Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De harde levensles.„Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?†vroeg Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. „Tante en ik wilden jam maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend vind, dan leert ze het meteen.â€â€žJa Moes,†antwoordde Wies een beetje aarzelend.Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo heerlijk de dingen bedenken en ’s middags had ze mooi den tijd om het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder alleen was, zou ze het haar voorlezen.Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.Toen dat: „ja Moes,†er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:„Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze geen kwaad.â€â€žAlsof ik niet op hen passen kan,†bromde Wies, maar toch beloofde ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet te wild te zijn.Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen wel zou toevertrouwen.„Waarom niet?†vroeg Tante, „Wies is in ’t algemeen niet onwillig.â€â€žDat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan.â€Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van zich afduwend:„Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te warm om zoo woest te zijn.â€De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op debank gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar daarmee in haar gezicht.Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te beschermen voor het takje van Stan.„Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik ze koopen.â€â€žBak je dan mee?†vroeg Jantje.„Neen, ik moet even uitblazen.â€Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart en fluisterde het wat in.„Ooo!†zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wistenlangs de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje deden, lette verder niet op hen.Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.„Wil je me wel eens gauw loslaten,†riep ze quasi boos, maar ze kon bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.„Je moet met ons spelen,†schaterden de kinderen en spanden al hun krachten in, om haar op den grond te krijgen.„Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los,†en Wies hield zich nog steviger vast.Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.„Stoute bengels,†zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, „stoute jongens, jullie hebt me pijn gedaan.â€Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:„Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?â€Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm en kuste hem.Zoo’n lekker ventje toch!„Over?†vroeg hij.„Ja hoor, de pijn is weer beter.â€Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, schenen ze niet te willen vandaag.„Ja, wandelen,†zei Jan tevreden, „naar den grooten plas, hé?â€Wies keek bedenkelijk.Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, wilde jongens, zou ze dat wel mogen?Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, er even zijn en dan weer terug gaan.„Goed,†zei ze dus, „maar bij het water moeten jullie me beiden een handje geven, hoor.â€Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel driemaal afleggend.Ze staken een paarweilandenover en gingen regelrecht op den grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan’s handje en hield dat stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden in het zonlicht.Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, met hier en daar een wit wolkje.Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, zewerd er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te rukken, om los te komen.Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.„Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje†en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, had hij het in een kooitje kunnen zetten.Wies lachte.„Ik geloof, dat het een rietzangertje is,†zei ze, „die kunnen niet in kooien leven.â€â€žHoe weet je dat?â€â€žDaar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe.â€Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de schuld.„Kom nu naast me in het gras zitten,†zei ze, toen ze een beschaduwd plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, „jullie moet nu ook wat rusten.â€â€žVertel je dan wat?†vroeg Jantje.„Ja, vertellen,†beaamde Stanneman.„Goed, laat me dan even denken,†en Wies strekte zich gemakkelijk uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.„Ik ga ook op mijn zakdoek liggen,†zei Jan.„Ga je gang,†antwoordde zijn zuster.„Ikke ook,†zeurde Stan.En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.Wies zweeg.Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.Maar neen, daar klonk Jantje’s stem, hoewel wat dof:„Meer vertellen†en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, „meer vertellen.â€De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder te verzinnen van die goede fee, die haargelukvond in het helpen en bijstaan van arme menschenkinderen.Hè, zelf zoo’n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die heel zacht in elkander overgingen entusschen de schouderbladen vier ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en uit dat stokje straalde licht af en haar oogen …. die …Wies was ingeslapen.Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar en keek haar oplettend aan.Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den gek te houden.Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze gerust.Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde resultaat.Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan begon te niezen.Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar zijn hoofdje.Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:„Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan wesaampjes naar den plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken.â€Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp hij hem voorzichtig opstaan.„Zachtjes,†fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, alleen den rand konden ze zien.„Zijn er eitjes in?†vroeg Stan.Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest zonder eieren.„Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek van tante Rie,†zei hij opgewonden, „allemaal rood en paars en een heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?â€â€žJa,†zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, lagen beiden in het water te spartelen.Wies werd met een schok wakker.Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.Had ze geslapen?Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.Waar konden ze heen geloopen zijn?De plas!Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd gekregen had.Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze ’t zich, of hoorde ze schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo’n benauwd gevoel op haar borst en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen droomen en nog wel in slaap gevallen was.Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, ze zag geen kinderen, maar—haar hart stond bijna stil—ze hoorde een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas …. een snik wrong zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij ook wat gehoord?Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar adem stokte …. daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.En Stan? Waar was Stan?Ze zag hem niet.Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:„Help, help!â€Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij met de anderehet handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, het was vreeselijk.En door haar schuld, alles door haar schuld!Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet stond.„Loop om,†schreeuwde hij tot haar, „dan kunt u me helpen.â€Helpen!Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.„Neem eens aan,†beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.Een golf water kwam uit het kleine mondje.„Doet u nu net zoo met Jan,†beval Teun.Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moestook naar huis om zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.„Kan je loopen?†vroeg hij het nu hevig huilende kind, „toe vooruit, zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort,†vervolgde hij tot Wies, „en loopdanvlug naar huis om te waarschuwen, dat ik kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit,†zei hij nog, Jantje een duw gevend, „loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor’ je doodziek.â€En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje en dreigde:„Vooruit hoor, of ik zal je.â€Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragenhad, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte kind ziende, vroeg ze angstig: „Wat is er gebeurd? Waar is Stan?â€Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: „Breng Jan naar tante Marie.â€Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei gedrukt.„O neen, neen, neen,†kreunde ze, „o neen, dat niet, dat niet.â€En toen weer kermend:„Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan.â€Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, druipende, levenlooze lichaam van haar broertje,zooals ze het Teun uit het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.Zou de dokter er al zijn?Zou ze naar beneden durven gaan?Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich lucht te verschaffen.Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met die schuld bezwaard,mochtze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld ….En Vader? En Grootmoedertje?Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, haar plicht gedaan had ….Wat had Grootmoeder ook gezegd?„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg.â€Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, die het goed met haar meenden.Gevolg: ze was de schuld van den dood ….Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat onherroepelijke woord.Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.Niets, dan de stilte van den ….Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met ’t hoofd.Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, die haar voor goed neervelde.Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, Marietje, de broers.Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur denken, ze nam de harde les aan.Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en blauw zich welfde.„Ik beloof het,†zei ze nog eens.Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het niet zijn.Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.Zou ze durven?Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze wilde weten.De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, als om een slag af te weren.„Tante,†kreunde ze.Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.„Stan?â€Het kwam er schor uit.„Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad.â€Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, dat ze haar pijn deed.Ze slopen op hun teentjes door het gras.Ze slopen op hun teentjes door het gras.„Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard bent gebleven.â€Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart breken zou.Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.
Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De harde levensles.„Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?†vroeg Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. „Tante en ik wilden jam maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend vind, dan leert ze het meteen.â€â€žJa Moes,†antwoordde Wies een beetje aarzelend.Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo heerlijk de dingen bedenken en ’s middags had ze mooi den tijd om het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder alleen was, zou ze het haar voorlezen.Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.Toen dat: „ja Moes,†er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:„Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze geen kwaad.â€â€žAlsof ik niet op hen passen kan,†bromde Wies, maar toch beloofde ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet te wild te zijn.Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen wel zou toevertrouwen.„Waarom niet?†vroeg Tante, „Wies is in ’t algemeen niet onwillig.â€â€žDat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan.â€Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van zich afduwend:„Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te warm om zoo woest te zijn.â€De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op debank gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar daarmee in haar gezicht.Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te beschermen voor het takje van Stan.„Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik ze koopen.â€â€žBak je dan mee?†vroeg Jantje.„Neen, ik moet even uitblazen.â€Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart en fluisterde het wat in.„Ooo!†zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wistenlangs de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje deden, lette verder niet op hen.Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.„Wil je me wel eens gauw loslaten,†riep ze quasi boos, maar ze kon bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.„Je moet met ons spelen,†schaterden de kinderen en spanden al hun krachten in, om haar op den grond te krijgen.„Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los,†en Wies hield zich nog steviger vast.Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.„Stoute bengels,†zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, „stoute jongens, jullie hebt me pijn gedaan.â€Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:„Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?â€Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm en kuste hem.Zoo’n lekker ventje toch!„Over?†vroeg hij.„Ja hoor, de pijn is weer beter.â€Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, schenen ze niet te willen vandaag.„Ja, wandelen,†zei Jan tevreden, „naar den grooten plas, hé?â€Wies keek bedenkelijk.Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, wilde jongens, zou ze dat wel mogen?Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, er even zijn en dan weer terug gaan.„Goed,†zei ze dus, „maar bij het water moeten jullie me beiden een handje geven, hoor.â€Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel driemaal afleggend.Ze staken een paarweilandenover en gingen regelrecht op den grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan’s handje en hield dat stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden in het zonlicht.Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, met hier en daar een wit wolkje.Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, zewerd er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te rukken, om los te komen.Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.„Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje†en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, had hij het in een kooitje kunnen zetten.Wies lachte.„Ik geloof, dat het een rietzangertje is,†zei ze, „die kunnen niet in kooien leven.â€â€žHoe weet je dat?â€â€žDaar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe.â€Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de schuld.„Kom nu naast me in het gras zitten,†zei ze, toen ze een beschaduwd plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, „jullie moet nu ook wat rusten.â€â€žVertel je dan wat?†vroeg Jantje.„Ja, vertellen,†beaamde Stanneman.„Goed, laat me dan even denken,†en Wies strekte zich gemakkelijk uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.„Ik ga ook op mijn zakdoek liggen,†zei Jan.„Ga je gang,†antwoordde zijn zuster.„Ikke ook,†zeurde Stan.En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.Wies zweeg.Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.Maar neen, daar klonk Jantje’s stem, hoewel wat dof:„Meer vertellen†en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, „meer vertellen.â€De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder te verzinnen van die goede fee, die haargelukvond in het helpen en bijstaan van arme menschenkinderen.Hè, zelf zoo’n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die heel zacht in elkander overgingen entusschen de schouderbladen vier ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en uit dat stokje straalde licht af en haar oogen …. die …Wies was ingeslapen.Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar en keek haar oplettend aan.Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den gek te houden.Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze gerust.Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde resultaat.Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan begon te niezen.Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar zijn hoofdje.Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:„Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan wesaampjes naar den plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken.â€Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp hij hem voorzichtig opstaan.„Zachtjes,†fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, alleen den rand konden ze zien.„Zijn er eitjes in?†vroeg Stan.Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest zonder eieren.„Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek van tante Rie,†zei hij opgewonden, „allemaal rood en paars en een heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?â€â€žJa,†zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, lagen beiden in het water te spartelen.Wies werd met een schok wakker.Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.Had ze geslapen?Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.Waar konden ze heen geloopen zijn?De plas!Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd gekregen had.Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze ’t zich, of hoorde ze schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo’n benauwd gevoel op haar borst en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen droomen en nog wel in slaap gevallen was.Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, ze zag geen kinderen, maar—haar hart stond bijna stil—ze hoorde een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas …. een snik wrong zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij ook wat gehoord?Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar adem stokte …. daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.En Stan? Waar was Stan?Ze zag hem niet.Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:„Help, help!â€Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij met de anderehet handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, het was vreeselijk.En door haar schuld, alles door haar schuld!Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet stond.„Loop om,†schreeuwde hij tot haar, „dan kunt u me helpen.â€Helpen!Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.„Neem eens aan,†beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.Een golf water kwam uit het kleine mondje.„Doet u nu net zoo met Jan,†beval Teun.Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moestook naar huis om zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.„Kan je loopen?†vroeg hij het nu hevig huilende kind, „toe vooruit, zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort,†vervolgde hij tot Wies, „en loopdanvlug naar huis om te waarschuwen, dat ik kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit,†zei hij nog, Jantje een duw gevend, „loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor’ je doodziek.â€En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje en dreigde:„Vooruit hoor, of ik zal je.â€Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragenhad, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte kind ziende, vroeg ze angstig: „Wat is er gebeurd? Waar is Stan?â€Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: „Breng Jan naar tante Marie.â€Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei gedrukt.„O neen, neen, neen,†kreunde ze, „o neen, dat niet, dat niet.â€En toen weer kermend:„Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan.â€Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, druipende, levenlooze lichaam van haar broertje,zooals ze het Teun uit het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.Zou de dokter er al zijn?Zou ze naar beneden durven gaan?Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich lucht te verschaffen.Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met die schuld bezwaard,mochtze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld ….En Vader? En Grootmoedertje?Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, haar plicht gedaan had ….Wat had Grootmoeder ook gezegd?„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg.â€Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, die het goed met haar meenden.Gevolg: ze was de schuld van den dood ….Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat onherroepelijke woord.Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.Niets, dan de stilte van den ….Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met ’t hoofd.Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, die haar voor goed neervelde.Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, Marietje, de broers.Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur denken, ze nam de harde les aan.Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en blauw zich welfde.„Ik beloof het,†zei ze nog eens.Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het niet zijn.Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.Zou ze durven?Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze wilde weten.De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, als om een slag af te weren.„Tante,†kreunde ze.Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.„Stan?â€Het kwam er schor uit.„Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad.â€Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, dat ze haar pijn deed.Ze slopen op hun teentjes door het gras.Ze slopen op hun teentjes door het gras.„Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard bent gebleven.â€Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart breken zou.Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.
Twaalfde Hoofdstuk.Twaalfde Hoofdstuk.De harde levensles.
Twaalfde Hoofdstuk.
„Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?†vroeg Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. „Tante en ik wilden jam maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend vind, dan leert ze het meteen.â€â€žJa Moes,†antwoordde Wies een beetje aarzelend.Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo heerlijk de dingen bedenken en ’s middags had ze mooi den tijd om het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder alleen was, zou ze het haar voorlezen.Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.Toen dat: „ja Moes,†er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:„Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze geen kwaad.â€â€žAlsof ik niet op hen passen kan,†bromde Wies, maar toch beloofde ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet te wild te zijn.Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen wel zou toevertrouwen.„Waarom niet?†vroeg Tante, „Wies is in ’t algemeen niet onwillig.â€â€žDat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan.â€Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van zich afduwend:„Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te warm om zoo woest te zijn.â€De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op debank gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar daarmee in haar gezicht.Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te beschermen voor het takje van Stan.„Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik ze koopen.â€â€žBak je dan mee?†vroeg Jantje.„Neen, ik moet even uitblazen.â€Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart en fluisterde het wat in.„Ooo!†zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wistenlangs de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje deden, lette verder niet op hen.Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.„Wil je me wel eens gauw loslaten,†riep ze quasi boos, maar ze kon bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.„Je moet met ons spelen,†schaterden de kinderen en spanden al hun krachten in, om haar op den grond te krijgen.„Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los,†en Wies hield zich nog steviger vast.Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.„Stoute bengels,†zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, „stoute jongens, jullie hebt me pijn gedaan.â€Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:„Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?â€Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm en kuste hem.Zoo’n lekker ventje toch!„Over?†vroeg hij.„Ja hoor, de pijn is weer beter.â€Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, schenen ze niet te willen vandaag.„Ja, wandelen,†zei Jan tevreden, „naar den grooten plas, hé?â€Wies keek bedenkelijk.Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, wilde jongens, zou ze dat wel mogen?Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, er even zijn en dan weer terug gaan.„Goed,†zei ze dus, „maar bij het water moeten jullie me beiden een handje geven, hoor.â€Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel driemaal afleggend.Ze staken een paarweilandenover en gingen regelrecht op den grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan’s handje en hield dat stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden in het zonlicht.Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, met hier en daar een wit wolkje.Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, zewerd er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te rukken, om los te komen.Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.„Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje†en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, had hij het in een kooitje kunnen zetten.Wies lachte.„Ik geloof, dat het een rietzangertje is,†zei ze, „die kunnen niet in kooien leven.â€â€žHoe weet je dat?â€â€žDaar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe.â€Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de schuld.„Kom nu naast me in het gras zitten,†zei ze, toen ze een beschaduwd plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, „jullie moet nu ook wat rusten.â€â€žVertel je dan wat?†vroeg Jantje.„Ja, vertellen,†beaamde Stanneman.„Goed, laat me dan even denken,†en Wies strekte zich gemakkelijk uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.„Ik ga ook op mijn zakdoek liggen,†zei Jan.„Ga je gang,†antwoordde zijn zuster.„Ikke ook,†zeurde Stan.En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.Wies zweeg.Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.Maar neen, daar klonk Jantje’s stem, hoewel wat dof:„Meer vertellen†en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, „meer vertellen.â€De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder te verzinnen van die goede fee, die haargelukvond in het helpen en bijstaan van arme menschenkinderen.Hè, zelf zoo’n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die heel zacht in elkander overgingen entusschen de schouderbladen vier ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en uit dat stokje straalde licht af en haar oogen …. die …Wies was ingeslapen.Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar en keek haar oplettend aan.Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den gek te houden.Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze gerust.Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde resultaat.Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan begon te niezen.Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar zijn hoofdje.Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:„Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan wesaampjes naar den plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken.â€Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp hij hem voorzichtig opstaan.„Zachtjes,†fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, alleen den rand konden ze zien.„Zijn er eitjes in?†vroeg Stan.Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest zonder eieren.„Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek van tante Rie,†zei hij opgewonden, „allemaal rood en paars en een heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?â€â€žJa,†zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, lagen beiden in het water te spartelen.Wies werd met een schok wakker.Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.Had ze geslapen?Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.Waar konden ze heen geloopen zijn?De plas!Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd gekregen had.Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze ’t zich, of hoorde ze schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo’n benauwd gevoel op haar borst en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen droomen en nog wel in slaap gevallen was.Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, ze zag geen kinderen, maar—haar hart stond bijna stil—ze hoorde een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas …. een snik wrong zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij ook wat gehoord?Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar adem stokte …. daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.En Stan? Waar was Stan?Ze zag hem niet.Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:„Help, help!â€Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij met de anderehet handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, het was vreeselijk.En door haar schuld, alles door haar schuld!Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet stond.„Loop om,†schreeuwde hij tot haar, „dan kunt u me helpen.â€Helpen!Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.„Neem eens aan,†beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.Een golf water kwam uit het kleine mondje.„Doet u nu net zoo met Jan,†beval Teun.Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moestook naar huis om zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.„Kan je loopen?†vroeg hij het nu hevig huilende kind, „toe vooruit, zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort,†vervolgde hij tot Wies, „en loopdanvlug naar huis om te waarschuwen, dat ik kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit,†zei hij nog, Jantje een duw gevend, „loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor’ je doodziek.â€En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje en dreigde:„Vooruit hoor, of ik zal je.â€Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragenhad, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte kind ziende, vroeg ze angstig: „Wat is er gebeurd? Waar is Stan?â€Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: „Breng Jan naar tante Marie.â€Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei gedrukt.„O neen, neen, neen,†kreunde ze, „o neen, dat niet, dat niet.â€En toen weer kermend:„Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan.â€Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, druipende, levenlooze lichaam van haar broertje,zooals ze het Teun uit het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.Zou de dokter er al zijn?Zou ze naar beneden durven gaan?Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich lucht te verschaffen.Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met die schuld bezwaard,mochtze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld ….En Vader? En Grootmoedertje?Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, haar plicht gedaan had ….Wat had Grootmoeder ook gezegd?„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg.â€Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, die het goed met haar meenden.Gevolg: ze was de schuld van den dood ….Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat onherroepelijke woord.Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.Niets, dan de stilte van den ….Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met ’t hoofd.Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, die haar voor goed neervelde.Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, Marietje, de broers.Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur denken, ze nam de harde les aan.Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en blauw zich welfde.„Ik beloof het,†zei ze nog eens.Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het niet zijn.Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.Zou ze durven?Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze wilde weten.De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, als om een slag af te weren.„Tante,†kreunde ze.Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.„Stan?â€Het kwam er schor uit.„Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad.â€Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, dat ze haar pijn deed.Ze slopen op hun teentjes door het gras.Ze slopen op hun teentjes door het gras.„Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard bent gebleven.â€Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart breken zou.Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.
„Zeg Wies, wil je vanochtend eens op de kleintjes letten?†vroeg Moeder op een mooien zomerdag in Augustus. „Tante en ik wilden jam maken vandaag en Marietje wil zoo heel graag helpen, wat ik uitstekend vind, dan leert ze het meteen.â€
„Ja Moes,†antwoordde Wies een beetje aarzelend.
Ze had zich voorgesteld eens heerlijk rond te dwalen dien ochtend, ze had in den laatsten tijd zoo goed gewerkt voor Grootvader, dat hij haar een paar dagen vacantie gegeven had en ze was van morgen in bed al aan een verhaal begonnen van een goede fee, die alle menschen hielp en zich geheel opofferde voor de ongelukkigen, die haar hulp inriepen.
Ze had een groote wandeling alleen willen maken, dan kon je zoo heerlijk de dingen bedenken en ’s middags had ze mooi den tijd om het verhaal op te schrijven. Zoodra ze dan weer eens met Grootmoeder alleen was, zou ze het haar voorlezen.
Arm Grootmoedertje had hoofdpijn vandaag en lag nog te bed.
Toen dat: „ja Moes,†er zoo aarzelend uitkwam, zei haar moeder:
„Zul je dan wat met hen spelen en ze niet aan hun lot overlaten? Ga maar met hen naar den zandhoop achter in den tuin, daar kunnen ze geen kwaad.â€
„Alsof ik niet op hen passen kan,†bromde Wies, maar toch beloofde ze te doen, wat Moeder zei en met Stan op haar rug, draafde ze den tuin in, vooraf gegaan door Janneman, die op een denkbeeldigen hoorn blazend vooruit rende en nageroepen door Moeder, om toch vooral niet te wild te zijn.
Bij den zandhoop gekomen, zette ze Stan er boven op en hielp hem Jantje terug duwen, die dadelijk zijn plaats wilde innemen. Het werd een echte stoeipartij en de kinderen lieten gilletjes van plezier, die tot in de huiskamer doordrongen en Moeder deden opmerken, dat Wies gelukkig in een goede bui scheen te zijn, ze had eerst gedacht, dat het weer mis was en een oogenblik geaarzeld, of ze haar de kinderen wel zou toevertrouwen.
„Waarom niet?†vroeg Tante, „Wies is in ’t algemeen niet onwillig.â€
„Dat wel niet bepaald, maar in haar soort is ze egoïst, want ze is altijd met zichzelve bezig en je kunt zoo weinig op haar aan. Maar nu schijnt alles in orde te zijn, hoor ze eens een pret hebben. We kunnen met een gerust hart naar de keuken en aan ons werk gaan.â€
Een poosje stoeide het drietal vroolijk voort, toen liet Wies, blazend van de warmte zich neervallen op een bank, die vlak bij den zandhoop stond en riep lachend, de zich op haar werpende jongens van zich afduwend:
„Neen hoor, dank je wel, laat me nu een beetje met rust, het is nu mooi geweest. Ga jullie maar wat zandtaartjes maken, het is veel te warm om zoo woest te zijn.â€
De kinderen drongen nog wat tegen haar op. Jan was op debank gesprongen en kittelde haar met een gevonden veer in den hals en Stan rukte bij gebrek aan een veer een takje met bladeren af en stak haar daarmee in haar gezicht.
Wies duwde beide kabouters van zich af, ze had werk hare oogen te beschermen voor het takje van Stan.
„Schei er nu uit. Kom, ga nu lief zandtaartjes bakken, dan zal ik ze koopen.â€
„Bak je dan mee?†vroeg Jantje.
„Neen, ik moet even uitblazen.â€
Jan stond een oogenblik in gedachte. Toen nam hij zijn broertje apart en fluisterde het wat in.
„Ooo!†zei Stannie en keek schalks naar zijn zusje.
Toen liepen beiden, alsof ze van den prins geen kwaad wistenlangs de bank heen en weer en Wies, die dacht dat ze een of ander spelletje deden, lette verder niet op hen.
Opeens voelde ze zich aan beide beenen vastgegrepen en door vier kleine armen vrij krachtig naar beneden getrokken. Ze kon zich nog juist aan de leuning der bank vastgrijpen, anders zou ze leelijk gevallen zijn.
„Wil je me wel eens gauw loslaten,†riep ze quasi boos, maar ze kon bijna niet uit hare woorden komen van het lachen.
„Je moet met ons spelen,†schaterden de kinderen en spanden al hun krachten in, om haar op den grond te krijgen.
„Op die manier krijg je niets van me gedaan, laat gauw los,†en Wies hield zich nog steviger vast.
Opeens kon ze niet meer, het zenuwachtig lachen om de twee dwaze, roode kindergezichtjes, die met op elkaar geklemde tandjes uit alle macht trokken, nam al haar kracht weg. Ze liet los, en schokte van de bank op den grond, de beide jongens omver werpend, die ook loslieten en achterover, met de beentjes in de lucht op den zandhoop rolden.
Haar hoofd kreeg een leelijken schok, ze werd er een oogenblik duizelig van en zat met gesloten oogleden op den grond. Toen ze hare oogen weer opende, zag ze de jongens met verschrikte gezichtjes naar haar kijken, het onderlipje van Stan trilde zelfs verraderlijk.
„Stoute bengels,†zei ze opstaande en zich aan de bank vasthoudend, daar haar duizeligheid nog niet geheel verdwenen was, „stoute jongens, jullie hebt me pijn gedaan.â€
Jantje keek wat verlegen rond en trok een dwaas gezichtje, maar Stanneman kwam naar haar toe en vroeg:
„Pijn gedaan? Waar? Zal ik het afkussen?â€
Hij stak haar zijn gespitste lippen toe en Wies nam hem op haar arm en kuste hem.
Zoo’n lekker ventje toch!
„Over?†vroeg hij.
„Ja hoor, de pijn is weer beter.â€
Toen het kind neerzettend, stelde ze voor, wat te gaan wandelen. Van spelen werd ze heusch te warm en zich zoet alleen bezighouden, schenen ze niet te willen vandaag.
„Ja, wandelen,†zei Jan tevreden, „naar den grooten plas, hé?â€
Wies keek bedenkelijk.
Het was daar wel heel aardig bij den plas en mooi was het er ook, misschien zelfs een beetje frisscher, maar met die twee kleine, wilde jongens, zou ze dat wel mogen?
Maar kom, ze kon ze immers vasthouden, ze konden er wel heen wandelen, er even zijn en dan weer terug gaan.
„Goed,†zei ze dus, „maar bij het water moeten jullie me beiden een handje geven, hoor.â€
Dat beloofden ze, Stannie stak zijn handje al vast in de hare en Jan, de woelwater, draafde op en neer als een hondje, denzelfden weg wel driemaal afleggend.
Ze staken een paarweilandenover en gingen regelrecht op den grooten waterplas af, die daar verleidelijk in het zonlicht lag te glanzen. Toen ze naderden, greep Wies ook Jan’s handje en hield dat stevig vast. Wat was het hier mooi, het hooge riet aan den oever, met hier en daar een tros van de paars-blauwe moeraslathyrus en wat verderop de prachtige, bijna purpere schermen van de zwanebloem. Op het water de groote, witte sterren van de waterlelie, rustend op de groene bladeren, afgewisseld door het geel van de plomp. En dan die plekjes, als besneeuwd met de bloesems van de waterranonkel!
Langs, tusschen en over het riet, het bevallig gespeel van de waterjuffertjes, sommige heel klein en sierlijk, met blauwe, of roode lijfjes, andere groot, met lange, bonte lichamen, maar alle zwevend op hun vier gazen vleugeltjes, waarvan de vage kleuren schitterden in het zonlicht.
Naar het midden hield de plantengroei op en zag men het water in de helle zonnestralen fonkelen en boven dat alles de blauwe lucht, met hier en daar een wit wolkje.
Zoo mooi als vandaag, had Wies den plas nog niet gezien, zewerd er stil van en stond, met aan elke hand een kind, voor zich uit te staren, tot het dezen verveelde en Jantje aan haar hand begon te rukken, om los te komen.
Stan stiet eensklaps een kreet van plezier uit.
„Een dood vogeltje in het riet, och kijk, wat een lief beestje†en hij trok zijn zusje mee naar den waterkant en wees haar op een vogeltje, dat onderste boven aan een geknakt riet hing, zoo stil, of het leven er uit geweken was. Maar nauwelijks waren de kinderen dichter bij gekomen, of er kwam beweging in het diertje en het wierp zich letterlijk in de hoogte, meters hoog, luid zingend. Stan was blij, dat het lieve beestje leefde, maar Jan had het wel graag mee naar huis genomen. Als het dan pas thuis weer levend was geworden, had hij het in een kooitje kunnen zetten.
Wies lachte.
„Ik geloof, dat het een rietzangertje is,†zei ze, „die kunnen niet in kooien leven.â€
„Hoe weet je dat?â€
„Daar heeft Grootvader me wel eens van verteld! Maar kom, laten we nu maar gaan, we zullen eerst een beetje uitrusten, wat verder in de weide en dan terugwandelen. Jullie bent zeker ook wel moe.â€
Jan beweerde van niet, maar Wies vond het beter, dat ze wat gingen zitten, anders kwamen ze te moe thuis en kreeg zij natuurlijk de schuld.
„Kom nu naast me in het gras zitten,†zei ze, toen ze een beschaduwd plekje gevonden hadden een heel eindje van den plas, „jullie moet nu ook wat rusten.â€
„Vertel je dan wat?†vroeg Jantje.
„Ja, vertellen,†beaamde Stanneman.
„Goed, laat me dan even denken,†en Wies strekte zich gemakkelijk uit in het hooge gras en legde haar zakdoek onder haar hoofd.
„Ik ga ook op mijn zakdoek liggen,†zei Jan.
„Ga je gang,†antwoordde zijn zuster.
„Ikke ook,†zeurde Stan.
En daar het ventje geen zakdoek bleek te hebben en toch met alle geweld zijn broertje na wilde doen, gaf het eerst een beetje gekibbel, totdat Wies haar eigen zakdoek afstond.
Toen vertelde ze aan de jongens, wat Grootvader haar eens verteld had van de libellen, die eerst leelijke, grijsbruine monsters geweest waren en jaren lang gehuisd hadden op den modderbodem van sloot en plas. Daarna was er een op een mooien dag uit het slib omhoog gekropen, als een griezelig, leelijk ding langs een van de vele bloemstengels, zoo hoog, tot de zon op zijn grauw, vuil kleed scheen. Nauwelijks had de warme zonnestraal het gedrocht bereikt, of het scheurde open en te voorschijn kwam de sierlijke, mooi gekleurde libel, die ze zoo straks gezien hadden. Nu danste ze vroolijk in de zon en vergat heelemaal, dat ze zoolang op den bodem van het water geleefd had.
Wies zweeg.
Ze voelde hare oogleden zwaar worden. Het was zoo stil rondom, het scheen wel, of de kinderen ook waren ingeslapen.
Maar neen, daar klonk Jantje’s stem, hoewel wat dof:
„Meer vertellen†en de echo aan den anderen kant herhaalde slaperig, „meer vertellen.â€
De stemmetjes klonken zoo weinig helder, dat Wies begreep, dat de kinderen op het punt waren van in te slapen en dus zweeg ze, als de jongens sliepen, had ze een poosje rust en kon ze probeeren verder te verzinnen van die goede fee, die haargelukvond in het helpen en bijstaan van arme menschenkinderen.
Hè, zelf zoo’n fee te zijn, iedereen pleizier te kunnen doen, te kunnen troosten, als iemand verdriet had, te kunnen helpen, waar de nood aan den man was. Ze zag haar fee voor zich, lang, slank, het fijne gezichtje met de teedere oogen omkranst van blonde krullen, op het fiere hoofdje een klein kroontje van edelsteenen, schitterend, zoowel in zon- als in maneschijn, maar met verschillenden glans, gekleed in een lang, dun gazen kleed van allerlei teere kleuren, die heel zacht in elkander overgingen entusschen de schouderbladen vier ragfijne gazen vleugeltjes, libellenvleugels door een vergrootglas gezien. In de hand een klein gouden stafje, waarmede ze maar iets leelijks behoefde aan te raken, om het in iets heerlijk moois te veranderen, zooals de zonnestraal de leelijke pop van de libel in een wonderwezentje omtooverde. Ja, zoo moest ze er uitzien, haar fee en uit dat stokje straalde licht af en haar oogen …. die …
Wies was ingeslapen.
Na een poosje verhief zich heel stil een kleine gedaante naast haar en keek haar oplettend aan.
Voorzichtig waagde Jantje het op te staan en zich over zijn zuster heen te buigen, om te zien, of ze wel werkelijk sliep.
Ja hoor, haar mond ging een beetje open en hare oogen waren stijf dicht, maar misschien kneep ze die wel expres toe, om hen voor den gek te houden.
Hij wachtte nog even, kittelde haar zelfs met een grashalm in het gezicht, maar ze sloeg hare oogleden niet op, blijkbaar sliep ze gerust.
Toen sloop hij zachtjes naar zijn broertje en tikte hem op zijn wang.
Stan duwde de hinderlijke hand weg en sliep door.
Nog eens probeerde Jantje hem op die manier te wekken, maar hetzelfde resultaat.
Toen blies hij hem in het gezicht, wat tot uitwerking had, dat Stan begon te niezen.
Verschrikt keek Jantje naar Wies, als die wakker werd, was alles mis.
Gelukkig, ze sliep door, wat nu te doen om Stan wakker te krijgen.
Hij begon hem aan het haar te trekken, eerst zachtjes, toen harder en eindelijk, daar sloeg de slaper zijne oogleden op en greep naar zijn hoofdje.
Jan liet het haar dadelijk los en zei haast fluisterend:
„Sta gauw op, voordat Wies wakker wordt, dan gaan wesaampjes naar den plas. Ik heb straks in het riet een nest gezien, maar het zat diep, ik kon het niet goed zien. Laten we er nou naar gaan kijken.â€
Stan sloot nog even zijne oogen en gaapte, maar Jan kittelde hem op zijn oogleden en had geen rust, voordat hij rechtop zat. Toen hielp hij hem voorzichtig opstaan.
„Zachtjes,†fluisterde hij, het slaapdronken ventje meetrekkend.
Eerst slopen ze op hun teentjes door het gras, maar al gauw begonnen ze hard te loopen, Jantje telkens omkijkend, of ze niet achtervolgd werden. Alles bleek veilig, Wies sliep rustig door. Ze bereikten den plas en Jantje kreeg het nest al spoedig weer in het oog, het zat verscholen tusschen het riet, dicht bij het water. Tot hun niet geringe teleurstelling konden ze er niet in kijken, het zat te ver weg, alleen den rand konden ze zien.
„Zijn er eitjes in?†vroeg Stan.
Jan wist het niet, hij dacht het wel, er lagen immers altijd eitjes in een nest, hij had nog nooit een plaatje gezien, met een nest zonder eieren.
„Misschien wel zulke leuke eitjes als laatst in het prentenboek van tante Rie,†zei hij opgewonden, „allemaal rood en paars en een heeleboel kleuren. Ik ga eens kijken, ga je mee?â€
„Ja,†zei Stan, zijn handje vertrouwelijk in dat van zijn broertje leggend, gereed om hem te volgen door dik en door dun. Jantje duwde het riet op zij en liep er in, naar zijn idee kon men overal loopen, waar iets groeide. Hij voelde wel, dat zijne voeten nat werden, maar dat kon hem niets schelen, als hij zijn doel maar bereikte en het nest te zien kreeg. Nog een paar passen, dan waren ze er, reeds boog hij zich nieuwsgierig naar voren, daar voelde hij op eens geen grond meer onder zijne voeten, het was, alsof de aarde afbrokkelde, hij liet een schreeuw, nog een en zijn broertje met zich meetrekkend, lagen beiden in het water te spartelen.
Wies werd met een schok wakker.
Ze zat in eens rechtop en keek verwezen rond.
Had ze geslapen?
Ze dacht, dat ze maar even wat had liggen verzinnen.
Toen schoot het ineens door haar hoofd: de kinderen.
Ze keek verschrikt rond, maar zag ze niet, alleen de zakdoekjes lagen nog op de plaats, waar ze gelegen hadden.
In een wip zat ze overeind, luid hun namen roepend.
Waar konden ze heen geloopen zijn?
De plas!
Een oogenblik stond ze verdoofd, alsof ze een slag op haar hoofd gekregen had.
Toen rende ze voort in de richting, waar de groote plas lag.
Hoorde ze daar roepen? Verbeeldde ze ’t zich, of hoorde ze schreeuwen? Ze struikelde, hare beenen weigerden bijna haar te dragen, ze werd opeens zoo vreemd, ze had zoo’n benauwd gevoel op haar borst en in haar keel, ze wilde zelf roepen, maar ze kon geen geluid geven, ze hoorde nu niets meer, ze had zich zeker vergist. O, als dat waar was, als ze zoo meteen de kinderen gezond en wel terugvond.
Dat ze ook niet beter opgelet had, dat ze nu toch weer had liggen droomen en nog wel in slaap gevallen was.
Ze liep nu weer op een draf, eens viel ze over een klomp aarde, die losgewoeld was, dadelijk was ze weer op de been, daar lag de plas, ze zag geen kinderen, maar—haar hart stond bijna stil—ze hoorde een zwak geluid, een soort gekreun, een geplas …. een snik wrong zich door haar keel: de broertjes, de broertjes!
Daar kwam aan den anderen kant Teun de arbeider aangerend, had hij ook wat gehoord?
Hijgend naderde hij tegelijk met haar den plas, ze durfde haast niet kijken, ze zag eerst niets, alles was in een waas gehuld, haar adem stokte …. daar lagen ze in het water, niet ver van het riet, waarvan Jantje nog een paar gebroken stengels vastgeklemd hield. Het kind was een eindje afgedreven en lag bijna midden in den plas.
En Stan? Waar was Stan?
Ze zag hem niet.
Wat moest ze doen, wat beginnen? Ze vergat dat Teun ook gekomen was, ze wist niets anders te doen, dan wanhopend te gillen:
„Help, help!â€
Teun had intusschen een schuit, die aan den anderen kant lag, losgemaakt en boomde naar de plek, waar de kinderen lagen. Hij had al gauw Jantje te pakken, die nog half boven water was, hoewel op het punt van te zinken, maar toen hij hem in de schuit wilde trekken, voelde hij, dat hem nog iets zwaars nasleepte. Jan had het handje van zijn broertje niet losgelaten, ook niet toen dit zijn bewustzijn verloor en begon te zinken. Met de eene hand krampachtig de gebroken rietstengels vasthoudend, alsof die hem steun konden geven, had hij met de anderehet handje stevig omklemd gehouden. Voorzichtig boog Teun zich over het water en trok het bewustelooze lichaampje van kleine Stan naar boven. De schuit kantelde bijna, schepte heel wat water, maar het gelukte, beide kinderen waren gered, ten minste uit het water gehaald.
Naar Stan ziende, schudde Teun bedenkelijk zijn hoofd.
Was het een kind, of een lijkje, dat daar lag?
Wies stond dat alles roerloos en wanhopend aan te zien.
Van haar kant kon ze niets doen, had ze ook maar kunnen handelen, maar daar zoo te staan, de schuit bijna te zien kantelen, het schijnbaar levenlooze lichaampje van den kleinen lieveling te zien ophalen, het was vreeselijk.
En door haar schuld, alles door haar schuld!
Teun boomde de schuit weer naar den anderen oever, waar geen riet stond.
„Loop om,†schreeuwde hij tot haar, „dan kunt u me helpen.â€
Helpen!
Dat drong tot haar gemartelde hersens door. Ze gehoorzaamde dadelijk en hoewel hare knieën knikten en haar hart vreemd bonsde in haar keel, liep ze zoo vlug ze kon naar de plek, waar de schuit lag.
„Neem eens aan,†beval Teun, haar Jantje toereikend, die bibberend en schreiend, maar goed bij bewustzijn, in hare armen gelegd werd.
Toen volgde Teun met het bewustelooze lichaampje van kleinen Stan.
Hij legde het kind met het buikje over zijn gebogen knie, met het hoofd naar beneden en begon zachtjes op den rug te kloppen en te drukken.
Een golf water kwam uit het kleine mondje.
„Doet u nu net zoo met Jan,†beval Teun.
Toen ziende, dat Stan de oogjes niet opsloeg, zei hij dat hij er niets beters op wist, dan hem zoo gauw mogelijk naar huis te dragen, dan kon hij daar verder behandeld worden. Jan moestook naar huis om zijn natte plunje uit te doen en dan zoo gauw mogelijk onder de dekens.
„Kan je loopen?†vroeg hij het nu hevig huilende kind, „toe vooruit, zoo hard je kunt. Neem hem bij een hand en trek hem voort,†vervolgde hij tot Wies, „en loopdanvlug naar huis om te waarschuwen, dat ik kom met den kleinen jongeheer. Allo, jong, vooruit,†zei hij nog, Jantje een duw gevend, „loopen mot je, zoo hard je kunt, anders wor’ je doodziek.â€
En toen Jantje niet voortging, belemmerd door zijn natte kleeren, gaf hij hem lachend een tik met zijn vlakke hand tegen zijn broekje en dreigde:
„Vooruit hoor, of ik zal je.â€
Jantje strompelde weg, voortgetrokken door Wies, die hem graag gedragenhad, maar Teun beweerde, dat hij zich bewegen moest om warm te worden.
Wies liep zoo hard het maar mogelijk was met het wederstrevende kind aan de hand, ze liep voort, omdat ze zich bewust was, dat ze moest; hoe ze haar moeder onder de oogen zou durven komen, wist ze niet.
Ze was als versuft, ze kon niet denken, ze was zich alleen bewust, dat er iets vreeselijks gebeurd was en dat zij daar schuld aan had.
Toen ze het huis naderde, zag ze haar moeder al op den uitkijk staan, die, juist klaar met haar inmaak, gemerkt had, dat Wies met de kinderen uit den tuin verdwenen was. Ze kwam hen tegemoet en het druipnatte kind ziende, vroeg ze angstig: „Wat is er gebeurd? Waar is Stan?â€
Wies wees achter zich, waar Teun met het kind aankwam en haar moeder vloog er op af, na Wies toegeroepen te hebben: „Breng Jan naar tante Marie.â€
Deze kwam al kijken, wat er gaande was en nam Jantje dadelijk mee naar binnen, waar ze hem begon uit te kleeden en af te wrijven.
Intusschen kwam ook Moeder met Stannie aan, die ze van Teun had overgenomen, opdat hij dadelijk naar een dokter zou kunnen gaan. Naar Wies keek niemand om en ze sloop weg, naar haar slaapkamer, niet wetend, wat te doen, bang voor de nabijheid van anderen en nog banger voor de eenzaamheid, in grooten angst over het lot van de kinderen en er toch niet bij durvend gaan, om te weten, hoe alles afloopen zou.
Ze strompelde naar binnen, hare beenen wilden niet meer voort en ze liet zich voor het bed neervallen, met haar gezicht in de sprei gedrukt.
„O neen, neen, neen,†kreunde ze, „o neen, dat niet, dat niet.â€
En toen weer kermend:
„Mijn lieve, kleine Stan, mijn lieve, kleine Stan.â€
Ze drukte hare handen stijf tegen haar gesloten oogen, om het visioen kwijt te raken, dat haar onduldbaar kwelde, het visioen van het kleine, druipende, levenlooze lichaam van haar broertje,zooals ze het Teun uit het water had zien halen, de armpjes en het hoofdje slap neerhangend en overal water uitdruipend, uit de natte kleertjes en uit de, aan het hoofd geplakte, blonde krulletjes. Maar het hielp haar niet, ze perste hare oogleden zoo sterk tegen de oogen, dat ze roode en paarse sterren begon te zien, maar tusschen die verwarde kleurvlekken, lag de kleine, witte gestalte, schijnbaar levenloos.
Ze sprong op, zóó kon ze het niet meer uithouden.
Zou de dokter er al zijn?
Zou ze naar beneden durven gaan?
Als ze maar wist, goede tijding te krijgen, als ze maar niet bang was, te moeten hooren, wat ze niet hooren kon, als ze aan de mogelijkheid dacht, die noodlottige woorden te moeten vernemen, kreeg ze een gevoel, of ze stikken zou, een behoefte om luid te gillen, om zich lucht te verschaffen.
Neen, het kon niet zijn, ze zou dan ook niet verder kunnen leven, met die schuld bezwaard,mochtze niet blijven leven. Hoe zou Moeder haar ooit meer in haar nabijheid kunnen dulden, als door haar schuld ….
En Vader? En Grootmoedertje?
Hoe zou ze voort kunnen leven, met dat visioen voor oogen en daarnaast het beeld van het kind, zooals het aan hare zorgen was toevertrouwd, schattig klein ventje met zijn blonden krullebol en lieve oogjes.
En dan te weten, dat, als ze op hem gelet had, als ze niet had toegegeven aan die noodlottige neiging tot droomen, als ze wakker was geweest en flink, als ze niet expres gezwegen had in de hoop, dat ze in slaap zouden raken, ze kende Jantje toch en wist, dat men hem eigenlijk geen oogenblik vertrouwen kon, als ze, in één woord, haar plicht gedaan had ….
Wat had Grootmoeder ook gezegd?
„Ik ben zoo bang voor de lessen, die het leven je geven zal, in het leven heerscht onverbiddelijk de wet van oorzaak en gevolg.â€
Oorzaak: ze had niet willen luisteren naar de waarschuwingen van allen, die het goed met haar meenden.
Gevolg: ze was de schuld van den dood ….
Neen, neen, neen, niet dat woord, dat afschuwelijke, dat onherroepelijke woord.
Ze hield hare ooren dicht, alsof ze bang was, het te hooren uit de geluiden, die haar omringden, uit het tikken van de klok, uit het kraken van een oude kast, uit het getwetter van de zwaluwen onder de dakgoot. Ze kroop nu letterlijk over den grond, ze wrong zich in wanhoop in allerlei bochten, zoo naderde ze de deur en duwde die op een reet. Half opgericht, luisterde ze, of ze iets hooren kon, van wat er beneden voorviel. Maar geen geluid drong tot haar door. Ze richtte zich op hare knieën en streek het verwarde haar uit haar gezicht en met groote, angstige oogen voor zich uitstarend, luisterde ze nog intenser.
Niets, dan de stilte van den ….
Neen, het kon niet zijn, het was niet waar.
Ze klemde hare tanden op elkaar en schudde herhaaldelijk woest met ’t hoofd.
Neen, een harde les had het leven haar willen geven, maar geen slag, die haar voor goed neervelde.
Neen, een harde les had ze noodig gehad, ze erkende het, ze was laf geweest, maar geen straf, die niet alleen haar voor altijd ongelukkig zou maken, maar allen, Vader, Moeder, Grootvader, Grootmoeder, Marietje, de broers.
Neen, het was zóó voldoende geweest, nooit zou ze dit wanhoopsuur vergeten, ze deed de plechtige belofte, een belofte, die ze niet breken zou, dat van dit oogenblik het uit zou zijn met alle gedroom, ze zou zich beteren, als het haar moeielijk viel zou ze aan dit uur denken, ze nam de harde les aan.
Ze was opgestaan en stond nu midden in de kamer, hare oogen gericht op het open raam, waardoor ze den helderen hemel kon zien en onwillekeurig strekte ze beide armen uit naar het uitspansel, dat daar rustig en blauw zich welfde.
„Ik beloof het,†zei ze nog eens.
Een oogenblik staarden hare oogen in het ruime verschiet, toen liet ze haar hoofd zinken en barstte in snikken uit.
Dat deed haar goed, de spanning week wat en ze besloot naar beneden te gaan. Ze moest weten, waar ze aan toe was, het ergste kon het niet zijn.
Ze opende haar deur en liep het portaal op naar de trap.
Zou ze durven?
Hoe zouden ze haar beneden ontvangen, maar ze moest toch gaan, ze wilde weten.
De zekerheid van daareven, dat het vreeselijke niet gebeurd kon zijn, verliet haar. Weer overviel haar dat gevoel van benauwdheid, van niet kunnen ademen, ze klemde zich aan de trapleuning vast, om niet te vallen, ze voelde zich duizelig.
Daar ging een deur open, daar kwam iemand de trap op, het was tante Marie. Ze deinsde achteruit, ze verborg haar hoofd achter haar arm, als om een slag af te weren.
„Tante,†kreunde ze.
Haar tante was nu boven gekomen en trok haar mee de kamer in.
„Stan?â€
Het kwam er schor uit.
„Je mag wel dankbaar zijn, Louise, het kind is bijgekomen en de dokter ziet er verder geen bezwaar in. Veel had het niet gescheeld, of je hadt den dood van je broertje op je geweten gehad.â€
Wies staarde haar tante aan, alsof ze haar niet begreep.
Toen viel ze haar eensklaps om den hals en kuste haar zoo woest, dat ze haar pijn deed.
Ze slopen op hun teentjes door het gras.Ze slopen op hun teentjes door het gras.
Ze slopen op hun teentjes door het gras.
„Voorzichtig wat, je doet me pijn, stel je toch niet dadelijk zoo aan. Hou je nu bedaard en vergeet nooit waar je vandaag voor gespaard bent gebleven.â€
Wies was op een stoel neergevallen en snikte, snikte, alsof haar hart breken zou.
Maar het waren tranen van verluchting en dankbaarheid.