In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld,.... (pag. 127).
Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij tikte zacht terug.
»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»
»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.
»Ssss! — Ssss! — ’t Is hier niet — in orde, Bob!» hoorde hij Piet fluisteren.
»Dieven?» vroeg Bob terug.
»Neen — erger, Bob. Een — spook.»
»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»
»Een gloeiend doodshoofd! Hu — zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij hier!»
»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»
’t Werd weer stil in Pieters kamer.
Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur geopend en kwam Piet binnensluipen.
»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst, »wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van angst.»
»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,»was Bobs hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.»
»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld ga ik dáár slapen! ’t Is afschuwelijk, Bob.»
»Wat wil je dan?»
»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»
»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er onmogelijk met ons beiden in.»
»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob, asjeblieft?»
»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld een onderzoek instellen.»
»O, — maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar beneden moest begeven.
»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets op je kamer is, om bang voor te wezen.»
»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een afschuwelijk doodshoofd! Hu, ’t is om te rillen.»
Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.
»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn bed sprong.
Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed vandaan haalde.
»Waar is nu het spook?» vroeg hij.
»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.
»’t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!»
Pieter kwam behoedzaam nader.
»Dáár is het, — dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den hoek van de deur keek.
»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!»
Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet zonder schaamte:
»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje, waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.»
»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?»
»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?»
»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap lekker, Piet!»
»Goeden nacht!»
Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning vantwee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij infiguurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het ineigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.
Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed. Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat Piet ’s morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.
Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem, menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijnate laat was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.
»O heden!» mompelde hij. »’t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop, kan ik er nog juist op tijd zijn. ’t Is echt jammer, dat ik nu moet ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.»
Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die langzaam het dorp naderde.
Bob bleef staan.
Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide. Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de school niet om vergeten hebben, — want de meester was erg streng, dat wist hij bij ondervinding, — indien hij niet had opgemerkt, dat naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob de geheele school.
Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij zaten allen al op de schoolbanken, en warenal begonnen te lezen, toen zijne plaats nog ledig bleef.
»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten het niet.
»Hij is toch niet ziek?» klonk weer ’s meesters vraag. Weer moesten wij het antwoord schuldig blijven.
»Lees maar door, Anna!»
Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.
»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.
»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»
»Van buiten, meester.»
»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»
Bob keek zwijgend voor zich op den grond.
»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»
»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»
»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar, Bob?»
Bob mompelde zoo iets van: »Kon ’t niet helpen,» maar veel verstonden wij er niet van.
»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. ’t Spijt me wel, maar ik kan er niets aan doen.»
Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.
»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,» fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden, maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.
Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels, welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden:
»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar steentjes tellen.»
Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets overschoot.
Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te zetten.
»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.»
Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen. Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet eens, dat er gelezen werd.
»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.
Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien.
»’k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.
»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.
O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.
»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng uit ’s meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees verder, Jacob de Haas.»
Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.
»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben. Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. — O jé, waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»
»Die volgt!» klonk het weer.
Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.
»Jongens!» fluisterde hij weer.
Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij zagen niet op.
»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen.
Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden, wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.
»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden van pleizier.
»Ja, — een grooten, bruinen beer.»
»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.
»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»
»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»
’t Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester, dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte straf zou anders stellig Bobs deel zijn.
Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten, om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het ver mis!
»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!»
Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig. Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief ’s meesters rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit naar de deur.
»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga steentjes tellen!»
Bob bleef zwijgend zitten.
»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»
»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.
»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!»
Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.
’t Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg boos.
»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.
En korten tijd daarna was het weer:
»Die volgt!»
Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de rekenles.
Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng, maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.
Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden.
»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken, terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat het wil!»
Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendienzou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.
Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.
»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,» mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna nooit. Enfin, ’t is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik hem zien, — door het raam. Laat ik kijken!»
Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk — na eenig zoeken ontwaarde hij bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen naar het verscheurende dier stonden te kijken.
»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te moeten tellen! ’t Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja — neen, — ja toch, daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. — Steentjes tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? ’t Is toch eigenlijk eene gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen — ja, daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten, hoe lang de gang is.»
Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker. Weldra wist hij, wat hij weten wilde.
»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»
»Nu de breedte.»
Bob mat weer.
»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, — wel, kijk — dat is precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan worden.»
Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen. Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.
»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.
Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:
»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»
Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester begreep het ook niet.
»Klaar?» vroeg hij. — »Er zijn er duizend? Wat — duizend?»
»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u bevolen had. Er zijn er duizend.»
Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet tot bedaren komen.
Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:
»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»
»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.»
»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot, »dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch — let beter op.»
»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.
Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te keeren. ’t Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen, want het bericht van den beer had, ondanks ’s meesters strengheid, al sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.
Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.
»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat.
De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van den wilden Bob.
»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei hij, den deugniet op den schouder kloppende.
»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.
»Ga dan maar heen, Bob.»
»Asjeblieft meester. Dag meester.»
En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt hadden.
»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!»
Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons allen begaven wij ons daarheen.
Ha, daar zagen wij hem!
’t Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan had; dat stelde ons eenigszins gerust.
De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die onze taalevengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.
»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat. Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende dansdeuntjes en — maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene bewondering op te wekken.
Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als ons mogelijk was, — anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf oploopen.
Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!
Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, enhoe de beer wraak nam. De heldendaden vanPieter-neef en van Tip, den veldwachter.Hoe Bob berenleider werd.
Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij eene pret met dat dier gehad.
In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders gezelschap ons vaderland door.
Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met zijn viervoetigen makker,om een stuivertje te verdienen, maar den wagen lieten zij staan, en ’s avonds keerden allen weer naar het marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider ’s nachts wel mocht slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht, doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, hem tot ledikant diende. ’s Avonds maakte hij die mand los, legde zijn beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en — begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een vervaarlijk gebrom hooren.
Dat brommen, — o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt van zelf, dat alle jongens van het dorp ’s avonds bij bruintje te vinden waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe vertrouwelijk zijn meester met hem omging, enhoe bedaard en goedig het dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed te klimmen.
Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.
Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.
Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het met ons niet, maar — wij kozen toch ook het hazenpad.
»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig, dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen verscheurd!»
De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met plagen.
»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in den wagen woonde, — doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de berenleider niet thuis waren,toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.
Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.
Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier staan.
»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar is de berenleider?»
»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het antwoord.
»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is, zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon.
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.»
»Flip — wie is dat?»
»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet thuis.»
»Zoo, — ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen kwaad?»
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.»
»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht worden.»
»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn man naar Haarlem.»
»Zoo, ja — dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?»
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt, zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.»
»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had, bruintje zoo nabij te komen.
»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me moet komen.»
»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»
Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer weer te plagen, ja zelfs te sarren, en ’t was verbazend hoe hevig hij dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.
Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen, dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.
Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en alshet beest dan tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te krijgen, maar de beer hield vast.
Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor zoover zijn touw hem dat toeliet.
Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan, wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.
»Allo! Ho — hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond hij er geheel op.
Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmondenwas zijn loon, en de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er geen beweging in krijgen.
Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele dorp!
De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.
Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte en stokstijf bleef staan.
»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten niet anders of hij zou verscheurd worden.
Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De haren rezen ons ten berge van schrik.
Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak — het touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer is los!» sloegen allen op de vlucht.
Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die midden op het marktplein stond.
Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.
Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had willen vallen, als dat had kunnen baten.
»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou. Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het geplaagde dier worden aangegrepen en — opgepeuzeld.
Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen veilig en zeer goed op zijn gemak.
»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den lantaarnpaal stond.
»’k Durf — niet — o — help!» kreunde Piet.
»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik in het geval begon te krijgen.
»O — Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.
»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest voort.
Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel verstandiger uit dan zijn slachtoffer.
Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van rinkelen.
O hemel!
Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.
Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde en terecht kwam — in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om zoo te zeggen snoet tegen snoet! ’t Was zulk een bespottelijk gezicht, die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen bijna uit den boom buitelde.
Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een vreeselijk drama steldenwij ons daar reeds van voor. Griezelig in hooge mate, — maar toch uiterst belangwekkend.
Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.
Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen — loopen, dat hij deed, o, ’t was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, — naar huis. Wij hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.
Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet, dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen kreeg, en had veel medelijdenmet hem. Ik ging daarom naast hem staan en zeide:
»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.»
»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.
»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.»
»Ja, — geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer kan immers klimmen?»
Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon het wel eens bitter slecht met hem afloopen.
»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en weer loopt?»
»Ja, dat is waar. ’t Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet graag in zijne plaats willen zijn.»
»Ik ook niet, Jan.»
»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?»
»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet tot nog toe niemand kwaad.»
»Ja, — en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne broodwinning verliezen,» merkte Jan op.
Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.
Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom heen en weer bleef loopen. ’t Was aardig te zien, welk eene golving er onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den boom verwijderde.
Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht.
Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen blik aanzag, en zeide op boozen toon:
»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. ’t Is me wat moois, — dat afschuwelijke beest hier midden op het dorp.»
»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.
»Is die man nog niet thuis?»
»’k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er nu niet dichtbij.»
»Ja, — ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van gedachten veranderende, vervolgde hij:
»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?»
Tip sloeg aan en zeide dapper:
»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.»
De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.
Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die gedachte maakte hem erg boos.
»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!»
»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet brengende.
Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat de burgemeester kortaf tot hem zeide:
»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»
Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht. Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:
»Ik ga, burgemeester, — maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.»
»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is. Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, — begrepen, Tip!»
»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen was.
»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.»
»Ja wel, burgemeester.»
Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van Tip.
Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen, toen plotseling het beest hemin het oog kreeg en met hooge sprongen spelende op hem af kwam.
O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen afstand.
Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had er ook niet weinig pret in, en begon te zingen: