„O moeder, de beer is los;Hoor dat beest eens brullen!Snijd hem neus en ooren af,Dan hebben wij wat te smullen!”
„O moeder, de beer is los;Hoor dat beest eens brullen!Snijd hem neus en ooren af,Dan hebben wij wat te smullen!”
„O moeder, de beer is los;Hoor dat beest eens brullen!Snijd hem neus en ooren af,Dan hebben wij wat te smullen!”
Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en — vlug als eene kat klauterde hij den boom in.
Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst aan.
»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!» klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om een einde aan de zaak te maken.
»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een menschenleven.»
»Jawel, burgemeester,» zei Tip.
Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.
»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.
Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de revolver volstrekt geen meester was.
»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.
»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»
Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet schieten.
»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.
»Maar — als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van den beer den jongen tref — wat dan?»
»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.
»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het je, Tip!»
Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef waar hij was, aan den voet van den boom.
Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet hooger — en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde hij op datoogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig middel tot redding in de gedachten kwam.
De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor hooren, als om hem te bedanken.
Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne occarino, en zei toen met gebiedende stem:
»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw, zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.
Inderdaad — het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had, of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.
»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.
Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer bereikt.
Bob blies op zijne occarino.
»Hallo! Op! — Op!» gebood hij.
En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, — en ging bedaard heen.
»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.
En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen, dat oud en jong meêdeden, uit volle borst:
»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»
Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De burgemeester trad dadelijk op hem toe.
»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.»
Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:
»’t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»
»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? ’t Is toch een verscheurend dier?»
»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»
»Zoo, — nu, dat kan mij niet schelen. ’t Is een gevaarlijk dier, een hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet ge morgen bij zonsopganguit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»
»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.»
»Doe dat, — en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in het geheel geen kranig figuur gemaakt had.
Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem tot de grootste heldendaden in staat.
En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.
Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begonen prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde,Bob eene edelmoedige daad verrichtte enTines Wobbe met een pijnlijk oorbelletjegetooid werd.
Den volgenden dag was het Zaterdag, — de Zaterdag waarop wij onzen wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden wij ons veel genot van dat feestje voor.
’s Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.
Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen, die als gewoonlijk, den blaasbalgvoor mij zou trappen. Ik vond Kees en Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook, dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was spoedig gereed om mij te vergezellen.
Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei hij op eens:
»Ik wou, dat ik dood was!»
En meteen begon hij te schreiën.
Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.
»Ja, — dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel, zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, — schreien van den morgen tot den avond. En als ik ’s nachts wakker word, hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten weten, niet waar?»
»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.
»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons te doen vallen. O, ’tis afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood was, Dorus.»
Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.
»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.»
»Ach ja, ’t is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest, en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij niet aan hunne onschuld geloofde. En ’t is ook waar, dat zij den schijn tegen zich hebben, — dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht zal afloopen, Dorus.»
»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de sleutels gaan halen?»
Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.
»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:
»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op je porte-monnaie passen, Dorus.»
Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.
»Dat is laster, — gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door.
»Kijk, kijk zoo’n klein kereltje zich al eens boos maken,»lachte Arie sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.»
»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem.
Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe, krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over zijne ouders hoorde spreken.
Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek heel boos.
»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!»
Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?
»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het muist wat van de katten komt.»
»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te troosten.
»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.
Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet bij me staan, zooals hij gewoonlijkdeed. Hij bleef op de trappers en telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.
Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans woorden, niet langer.
Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.
»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis gaan.
»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de jongens zien mij liever niet dan wel.»
»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het waar was.
»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit vergeten.»
»En Bob dan? — En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit den weg gaan.»
»Neen hoor, — daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te wachten. Hij kwam nu te voorschijn.
»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»
Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed. En Jan klaarde er ook heelemaal van op.
»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe graag hij wilde.
»Zeker, — doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet, dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!»
Dat was fideel van Bob.
»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.
»Goed. — Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.
Wij hielden woord.
Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden joelen.
Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan werd er vroolijk van.
»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »’t Is een man, zooals er maar weinig zijn.»
Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk rondloopen, om alles in orde te brengen.
»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens, wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.»
»Jij natuurlijk,» zei Jan.
»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»
»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.
»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven, waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd, zeg ik maar.»
Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.
Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op het gelaat:
»Moet hij ook meêdoen?»
Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij dat woordjehijuitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte en vlak voor Tines ging staan.
»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets tegen hebt?»
»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd deelneemt.»
»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus — dag Tines!»
Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem, waarom wij allen moesten lachen.
»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij vrij zeker van den prijs!»
»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!»
»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor zoover ik weet.»
Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde hij er zich vreeselijk aan.
»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!»
»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.
Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene klok.
Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.
’t Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.
»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hijvriendelijk. »Mag ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was je dat veggeten?»
Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:
»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»
»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.»
O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.
»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, ’t is tijd om te loten. Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken appelwijn?»
»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken, opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig defeestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd, of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de kippetjes.
Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:
Pieter van Koorde.Jan van der Vliet.Adriaan Bolt.Tines Wobbe.Huibert de Leeuw.Dorus Volmaar.Karel Holm.Bob de Wild.Cor Valk.Dirk Langeraar.Arie Kooy.Karel Buurs.
Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.
»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is dood, — goed begepen?»
»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»
»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen zwenken naar den kant van den winner.
Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.
»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel ging het voorwaarts.
Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij meedeed.
»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»
Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.
»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.
Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.
Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou, want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een streepje.
»Numego vijf en zes!»
Nu was ik aan de beurt.
»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als ik het zoo ver verlies.»
»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo hard niet geloopen, als ik kon.
Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden het beiden best.
»Een — twee — dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o wat liepen die twee. ’t Scheen bijna, of zij geen stelten onder de voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. ’t Was prachtig, om te zien.
Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte eene buiteling, — en kreeg een streepje.
Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden aan den tweeden beginnen.
»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij. En wat kwamen er een toeschouwers. ’t Werd een feest van belang!
Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen.
Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen. Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg ook Arie Kooy zijn tweede streepje.
Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.
»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.
Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje »dgie», of daar gingen zij. Ha, ’t was een lust hen te zien gaan! Langen tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had Bob de vlag bereikt en was Karel dood.
Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk als overwinnaar uit het strijdperk.
Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.
»Wel vgiendjes, — wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg hij ontsteld.
En toen jammerde de geheele troep in koor:
»We zijn dood! — We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.
»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg, want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.»
»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de versnaperingen rondgedeeld werden.
Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:
Jan van der Vliet.Tines Wobbe.Dorus Volmaar.Bob de Wild.Cor Valk.Karel Buurs.
Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.
»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob draven.
»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe.Vooral Tines Wobbe, die nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen. Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:
»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het verloor.»
»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.»
»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.
»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»
Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur, want ik bleef hem kort op de hielen.
Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:
»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»
Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob verslagen. Ik was dood.
Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.
Eerst moesten Jan en Bob loopen.
»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het wel winnen.»
»Dus je wilt het hem laten winnen?»
»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij deneersten prijs won, al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.»
»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.»
»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.»
»Neen Bob, dat weet ik wel beter. ’t Is volstrekt niet, omdat je Tines kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de reden.»
»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal mis!»
Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af. Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.
»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je goed. — Kijk, Bob verliest — nog een oogenblik — wel heb ik van mijn leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»
»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden met de vraag, hoe dit mogelijk was.
»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.»
Nu volgde de tweede rit, en — met denzelfden uitslag. Bob had twee streepjes en was dus dood.
Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was afgeloopen, dan wij gedacht hadden.
Wat was Jan van der Vliet blij!
»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch veel beter dan ik.»
»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat beloof ik je!»
»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.
Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. ’t Werd nu stil, en mijnheer Denappel zeide:
»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. ’t Spijt me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»
Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.
Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.
»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met pleizieg.»
Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.
»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen gewonnen is, neen, — ’t is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet meeg kon loopen als in het eegst. ’t Is dus uit medelijden, dat hij dit geschenk van mij kgijgt.»
Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene mooie daad van Bob vond.
Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:
»’t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het best hooren.»
Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hijplotseling eene hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.
’t Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.
Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.
Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk over het geheele dorp.
’t Was een heerlijke middag geweest.
Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wijeene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten.Onze vlucht en de gevolgen daarvan.Pieter komt tot de ontdekking, dat het inhet bosch spookt.
’t Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v. als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten wijvertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.
Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden bevroeden.
»Waar heb jij zoo’n pret over, Bob?» vroeg ik.
»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het huis van Wobbe?»
»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»
»Neen, ik ook niet,» zei ik.
»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken, als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne kar weg.»
»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.
»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en wip — nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. Je zoudt zeggen, wat moet zoo’n klein manneke nu met zoo’n grooten wagen doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»
Nu, ’t was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne brooden uit den wagen opdiepte.Maar bijzonder sterk interesseerde de zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.
»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik moet hem een handje helpen!»
»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook wel min of meer toelachte.
»Natuurlijk!» zei Bob.
»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke onderneming.»
»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik ga, jongens, die grap moet ik hebben.»
Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.
Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.
Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.
Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man een duwtje — en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht — daar duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was het deksel dicht.
Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen, hadden aangezien,kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden het ook wel grappig — maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht hebben, eer wij het gedaan hadden.
Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.
»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de portaligheid vandaan?»
Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.
»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m’n lieve mensch. Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»
»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene hand uit te steken, om hem te helpen.
»’t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg en rad. Help maar eens kijken!»
»’t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.
»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.
Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf — en nu zette Bob het voor de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons heen.
»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt, zal het je niet bevallen.»
Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en hadden hem weldra ingehaald.
Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus onzen gang en liepen doelloos verder.
Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen stonden.
»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »’t Ziet er daar zoo echt prettig uit.»
»Mij goed!» zeiden Bob en ik.
»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,»zei Pieter, op de waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»
»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers, die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»
Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was hij daarvan niet erg zeker.
»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»
Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het bosch in.
Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan en de ooievaars klepperen. O, ’t was er verrukkelijk!
Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch — al hielden wij ons zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om ’t hardst toe, dat hij gerust meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf ook nietgeheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.
Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op, berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was. In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil lag eene plank.
»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?» vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.
»Ik weet het niet,» zei ik.
»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt wordt.»
»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik van de plank val, ben ik doornat.»
Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij, waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen. Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen, wat wij buitengewoon vermakelijkvonden. Soms renden wij, zoo hard wij loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den baron als zijn boschwachter vergeten.
Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij gebroken was.
»Stuk!» zei Bob.
»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»
»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»
»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet stuk, kijkt maar.»
»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»
»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zakennemen geen keer, en met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij stuk is.»
»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.
»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt geen twijfel.»
»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen, Bob, — ik heb het liever niet.»
»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten liggen?»
»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»
»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt gelijk, Pieter, — laten wij het er duidelijk opschrijven.»
Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke letters:
»Deze plank is gebroken.»
»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»
Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals we haar gevonden hadden.
»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.
En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven klimmen.
»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.
Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.
»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»
’t Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.
»’t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds achter de struiken, is zeker de koning.»
»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. ’t Is toch wel grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»
»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»
»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»
»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»
»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»
»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.
»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan. ’t Wordt hoog tijd.»
»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»
»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»
»’t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op. »Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»
»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.
»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen zij ze met de handen.»
»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht, waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »’t Moet wel een aardig werkje zijn, dunkt me.»
»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»
»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter,zei Bob. »En dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het einde.»
»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.
Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde hij hals over kop naar beneden.
»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»
Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te schrijven.
»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om te krullen van boosheid.
»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.
»Vluchten, jongens!»
Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.
»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en haastig bij hem neerknielde.
»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.
»Waar? — Zeg, Pieter, — waar?» vroeg Bob angstig.
»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.
»Neen, — maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg Pieter, — wáár ben je getroffen?»
»Dat weet ik niet, — o dat weet ik niet!» jammerde Piet.
»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter aan! Vooruit, Pieter, gauw?»
»De boschwachter? O — O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar — waar is hij, Bob?»
»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden! Maar haast je!»
Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne macht te krijgen.
Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom, den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.
Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.
»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.
»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, dat deze hem begon in te halen.
»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.
Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.
Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.
Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven letters in het oog vielen.
»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter zich te kijken.
»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.