Vijftiende Hoofdstuk.Vijftiende Hoofdstuk.Drama met apothéose.Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken niet thuis kon brengen.Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: „ja, ik ben al wakker.”Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, hoe de wind gierde.Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vadersvertrek en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was ver weg, heelemaal in Indië.Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.Hoe laat zou het zijn?Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, wat een windvlaag, het huis kraakte er van.Neen,zijhad nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.’t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan je dolveel hield, nooit terug zou keeren.Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende deelen van Indië.Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd meende ze.Een beetje schuw keek ze naar het klokje.Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevredenover haar en had juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te moeten schrijven.Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, dat ze met zulk een weer uitging.Voorzichtig zei ze:„Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?”Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen te lachen.„O ja,” zei Moeder droogkomiek, „het is bepaald heerlijk weer. Je gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?”Wies lachte nu ook.„Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, nu we niet meer in één klasse zitten.”Henk keek tragisch en reciteerde:„Ja, dat is heel erg,En als nu de berg,In den vorm van Lot,Die lieve, lekkre dot,Niet naar Mahomed komt,”„Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?”Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna aan het oog onttrok.„Je kunt er niet door,” zei ze.Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.„Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op,” stelde moeder voor.„Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan.”Moeder schudde van neen.„Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet.”„Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?”Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.„Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, maar nu wil ik er geen woord meer over hooren.”Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel ’s avonds aan toe, doordat ze met goed weer ’s morgens ging wandelen en ’s middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.„Teerbeminde zuster, ik moet je spreken,” zei hij op pathetischen toon.„Ge zijt welkom, geliefde broeder,” antwoordde Wies lachend.Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:„Wat moet je?”Henk maakte een diepe buiging.„Mijnhooggeachteen geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen.”„Je schuld?”„Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld,” en hij telde één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.Hoe kwam hij daar nu aan?Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.„Hoe kom je aan dat geld?” vroeg ze.Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.„Gestolen,” zei hij toen droog.Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon je ooit uit hem krijgen.„Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?”„Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar handig weet op te vangen, dan ….”„Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?”Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hemte zijn. Maar zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.„Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet meer te doen,” zei hij quasi barsch.Wies kreeg een kleur.Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, of iets dergelijks.Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.„Je moet er niet boos om zijn,” zei ze zacht, „maar ik was er altijd zóó bang voor.”Henk wist nog zijn ernst te bewaren.„Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, dat je eigen zuster je voor zoo’n zwak vat houdt. Maar helaas, ik heb dat verdiend door mijn vroegere zonden.”Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn wangen toonden verraderlijke kuiltjes.Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.„Malle jongen,” lachte ze.Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.„Zoo’n straf heb ik niet verdiend,” beweerde hij.Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.„Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan.”„Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder behoeft er nu juist niet het fijne van te weten.”Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en vroeg toen plechtig om een quitantie.Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.„Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje,” verklaarde ze, „maar toe, Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, maar ik zou het toch zoo graag weten.”Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.„Kan ik je ook dienen?” vroeg hij.„Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet mag van Moes.”„’t Is ook niet goed voor kleine meisjes,” en Henk stak zijn sigarettenkokertje weg.Lustig dampend begon hij:„Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden heer ….”„Met den ouden heer, maar Henk!”„Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, Grootvader is een leuke baas …”„Maar Henk dan!”„Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde.”„Heerlijk, Henk.”„Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, dan voel je in je binnenste zoo’n echt respect voorhem, dan krijg je zoo’n gevoel, dat daar nu eenmanvoor je staat en dat je het heele aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien.”Wies was er stil van.Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.„Vader lijkt op Grootvader, vin’ je niet?” vroeg ze.„Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, maar nu ben ik er af, gelukkig.”Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad vond.„Laat ik je er wat van teruggeven,” zei ze.„Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten bezoedelen?” en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, die uit was geweest.„Goed,” verklaarde Wies, „alleen een beetje wind.”„Noem je dat eenbeetjewind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt vandaag. Op zoo’n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon.”„’k Ga er ook door,” verklaarde Henk, „ik heb een afspraak.”„O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald tegen op, maar ik zal het toch maar doen. ’t Is Betje’s uitgaansdag, Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?”Marietje knikte toestemmend.„Kan ik er zeker van opaan?”„Vast, Moes.”Wies had alweer een onaangenaam gevoel.Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen.Nu, dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, dan was zij er af.„Wat ga je doen?” vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.„Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?”„Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk hebben.”„Natuurlijk, laat dat maar aan mij over,” en Wies moest inwendig lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.Wat was het stil in de kamer.Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden met blokken en soldaatjes.Ze werkte weer door.Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de verjaarvisite haar beste goed aan. Misschienook niet, Moes was zoo zuinig.„Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, het regent zoo.”Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.„Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is.”Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig te kunnen werken en toch …. ze had meer moeite, dan in den laatsten tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze uitvoerden en dat leidde haar af.Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven,was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze verschrikt.Jan gilde het uit.„Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies,” jammerde hij.„Oooo …. mooi vlammetje kapot gemaakt,” huilde de echo.Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart verkoolde schortje.„Stonden ze in brand?” vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, toen het voorbij was.Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde dit trouw.Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en begon de kinderen te ondervragen.Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje’s schort in brand?Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.„De kacheldeur?” vroeg Wies ontsteld, „kon je dat dan?”„Ja,” knikte Jantje, „en toen het open was, kwam er een heel groote vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig mensch, heb het dadelijk uitgemaakt.”Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, om die dictionnaire te krijgen.Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.„Neen, ik geloof het niet ten minste,” want half onbewust voelde ze wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.„Ik schijn me gebrand te hebben,” zei ze.Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.Wies gaf haar een kus.„Dank je wel, je bent ’n echte ziekenverpleegster, hoor.”Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:„Wat zal Moeder zeggen?”Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het land had.Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos verloren geweest.Ze rilde er van.„Jij hebt hem het leven gered, Wies,” zei ze eerlijk.Haar zusje lachte:„Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke woord niet in mijn thema gehad had, dan …. hè ik moet er niet aan denken.”Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk gebeurd zijn?Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, de kinderen waren dus gezond en wel.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje verkeerd had.Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en zei op verwijtenden toon:„Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, Marietje.”Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, was meer dan ze verdragen kon.„Wies is toch de oudste,” mompelde ze.Haar moeder nam dat woord dadelijk over.„Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen.”De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had overgedragen, kon dàt toch niet hebben.„Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand,” zei ze.„Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?” en eensklaps bezorgd, keek Moeder naar de verbonden hand.„O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen.”„Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker van.”Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er gebeurd was.Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de tweeblonde broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt zouden liggen.Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu iets om mee te spotten?Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten schrik en wat dan?Over Wies’ bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.„Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond,” zei ze, „Moeder zegt nu wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van een paar minuten.”Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.„Henk heeft gelijk,” zei ze, „het is en blijft waar, dat je beter op de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind,” en ze kuste het meisje hartelijk.Wies straalde.Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar even een kreetje van pijn ontlokte.„Je hebt je toch niet erg gebrand?” vroeg haar moeder bezorgd.„Laat ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?”Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.„Kom eens hier,” zei Moeder, „laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo goed is afgeloopen.”„Mooi zoo,” riep Henk, „dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als ’t u blieft, hier is nog een lading,” en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op en duwde hem in zijn moeders armen.Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, die dadelijk ook gepakt wilde worden.Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman kuste.„Apotheose,” verklaarde Henk, „tot slot van het drama Wies Ongeluk als heldin, of het brandende jongetje.”
Vijftiende Hoofdstuk.Vijftiende Hoofdstuk.Drama met apothéose.Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken niet thuis kon brengen.Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: „ja, ik ben al wakker.”Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, hoe de wind gierde.Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vadersvertrek en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was ver weg, heelemaal in Indië.Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.Hoe laat zou het zijn?Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, wat een windvlaag, het huis kraakte er van.Neen,zijhad nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.’t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan je dolveel hield, nooit terug zou keeren.Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende deelen van Indië.Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd meende ze.Een beetje schuw keek ze naar het klokje.Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevredenover haar en had juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te moeten schrijven.Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, dat ze met zulk een weer uitging.Voorzichtig zei ze:„Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?”Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen te lachen.„O ja,” zei Moeder droogkomiek, „het is bepaald heerlijk weer. Je gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?”Wies lachte nu ook.„Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, nu we niet meer in één klasse zitten.”Henk keek tragisch en reciteerde:„Ja, dat is heel erg,En als nu de berg,In den vorm van Lot,Die lieve, lekkre dot,Niet naar Mahomed komt,”„Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?”Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna aan het oog onttrok.„Je kunt er niet door,” zei ze.Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.„Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op,” stelde moeder voor.„Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan.”Moeder schudde van neen.„Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet.”„Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?”Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.„Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, maar nu wil ik er geen woord meer over hooren.”Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel ’s avonds aan toe, doordat ze met goed weer ’s morgens ging wandelen en ’s middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.„Teerbeminde zuster, ik moet je spreken,” zei hij op pathetischen toon.„Ge zijt welkom, geliefde broeder,” antwoordde Wies lachend.Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:„Wat moet je?”Henk maakte een diepe buiging.„Mijnhooggeachteen geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen.”„Je schuld?”„Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld,” en hij telde één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.Hoe kwam hij daar nu aan?Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.„Hoe kom je aan dat geld?” vroeg ze.Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.„Gestolen,” zei hij toen droog.Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon je ooit uit hem krijgen.„Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?”„Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar handig weet op te vangen, dan ….”„Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?”Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hemte zijn. Maar zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.„Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet meer te doen,” zei hij quasi barsch.Wies kreeg een kleur.Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, of iets dergelijks.Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.„Je moet er niet boos om zijn,” zei ze zacht, „maar ik was er altijd zóó bang voor.”Henk wist nog zijn ernst te bewaren.„Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, dat je eigen zuster je voor zoo’n zwak vat houdt. Maar helaas, ik heb dat verdiend door mijn vroegere zonden.”Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn wangen toonden verraderlijke kuiltjes.Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.„Malle jongen,” lachte ze.Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.„Zoo’n straf heb ik niet verdiend,” beweerde hij.Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.„Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan.”„Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder behoeft er nu juist niet het fijne van te weten.”Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en vroeg toen plechtig om een quitantie.Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.„Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje,” verklaarde ze, „maar toe, Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, maar ik zou het toch zoo graag weten.”Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.„Kan ik je ook dienen?” vroeg hij.„Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet mag van Moes.”„’t Is ook niet goed voor kleine meisjes,” en Henk stak zijn sigarettenkokertje weg.Lustig dampend begon hij:„Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden heer ….”„Met den ouden heer, maar Henk!”„Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, Grootvader is een leuke baas …”„Maar Henk dan!”„Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde.”„Heerlijk, Henk.”„Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, dan voel je in je binnenste zoo’n echt respect voorhem, dan krijg je zoo’n gevoel, dat daar nu eenmanvoor je staat en dat je het heele aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien.”Wies was er stil van.Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.„Vader lijkt op Grootvader, vin’ je niet?” vroeg ze.„Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, maar nu ben ik er af, gelukkig.”Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad vond.„Laat ik je er wat van teruggeven,” zei ze.„Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten bezoedelen?” en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, die uit was geweest.„Goed,” verklaarde Wies, „alleen een beetje wind.”„Noem je dat eenbeetjewind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt vandaag. Op zoo’n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon.”„’k Ga er ook door,” verklaarde Henk, „ik heb een afspraak.”„O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald tegen op, maar ik zal het toch maar doen. ’t Is Betje’s uitgaansdag, Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?”Marietje knikte toestemmend.„Kan ik er zeker van opaan?”„Vast, Moes.”Wies had alweer een onaangenaam gevoel.Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen.Nu, dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, dan was zij er af.„Wat ga je doen?” vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.„Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?”„Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk hebben.”„Natuurlijk, laat dat maar aan mij over,” en Wies moest inwendig lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.Wat was het stil in de kamer.Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden met blokken en soldaatjes.Ze werkte weer door.Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de verjaarvisite haar beste goed aan. Misschienook niet, Moes was zoo zuinig.„Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, het regent zoo.”Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.„Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is.”Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig te kunnen werken en toch …. ze had meer moeite, dan in den laatsten tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze uitvoerden en dat leidde haar af.Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven,was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze verschrikt.Jan gilde het uit.„Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies,” jammerde hij.„Oooo …. mooi vlammetje kapot gemaakt,” huilde de echo.Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart verkoolde schortje.„Stonden ze in brand?” vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, toen het voorbij was.Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde dit trouw.Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en begon de kinderen te ondervragen.Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje’s schort in brand?Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.„De kacheldeur?” vroeg Wies ontsteld, „kon je dat dan?”„Ja,” knikte Jantje, „en toen het open was, kwam er een heel groote vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig mensch, heb het dadelijk uitgemaakt.”Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, om die dictionnaire te krijgen.Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.„Neen, ik geloof het niet ten minste,” want half onbewust voelde ze wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.„Ik schijn me gebrand te hebben,” zei ze.Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.Wies gaf haar een kus.„Dank je wel, je bent ’n echte ziekenverpleegster, hoor.”Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:„Wat zal Moeder zeggen?”Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het land had.Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos verloren geweest.Ze rilde er van.„Jij hebt hem het leven gered, Wies,” zei ze eerlijk.Haar zusje lachte:„Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke woord niet in mijn thema gehad had, dan …. hè ik moet er niet aan denken.”Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk gebeurd zijn?Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, de kinderen waren dus gezond en wel.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje verkeerd had.Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en zei op verwijtenden toon:„Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, Marietje.”Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, was meer dan ze verdragen kon.„Wies is toch de oudste,” mompelde ze.Haar moeder nam dat woord dadelijk over.„Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen.”De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had overgedragen, kon dàt toch niet hebben.„Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand,” zei ze.„Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?” en eensklaps bezorgd, keek Moeder naar de verbonden hand.„O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen.”„Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker van.”Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er gebeurd was.Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de tweeblonde broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt zouden liggen.Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu iets om mee te spotten?Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten schrik en wat dan?Over Wies’ bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.„Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond,” zei ze, „Moeder zegt nu wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van een paar minuten.”Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.„Henk heeft gelijk,” zei ze, „het is en blijft waar, dat je beter op de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind,” en ze kuste het meisje hartelijk.Wies straalde.Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar even een kreetje van pijn ontlokte.„Je hebt je toch niet erg gebrand?” vroeg haar moeder bezorgd.„Laat ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?”Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.„Kom eens hier,” zei Moeder, „laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo goed is afgeloopen.”„Mooi zoo,” riep Henk, „dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als ’t u blieft, hier is nog een lading,” en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op en duwde hem in zijn moeders armen.Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, die dadelijk ook gepakt wilde worden.Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman kuste.„Apotheose,” verklaarde Henk, „tot slot van het drama Wies Ongeluk als heldin, of het brandende jongetje.”
Vijftiende Hoofdstuk.Vijftiende Hoofdstuk.Drama met apothéose.
Vijftiende Hoofdstuk.
Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken niet thuis kon brengen.Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: „ja, ik ben al wakker.”Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, hoe de wind gierde.Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vadersvertrek en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was ver weg, heelemaal in Indië.Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.Hoe laat zou het zijn?Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, wat een windvlaag, het huis kraakte er van.Neen,zijhad nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.’t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan je dolveel hield, nooit terug zou keeren.Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende deelen van Indië.Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd meende ze.Een beetje schuw keek ze naar het klokje.Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevredenover haar en had juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te moeten schrijven.Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, dat ze met zulk een weer uitging.Voorzichtig zei ze:„Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?”Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen te lachen.„O ja,” zei Moeder droogkomiek, „het is bepaald heerlijk weer. Je gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?”Wies lachte nu ook.„Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, nu we niet meer in één klasse zitten.”Henk keek tragisch en reciteerde:„Ja, dat is heel erg,En als nu de berg,In den vorm van Lot,Die lieve, lekkre dot,Niet naar Mahomed komt,”„Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?”Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna aan het oog onttrok.„Je kunt er niet door,” zei ze.Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.„Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op,” stelde moeder voor.„Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan.”Moeder schudde van neen.„Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet.”„Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?”Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.„Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, maar nu wil ik er geen woord meer over hooren.”Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel ’s avonds aan toe, doordat ze met goed weer ’s morgens ging wandelen en ’s middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.„Teerbeminde zuster, ik moet je spreken,” zei hij op pathetischen toon.„Ge zijt welkom, geliefde broeder,” antwoordde Wies lachend.Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:„Wat moet je?”Henk maakte een diepe buiging.„Mijnhooggeachteen geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen.”„Je schuld?”„Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld,” en hij telde één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.Hoe kwam hij daar nu aan?Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.„Hoe kom je aan dat geld?” vroeg ze.Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.„Gestolen,” zei hij toen droog.Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon je ooit uit hem krijgen.„Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?”„Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar handig weet op te vangen, dan ….”„Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?”Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hemte zijn. Maar zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.„Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet meer te doen,” zei hij quasi barsch.Wies kreeg een kleur.Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, of iets dergelijks.Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.„Je moet er niet boos om zijn,” zei ze zacht, „maar ik was er altijd zóó bang voor.”Henk wist nog zijn ernst te bewaren.„Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, dat je eigen zuster je voor zoo’n zwak vat houdt. Maar helaas, ik heb dat verdiend door mijn vroegere zonden.”Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn wangen toonden verraderlijke kuiltjes.Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.„Malle jongen,” lachte ze.Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.„Zoo’n straf heb ik niet verdiend,” beweerde hij.Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.„Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan.”„Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder behoeft er nu juist niet het fijne van te weten.”Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en vroeg toen plechtig om een quitantie.Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.„Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje,” verklaarde ze, „maar toe, Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, maar ik zou het toch zoo graag weten.”Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.„Kan ik je ook dienen?” vroeg hij.„Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet mag van Moes.”„’t Is ook niet goed voor kleine meisjes,” en Henk stak zijn sigarettenkokertje weg.Lustig dampend begon hij:„Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden heer ….”„Met den ouden heer, maar Henk!”„Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, Grootvader is een leuke baas …”„Maar Henk dan!”„Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde.”„Heerlijk, Henk.”„Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, dan voel je in je binnenste zoo’n echt respect voorhem, dan krijg je zoo’n gevoel, dat daar nu eenmanvoor je staat en dat je het heele aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien.”Wies was er stil van.Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.„Vader lijkt op Grootvader, vin’ je niet?” vroeg ze.„Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, maar nu ben ik er af, gelukkig.”Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad vond.„Laat ik je er wat van teruggeven,” zei ze.„Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten bezoedelen?” en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, die uit was geweest.„Goed,” verklaarde Wies, „alleen een beetje wind.”„Noem je dat eenbeetjewind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt vandaag. Op zoo’n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon.”„’k Ga er ook door,” verklaarde Henk, „ik heb een afspraak.”„O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald tegen op, maar ik zal het toch maar doen. ’t Is Betje’s uitgaansdag, Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?”Marietje knikte toestemmend.„Kan ik er zeker van opaan?”„Vast, Moes.”Wies had alweer een onaangenaam gevoel.Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen.Nu, dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, dan was zij er af.„Wat ga je doen?” vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.„Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?”„Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk hebben.”„Natuurlijk, laat dat maar aan mij over,” en Wies moest inwendig lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.Wat was het stil in de kamer.Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden met blokken en soldaatjes.Ze werkte weer door.Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de verjaarvisite haar beste goed aan. Misschienook niet, Moes was zoo zuinig.„Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, het regent zoo.”Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.„Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is.”Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig te kunnen werken en toch …. ze had meer moeite, dan in den laatsten tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze uitvoerden en dat leidde haar af.Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven,was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze verschrikt.Jan gilde het uit.„Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies,” jammerde hij.„Oooo …. mooi vlammetje kapot gemaakt,” huilde de echo.Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart verkoolde schortje.„Stonden ze in brand?” vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, toen het voorbij was.Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde dit trouw.Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en begon de kinderen te ondervragen.Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje’s schort in brand?Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.„De kacheldeur?” vroeg Wies ontsteld, „kon je dat dan?”„Ja,” knikte Jantje, „en toen het open was, kwam er een heel groote vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig mensch, heb het dadelijk uitgemaakt.”Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, om die dictionnaire te krijgen.Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.„Neen, ik geloof het niet ten minste,” want half onbewust voelde ze wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.„Ik schijn me gebrand te hebben,” zei ze.Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.Wies gaf haar een kus.„Dank je wel, je bent ’n echte ziekenverpleegster, hoor.”Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:„Wat zal Moeder zeggen?”Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het land had.Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos verloren geweest.Ze rilde er van.„Jij hebt hem het leven gered, Wies,” zei ze eerlijk.Haar zusje lachte:„Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke woord niet in mijn thema gehad had, dan …. hè ik moet er niet aan denken.”Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk gebeurd zijn?Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, de kinderen waren dus gezond en wel.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje verkeerd had.Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en zei op verwijtenden toon:„Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, Marietje.”Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, was meer dan ze verdragen kon.„Wies is toch de oudste,” mompelde ze.Haar moeder nam dat woord dadelijk over.„Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen.”De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had overgedragen, kon dàt toch niet hebben.„Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand,” zei ze.„Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?” en eensklaps bezorgd, keek Moeder naar de verbonden hand.„O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen.”„Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker van.”Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er gebeurd was.Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de tweeblonde broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt zouden liggen.Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu iets om mee te spotten?Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten schrik en wat dan?Over Wies’ bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.„Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond,” zei ze, „Moeder zegt nu wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van een paar minuten.”Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.„Henk heeft gelijk,” zei ze, „het is en blijft waar, dat je beter op de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind,” en ze kuste het meisje hartelijk.Wies straalde.Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar even een kreetje van pijn ontlokte.„Je hebt je toch niet erg gebrand?” vroeg haar moeder bezorgd.„Laat ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?”Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.„Kom eens hier,” zei Moeder, „laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo goed is afgeloopen.”„Mooi zoo,” riep Henk, „dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als ’t u blieft, hier is nog een lading,” en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op en duwde hem in zijn moeders armen.Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, die dadelijk ook gepakt wilde worden.Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman kuste.„Apotheose,” verklaarde Henk, „tot slot van het drama Wies Ongeluk als heldin, of het brandende jongetje.”
Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken niet thuis kon brengen.
Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: „ja, ik ben al wakker.”
Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.
Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.
Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, hoe de wind gierde.
Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vadersvertrek en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.
Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was ver weg, heelemaal in Indië.
Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.
Hoe laat zou het zijn?
Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.
Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!
Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, wat een windvlaag, het huis kraakte er van.
Neen,zijhad nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.
’t Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan je dolveel hield, nooit terug zou keeren.
Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende deelen van Indië.
Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.
Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd meende ze.
Een beetje schuw keek ze naar het klokje.
Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevredenover haar en had juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te moeten schrijven.
Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.
Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.
Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.
Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, dat ze met zulk een weer uitging.
Voorzichtig zei ze:
„Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?”
Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen te lachen.
„O ja,” zei Moeder droogkomiek, „het is bepaald heerlijk weer. Je gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?”
Wies lachte nu ook.
„Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, nu we niet meer in één klasse zitten.”
Henk keek tragisch en reciteerde:
„Ja, dat is heel erg,En als nu de berg,In den vorm van Lot,Die lieve, lekkre dot,Niet naar Mahomed komt,”
„Ja, dat is heel erg,
En als nu de berg,
In den vorm van Lot,
Die lieve, lekkre dot,
Niet naar Mahomed komt,”
„Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?”
Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna aan het oog onttrok.
„Je kunt er niet door,” zei ze.
Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.
„Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op,” stelde moeder voor.
„Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan.”
Moeder schudde van neen.
„Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet.”
„Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?”
Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.
„Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, maar nu wil ik er geen woord meer over hooren.”
Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?
Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel ’s avonds aan toe, doordat ze met goed weer ’s morgens ging wandelen en ’s middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.
Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.
„Teerbeminde zuster, ik moet je spreken,” zei hij op pathetischen toon.
„Ge zijt welkom, geliefde broeder,” antwoordde Wies lachend.
Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:
„Wat moet je?”
Henk maakte een diepe buiging.
„Mijnhooggeachteen geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen.”
„Je schuld?”
„Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld,” en hij telde één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.
Hoe kwam hij daar nu aan?
Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.
Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?
Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.
„Hoe kom je aan dat geld?” vroeg ze.
Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.
„Gestolen,” zei hij toen droog.
Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon je ooit uit hem krijgen.
„Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?”
„Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar handig weet op te vangen, dan ….”
„Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?”
Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hemte zijn. Maar zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.
„Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet meer te doen,” zei hij quasi barsch.
Wies kreeg een kleur.
Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, of iets dergelijks.
Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.
„Je moet er niet boos om zijn,” zei ze zacht, „maar ik was er altijd zóó bang voor.”
Henk wist nog zijn ernst te bewaren.
„Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, dat je eigen zuster je voor zoo’n zwak vat houdt. Maar helaas, ik heb dat verdiend door mijn vroegere zonden.”
Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn wangen toonden verraderlijke kuiltjes.
Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.
„Malle jongen,” lachte ze.
Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.
„Zoo’n straf heb ik niet verdiend,” beweerde hij.
Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.
„Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan.”
„Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder behoeft er nu juist niet het fijne van te weten.”
Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en vroeg toen plechtig om een quitantie.
Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.
„Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje,” verklaarde ze, „maar toe, Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, maar ik zou het toch zoo graag weten.”
Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.
„Kan ik je ook dienen?” vroeg hij.
„Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet mag van Moes.”
„’t Is ook niet goed voor kleine meisjes,” en Henk stak zijn sigarettenkokertje weg.
Lustig dampend begon hij:
„Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden heer ….”
„Met den ouden heer, maar Henk!”
„Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, Grootvader is een leuke baas …”
„Maar Henk dan!”
„Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde.”
„Heerlijk, Henk.”
„Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, dan voel je in je binnenste zoo’n echt respect voorhem, dan krijg je zoo’n gevoel, dat daar nu eenmanvoor je staat en dat je het heele aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien.”
Wies was er stil van.
Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.
„Vader lijkt op Grootvader, vin’ je niet?” vroeg ze.
„Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, maar nu ben ik er af, gelukkig.”
Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad vond.
„Laat ik je er wat van teruggeven,” zei ze.
„Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten bezoedelen?” en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.
Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.
Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, die uit was geweest.
„Goed,” verklaarde Wies, „alleen een beetje wind.”
„Noem je dat eenbeetjewind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt vandaag. Op zoo’n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon.”
„’k Ga er ook door,” verklaarde Henk, „ik heb een afspraak.”
„O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald tegen op, maar ik zal het toch maar doen. ’t Is Betje’s uitgaansdag, Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?”
Marietje knikte toestemmend.
„Kan ik er zeker van opaan?”
„Vast, Moes.”
Wies had alweer een onaangenaam gevoel.
Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen.Nu, dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, dan was zij er af.
„Wat ga je doen?” vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.
„Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?”
„Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk hebben.”
„Natuurlijk, laat dat maar aan mij over,” en Wies moest inwendig lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.
Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.
Wat was het stil in de kamer.
Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden met blokken en soldaatjes.
Ze werkte weer door.
Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de verjaarvisite haar beste goed aan. Misschienook niet, Moes was zoo zuinig.
„Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, het regent zoo.”
Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.
„Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is.”
Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.
Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.
Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig te kunnen werken en toch …. ze had meer moeite, dan in den laatsten tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.
Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze uitvoerden en dat leidde haar af.
Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.
Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.
Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven,was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.
„Wat is er gebeurd?” vroeg ze verschrikt.
Jan gilde het uit.
„Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies,” jammerde hij.
„Oooo …. mooi vlammetje kapot gemaakt,” huilde de echo.
Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart verkoolde schortje.
„Stonden ze in brand?” vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.
Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.
Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, toen het voorbij was.
Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.
Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde dit trouw.
Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en begon de kinderen te ondervragen.
Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje’s schort in brand?
Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.
„De kacheldeur?” vroeg Wies ontsteld, „kon je dat dan?”
„Ja,” knikte Jantje, „en toen het open was, kwam er een heel groote vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig mensch, heb het dadelijk uitgemaakt.”
Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, om die dictionnaire te krijgen.
Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.
„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.
„Neen, ik geloof het niet ten minste,” want half onbewust voelde ze wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.
Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.
„Ik schijn me gebrand te hebben,” zei ze.
Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.
Wies gaf haar een kus.
„Dank je wel, je bent ’n echte ziekenverpleegster, hoor.”
Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:
„Wat zal Moeder zeggen?”
Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het land had.
Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos verloren geweest.
Ze rilde er van.
„Jij hebt hem het leven gered, Wies,” zei ze eerlijk.
Haar zusje lachte:
„Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke woord niet in mijn thema gehad had, dan …. hè ik moet er niet aan denken.”
Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.
Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.
Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk gebeurd zijn?
Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, de kinderen waren dus gezond en wel.
„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.
Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje verkeerd had.
Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en zei op verwijtenden toon:
„Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, Marietje.”
Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.
Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, was meer dan ze verdragen kon.
„Wies is toch de oudste,” mompelde ze.
Haar moeder nam dat woord dadelijk over.
„Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen.”
De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.
Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had overgedragen, kon dàt toch niet hebben.
„Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand,” zei ze.
„Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?” en eensklaps bezorgd, keek Moeder naar de verbonden hand.
„O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen.”
„Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker van.”
Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er gebeurd was.
Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de tweeblonde broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.
Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt zouden liggen.
Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu iets om mee te spotten?
Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten schrik en wat dan?
Over Wies’ bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.
„Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond,” zei ze, „Moeder zegt nu wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van een paar minuten.”
Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.
Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.
„Henk heeft gelijk,” zei ze, „het is en blijft waar, dat je beter op de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind,” en ze kuste het meisje hartelijk.
Wies straalde.
Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar even een kreetje van pijn ontlokte.
„Je hebt je toch niet erg gebrand?” vroeg haar moeder bezorgd.„Laat ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?”
Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.
Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.
„Kom eens hier,” zei Moeder, „laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo goed is afgeloopen.”
„Mooi zoo,” riep Henk, „dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als ’t u blieft, hier is nog een lading,” en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op en duwde hem in zijn moeders armen.
Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, die dadelijk ook gepakt wilde worden.
Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman kuste.
„Apotheose,” verklaarde Henk, „tot slot van het drama Wies Ongeluk als heldin, of het brandende jongetje.”