[Illustratie]
[Illustratie]
Ik zweeg; het is bij ons niet "in den vorm", te klikken. Dat doen we nooit. Maar tante wou me aan den praat hebben. Zij dreigde, vader te zullen halen, als ik niet antwoordde. Ik zei toen: "Ik weet, waar de jongens zijn, tante, maar ik wil het liever niet zeggen, en ik weet niet, of Lena ook met hen mee is." "Maar je moèt zeggen, waar ze heen zijn, Griet; het is heel leelijk van ze, om zoo weg te snappen." "Ze zullen niets geen verkeerds uithalen, maar het zal wel laat worden, eer ze thuis zijn." "Ik zal dadelijk met vader er over spreken," zei tante; zij wist wel, dat we nooit van elkaar zouden klikken; 't speet mij wel voor haar, want ze zag er zoo bezorgd uit. Na eenigen tijd kwam vader boven, en toen ik hem hoorde komen, stopte ik m'n hoofd goed onder de dekens en deed alsof ik sliep. Maar dat lukte niet best, want hij legde zijn hand op mijn hoofd, en dat is als een kus, en dan gevoel ik, dat ik hem alles kan vertellen. "Wel, kind, is Lena nog niet boven water? Wat zijn jelui toch lastig. Tante is er heelemaal van in de war."
"Het spijt mij vader, maar Lena heeft mij niet gezegd, dat en waar ze heenging, en ik heb haar ook niet zien heengaan."
"Weet je, waar de jongens zijn?"
"Ja, vader."
Hij zweeg even, en zei toen: "Je moet me alles zeggen. Ik kan niet hebben, dat een van m'n kleintjes zoo laat op den avond de deur uit is, zonder dat ik weet, waar ie zit."
Ik vertelde hem nu de geschiedenis, en hij zuchtte. "Het is heel ondeugend van ze, en dat zullen ze weten ook. Daan heeft mij zeer teleurgesteld."
"Och vader," zei ik, zijn hand grijpende, "als u nog een jongen was, dan ben ik er zeker van, dat u het ook zoudt gedaan hebben. Denk u eens in: Zij mogen rond een kampvuur zitten en konijnenvleesch eten, en dan worden er zigeunerliederen bij gezongen. Wat is daar nu voor verkeerds in?"
Vader glimlachte. "Wel Grietje, het zal de jongens geen kwaad doen, maar zigeuners zijn geen goede vriendjes voor mijn volkje, en Daan had beter moeten weten. En dan, Lena is nog een popje!"
Hij ging naar de deur, knikte mij toe, en zei: "Goed kind." Even daarna hoorde ik de huisdeur toeslaan, en ik begreep, dat hij hen ging halen. Ik trachtte wakker te blijven, maar 't lukte mij niet, en gewoonlijk sliep ik in eens door tot het uur van opstaan. Toen ik wakker werd, keek ik allereerst naar Lena's bed, en zag, dat ze er weer was. Toen ze wakker werd, zag ze er nog erg slaperig en hangerig uit. "Toe, vertel me es gauw," zei ik. "Ben je met de jongens meegegaan?"
"Natuurlijk, domme meid. Ik heb je toch gezegd, dat ik het zou doen. Ik ben nog vóór hen weggegaan, in geval je mij hadt willen tegenhouden; op de stoep bij juffrouw Ribbon wachtte ik ze op." Op boosaardigen toon vervolgde Lena: "Daan wou me terugsturen, maar ik zei hem, dat ik niet een van z'n Zondagsschoolkinderen was. Maar hij vond 't niets prettig, en dreigde, mij niet te zullen helpen, als ik achter raakte!"
"Vertel me nu van het feestmaal," drong ik nieuwsgierig aan. "Dat was er niet," zei Lena boos. "We hebben heelemaal tevergeefs geloopen, en mijn voeten gingen zeer doen. Toen wij er kwamen, was alles donker; het gansche kamp was verdwenen, en er was geen mensch meer te zien. Maar aan een boom was een briefje gespijkerd, en daar stond met vreeselijk slechte letters opgeschreven:
"Zigeuner-feestmaal Eerst den haas vangen, dan braden."
[Illustratie]
[Illustratie]
Daan vond het een heel knappen zigeuners streek, maar zij waren met dat al heel boos, en ik niet minder."
Wat was ik blij, dat ik niet was meegegaan! Ik had nu niets gemist. Maar die blijdschap was weer niet goed, ik had even blij moeten wezen, als ze een heerlijken maaltijd hadden genoten. "'t Is wat moois," bromde Lena. "Nu krijgen we allemaal straf voor niets. En we hebben niet eens den maaltijd gehad." Bij het ontbijt waren de jongens o zoo kalm. Vader had hun een flinke bestraffing gegeven, en na theetijd mochten ze, evenmin als Lena, in den tuin. Vader straft ons heel weinig, maar wij hebben altijd meer verdriet van zijn boosheid dan van de straf zelf.
Voordat de jongens naar school gingen, zei Daan tegen me: "Ik verwonder me er niet over, dat wel-opgevoede lui zeggen, dat de wereld steeds slechter wordt. Dat heb ik nu weer aan de zigeuners gezien!" Dat was alles, wat hij ooit nog weer over het mislukte zigeuner-feestmaal zei.
[Illustratie]
[Illustratie]
De volgende dagen werden besteed aan het schilderen van het karretje; de jongens vonden helgroen de beste kleur. Vervolgens werd onderhandeld over den aankoop van een zadel voor Andy. Ook hiervoor gingen we weer, ieder op z'n vroegere manier, aan 't verdienen; Daan werd weer vischboer, Alex voor ditmaal ook, Lena ging weer borstplaat verkoopen, en ik gaf Bob Tapson weer wat groenten en bloemen mee voor de markt.
[Illustratie]
[Illustratie]
Te midden van al deze bezigheden kwam ons jaarlijksch schoolfeest, dat hier meest op een der landerijen of in het park van Mevrouw Laura wordt gehouden. Ditmaal ontving Mevrouw Laura de kinderen in haar park; wij marcheerden er, allen met vlaggen gewapend heen, en onderweg voegden zich ook de kinderen van het naaste dorp er bij, zoodat het een groote optocht werd.
Den dag vóór het schoolfeest kwam Daan thuis met een blauw oog en een snede er boven. Hij vertelde me, dat hij aan 't vechten was geweest met den "wilde", dat is die vuile jongen met z'n dikke beenen. Vader ondervroeg Daan terstond, en deze vertelde: "Ik heb hem al te lang gespaard, vader. Hij meende alles maar tegen mij te kunnen zeggen.
Hij zei b.v., dat in de gevangenis haast allemaal domineeszoontjes zitten, omdat hun vaders allen huichelaars zijn. Ik eischte van hem, dat ie z'n woorden zou terugnemen, maar hij keek me brutaal aan en zei: Jou lieve papa mag de lui van den preekstoel de les lezen, maar zijn brave zoon heeft mij niets te vertellen, begrepen? En toen vloog ik op 'm los, hij rende weg, pakte een steen op en slingerde dien naar mij toe. Dat ie me z'n vuist onder de oogen zou geduwd hebben, alla, maar een steen! Wij vlogen allen op 'm aan, en hij vluchtte in een der schoollokalen, maar spoedig hadden we hem daar weer uit; terwijl de jongens hem stevig vast hielden, heb ik hem een flinke aframmeling gegeven. Het was goed, dat ik het deed, en niet een van de andere jongens, want ik weet, wanneer ik moet ophouden; als de jonge Gray hem te pakken had gekregen, wel ik geloof, dat ie 'm half dood had geslagen."
[Illustratie]
[Illustratie]
"Ja," voegde Alex er bij. "En toen ging ie huilend naar meester, maar die zei 'm, dat ie gekregen had, wat ie verdiende."
Vader zei niet veel. Hij verstaat jongens zoo goed. Net voor we naar bed gingen, kwam Daan naar me toe, en zei: "Hoor es, Griet, ik wil je de kleine Zondagsschoolklas overdoen. Ik kan het niet meer doen. Ik kan die kinderen niet verbieden te vechten, als ik het zelf doe. Gisteren heb ik in 't dorp nog twee vechtende jongens gescheiden. Het was eigenlijk verkeerd zoo op te treden, maar ik dacht aan hetgaan, dat ons geleerd is. En dan dat geval met Lena. Neen, ik kan die klas niet meer houden."
"Goed," zei ik, "maar ik vrees, dat ik 't niet veel beter zal maken. Mag je nooit iets verkeerds doen, als je aan de Zondagsschool bent?"
"Ik wil geen huichelaar wezen," zei Daan en ging weer weg. Toen vader te hooren kwam, dat de klas aan mij was overgedaan, riep vader Daan bij zich. "M'n jongen, weet je wel, waarin je verkeerd hebt gedaan? Je hebt het paard achter den wagen gespannen; je begon al te gaan nog vóór je was gekomen."
Daan kleurde, en zweeg even. Toen: "Hoe bedoelt u dat, vader?"
"Je gelijkt op een burger, die met de soldaten mee wil om te strijden en zichzelf als soldaat beschouwt, maar hij heeft zich nooit geoefend en kan niet eens de wapenen der soldaten hanteeren en hun gewoonten volgen."
Daan zei niets meer; ik zag, dat hij ernstig nadacht. Ik deed evenzoo, en ik meen vaders bedoeling te begrijpen. Hij heeft ons wel meer gezegd, dat, hoewel hij ons in den doop aan God heeft gewijd, om Zijn dienstknechten te worden, de tijd komt, dat we dat ook zelf moeten doen. En daarmee moeten we niet wachten, tot we onze belijdenis doen. Heb ik nu mijzelve aan den Heer gewijd, dan zal Hij me ondersteunen in alles, wat ik noodig heb.
Het lachte Daan niet bijzonder toe, om met z'n blauwe oog aan het schoolfeest deel te nemen. Vader zei, dat hij daar blij om moest wezen, want als hij thuis bleef, mocht hij met den ezel naar Relton rijden. Dat is vijf mijlen van hier, vader had er een boodschap voor een boer. Dat leek Daan en om dat te bewijzen, deed hij een sprong in de lucht.
Zaterdagmiddag te twee uur gingen we allen, behalve Daan, naar 't schoolfeest; zelfs Puf was van de partij. Toen we aan 't Huis kwamen, stonden Clara en Betty op 't bordes, en toonden zich zeer verheugd, toen ze ons opmerkten tusschen de lange rijen schoolkinderen. Betty was nu aardig beter, en kon met behulp van krukken goed vorderen. Wij bleven even met ze praten, terwijl de andere kinderen verder trokken.
In het park werden allerlei spelletjes en wedstrijden gehouden, waarna we op thee werden onthaald, waarbij heerlijk geboterde koeken werden opgediend. Tante had mij opgedragen, goed op Puf te letten, want die is nog al gemakkelijk van innemen.
Intusschen hadden we met Clara en Betty een afspraakje gemaakt, dat ze met hun ponyrijtuigje bij ons zouden komen. Wij zouden dan onze équipage ook voor den dag brengen en er zou weer een wedstrijd worden gehouden. Ik denk, dat Andy wel even vlug zal loopen, als hun pony.
Terwijl we zoo aan 't praten waren, kwam Mevrouw Rogers op me toe; zij nam me even mee, om haar man te groeten, die onder een boom zat met verscheidene heeren en dames. Wij hadden 't zóó druk gehad, dat Lena geheel vergeten had, haar brief aan den Kapitein te schrijven, en deze vroeg dus, of wij al een ezel hadden gekregen. "Wij hoorden al, dat de ouwe Nell niet best heeft voldaan," zei hij; "dat verwondert me niet."
Ik vertelde hem van de proefritten, van het schilderen van ons karretje, en van onzen arbeid om nog een zadel te verdienen. Toen hij hoorde, dat de jongens uit visschen gingen, vroeg hij, of ze elken morgen versche visch voor z'n ontbijt konden brengen. Ik haalde Alex en zei hem, dat ik een goeden afnemer voor hem gevonden had. Toen hij vernam, wie, kwam hij dadelijk, en was spoedig druk aan 't praten met den Kapitein.
Deze vertelde hem, dat hij vroeger een renpaard hield, maar nu in een mandewagentje moest voortsukkelen.
[Illustratie]
[Illustratie]
"Daar kunt u ook in meedoen," vond Alex.
"Ja," voegde ik er aan toe, "de volgende week hebben we een wedstrijd. Betty en Clara komen met hun rijtuigje, en als u nu met uw wagentje kwam, dan hebben we al drie deelnemers.
"Het lijkt me wel," zei de Kapitein, "maar jelui hebt toch zoo'n breeden weg niet."
"Neen," zei ik, "maar ik dacht om het te doen op een groot veld, en dan in de rondte, net als de Romeinen in een ampi... hoe heet zoo'n ding ook?"
"Heb je lauwerkransen?"
"Jawel," zei ik opgewonden, "we hebben wel laurierbladeren in den tuin, en daar zullen we wel kransen van maken."
"Och Karel, wat praat je toch een nonsens," zei Mevrouw Rogers lachend, maar haar oogen stonden droevig. Ik trok een lip, bang, dat er nu weer niets van komen zou, en ik vroeg Mevrouw nog eens, ons vooral te helpen. Zij antwoordde: "De dokter verbiedt mijn man, te loopen, lieve, hij mag geen opwinding hebben."
"Dat is nòg niet erg," zei de Kapitein vroolijk, "dan zal ik de keizer wezen, en de lauwerkransen uitreiken."
"We zouden ook een schildpadden-wedstrijd kunnen houden," vond Alex; "dat zou voor u nog wel te doen zijn, meneer."
"'t Is het beste, dat jelui maar allemaal hier naar de boerderij komen. Boer Donnyball heeft al gehooid, en dus ligt er een groot stuk land beschikbaar."
"Dat zou heerlijk zijn," zei ik. "Als u een dag zoudt willen vaststellen, dan zal ik er met Betty en Clara over spreken. Zaterdag is voor ons de beste dag, dan hebben we vacantie."
"Goed, aanstaanden Zaterdag dan, precies om twee uur."
"Maar de zangoefening dan?" fluisterde Alex me in. "Die missen we telkens. Ik wou, dat tante die maar op een anderen dag zette, 't is onze eenige vacantiedag."
Alex' opmerking deed me aarzelen. Vader had ons al eens gezegd, dat we tegenwoordig aan niets anders dan aan pleizier schenen te denken. Maar ik wou toch ook niet graag den wedstrijd afbestellen. Kapitein Rogers, onze aarzeling bemerkende, vroeg: "Wanneer begint jelui zomervacantie?"
"Den laatsten van deze maand," antwoordde ik, "tenminste voor de jongens. Ik denk, dat tante Lena en mij nog wat na-lessen zal geven, omdat wij met het verhuizen nog al achterop zijn gekomen."
"Wel, laten we den wedstrijd dan verdagen tot 1 Augustus," stelde de Kapitein voor; "dat valt op een Donderdag." "Best, dat zullen we doen!"
Ik ging gauw naar Betty en Clara, die het plan heerlijk vonden. Thuisgekomen, vertelden we het plan aan Daan, die het ook best vond. Lena en ik maakten vervolgens plannen, om ons karretje met bloemen te versieren. En zoo zagen we allen met verlangen den eersten Augustus tegemoet.
Ik zag er erg tegen op, om Daan's Zondagsschoolklas te gaan onderwijzen, maar tante ried mij aan, om den Bijbel te nemen. Ik las de geschiedenis van Samuel over, totdat ik ze van buiten kende, en den volgenden morgen ging ik met tante naar het lokaal, mij gelukkig voelende in het besef, dat het nu eindelijk aangaanwas toegekomen.
[Illustratie]
[Illustratie]
Mijn klas bestond uit 4 jongens en 3 meisjes, geen ouder dan 6 jaar. Zij riekten erg naar zeep en pomade, en hun gezichten glommen van 't wasschen. Een van de jongens, Freddy Salt, kon of wou niet stilzitten, en de drie meisjes hadden daar zooveel belangstelling voor, dat zij niet eens naar mij luisterden. Eerst probeerde Freddy een vlieg te vangen, en toen ie 'm had, werd het diertje van hand tot hand doorgegeven. D'r was geen orde in te krijgen, en ik zei eindelijk boos tegen 'm: "Freddy, als je niet stil kunt zitten, zal ik je als een popje op mijn schoot nemen."
Hij staarde me angstig aan, eindigde met z'n vliegenjacht, en bleef verder rustig zitten. Ik vertelde de geschiedenis van Samuel en merkte op, dat God van ons allen gehoorzame dienstknechten wil maken. Eensklaps zei een jongen, Bertie geheeten: "Ik hoor God nooit roepen, als ik in bed lig." "Neen," antwoordde ik, "maar als je iets verkeerds van plan bent, dan spreekt Hij in je hart, dat je 't niet doen moogt." Ze schenen dit te begrijpen, en toen zei er een: "God kan ons niet iets zeggen, Hij is veel te ver weg." Ik vertelde hun toen, hoe dichtbij Hij was, en hoe lief Hij ons heeft, zoodat we, niet uit vrees voor straf, maar alleen om Hem te believen, ons best moeten doen. Maar ik weet niet, of ze 't begrepen; voor hen was de eenige reden, om gehoorzaam te zijn, gelegen in de vrees voor straf. Hoofdschuddend zei een der meisjes: "Ik heb Jezus altijd lief. Als ik zoet ben evengoed als wanneer ik stout ben."
"Je kunt Hem niet liefhebben, als je verkeerd doet," antwoordde ik. "Je doet Jezus verdriet aan, als je ongehoorzaam bent." Ze herhaalde: "Dan heb ik Hem evengoed lief." Ik gevoelde, dat ik het haar niet goed duidelijk had gemaakt.
Toen de les ten einde was, ging ik vermoeid en ook dankbaar, dat ik er doorheen was gekomen, naar huis. Na kerktijd vertelde ik vader een en ander, en zei hem, dat het verbazend moeilijk was, om kleine kinderen te leeren. Hij vroeg mij, wat we besproken hadden, en toen ik het hem verteld had, zei hij: "Denk eens aan de gelijkenis, Griet; het uitgezaaide zaad komt na vele dagen op. Vertel den kleintjes van hun Verlosser, Die voor hen stierf en Die nu zoo dicht nabij hen leeft, dat Hij ze elk uur van den dag zal helpen. Als je hart vol is van Hem, kind, zal het je gemakkelijk vallen, anderen van Hem te vertellen."
"Maar," zei ik, "mijn hart is zoo vol van allerlei andere dingen, en ik weet niet, wat ik er aan doen moet."
"Heb je den Heere lief?"
"O, ik hoop van wel, en ik geloof ook van wel, maar ik doe zoo vaak, wat verkeerd is."
"Zie niet altoos op jezelf, maar zie op Hem!"
Meer zei vader niet. Met de jongens had ik toen nog een gesprek over het trouw blijven ... in het ezelkarretje. 't Was gisteravond, toen we na de thee een ritje gingen maken. Daan stuurde en Puf zat naast hem op het voorbankje; Lena, Alex en ik waren achterin gekropen. 't Was een heerlijke tocht; overal keken de lui ons na om de nieuwe équipage van den dominee te zien. Zoodra we buiten de huizen waren, begon het gesprek, eerst over Andy.
"Ik zou wel es willen weten, of ie ons nu al kent," zei Lena. "Hij zou wel een ezel moeten zijn, als ie dat nu nog niet wist," vond Alex en wij lachten dat we schaterden!
"'t Is een ezel," zei ik, "dat is 't 'm juist, als 't een hond was, zou ie wel slimmer wezen."
"Ja maar alle honden zijn niet slim," zei Daan.
"Maar ze zijn trouw," merkte ik op. "Je hoort altijd van trouwe honden, nooit van trouwe ezels."
"Wat beteekent dat eigenlijk, trouw?" vroeg Lena.
"Ik denk," antwoordde ik, "dat trouw beteekent: altoos dezelfde zijn en nimmer veranderen. Houdt je eenmaal van iemand, dan ook voorgoed."
"Een trouw ridder," zei Daan, "is iemand, die nooit z'n vrouw in den steek laat, zij is altijd zeker van hem."
"En wat is dan een trouwe dienstknecht?" vroeg Lena. "Iemand, die nooit z'n werk in den steek laat," antwoordde Daan.
"Ik geloof niet, dat je trouw kunt zijn zonder lief te hebben," merkte ik op.
"Juist, dat is de zaak," zei Alex. "Als een hond z'n baas niet liefheeft, kan hij ook niet trouw zijn. Evenmin kan een dienstbode trouw zijn, als ze niet van haar meesteres houdt. Dat moet altoos samengaan."
"Semper fidelis," fluisterde ik.
"Doe nou niet, alsof je Latijn kent, Griet; je hebt dat gelezen op de graftombe in de kerk."
"Ja, dat is ook zoo. Maar wat is het ook moeilijk, om zóó trouw te zijn, en altoos zóó lief te hebben, als die ridder."
"Och," zei Daan, "ik geloof, dat als je werkelijk iemand lief hebt, dan doe je dat zonder erbij te denken, net als een hond."
Hier brak Puf eensklaps de debatten af, door met uitgelatenheid af te kondigen, dat ie een heerlijken verjaardag tegemoet zag, en dan een completen ezel zou krijgen. Want — zei hij — van dezen heb ik maar een stukje. Waaraan Daan toevoegde:
"Hij heeft er een vijfde van. Maar vertel ons es, Puf Dikkert, wie zal je d'r een geven?"
"De Heer," zei Puf, terwijl hij hoogst ernstig keek. "Het zal geheel m'n eigen ezel zijn en ik zal 'm zóó voeden, dat ie dikker wordt dan ons huis." Op dit oogenblik reden we een oude vrouw voorbij, die een bos takken op haar rug meevoerde.
[Illustratie]
[Illustratie]
"Hé!" riep Daan, "moet je nog ver? Willen wij je vrachtje overnemen?"
Zij wou dat wàt graag, en overlaadde ons met dankbetuigingen. Ze zei, dat haar hut nog een heel eind verder stond; zij had hout gesprokkeld. Daan beloofde haar, dat we den bos bij haar voor de deur zouden neerleggen, en toen reden we door.
"Toen ik dien dag, dat jelui naar het schoolfeest waren, naar Relton reed," vertelde Daan, "bood ik iedereen, dien ik voorbijreed, een plaatsje in de kar aan, en zoo had ik twee oude vrouwen en een jongen aan boord, toen ik in 't dorp kwam."
"Dat zullen we nu weer zoo doen," riep Alex geestdriftig uit.
"Ja maar, we hebben geen plaats meer," merkte ik op. "We zitten hier als haring in een ton."
"Dan moeten jelui d'r maar uitgaan, en loopen," vond Daan. "Hè, als we es een rijtuig tegenkwamen, dat niet meer voort kon, of een verongelukte auto met een dame er in, die de handen wrong om redding, dàt zou nog es "in den vorm" zijn."
Maar zulke ontmoetingen hadden we niet, en we kwamen zonder eenig avontuur thuis. Daar ging ik over denken. Het was heel leuk, om uit rijden te gaan in een ezelkarretje, maar daar deed je toch nog maar weinig goeds mee. Toen we langs den mijlpaal reden, waaraan we onze advertenties geplakt hadden, zei ik: "Hoor es! Als onze vacantie begint, moeten we om beurten den ezel sturen. Ik kan dat evengoed als jij, Daan. Ik zou zeggen, minstens één keer per week moest ik 'm hebben."
"Wel," zei Daan, "d'r zijn zes dagen in een week, den Zondag erbuiten gerekend. Als wij nu ieder een dag nemen, blijven er nog twee voor vader en tante en Puf." Dat was heel aardig berekend van Daan. En Alex voegde erbij: "En dan zullen we de beurten naar ouderdom regelen. Daan op Maandag, ik op Dinsdag, Griet op Woensdag en Lena op Donderdag."
Het plan werd algemeen toegejuicht.
Inmiddels had ik een plannetje bedacht, dat de jongens niet weten mogen. Het is dit. Ik heb een briefje geschreven, en dat wil ik aan den mijlpaal plakken; er staat op:
"Iedereen, die zelf of voor anderen vrij vervoer wenscht, vervoege zich bij Grietje Marjoribanks, elken Woensdagmorgen aan de pastorie."
Aan Lena vertelde ik het dien avond nog. "Je lijkt wel koetsier te willen worden," zei ze, "ik heb liever zelf het genot er van."
"Neen," zei ik, "vader zegt, dat z'n tijd en z'n kracht altoos ter beschikking van de gemeenteleden staan. En dat moet Andy nu ook. Hij moet een echte gemeente-ezel worden, en dan zal ik 'm zelf besturen."
"Ik zal er eens over denken, wat ik met 'm doen zal," zei Lena. Daar heb ik geen al te beste verwachtingen van.
Het scheen wel of de vacantie nooit komen zou. En toen ze eindelijk aanbrak, had Daan al menige oefening met Andy achter den rug; 't ezeltje was voor 1 Augustus al goed gewend, den weg langs te rennen. Men vond, dat het dier bovendien nog op diëet moest, om z'n gewicht te verminderen. Nu is 't waar, Andy wordt erg dik, want hij eet den ganschen lieven dag maar gras, behalve dan, als ie met ons uit moet.
Maar wat moesten we hem geven? Haver kost veel geld. Lena vond bouillon heel geschikt, maar bouillon is ook duur, en zoo is ten slotte alles, wat versterkt. Andy loopt uitstekend en heeft geen kuren, behalve deze, dat ie zoo nu en dan plotseling stilstaat, om dan na een of twee minuten weer door te draven. Ik heb gezegd, dat hij dat doet, om even uit te rusten en op krachten te komen. Daan meent, dat ie dan even staat te denken. En Alex denkt, dat ie dat doet, om ons te toonen, dat ie een eigen wil heeft, en dien op z'n tijd wenscht te gebruiken.
Intusschen waren Lena en ik druk bezig met het vlechten van laurierkransen en het bijeenzoeken van bloemen om ons karretje te versieren.
Den dag voor 1 Augustus waren we van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer; wij hadden rosetten van fel-roode geraniums gemaakt, om die aan Andy's oogkleppen te hechten; dan hadden we varenkruid en madeliefjes langs de buitenzijde van het karretje gehangen en verder nog slingers van madeliefjes om den disselboom gestrengeld. Baldwin wilde niet toestaan, dat we de mooiste bloemen plukten, maar we hebben toch, toen hij even weg was, eenige fijne bloempjes om de zweep weten te vlechten. Ik heb al zoo vaak mee helpen versieren in de kerk, dat ik de goede soorten wel wist te kiezen, tot groote tevredenheid dan ook van de jongens, die op dit gebied toch maar weinig te vertellen hebben.
[Illustratie]
[Illustratie]
Om half één zaten we al aan ons middageten. We kleedden ons allen op z'n Zondagsch, en wisten Baldwin nog enkele mooie rozen af te bedelen, die we om onze hoeden vlochten. Toen we uitreden, liep het halve dorp uit, om ons bloemenrijtuig te zien; ze vonden het allemaal even prachtig. Ik hoorde nog, dat een vrouw tegen haar buurvrouw zei: "Wat beleven we toch wondere tijden, mensch! Wie had dat nou ooit kunnen denken, hè? Altijd bedenken ze maar weer wat nieuws."
Met groot gejuich reden we het dorp door, en toen het veld in, een prachtig ruim en effen veld, terzijde waarvan onder een boom Kapitein Rogers in z'n mandewagentje al zat te wachten. Toen hij en zijn vrouw ons zagen naderen, herkenden ze ons nauwelijks, zóó was ons karretje veranderd door de bloemen.
Na vijf minuten kwamen ook Betty en Clara aangereden, en toen zaten we al voor de eerste moeilijkheid. Zij dachten er niet aan, Alex als koetsier bij zich te nemen, wilden bepaald zelf sturen. Alex was er leelijk door in z'n wiek geschoten; gelukkig had kapitein Rogers een goeden inval. Hij rees moeilijk uit z'n wagentje op, en liet zich met behulp van Mevr. Rogers in z'n badstoel neer; toen zei hij tegen Alex, dat hij op de boerderij den pony mocht gaan halen, dien voor het wagentje spannen, en dan daarmee deelnemen aan den wedstrijd. Wij juichten van blijdschap, want nu hadden we drie mededingers. Er werd nu afgesproken, dat Daan en ik in ons karretje zouden plaats nemen, Alex en Lena in het mandewagentje van den kapitein — er was net genoeg plaats voor twee — en Puf wezen we een plaats aan als controleur bij het eindpunt. Dat beviel 'm slecht; hij begon hard te huilen, en jammerde, dat hij het ezeltje had gekregen, en dat hij er mee wilde rijden. Daan zeide hem, dat hij de gansche onderneming in de war bracht, maar Puf bleef te keer gaan, en we konden zoo niet beginnen. Ik stelde hem ten slotte voor, met Daan te gaan, inplaats van mij, want het was toch ook wel hard, hem alleen te laten staan. En Daan was dat voorstel al heel welkom, want hij had liever het lichte gewicht van Puf, dan mijn gewichtigheid. Mevr. Rogers vroeg mij nog, of ik het niet akelig vond, maar ik zei haar van niet, want ik kreeg nu de gelegenheid, de drie mededingers bij den eindpaal te zien aankomen.
[Illustratie]
[Illustratie]
"Ik ben niet zoo kinderachtig, om te gaan huilen, als ik niet mee mag rijden," zei ik, terwijl ik Pufs tranen van z'n bolle wangen veegde. Hij was spoedig weer in z'n hum en klom zoo vlug als ie kon, in ons karretje. Betty vond ons wagentje heel lief. Zuchtend zei ze: "Ik wou, dat Clara en ik ook zulke aardige ideetjes hadden. Maar als jelui d'r niet bij zijn, voelen we ons lang niet zoo pleizierig."
Ik keek naar haar keurig rijtuigje met de blauwe kussens, naar het nikkelen beslag van het paardetuig, naar den prachtigen pony, en schudde het hoofd. "Jawel," zei ik, "maar wij moeten onze armoede achter bloemen verbergen, en dat behoeven jelui niet." Ze lachten luid en vonden ook, dat dàt het wel zou wezen.
Kapitein Rogers had den weg bepaald; een boerenknecht had hij hier en daar steenen laten opstellen, en toen onze kibbelpartij was beëindigd, stelde hij ons op een rij naast elkaar op. Hij had ook een echt pistool bij zich, om het vertreksein te geven. 't Was eenig!
Tweemaal moest het veld worden rondgereden, en toen ik bij het eindpunt gereed stond, leek het mij nog wel zoo aardig buiten dan in de wagentjes. Eerst scheen het, of Betty en Clara 't zouden winnen, maar langzamerhand begon Daan ze in te halen, en toen Andy ze achter zich liet, gaf ik een schreeuw van vreugde. In de tweede rondte begon de pony met het mandewagentje, die eerst een heel eind achter was geweest, steeds harder te rennen, en haalde eindelijk Daan in. Maar Daan begon Andy zóó onbarmhartig te slaan, dat zij een tijdlang gelijkop reden.
[Illustratie]
[Illustratie]
Zelfs haalde hij den pony weer in, en ik dacht werkelijk, dat hij 't nog zou winnen, toen Andy, dicht bij het eindpunt plotseling stilhield, en zóó hardnekkig, dat er geen beweging meer in te krijgen was.
Daan schreeuwde en sloeg er op los, maar Andy bleef staan, koppig en tot geen toegeven geneigd. 't Was verschrikkelijk, ik schreide haast. Al spoedig kwamen Alex en Lena aanrijden, en precies gelijk met Clara en Betty reden ze het eindpunt binnen. Zij wonnen dus beiden, en niet zoodra hoorde Andy hen hoerah! roepen, of hij zette eensklaps weer aan, en draafde naar het eindpunt, maar natuurlijk te laat nu.
Wat waren we boos op 'm! Behalve natuurlijk Alex en Lena, die 't nu gewonnen hadden; zij schenen wel heelemaal te vergeten, dat het ook hun ezel was, die verloren had. Mevr. Rogers wist niet, wie ze nu den lauwerkrans moest geven, en dus stelde de kapitein voor, dat de twee pony's nog eens tegen elkaar moesten draven; ditmaal echter maar een kleineren afstand. De pony van de boerderij won het nu gemakkelijk. En zoo kreeg Lena den lauwerkrans. Ze was er zóó verheerlijkt mee, dat ze haar hoed afwierp en den krans op haar hoofd zette.
Na afloop van den wedstrijd zochten we allen een rustig plekje aan de rivier, en bepraatten daar nog eens druk de gebeurtenissen van den heerlijken middag. Er werd een vuurtje gemaakt, en thee gezet, en rondom 't vuurtje gezeten, konden we ons heel wel verbeelden, in een zigeunerkamp te zijn aangeland.
Vervolgens werden allerlei spelletjes gedaan, vooral ook die, waarbij we konden blijven zitten, omdat Betty nog niet vlug loopen kon. 't Speet ons, toen we naar huis moesten. Naast elkaar reden wij, te weten Clara en Betty in haar, en wij allen in ons wagentje, naar huis.
Eigenlijk waren we allemaal ook nog 'n klein beetje uit ons humeur; Clara en Betty, omdat ze 't niet gewonnen hadden; Daan en ik, omdat Andy ons door z'n malle kuren had doen verliezen. Kapitein Rogers zei, dat je zooiets nu eenmaal van een ezel moet verwachten, daar zijn 't ezels voor.
We zijn deze week begonnen met het op beurten rijden met Andy. Afgesproken is, dat we, als het onze beurt is, niet bepaald alleen behoeven te gaan, we mogen ook wel anderen meenemen; maar wiens beurt het is, die stuurt, daar gaat niets van af.
Maandagmorgen vóór 't ontbijt nog bevestigde ik mijn briefje aan den mijlpaal. De jongens wisten er niets van, en bemerkten het pas 's middags, toen er enkele menschen naar stonden te kijken; ze kwamen naar huis en vroegen mij lachend: "Wou je de menschen op je rug dragen, Griet? Dat lijkt wel zoo, want er staat op dat briefje niets van Andy."
"Dat is mijn zaak," gaf ik ze terug, "als ze d'r verstand gebruiken, zullen ze dat wel snappen." Het hinderde mij, dat ze me alweer uitlachten, want ik was zoo echt in m'n schik met het plan van personenvervoer per open équipage. Ook vader had mijn briefje gelezen, en zei tot me: "Dat vind ik best, Grietje, je lijkt in dat opzicht op je moeder. Ik ben er blij om, dat je er iets voor voelt, om je genoegens te deelen met hen, die minder gelukkig zijn dan jij."
Daan bleef den heelen dag met Alex weg; zij hadden hun boterhammen meegenomen, en kwamen laat thuis. Alex scheen zich bij dien rijtoer door de omliggende dorpen zóó ingespannen te hebben, dat hij den volgenden dag niet in staat was, zelf goed te sturen. Maar 's middags knapte hij op en reed met Lena weg; ik merkte, dat zij wat in 't schild voerden. Voor den armen Andy was 't een zware dag. Er stond veel wind, en Alex nam twee groote vliegers mee, die Daan en hij den vorigen winter gemaakt hadden.
[Illustratie]
[Illustratie]
Hij en Lena lieten de touwen geheel vieren en bonden de uiteinden elk aan een kant van 't karretje. Zij reden het dorp uit, en trokken de vliegers mee, die door den flinken gang mooi hoog stonden. Zoodra ze echter een hoek omreden, rukten de vliegers een anderen kant op, dan Andy trok. Lena vertelde mij later, dat ze gehoopt had, dat de vliegers hen hadden voortgetrokken. Andy deed z'n best ze mee te trekken, maar spoedig gaf hij het op, en bleef ineens koppig staan. Een half uur lang trachtten ze hem vooruit te krijgen; Alex liet hem keeren, en sleurde hem een eindje mee. Toen brak een vliegertouw en een vlieger verdween als de wind; de ander kwam in een boom terecht en bleef daar vast zitten; Alex klom in den boom, en kreeg hem zoo terug. Vrij tijdig kwamen ze weer thuis. Daan vroeg Alex belangstellend, waarom of ie zoo dom gedaan had. Hij had gedacht, dat Alex de vliegers had willen gebruiken als zeilen op het karretje, dan hadden ze dubbel zoo snel gereden. Maar Alex was boos op Andy en mopperde: "Ik vind 'm niet half zoo aardig meer als eerst."
"Och kom," zei ik tot hem, "je moet er eerst eens gewoon mee gaan rijden. Jij en Daan hebben zoo graag een ezel willen hebben, om je naar school te brengen, maar daarvoor heb je hem nog niet één keer gebruikt."
Alex keek zuur en zei: "Weet je waarom niet? Dat is het begin van Daan's ruzie met Sausaye geweest. Toen Sausaye hoorde, dat wij een ezel hadden, ging hij staan dansen en zong een spotliedje op vader. Daan liep dadelijk op hem toe; hij hield niet op en kreeg toen een opstopper van Daan. En als Daan 't niet had gedurfd, had ik het wel even opgeknapt."
Ik keek hem aan en zei: "Was het wel goed om zoo te doen? Sausaye mag z'n spotlust botvieren, maar de kinderen van iemand als vader moesten dat niet zóó beantwoorden."
"Sta toch niet zoo mal te preeken," zei Alex, en toen ik nog wat zeggen wou, stopte hij z'n vingers in z'n ooren en rende weg. Nu begrijp ik, waarom de jongens niet met Andy naar school willen rijden: ze zijn bang, dat ze uitgelachen zullen worden. Ik denk, dat jongens daar banger voor zijn dan meisjes.
De dag van Lena's beurt eindigde niet best. Pas na den middag reed ze uit, want we hadden tante Caroline geholpen met pruimen plukken voor jam. Zij wil altoos de jam zelf maken. Wij wilden haar allen eerst helpen, maar werden vrij moe; Lena werd stekelig, omdat zij niet vóór 't middageten met Andy kon wegrijden. "Ik zal zien, dat ik Puf mee krijg; ik heb het 'm ook beloofd."
"Zal ik ook meegaan?" vroeg ik.
"Neen, dank je, jij speelt toch maar den baas over mij. Hè, laten we die akelige jam toch laten zitten, waarom doet de meid het niet? Vader heeft tante geroepen, die zal dus zoo gauw wel niet terug zijn."
"Je behoeft niet te wachten," zei ik; "ik zal tante wel helpen; de meid moet de provisiekasten schoonmaken."
"Maar 't is veel te laat, om Andy nu nog te halen, 't is wat moois!"
Zij vloog de keuken uit; toen tante terugkwam, was het juist etenstijd.
"Ik hoop, dat er nu maar niet meer jam behoeft gemaakt te worden," zei ik. "Ik heb er zoo 'n hekel aan, en het is hier zoo heet."
"Het is heel goed voor kinderen, om te doen, wat ze niet graag doen," zei tante ernstig. "Het leven is je niet alleen gegeven, Grietje, om het voor jezelf te hebben."
Ik voelde mij beschaamd, ook omdat wij een groote vacantie hebben, en Lena en ik juist deze eerste twee weken niets aan de lessen doen. Maar tante ging voort: "Ik vind het ook zoo pleizierig niet, Griet, om in een heete keuken jam te maken, maar ik doe het, omdat het gedaan moet worden."
Ik antwoordde: "Ik dacht, dat volwassen menschen alles prettig vonden. Als zij niet willen, dan doen ze 't niet, niemand, die hen beveelt."
"Het plichtsgevoel beveelt hen," zei tante. "Als je grooter wordt, zul je soms bemerken, dat je gansche leven bestaat uit dingen, waarvan je niet houdt, en die toch gedaan moeten worden."
Dat was wat nieuws voor me. Ik dacht altijd, dat volwassen menschen alleen doen, wat ze prettig vinden. Misschien vindt tante Caroline 't ook wel niet prettig, om altijd op ons te passen; wellicht zou ze veel liever thuis zijn. Ik geloof, dat ik goed zou doen, haar beter te helpen. Ik loop altoos weg, om te spelen, als zij wat van mij verlangt. Ik denk, dat het bij hetdoenbehoort, om haar beter te gaan helpen, en ik zal het ernstig gaan beproeven.
Den ganschen middag speelde ik cricket met de jongens. Zoowat 4 uur verscheen Lena, met loshangend haar en angstige blikken. Zij riep Daan toe: "Kom gauw, Andy is gewoon woest en ik vrees, dat Puf verdrinken zal."
[Illustratie]
[Illustratie]
Wij vlogen allemaal met haar mee, terwijl zij, geheel buiten adem, haar wedervaren vertelde.
Hortend en stootend kwam het er uit: "Ik wou met hem de sloot doorrijden, juist bij de doorwaadbare plaats. Ik stuurde hem het water in, maar toen, in plaats van recht door te stappen begon hij rond te draaien, zoodat de kar ten slotte tegen een steen terecht kwam. Toen was er geen beweging meer in te krijgen; uren lang heb ik er mee getobd, en eindelijk ben ik uit de kar geklommen en ben door het water gewaad. Ik trok mijn kousen en schoenen uit en beval Puf, stil te blijven zitten, totdat ik terug kwam, en nu moeten we gauw doorloopen en zien, hem eruit te krijgen."
Verschrikt riep ik uit: "Heb je Puf midden in de sloot laten staan?" En Daan vroeg: "Waarom heb je niet dadelijk den eersten den besten man, dien je tegenkwam, om hulp gevraagd?" "Ik kwam niemand tegen," zei Lena, "en bovendien was ik veel te bang, dat ze 't aan vader zouden zeggen, daarom ben ik dadelijk hierheen gekomen."
[Illustratie]
[Illustratie]
Gelukkig was het niet ver weg, maar hoe Lena op 't idee was gekomen, om de sloot door te gaan, daar begreep ik niets van. Ik zou het nooit gewaagd hebben; had Daan nog pas niet verteld van een man, die daar met z'n wagen verdronken was? Toen wij bij de rivier kwamen, was er geen spoor van Puf meer te zien. Lena ging vreeselijk te keer en jammerde: "Ze zijn allebei verdronken, en ik zal vermoord worden, omdat het mijn schuld was!"
Wij gingen een beetje verderop een brug over; Daan begon te gelooven, dat Andy weer was doorgeloopen en hier of daar heen gedraafd. Alex en hij gingen toen plat op den grond liggen, net als detectives of Indianen, om eenig spoor te ontdekken. "De wielen waren natuurlijk nat, en moeten dus in het gras een spoor hebben gemaakt," zei Alex en keek er heel geleerd bij. "Kijk, hier bij m'n hand is een heel nat spoor!"
"Ja, en de grassprietjes zijn plat gereden," voegde Daan eraan toe; "nu moeten we dat spoor volgen. Hadden we maar een bloedhond!"
Lena fleurde wat op. Wij volgden het spoor, maar het grasveld was niet lang, en we waren spoedig bij een weg aangeland. We begonnen nu een soort springpas te maken, dat is een manier van loopen, waarbij je nooit moe wordt, omdat het je nooit buiten adem brengt. Maar wij zagen, hoe nauwkeurig we ook tuurden, geen wielsporen. We kwamen nu aan een hoogen weg, en wisten niet, wat nu te doen, verder of terug. Maar daar stond een huisje vlak bij; fluks daarheen gerend, vroegen we aan de vrouw, of ze ook een ezelkarretje gezien had met een jongetje erin. Zij opende haar huisdeur, en daar zagen we Puf aan tafel zitten, kalm aan 't oppeuzelen van een appel! Wat waren wij blij! Andy had een plekje op haar grasveld gekregen. Zij vertelde ons, dat zij het karretje had zien aankomen, en dat Puf zoo hard als ie kon had geschreeuwd: Ho! Ho! Zij was naar buiten gevlogen, had de zaak tot staan gebracht, Andy vastgebonden, en Puf, die huilde van angst, in huis gehaald en tot bedaren gebracht. Natuurlijk was Andy, zoodra Lena verdwenen was, er vandoor gegaan; het was maar een geluk, dat Puf stil was blijven zitten.
Wij bedankten de vrouw vriendelijk, haalden Andy uit het grasveld en reden tezamen naar huis terug. Vader bromde erg op Lena, dat zij zulk een gevaarlijke poging had gewaagd. Zij zal zulke fratsen nu voorloopig wel uit haar hoofd laten. Puf deed natuurlijk net, of ie het heerlijk had gevonden. "Ik stuurde zelf, en we reden als een sneltrein!" "Ja," zei Alex, "en je huilde van geweld!"
"Ik heb alleen gehuild, toen ik die vrouw zag," zei Puf, die nooit verlegen is met een antwoord; "ik wist, dat ze ons zou tegenhouden, daarom huilde ik."
"Jij mag niet liegen, Puf," kwam ik tusschenbeiden, "dat is niet "in den vorm", behalve als je een boosdoener bent."
"Ik was zoo bang met Andy, en als ik bang ben dan huil ik altijd!" verdedigde zich Puf. Hij moet altijd 't laatste woord hebben, en ik zweeg dus maar.
Toen het mijn dag was, ben ik 's morgens om 10 uur al op rit gegaan. Vlak bij ons hek vond ik een heel groot pak, waarop geschreven was: "Wil zoo goed zijn, dit te bezorgen bij Mejuffrouw C. Londesburg te Cross Clen." Het was heel leelijk en fout geschreven, en ik dacht dus, het zal wel van een der dorpsbewoners zijn. Het was een verbazend zwaar pak, en ik kon het haast niet in de kar tillen. Maar ik was wat blij weer eens op 't Huis te mogen komen, want ik was er sinds onzen wedstrijd niet weer geweest. Langzaam reed ik het dorp door met mijn zware vracht. Toen juffrouw Ribbon mij zag, kwam ze even aan het hek en zei:
"Beste Griet, wil je heusch vrachtrijdster worden? Kijk es, lieve, ik heb aan de oude Suze Combe beloofd een zak steenkolen te sturen. Aan het station zul je 't vinden; Tom moest al vroeg naar Lincoln en ik heb het ook zoo druk, het goeje mensch heeft geen brand meer om haar middagmaal gereed te maken."
"Goed, ik zal 't doen, ik zal 't dadelijk gaan halen."
Wat was vrouw Combe blij, toen ze me zag komen. Maar we konden geen van beiden de zak uit het karretje krijgen; ze haalde de steenkolen er dus bij beetjes uit, en dat kostte heel wat tijd. Terwijl wij nog bezig waren, kwamen juist Clara en Betty in haar ponykarretje voorbijrijden. Ze keken gek op, toen ik haar vertelde, waaraan ik bezig was. "Ik ben vandaag vrachtrijdster," vertelde ik, "en ik heb ook een vrachtje voor jelui!"
Dat vonden ze heerlijk. "Voor ons? O, zeg, laat es gauw kijken! Wat eenig!" Zoodra vrouw Combe al haar steenkolen eruit had, klommen ze op ons karretje en bekeken het pak van alle kanten. Wij maakten het open in de kar, want het was ons te zwaar, om het er uit te lichten. Toen het papier er af was, vonden we .... een ouden emmer vol steenen! Clara was heel boos. En ik begreep dadelijk, dat het een grap van de jongens was. Ik trachtte Clara dat aan 't verstand te brengen, maar zij zei: "'t Zijn ruwe, leelijke jongens, ik zal 't moeder eens vertellen."
Zij sprong weer van de kar af en ging naar Betty, om het haar te vertellen. Deze lachte; zij kan beter tegen een grapje dan Clara, en ik stelde haar voor, dat ze den jongens ook weer een pak moesten zenden. Dat vonden ze beiden best, en beloofden, het per post te zullen sturen. Wij haalden de steenen en den emmer uit de kar en gooiden ze in een sloot. Ik reed fluks naar ons dorp terug, nieuwsgierig of er nog iemand een boodschap voor me zou hebben. En zie, daar zag ik kreupele Hanna, die onze kleeren verstelt en ook in 't koor zingt; zij stond bij haar hek, en keek naar mij, alsof ze mij wat zeggen wou.