Vijfde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De Wraak.Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, ’s morgens vroeg nog wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden meer hebben om zoo te zijn.Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, het was zóó leuk geweest.„Waarom heb je toch ’s middags niet geleerd,” voegde ze er bij, „we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan.”„Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet,” zei Wies somber.Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.„Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik.”„Ik dwaalde aldoor af.”„Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt.”Wies zuchtte.„Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken.”Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.„Maar Wies!”„Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan.”Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek ook zoo tragisch.„Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie het doet, die kent hare lessen meestal goed.”Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den steek liet.Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus welterecht komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er eigenlijk niets van.„Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux.”Daar hadt je het al,les verbes pronominauxhadden aparte regels voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze heelemaal niet.„Eh bien, Louise?”Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:„Le participe passé des verbes ….”„Accidentellement pronominaux,” fluisterde Rie.Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.„Accidentellement pronominaux,” herhaalde Rie wat harder.Juffrouw Faber keek haar strak aan.„Marie,” zei ze waarschuwend.Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van haar af.„Continuez, Louise.”Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar geen pogingen doen en zwijgen.Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, maar Wies staarde strak voor zich uit.„L’éloquence même,” zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, „la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter.”Wies keek boos op.De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.„U hoeft me niet voor den gek te houden,” barstte ze los.Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.„Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma chère,” zei ze kalm, „vous savez, qu’il est défendu de parler le hollandais pendant ma leçon.”Wies zweeg met een kleur van boosheid.„Eh bien, j’écoute.”Nog zweeg Wies.„Ne m’avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous venez de dire.”Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.„Moquer,” mompelde ze.„Bravo, c’est ça. C’est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C’est bien, continuez.”Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in tranen uit.„Schei toch uit,” mompelde ze.Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder met rust.Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies zag er zoo door en door boos uit.Na een poosje begon Wies:„Von’ je het geen schandelijke manier van me te behandelen?”„Ja, hatelijk,” beaamde Lottie.„Maar ik zal me wreken,” zei Wies somber.Lottie keek een beetje angstig naar haar op.Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat zou zijn.„Ik zou er maar niet meer aan denken,” zei Lottie aarzelend.Louise bleef staan van verbazing.„Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, dat de honden geen brood van je zouden eten?”„Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer.”„Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt.”Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.„Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen ’t in ernst, wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd en je kunt er toch niets aan veranderen.”„Ik kan me wreken.”„Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo’n juffrouw trek je licht aan het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt je eigen maar in onaangenaamheden.”Wies antwoordde niet meer.Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande van die bespotting uit te wisschen.Maar wat?Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, ja zelfs iets lafs in vond.Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet gedaan had, iets aparts.Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.’s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet wreken mocht.Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den jongen, die altijd op den hoek vandiedwarsstraat stond, wat mooie bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.Zoo gedacht, zoo gedaan.Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber bestemd waren.„Hoe krijg je dat in je hoofd?” vroeg ze verbaasd.„Dat is nu mijn wraak,” antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:„C’est très joli, ce bouquet, merci, Louise.”Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar zag ze tegen op.De les begon.Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, om er aan te ruiken.Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.„Een spin,” stootte ze uit.Een deel der meisjes begon te lachen.Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuwvan spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.Lottie keek verschrikt naar Wies.Was dat haar wraak?Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bankwillen kruipen, zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal vergetend Fransch te spreken:„Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot nader order niet meer in mijn lessen te komen.”Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de juffrouw niet verstaan had.„Hoor je niet, wat ik zeg?”Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, die haar verdediging op zich nemen zou.Maar nergens vond ze hulp.Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige pogingen, om hem te verbergen.Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, maar niemand sprak een woord.Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde en zei toen, wat schor:„U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?”Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.„Speel nu verder maar geen comedie,” zei ze koud, „en doe, wat ik je zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen.”Het duizelde Wies.Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo’n minne wraak, om onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik op het lijf te jagen.Hoe was het mogelijk.En iedereen scheen het te gelooven.Lottie ook?Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en vermeed haar aan te zien.Dus Lottie ook.Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken te smoren, die nu opwelden.Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar beval, de bloemen mee te nemen.Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw Faber hadden moeten dienst doen.Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo’n ellendige spin alles verkeerd moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, die het aangericht had.„Araignée au matin, chagrin.” Dat rijmpje bevatte voor haar wel waarheid.Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot de werkelijkheid terug.Wat nu te doen?Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.Lot geloofde het ook.Hoe was het mogelijk,zijzou Lottie zeker niet van zoo iets mins beschuldigd hebben.Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bitteregedachten en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber’s stem vernam, die verwonderd zei:„Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?”Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde niets.„Neem die bloemen op en volg me,” beval de juffrouw.Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd der school.„Hoe kon je zoo iets verzinnen,” zei ze op verdrietigen toon, „ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht.”Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!„Maar ik heb het niet gedaan,” riep ze hartstochtelijk.Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.„Ze stelt zich weer aan,” zei deze, „ik behoef u toch Louise Schotter niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje van gisteren.”„Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een niet gekende les.”„Het was geen standje, ze bespotte me,” viel Wies heel onvoorzichtig uit.Juffrouw Faber glimlachte triomfant.„Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze zich heeft willen wreken.”De directrice keek ernstig.Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.„Ik vrees, dat u gelijk heeft,” zei ze, „maar ik begrijp zoo iets niet van Louise.”Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar mond lag een bittere trek.„Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?” vroeg ze.„Ik moet het wel gelooven.”„Goed, geloof u het dan maar,” en met moeite het beven van hare lippen bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand genomen en bekeek ze nu.„Er is nu geen spin meer in,” zei ze.„Is die er uit,” vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar nemend, „als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er straks nog in, Louise?”Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze gaf zich aan het noodlot over.„Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn rug gekropen.”Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.„Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik voel daar zoo’n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?”Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde ze er wat verlegen bij:„U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo’n griezel van spinnen.”„Dat komt meer voor,” zei de directrice rustig. „Ik wil Louise nog wel even alleen spreken.”Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.„Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag heeft,” zei ze nog.„Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?” vroegde directrice. „Dat zou, dunkt me, het beste zijn.”Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en schudde van neen.Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.„Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, dat je geen schuld hebt?”„Ja, juffrouw.”„Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu juist niet zulke groote vriendinnen zijn.”Wies kleurde.Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij gelooven.Ze zweeg dus.De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.„Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb.”Wies schrok.„Stuurt u me voor den heelen dag weg?”„Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber.”„Daar hebben we morgen geen les van.”„Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen.”Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.De directrice vatte haar neerhangende hand.„Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo’n pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt.”Weer aarzelde Wies.Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De Wraak.Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, ’s morgens vroeg nog wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden meer hebben om zoo te zijn.Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, het was zóó leuk geweest.„Waarom heb je toch ’s middags niet geleerd,” voegde ze er bij, „we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan.”„Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet,” zei Wies somber.Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.„Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik.”„Ik dwaalde aldoor af.”„Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt.”Wies zuchtte.„Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken.”Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.„Maar Wies!”„Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan.”Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek ook zoo tragisch.„Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie het doet, die kent hare lessen meestal goed.”Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den steek liet.Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus welterecht komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er eigenlijk niets van.„Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux.”Daar hadt je het al,les verbes pronominauxhadden aparte regels voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze heelemaal niet.„Eh bien, Louise?”Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:„Le participe passé des verbes ….”„Accidentellement pronominaux,” fluisterde Rie.Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.„Accidentellement pronominaux,” herhaalde Rie wat harder.Juffrouw Faber keek haar strak aan.„Marie,” zei ze waarschuwend.Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van haar af.„Continuez, Louise.”Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar geen pogingen doen en zwijgen.Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, maar Wies staarde strak voor zich uit.„L’éloquence même,” zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, „la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter.”Wies keek boos op.De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.„U hoeft me niet voor den gek te houden,” barstte ze los.Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.„Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma chère,” zei ze kalm, „vous savez, qu’il est défendu de parler le hollandais pendant ma leçon.”Wies zweeg met een kleur van boosheid.„Eh bien, j’écoute.”Nog zweeg Wies.„Ne m’avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous venez de dire.”Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.„Moquer,” mompelde ze.„Bravo, c’est ça. C’est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C’est bien, continuez.”Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in tranen uit.„Schei toch uit,” mompelde ze.Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder met rust.Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies zag er zoo door en door boos uit.Na een poosje begon Wies:„Von’ je het geen schandelijke manier van me te behandelen?”„Ja, hatelijk,” beaamde Lottie.„Maar ik zal me wreken,” zei Wies somber.Lottie keek een beetje angstig naar haar op.Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat zou zijn.„Ik zou er maar niet meer aan denken,” zei Lottie aarzelend.Louise bleef staan van verbazing.„Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, dat de honden geen brood van je zouden eten?”„Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer.”„Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt.”Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.„Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen ’t in ernst, wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd en je kunt er toch niets aan veranderen.”„Ik kan me wreken.”„Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo’n juffrouw trek je licht aan het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt je eigen maar in onaangenaamheden.”Wies antwoordde niet meer.Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande van die bespotting uit te wisschen.Maar wat?Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, ja zelfs iets lafs in vond.Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet gedaan had, iets aparts.Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.’s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet wreken mocht.Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den jongen, die altijd op den hoek vandiedwarsstraat stond, wat mooie bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.Zoo gedacht, zoo gedaan.Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber bestemd waren.„Hoe krijg je dat in je hoofd?” vroeg ze verbaasd.„Dat is nu mijn wraak,” antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:„C’est très joli, ce bouquet, merci, Louise.”Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar zag ze tegen op.De les begon.Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, om er aan te ruiken.Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.„Een spin,” stootte ze uit.Een deel der meisjes begon te lachen.Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuwvan spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.Lottie keek verschrikt naar Wies.Was dat haar wraak?Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bankwillen kruipen, zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal vergetend Fransch te spreken:„Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot nader order niet meer in mijn lessen te komen.”Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de juffrouw niet verstaan had.„Hoor je niet, wat ik zeg?”Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, die haar verdediging op zich nemen zou.Maar nergens vond ze hulp.Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige pogingen, om hem te verbergen.Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, maar niemand sprak een woord.Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde en zei toen, wat schor:„U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?”Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.„Speel nu verder maar geen comedie,” zei ze koud, „en doe, wat ik je zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen.”Het duizelde Wies.Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo’n minne wraak, om onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik op het lijf te jagen.Hoe was het mogelijk.En iedereen scheen het te gelooven.Lottie ook?Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en vermeed haar aan te zien.Dus Lottie ook.Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken te smoren, die nu opwelden.Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar beval, de bloemen mee te nemen.Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw Faber hadden moeten dienst doen.Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo’n ellendige spin alles verkeerd moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, die het aangericht had.„Araignée au matin, chagrin.” Dat rijmpje bevatte voor haar wel waarheid.Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot de werkelijkheid terug.Wat nu te doen?Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.Lot geloofde het ook.Hoe was het mogelijk,zijzou Lottie zeker niet van zoo iets mins beschuldigd hebben.Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bitteregedachten en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber’s stem vernam, die verwonderd zei:„Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?”Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde niets.„Neem die bloemen op en volg me,” beval de juffrouw.Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd der school.„Hoe kon je zoo iets verzinnen,” zei ze op verdrietigen toon, „ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht.”Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!„Maar ik heb het niet gedaan,” riep ze hartstochtelijk.Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.„Ze stelt zich weer aan,” zei deze, „ik behoef u toch Louise Schotter niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje van gisteren.”„Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een niet gekende les.”„Het was geen standje, ze bespotte me,” viel Wies heel onvoorzichtig uit.Juffrouw Faber glimlachte triomfant.„Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze zich heeft willen wreken.”De directrice keek ernstig.Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.„Ik vrees, dat u gelijk heeft,” zei ze, „maar ik begrijp zoo iets niet van Louise.”Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar mond lag een bittere trek.„Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?” vroeg ze.„Ik moet het wel gelooven.”„Goed, geloof u het dan maar,” en met moeite het beven van hare lippen bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand genomen en bekeek ze nu.„Er is nu geen spin meer in,” zei ze.„Is die er uit,” vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar nemend, „als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er straks nog in, Louise?”Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze gaf zich aan het noodlot over.„Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn rug gekropen.”Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.„Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik voel daar zoo’n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?”Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde ze er wat verlegen bij:„U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo’n griezel van spinnen.”„Dat komt meer voor,” zei de directrice rustig. „Ik wil Louise nog wel even alleen spreken.”Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.„Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag heeft,” zei ze nog.„Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?” vroegde directrice. „Dat zou, dunkt me, het beste zijn.”Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en schudde van neen.Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.„Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, dat je geen schuld hebt?”„Ja, juffrouw.”„Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu juist niet zulke groote vriendinnen zijn.”Wies kleurde.Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij gelooven.Ze zweeg dus.De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.„Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb.”Wies schrok.„Stuurt u me voor den heelen dag weg?”„Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber.”„Daar hebben we morgen geen les van.”„Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen.”Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.De directrice vatte haar neerhangende hand.„Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo’n pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt.”Weer aarzelde Wies.Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.

Vijfde Hoofdstuk.Vijfde Hoofdstuk.De Wraak.

Vijfde Hoofdstuk.

Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, ’s morgens vroeg nog wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden meer hebben om zoo te zijn.Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, het was zóó leuk geweest.„Waarom heb je toch ’s middags niet geleerd,” voegde ze er bij, „we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan.”„Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet,” zei Wies somber.Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.„Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik.”„Ik dwaalde aldoor af.”„Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt.”Wies zuchtte.„Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken.”Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.„Maar Wies!”„Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan.”Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek ook zoo tragisch.„Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie het doet, die kent hare lessen meestal goed.”Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den steek liet.Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus welterecht komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er eigenlijk niets van.„Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux.”Daar hadt je het al,les verbes pronominauxhadden aparte regels voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze heelemaal niet.„Eh bien, Louise?”Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:„Le participe passé des verbes ….”„Accidentellement pronominaux,” fluisterde Rie.Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.„Accidentellement pronominaux,” herhaalde Rie wat harder.Juffrouw Faber keek haar strak aan.„Marie,” zei ze waarschuwend.Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van haar af.„Continuez, Louise.”Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar geen pogingen doen en zwijgen.Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, maar Wies staarde strak voor zich uit.„L’éloquence même,” zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, „la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter.”Wies keek boos op.De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.„U hoeft me niet voor den gek te houden,” barstte ze los.Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.„Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma chère,” zei ze kalm, „vous savez, qu’il est défendu de parler le hollandais pendant ma leçon.”Wies zweeg met een kleur van boosheid.„Eh bien, j’écoute.”Nog zweeg Wies.„Ne m’avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous venez de dire.”Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.„Moquer,” mompelde ze.„Bravo, c’est ça. C’est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C’est bien, continuez.”Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in tranen uit.„Schei toch uit,” mompelde ze.Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder met rust.Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies zag er zoo door en door boos uit.Na een poosje begon Wies:„Von’ je het geen schandelijke manier van me te behandelen?”„Ja, hatelijk,” beaamde Lottie.„Maar ik zal me wreken,” zei Wies somber.Lottie keek een beetje angstig naar haar op.Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat zou zijn.„Ik zou er maar niet meer aan denken,” zei Lottie aarzelend.Louise bleef staan van verbazing.„Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, dat de honden geen brood van je zouden eten?”„Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer.”„Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt.”Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.„Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen ’t in ernst, wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd en je kunt er toch niets aan veranderen.”„Ik kan me wreken.”„Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo’n juffrouw trek je licht aan het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt je eigen maar in onaangenaamheden.”Wies antwoordde niet meer.Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande van die bespotting uit te wisschen.Maar wat?Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, ja zelfs iets lafs in vond.Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet gedaan had, iets aparts.Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.’s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet wreken mocht.Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den jongen, die altijd op den hoek vandiedwarsstraat stond, wat mooie bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.Zoo gedacht, zoo gedaan.Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber bestemd waren.„Hoe krijg je dat in je hoofd?” vroeg ze verbaasd.„Dat is nu mijn wraak,” antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:„C’est très joli, ce bouquet, merci, Louise.”Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar zag ze tegen op.De les begon.Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, om er aan te ruiken.Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.„Een spin,” stootte ze uit.Een deel der meisjes begon te lachen.Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuwvan spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.Lottie keek verschrikt naar Wies.Was dat haar wraak?Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bankwillen kruipen, zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal vergetend Fransch te spreken:„Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot nader order niet meer in mijn lessen te komen.”Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de juffrouw niet verstaan had.„Hoor je niet, wat ik zeg?”Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, die haar verdediging op zich nemen zou.Maar nergens vond ze hulp.Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige pogingen, om hem te verbergen.Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, maar niemand sprak een woord.Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde en zei toen, wat schor:„U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?”Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.„Speel nu verder maar geen comedie,” zei ze koud, „en doe, wat ik je zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen.”Het duizelde Wies.Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo’n minne wraak, om onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik op het lijf te jagen.Hoe was het mogelijk.En iedereen scheen het te gelooven.Lottie ook?Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en vermeed haar aan te zien.Dus Lottie ook.Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken te smoren, die nu opwelden.Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar beval, de bloemen mee te nemen.Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw Faber hadden moeten dienst doen.Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo’n ellendige spin alles verkeerd moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, die het aangericht had.„Araignée au matin, chagrin.” Dat rijmpje bevatte voor haar wel waarheid.Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot de werkelijkheid terug.Wat nu te doen?Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.Lot geloofde het ook.Hoe was het mogelijk,zijzou Lottie zeker niet van zoo iets mins beschuldigd hebben.Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bitteregedachten en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber’s stem vernam, die verwonderd zei:„Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?”Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde niets.„Neem die bloemen op en volg me,” beval de juffrouw.Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd der school.„Hoe kon je zoo iets verzinnen,” zei ze op verdrietigen toon, „ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht.”Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!„Maar ik heb het niet gedaan,” riep ze hartstochtelijk.Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.„Ze stelt zich weer aan,” zei deze, „ik behoef u toch Louise Schotter niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje van gisteren.”„Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een niet gekende les.”„Het was geen standje, ze bespotte me,” viel Wies heel onvoorzichtig uit.Juffrouw Faber glimlachte triomfant.„Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze zich heeft willen wreken.”De directrice keek ernstig.Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.„Ik vrees, dat u gelijk heeft,” zei ze, „maar ik begrijp zoo iets niet van Louise.”Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar mond lag een bittere trek.„Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?” vroeg ze.„Ik moet het wel gelooven.”„Goed, geloof u het dan maar,” en met moeite het beven van hare lippen bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand genomen en bekeek ze nu.„Er is nu geen spin meer in,” zei ze.„Is die er uit,” vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar nemend, „als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er straks nog in, Louise?”Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze gaf zich aan het noodlot over.„Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn rug gekropen.”Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.„Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik voel daar zoo’n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?”Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde ze er wat verlegen bij:„U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo’n griezel van spinnen.”„Dat komt meer voor,” zei de directrice rustig. „Ik wil Louise nog wel even alleen spreken.”Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.„Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag heeft,” zei ze nog.„Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?” vroegde directrice. „Dat zou, dunkt me, het beste zijn.”Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en schudde van neen.Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.„Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, dat je geen schuld hebt?”„Ja, juffrouw.”„Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu juist niet zulke groote vriendinnen zijn.”Wies kleurde.Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij gelooven.Ze zweeg dus.De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.„Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb.”Wies schrok.„Stuurt u me voor den heelen dag weg?”„Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber.”„Daar hebben we morgen geen les van.”„Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen.”Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.De directrice vatte haar neerhangende hand.„Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo’n pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt.”Weer aarzelde Wies.Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.

Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.

Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, ’s morgens vroeg nog wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden meer hebben om zoo te zijn.

Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, het was zóó leuk geweest.

„Waarom heb je toch ’s middags niet geleerd,” voegde ze er bij, „we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan.”

„Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet,” zei Wies somber.

Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.

„Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik.”

„Ik dwaalde aldoor af.”

„Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt.”

Wies zuchtte.

„Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken.”

Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.

„Maar Wies!”

„Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan.”

Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek ook zoo tragisch.

„Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie het doet, die kent hare lessen meestal goed.”

Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.

Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.

Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.

Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den steek liet.

Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus welterecht komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er eigenlijk niets van.

„Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux.”

Daar hadt je het al,les verbes pronominauxhadden aparte regels voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze heelemaal niet.

„Eh bien, Louise?”

Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:

„Le participe passé des verbes ….”

„Accidentellement pronominaux,” fluisterde Rie.

Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.

„Accidentellement pronominaux,” herhaalde Rie wat harder.

Juffrouw Faber keek haar strak aan.

„Marie,” zei ze waarschuwend.

Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van haar af.

„Continuez, Louise.”

Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar geen pogingen doen en zwijgen.

Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, maar Wies staarde strak voor zich uit.

„L’éloquence même,” zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, „la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter.”

Wies keek boos op.

De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.

„U hoeft me niet voor den gek te houden,” barstte ze los.

Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.

„Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma chère,” zei ze kalm, „vous savez, qu’il est défendu de parler le hollandais pendant ma leçon.”

Wies zweeg met een kleur van boosheid.

„Eh bien, j’écoute.”

Nog zweeg Wies.

„Ne m’avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous venez de dire.”

Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.

„Moquer,” mompelde ze.

„Bravo, c’est ça. C’est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C’est bien, continuez.”

Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in tranen uit.

„Schei toch uit,” mompelde ze.

Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder met rust.

Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.

Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.

Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies zag er zoo door en door boos uit.

Na een poosje begon Wies:

„Von’ je het geen schandelijke manier van me te behandelen?”

„Ja, hatelijk,” beaamde Lottie.

„Maar ik zal me wreken,” zei Wies somber.

Lottie keek een beetje angstig naar haar op.

Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat zou zijn.

„Ik zou er maar niet meer aan denken,” zei Lottie aarzelend.

Louise bleef staan van verbazing.

„Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, dat de honden geen brood van je zouden eten?”

„Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer.”

„Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt.”

Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.

„Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen ’t in ernst, wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd en je kunt er toch niets aan veranderen.”

„Ik kan me wreken.”

„Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo’n juffrouw trek je licht aan het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt je eigen maar in onaangenaamheden.”

Wies antwoordde niet meer.

Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande van die bespotting uit te wisschen.

Maar wat?

Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, ja zelfs iets lafs in vond.

Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet gedaan had, iets aparts.

Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.

’s Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet wreken mocht.

Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.

Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.

Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.

Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.

Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den jongen, die altijd op den hoek vandiedwarsstraat stond, wat mooie bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.

Zoo gedacht, zoo gedaan.

Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber bestemd waren.

„Hoe krijg je dat in je hoofd?” vroeg ze verbaasd.

„Dat is nu mijn wraak,” antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.

Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.

De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:

„C’est très joli, ce bouquet, merci, Louise.”

Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.

Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar zag ze tegen op.

De les begon.

Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, om er aan te ruiken.

Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.

„Een spin,” stootte ze uit.

Een deel der meisjes begon te lachen.

Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuwvan spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.

Lottie keek verschrikt naar Wies.

Was dat haar wraak?

Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.

Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bankwillen kruipen, zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.

Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal vergetend Fransch te spreken:

„Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot nader order niet meer in mijn lessen te komen.”

Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de juffrouw niet verstaan had.

„Hoor je niet, wat ik zeg?”

Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, die haar verdediging op zich nemen zou.

Maar nergens vond ze hulp.

Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige pogingen, om hem te verbergen.

Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, maar niemand sprak een woord.

Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde en zei toen, wat schor:

„U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?”

Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.

„Speel nu verder maar geen comedie,” zei ze koud, „en doe, wat ik je zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen.”

Het duizelde Wies.

Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo’n minne wraak, om onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik op het lijf te jagen.

Hoe was het mogelijk.

En iedereen scheen het te gelooven.

Lottie ook?

Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en vermeed haar aan te zien.

Dus Lottie ook.

Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken te smoren, die nu opwelden.

Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar beval, de bloemen mee te nemen.

Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.

Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw Faber hadden moeten dienst doen.

Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo’n ellendige spin alles verkeerd moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, die het aangericht had.

„Araignée au matin, chagrin.” Dat rijmpje bevatte voor haar wel waarheid.

Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.

Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot de werkelijkheid terug.

Wat nu te doen?

Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.

Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.

Lot geloofde het ook.

Hoe was het mogelijk,zijzou Lottie zeker niet van zoo iets mins beschuldigd hebben.

Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bitteregedachten en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber’s stem vernam, die verwonderd zei:

„Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?”

Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde niets.

„Neem die bloemen op en volg me,” beval de juffrouw.

Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd der school.

„Hoe kon je zoo iets verzinnen,” zei ze op verdrietigen toon, „ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht.”

Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!

„Maar ik heb het niet gedaan,” riep ze hartstochtelijk.

Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.

„Ze stelt zich weer aan,” zei deze, „ik behoef u toch Louise Schotter niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje van gisteren.”

„Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een niet gekende les.”

„Het was geen standje, ze bespotte me,” viel Wies heel onvoorzichtig uit.

Juffrouw Faber glimlachte triomfant.

„Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze zich heeft willen wreken.”

De directrice keek ernstig.

Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.

„Ik vrees, dat u gelijk heeft,” zei ze, „maar ik begrijp zoo iets niet van Louise.”

Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar mond lag een bittere trek.

„Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?” vroeg ze.

„Ik moet het wel gelooven.”

„Goed, geloof u het dan maar,” en met moeite het beven van hare lippen bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.

De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand genomen en bekeek ze nu.

„Er is nu geen spin meer in,” zei ze.

„Is die er uit,” vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar nemend, „als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er straks nog in, Louise?”

Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze gaf zich aan het noodlot over.

„Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn rug gekropen.”

Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.

„Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik voel daar zoo’n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?”

Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde ze er wat verlegen bij:

„U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo’n griezel van spinnen.”

„Dat komt meer voor,” zei de directrice rustig. „Ik wil Louise nog wel even alleen spreken.”

Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.

„Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag heeft,” zei ze nog.

„Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?” vroegde directrice. „Dat zou, dunkt me, het beste zijn.”

Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en schudde van neen.

Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.

De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.

„Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, dat je geen schuld hebt?”

„Ja, juffrouw.”

„Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu juist niet zulke groote vriendinnen zijn.”

Wies kleurde.

Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij gelooven.

Ze zweeg dus.

De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.

„Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb.”

Wies schrok.

„Stuurt u me voor den heelen dag weg?”

„Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber.”

„Daar hebben we morgen geen les van.”

„Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen.”

Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.

De directrice vatte haar neerhangende hand.

„Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo’n pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt.”

Weer aarzelde Wies.

Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?

Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.

Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.

In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.


Back to IndexNext