Tweede Hoofdstuk.Tweede Hoofdstuk.Het portret.Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.„Hoe vervelend nu weer,†zuchtte ze, met haar handdoek de plassen opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken, dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met eenschoonen zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst moest doen.Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen pantoffel—die had ze zoo gauw niet kunnen vinden—in het water gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise’s toilet dien morgen.Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld, dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was niet thuis, die was nu bij Vader in ’t Nieuwediep.Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten, stond in gepeins voor zich uit te staren.Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing, als ze thuiskwam.Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog geld genoeg om bloemen te koopen?Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje van Vader gekregen, het zou wel gaan.Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd, ze was toch erg vroeg op geweest.In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezigeen prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel havermout in de mondjes duwde.„U mag wel een beetje voortmaken,†zei deze, „’t is al over half negen.â€â€žWaar zijn Henk en Marietje?†vroeg Wies.„Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd.â€Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi onverschillig gezicht.Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was, maar zoo’n hatelijk briefje.Wat stond er ook weer?„Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,je dankbare Henk.Ze zuchtte diep.Dat was weer echt iets voor haar.Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.„Mot u niet naar school vandaag?†klonk de stem van Bet, die dadelijk daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn prentenboek was terecht gekomen.Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en—kwam te laat op school.„Mag ik nog binnenkomen?†vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig was met de les.Deze keek op haar horloge.„Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf uur dertig minuten school.â€Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan had ze nog bloemen willen koopen, omVadersportret te versieren. Maar misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.„Ben je nog niet goed wakker, Louise?†hoorde ze eensklaps, „dat komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten.â€Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden, die zou behoefte hebben aan wat afleiding.Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juistnietvoor hen gezorgd had?Dat zou wel eerlijk zijn, maar … ze had er den moed niet toe, de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze ernog voor de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug, ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.Zou ze het Henk en Marietje vertellen?Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het ook zelf verzonnen.Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en besteedde al haar zakgeld aan bloemen.Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo’n dure tijd was. Het moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden grond had hij nog zoo goed als niets.Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het voornaamste.Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven, ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam, om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn broertje namakend.Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun blonde krullebollen en roode wangetjes.„Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug.â€Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:„Neen, we geven ze niet terug.â€Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn hartje drukkend, zei hij beslist:„Neen, dat doen we niet, hoor.â€Wies werd er zenuwachtig van.Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.„Geef ze dadelijk hier, dadelijk,†zei ze driftig, Stan bij een arm grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, riep hij: „Betje, Bet!â€Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was aangeraakt en schreeuwde mee: „Betje, Bet!â€Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich aan haar vast.„Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?â€â€žWies heeft ons geknepen,†snikte Stan.„Wies heeft ons geknepen, hoor,†herhaalde onder dikke tranen Jantje.„Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen,â€en met een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en trachtte hen te sussen.Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:„Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen met Ant.â€Betje’s gezicht werd rood van kwaadheid.„Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, maar ik dank je ….â€Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee jongetjes de kamer verlaten.Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, zou het wel gaan.Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het portret hangen.De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een aardig kransje gereed.Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze hem om het portret gehangen had.Bons, bons op de deur.„Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?â€Dat was Henk’s stem.Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar evenweggebleven, dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.„Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten.â€â€žWaarom doe je niet open? Wat voer je uit?â€â€žDat zal je zoo meteen wel zien.â€Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.„Maar er moet gedekt worden.â€Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?„Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open,†antwoordde ze zenuwachtig.Bons, bons, klonk het weer.Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.„Zeg, breek je de boel af?†riep Henk.„Je maakt toch niets kapot?†vroeg Marietje.Daartusschen klonk Bet’s stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen de kleintjes vertelde.Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan te brengen.De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje op.—Zoo, nu kon ze er bij.Hè, wat mooi stond dat!Verrukt stond ze er naar te kijken.Bons, bons.Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den spijker gleed, waaraan het was opgehangen.Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in een gevoel van wanhoop.Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met zoo’n smak?Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang geworden, hard om Moesje riepen.Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op en hing niet zonder moeite portret en krans op.Daarna opende ze eindelijk de deur.Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog bijtijds met dekken klaar te komen.Henk’s oog viel het eerst op het portret.„O, dat is aardig,†riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in het glas ziende: „Was dat glas kapot? Neen toch?â€Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.„Oooo!†was alles, wat ze zei.Wies begon te huilen.„Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven.â€â€žMoeder zal zeker heel verrast zijn,†zei Henk, op zijn sarkastische manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn goed hart boven.„Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er eennieuw glas op laten maken. De krans staat heel leuk,†voegde hij er goedig bij.Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en het voetenbankje op zijn plaats gezet.„Hoe is het eigenlijk gekomen?†vroeg ze.„Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen.â€â€žVan den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?â€Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk pijn gedaan had.„Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken.â€â€žJa,†merkte Henk op, „het is eigenlijk een wonder, dat het niet gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk.â€Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.„Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om dat gebroken glas.â€Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden met haar.Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een „au†haar ontsnapte, en verklaarde:„Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?â€Hij trok, dit zeggend, zoo’n komisch gezicht, dat Wies door hare tranen heen, lachen moest.Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.„Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op.â€Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.„’t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken.â€â€žSpot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo’n jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek.Gelukkig was het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan.â€â€žDus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen was? Hoe is het mogelijk,†lachte Henk.„Het glas was niet kapot,†zei Bet hoogst ernstig.„Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?â€Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.„Ik hoop, dat u gelijk zult hebben,†zei ze somber, de laatste lepels en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.„Wat een type, hè?†zei hij.Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.„Ze heeft me bang gemaakt.â€â€žWat? Laat jij je door zoo’n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?â€Wies kleurde.„Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, en datikdat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk.â€â€žDat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes,†viel Marietje in, „nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van den trein gehaald te worden,†voegde ze er bij.Daar klonk de bel.„Hoera, daar is ze!†en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open te doen.
Tweede Hoofdstuk.Tweede Hoofdstuk.Het portret.Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.„Hoe vervelend nu weer,†zuchtte ze, met haar handdoek de plassen opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken, dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met eenschoonen zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst moest doen.Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen pantoffel—die had ze zoo gauw niet kunnen vinden—in het water gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise’s toilet dien morgen.Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld, dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was niet thuis, die was nu bij Vader in ’t Nieuwediep.Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten, stond in gepeins voor zich uit te staren.Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing, als ze thuiskwam.Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog geld genoeg om bloemen te koopen?Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje van Vader gekregen, het zou wel gaan.Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd, ze was toch erg vroeg op geweest.In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezigeen prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel havermout in de mondjes duwde.„U mag wel een beetje voortmaken,†zei deze, „’t is al over half negen.â€â€žWaar zijn Henk en Marietje?†vroeg Wies.„Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd.â€Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi onverschillig gezicht.Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was, maar zoo’n hatelijk briefje.Wat stond er ook weer?„Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,je dankbare Henk.Ze zuchtte diep.Dat was weer echt iets voor haar.Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.„Mot u niet naar school vandaag?†klonk de stem van Bet, die dadelijk daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn prentenboek was terecht gekomen.Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en—kwam te laat op school.„Mag ik nog binnenkomen?†vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig was met de les.Deze keek op haar horloge.„Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf uur dertig minuten school.â€Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan had ze nog bloemen willen koopen, omVadersportret te versieren. Maar misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.„Ben je nog niet goed wakker, Louise?†hoorde ze eensklaps, „dat komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten.â€Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden, die zou behoefte hebben aan wat afleiding.Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juistnietvoor hen gezorgd had?Dat zou wel eerlijk zijn, maar … ze had er den moed niet toe, de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze ernog voor de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug, ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.Zou ze het Henk en Marietje vertellen?Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het ook zelf verzonnen.Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en besteedde al haar zakgeld aan bloemen.Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo’n dure tijd was. Het moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden grond had hij nog zoo goed als niets.Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het voornaamste.Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven, ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam, om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn broertje namakend.Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun blonde krullebollen en roode wangetjes.„Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug.â€Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:„Neen, we geven ze niet terug.â€Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn hartje drukkend, zei hij beslist:„Neen, dat doen we niet, hoor.â€Wies werd er zenuwachtig van.Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.„Geef ze dadelijk hier, dadelijk,†zei ze driftig, Stan bij een arm grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, riep hij: „Betje, Bet!â€Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was aangeraakt en schreeuwde mee: „Betje, Bet!â€Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich aan haar vast.„Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?â€â€žWies heeft ons geknepen,†snikte Stan.„Wies heeft ons geknepen, hoor,†herhaalde onder dikke tranen Jantje.„Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen,â€en met een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en trachtte hen te sussen.Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:„Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen met Ant.â€Betje’s gezicht werd rood van kwaadheid.„Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, maar ik dank je ….â€Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee jongetjes de kamer verlaten.Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, zou het wel gaan.Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het portret hangen.De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een aardig kransje gereed.Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze hem om het portret gehangen had.Bons, bons op de deur.„Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?â€Dat was Henk’s stem.Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar evenweggebleven, dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.„Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten.â€â€žWaarom doe je niet open? Wat voer je uit?â€â€žDat zal je zoo meteen wel zien.â€Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.„Maar er moet gedekt worden.â€Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?„Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open,†antwoordde ze zenuwachtig.Bons, bons, klonk het weer.Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.„Zeg, breek je de boel af?†riep Henk.„Je maakt toch niets kapot?†vroeg Marietje.Daartusschen klonk Bet’s stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen de kleintjes vertelde.Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan te brengen.De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje op.—Zoo, nu kon ze er bij.Hè, wat mooi stond dat!Verrukt stond ze er naar te kijken.Bons, bons.Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den spijker gleed, waaraan het was opgehangen.Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in een gevoel van wanhoop.Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met zoo’n smak?Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang geworden, hard om Moesje riepen.Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op en hing niet zonder moeite portret en krans op.Daarna opende ze eindelijk de deur.Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog bijtijds met dekken klaar te komen.Henk’s oog viel het eerst op het portret.„O, dat is aardig,†riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in het glas ziende: „Was dat glas kapot? Neen toch?â€Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.„Oooo!†was alles, wat ze zei.Wies begon te huilen.„Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven.â€â€žMoeder zal zeker heel verrast zijn,†zei Henk, op zijn sarkastische manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn goed hart boven.„Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er eennieuw glas op laten maken. De krans staat heel leuk,†voegde hij er goedig bij.Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en het voetenbankje op zijn plaats gezet.„Hoe is het eigenlijk gekomen?†vroeg ze.„Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen.â€â€žVan den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?â€Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk pijn gedaan had.„Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken.â€â€žJa,†merkte Henk op, „het is eigenlijk een wonder, dat het niet gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk.â€Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.„Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om dat gebroken glas.â€Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden met haar.Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een „au†haar ontsnapte, en verklaarde:„Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?â€Hij trok, dit zeggend, zoo’n komisch gezicht, dat Wies door hare tranen heen, lachen moest.Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.„Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op.â€Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.„’t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken.â€â€žSpot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo’n jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek.Gelukkig was het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan.â€â€žDus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen was? Hoe is het mogelijk,†lachte Henk.„Het glas was niet kapot,†zei Bet hoogst ernstig.„Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?â€Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.„Ik hoop, dat u gelijk zult hebben,†zei ze somber, de laatste lepels en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.„Wat een type, hè?†zei hij.Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.„Ze heeft me bang gemaakt.â€â€žWat? Laat jij je door zoo’n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?â€Wies kleurde.„Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, en datikdat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk.â€â€žDat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes,†viel Marietje in, „nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van den trein gehaald te worden,†voegde ze er bij.Daar klonk de bel.„Hoera, daar is ze!†en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open te doen.
Tweede Hoofdstuk.Tweede Hoofdstuk.Het portret.
Tweede Hoofdstuk.
Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.„Hoe vervelend nu weer,†zuchtte ze, met haar handdoek de plassen opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken, dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met eenschoonen zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst moest doen.Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen pantoffel—die had ze zoo gauw niet kunnen vinden—in het water gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise’s toilet dien morgen.Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld, dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was niet thuis, die was nu bij Vader in ’t Nieuwediep.Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten, stond in gepeins voor zich uit te staren.Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing, als ze thuiskwam.Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog geld genoeg om bloemen te koopen?Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje van Vader gekregen, het zou wel gaan.Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd, ze was toch erg vroeg op geweest.In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezigeen prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel havermout in de mondjes duwde.„U mag wel een beetje voortmaken,†zei deze, „’t is al over half negen.â€â€žWaar zijn Henk en Marietje?†vroeg Wies.„Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd.â€Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi onverschillig gezicht.Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was, maar zoo’n hatelijk briefje.Wat stond er ook weer?„Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,je dankbare Henk.Ze zuchtte diep.Dat was weer echt iets voor haar.Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.„Mot u niet naar school vandaag?†klonk de stem van Bet, die dadelijk daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn prentenboek was terecht gekomen.Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en—kwam te laat op school.„Mag ik nog binnenkomen?†vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig was met de les.Deze keek op haar horloge.„Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf uur dertig minuten school.â€Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan had ze nog bloemen willen koopen, omVadersportret te versieren. Maar misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.„Ben je nog niet goed wakker, Louise?†hoorde ze eensklaps, „dat komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten.â€Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden, die zou behoefte hebben aan wat afleiding.Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juistnietvoor hen gezorgd had?Dat zou wel eerlijk zijn, maar … ze had er den moed niet toe, de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze ernog voor de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug, ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.Zou ze het Henk en Marietje vertellen?Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het ook zelf verzonnen.Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en besteedde al haar zakgeld aan bloemen.Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo’n dure tijd was. Het moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden grond had hij nog zoo goed als niets.Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het voornaamste.Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven, ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam, om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn broertje namakend.Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun blonde krullebollen en roode wangetjes.„Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug.â€Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:„Neen, we geven ze niet terug.â€Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn hartje drukkend, zei hij beslist:„Neen, dat doen we niet, hoor.â€Wies werd er zenuwachtig van.Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.„Geef ze dadelijk hier, dadelijk,†zei ze driftig, Stan bij een arm grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, riep hij: „Betje, Bet!â€Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was aangeraakt en schreeuwde mee: „Betje, Bet!â€Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich aan haar vast.„Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?â€â€žWies heeft ons geknepen,†snikte Stan.„Wies heeft ons geknepen, hoor,†herhaalde onder dikke tranen Jantje.„Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen,â€en met een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en trachtte hen te sussen.Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:„Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen met Ant.â€Betje’s gezicht werd rood van kwaadheid.„Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, maar ik dank je ….â€Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee jongetjes de kamer verlaten.Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, zou het wel gaan.Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het portret hangen.De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een aardig kransje gereed.Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze hem om het portret gehangen had.Bons, bons op de deur.„Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?â€Dat was Henk’s stem.Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar evenweggebleven, dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.„Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten.â€â€žWaarom doe je niet open? Wat voer je uit?â€â€žDat zal je zoo meteen wel zien.â€Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.„Maar er moet gedekt worden.â€Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?„Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open,†antwoordde ze zenuwachtig.Bons, bons, klonk het weer.Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.„Zeg, breek je de boel af?†riep Henk.„Je maakt toch niets kapot?†vroeg Marietje.Daartusschen klonk Bet’s stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen de kleintjes vertelde.Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan te brengen.De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje op.—Zoo, nu kon ze er bij.Hè, wat mooi stond dat!Verrukt stond ze er naar te kijken.Bons, bons.Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den spijker gleed, waaraan het was opgehangen.Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in een gevoel van wanhoop.Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met zoo’n smak?Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang geworden, hard om Moesje riepen.Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op en hing niet zonder moeite portret en krans op.Daarna opende ze eindelijk de deur.Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog bijtijds met dekken klaar te komen.Henk’s oog viel het eerst op het portret.„O, dat is aardig,†riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in het glas ziende: „Was dat glas kapot? Neen toch?â€Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.„Oooo!†was alles, wat ze zei.Wies begon te huilen.„Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven.â€â€žMoeder zal zeker heel verrast zijn,†zei Henk, op zijn sarkastische manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn goed hart boven.„Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er eennieuw glas op laten maken. De krans staat heel leuk,†voegde hij er goedig bij.Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en het voetenbankje op zijn plaats gezet.„Hoe is het eigenlijk gekomen?†vroeg ze.„Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen.â€â€žVan den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?â€Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk pijn gedaan had.„Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken.â€â€žJa,†merkte Henk op, „het is eigenlijk een wonder, dat het niet gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk.â€Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.„Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om dat gebroken glas.â€Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden met haar.Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een „au†haar ontsnapte, en verklaarde:„Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?â€Hij trok, dit zeggend, zoo’n komisch gezicht, dat Wies door hare tranen heen, lachen moest.Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.„Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op.â€Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.„’t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken.â€â€žSpot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo’n jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek.Gelukkig was het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan.â€â€žDus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen was? Hoe is het mogelijk,†lachte Henk.„Het glas was niet kapot,†zei Bet hoogst ernstig.„Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?â€Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.„Ik hoop, dat u gelijk zult hebben,†zei ze somber, de laatste lepels en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.„Wat een type, hè?†zei hij.Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.„Ze heeft me bang gemaakt.â€â€žWat? Laat jij je door zoo’n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?â€Wies kleurde.„Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, en datikdat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk.â€â€žDat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes,†viel Marietje in, „nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van den trein gehaald te worden,†voegde ze er bij.Daar klonk de bel.„Hoera, daar is ze!†en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open te doen.
Louise was voor haar doen werkelijk vroeg opgestaan, ze had maar vijf minuutjes liggen soezen en het was nog geen half acht, toen ze in haar haast, om nu eens vlug naar beneden te komen, de waschtafel overstroomde, bij het inschenken van het water in haar kom. Verschrikt sprong ze achteruit, de lampetkan nog in haar hand, waardoor een nieuwe gulp water op den grond terecht kwam.
„Hoe vervelend nu weer,†zuchtte ze, met haar handdoek de plassen opbettend, waardoor deze natuurlijk door en door nat werd en niet heel geschikt meer was tot afdrogen. Je kondt hem wringen en nog was alles lang niet opgenomen. De tweede handdoek moest er dus ook aan gelooven en toen ze beide druipnat op het rekje hingen, schoot het haar door het hoofd, dat ze haar spons had kunnen gebruiken, dan had ze de handdoeken droog kunnen laten.
Ze waschte zich en droogde haar gezicht en hals af met eenschoonen zakdoek. Daarna handen en armen, waarvoor een tweede zakdoek dienst moest doen.
Toen kwam ze tot de ontdekking, dat ze met haar voet, waaraan geen pantoffel—die had ze zoo gauw niet kunnen vinden—in het water gestaan had, zoodat ze noodzakelijk andere kousen moest aandoen.
Hè, ze had weer een gevoel, of ze nooit klaar zou komen.
Maar aan alles komt een eind en zoo ook aan Louise’s toilet dien morgen.
Haar bed zou ze maar laten, zooals het was, Moes was er wel op gesteld, dat ze het zelf afhaalde, voor ze naar beneden ging, maar Moes was niet thuis, die was nu bij Vader in ’t Nieuwediep.
Arme Moes, het was toch wel vreeselijk voor haar, zoo alleen achter te blijven, dat zien wegvaren van de boot was toch eigenlijk afschuwelijk! Moes kwam vanmiddag tegen etenstijd weer thuis, ze zou dan erg lief voor haar zijn, want ze zou wel heel bedroefd wezen.
Wies, die juist op het punt was geweest, haar kamer te verlaten, stond in gepeins voor zich uit te staren.
Ze had Vader beloofd, haar best te doen, heel lief voor Moeder te zijn en goed naar haar te luisteren. Dat zou ze ook zeker doen, ze moest iets bedenken, waarmee ze haar plezier kon doen, een verrassing, als ze thuiskwam.
Wacht, ze wist wat, ze zou het groote portret van Vader in de huiskamer met bloemen versieren, er een mooien krans om heen maken. Had ze nog geld genoeg om bloemen te koopen?
Even kijken, ja, ze had in den laatsten tijd nog al eens een extraatje van Vader gekregen, het zou wel gaan.
Wat was dat, sloeg het daar geen half negen?
Met een kleur van schrik vloog Wies naar beneden, ze had Moeder beloofd op het ontbijt van de kinderen te zullen letten, waar bleef de tijd, ze was toch erg vroeg op geweest.
In de huiskamer vond ze alleen Stan en Jantje, samen bezigeen prentenboek te bekijken, terwijl Betje hen om beurten een lepel havermout in de mondjes duwde.
„U mag wel een beetje voortmaken,†zei deze, „’t is al over half negen.â€
„Waar zijn Henk en Marietje?†vroeg Wies.
„Al lang weg, de jongeheer heeft een briefje op uw bord gelegd.â€
Wat lachte die Bet valsch, zeker een hatelijkheid van Henk.
Ze nam het briefje op, vouwde het open en las het met quasi onverschillig gezicht.
Toen verscheurde ze het in kleine stukjes,
Akelige jongen, dat sarkastische van hem kon ze niet uitstaan. Had hij gewoon gezegd, dat hij het niet aardig vond, dat ze zoo laat was, maar zoo’n hatelijk briefje.
Wat stond er ook weer?
„Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,je dankbare Henk.
„Lieve Wies, hartelijk dank voor je goede zorgen, nu Moeder er niet is. Marietje en ik hebben nog nooit zoo gezellig ontbeten,
je dankbare Henk.
Ze zuchtte diep.
Dat was weer echt iets voor haar.
Ze was expres dadelijk rechtop in bed gaan zitten, met haar gezicht naar het licht gekeerd, om toch maar gauw goed wakker te worden en nu was er weer van alles gebeurd, waardoor ze opgehouden was.
„Mot u niet naar school vandaag?†klonk de stem van Bet, die dadelijk daarop in een verontwaardigd gebrom overging, omdat Janneman een duw had gegeven tegen zijn lepel pap, waardoor de inhoud op zijn prentenboek was terecht gekomen.
Ze kleedde zich haastig aan, kuste de kinderen, die haar vastgrepen en voor de grap niet los wilden laten, vergat een boek, waardoor ze weer terug moest, toen ze al een paar huizen ver was en—kwam te laat op school.
„Mag ik nog binnenkomen?†vroeg ze benepen aan de juffrouw, die bezig was met de les.
Deze keek op haar horloge.
„Jawel, maar je bent tien minuten te laat, dus blijf je om twaalf uur dertig minuten school.â€
Met een boos gezicht nam Louise haar plaats in de klasse in.
Dat was weer wat moois, nu was ze op koffietijd ook niet thuis en dan had ze nog bloemen willen koopen, omVadersportret te versieren. Maar misschien was het beter, dat ze dat om vier uur deed. Moeder kwam eerst tegen zes uur thuis, dat kon dus best, dan waren de bloemen ook frisscher, ja zeker, dat was veel beter.
„Ben je nog niet goed wakker, Louise?†hoorde ze eensklaps, „dat komt van dat lange slapen, daar blijf je den heelen dag van onder den indruk. Maar ik zou je toch aanraden, nu op te letten.â€
Met een kleur zette Wies zich schrap. Ja, ze moest nu opletten, anders kreeg ze nog strafwerk ook en vanavond wilde ze niet te veel te doen hebben, ze moest dan tijd hebben, om Moes wat gezelschap te houden, die zou behoefte hebben aan wat afleiding.
Daar zat ze alweer in gedachten, ze voelde de oogen van de juffrouw op zich gericht en met groote inspanning dwong ze zich bij de les te blijven. Ze slaagde er werkelijk in, niet te veel af te dwalen en toen ze na afloop van de les de juffrouw naliep en haar vroeg, of ze voor dezen keer niet behoefde te blijven, omdat Moeder niet thuis was en ze op de kinderen moest letten bij het koffiedrinken, begon deze te lachen en haar over het hoofd strijkend, zei ze, dat ze dan voor dezen keer maar eens genade voor recht zou laten gelden. Ze had vanochtend zeker ook voor de kinderen moeten zorgen en was daardoor te laat gekomen. Had ze dat maar ineens gezegd, dan had ze geen standje gehad.
Wies kleurde weer hevig en aarzelde. Zou ze vertellen, hoe ze juistnietvoor hen gezorgd had?
Dat zou wel eerlijk zijn, maar … ze had er den moed niet toe, de juffrouw moest haar dan maar voor beter houden, dan ze was.
Toen de school uit was, liep ze zóó hard naar huis, dat ze ernog voor de anderen was en Henk haar lachend vroeg, of ze maar niet naar school was geweest. Ze was nu in een best humeur en plaagde vroolijk terug, ze was opgewonden door de gedachte aan haar plannetje met het portret.
Zou ze het Henk en Marietje vertellen?
Neen, ze zou er maar niet vooruit over spreken, het was leuker, als het voor hen ook een verrassing was. Ze kon het natuurlijk niet in het geheim doen, want het portret hing in de huiskamer, maar vooruit zou ze er toch niets van vertellen, dan wilden ze misschien meedoen en ze zou zoo graag dit nu eens alleen voor Moeder doen, ze had het ook zelf verzonnen.
Dien middag na schooltijd haastte ze zich naar den bloemist, en besteedde al haar zakgeld aan bloemen.
Het viel haar niet mee, dat ze zoo duur waren, maar de bloemist verzekerde haar, dat juist het voorjaar zoo’n dure tijd was. Het moest alles nog uit het zuiden of uit de kas komen, van den kouden grond had hij nog zoo goed als niets.
Enfin, dan maar een beetje minder nemen, dan ze gedacht had, ze wilde bloemen hebben om Moeder te verrassen en had ze, dat was het voornaamste.
Thuis gekomen legde ze haar schat voorzichtig op de tafel en ging even haar goed af doen. De kleintjes waren zeker nog uit en Henk en Marietje nog niet uit school. Ze wilde maar, dat ze nog een poosje wegbleven, ze zou het heerlijk vinden, als ze klaar was, voor ze thuiskwamen. Ze spoedde zich weer naar de huiskamer, waar ze juist bij tijds kwam, om Stan en Jantje te beletten, hare bloemen te vernielen. Ze hadden zich al ieder van een tak meester gemaakt en liepen nu triomfant achter elkander de kamer rond, kleine Jan iedere beweging van zijn broertje namakend.
Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun blonde krullebollen en roode wangetjes.
„Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug.â€
Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.
Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:
„Neen, we geven ze niet terug.â€
Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn hartje drukkend, zei hij beslist:
„Neen, dat doen we niet, hoor.â€
Wies werd er zenuwachtig van.
Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.
„Geef ze dadelijk hier, dadelijk,†zei ze driftig, Stan bij een arm grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.
Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, riep hij: „Betje, Bet!â€
Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was aangeraakt en schreeuwde mee: „Betje, Bet!â€
Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?
Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.
Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich aan haar vast.
„Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?â€
„Wies heeft ons geknepen,†snikte Stan.
„Wies heeft ons geknepen, hoor,†herhaalde onder dikke tranen Jantje.
„Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen,â€en met een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en trachtte hen te sussen.
Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:
„Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen met Ant.â€
Betje’s gezicht werd rood van kwaadheid.
„Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, maar ik dank je ….â€
Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee jongetjes de kamer verlaten.
Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.
Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, zou het wel gaan.
Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het portret hangen.
De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.
Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een aardig kransje gereed.
Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze hem om het portret gehangen had.
Bons, bons op de deur.
„Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?â€
Dat was Henk’s stem.
Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar evenweggebleven, dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.
„Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten.â€
„Waarom doe je niet open? Wat voer je uit?â€
„Dat zal je zoo meteen wel zien.â€
Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.
„Maar er moet gedekt worden.â€
Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?
„Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open,†antwoordde ze zenuwachtig.
Bons, bons, klonk het weer.
Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.
„Zeg, breek je de boel af?†riep Henk.
„Je maakt toch niets kapot?†vroeg Marietje.
Daartusschen klonk Bet’s stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen de kleintjes vertelde.
Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan te brengen.
De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje op.—Zoo, nu kon ze er bij.
Hè, wat mooi stond dat!
Verrukt stond ze er naar te kijken.
Bons, bons.
Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den spijker gleed, waaraan het was opgehangen.
Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.
De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in een gevoel van wanhoop.
Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.
Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met zoo’n smak?
Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang geworden, hard om Moesje riepen.
Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.
Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op en hing niet zonder moeite portret en krans op.
Daarna opende ze eindelijk de deur.
Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog bijtijds met dekken klaar te komen.
Henk’s oog viel het eerst op het portret.
„O, dat is aardig,†riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in het glas ziende: „Was dat glas kapot? Neen toch?â€
Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.
„Oooo!†was alles, wat ze zei.
Wies begon te huilen.
„Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven.â€
„Moeder zal zeker heel verrast zijn,†zei Henk, op zijn sarkastische manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn goed hart boven.
„Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er eennieuw glas op laten maken. De krans staat heel leuk,†voegde hij er goedig bij.
Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en het voetenbankje op zijn plaats gezet.
„Hoe is het eigenlijk gekomen?†vroeg ze.
„Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen.â€
„Van den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?â€
Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk pijn gedaan had.
„Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken.â€
„Ja,†merkte Henk op, „het is eigenlijk een wonder, dat het niet gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk.â€
Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.
„Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om dat gebroken glas.â€
Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden met haar.
Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een „au†haar ontsnapte, en verklaarde:
„Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?â€
Hij trok, dit zeggend, zoo’n komisch gezicht, dat Wies door hare tranen heen, lachen moest.
Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.
„Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op.â€
Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.
Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.
„’t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken.â€
„Spot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo’n jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek.Gelukkig was het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan.â€
„Dus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen was? Hoe is het mogelijk,†lachte Henk.
„Het glas was niet kapot,†zei Bet hoogst ernstig.
„Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?â€
Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.
„Ik hoop, dat u gelijk zult hebben,†zei ze somber, de laatste lepels en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.
Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.
„Wat een type, hè?†zei hij.
Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.
„Ze heeft me bang gemaakt.â€
„Wat? Laat jij je door zoo’n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?â€
Wies kleurde.
„Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, en datikdat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk.â€
„Dat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes,†viel Marietje in, „nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van den trein gehaald te worden,†voegde ze er bij.
Daar klonk de bel.
„Hoera, daar is ze!†en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open te doen.