, en haar onwilligheid, als ze toch zag, dat alles in de war liep en Moeder geen raad wist van de drukte.

Wies bekeek het geld, dat haar moeder haar gegeven had.

„Dat is toch niet genoeg, om alles van te betalen, rookvleesch is toch duurder.”

Marietje begon te lachen en Moeder haalde hare schouders op.

„Dat moet je natuurlijk laten opschrijven, weet je wat breng ook wat ham mee, die kan dan voor vanmiddag dienen, sla en aardappelen kun je wel gaan bestellen bij den groenteboer op den hoek. Dat is pas voor vanmiddag, maar de rest hebben we nu dadelijk noodig. Haast je maar wat, ik zal blij zijn, als ik de kleintjes in bed heb,” en ze vloog op Stan af, om hem een vaasje af te nemen, dat hij bijna liet vallen.

Wies aarzelde nog even, ze vond het zoo’n afschuwelijke boodschap, brood en boter te gaan halen. Stel je toch voor, dat iemand van de school haar zag.

Maar ze begreep, dat ze gaan moest, ze was er wel de aangewezen persoon voor, want Moeder liet zich altijd liever door Marietje helpen, die zooveel handiger was, dan zij en Henk, ja, Henk was een jongen.

Ze ging dus, schuw omkijkend of niemand haar zag.

Neen, er was niemand, die ze kende, in de straat, haastig deed ze hare boodschappen en vloog weer naar huis, waar ze, met een kleur van het harde loopen, aankwam.

Gelukkig, dat was alweer voorbij.

Maar helaas, zoo kwam ze er niet af.

Moeder deed haar open, zoodra ze gebeld had en nam alles over. Daarna duwde ze haar een zak in de hand, waarin een leeg kannetje en zei, dat ze nu nog even melk moest gaan halen.

„Melk?”

„Ja, melk, de kinderen moeten toch iets te drinken hebben.”

„Melk, waar moet ik die halen?”

„Bij den slager,” riep Henk achteruit de gang.

Wies had geen tijd het scherpe antwoord te geven, dat haar op de tong brandde. Moeder gaf haar een dubbeltje in de hand en duwde haar toen zacht de straat op de deur achter haar sluitend.

Daar stond ze nu.

Ze moest melk halen, dat was nog erger dan brood en boter.

De melkinrichting, die het meest in de buurt lag, was toch nogtwee straten ver en als de kan gevuld was, zou ze voorzichtig moeten loopen om niet te morsen.

Nog schuwer dan straks keek ze rond, maar weer scheen het geluk haar gunstig te zijn.

Ze deed haar boodschap en zag met schrik, dat de kan tot bovenaan gevuld werd.

„Kunt u er niet wat minder in doen?” vroeg ze.

„Het is zoo de maat,” zei de winkeljuffrouw.

„Ja, maar zoo kan ik er niet mee loopen, schep er als ’t u blieft wat uit.”

Glimlachend voldeed de juffrouw aan haar verzoek.

„Kunt u zoo?” vroeg ze toen.

Wies dacht, dat het nu wel gaan zou, er nog meer uit te laten doen, durfde ze niet.

„Onze meid is ziek, ziet u,” voegde ze er, verlegen kleurend bij.

„Ja, dat is lastig,” vond de juffrouw, en hield de deur voor haar open, nadat ze eerst den zak zorgvuldig over de kan getrokken had en netjes vanboven dicht gevouwen.

Voorzichtig liep Wies voort, bang te morsen.

O, lieve deugd, daar kwamen Dien en Jo Verschuur aan, als die haar maar niet zagen, en Wies keek strak voor zich uit, om de aandacht niet te trekken.

Het hielp haar niet, de meisjes kregen haar in het oog en kwamen vroolijk op haar af.

„Dag Wies, ben je terug van buiten?” vroeg Jo, haar hand uitstekend.

Wies had de kan met beide handen vast en maakte nu de eene voorzichtig los, om die van haar kennisje te kunnen drukken. Toen kreeg Dien een beurt en er volgde een druk gesprek over de wederwaardigheden in de vacantie beleefd. Wies raakte in vuur bij het vertellen van het heerlijke huis met den verrukkelijken tuin van hare grootouders en vergat, dat, wat ze in haar hand hield, noodzakelijk heel recht gehouden moest worden.

Onder uit den natgeworden zak drupten de witte melkdruppels achter elkander neer.

„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”

„Melk,” lachte Jo, „Wies loopt toch niet met melk rond.”

Wies werd rood tot de wortels van hare haren.

Wat moest ze beginnen, de melk drupte steeds door en de meisjes stonden er om te lachen.

„Het is melk,” zei ze benepen.

„Och kom,” gierde Jo, „wat moet jij daar mee doen?”

Wies ontdekte juist, dat er een straaltje van het witte vocht op haar rok geloopen was en begreep, dat ze zóó niet kon blijven staan.

„Ja, het is melk,” herhaalde ze,bonne mine à mauvais jeumakend en lachend als een boer, die kiespijn heeft. „Help me in ’s hemelsnaam dat druppelen doen ophouden. Bet is ziek en Ant nog niet thuis en we zijn net aangekomen, ik moest dus wel melk halen, er was niemand anders,” voegde ze er in één adem bij.

„Ik geloof, dat de zak vol melk zit, wat moet ik toch doen, kijk mijn rok eens.”

Dien wist raad.

Ze moesten den zak voorzichtig van de kan aftrekken, Wies moest wat voorover gaan staan, zoo, ja zoo ging het zonder al te veel morsen.

Zie zoo, nu de kan met haar zakdoek afvegen. Had ze er geen? Wacht, Jo zou den hare wel geven. Nu nog haar rok schoonmaken. Mooi, dat was al weer in orde.

„Maar ik kan toch niet met die melkkan in mijn hand verder de straat over gaan,” klaagde Wies.

„Wil ik een rijtuig halen?” spotte Jo, maar Dien wist al weer raad, ze zou Jo’s zakdoek er om heen doen, het was gelukkig een groote, dan zag je zoo niet dat het een melkkan was.

Zoo gebeurde het dus en zonder verdere ongelukken kwam Wies thuis, waar Moeder al niet begrepen had, waar ze bleef engelukkig niets zag van de natte vlekken op haar rok. Alleen vroeg Moeder waar de zak was en vond het niet frisch, zoo’n vuilen zakdoek over de kan heen.

„Het papier was nat geworden,” zei Wies verlegen.

„Altijd even handig. Ga maar naar binnen en let op de kinderen, dan zal ik gauw de melk koken, en kunnen we even een boterham eten.”

Wies’ eenig antwoord was een zucht.

Ze was en bleef Wies Ongeluk.

Toen ze met het maal klaar waren, brachten Moeder en Marietje de kinderen naar bed en moest Wies de bordjes en glazen afwasschen.

„Als ik maar niets breek,” dacht ze, het was vandaag weer zoo’n echte ongeluksdag.

Gelukkig liep de afwasscherij goed af en kreeg ze zelfs een pluimpje, toen Moeder weer beneden kwam, omdat ze het zoo vlug en netjes gedaan had.

„Zie zoo, nu ga ik de aardappels schillen, dan maken jullie samen de sla schoon.”

„Aardappelen en sla,” herhaalde Wies verschrikt.

Die had ze heelemaal vergeten te bestellen.

Haar moeder lachte om haar verschrikt gezicht.

„Ja, die heb je immers besteld?”

„Vergeten,” mompelde Wies.

„Dan hebben je feeën je eindelijk eens geholpen,” lachte Henk, „want het heele rommeltje staat in de keuken.”

Wies liep er heen, om te zien, wat er van waar was en ja hoor, daar stonden zoowel de aardappelen, als de sla.

„Daar begrijp ik niets van,” zei ze terugkeerend.

„Het raadsel is anders gemakkelijk genoeg op te lossen,” antwoordde Moeder. „Toen je om de melk was, had ik zoo’n voorgevoel, dat je de groente vergeten zoudt hebben en dus is Henk nog even voor me gaan vragen, of je er geweest was.”

„Je ziet het, je lijfelijke broeder heeft voor goede fee gespeeld.Zoo’n trouwe verknochtheid aan het feeëngeslacht mocht niet onbeloond blijven en dus ….”

„Toe Henk, loop ons niet zoo in den weg, ga jij maar een beetje naar je kamer, of ga uit, maar denk aan de kleintjes, maak geen leven boven,” verzocht Moeder.

Henk aarzelde nog even.

„Dat aardappelschillen is een vuil werkje voor uw handen, wil ik soms ….?”

Lieve jongen, toch!

„Neen, dank je vent, dat behoeft niet, ik zal mijn handen met een beetje citroensap wel weer in orde maken.”

„Hebt u dan citroen?” vroeg Marietje.

„Neen, dat ’s waar ook, nu dan met een puimsteentje, wees jij maar niet ongerust hoor.”

„Van sla schoonmaken, krijg je ook geen witte handjes,” schertste Wies, „wil je dat soms voor ons doen?”

Maar Henk liep lachend weg.

„Dank je wel, mijn feeschap is geëindigd, de rest mag je zelf doen,” riep hij nog, zijn hoofd door de deur stekend, voor hij verdween.

De middag ging verder rustig voorbij.

De kinderen, vermoeid van de reis, sliepen lang door en Wies, in een goede bui, hielp opgewekt het noodzakelijke werk doen.

Aan tafel speelde Henk voor kellner en bediende, met een servet over den arm en was zoo dwaas en vroolijk, dat Jantje verklaarde, dat hij wou, dat Betje en Ant nooit terugkwamen. De jongens vonden het heerlijk aan tafel mee te mogen eten en precies hetzelfde eten te krijgen, als de groote menschen, zooals ze het uitdrukten.

Na het eten stond Moeder even in beraad, wat nu te doen. Ze wilde liefst met Marietje de vaat gaan omwasschen, maar het was te vroeg voor de kinderen, om alweer naar bed te gaan, ze hadden vanmiddag zoo lang geslapen.

Ze had zich vast voorgenomen, Wies nooit meer met de kleintjes alleen te laten, maar zich door haar doen helpen en Marietje hier laten, deed ze ook niet graag, die was zooveel handiger dan Wies. Het beste zou zijn, Henk te vragen, de kamer niet uit te gaan, met hun tweeën zouden ze toch wel op de kinderen kunnen letten.

Wies voelde zich bepaald gekrenkt, toen Moeder aan Henk vroeg, niet weg te gaan, zoolang ze met Marietje in de keuken was, maar ze durfde niets zeggen, ze was zich helaas bewust, dat ze wel aanleiding had gegeven tot zulk een wantrouwen.

Moeder en Marietje verlieten dus de kamer en Wies begon wat met de kleintjes te spelen, terwijl Henk een deuntje op de ruiten trommelde.

De kinderen wilden toen ook voor de ramen zitten en hielden zich bezig met te kijken naar het spelen van een paar jongens op straat.

Henk kwam bij Wies zitten, om een gezellig praatje te houden en het duurde niet lang, of ze hadden het zoo druk, dat ze niet heel veel op de kinderen letten. Het was ook niet noodig, ze waren zoet bij het raam aan het spelen.

Schaterend over een grap, die Henk vertelde, schrok Wies een beetje, toen ze Jan’s stemmetje naast zich hoorde roepen:

„Kersjes, mooie kersjes te koop!”

Ze keek naar het kind en haar schrik verminderde niet, toen ze het ventje naast zich zag staan met Moeders sleutelmandje in de hand, waarin de sleutels hadden plaats gemaakt voor een heel hoopje roode balletjes.

„Wat heb je daar?” vroeg ze, hem het mandje afnemend.

„Kersjes.”

Wies bekeek de vermeende kersjes en zag, dat het afgeknipte balletjes van de gordijnfranje waren.

„Hoe kom je daaraan?” vroeg ze ontsteld.

„Geplukt van de boomen,” en Jantje wees naar de overgordijnen,waarvan het onderste gedeelte een totaal afgeknipte franje vertoonde.

Een oogenblik keken Henk en Wies elkaar aan en toen barstten beiden in lachen uit.

Jantje en Stan schaterden mee.

Op dat oogenblik kwam Moeder binnen.

„Zoo’n pret, jongelui,” zei ze opgewekt.

Toen zag ze het mandje met de roode balletjes in Wies’ hand, hare oogen dwaalden dadelijk naar de gordijnen en verschrikt vroeg ze:

„Wat is dat? Wat moet dat beteekenen?”

„Kersjes geplukt,” verzekerde Jantje trotsch, die, nu Henk en Wies er zoo om lachten, het gevoel van iets verbodens gedaan te hebben, geheel was kwijt geraakt en zelfs dacht, iets aardigs uitgevoerd te hebben.

Maar Moeder scheen het niets aardig te vinden.

„Jou ondeugende jongen,” zei ze, hem bij een armpje schuddend, „hoe krijg je zoo iets in je hoofd. Mijn heele gordijnen heb je bedorven.”

Jantje keek eensklaps heel schuldig, Wies deed haar best niet te lachen, Henk hikte van ingehouden pret en Moeder … nu Moeders lippen trilden verraderlijk en in hare oogen tintelde ook meer lach dan boosheid.

Ze liep naar de gordijnen en zag, dat het kind de balletjes heel netjes afgeknipt had, ze konden er wel weer aangenaaid worden.

„Dat is een goed werkje voor jou, Wies,” zei ze, „dat moet je maar eens dadelijk netjes gaan doen.”

„Ik had nog naar Lottie willen gaan, daar heb ik den heelen dag nog geen tijd voor gehad.”

„Dat stel je dan maar uit tot morgen. Henk, Henk, dat ik jou ook al zoo weinig kan toevertrouwen.”

Henk schoot alweer in een lach.

„Vindt u het niet eenig verzonnen, Moes,” zei hij, „nu eens daargelaten, dat het vernielen is, is het toch allemachtig grappig uitgedacht door zulke jonge hersens.”

„Als die jonge hersens eens uitdachten, om jouw photographietoestel te vernielen, bijvoorbeeld, denk ik, dat je niet zoo lachen zoudt,” zei Moeder, hare sleutels bij elkaar zoekend en het schaartje, dat ze altijd in haar mandje had en dat het werktuig der vernieling geweest was.

Moeder verliet met de kleintjes de kamer en Wies begon het haar opgedragen werkje.

Henk rekte zich eens uit.

„Daar kom jij weer goed af,” beweerde zijn zusje, „jongens hebben het veel beter in de wereld, dan meisjes.”

„Loop rondom, jullie zijn zeker stumpers hé. Zeg, ik vind Janneman toch een zotten kabouter, jij niet?”

„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”

„Wat is dat?” vroeg Dien, „het lijkt wel melk.”

„Dat wel, maar ik vind het vervelend, dat dit nu weer gebeurd is. Als ik iets op me neem, schijnt het mis temoetengaan.”

„Ja, als de feeën je verlaten!”

„Toe, zanik niet.”

Het kwam er niet heel vriendelijk uit, maar het was ook zoo’n slecht begin geweest vandaag, ze had zich zoo vast voorgenomen, dat er niets meer op haar aan te merken zou zijn en nu was er vandaag weer zooveel vervelends gebeurd.

Enfin, morgen beter, wilde ze maar hopen.


Back to IndexNext