Tiende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Zoo’n zwak willetje!Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ze en met kloppend hart volgde ze hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te gaan zitten.„Je begrijpt zeker wel,” zei hij, „waarover ik het eens met je wilde hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder meschreef, dat je niet was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is.”Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik van haar grootvader.Ze had haar gewoonexcuusvan het niet te kunnen helpen, op hare lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.„Nu, Wies,” drong haar grootvader aan.„Ik weet het niet,” stotterde ze.„Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik niet tevreden mee. Kijk eens kind,” vervolgde hij, wat dichter bij haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, „de zaak is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, volgens haar. Is dat zoo? Voel je ’t op school niet te kunnen volgen, al span je je in?”Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.„Ik weet het niet,” fluisterde ze alweer.Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.„Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je beter werken of niet, ja of neen.”Wies zweeg een oogenblik.Toen mompelde ze:„Ja, geloof ik.”„Dus ja. Waarom heb je dan van ’t jaar zoo slecht opgepast?”Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.„Ik dwaal zoo gauw af.”„Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?”Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.„Neen, Grootvader,” zei ze beslist, „ik geloof niet, dat ik daar iets aan doen kan, het gaat altijd vanzelf.”Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar volkomen ernstig.Daarna zei hij verwijtend:„Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, „willen is kunnen?”Wies haalde hare schouders op.„Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders bezig ben.”„Waarmee alzoo?”Wies kleurde hevig.Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.„Aan van alles,” zei ze nauw hoorbaar.„In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en datmoet dan maar gesterkt worden door prikkels van buiten af. Jemoetleeren, men komt er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af te nemen.”„Gelukkig.”„Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van je te maken.”„Ikeen flinke huishoudster!”„Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat nergens nut voor is?”Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren te schrijven.Ze zweeg dus maar.„Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?”„Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit.”„Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de oplossing zelf.”Wies’ oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie bedorven.„Maar Grootvader,” protesteerde ze.„Zoo gebeurt het,” zei haar grootvader streng.Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:„Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning beloond te worden door goede resultaten,” voegde hij er vroolijk bij.Wies zuchtte.„Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten,” zei ze, „want ik kan ze toch niet vinden.”„Kom, kom, dat zal zoo’n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af.”Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten gaan blokken.Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon nijdig tegen het houtwerk te schoppen.Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de lange vacantie.Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar den heelen dag er over te laten tobben.Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch eerst kunnen.Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, zou het misschien wel gaan en wat getroostging ze aan de schrijftafel zitten en begon te werken.En werkelijk, het ging.Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat was er tenminste één.Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die straal vallen?Ze rekte zich eens uit.Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.Zoo gezegd, zoo gedaan.Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te voelen. Wat rolde daar op haar schrift?„O, een rups, zoo’n ruwe, groene, met een staart.”Wat een leuk beest.Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo’n schade deed aan de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.„Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo’n vraatzuchtig beest, daarom ben je zeker zoo dik,” zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo’n groene, kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder met donkere vlekjes.Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat heteigenlijkgeen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en die groote teere vleugels.Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo’n vlinder, altijd in de zon te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.„Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg,” en ze nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.Kom ze moest werken.De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk al die lichtkringetjes op haar papier.Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar zoo aardig zong?Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere vogel zong.Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de groene bladeren.Wat een snoezig vogeltje.Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels hooren zingen.Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.„De spotvogel,” schoot het eensklaps door haar brein, „die is het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek.”Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam haar potlood op.Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, het klonk zoo aardig.Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze lachend overlas.Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,Jij hoeft geen sommen te repeteeren.Spotvogel, spotvogel, ’t staat je niet mooi,Als men jou eens sloot in een kooi,Dan zou je ’t spotten wel verleeren,En hartelijk je vrijheid begeeren.Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,Ga gerust door met je lustig gezang,Houd ze maar allemaal voor den mal,Niemand, die dat deren zal.Spot er maar lustig op los, kleine vent,Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.Moet ik niet dragen gespot en geplaag,Omdat ik ’t nu en dan eens waag,Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,Aan elfen, kabouters en zulke snaken,Aan nimfen, aan rupsen en kapellenAan ’t water juffertje, de sierlijke libelle,Aan …..Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potloodte knabbelen en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was het niets.Eensklaps schrok ze op.Wat hoorde ze daar?Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest er vijf maken.Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, als ze maar niet zoo afgedwaald was.„Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?”„Ja, ik kom,” en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de andere naar den inktkoker.„Geef maar hier,” zei Marietje, „je laat je pennehouder liggen en je potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?”Wies schudde van neen.Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank en nam haar plaats aan tafel in.Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante geholpen had met erwtjes doppen.„En jij, Wies?” vroeg Grootvader, „eerst je sommen gemaakt en toen nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen hooren.”Wies zag er verlegen uit.„Ik ben niet klaar gekomen,” zei ze zacht.Grootvader keek verwonderd.„Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Ochkom, het was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet je me straks maar eens laten zien,” en hij begon over iets anders.Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.„Ga even mee met je werk, Wies,” zei hij.Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.„Zie zoo,” zei hij, op zijn opgewekten toon, „laat me nu maar eens zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt.”Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het beschrevene nog veel minder.Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.„Kom dan, je werk,” en hij stak zijn hand uit.Wat moest ze doen?Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan laten, dat ze niets had uitgevoerd.Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit de hand.Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.„Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd,” en zijne anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot een leugentje.„Het blad is weggewaaid.”„Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen grijpen?”Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.„Ik was even opgestaan,” fluisterde ze.„O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je er al af, allemaal?”„Neen, ik moest er nog een paar maken.”„Nog twee?”„Neen, drie.”„Kon je ze niet vinden?”„Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien.”Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.„Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten.”Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen toestand achter.Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje te kunnen doen.Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!„Wies Ongeluk, Wies Ongeluk,” zuchtte ze.Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude kennissen van moeder. Ze draaidehaar stoel zoo, dat ze met haar rug naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht bij haar werk te houden.En het gelukte.Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.„Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten.”„Hoe gezellig,” en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.Wies schoof dicht tegen haar aan.„Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?”„Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, ze zullen wel weer gauw terugkomen.”„Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven,” zei Wies.„Dat vind ik ook,” lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele jaar naar verlangde.Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.„Zeg, schatje,” vroeg ze eensklaps, „vindt u jokken altijd even erg?”„Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men doen kan.”„Altijd?”„Ja, altijd.”„En een leugentje uit nood?”„Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, te jokken.”Wies zweeg een oogenblik.„Je kunt het soms niet laten,” zei ze toen.„Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt toch niet gejokt?”Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar grootmoeders schoot.„Dat heb ik wel,” fluisterde ze.Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.„Dat spijt me erg,” zei ze toen.„Het was maar een klein leugentje,” beweerde Wies zacht.„Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je gejokt?”„Tegen Grootvader.”„Tegen Grootvader? Maar Wiesje?”Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.„U mag het ook niet vertellen,” voegde ze er dringend bij, „als ’t u blieft niet.”„Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel doen zult.”„Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon.”„Een halve waarheid,” vond Grootmoeder.„Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet voor de waarheid durfde uitkomen.”Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.„Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk de waarheid.”Wies aarzelde.Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.„Ik kan niet, Grootmoesje,” zei ze, „heusch, ik kan niet.”

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Zoo’n zwak willetje!Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ze en met kloppend hart volgde ze hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te gaan zitten.„Je begrijpt zeker wel,” zei hij, „waarover ik het eens met je wilde hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder meschreef, dat je niet was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is.”Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik van haar grootvader.Ze had haar gewoonexcuusvan het niet te kunnen helpen, op hare lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.„Nu, Wies,” drong haar grootvader aan.„Ik weet het niet,” stotterde ze.„Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik niet tevreden mee. Kijk eens kind,” vervolgde hij, wat dichter bij haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, „de zaak is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, volgens haar. Is dat zoo? Voel je ’t op school niet te kunnen volgen, al span je je in?”Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.„Ik weet het niet,” fluisterde ze alweer.Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.„Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je beter werken of niet, ja of neen.”Wies zweeg een oogenblik.Toen mompelde ze:„Ja, geloof ik.”„Dus ja. Waarom heb je dan van ’t jaar zoo slecht opgepast?”Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.„Ik dwaal zoo gauw af.”„Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?”Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.„Neen, Grootvader,” zei ze beslist, „ik geloof niet, dat ik daar iets aan doen kan, het gaat altijd vanzelf.”Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar volkomen ernstig.Daarna zei hij verwijtend:„Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, „willen is kunnen?”Wies haalde hare schouders op.„Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders bezig ben.”„Waarmee alzoo?”Wies kleurde hevig.Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.„Aan van alles,” zei ze nauw hoorbaar.„In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en datmoet dan maar gesterkt worden door prikkels van buiten af. Jemoetleeren, men komt er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af te nemen.”„Gelukkig.”„Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van je te maken.”„Ikeen flinke huishoudster!”„Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat nergens nut voor is?”Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren te schrijven.Ze zweeg dus maar.„Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?”„Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit.”„Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de oplossing zelf.”Wies’ oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie bedorven.„Maar Grootvader,” protesteerde ze.„Zoo gebeurt het,” zei haar grootvader streng.Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:„Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning beloond te worden door goede resultaten,” voegde hij er vroolijk bij.Wies zuchtte.„Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten,” zei ze, „want ik kan ze toch niet vinden.”„Kom, kom, dat zal zoo’n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af.”Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten gaan blokken.Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon nijdig tegen het houtwerk te schoppen.Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de lange vacantie.Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar den heelen dag er over te laten tobben.Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch eerst kunnen.Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, zou het misschien wel gaan en wat getroostging ze aan de schrijftafel zitten en begon te werken.En werkelijk, het ging.Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat was er tenminste één.Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die straal vallen?Ze rekte zich eens uit.Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.Zoo gezegd, zoo gedaan.Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te voelen. Wat rolde daar op haar schrift?„O, een rups, zoo’n ruwe, groene, met een staart.”Wat een leuk beest.Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo’n schade deed aan de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.„Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo’n vraatzuchtig beest, daarom ben je zeker zoo dik,” zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo’n groene, kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder met donkere vlekjes.Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat heteigenlijkgeen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en die groote teere vleugels.Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo’n vlinder, altijd in de zon te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.„Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg,” en ze nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.Kom ze moest werken.De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk al die lichtkringetjes op haar papier.Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar zoo aardig zong?Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere vogel zong.Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de groene bladeren.Wat een snoezig vogeltje.Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels hooren zingen.Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.„De spotvogel,” schoot het eensklaps door haar brein, „die is het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek.”Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam haar potlood op.Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, het klonk zoo aardig.Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze lachend overlas.Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,Jij hoeft geen sommen te repeteeren.Spotvogel, spotvogel, ’t staat je niet mooi,Als men jou eens sloot in een kooi,Dan zou je ’t spotten wel verleeren,En hartelijk je vrijheid begeeren.Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,Ga gerust door met je lustig gezang,Houd ze maar allemaal voor den mal,Niemand, die dat deren zal.Spot er maar lustig op los, kleine vent,Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.Moet ik niet dragen gespot en geplaag,Omdat ik ’t nu en dan eens waag,Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,Aan elfen, kabouters en zulke snaken,Aan nimfen, aan rupsen en kapellenAan ’t water juffertje, de sierlijke libelle,Aan …..Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potloodte knabbelen en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was het niets.Eensklaps schrok ze op.Wat hoorde ze daar?Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest er vijf maken.Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, als ze maar niet zoo afgedwaald was.„Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?”„Ja, ik kom,” en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de andere naar den inktkoker.„Geef maar hier,” zei Marietje, „je laat je pennehouder liggen en je potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?”Wies schudde van neen.Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank en nam haar plaats aan tafel in.Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante geholpen had met erwtjes doppen.„En jij, Wies?” vroeg Grootvader, „eerst je sommen gemaakt en toen nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen hooren.”Wies zag er verlegen uit.„Ik ben niet klaar gekomen,” zei ze zacht.Grootvader keek verwonderd.„Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Ochkom, het was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet je me straks maar eens laten zien,” en hij begon over iets anders.Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.„Ga even mee met je werk, Wies,” zei hij.Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.„Zie zoo,” zei hij, op zijn opgewekten toon, „laat me nu maar eens zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt.”Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het beschrevene nog veel minder.Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.„Kom dan, je werk,” en hij stak zijn hand uit.Wat moest ze doen?Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan laten, dat ze niets had uitgevoerd.Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit de hand.Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.„Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd,” en zijne anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot een leugentje.„Het blad is weggewaaid.”„Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen grijpen?”Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.„Ik was even opgestaan,” fluisterde ze.„O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je er al af, allemaal?”„Neen, ik moest er nog een paar maken.”„Nog twee?”„Neen, drie.”„Kon je ze niet vinden?”„Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien.”Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.„Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten.”Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen toestand achter.Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje te kunnen doen.Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!„Wies Ongeluk, Wies Ongeluk,” zuchtte ze.Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude kennissen van moeder. Ze draaidehaar stoel zoo, dat ze met haar rug naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht bij haar werk te houden.En het gelukte.Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.„Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten.”„Hoe gezellig,” en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.Wies schoof dicht tegen haar aan.„Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?”„Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, ze zullen wel weer gauw terugkomen.”„Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven,” zei Wies.„Dat vind ik ook,” lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele jaar naar verlangde.Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.„Zeg, schatje,” vroeg ze eensklaps, „vindt u jokken altijd even erg?”„Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men doen kan.”„Altijd?”„Ja, altijd.”„En een leugentje uit nood?”„Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, te jokken.”Wies zweeg een oogenblik.„Je kunt het soms niet laten,” zei ze toen.„Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt toch niet gejokt?”Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar grootmoeders schoot.„Dat heb ik wel,” fluisterde ze.Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.„Dat spijt me erg,” zei ze toen.„Het was maar een klein leugentje,” beweerde Wies zacht.„Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je gejokt?”„Tegen Grootvader.”„Tegen Grootvader? Maar Wiesje?”Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.„U mag het ook niet vertellen,” voegde ze er dringend bij, „als ’t u blieft niet.”„Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel doen zult.”„Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon.”„Een halve waarheid,” vond Grootmoeder.„Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet voor de waarheid durfde uitkomen.”Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.„Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk de waarheid.”Wies aarzelde.Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.„Ik kan niet, Grootmoesje,” zei ze, „heusch, ik kan niet.”

Tiende Hoofdstuk.Tiende Hoofdstuk.Zoo’n zwak willetje!

Tiende Hoofdstuk.

Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.„Daar zal je ’t hebben,” dacht ze en met kloppend hart volgde ze hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te gaan zitten.„Je begrijpt zeker wel,” zei hij, „waarover ik het eens met je wilde hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder meschreef, dat je niet was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is.”Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik van haar grootvader.Ze had haar gewoonexcuusvan het niet te kunnen helpen, op hare lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.„Nu, Wies,” drong haar grootvader aan.„Ik weet het niet,” stotterde ze.„Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik niet tevreden mee. Kijk eens kind,” vervolgde hij, wat dichter bij haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, „de zaak is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, volgens haar. Is dat zoo? Voel je ’t op school niet te kunnen volgen, al span je je in?”Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.„Ik weet het niet,” fluisterde ze alweer.Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.„Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je beter werken of niet, ja of neen.”Wies zweeg een oogenblik.Toen mompelde ze:„Ja, geloof ik.”„Dus ja. Waarom heb je dan van ’t jaar zoo slecht opgepast?”Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.„Ik dwaal zoo gauw af.”„Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?”Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.„Neen, Grootvader,” zei ze beslist, „ik geloof niet, dat ik daar iets aan doen kan, het gaat altijd vanzelf.”Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar volkomen ernstig.Daarna zei hij verwijtend:„Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, „willen is kunnen?”Wies haalde hare schouders op.„Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders bezig ben.”„Waarmee alzoo?”Wies kleurde hevig.Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.„Aan van alles,” zei ze nauw hoorbaar.„In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en datmoet dan maar gesterkt worden door prikkels van buiten af. Jemoetleeren, men komt er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af te nemen.”„Gelukkig.”„Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van je te maken.”„Ikeen flinke huishoudster!”„Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat nergens nut voor is?”Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren te schrijven.Ze zweeg dus maar.„Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?”„Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit.”„Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de oplossing zelf.”Wies’ oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie bedorven.„Maar Grootvader,” protesteerde ze.„Zoo gebeurt het,” zei haar grootvader streng.Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:„Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning beloond te worden door goede resultaten,” voegde hij er vroolijk bij.Wies zuchtte.„Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten,” zei ze, „want ik kan ze toch niet vinden.”„Kom, kom, dat zal zoo’n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af.”Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten gaan blokken.Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon nijdig tegen het houtwerk te schoppen.Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de lange vacantie.Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar den heelen dag er over te laten tobben.Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch eerst kunnen.Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, zou het misschien wel gaan en wat getroostging ze aan de schrijftafel zitten en begon te werken.En werkelijk, het ging.Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat was er tenminste één.Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die straal vallen?Ze rekte zich eens uit.Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.Zoo gezegd, zoo gedaan.Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te voelen. Wat rolde daar op haar schrift?„O, een rups, zoo’n ruwe, groene, met een staart.”Wat een leuk beest.Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo’n schade deed aan de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.„Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo’n vraatzuchtig beest, daarom ben je zeker zoo dik,” zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo’n groene, kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder met donkere vlekjes.Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat heteigenlijkgeen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en die groote teere vleugels.Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo’n vlinder, altijd in de zon te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.„Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg,” en ze nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.Kom ze moest werken.De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk al die lichtkringetjes op haar papier.Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar zoo aardig zong?Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere vogel zong.Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de groene bladeren.Wat een snoezig vogeltje.Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels hooren zingen.Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.„De spotvogel,” schoot het eensklaps door haar brein, „die is het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek.”Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam haar potlood op.Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, het klonk zoo aardig.Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze lachend overlas.Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,Jij hoeft geen sommen te repeteeren.Spotvogel, spotvogel, ’t staat je niet mooi,Als men jou eens sloot in een kooi,Dan zou je ’t spotten wel verleeren,En hartelijk je vrijheid begeeren.Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,Ga gerust door met je lustig gezang,Houd ze maar allemaal voor den mal,Niemand, die dat deren zal.Spot er maar lustig op los, kleine vent,Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.Moet ik niet dragen gespot en geplaag,Omdat ik ’t nu en dan eens waag,Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,Aan elfen, kabouters en zulke snaken,Aan nimfen, aan rupsen en kapellenAan ’t water juffertje, de sierlijke libelle,Aan …..Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potloodte knabbelen en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was het niets.Eensklaps schrok ze op.Wat hoorde ze daar?Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest er vijf maken.Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, als ze maar niet zoo afgedwaald was.„Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?”„Ja, ik kom,” en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de andere naar den inktkoker.„Geef maar hier,” zei Marietje, „je laat je pennehouder liggen en je potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?”Wies schudde van neen.Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank en nam haar plaats aan tafel in.Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante geholpen had met erwtjes doppen.„En jij, Wies?” vroeg Grootvader, „eerst je sommen gemaakt en toen nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen hooren.”Wies zag er verlegen uit.„Ik ben niet klaar gekomen,” zei ze zacht.Grootvader keek verwonderd.„Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Ochkom, het was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet je me straks maar eens laten zien,” en hij begon over iets anders.Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.„Ga even mee met je werk, Wies,” zei hij.Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.„Zie zoo,” zei hij, op zijn opgewekten toon, „laat me nu maar eens zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt.”Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het beschrevene nog veel minder.Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.„Kom dan, je werk,” en hij stak zijn hand uit.Wat moest ze doen?Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan laten, dat ze niets had uitgevoerd.Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit de hand.Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.„Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd,” en zijne anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot een leugentje.„Het blad is weggewaaid.”„Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen grijpen?”Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.„Ik was even opgestaan,” fluisterde ze.„O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je er al af, allemaal?”„Neen, ik moest er nog een paar maken.”„Nog twee?”„Neen, drie.”„Kon je ze niet vinden?”„Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien.”Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.„Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten.”Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen toestand achter.Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje te kunnen doen.Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!„Wies Ongeluk, Wies Ongeluk,” zuchtte ze.Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude kennissen van moeder. Ze draaidehaar stoel zoo, dat ze met haar rug naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht bij haar werk te houden.En het gelukte.Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.„Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten.”„Hoe gezellig,” en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.Wies schoof dicht tegen haar aan.„Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?”„Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, ze zullen wel weer gauw terugkomen.”„Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven,” zei Wies.„Dat vind ik ook,” lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele jaar naar verlangde.Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.„Zeg, schatje,” vroeg ze eensklaps, „vindt u jokken altijd even erg?”„Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men doen kan.”„Altijd?”„Ja, altijd.”„En een leugentje uit nood?”„Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, te jokken.”Wies zweeg een oogenblik.„Je kunt het soms niet laten,” zei ze toen.„Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt toch niet gejokt?”Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar grootmoeders schoot.„Dat heb ik wel,” fluisterde ze.Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.„Dat spijt me erg,” zei ze toen.„Het was maar een klein leugentje,” beweerde Wies zacht.„Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je gejokt?”„Tegen Grootvader.”„Tegen Grootvader? Maar Wiesje?”Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.„U mag het ook niet vertellen,” voegde ze er dringend bij, „als ’t u blieft niet.”„Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel doen zult.”„Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon.”„Een halve waarheid,” vond Grootmoeder.„Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet voor de waarheid durfde uitkomen.”Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.„Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk de waarheid.”Wies aarzelde.Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.„Ik kan niet, Grootmoesje,” zei ze, „heusch, ik kan niet.”

Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.

„Daar zal je ’t hebben,” dacht ze en met kloppend hart volgde ze hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te gaan zitten.

„Je begrijpt zeker wel,” zei hij, „waarover ik het eens met je wilde hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder meschreef, dat je niet was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is.”

Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik van haar grootvader.

Ze had haar gewoonexcuusvan het niet te kunnen helpen, op hare lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.

„Nu, Wies,” drong haar grootvader aan.

„Ik weet het niet,” stotterde ze.

„Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik niet tevreden mee. Kijk eens kind,” vervolgde hij, wat dichter bij haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, „de zaak is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, volgens haar. Is dat zoo? Voel je ’t op school niet te kunnen volgen, al span je je in?”

Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.

„Ik weet het niet,” fluisterde ze alweer.

Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.

„Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je beter werken of niet, ja of neen.”

Wies zweeg een oogenblik.

Toen mompelde ze:

„Ja, geloof ik.”

„Dus ja. Waarom heb je dan van ’t jaar zoo slecht opgepast?”

Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.

„Ik dwaal zoo gauw af.”

„Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?”

Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.

„Neen, Grootvader,” zei ze beslist, „ik geloof niet, dat ik daar iets aan doen kan, het gaat altijd vanzelf.”

Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar volkomen ernstig.

Daarna zei hij verwijtend:

„Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, „willen is kunnen?”

Wies haalde hare schouders op.

„Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders bezig ben.”

„Waarmee alzoo?”

Wies kleurde hevig.

Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.

„Aan van alles,” zei ze nauw hoorbaar.

„In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en datmoet dan maar gesterkt worden door prikkels van buiten af. Jemoetleeren, men komt er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af te nemen.”

„Gelukkig.”

„Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van je te maken.”

„Ikeen flinke huishoudster!”

„Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat nergens nut voor is?”

Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren te schrijven.

Ze zweeg dus maar.

„Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?”

„Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit.”

„Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de oplossing zelf.”

Wies’ oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie bedorven.

„Maar Grootvader,” protesteerde ze.

„Zoo gebeurt het,” zei haar grootvader streng.

Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:

„Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning beloond te worden door goede resultaten,” voegde hij er vroolijk bij.

Wies zuchtte.

„Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten,” zei ze, „want ik kan ze toch niet vinden.”

„Kom, kom, dat zal zoo’n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af.”

Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten gaan blokken.

Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon nijdig tegen het houtwerk te schoppen.

Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de lange vacantie.

Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar den heelen dag er over te laten tobben.

Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch eerst kunnen.

Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.

Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, zou het misschien wel gaan en wat getroostging ze aan de schrijftafel zitten en begon te werken.

En werkelijk, het ging.

Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat was er tenminste één.

Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.

Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.

En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die straal vallen?

Ze rekte zich eens uit.

Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.

Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.

Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te voelen. Wat rolde daar op haar schrift?

„O, een rups, zoo’n ruwe, groene, met een staart.”

Wat een leuk beest.

Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo’n schade deed aan de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.

„Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo’n vraatzuchtig beest, daarom ben je zeker zoo dik,” zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo’n groene, kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder met donkere vlekjes.

Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat heteigenlijkgeen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en die groote teere vleugels.

Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo’n vlinder, altijd in de zon te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.

Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.

„Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg,” en ze nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.

Kom ze moest werken.

De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.

Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk al die lichtkringetjes op haar papier.

Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar zoo aardig zong?

Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.

Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere vogel zong.

Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de groene bladeren.

Wat een snoezig vogeltje.

Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels hooren zingen.

Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.

„De spotvogel,” schoot het eensklaps door haar brein, „die is het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek.”

Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam haar potlood op.

Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?

Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, het klonk zoo aardig.

Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze lachend overlas.

Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,Jij hoeft geen sommen te repeteeren.Spotvogel, spotvogel, ’t staat je niet mooi,Als men jou eens sloot in een kooi,Dan zou je ’t spotten wel verleeren,En hartelijk je vrijheid begeeren.Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,Ga gerust door met je lustig gezang,Houd ze maar allemaal voor den mal,Niemand, die dat deren zal.Spot er maar lustig op los, kleine vent,Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.Moet ik niet dragen gespot en geplaag,Omdat ik ’t nu en dan eens waag,Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,Aan elfen, kabouters en zulke snaken,Aan nimfen, aan rupsen en kapellenAan ’t water juffertje, de sierlijke libelle,Aan …..

Spotvogel, spotvogel, oolijke guit,

Spotvogel, spotvogel, lach je me uit?

Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren,

Jij hoeft geen sommen te repeteeren.

Spotvogel, spotvogel, ’t staat je niet mooi,

Als men jou eens sloot in een kooi,

Dan zou je ’t spotten wel verleeren,

En hartelijk je vrijheid begeeren.

Aardig geelbuikje, wees maar niet bang,

Ga gerust door met je lustig gezang,

Houd ze maar allemaal voor den mal,

Niemand, die dat deren zal.

Spot er maar lustig op los, kleine vent,

Mij hindert het niet, ik ben dat gewend.

Moet ik niet dragen gespot en geplaag,

Omdat ik ’t nu en dan eens waag,

Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken,

Aan elfen, kabouters en zulke snaken,

Aan nimfen, aan rupsen en kapellen

Aan ’t water juffertje, de sierlijke libelle,

Aan …..

Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potloodte knabbelen en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.

Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was het niets.

Eensklaps schrok ze op.

Wat hoorde ze daar?

Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.

Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest er vijf maken.

Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, als ze maar niet zoo afgedwaald was.

„Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?”

„Ja, ik kom,” en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de andere naar den inktkoker.

„Geef maar hier,” zei Marietje, „je laat je pennehouder liggen en je potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?”

Wies schudde van neen.

Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.

In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank en nam haar plaats aan tafel in.

Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante geholpen had met erwtjes doppen.

„En jij, Wies?” vroeg Grootvader, „eerst je sommen gemaakt en toen nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen hooren.”

Wies zag er verlegen uit.

„Ik ben niet klaar gekomen,” zei ze zacht.

Grootvader keek verwonderd.

„Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Ochkom, het was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet je me straks maar eens laten zien,” en hij begon over iets anders.

Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.

„Ga even mee met je werk, Wies,” zei hij.

Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.

„Zie zoo,” zei hij, op zijn opgewekten toon, „laat me nu maar eens zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt.”

Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het beschrevene nog veel minder.

Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.

Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.

„Kom dan, je werk,” en hij stak zijn hand uit.

Wat moest ze doen?

Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan laten, dat ze niets had uitgevoerd.

Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.

Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit de hand.

Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.

„Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd,” en zijne anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot een leugentje.

„Het blad is weggewaaid.”

„Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen grijpen?”

Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.

„Ik was even opgestaan,” fluisterde ze.

„O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je er al af, allemaal?”

„Neen, ik moest er nog een paar maken.”

„Nog twee?”

„Neen, drie.”

„Kon je ze niet vinden?”

„Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien.”

Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.

„Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten.”

Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen toestand achter.

Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje te kunnen doen.

Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!

„Wies Ongeluk, Wies Ongeluk,” zuchtte ze.

Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude kennissen van moeder. Ze draaidehaar stoel zoo, dat ze met haar rug naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht bij haar werk te houden.

En het gelukte.

Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.

„Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten.”

„Hoe gezellig,” en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.

Wies schoof dicht tegen haar aan.

„Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?”

„Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, ze zullen wel weer gauw terugkomen.”

„Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven,” zei Wies.

„Dat vind ik ook,” lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele jaar naar verlangde.

Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.

„Zeg, schatje,” vroeg ze eensklaps, „vindt u jokken altijd even erg?”

„Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men doen kan.”

„Altijd?”

„Ja, altijd.”

„En een leugentje uit nood?”

„Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, te jokken.”

Wies zweeg een oogenblik.

„Je kunt het soms niet laten,” zei ze toen.

„Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt toch niet gejokt?”

Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar grootmoeders schoot.

„Dat heb ik wel,” fluisterde ze.

Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.

„Dat spijt me erg,” zei ze toen.

„Het was maar een klein leugentje,” beweerde Wies zacht.

„Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je gejokt?”

„Tegen Grootvader.”

„Tegen Grootvader? Maar Wiesje?”

Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.

„U mag het ook niet vertellen,” voegde ze er dringend bij, „als ’t u blieft niet.”

„Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel doen zult.”

„Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon.”

„Een halve waarheid,” vond Grootmoeder.

„Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet voor de waarheid durfde uitkomen.”

Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.

„Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk de waarheid.”

Wies aarzelde.

Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.

„Ik kan niet, Grootmoesje,” zei ze, „heusch, ik kan niet.”


Back to IndexNext