Elfde Hoofdstuk.Elfde Hoofdstuk.Het sprookje.Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas ’s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.„Het zal best gaan,” verzekerde Grootmoeder, „ik kan immers bellen, als ik iets noodig heb.”„U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?” vroeg tante Marie dien morgen, „u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, er is zooveel water in de buurt.”„Ik beloof het,” zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?„Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?” vroeg ze.Tante Marie keek verwonderd.„Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen.”„We kunnen haar toch geleiden.”„Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?” voegde ze er aarzelend bij, zich tot haar moeder wendend.„Neen, neen, ik blijf thuis,” haastte deze zich te zeggen, „zoo’n tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag.”Tante Marie keek ontevreden.„Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, ik zou geen oogenblik rust hebben.”Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.„Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het.”Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in haar binnenste.Zouzijthuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen.Dan kon ze met haar naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.Zou ze het doen?Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op dezelfde boerderij zoo’n dolle pret gehad, het was wel hard, daar afstand van te moeten doen.Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun genoegen niet vergallen.Arm Grootmoesje.Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit—ze zou bij haar blijven.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren niet gelooven durfde.Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, van ook wel thuis te willen blijven.Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, die ze zich daar opgelegd had.Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen vertrokken waren.Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar deserre, waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven mond en gesloten oogen.Wies trad voorzichtig nader.„Is daar iemand?” vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.„Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies.”„Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig wegreed?”Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.„Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik ben niet meegegaan, ik blijf bij u.”„Bij mij?”Grootmoeders lippen begonnen te beven.„Ja, lieveling.”„Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten doen.”Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.„Dat hadt je niet moeten doen,” zei ze nog eens, het gezichtje kussend, dat zich tot haar overboog, „ik had werkelijk best alleen kunnen blijven.”Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.„U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf.”„Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag,dat overvalt me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan ook hebben mag. Ik ben heelblij, alleen spijt het me, dat je nu je prettig dagje mist.”„Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer.”„Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk.”Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, vervuld van geuren en van aardige geluiden.„Zoo goed?” vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar grootmoeders rug plaatsend.„Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, heel dankbaar.”Wies kreeg een kleur.„Zeg u er niets meer van, als ’t u blieft,” en op een voetenbankje aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:„Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden gedroomd heb?”„Gedroomd, beste meid?”„Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het raam, ’s avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de schoonheid van zoo’n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, neen, wat ik zag, was heel wat anders.Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, donkere, spookachtige armen.„Maaneffect,” dacht ik, „gewoon de werking van het maanlicht,maar toch …. ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een langen witten baarden daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?”„Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren.”Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest te kunnen halen.„Kinderen,” sprak het mannetje, „er is van avond veel werk te doen. Een paar van jullie moeten naar de stad.”„Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur ’s nachts kunnen we ons niet aan de menschen vertoonen,” vroeg een bijzonder klein ventje.„Natuurlijk niet, kleine wijsneus,” antwoordde de aanvoerder, „dat behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert mijn kroon niet in de maneschijn?”En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.„Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet,” ging het koninkje voort, „en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij watze op het oogenblik doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar te hebben, vóór ze naar school ging, ze denvolgendenZondag niet naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls enalsze vroeg op is, komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?”De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes de aarde aanraakten.„Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning,” vroeg een hunner met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een dun glas tikte.De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, dat sprak.„Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt.”Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.„Goliath,” herhaalde hij, „wie is dat?”De koning lachte.„Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens bestaan, veel grooter nog dan de menschen.”Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende boomen.„Zoo groot wel, als die eik?” vroeg hij rillend.„O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk dus maar niet zoo benauwd. In het ergste gevalzou ik er toch zijn, om je te beschermen.”Het ventje lachte witjes.De koning zag dat en werd rood van boosheid.„Jou kleine schelm,” riep hij uit, met zijn voetje op den grond stampend, „geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend.”„En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood,” waagde het ventje aan te vullen.De koning fronste zijn wenkbrauwen.„Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast,” beval hij, „hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou mogen twijfelen.”Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi gekleurden paddenstoel.Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, dat het nauwelijks te hooren was.„Stel je voor,ikbang voor een reus,” bromde nog de koning in zijn baard.Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:„En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde.”„Niets,” piepte het ventje.De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de banden knelden.„Laat me dan eerst vrij,” smeekte het.„Eerst moet ik hooren, wat je wilde.”„Mag ik dan daarna los?”„De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal je slecht bekomen.”Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.Hij begon dus te spreken.„Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk geen enkele fout in.”„Dat spreekt vanzelf.”„En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik geloof niet, dat zoo’n meisje geen fouten in haar werk maakt.”„Daar had hij gelijk aan,” merkte Grootmoeder glimlachend op.Wies lachte ook.„U ziet, dat zoo’n kaboutertje de plank niet ver mis slaat,” zei ze.Toen vervolgde ze:„De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig vraagstuk op moest lossen.Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge wijsheid beslissen zou.„Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een uitweg te vinden.”Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.Niemand zei echter iets.Het gezicht van den koning klaarde op.Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, hetoplossen van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening openbaar maakte.Wat piepte daar zoo?Het geluid kwam van onder den paddenstoel.„Ik weet de oplossing.”„Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden.”„Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen ….”„Wat zou je zeggen?”„Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten.”Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje op, alsof hij barsten wilde en riep schel:„Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed ….”De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. „Sluit de gelederen aan,” gilde hij toen, „sluit allen om mij heen, bescherm uw koning!”Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op den grond vallen en verscholen onder de dorre bladerenen in het gras, kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.„Help, help,” gilde hij in zijn wanhoop.En daar kwam hulp.De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen der boomen, hare dunne armen boven hun hoofdenrekkend, spookachtig verlicht door het schijnsel der maan.Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het angstig den omtrek.Was er nog gevaar?Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er dan niemand om hem los te maken?De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam en vroeg verbaasd. „Wie schreeuwt daar zoo?”„Och help me, help me, maak mijn banden los,” smeekte een fijn stemmetje.De tor kroop naar den rand en keek er overheen.Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken wijd open, wat bij haar lachen was.„Hebben ze je vastgebonden?” vroeg ze, „waarom, wat heb je gedaan?” en meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.„Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?”„Aan majesteitschennis,” piepte het mannetje.De tor keek ernstig.„Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend,” en ze deed, alsof ze weg wilde gaan.„Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven moet, ga ik zeker dood.”De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo grappig in zijn angst.Toen zei ze goedmoedig:„Dat zou zonde zijn van zoo’n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden met je hebben en je banden doorbijten,” en de daad bij het woord voegend, bevrijdde zij den kleinen man.Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:„Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen.”De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor het goede, dat hun overkwam.”Wies zweeg.Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen haar knieën leunde.Toen vroeg ze glimlachend:„En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?”„Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar partijtje missen.”Grootmoeder lachte.„Daar was ik wel bang voor.”Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie zou ze het hebben durven vertellen.„Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?”„Ja, gedroomd, weet u,” lachte Wies.Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.„Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar ….”„Wat maar?”„Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?”Wies werd heel rood.„Ik had er al een beetje over gedacht, ’s avonds, alleen maarover een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien avond klaar te komen,” voegde ze er met een verlegen lachje bij.Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.„Kind, kind,” zei ze toen zacht, Wies’ hand grijpend, „ik voorzie nog zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet.”Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van den toestand mislukten immers.Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf.”Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.„U maakt me bang,” zei ze bevend.Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.„Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te zullen doen?”„Ja, Grootmoeder, ja.”„Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig.”Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoederswoorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was een genot voor haar.Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.
Elfde Hoofdstuk.Elfde Hoofdstuk.Het sprookje.Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas ’s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.„Het zal best gaan,” verzekerde Grootmoeder, „ik kan immers bellen, als ik iets noodig heb.”„U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?” vroeg tante Marie dien morgen, „u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, er is zooveel water in de buurt.”„Ik beloof het,” zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?„Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?” vroeg ze.Tante Marie keek verwonderd.„Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen.”„We kunnen haar toch geleiden.”„Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?” voegde ze er aarzelend bij, zich tot haar moeder wendend.„Neen, neen, ik blijf thuis,” haastte deze zich te zeggen, „zoo’n tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag.”Tante Marie keek ontevreden.„Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, ik zou geen oogenblik rust hebben.”Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.„Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het.”Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in haar binnenste.Zouzijthuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen.Dan kon ze met haar naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.Zou ze het doen?Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op dezelfde boerderij zoo’n dolle pret gehad, het was wel hard, daar afstand van te moeten doen.Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun genoegen niet vergallen.Arm Grootmoesje.Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit—ze zou bij haar blijven.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren niet gelooven durfde.Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, van ook wel thuis te willen blijven.Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, die ze zich daar opgelegd had.Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen vertrokken waren.Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar deserre, waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven mond en gesloten oogen.Wies trad voorzichtig nader.„Is daar iemand?” vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.„Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies.”„Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig wegreed?”Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.„Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik ben niet meegegaan, ik blijf bij u.”„Bij mij?”Grootmoeders lippen begonnen te beven.„Ja, lieveling.”„Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten doen.”Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.„Dat hadt je niet moeten doen,” zei ze nog eens, het gezichtje kussend, dat zich tot haar overboog, „ik had werkelijk best alleen kunnen blijven.”Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.„U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf.”„Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag,dat overvalt me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan ook hebben mag. Ik ben heelblij, alleen spijt het me, dat je nu je prettig dagje mist.”„Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer.”„Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk.”Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, vervuld van geuren en van aardige geluiden.„Zoo goed?” vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar grootmoeders rug plaatsend.„Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, heel dankbaar.”Wies kreeg een kleur.„Zeg u er niets meer van, als ’t u blieft,” en op een voetenbankje aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:„Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden gedroomd heb?”„Gedroomd, beste meid?”„Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het raam, ’s avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de schoonheid van zoo’n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, neen, wat ik zag, was heel wat anders.Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, donkere, spookachtige armen.„Maaneffect,” dacht ik, „gewoon de werking van het maanlicht,maar toch …. ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een langen witten baarden daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?”„Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren.”Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest te kunnen halen.„Kinderen,” sprak het mannetje, „er is van avond veel werk te doen. Een paar van jullie moeten naar de stad.”„Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur ’s nachts kunnen we ons niet aan de menschen vertoonen,” vroeg een bijzonder klein ventje.„Natuurlijk niet, kleine wijsneus,” antwoordde de aanvoerder, „dat behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert mijn kroon niet in de maneschijn?”En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.„Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet,” ging het koninkje voort, „en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij watze op het oogenblik doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar te hebben, vóór ze naar school ging, ze denvolgendenZondag niet naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls enalsze vroeg op is, komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?”De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes de aarde aanraakten.„Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning,” vroeg een hunner met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een dun glas tikte.De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, dat sprak.„Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt.”Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.„Goliath,” herhaalde hij, „wie is dat?”De koning lachte.„Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens bestaan, veel grooter nog dan de menschen.”Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende boomen.„Zoo groot wel, als die eik?” vroeg hij rillend.„O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk dus maar niet zoo benauwd. In het ergste gevalzou ik er toch zijn, om je te beschermen.”Het ventje lachte witjes.De koning zag dat en werd rood van boosheid.„Jou kleine schelm,” riep hij uit, met zijn voetje op den grond stampend, „geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend.”„En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood,” waagde het ventje aan te vullen.De koning fronste zijn wenkbrauwen.„Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast,” beval hij, „hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou mogen twijfelen.”Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi gekleurden paddenstoel.Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, dat het nauwelijks te hooren was.„Stel je voor,ikbang voor een reus,” bromde nog de koning in zijn baard.Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:„En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde.”„Niets,” piepte het ventje.De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de banden knelden.„Laat me dan eerst vrij,” smeekte het.„Eerst moet ik hooren, wat je wilde.”„Mag ik dan daarna los?”„De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal je slecht bekomen.”Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.Hij begon dus te spreken.„Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk geen enkele fout in.”„Dat spreekt vanzelf.”„En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik geloof niet, dat zoo’n meisje geen fouten in haar werk maakt.”„Daar had hij gelijk aan,” merkte Grootmoeder glimlachend op.Wies lachte ook.„U ziet, dat zoo’n kaboutertje de plank niet ver mis slaat,” zei ze.Toen vervolgde ze:„De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig vraagstuk op moest lossen.Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge wijsheid beslissen zou.„Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een uitweg te vinden.”Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.Niemand zei echter iets.Het gezicht van den koning klaarde op.Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, hetoplossen van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening openbaar maakte.Wat piepte daar zoo?Het geluid kwam van onder den paddenstoel.„Ik weet de oplossing.”„Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden.”„Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen ….”„Wat zou je zeggen?”„Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten.”Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje op, alsof hij barsten wilde en riep schel:„Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed ….”De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. „Sluit de gelederen aan,” gilde hij toen, „sluit allen om mij heen, bescherm uw koning!”Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op den grond vallen en verscholen onder de dorre bladerenen in het gras, kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.„Help, help,” gilde hij in zijn wanhoop.En daar kwam hulp.De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen der boomen, hare dunne armen boven hun hoofdenrekkend, spookachtig verlicht door het schijnsel der maan.Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het angstig den omtrek.Was er nog gevaar?Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er dan niemand om hem los te maken?De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam en vroeg verbaasd. „Wie schreeuwt daar zoo?”„Och help me, help me, maak mijn banden los,” smeekte een fijn stemmetje.De tor kroop naar den rand en keek er overheen.Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken wijd open, wat bij haar lachen was.„Hebben ze je vastgebonden?” vroeg ze, „waarom, wat heb je gedaan?” en meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.„Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?”„Aan majesteitschennis,” piepte het mannetje.De tor keek ernstig.„Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend,” en ze deed, alsof ze weg wilde gaan.„Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven moet, ga ik zeker dood.”De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo grappig in zijn angst.Toen zei ze goedmoedig:„Dat zou zonde zijn van zoo’n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden met je hebben en je banden doorbijten,” en de daad bij het woord voegend, bevrijdde zij den kleinen man.Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:„Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen.”De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor het goede, dat hun overkwam.”Wies zweeg.Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen haar knieën leunde.Toen vroeg ze glimlachend:„En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?”„Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar partijtje missen.”Grootmoeder lachte.„Daar was ik wel bang voor.”Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie zou ze het hebben durven vertellen.„Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?”„Ja, gedroomd, weet u,” lachte Wies.Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.„Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar ….”„Wat maar?”„Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?”Wies werd heel rood.„Ik had er al een beetje over gedacht, ’s avonds, alleen maarover een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien avond klaar te komen,” voegde ze er met een verlegen lachje bij.Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.„Kind, kind,” zei ze toen zacht, Wies’ hand grijpend, „ik voorzie nog zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet.”Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van den toestand mislukten immers.Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf.”Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.„U maakt me bang,” zei ze bevend.Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.„Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te zullen doen?”„Ja, Grootmoeder, ja.”„Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig.”Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoederswoorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was een genot voor haar.Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.
Elfde Hoofdstuk.Elfde Hoofdstuk.Het sprookje.
Elfde Hoofdstuk.
Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas ’s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.„Het zal best gaan,” verzekerde Grootmoeder, „ik kan immers bellen, als ik iets noodig heb.”„U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?” vroeg tante Marie dien morgen, „u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, er is zooveel water in de buurt.”„Ik beloof het,” zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?„Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?” vroeg ze.Tante Marie keek verwonderd.„Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen.”„We kunnen haar toch geleiden.”„Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?” voegde ze er aarzelend bij, zich tot haar moeder wendend.„Neen, neen, ik blijf thuis,” haastte deze zich te zeggen, „zoo’n tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag.”Tante Marie keek ontevreden.„Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, ik zou geen oogenblik rust hebben.”Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.„Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het.”Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in haar binnenste.Zouzijthuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen.Dan kon ze met haar naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.Zou ze het doen?Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op dezelfde boerderij zoo’n dolle pret gehad, het was wel hard, daar afstand van te moeten doen.Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun genoegen niet vergallen.Arm Grootmoesje.Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit—ze zou bij haar blijven.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren niet gelooven durfde.Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, van ook wel thuis te willen blijven.Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, die ze zich daar opgelegd had.Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen vertrokken waren.Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar deserre, waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven mond en gesloten oogen.Wies trad voorzichtig nader.„Is daar iemand?” vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.„Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies.”„Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig wegreed?”Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.„Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik ben niet meegegaan, ik blijf bij u.”„Bij mij?”Grootmoeders lippen begonnen te beven.„Ja, lieveling.”„Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten doen.”Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.„Dat hadt je niet moeten doen,” zei ze nog eens, het gezichtje kussend, dat zich tot haar overboog, „ik had werkelijk best alleen kunnen blijven.”Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.„U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf.”„Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag,dat overvalt me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan ook hebben mag. Ik ben heelblij, alleen spijt het me, dat je nu je prettig dagje mist.”„Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer.”„Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk.”Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, vervuld van geuren en van aardige geluiden.„Zoo goed?” vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar grootmoeders rug plaatsend.„Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, heel dankbaar.”Wies kreeg een kleur.„Zeg u er niets meer van, als ’t u blieft,” en op een voetenbankje aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:„Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden gedroomd heb?”„Gedroomd, beste meid?”„Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het raam, ’s avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de schoonheid van zoo’n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, neen, wat ik zag, was heel wat anders.Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, donkere, spookachtige armen.„Maaneffect,” dacht ik, „gewoon de werking van het maanlicht,maar toch …. ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een langen witten baarden daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?”„Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren.”Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest te kunnen halen.„Kinderen,” sprak het mannetje, „er is van avond veel werk te doen. Een paar van jullie moeten naar de stad.”„Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur ’s nachts kunnen we ons niet aan de menschen vertoonen,” vroeg een bijzonder klein ventje.„Natuurlijk niet, kleine wijsneus,” antwoordde de aanvoerder, „dat behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert mijn kroon niet in de maneschijn?”En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.„Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet,” ging het koninkje voort, „en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij watze op het oogenblik doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar te hebben, vóór ze naar school ging, ze denvolgendenZondag niet naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls enalsze vroeg op is, komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?”De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes de aarde aanraakten.„Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning,” vroeg een hunner met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een dun glas tikte.De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, dat sprak.„Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt.”Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.„Goliath,” herhaalde hij, „wie is dat?”De koning lachte.„Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens bestaan, veel grooter nog dan de menschen.”Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende boomen.„Zoo groot wel, als die eik?” vroeg hij rillend.„O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk dus maar niet zoo benauwd. In het ergste gevalzou ik er toch zijn, om je te beschermen.”Het ventje lachte witjes.De koning zag dat en werd rood van boosheid.„Jou kleine schelm,” riep hij uit, met zijn voetje op den grond stampend, „geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend.”„En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood,” waagde het ventje aan te vullen.De koning fronste zijn wenkbrauwen.„Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast,” beval hij, „hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou mogen twijfelen.”Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi gekleurden paddenstoel.Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, dat het nauwelijks te hooren was.„Stel je voor,ikbang voor een reus,” bromde nog de koning in zijn baard.Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:„En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde.”„Niets,” piepte het ventje.De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de banden knelden.„Laat me dan eerst vrij,” smeekte het.„Eerst moet ik hooren, wat je wilde.”„Mag ik dan daarna los?”„De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal je slecht bekomen.”Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.Hij begon dus te spreken.„Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk geen enkele fout in.”„Dat spreekt vanzelf.”„En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik geloof niet, dat zoo’n meisje geen fouten in haar werk maakt.”„Daar had hij gelijk aan,” merkte Grootmoeder glimlachend op.Wies lachte ook.„U ziet, dat zoo’n kaboutertje de plank niet ver mis slaat,” zei ze.Toen vervolgde ze:„De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig vraagstuk op moest lossen.Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge wijsheid beslissen zou.„Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een uitweg te vinden.”Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.Niemand zei echter iets.Het gezicht van den koning klaarde op.Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, hetoplossen van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening openbaar maakte.Wat piepte daar zoo?Het geluid kwam van onder den paddenstoel.„Ik weet de oplossing.”„Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden.”„Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen ….”„Wat zou je zeggen?”„Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten.”Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje op, alsof hij barsten wilde en riep schel:„Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed ….”De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. „Sluit de gelederen aan,” gilde hij toen, „sluit allen om mij heen, bescherm uw koning!”Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op den grond vallen en verscholen onder de dorre bladerenen in het gras, kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.„Help, help,” gilde hij in zijn wanhoop.En daar kwam hulp.De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen der boomen, hare dunne armen boven hun hoofdenrekkend, spookachtig verlicht door het schijnsel der maan.Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het angstig den omtrek.Was er nog gevaar?Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er dan niemand om hem los te maken?De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam en vroeg verbaasd. „Wie schreeuwt daar zoo?”„Och help me, help me, maak mijn banden los,” smeekte een fijn stemmetje.De tor kroop naar den rand en keek er overheen.Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken wijd open, wat bij haar lachen was.„Hebben ze je vastgebonden?” vroeg ze, „waarom, wat heb je gedaan?” en meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.„Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?”„Aan majesteitschennis,” piepte het mannetje.De tor keek ernstig.„Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend,” en ze deed, alsof ze weg wilde gaan.„Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven moet, ga ik zeker dood.”De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo grappig in zijn angst.Toen zei ze goedmoedig:„Dat zou zonde zijn van zoo’n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden met je hebben en je banden doorbijten,” en de daad bij het woord voegend, bevrijdde zij den kleinen man.Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:„Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen.”De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor het goede, dat hun overkwam.”Wies zweeg.Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen haar knieën leunde.Toen vroeg ze glimlachend:„En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?”„Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar partijtje missen.”Grootmoeder lachte.„Daar was ik wel bang voor.”Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie zou ze het hebben durven vertellen.„Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?”„Ja, gedroomd, weet u,” lachte Wies.Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.„Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar ….”„Wat maar?”„Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?”Wies werd heel rood.„Ik had er al een beetje over gedacht, ’s avonds, alleen maarover een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien avond klaar te komen,” voegde ze er met een verlegen lachje bij.Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.„Kind, kind,” zei ze toen zacht, Wies’ hand grijpend, „ik voorzie nog zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet.”Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van den toestand mislukten immers.Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf.”Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.„U maakt me bang,” zei ze bevend.Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.„Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te zullen doen?”„Ja, Grootmoeder, ja.”„Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig.”Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoederswoorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was een genot voor haar.Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.
Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas ’s avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.
Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.
Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.
Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.
„Het zal best gaan,” verzekerde Grootmoeder, „ik kan immers bellen, als ik iets noodig heb.”
„U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?” vroeg tante Marie dien morgen, „u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, er is zooveel water in de buurt.”
„Ik beloof het,” zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?
„Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?” vroeg ze.
Tante Marie keek verwonderd.
„Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen.”
„We kunnen haar toch geleiden.”
„Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?” voegde ze er aarzelend bij, zich tot haar moeder wendend.
„Neen, neen, ik blijf thuis,” haastte deze zich te zeggen, „zoo’n tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag.”
Tante Marie keek ontevreden.
„Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, ik zou geen oogenblik rust hebben.”
Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.
„Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het.”
Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in haar binnenste.
Zouzijthuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen.Dan kon ze met haar naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.
Zou ze het doen?
Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op dezelfde boerderij zoo’n dolle pret gehad, het was wel hard, daar afstand van te moeten doen.
Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun genoegen niet vergallen.
Arm Grootmoesje.
Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit—ze zou bij haar blijven.
Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.
Wies nam op een bankje aan hare voeten plaats.
Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren niet gelooven durfde.
Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, van ook wel thuis te willen blijven.
Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, die ze zich daar opgelegd had.
Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!
Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen vertrokken waren.
Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar deserre, waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven mond en gesloten oogen.
Wies trad voorzichtig nader.
„Is daar iemand?” vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.
„Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies.”
„Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig wegreed?”
Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.
„Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik ben niet meegegaan, ik blijf bij u.”
„Bij mij?”
Grootmoeders lippen begonnen te beven.
„Ja, lieveling.”
„Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten doen.”
Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.
„Dat hadt je niet moeten doen,” zei ze nog eens, het gezichtje kussend, dat zich tot haar overboog, „ik had werkelijk best alleen kunnen blijven.”
Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.
„U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf.”
„Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag,dat overvalt me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan ook hebben mag. Ik ben heelblij, alleen spijt het me, dat je nu je prettig dagje mist.”
„Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer.”
„Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk.”
Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.
Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, vervuld van geuren en van aardige geluiden.
„Zoo goed?” vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar grootmoeders rug plaatsend.
„Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, heel dankbaar.”
Wies kreeg een kleur.
„Zeg u er niets meer van, als ’t u blieft,” en op een voetenbankje aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:
„Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden gedroomd heb?”
„Gedroomd, beste meid?”
„Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het raam, ’s avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de schoonheid van zoo’n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, neen, wat ik zag, was heel wat anders.
Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, donkere, spookachtige armen.
„Maaneffect,” dacht ik, „gewoon de werking van het maanlicht,maar toch …. ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een langen witten baarden daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?”
„Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren.”
Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.
Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest te kunnen halen.
„Kinderen,” sprak het mannetje, „er is van avond veel werk te doen. Een paar van jullie moeten naar de stad.”
„Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur ’s nachts kunnen we ons niet aan de menschen vertoonen,” vroeg een bijzonder klein ventje.
„Natuurlijk niet, kleine wijsneus,” antwoordde de aanvoerder, „dat behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert mijn kroon niet in de maneschijn?”
En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.
„Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet,” ging het koninkje voort, „en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij watze op het oogenblik doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar te hebben, vóór ze naar school ging, ze denvolgendenZondag niet naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls enalsze vroeg op is, komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?”
De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes de aarde aanraakten.
„Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning,” vroeg een hunner met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een dun glas tikte.
De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, dat sprak.
„Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt.”
Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.
„Goliath,” herhaalde hij, „wie is dat?”
De koning lachte.
„Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens bestaan, veel grooter nog dan de menschen.”
Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende boomen.
„Zoo groot wel, als die eik?” vroeg hij rillend.
„O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk dus maar niet zoo benauwd. In het ergste gevalzou ik er toch zijn, om je te beschermen.”
Het ventje lachte witjes.
De koning zag dat en werd rood van boosheid.
„Jou kleine schelm,” riep hij uit, met zijn voetje op den grond stampend, „geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend.”
„En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood,” waagde het ventje aan te vullen.
De koning fronste zijn wenkbrauwen.
„Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast,” beval hij, „hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou mogen twijfelen.”
Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi gekleurden paddenstoel.
Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, dat het nauwelijks te hooren was.
„Stel je voor,ikbang voor een reus,” bromde nog de koning in zijn baard.
Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:
„En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde.”
„Niets,” piepte het ventje.
De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de banden knelden.
„Laat me dan eerst vrij,” smeekte het.
„Eerst moet ik hooren, wat je wilde.”
„Mag ik dan daarna los?”
„De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal je slecht bekomen.”
Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.
Hij begon dus te spreken.
„Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk geen enkele fout in.”
„Dat spreekt vanzelf.”
„En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik geloof niet, dat zoo’n meisje geen fouten in haar werk maakt.”
„Daar had hij gelijk aan,” merkte Grootmoeder glimlachend op.
Wies lachte ook.
„U ziet, dat zoo’n kaboutertje de plank niet ver mis slaat,” zei ze.
Toen vervolgde ze:
„De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig vraagstuk op moest lossen.
Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge wijsheid beslissen zou.
„Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een uitweg te vinden.”
Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.
Niemand zei echter iets.
Het gezicht van den koning klaarde op.
Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, hetoplossen van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening openbaar maakte.
Wat piepte daar zoo?
Het geluid kwam van onder den paddenstoel.
„Ik weet de oplossing.”
„Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden.”
„Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen ….”
„Wat zou je zeggen?”
„Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten.”
Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.
Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje op, alsof hij barsten wilde en riep schel:
„Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed ….”
De woorden bleven verder in zijn keel steken, hij vergat zelfs zijn mond te sluiten en staarde in doodsangst voor zich uit. „Sluit de gelederen aan,” gilde hij toen, „sluit allen om mij heen, bescherm uw koning!”
Daar kwam over het mos op een naburigen steen een monster aangekropen. Zijn lichaam was met twee harde schilden bedekt, zes lange, dunne beenen bewogen zich gestadig in de richting van de plaats, waar de kaboutertjes vergaderd hadden. Maar het vreeselijkste was de kop, waaraan twee lange, groote uitwassen, als een gewei uitstaken.
Een vliegend hert naderde de kleine aardmannetjes.
Nauwelijks kregen ook de anderen hem in het oog, of ze lieten zich op den grond vallen en verscholen onder de dorre bladerenen in het gras, kropen ze voort, om hun holletjes te bereiken, elkaar op zij duwend en trappend, er niet op lettend, dat ze het afgevallen kroontje van zijn majesteit voortschopten, er niet aan denkend, dat hun koning hen opgeroepen had, ter verdediging van zijn vorstelijk lichaam.
De koning zelf was trouwens nergens te zien, hij had zijn hol al bereikt en liet zich door een paar torren een dronk reiken.
Intusschen zat de kleine Goliath vastgebonden aan zijn paddenstoel en wachtte in doodsangst het al meer en meer naderen van het monster af.
Hij wrong zich in alle richtingen om los te komen, maar de halmen, waarmee hij gebonden was, sneden hem in het vleesch.
„Help, help,” gilde hij in zijn wanhoop.
En daar kwam hulp.
De nevelvrouwen stegen op uit den grond en kropen langs de stammen der boomen, hare dunne armen boven hun hoofdenrekkend, spookachtig verlicht door het schijnsel der maan.
Een van hen had medelijden met het ongelukkige ventje en hulde den paddenstoel in een mist, waardoor de oogen van den kever niet heen konden zien. En pas, toen het monster zich verwijderd had en er geen kwaad meer te duchten was, steeg de nevelvrouw op en verdween.
Zoodra het kaboutertje weer om zich heen kon zien, bespiedde het angstig den omtrek.
Was er nog gevaar?
Gelukkig, het scheen geweken te zijn, maar tevens drong het tot hem door, dat al zijne natuurgenootjes verdwenen waren en dien nacht wel niet meer terug zouden komen. Zou hij tot den volgenden avond hier vastgebonden moeten zitten? Dat zou niet uit te houden zijn. Was er dan niemand om hem los te maken?
De wanhoop sloop in zijn hartje, hij barstte in snikken uit en kermde zoo hartroerend, dat een groote tor, met goudachtige vleugels, die een vliegtochtje in den maneschijn hield, er door getroffen werd.
Hij streek neer op den paddenstoel, waaronder het geluid vandaan kwam en vroeg verbaasd. „Wie schreeuwt daar zoo?”
„Och help me, help me, maak mijn banden los,” smeekte een fijn stemmetje.
De tor kroop naar den rand en keek er overheen.
Het wanhopend spartelende figuurtje ziende, sperde zij haar kaken wijd open, wat bij haar lachen was.
„Hebben ze je vastgebonden?” vroeg ze, „waarom, wat heb je gedaan?” en meteen liet ze zich van den rand van den paddenstoel afglijden en plofte vlak voor het ventje neer, dat van schrik zijn gekerm vergat en doodstil zooveel hij kon in elkaar kroop.
„Nu, komaan, waaraan heb je je schuldig gemaakt?”
„Aan majesteitschennis,” piepte het mannetje.
De tor keek ernstig.
„Dat is een leelijk iets, dan heb je je straf verdiend,” en ze deed, alsof ze weg wilde gaan.
„Och neen, och neen, help me toch, als ik hier tot morgenavond blijven moet, ga ik zeker dood.”
De tor sperde hare kaken weer wijd open, ze vond het kaboutertje zoo grappig in zijn angst.
Toen zei ze goedmoedig:
„Dat zou zonde zijn van zoo’n aardig ventje, ik zal dan maar medelijden met je hebben en je banden doorbijten,” en de daad bij het woord voegend, bevrijdde zij den kleinen man.
Nauwelijks los, dook het ventje onder een half vergaan blad weg, dat leek hem veiliger en vroeg toen beleefd:
„Ziet u ook ergens mijn muts, die is me van het hoofd gevallen.”
De tor raapte het roode kapje op en drukte het met hare voorpoten op het kleine hoofd, dat even te voorschijn kwam.
Dadelijk verdween dit, zonder een woord van dank en de tor vloog weg, na nog een oogenblik te hebben nagedacht over de verwantschap, die er zeker bestaan moest tusschen het kabouter- en het menschengeslacht. Ze hadden ten minste één trek gemeen, ze waren niet altijd dankbaar voor het goede, dat hun overkwam.”
Wies zweeg.
Grootmoeder strekte haar hand uit en streelde het hoofdje, dat tegen haar knieën leunde.
Toen vroeg ze glimlachend:
„En het werk van het meisje, hoe ging het daarmee?”
„Het meisje versliep zich, kreeg haar werk niet af en moest haar partijtje missen.”
Grootmoeder lachte.
„Daar was ik wel bang voor.”
Toen ze verder niets zei, keek Wies haar vol spanning aan. Hoe zou ze dat sprookje vinden? Aan niemand, dan aan Grootmoeder en aan Lottie zou ze het hebben durven vertellen.
„Heb je dat sprookje heelemaal zelf verzonnen, Wiesje?”
„Ja, gedroomd, weet u,” lachte Wies.
Grootmoeder schudde glimlachend haar hoofd.
„Het is een heel aardig sprookje en je hebt het goed verteld, ik zag vóór me, wat je voor me opriep, heel aardig, werkelijk, maar ….”
„Wat maar?”
„Ja kindje, zie je, je bent altijd zoo lief voor me, dat ik niet graag iets tegen je zeg, dat je niet prettig vindt. Je moeder zegt, dat het hoe langer hoe erger wordt met je afdwalen en dat je steeds aan andere dingen denkt onder je werk. Heb je dat sprookje werkelijk heelemaal dien avond bij het raam gemaakt?”
Wies werd heel rood.
„Ik had er al een beetje over gedacht, ’s avonds, alleen maarover een zomernacht in het bosch en over kaboutertjes, ziet u. Dat ik hun hulp noodig zou hebben, wist ik toen nog niet, want ik hoopte dien avond klaar te komen,” voegde ze er met een verlegen lachje bij.
Grootmoeder zat heel stil, blijkbaar in gedachte.
„Kind, kind,” zei ze toen zacht, Wies’ hand grijpend, „ik voorzie nog zooveel leed voor je. Het schijnt heel moeielijk voor je te zijn, je te verbeteren, want niets heeft invloed op je, goede woorden, noch straf, zelfs niet het verdriet, dat je je ouders en ons telkens aandoet.”
Wies boog het hoofd, ze voelde, dat haar grootmoeder gelijk had, maar wat kon ze er aan doen, al haar pogingen tot verbetering van den toestand mislukten immers.
Daar ze bleef zwijgen, ging Grootmoeder voort:
„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je zeker geven zal. Het leven kent geen genade en kan heel hard zijn, daar heerscht de wet van oorzaak en gevolg in onverbiddelijke strengheid en jouw manier van zijn, moet slechte gevolgen hebben, dat kan niet anders. Verzet je toch tegen je eigen zwakheid, oefen je wil, of het loopt nooit heel goed met je af. Ik vrees, dat je nog menige harde les zult krijgen en niemand kan die van je afwenden, dan jij zelf.”
Grootmoeders stem klonk zoo ernstig, dat Wies er door ontroerd werd.
„U maakt me bang,” zei ze bevend.
Grootmoeder drukte haar tegen zich aan.
„Ik spreek misschien wat hard, maar lieveling, kindjelief, als je wist, hoeveel ik van je houd. Beloof je me nog eens plechtig, je best te zullen doen?”
„Ja, Grootmoeder, ja.”
„Goed, laten we er dan niet meer over spreken. Willen we nu een eindje gaan loopen en vertel je me dan wat je ziet? Dat kun je zoo prettig.”
Een poosje nog bleef Wies onder den indruk van haar grootmoederswoorden, maar lang duurde het niet, of ze dacht er niet meer aan. Ze was nu zoo gelukkig. Alleen met haar lieve grootmoeder in de vrije natuur te zijn en haar te vertellen van alles, wat ze rondom zich zag, alles nog een beetje mooier te maken, dan het al was, dat was een genot voor haar.
Haar toehoorderes was ook gelukkig, ze kende de streek van buiten en dus wekten de woorden van het geestdriftige meisje duidelijke beelden bij haar op, dat kind was werkelijk een schat voor een blinde.
Daarna dronken ze gezellig samen thee, waarvan ze een kleine maaltijd maakten, ze hadden honger gekregen na hun vroeg diner.
Toen het gezelschap thuis kwam, vonden ze de twee thuisgeblevenen heel tevreden over hun dag. Grootmoeder had geen woorden genoeg van lof over Wies, hoe gezellig ze geweest was en hoe lief en Moeder kuste haar dien avond bizonder hartelijk goeden nacht. Ze was blij, dat haar dochtertje weer eens den goeden kant van haar karakter getoond had.