Veertiende Hoofdstuk.Veertiende Hoofdstuk.Worstelen en overwinnen.Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het schoolleven gewend.De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, maar ze had zoo’n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zooonbelangrijk vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.Ze had hem zoo’n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.„Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies,” schreef Vader, „en de eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer onder de 8 is.”Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij dan wel van haar denken.Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, dan verleden jaar.Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet opletten waren ingekomen.Deze keek haar ernstig aan en zweeg.Blijkbaar dacht ze over iets na.Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapportenwaren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:„Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar je hebt niet gewild.”Wies schokte op.„Ikniet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag zitten.”De directrice glimlachte.„Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, dat begrijp ik me niet.”Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze nietkonnalaten aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers meer kreeg.Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar wel gelukt zijn.„Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?” vroeg ze, nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen de directrice te durven zeggen.„Omdat je cijfers daarvoor te laag waren,” was het kalme antwoord.Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging Wies voort:„Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een sterken prikkel noodig,” voegde ze er bij en ineens had ze moeite niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, dat zwijgen was zoo benauwend.„Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je jezelve te kunnen overwinnen.”„Ja juffrouw, dat geloof ik wel.”„Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, met goed te werken?”Wies kleurde.„Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo’n sukkel ben, als ze denken, dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, dat ik tot iets bizonders in staat ben.”„En ben je dat dan?”Weer bloosde Wies.„Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde.”„Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te leggen, om te zien, of je naNieuwjaar in de volgende klasse zoudt kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?”Wies wist niet, of ze goed hoorde.Ze werd donkerrood en stotterde:„Zou dat kunnen?”De directrice glimlachte even om haar ontroering.„Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust heb, het eens te probeeren en je een kans te geven.”Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.„Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, dan is dat werkelijk ietsbijzonders,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.De directrice keek nu weer ernstig.„Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, dat je je krachtenoverschat hebt en zijn we nog even ver.”Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.„Ga nu maar, kind,” zei ze, „en kom dan na vieren bij me, dan zal ik je werk opgeven.”Wies aarzelde nog.„Wat is er? Wilde je nog iets weten?”Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:„Kunnen we het niet geheimhouden?”„Geheimhouden, voor wie?”„Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een verrassing van willen maken.”„Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, want ’s avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je niet door al te grooten ijver ziek wordt,” voegde ze er lachend bij.Wies lachte ook.Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de wereld niet uit zijn.Maar werken zou ze, werken ….„Dan moet Moeder het maar weten,” stemde ze toe, „als ze het dan maar niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen.”„Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan bespreek ik de zaak zelf eens met haar.”Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht van Moeder, toen ze haar de boodschapvan de directrice overbracht.„Heb je weer wat uitgevoerd?” vroeg ze streng.Wies had moeite haar lach in te houden.„Niet dat ik weet, Moeder.”„Waarom moet de juffrouw me dan spreken?”„Dat weet ik niet.”Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.„Als er ernstige klachten zijn,” dacht ze, „dan zal ik dezen keer eens zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, zoo kan het niet langer.”Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, om den toestand te verbeteren.Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo’n jaar zitten blijven niet zoo’n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om haar met alle geweld te laten overgaan.„Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,” legde ze uit.Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.„We kunnen het probeeren.”„Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek en later gaat alles weer zijn oude gangetje.”„Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen,doordat ze afdwaalt of niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?”Mevrouw Schotter knikte toestemmend.„Ja zeker, ik begrijp u.”Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:„Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn.”„O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, datikzoo zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, want het zal een zware dobber voor haar zijn.”„Ik maak me er niet veel illusie van,” en na de directrice nogmaals bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter de school.Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.Maar gemakkelijk ging dat niet.Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar werk haastig afgeroffeldte hebben, door gebrek aan tijd. Moeder was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was me iets, om je op zoo’n middag te moeten bezighouden met die saaie, drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, en het in het bosch nog zoo prachtig was.Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald en niets uitgevoerd.Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, wat daar stond.Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?Datief en Accusatief.O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.Vooruit maar.Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde voor haar gericht, begon ze:„An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen.”Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het verschil in het gebruik was.En ze begon weer: „An, auf …”Even kijken.„An, auf, hinter, neben, zwischen.”Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele mond er naar vertrekken,zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst ….Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen moed begon ze:„An, auf, hinter, neben, in,” en zoo verder, totdat ze wel dacht, dat ze er achter was.Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.Gudrun stand im Schnee am Meere.Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, wie het eigenlijk was. Even kijken.Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze bleef zitten, kreeg ze zoo’n slaap, ’s avonds vooral kon ze soms niet wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de kamer gooide enmet het hoofd op de tafel even uit moest huilen, voor ze weer beginnen kon.Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.Slagen zou ze. Er hing te veel van af.Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan ….Ja, wat dan?Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.„Rust eerst een kwartiertje,” zei haar moeder, haar aanziende, „je ziet er moe uit.”„Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen.”„Dan ben ik er eerder af,” voegde ze er in gedachte bij.Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd zijn van ons Wiesje.
Veertiende Hoofdstuk.Veertiende Hoofdstuk.Worstelen en overwinnen.Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het schoolleven gewend.De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, maar ze had zoo’n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zooonbelangrijk vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.Ze had hem zoo’n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.„Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies,” schreef Vader, „en de eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer onder de 8 is.”Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij dan wel van haar denken.Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, dan verleden jaar.Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet opletten waren ingekomen.Deze keek haar ernstig aan en zweeg.Blijkbaar dacht ze over iets na.Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapportenwaren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:„Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar je hebt niet gewild.”Wies schokte op.„Ikniet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag zitten.”De directrice glimlachte.„Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, dat begrijp ik me niet.”Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze nietkonnalaten aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers meer kreeg.Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar wel gelukt zijn.„Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?” vroeg ze, nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen de directrice te durven zeggen.„Omdat je cijfers daarvoor te laag waren,” was het kalme antwoord.Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging Wies voort:„Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een sterken prikkel noodig,” voegde ze er bij en ineens had ze moeite niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, dat zwijgen was zoo benauwend.„Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je jezelve te kunnen overwinnen.”„Ja juffrouw, dat geloof ik wel.”„Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, met goed te werken?”Wies kleurde.„Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo’n sukkel ben, als ze denken, dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, dat ik tot iets bizonders in staat ben.”„En ben je dat dan?”Weer bloosde Wies.„Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde.”„Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te leggen, om te zien, of je naNieuwjaar in de volgende klasse zoudt kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?”Wies wist niet, of ze goed hoorde.Ze werd donkerrood en stotterde:„Zou dat kunnen?”De directrice glimlachte even om haar ontroering.„Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust heb, het eens te probeeren en je een kans te geven.”Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.„Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, dan is dat werkelijk ietsbijzonders,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.De directrice keek nu weer ernstig.„Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, dat je je krachtenoverschat hebt en zijn we nog even ver.”Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.„Ga nu maar, kind,” zei ze, „en kom dan na vieren bij me, dan zal ik je werk opgeven.”Wies aarzelde nog.„Wat is er? Wilde je nog iets weten?”Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:„Kunnen we het niet geheimhouden?”„Geheimhouden, voor wie?”„Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een verrassing van willen maken.”„Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, want ’s avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je niet door al te grooten ijver ziek wordt,” voegde ze er lachend bij.Wies lachte ook.Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de wereld niet uit zijn.Maar werken zou ze, werken ….„Dan moet Moeder het maar weten,” stemde ze toe, „als ze het dan maar niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen.”„Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan bespreek ik de zaak zelf eens met haar.”Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht van Moeder, toen ze haar de boodschapvan de directrice overbracht.„Heb je weer wat uitgevoerd?” vroeg ze streng.Wies had moeite haar lach in te houden.„Niet dat ik weet, Moeder.”„Waarom moet de juffrouw me dan spreken?”„Dat weet ik niet.”Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.„Als er ernstige klachten zijn,” dacht ze, „dan zal ik dezen keer eens zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, zoo kan het niet langer.”Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, om den toestand te verbeteren.Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo’n jaar zitten blijven niet zoo’n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om haar met alle geweld te laten overgaan.„Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,” legde ze uit.Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.„We kunnen het probeeren.”„Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek en later gaat alles weer zijn oude gangetje.”„Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen,doordat ze afdwaalt of niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?”Mevrouw Schotter knikte toestemmend.„Ja zeker, ik begrijp u.”Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:„Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn.”„O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, datikzoo zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, want het zal een zware dobber voor haar zijn.”„Ik maak me er niet veel illusie van,” en na de directrice nogmaals bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter de school.Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.Maar gemakkelijk ging dat niet.Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar werk haastig afgeroffeldte hebben, door gebrek aan tijd. Moeder was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was me iets, om je op zoo’n middag te moeten bezighouden met die saaie, drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, en het in het bosch nog zoo prachtig was.Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald en niets uitgevoerd.Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, wat daar stond.Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?Datief en Accusatief.O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.Vooruit maar.Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde voor haar gericht, begon ze:„An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen.”Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het verschil in het gebruik was.En ze begon weer: „An, auf …”Even kijken.„An, auf, hinter, neben, zwischen.”Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele mond er naar vertrekken,zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst ….Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen moed begon ze:„An, auf, hinter, neben, in,” en zoo verder, totdat ze wel dacht, dat ze er achter was.Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.Gudrun stand im Schnee am Meere.Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, wie het eigenlijk was. Even kijken.Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze bleef zitten, kreeg ze zoo’n slaap, ’s avonds vooral kon ze soms niet wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de kamer gooide enmet het hoofd op de tafel even uit moest huilen, voor ze weer beginnen kon.Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.Slagen zou ze. Er hing te veel van af.Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan ….Ja, wat dan?Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.„Rust eerst een kwartiertje,” zei haar moeder, haar aanziende, „je ziet er moe uit.”„Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen.”„Dan ben ik er eerder af,” voegde ze er in gedachte bij.Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd zijn van ons Wiesje.
Veertiende Hoofdstuk.Veertiende Hoofdstuk.Worstelen en overwinnen.
Veertiende Hoofdstuk.
Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het schoolleven gewend.De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, maar ze had zoo’n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zooonbelangrijk vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.Ze had hem zoo’n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.„Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies,” schreef Vader, „en de eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer onder de 8 is.”Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij dan wel van haar denken.Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, dan verleden jaar.Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet opletten waren ingekomen.Deze keek haar ernstig aan en zweeg.Blijkbaar dacht ze over iets na.Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapportenwaren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:„Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar je hebt niet gewild.”Wies schokte op.„Ikniet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag zitten.”De directrice glimlachte.„Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, dat begrijp ik me niet.”Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze nietkonnalaten aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers meer kreeg.Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar wel gelukt zijn.„Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?” vroeg ze, nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen de directrice te durven zeggen.„Omdat je cijfers daarvoor te laag waren,” was het kalme antwoord.Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging Wies voort:„Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een sterken prikkel noodig,” voegde ze er bij en ineens had ze moeite niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, dat zwijgen was zoo benauwend.„Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je jezelve te kunnen overwinnen.”„Ja juffrouw, dat geloof ik wel.”„Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, met goed te werken?”Wies kleurde.„Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo’n sukkel ben, als ze denken, dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, dat ik tot iets bizonders in staat ben.”„En ben je dat dan?”Weer bloosde Wies.„Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde.”„Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te leggen, om te zien, of je naNieuwjaar in de volgende klasse zoudt kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?”Wies wist niet, of ze goed hoorde.Ze werd donkerrood en stotterde:„Zou dat kunnen?”De directrice glimlachte even om haar ontroering.„Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust heb, het eens te probeeren en je een kans te geven.”Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.„Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, dan is dat werkelijk ietsbijzonders,” voegde ze er glimlachend bij.Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.De directrice keek nu weer ernstig.„Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, dat je je krachtenoverschat hebt en zijn we nog even ver.”Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.„Ga nu maar, kind,” zei ze, „en kom dan na vieren bij me, dan zal ik je werk opgeven.”Wies aarzelde nog.„Wat is er? Wilde je nog iets weten?”Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:„Kunnen we het niet geheimhouden?”„Geheimhouden, voor wie?”„Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een verrassing van willen maken.”„Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, want ’s avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je niet door al te grooten ijver ziek wordt,” voegde ze er lachend bij.Wies lachte ook.Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de wereld niet uit zijn.Maar werken zou ze, werken ….„Dan moet Moeder het maar weten,” stemde ze toe, „als ze het dan maar niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen.”„Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan bespreek ik de zaak zelf eens met haar.”Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht van Moeder, toen ze haar de boodschapvan de directrice overbracht.„Heb je weer wat uitgevoerd?” vroeg ze streng.Wies had moeite haar lach in te houden.„Niet dat ik weet, Moeder.”„Waarom moet de juffrouw me dan spreken?”„Dat weet ik niet.”Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.„Als er ernstige klachten zijn,” dacht ze, „dan zal ik dezen keer eens zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, zoo kan het niet langer.”Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, om den toestand te verbeteren.Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo’n jaar zitten blijven niet zoo’n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om haar met alle geweld te laten overgaan.„Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,” legde ze uit.Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.„We kunnen het probeeren.”„Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek en later gaat alles weer zijn oude gangetje.”„Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen,doordat ze afdwaalt of niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?”Mevrouw Schotter knikte toestemmend.„Ja zeker, ik begrijp u.”Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:„Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn.”„O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, datikzoo zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, want het zal een zware dobber voor haar zijn.”„Ik maak me er niet veel illusie van,” en na de directrice nogmaals bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter de school.Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.Maar gemakkelijk ging dat niet.Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar werk haastig afgeroffeldte hebben, door gebrek aan tijd. Moeder was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was me iets, om je op zoo’n middag te moeten bezighouden met die saaie, drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, en het in het bosch nog zoo prachtig was.Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald en niets uitgevoerd.Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, wat daar stond.Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?Datief en Accusatief.O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.Vooruit maar.Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde voor haar gericht, begon ze:„An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen.”Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het verschil in het gebruik was.En ze begon weer: „An, auf …”Even kijken.„An, auf, hinter, neben, zwischen.”Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele mond er naar vertrekken,zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst ….Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen moed begon ze:„An, auf, hinter, neben, in,” en zoo verder, totdat ze wel dacht, dat ze er achter was.Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.Gudrun stand im Schnee am Meere.Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, wie het eigenlijk was. Even kijken.Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze bleef zitten, kreeg ze zoo’n slaap, ’s avonds vooral kon ze soms niet wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de kamer gooide enmet het hoofd op de tafel even uit moest huilen, voor ze weer beginnen kon.Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.Slagen zou ze. Er hing te veel van af.Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan ….Ja, wat dan?Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.„Rust eerst een kwartiertje,” zei haar moeder, haar aanziende, „je ziet er moe uit.”„Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen.”„Dan ben ik er eerder af,” voegde ze er in gedachte bij.Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd zijn van ons Wiesje.
Eenige weken waren voorbij gegaan en Wies was alweer aan het schoolleven gewend.
De eerste dag was niet prettig voor haar geweest, ze had het als een vernedering gevoeld, dat ze nu te zamen met al die nieuwe meisjes weer van voren af aan moest beginnen. Misschien verbeeldde ze het zich, maar ze had zoo’n gevoel, dat er onder waren, die haar nieuwsgierig opnamen, haar, het meisje, dat niet mee kon, dat moest blijven zitten.
Het werk was haar in de eerste dagen erg gemakkelijk gevallen en dat had ze wel prettig gevonden, maar toen het nieuwtje er af was, bemerkte ze tot haar schrik, dat ze nog meer moeite had dan verleden jaar, om er bij te blijven, omdat ze telkens dingen hoorde, die ze al wist.
Het was om wanhopend onder te worden, je zoudt zien, ze zou niettegenstaande het gemakkelijke werk nog slechte cijfers krijgen, omdat ze weer onattente fouten maakte en de lessen zooonbelangrijk vond, dat ze haar aandacht er niet bij bepalen kon.
En dan die brief van Vader, die haar zoo bitter had doen schreien.
Ze had hem zoo’n verdriet gedaan, hij schreef, dat hij er zoo vast op vertrouwd had, in het verre land goede berichten van haar te krijgen, dat hij zoo verlangd had naar goede tijding, zoo gehoopt, dat de brieven van Moeder te zwartgallig zouden gebleken zijn. Maar helaas, ze had hem bitter teleurgesteld. Een slecht rapport en daarbij een schrijven van Moeder, dat alles haar eigen schuld was, dat ze gemakkelijk mee had gekund, als ze maar niet altijd zoo onoplettend geweest was en zich zoo weinig moeite gegeven had.
„Je hebt me bepaald verdriet gedaan, Wies,” schreef Vader, „en de eenige manier, waarop je het goed kunt maken, is er voor te zorgen, dat ik spoedig van Moeder hoor, dat ze tevreden over je is en dan met Kerstmis een prachtrapport. Zorg er voor, dat er geen enkel cijfer onder de 8 is.”
Och, die brief had haar zoo ongelukkig gemaakt.
En toen wist Vader nog niet eens, wat er door haar schuld bijna gebeurd was met de kleine jongens, als hij dat hoorde, wat zou hij dan wel van haar denken.
Niets dan achten dus, of negens, aan tienen dacht ze niet eens.
Het zou nooit gaan, ze vond immers het werk nog minder belangwekkend, dan verleden jaar.
Het was heusch niet verstandig geweest, haar te laten zitten, ze zou best de volgende klasse hebben kunnen volgen, vooral nu Grootvader haar zoo heerlijk met de wiskunde geholpen had.
Dat zei ze ook ronduit tegen de directrice, toen deze haar eens bij zich had laten ontbieden, omdat er alweer klachten over haar niet opletten waren ingekomen.
Deze keek haar ernstig aan en zweeg.
Blijkbaar dacht ze over iets na.
Toen nam ze het groote boek uit haar kast, waarin al de rapportenwaren opgeteekend en keek de laatste lijsten van Wies na.
Ze riep haar bij zich en met haar vingers de lage cijfers aanwijzend, die deze rapporten steeds voor vlijt aanteekenden, zei ze:
„Daar zit de knoop. Ik geloof ook, dat je best had mee gekund, maar je hebt niet gewild.”
Wies schokte op.
„Ikniet gewild? Hoe kunt u nu zoo iets zeggen, wie blijft nu graag zitten.”
De directrice glimlachte.
„Je begrijpt me best, kind. En Louise, hoe moet dat gaan, als je nu weer lage cijfers voor vlijt krijgt? Dat je je niet schaamt, dat begrijp ik me niet.”
Wies had moeite zich goed te houden. Ze hield veel van de juffrouw en ze zou haar graag hebben toevertrouwd, dat ze zich zoo vast had voorgenomen haar uiterste best te doen, maar dat ze nietkonnalaten aan wat anders te denken, nu het werk zoo hetzelfde was, als verleden jaar. Als ze haar maar voorwaardelijk hadden laten overgaan, dan zou ze een prikkel gehad hebben om te werken. Het hoogste, wat ze nu bereiken kon, was een goed rapport en dat zou nog als iets heel gewoons beschouwd worden, het sprak immers vanzelf, dat een meisje, dat voor het tweede jaar in dezelfde klasse zat, geen slechte cijfers meer kreeg.
Neen, zij zou iets willen doen, waardoor ze goedmaakte, waardoor ze Vader en Moeder een groote vreugde bereidde, waardoor ze zichzelf ophief. Gewone dingen interesseerden haar nu eenmaal niet genoeg, ze moest voor iets bijzonders hebben kunnen werken, dan zou het haar wel gelukt zijn.
„Waarom heeft u me niet voorwaardelijk laten overgaan?” vroeg ze, nauw verstaanbaar, ze vond zichzelve erg brutaal, dat zoo maar tegen de directrice te durven zeggen.
„Omdat je cijfers daarvoor te laag waren,” was het kalme antwoord.
Ze scheen haar dus niet brutaal te vinden en wat moediger ging Wies voort:
„Als ik goed had kunnen maken, wat ik het vorige jaar verknoeid had, geloof ik, dat me dat wel gelukt zou zijn. Ik heb zoo vreeselijk een sterken prikkel noodig,” voegde ze er bij en ineens had ze moeite niet te lachen, want ze dacht aan haar wensch, een ring te bezitten, die bij elke afdwaling van gedachte haar een prik gaf.
De directrice scheen alweer in gedachten verdiept.
Wies stond, verlegen door de stilte, die op hare woorden gevolgd was, naar den grond te staren, ze wou, dat de juffrouw maar iets zei, dat zwijgen was zoo benauwend.
„Dus een sterken prikkel heb je noodig, als je dien hadt, denk je jezelve te kunnen overwinnen.”
„Ja juffrouw, dat geloof ik wel.”
„Is het geen prikkel genoeg, dat je je ouders plezier zoudt doen, met goed te werken?”
Wies kleurde.
„Ik zou juist Vader zoo heel graag een bizonder pleizier doen. Ik wilde zoo graag toonen, dat ik niet zoo’n sukkel ben, als ze denken, dat, al houd ik vreeselijk veel van mooie dingen, van sprookjes en zoo, ik toch ook wel flink kan zijn. Ik zou zoo dolgraag toonen, dat ik tot iets bizonders in staat ben.”
„En ben je dat dan?”
Weer bloosde Wies.
„Ik geloof het wel. Als ik gelegenheid had, om in te halen en niet dat gevoel, dat ik er nu toch allicht kom, al span ik me niet in, dan zou ik vechten, tot ik was, waar ik wezen wilde.”
„Dat klinkt alles heel mooi, maar zooals je nu eenmaal aangelegd bent en verder geworden, door je weinig verzet tegen je fouten, zou je al heel dapper moeten wezen, wilde je je doel bereiken. Als ik je bijvoorbeeld eens voorstelde, deze drie maanden flink extra te werken en je dan gelegenheid gaf, voor de Kerstvacantie een examentje af te leggen, om te zien, of je naNieuwjaar in de volgende klasse zoudt kunnen komen, denk je, dat die prikkel dan sterk genoeg zou zijn?”
Wies wist niet, of ze goed hoorde.
Ze werd donkerrood en stotterde:
„Zou dat kunnen?”
De directrice glimlachte even om haar ontroering.
„Wat zal ik je zeggen. Zoo iets is nog nooit voorgekomen en ik ben ook niet van plan, daarvan een gewoonte te maken. Maar je schijnt zoo ernstig overtuigd te wezen, dat de uitslag goed zal zijn, dat ik lust heb, het eens te probeeren en je een kans te geven.”
Het liefst was Wies haar om den hals gevlogen, maar het respect hield haar tegen. De blik echter, waarmee ze de directrice aankeek, drukte zooveel dankbaarheid uit, dat deze er volkomen tevreden mee was.
„Goed, we zullen eens zien, waartoe je in staat bent. Als je na Nieuwjaar met volle zeilen kunt binnen varen in de derde klasse, dan is dat werkelijk ietsbijzonders,” voegde ze er glimlachend bij.
Wies lachte ook, een zenuwachtig lachje, ze wist zelf niet, waaraan ze op dit oogenblik meer behoefte had, aan lachen of aan huilen.
De directrice keek nu weer ernstig.
„Je zult heel hard moeten werken, mijn kind, vergeet dat niet. In de eerste plaats zal je er voor moeten zorgen, dat er aan je werk in de klasse niets mankeert, dat je je lessen uitstekend kent en geen onoplettende fouten maakt. Dat zal je niet zoo heel veel moeite kosten, want je kent alles al half, niet waar, maar dan moet je bijwerken voor de derde klasse en dat zal spannen. Je zult heelemaal geen tijd hebben voor je liefhebberijen, weet dat wel. Ik zal je natuurlijk helpen, je kunt iederen middag om vier uur bij me komen, dan bespreken we alles samen en ga ik na, wat je uitvoert. Het is een proef, Louise, of ze slagen zal, hangt van jou af. Als je er niet komt, zal ik denken, dat je je krachtenoverschat hebt en zijn we nog even ver.”
Wies wist van dankbaarheid niet, wat te antwoorden.
Ze stond daar maar met schitterende oogen en een trek om haar mond, dien de directrice nog nooit op haar gezicht gezien had.
„Ga nu maar, kind,” zei ze, „en kom dan na vieren bij me, dan zal ik je werk opgeven.”
Wies aarzelde nog.
„Wat is er? Wilde je nog iets weten?”
Nog even een aarzeling, toen kwam er wat verlegen:
„Kunnen we het niet geheimhouden?”
„Geheimhouden, voor wie?”
„Voor iedereen, voor Moeder bijvoorbeeld. Ik zou er zoo graag een verrassing van willen maken.”
„Dat zal toch niet gaan. Je moeder zal willen weten, waarom je voortaan pas om vijf uur thuiskomt en je zult werkelijk zoo hard moeten werken, dat het haar op zal vallen. Je vrije middagen zal je grootendeels moeten opofferen en een gedeelte van je Zondagen ook, want ’s avonds mag je niet te laat naar bed. Ik moet zorgen, dat je niet door al te grooten ijver ziek wordt,” voegde ze er lachend bij.
Wies lachte ook.
Zij door al te grooten ijver ziek worden, de wonderen zouden dan de wereld niet uit zijn.
Maar werken zou ze, werken ….
„Dan moet Moeder het maar weten,” stemde ze toe, „als ze het dan maar niet aan Vader schrijft, ik zou hem zoo dolgraag willen verrassen.”
„Dat zou ook heerlijk voor je zijn. Weet je wat, vraag aan je moeder, of ze vanmiddag tusschen twee en drie even bij me wil komen, dan bespreek ik de zaak zelf eens met haar.”
Wat had Wies een moeite, om haar opgewondenheid te bedwingen, toen ze dien morgen thuiskwam. Wat had ze een pret in het bedenkelijke gezicht van Moeder, toen ze haar de boodschapvan de directrice overbracht.
„Heb je weer wat uitgevoerd?” vroeg ze streng.
Wies had moeite haar lach in te houden.
„Niet dat ik weet, Moeder.”
„Waarom moet de juffrouw me dan spreken?”
„Dat weet ik niet.”
Dat leugentje ging haar niet erg gemakkelijk af en haar moeder bereidde zich voor, weer heel wat over haar dochter te moeten hooren.
„Als er ernstige klachten zijn,” dacht ze, „dan zal ik dezen keer eens zonder genade zijn. Minstens een maand huisarrest op de vrije dagen, zoo kan het niet langer.”
Toen ze dien middag bij de directrice kwam, was ze niet weinig verbaasd, dat er geen bepaalde klachten waren, alleen een voorstel, om den toestand te verbeteren.
Ze was er minder mee ingenomen, dan de directrice gedacht had, als Louise zorgde, dit jaar over te gaan, was dat al, wat ze verlangde. Toen legde de directrice haar uit, dat het doel niet zoozeer was, om Louise vooruit te duwen, zij ook vond zoo’n jaar zitten blijven niet zoo’n groot bezwaar, maar meer om haar een prikkel te geven, waardoor ze er toe komen zou, haar indolentie en neiging tot afdwalen te overwinnen, meer om haar karakter te verbeteren, dan om haar met alle geweld te laten overgaan.
„Dat vooruitzicht is het middel, niet het eigenlijke doel van de zaak,” legde ze uit.
Nu, dan wilde mevrouw Schotter er zich niet tegen verzetten, maar zij geloofde nog zoo maar niet, dat het gaan zou.
„We kunnen het probeeren.”
„Weet u, wat er gebeuren zal? In de eerste dagen werkt Louise zich half dood, overdreven als ze in alles is, overspant zich, wordt ziek en later gaat alles weer zijn oude gangetje.”
„Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen,doordat ze afdwaalt of niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?”
Mevrouw Schotter knikte toestemmend.
„Ja zeker, ik begrijp u.”
Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:
„Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn.”
„O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, datikzoo zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, want het zal een zware dobber voor haar zijn.”
„Ik maak me er niet veel illusie van,” en na de directrice nogmaals bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter de school.
Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.
Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.
Maar gemakkelijk ging dat niet.
Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar werk haastig afgeroffeldte hebben, door gebrek aan tijd. Moeder was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.
Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.
Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was me iets, om je op zoo’n middag te moeten bezighouden met die saaie, drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, en het in het bosch nog zoo prachtig was.
Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.
Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald en niets uitgevoerd.
Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, wat daar stond.
Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?
Datief en Accusatief.
O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.
Vooruit maar.
Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde voor haar gericht, begon ze:
„An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen.”
Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.
Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het verschil in het gebruik was.
En ze begon weer: „An, auf …”
Even kijken.
„An, auf, hinter, neben, zwischen.”
Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.
Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele mond er naar vertrekken,zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst ….
Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen moed begon ze:
„An, auf, hinter, neben, in,” en zoo verder, totdat ze wel dacht, dat ze er achter was.
Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.
Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.
Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.
Gudrun stand im Schnee am Meere.
Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, wie het eigenlijk was. Even kijken.
Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.
Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.
Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze bleef zitten, kreeg ze zoo’n slaap, ’s avonds vooral kon ze soms niet wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de kamer gooide enmet het hoofd op de tafel even uit moest huilen, voor ze weer beginnen kon.
Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.
Slagen zou ze. Er hing te veel van af.
Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan ….
Ja, wat dan?
Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.
„Rust eerst een kwartiertje,” zei haar moeder, haar aanziende, „je ziet er moe uit.”
„Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen.”
„Dan ben ik er eerder af,” voegde ze er in gedachte bij.
Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.
Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd zijn van ons Wiesje.