Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195).Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak.... (pag. 195).
Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te springen.
Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk, daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger werd, tot aan zijn middel in het water terug.
’t Was zoo’n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in, sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot bedaren komen van het lachen.
Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te zien, dat zijne woede geen grenzen kende.
»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe. Maar Bob wachtte hem niet af.Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren te gaan aantrekken.
En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en Pieter te wachten.
Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met Burts gebeurd was. ’t Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. ’t Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.
»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob, grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, ’t zou me wat waard geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar is Pieter-neef?»
»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou komen. Heb-je hem niet gezien?»
»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snelmogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»
»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»
Bob deed het en nu bleven wij eenige minuten wachten, maar Pieter-neef bleef onzichtbaar. Wij begonnen ons eindelijk een beetje ongerust te maken, want de avond begon te vallen en de zon zou weldra ondergaan. Dat laatste juist was het, wat wij vreesden, want dan zou het in het bosch al spoedig zeer donker worden, zoodat het iemand als Pieter moeilijk zou vallen, den rechten weg te vinden om er uit te komen.
»Wil ik jelui eens wat zeggen?» zei Bob eindelijk. »Ik geloof, dat Pieter-neef verdwaald is.»
»Dat zou erger zijn,» vond Karel.
»Het ergste, wat hem overkomen kon,» meende ik.
»Als het waar is, wat ik vermoed, zal hij doodsangsten uitstaan, vrees ik,» hernam Bob.
»Ongetwijfeld!» zei Karel. »Het loopt hem hier in ’t bosch ook in het geheel niet meê. Ik denk, dat hij van middag zijn pleizier wel op kan.»
»Ja, — hij treft het slecht. Maar zeg, wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten, niet waar?»
»Neen, dat gaat niet!» stemde Karel toe.
»Natuurlijk niet!» zei ik. »Wij moeten hem trachten op te sporen.»
»Dat is gemakkelijker gezegd, dan gedaan,» zei Bob. »’t Bosch is heel groot en er zijn een tal van paden en lanen in. Wie weet, hoe ver hij in zijn angst al afgedwaald is.»
»Laten we gaan,» stelde ik voor. »We moeten langer geen tijd verliezen.»
»En Burts dan?» vroeg Karel.
»Burts zal van avond wel thuis blijven. Hij gaat bepaald vroeg naar bed, want na een bad is men altijd slaperig,» zei Bob. »Ga je mede?»
Wij sprongen op en volgden Bob ten tweeden male het bosch in.
»Zou het niet noodig zijn, dat wij ieder een verschillenden kant uitgingen?» vroeg ik. »Dan hebben wij veel meer kans, om hem spoedig te vinden.»
»Laten wij eerst eenigen tijd bij elkander blijven, want als wij scheiden, kunnen wij elkander ook niet meer terug vinden,» zei Karel.
»Zou ik hem durven roepen?» vroeg Bob. »Of zou dat met het oog op Burts gevaarlijk zijn?»
»Dat is het zeker,» zei ik. »Hoe harder je roept, hoe meer kans om gesnapt te worden.»
»Nog niet roepen,» vond Karel. »Dat kunnen we wel doen, als het geheel donker is, maar nu is het nog te gevaarlijk. Wat wordt het al duister hier in het bosch, vindt-je niet?»
»Over een half uur is het geheel donker,» zei Bob.
»’t Is te hopen, dat wij hem voor dien tijd gevonden hebben.»
»’t Is eene mooie geschiedenis,» zei ik, wel een beetje onrustig, nu het zoo laat werd, eer ik thuis kon zijn. Want het was een vaste regel bij ons, dat wij vóór donker binnen moesten zijn. Pa hield daar streng de hand aan.
Wij brachten nog ruim een half uur zoekende door, zonder evenwel eenig spoor van Pieter te ontdekken.
Het werd thans hoog tijd om naar huis terug te keeren, waar men zeker al ongerust over ons lange uitblijven begon te worden. Maar daar stond tegenover, dat het hoogst onaangenaam voor ons was, zonder Pieter naar huis te moeten gaan.
Bob was daartoe dan ook in het geheel niet te bewegen.
»Ik blijf hier,» zei hij op zijn gewonen beslisten toon. »Ga gij beiden maar naar huis terug en zeg aan Pa, wat er gebeurd is. Vraag hem, eenige menschen te zenden, om mij bij het zoeken te helpen. Of weet je iets beters?»
Neen, dat wisten wij niet, maar om op deze wijze terug te keeren, vonden wij ook onaangenaam.
»Laten wij eerst eens boven op een heuvel gaan staan en zoo hard roepen als we kunnen,» zei Karel. »Of de boschwachter ons hoort of niet, is mij thans geheel onverschillig. Wij kunnen Pieter niet aan zijn lot overlaten.»
»Je hebt gelijk,» zei Bob. »Laten we gaan.»
Wij beklommen den top van eene hooge duin en verhieven in koor onze stemmen. ’t Was gelukkig zeer stil in de natuur, zoodat men ons ver in den omtrek moest kunnen hooren.
»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!» weerklonk het uit drie monden tegelijk, en onze stemmen klonken ons daar van dien top des heuvels en in de stille duisternis van den vallenden nacht geheimzinnig in de ooren. De vogels in de takken der boomen schrikten er van wakker en vluchtten ijlings heen. Nachtuilen deden hun gekras hooren en sommigen van hen lachten op eene allerakeligste manier, precies als menschen, maar op een vreemden toon. Ik moet eerlijk bekennen, dat mij bij het hooren daarvan eene rilling door de leden voer.
Nogmaals lieten wij ons krachtig geroep hooren. Daarna bleven wij stil staan, om te luisteren. Hoe hoopten wij, dat eenig antwoord onze gehoorvliezen zou doen trillen.
Doch wij luisterden tevergeefs.
»Nog eens roepen, jongens,» zei Bob. »Den moed nog niet opgeven.»
Weer klonk ons roepen door de nachtelijke stilte, en weer luisterden wij, of wij iets mochten vernemen.
Opeens zei Bob:
»Luister, jongens, ik hoor iets!»
Wij luisterden.
»Hoor, — daar is het weer!» fluisterde Bob ons toe.
»Ja, — ik hoor het ook,» zei ik. »Dat moet Pieter zijn. ’t Komt van dien kant.»
Bij die woorden wees ik naar den uitgang van het bosch.
»Laten we hem tegemoet loopen,» zei Karel, »en dan straks nog eens roepen. Dan hooren we hem misschien reeds beter.»
Dat deden we, en na enkele minuten geloopen te hebbenbeklommen wij opnieuw een heuvel en lieten weer ons geroep hooren.
»Pieter! — Hallo! — Hallo! — Pieter!»
Wij schreeuwden met bijna bovenmenschelijke kracht, en luisterden daarna, of we Pieters antwoord hoorden.
Ja, daar vernamen wij het reeds vrij duidelijk. Ongetwijfeld waren wij elkander tegemoet geloopen. Dat gaf moed!
»Voorwaarts, jongens, we bewegen ons in de goede richting!» riep Bob ons opgetogen toe. »’t Is toch wel aardig, hê, zoo’n nachtelijk tochtje door een bosch. ’t Is zoo geheimzinnig!»
Met moed gingen wij thans verder, steeds roepende, om Pieter de gelegenheid te geven, ons tegemoet te komen.
Nu werd zijn geluid voortdurend duidelijker, en eindelijk — ha, daar vonden wij hem. O, wat zag hij bleek van den doorgestanen angst. Hij beefde over zijn geheele lichaam.
»Goddank! Goddank!» fluisterde hij ons toe. »O, wat ben ik blij, dat jelui me niet aan mijn lot hebt overgelaten.»
»Nu dadelijk naar huis!» zei ik. »Er zal toch al wat voor me opzitten, als ik thuis kom.»
Met vluggen pas zochten wij den uitgang van het bosch op en weldra hadden wij het dorp bereikt.
Pieter begon meer en meer tot zichzelven te komen, maar wij merkten toch duidelijk, dat hij een vreeselijken angst had uitgestaan.
»’t Was verschrikkelijk, daar in het bosch,» zeide hij zacht en met eene huivering, »en wat was het er donker,griezelig donker. En het spookt er ook, want telkens hoorde ik menschen, die mij op eene allerakeligste wijze uitlachten. O, als ik dat geluid weer hoorde, was het of ik door den grond heenging van schrik. Ik ga nooit, nooit weer met jelui mede, als je weer naar het bosch gaat.»
»Och, — dat waren uilen!» zei Bob. »Wees wijzer, jongen!»
Wij waren nu de brug genaderd, waar onze wegen scheidden. Met een haastigen groet begaven wij ons ieder naar onze woning, waar Pa mij alles behalve vriendelijk ontving. Wel knikte hij goedkeurend, toen ik vertelde, dat wij niet zonder Pieter naar huis wilden terugkeeren, maar hij zeide gestreng:
»Wat moest je in dat bosch doen? Je weet immers, dat de toegang daar verboden is? Als de boschwachter jelui opgepakt en achter slot en grendel gezet had, zou je naar behooren gestraft geweest zijn.»
»Och,» zei Moe, die een goed woordje voor mij wilde doen: »’t Komt alles van dien wilden Bob. Dat is ook in het geheel geen goed kameraad voor hem. Ga naar bed, Dorus!»
Ik ging, maar toch was ik het niet geheel met Moe eens wat Bob betrof.
Het vertrek van Pieter, en hoe wij hem met ons drieëneen cadeautje en een gedicht stuurden. Hoe Mevrouwvan Koorde en haar dienstmeisje op de vluchtwerden gejaagd en Pieter het verlorenterrein heroverde.
Den volgenden morgen al vroeg kwam Pieter bij ons, om afscheid te nemen. Bob vergezelde hem en vertelde mij, dat Pieters Mama wel zeer ongerust was geweest, maar dat zij toch geen straf hadden ontvangen.
Ik ging met hen mede terug, want het werd spoedig schooltijd en dan dienden Bob en ik present te zijn. Bij het afscheid nemen zei Pieter:
»Dus je denkt er om, Bob, mij eenige meikevers te zenden? Je zult me daar een groot genoegen mede doen.»
»Je kunt er vast op rekenen.»
Wij gingen nog even naar binnen, om ook Mevrouw van Koorde goede reis te wenschen.
»Dag Robert,» zei ze, hem op de beide wangen kussende.»Kom je nu ook eens bij ons in Amsterdam logeeren? Maar daar zijn geen bosschen en losloopende beren, hoor neefje.»
Bob lachte eens.
»Ik wil heel graag, Tante,» zeide hij. »Mag ik dan komen als het vacantie is? Ik stel me daar heel wat jool van voor.»
»Jool?» herhaalde Tante. »Pret moet je zeggen, Robert, dat is veel fatsoenlijker. Dag Dorus, adieu!»
Bob en ik begaven ons nu regelrecht naar school, want het werd hoog tijd. Maar wij kwamen toch nog vroeg genoeg. Op het schoolplein spraken wij nog even met Jan van der Vliet, die er zeer treurig uitzag.
»Is er slecht nieuws?» vroegen wij hem.
»Zeer slecht, — ’t kon niet slechter,» zei Jan met een diepen zucht. »We hebben vanmorgen een brief ontvangen, waarin Vader en Moeder beiden gedagvaard worden, om voor de rechtbank te verschijnen. ’t Is verschrikkelijk!»
»Dat is het,» zei Bob, »maar Jan, zij kunnen toch immers nog vrijgesproken worden?»
»Kunnen, ja, dat is waar, — maar dat zal niet gebeuren, jongens. Zij hebben den schijn tegen zich, en uit de dagvaarding blijkt, dat de Officier van Justitie hen voor schuldig houdt. De kans op vrijspraak is zeer gering.»
Op dit oogenblik ging de schoolbel en moesten wij naar binnen. Maar wij zagen al spoedig, dat er iets bijzonders aan de hand was, want de hoofdonderwijzer was nog niet aanwezig en meester de Jong, die altijd in een ander lokaal les gaf, stond voor onze klasse. Nu gebeurdehet hoogst zelden, dat de hoofdonderwijzer afwezig was, maar die enkele keeren waren voor ons feestdagen. Meester de Jong zal het echter wel geen prettige dagen gevonden hebben, want wij konden hem dan geducht plagen.
Wij hadden nog maar pas op onze banken plaats genomen, of de hoofdonderwijzer trad binnen. Het was echter duidelijk aan zijne kleeding te zien, dat hij uitging. Hij was zelfs geheel in het zwart gekleed, alsof hij naar eene begrafenis moest.
»Dorus, kom eens even hier,» riep hij me toe.
Hij nam mij mede naar een hoek van het lokaal en zeide: »Dorus, ik moet voor enkele dagen op reis. Er is eene zuster van mij overleden. Wil jij nu Zondag het orgel voor mij bespelen in de kerk.»
»Zeker, meester, met genoegen.»
»Dank je, Dorus. En kan ik er op aan, dat er niets onbehoorlijks zal geschieden.»
»Ja meester, daar kan u op aan.»
»En dat je geen jongens meê zult nemen naar het orgel?»
»Ik beloof het u, meester.»
»Uitstekend. Ik twijfel niet, of het zal wel goed gaan. Je speelt maar bedaard en rustig, hoor Dorus, en laat je niet in de war brengen. Trek ook vooral niet te veel registers uit.»
Even later vertrok de meester, na den onderwijzer de hand te hebben gegeven en een groet tot ons allen te hebben gericht. En nog geen kwartier later moest Bob al schoolblijven.
Het ligt evenwel niet in mijne bedoeling, te vertellen hoe wij dien schooldag passeerden. Genoeg zij het te weten, dat Bob zoowel ’s morgens als om vier uur na moest blijven, en geen klein poosje, dat beloof ik je. Ik ben er zeker van, dat meester de Jong blij was, toen de schooluren voorbij waren, en ik moet zeggen, dat dit voor ons geen groote eer was. Want meester de Jong was een doodgoed man, die ons veel te zacht behandelde. Als hij wat strenger voor ons geweest was, zouden wij het hem lang zoo lastig niet gemaakt hebben.
»Wat zullen we gaan doen?» vroeg Karel Holm, toen Bob, hij en ik ’s avonds bij elkander waren.
»Meikevers voor Pieter-neef vangen?» vroeg Bob.
»Dat is goed. Er vliegen er nog in overvloed. Hoeveel moet hij er hebben?»
»Een twintig is genoeg,» zei Bob, »maar ik zou het leuk vinden, als wij er hem een paar honderd konden sturen. O, o, wat zou ik er graag bij willen zijn, als hij die ontvangt.»
»Doen?» vroeg Karel Holm, en zelf het antwoord gevende, liet hij er op volgen: »Ja, — doen.»
Wij gingen met eene leege sigarenkist naar den tuin van den notaris, wapenden ons met ragebollen en dergelijke werktuigen en begonnen onze jachtpartij, wat we in het geheel niet onaardig vonden. En hoe meer kevertjes we vingen, hoe grooter onze lust werd.
Eindelijk was onze kist vol; er zaten niet minder dan driehonderd gevangenen in.
»Morgen gaat de looper,» zei Bob. »Dan zullen we Pieter zijn cadeautje sturen.»
»Maar hoe?» zei Bob. »In dat kistje gaan ze spoedig dood.»
»Dat is waar. Weet je wat, in een mandje dan. Wij hebben wel een mandje, dat daarvoor heel geschikt is, in het schuurtje staan. Dan kunnen ze onmogelijk doodgaan door gebrek aan lucht. En zeg, jongens, nu moesten we er een gedichtje bij kunnen doen. Wat zou dat leuk wezen.»
»Dat kan wel,» zei Karel. »We kunnen toch met ons drieën wel een versje maken. Zoo bijzonder mooi behoeft het ook niet te wezen.»
»Goed! Afgesproken! Eerst zullen we de kevers in de mand doen, en dan het gedicht fabriceeren. Laten we gaan.»
Ha, wat gonsden en bromden die beestjes, toen we ze uit de kist in de mand deden. ’t Was goed, dat er geen jongejuffrouw bij ons was, want zij zou het zeker buitengewoon griezelig gevonden hebben, al die torren!
Nu namen we een dichten doek en bonden dien er zorgvuldig omheen, zoodat er geen enkele ontsnappen kon.
»Mooi zoo,» zei Bob met een tevreden knikje, »dat zaakje is in orde. Nu ons gedicht nog, en dan brengen wij ze naar den looper. Kom maar meê, dan gaan we naar de speelkamer.»
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Bob nam een vel papier en een potlood en ging tusschen ons aan de tafel zitten.
»Begin nu maar, jongens,» zei hij. »Ik ben klaar.»
»Begin nu maar?» herhaalde Karel lachend. »Alsof dat zoo gemakkelijk is? Ik weet geen begin.»
»Ik ook niet!» zei ik.
»Dat is flauw,» zei Bob. »Eerst zeg je, dat je het best kunt doen, en nu het er op aankomt, trek je je terug.»
»Nu, hier heb ik al vast één regel,» zei Karel. »Schrijf maar op, Bobbertje, en mopper niet zoo.»
„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”
„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”
„Zie Pieter, wat ik zenden zal!”
»Dat is een beste regel!» riep Bob opgetogen uit. »Zie je wel; dat je het wel kunt? ’t Kon niet beter. Nu den tweeden regel; toe Dorus, jou beurt.»
„Driehonderd roovers in getal!”
„Driehonderd roovers in getal!”
„Driehonderd roovers in getal!”
zei ik. »Dat rijmt immers?»
»Prachtig, Dorus, prachtig! Driehonderd roovers in getal, dat komt er uitstekend bij. ’t Zijn ook echte roovers.»
»Nu jij een regel, Bob! Ieder op de beurt.»
»Ja,» zei Bob, »je kunt ze niet uit je mouw schudden. Ik weet geen regel.»
»’t Is anders gemakkelijk genoeg, want jij behoeft nergens op te rijmen,» zei ik.
»Daar heb je gelijk aan; nu, dan weet ik er wel een. Luister maar:
„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”
„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”
„’t Geschenk is wel niet heel veel waard.”
»Is die goed?»
»Heel goed,» zei Karel peinzende om een rijmwoord op »waard» te vinden.
»Waard — wat rijmt daar zoo al op?» vroeg hij. »O ja, waard, paard, staart, taart, haard, baard, aard, gaard, er zijn rijmwoorden genoeg. Ha, ik weet er al een:
„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”
„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”
„’t Is een geschenk uit onzen gaard.”
Dat rijmt goed, hè?»
»Heel goed,» zei Bob schrijvende. »Gaat maar door, jongens, ’t gaat best. Jou beurt, Dorus.»
»Ik ben klaar,» zei ik. »Luister maar:
„Zij vliegen vroolijk in het rond.”
„Zij vliegen vroolijk in het rond.”
„Zij vliegen vroolijk in het rond.”
»Dat is waar,» zei Karel. »En dan kan dus volgen:
„Of kruipen langzaam op den grond,”
„Of kruipen langzaam op den grond,”
„Of kruipen langzaam op den grond,”
want dat doen ze ook dikwijls.»
„En brommen haast den heelen nacht,”
„En brommen haast den heelen nacht,”
„En brommen haast den heelen nacht,”
vervolgde Karel, die het weer gemakkelijk had, daar hij geen rijmwoord behoefde te zoeken.
„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”
„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”
„Zeg Pieter, had je dat gedacht?”
zei ik, want deze regel schoot mij opeens te binnen.
»Dat zijn nu al twee coupletten, en alle goede dingen bestaan in drieën, dus nu het laatste nog. ’t Is mijne beurt, niet waar?» zei Bob.
»Ja, jou beurt,» zei Karel.
»Wist ik nu nog maar wat,» vervolgde Bob. »Wacht, laat mij eens even bedenken. Misschien komt het wel.»
En na een oogenblik toevens vervolgde hij:
»Ha, ik ben klaar. Luister:
„Wel neefje, ben je nu tevreê?”
„Wel neefje, ben je nu tevreê?”
„Wel neefje, ben je nu tevreê?”
»Goed gedaan, Bob. Nu moet ik weer. Wat rijmt er zoo al op vreê? Wacht: wee, meê, zee, thee, dat zijn er wel al genoeg. In orde, hoor.
„En valt het aantal je niet meê?”
„En valt het aantal je niet meê?”
„En valt het aantal je niet meê?”
»Goed zoo!» zei Bob, die elken regel opschreef. »Nunog twee regeltjes en we zijn klaar. Jou beurt, Dorus.»
»Ja wel, je hebt goed praten. Ik weet heusch niet meer op ’t oogenblik. Jelui moet me helpen denken. Wacht, ik weet er al een:
„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”
„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”
„Me dunkt, je hebt nu overvloed.”
»Nu jij weer, Bobbertje, den laatsten regel.»
»Ja, dat komt mooi uit, Dorus, met dat woord overvloed, want dat rijmt op gegroet. De laatste regel kan dus zijn:
„Ontvang ten slotte onzen groet.”
„Ontvang ten slotte onzen groet.”
„Ontvang ten slotte onzen groet.”
Is dat niet een prachtig slot? Wacht, nu zal ik het in het net overschrijven en het jelui eens voorlezen.»
Bob deed het, en las:
Waarde Pieter!„Zie Pieter, wat ik zenden zal:Driehonderd roovers in getal.’t Geschenk is wel niet heel veel waard,’t Is een cadeau uit onzen gaard.Zij vliegen vroolijk in het rond,Of kruipen langzaam op den grond,En brommen haast den heelen nacht.Zeg Pieter, had-je dat gedacht?Wel neefje, ben je nu tevreê?En valt het aantal je niet meê?Me dunkt, je hebt nu overvloed.Ontvang ten slotte onzen groet.”Karel Holm.Dorus Volmaar.Bob de Wild.
Waarde Pieter!„Zie Pieter, wat ik zenden zal:Driehonderd roovers in getal.’t Geschenk is wel niet heel veel waard,’t Is een cadeau uit onzen gaard.Zij vliegen vroolijk in het rond,Of kruipen langzaam op den grond,En brommen haast den heelen nacht.Zeg Pieter, had-je dat gedacht?Wel neefje, ben je nu tevreê?En valt het aantal je niet meê?Me dunkt, je hebt nu overvloed.Ontvang ten slotte onzen groet.”Karel Holm.Dorus Volmaar.Bob de Wild.
Waarde Pieter!
„Zie Pieter, wat ik zenden zal:Driehonderd roovers in getal.’t Geschenk is wel niet heel veel waard,’t Is een cadeau uit onzen gaard.
Zij vliegen vroolijk in het rond,Of kruipen langzaam op den grond,En brommen haast den heelen nacht.Zeg Pieter, had-je dat gedacht?
Wel neefje, ben je nu tevreê?En valt het aantal je niet meê?Me dunkt, je hebt nu overvloed.Ontvang ten slotte onzen groet.”
Karel Holm.Dorus Volmaar.Bob de Wild.
»Wat is dat best gegaan, hé?» vervolgde Bob, die het vers in eene enveloppe deed en deze dichtplakte. »Dichten schijnt me toch niet erg moeilijk toe. Me dunkt, als we het wat meer deden, zouden we het spoedig tot eene groote hoogte brengen. Ik vind dit gedicht althans uitmuntend geslaagd. En jelui?»
Nu, wij waren dat volkomen met hem eens. Wij bonden de enveloppe, met de proeve onzer kunst, met een touwtje aan de beide ooren van de mand vast, zoodat het adres netjes bovenop kwam te liggen, en brachten ons geschenk gezamenlijk naar den looper. Deze bekeek het adres, en las overluid:
»Jongeheer Pieter van Koorde,Keizersgracht No. 234Amsterdam.»
»In orde Bob,» zei hij. »Dat adres is mij bekend; ik heb er voor je Pa al meer dan eens wat moeten bestellen. Is het franco?»
»De geadresseerde zal de vracht betalen,» zei Bob deftig, en na gegroet te hebben gingen wij het dorp in.
Weinig konden wij op dat oogenblik vermoeden, dat diezelfde meikevertjes in Amsterdam zooveel moeite en ontsteltenis zouden veroorzaken, zooals wij later hoorden, dat zij gedaan hadden.
Want toen de looper het mandje met zijn levenden inhoud in de beste orde aan het opgegeven adres had afgeleverd, was Pieter-neef niet thuis, omdat het onder schooltijd was. De meid bracht het dus bij Mevrouw Van Koorde, die de boven-voorkamer als woonkamer gebruikte.
»Binnen,» zei Mevrouw, toen Mientje had aangetikt.
»Mevrouw, hier is een mandje van den looper. ’t Kost een dubbeltje vracht, Mevrouw.»
»O, — ziehier het geld. Zet het mandje maar hier op de tafel.»
Mientje gehoorzaamde.
»Zeker van mijn broeder,» zei Mevrouw. »Wat kan hij mij te sturen hebben? Maar neen, — ik ben abuis. ’t Is voor Pieter, zie ik. Daar staat duidelijk: Jongeheer Pieter van Koorde. Jammer, dat hij naar school is. Wat kan daar toch inzitten?»
Mevrouw tilde het mandje eens op en vond, dat het erg licht was.
»En een brief in de enveloppe,» zeide ze, na deze met de vingers betast te hebben. »Ik ben nieuwsgierig, wat hem gezonden kan worden. Weet je wat? Ik kon best het mandje openen en eens zien, wat het bevat. Den brief moet Pieter zelf maar openmaken. Dat is wèl zoo aardig voor hem. Wel, ik moet zeggen, dat de mand goed dichtgemaakt is, — heel zorgvuldig zelfs. Ik zal het touwtje maar losknippen.»
Zij ging naar hare werkmand en kwam met de schaar terug.
»Knip-knip!» ging het en het touwtje viel aan stukken op de tafel. Mevrouw nam den doek en lichtte dien op.
Genadige hemel! Wie beschrijft haar schrik bij het zien van die honderden wriemelende, gonzende en brommende meikevers! Van ontsteltenis gaf zij een hevigen gil en vlug ijlde zij naar het schelkoord, waaraan zijzenuwachtig begon te rukken. Zonder ophouden, met den blik stijf op de noodlottige mand gericht, bleef zij doorschellen.
De beestjes, die nu de vrijheid zoo onverwacht terug gekregen hadden, begonnen daar dadelijk gebruik van te maken, door tegen de mand op te klauteren en over den rand te gaan loopen. Zij spreidden af en toe de vleugeltjes uit met het vaste voornemen, straks het luchtruim in te snellen. Sommige begonnen zelfs al te vliegen, en het was een gegons en gebrom, dat Mevrouw Van Koorde het bijna op hare zenuwen kreeg van angst. Zij durfde geen voet naderbij komen en deed niets dan schellen.
Nu ging de deur open en trad Mientje, ook al verschrikt door het bellen, haastig binnen.
»O, Mevrouw, wat is er?» vroeg zij angstig. »Is er brand, Mevrouw?»
»Neen, neen, nog erger! Toe Mientje, spoedig, neem die mand en breng haar dadelijk weg — naar buiten. Dadelijk, asjeblief.»
Nu was Mientje gewoon, de bevelen harer meesteres stipt uit te voeren; zij liep dus naar het mandje, op welks ongewonen inhoud zij in het geheel niet verdacht was, en greep het bij de ooren. Maar op hetzelfde oogenblik begonnen een paar meikevers tegen hare bloote armen op te kruipen, zoodat zij thans de beestjes wel moest opmerken. Doodsbleek van schrik uitte zij een hevigen angstkreet en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. Zelf vluchtte zij totin den versten hoek van de kamer, waar zij in stomme verbazing de gevolgen van hare daad stond aan te staren.
.... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. (pag. 213)..... en liet plotseling de mand met alles, wat daarin was, op den grond vallen. (pag. 213).
De meikevers, door den schok verschrikt, spreidden thans de vleugels uit en begonnen, gonzende en brommende, door de kamer te vliegen, tot ontzetting van de beide vrouwen, die het niet durfden wagen, hunne hoeken te verlaten.
Wat maakten die diertjes, die vruchteloos zochten naar een groen blaadje, want zij hadden gedurende de reis geduchten honger gekregen, eene ongewone drukte in die deftige kamer! Er was weldra geen plaatsje meer, waar geen kever te vinden was.
»O mevrouw, die afschuwelijke torren!» riep Mientje, die beefde als een espenblad.
Mevrouw stond met beide armen te zwaaien, om zich de ongenoode gasten van het lijf te houden, want zelfs op de linten van hare muts schenen zij het gemunt te hebben. Wel drie hadden zich daar een plaatsje weten te veroveren, en zaten er gezellig de vleugeltjes uit te spreiden en weer dicht te slaan. Eén liep er haar op den schouder en vier kropen tegen haar boezelaar op.
»Domme meid! — Ga weg, afschuwelijk dier! — Hoe kon je nu zoo dom — koest, beest, koest, — zijn, om die mand, — sss — sss; — te laten vallen!»
»O mevrouw, — ga weg — ga weg, — bah, wat afschuwelijke dieren! — kijk eens, ze kruipen tegen den spiegel op — o foei, hu, er zit er een in mijn hals, — en tegen de lamp — en o, mevrouw, de gordijnen — ksss, ksss — zitten vol! ’t Is afschuwelijk.»
»Mientje, hier houd ik het niet langer uit — o foei, ze zitten me op mijn hoofd, en ah bah, daar kruipt er een in mijn mouw. Mientje, hu, hu, haal dat beest er uit! — Haal het er uit, zeg ik!»
»Ik durf niet, — dat durf ik niet!»
En op een draf, met haar boezelaar over het hoofd, nam Mientje, schreiende van schrik, de vlucht, de kamer uit en naar beneden.
Een oogenblik daarna werd zij gevolgd door Mevrouw, die echter zoo verstandig was, de deur achter zich dicht te trekken.
Daar stonden ze, bleek van ontsteltenis, zonder te weten, wat zij moesten doen, om van deze meikeverplaag verlost te worden.
Maar ook hier waren zij niet vrij, want in de vlucht hadden zij er enkele medegenomen, die op hare kleeren zaten.
»O Mientje, — wat voel ik daar in mijn hals?» riep Mevrouw huiverend uit, nu zij daar een eigenaardig gekriewel opmerkte, — »wat voel ik daar, Mientje!»
»O Mevrouw, dat is er weer een! Maar ik haal er hem niet af, Mevrouw, — voor duizend gulden niet! — Hu, wat een akelige beesten!»
Met eene weergaloos vlugge beweging streek Mevrouw nu zelf met hare hand langs den hals, en in hetzelfde oogenblik verhief zich het kevertje vroolijk gonzend omhoog, regelrecht op Mientje af. Deze wist niet waar ze zich bergen zou, en liep wel twintigmaal om de tafel heen.
»Mientje, ga den kruier halen! Hij moet al die beesten vangen. Hoe komt die nare Robert er toe, om die torren naar ons te zenden? Maar wacht, ik zal hem een brief schrijven, die hem niet bevallen zal, dien stouten bengel. Mientje, spoedig, zeg dat de kruier direct moet komen!»
Maar dat was niet noodig, want op dit oogenblik werd er gescheld.
»Ha, dat zal Pieter zijn,» riep Mevrouw verheugd uit. »Hij zal ons misschien wel van die beesten kunnen verlossen.»
Inderdaad, zij had goed geraden; het was Pieter, en deze was niet weinig uit zijn humeur toen hij hoorde, wat er gebeurd was.
»Maar Mama,» riep hij teleurgesteld uit, »dat zijn geen torren, het zijn meikevers, die Bob mij gestuurd heeft, omdat ik hem dat verzocht had. En nu zijn ze alle weg!»
»Weg?» herhaalde zijne Mama. »Weg? De hemel gave, dat het waar was. Weg? De voorkamer boven zit vol; er is geen plaatsje te zoeken, waar niet van die beesten zitten. Ik zag er zelfs een in de melkkan vallen.»
»En in den suikerpot, Mevrouw,» zei Mientje, »daar zaten er ook in! Hu, ik ga niet meê, hoor jongeheer, voor geen geld! Ik moet er niets, niemendal van hebben.»
»Dat is ook niet noodig!» bromde Pieter. »Geef mij den langen stoffer maar, dan zal ik ze wel vangen. En Mama, heeft u geen kistje voor me? Een sigarenkistje, of zoo iets?»
»Waarvoor?» vroeg Mevrouw. »Toch niet, hoop ik,om er die akelige beesten in te doen? Ik wil het volstrekt niet hebben, Pieter, volstrekt niet, heb je mij goed verstaan? Schuif de ramen open en jaag ze naar buiten. Ik wil die beesten onder mijne oogen niet meer hebben.»
»Maar Mama, Bob heeft ze toch voor mij gestuurd?»
»Zeker, dat heeft hij en ze hebben mij nog een dubbeltje aan den looper gekost ook. Doch dat verandert aan de zaak niets, Pieter. Gooi die beesten het raam uit! En nu geen woord meer, asjeblief!»
Pieter begreep, dat het zijne mama ernst was, en met tranen in de oogen ging hij, gewapend met een langen stoffer, naar boven, om de ontsnapte diertjes te vangen.
Toch moest hij lachen, toen hij zag, hoe de geheele kamer als het ware met meikevers bevolkt was. Geen plekje zag hij, of er was een meikever. ’t Was zulk een bespottelijk gezicht, dat hij het uitschaterde van het lachen. De deur had hij achter zich gesloten en hij hoorde, hoe zijne Mama en Mientje daar achter stonden te wachten op het oogenblik, dat de kamer weer vrij zou zijn.
Eerst las Pieter op zijn gemak het gedicht van zijne drie vrienden, stak het na de lezing in zijn zak, en ging daarna op de jacht. De ramen had hij open geschoven, en weldra zag hij, hoe de gejaagde kevers bij drommen naar buiten vlogen. Het was nog lang geen gemakkelijk werkje, om ze naar buiten te krijgen, want telkens, als hij dacht, dat hij nu eindelijk den laatsten had gehad, kwamen er uit de plooien van de gordijnen weer andere te voorschijn. Ja, zelfs vele dagen daarna werd Mevrouw telkens nog opgeschrikt door de onverwachteverschijning van een meikever, die haar onmiddellijk de vlucht deed nemen naar Mientje, maar deze was niet te bewegen, om hem te vangen.
Nog jaren daarna kon Mevrouw haar neef Bob niet ontmoeten, of zij begon telkens weer over die meikevers te spreken en dan kon zij geen woorden genoeg vinden, om haar schrik en ontsteltenis te beschrijven.
Maar Pieter was, tot zijne innige spijt, slecht van zijne meikevers afgekomen.
Hoe ik mijne betrekking als organist vervulde en watBob in den toren vond. Hoe in het eene huisvreugde en in het andere droefheid konheerschen om eenzelfde gebeurtenis.
’t Werd Zondagmorgen. Ik was al vroeg wakker, want de enkele malen, dat ik voor den meester het orgel moest bespelen als er dienst was, sliep ik nooit bijzonder rustig. De wetenschap, dat ik als organist moest optreden, stemde mij altoos min of meer zenuwachtig en deed mij ook nu vroeg ontwaken.
Spijt behoefde ik daar echter niet over te gevoelen, want het was bijzonder prachtig weêr. De dauw lag als een luchtig gaas over het veld en deed blad en twijg schitteren in de gulden ochtendstralen van de zon. Een heerlijke geur vervulde de lucht en ik vond het verrukkelijk, langzaam rond te wandelen door onzen tuin, waar de glinsterende dauwdroppels wel diamanten schenen. De vogels sjilpten zoo vroolijk op het dak, de hanenkraaiden elkander zoo gezellig hun morgengroet toe, het zonnetje scheen zoo heerlijk. ’t Was een genot, buiten te zijn.
’t Werd langzamerhand drukker en levendiger om mij heen. De huizen werden meer en meer geopend, als om te bewijzen, dat de bewoners waren opgestaan, en hier en daar klonk uit de mij omringende tuinen een lied of een vroolijke lach. De hanen werden kalmer, het zonnetje rees langzaam hooger en verdreef met hare stralenbundels den dauw, die niet dan onwillig scheen op te trekken, de vogels fladderden van boom tot boom, en de bijtjes bewogen zich al gonzende van de eene bloem naar de andere.
Hoor, daar was de melkboer reeds. Van huis tot huis kon ik hem volgen, want overal opende hij de achterdeur en riep: »Mel-lek!» En de laatste lettergreep rekte hij wel tweemaal zoo lang uit als noodig was.
Nu waren ook mijne broertjes en zusjes ontwaakt. Ik hoorde hun gesnap en gebabbel zelfs in den tuin, dien zij weldra onder vroolijk gejuich binnenstormden.
»Je moet komen ontbijten, Dorus!» klonk het mij toe. »Moe heeft het gezegd.»
Nu, dat bericht behoefde niet herhaald te worden, want eene flinke boterham was mij nooit onwelkom. En toen het ontbijt afgeloopen was, ging ik weer in den tuin om het eerste gelui af te wachten. Bij ons werd er altoos tweemaal geluid, den eersten keer om halfnegen, en den tweeden keer een uur later, als de kerk aanging.
Hoe meer het uur van aanvang naderde, des te minder begon ik mij op mijn gemak te gevoelen. Niet, omdat ik bang was, dat ik het er niet goed zou afbrengen,o neen, in het geheel niet, want ik speelde toen de psalmen en de gezangen al vrij vast. Ik weet zelf niet, waarom ik er altoos zoo tegen opzag; ik denk, dat het gevoel van verantwoordelijkheid mij drukte.
Eindelijk drongen de klokketonen tot mij door. Dat gelui stemde mij altoos, zoo jong als ik was, min of meer ernstig, en wanneer het de doodsklok was, die geluid werd, huiverde ik zelfs dikwijls.
Een kwartiertje later nam ik mijne muziekboeken uit het kastje en zei tegen Pa en Moe, dat ik vast vooruitging, om alles in gereedheid te brengen.
»Hoor eens, Dorus,» zei Pa, »geen grappen maken daarboven, hoor, en geen jongens meênemen. Zorg er voor, dat niemand merkt, dat de meester er niet is. Laat alles ordelijk en naar behooren gaan.»
»Ja Pa!» was mijn antwoord, en toen ging ik.
»Zorg, dat ik mij niet over je behoef te schamen!» riep Pa mij nog na.
Onderweg kwam ik Bob tegen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »ga je naar de kerk?»
»Ja, ik ga naar de kerk.»
Dat ik dien morgen als organist moest optreden, verzweeg ik hem, want dan wist ik zeker, dat hij ook boven zou komen. Maar Bobje wist het al. Hij vervolgde:
»Ik kom ook, Dorus. De meester is er immers niet?»
Ik had veel lust om te zeggen, dat de meester er wèl zou zijn, maar van liegen en veinzen had ik een onoverwinnelijken afkeer, dus zeide ik het niet.
»Ik ben van morgen organist, Bob,» zei ik op beslistentoon, »en de meester komt niet! Ik heb eerst den meester en nu nog mijn Pa moeten beloven, dat ik geen jongens zou meênemen, en ik doe het niet ook. Als je komt, zal ik den koster verzoeken, je te verwijderen.»
»Erg vriendelijk van je, Dorus,» zei Bob knorrig, »erg vriendschappelijk, dat moet ik zeggen.»
»Waarom ga je niet beneden zitten? Daar heb je immers eene plaats?»
»Ja, maar ik zit veel liever boven. Daar kan ik nog eens heen en weer loopen, weet je, en dat kan ik in de kerk niet doen. Dus mag ik niet?»
»Neen, je moogt niet. Ik heb het beloofd en die belofte zal ik houden. Je doet ook altijd zulke dwaze dingen. Maar nu moet ik gaan, of ik ben niet op tijd gereed. Tot van middag!»
Bob scheen echter boos, want hij ging zonder groeten verder. Nu, dat hinderde niet. Hij was wel eens meer boos, maar dat ging vanzelf weer over. Hij zou mijne weigering ook nu wel spoedig vergeten zijn.
Ik had nu de kerk bereikt en ging naar boven, waar de koster de sleutels van het orgel al had neergelegd. Eenige minuten later kwam hij mij het orgelbriefje brengen, waarop te lezen stond, welke liederen er dien morgen gezongen zouden worden.
Uit dat briefje bleek mij, dat alles zou zijn, zooals gewoonlijk. Er stond althans niets bijzonders op vermeld, en er zou ook nu, volgens den gewonen gang van zaken, viermaal gezongen worden. Dat de melodiën niet bijzonder moeilijk waren, zag ik al met een enkelen oogopslag,want het waren alle bekende gezangen, die dikwijls opgegeven werden.
Toen alles gereed stond, kwam Potman, de orgeltrapper boven. Potman was een oude sukkel, die door de diakonie onderhouden werd en er nog een duitje bijverdiende met orgeltrappen.
»Zoo Dorus,» zei hij, »moet jij van morgen spelen? Komt de meester niet?»
»De meester is uit,» zei ik, »en nu moet ik spelen.»
»Zoo, zoo, nu, dat is je toevertrouwd. Er zal wel veel volk ter kerk komen, denk ik, want het is prachtig weêr. Kom, ik zal maar gaan zitten.»
Potman ging naar de andere zijde van het orgel, waar zijn stoel stond, en nauwelijks was hij weggegaan, of Jan van der Vliet kwam binnen. Die had eene vaste plaats bij ons, en als de meester zeide, dat er geen jongens boven mochten komen, was Jan daarvan stilzwijgend uitgezonderd. Trouwens, Jan zou ook geen dwaze dingen gaan doen, zooals Bob. Als deze boven zat, wierp hij altoos propjes papier naar beneden, die dan op de hoofden der menschen terecht kwamen, of hij maakte grappen tegen de jongens, die op de galerijen zaten, want gij moet weten, dat het eene groote kerk was met twee galerijen, die op dezelfde hoogte van het orgel waren aangebracht. Wanneer de collectanten van de eene galerij naar de andere moesten gaan, kwamen zij altoos onze afdeeling over en namen dan meteen onze giften in ontvangst.
»Morgen Dorus!» zei Jan.
»Morgen Jan!» was mijn antwoord, en ik zag, dat zijn gelaat droevig stond. Hij schoof de gordijntjes een weinig ter zijde, zoodat hij in de kerk kon zien, en staarde op de bank, waar ’s Zondags altoos zijne ouders zaten, want zij waren trouwe kerkgangers. Hunne plaatsen bleven nu evenwel ledig, en toen ik Jan aanzag, ontdekte ik tranen in zijne oogen. Onze blikken ontmoetten elkander, en wij schenen daarin elkanders gedachten te kunnen lezen.
»Ze durven niet. Ze schamen zich!» fluisterde hij mij toe, en zijn mond plooide zich zenuwachtig. Ik zag, dat hij moeite deed, om niet te schreien.
Ik antwoordde niets, want ik wist niet, wat ik zeggen moest. Hoe kon ik den armen jongen troosten, nu morgen de rechtbank wellicht het schuldig over hen zou uitspreken? Hoe kon ik hem troosten, nu binnen korten tijd de gevangenisdeur wellicht achter hen zou worden gesloten en Jan alleen met zijn zusje in de armelijke woning achterbleef?
Neen, ik kon hem niet troosten, want iedereen zeide, dat zij wel veroordeeld zouden worden.
»En dan toch onschuldig?» dacht ik, terwijl ik Jan vol medelijden aanzag. »Maar — dat zou verschrikkelijk zijn.»
Op dit oogenblik begon de koster voor de tweede maal te luiden, en werd het drukker in de kerk.
Daar kwam dokter Doreman binnen, die bijna nooit verzuimde, maar ook bijna nooit tot aan het einde van den dienst bleef, omdat hij gewoonlijk midden onder de preek bij een patient geroepen werd, want hij had een verbazend drukke praktijk.
En daar kwam notaris de Wild binnen, met zijne vrouw. Of Bob ook meegekomen was? Hoe ik ook keek, ik ontdekte hem nergens. Misschien was hij nog boos op me?
De drukte beneden werd nog grooter, want het was nu half tien. En de meeste menschen komen precies op tijd of te laat.
Nu kwam ook de voorzanger in de kerk. Ik zag hem weldra plaats nemen voor zijn lessenaar en opzoeken, wat er gezongen moest worden. Het luiden hield op, de voorzanger kuchte, trok zijn das recht, hoewel deze volstrekt niet scheef zat, en daar begon hij, zacht en onduidelijk:
»De gemeente gelieve te zingen —» maar nu verhief zijne stem zich, zooals de man dat gewoon was te doen, plotseling wel eene quinte hooger, en klonk het helder en duidelijk, zoodat iedereen hem kon verstaan: »van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» Hij zei altoos veers en nooit vers; waarom hij dat deed, weet ik niet.
»Ik herzeg: van den twee en veertigsten psalm, het eerste veers.» En nu begon hij op een galmenden toon, dien niemand mooi vond, het opgegeven vers voor te lezen. Ik zat gereed om te gaan spelen, dat spreekt vanzelf, en de orgeltrapper was evenzoo op zijne post. Jan stond achter mij, om te zien wat ik deed. Zoodra de voorzanger geëindigd had, speelde ik mijn preludium, wat heel goed ging, trok daarna eenige registers uit en speelde het koraal, waarmede de gemeente instemde. Jan, die anders altoos uit volle borst meêzong, scheennu geen zingenslust te hebben, althans hij deed niet mede, en het scheen mij toe, dat hij zuchtte.
Eerst beefde ik wel een beetje, toen ik begon te spelen, maar dat bedaarde spoedig en ik gevoelde mij verder goed op mijn gemak. Het ging dan ook tot het einde toe zeer goed.
Nu las de voorzanger een gedeelte uit den bijbel voor, en toen nam de dominee, die onder het zingen den kansel beklommen had, het woord.
Spoedig werd het tweede gezang opgegeven. Ik speelde het zoo goed, dat ik er niet aan twijfelde, of er zouden maar weinig menschen zijn, die opmerkten, dat de gewone organist niet tegenwoordig was. Dat stemde mij recht prettig.
Midden onder het gezang evenwel verdween plotseling al mijne vreugde, want de deur werd geopend, en zonder eenig gedruisch te maken trad Bob binnen. Dat vond ik flauw van hem. Hij wist, dat zijne tegenwoordigheid bij het orgel in het geheel niet gewenscht, ja, zelfs verboden was, en nu kwam hij toch. Wat moest nu de meester wel van mij denken, als hij het hoorde? En wat zou Pa zeggen, als ik thuis kwam? Want deze zou het ongetwijfeld wel te weten komen. En bovendien, welke dwaze dingen zou Bob misschien weer gaan uithalen, — want dat deed hij immers altijd?
Toch kon ik er niets aan veranderen. Hij was er nu eenmaal, en hoe moest ik hem tot heengaan bewegen? O ja, ik kon naar beneden gaan en den koster waarschuwen, maar dan zagen alle menschen mij; wat zou dat dus eene opschudding veroorzaken. Neen, ik kon erniets aan doen, en dat wist Bob wel. Juist daarom had hij zoo lang gewacht.
Hij kwam doodbedaard achter mij staan en keek naar mijn spel. Maar plotseling stak hij de hand uit, om ook een of twee toetsen neer te drukken, wat afschuwelijk geklonken zou hebben. Ik schrikte er van.
»Niet doen! — Niet doen!» riep ik hem haastig toe, en gelukkig was Bob zoo vriendelijk, dezen keer mijn zin eens te doen. Lachend trok hij zijne hand terug. Maar nu begon hij met zijn voet op het pedaal te drukken, wat mij duidelijk werd, daar de bas plotseling door eene onbekende oorzaak vreeselijk valsch begon te klinken. Ik onderzocht dadelijk, of ik mij ook vergist en een verkeerden toets neergedrukt kon hebben, maar dat was niet zoo. Mijn spel was goed. Toen ontdekte ik, dat Bob het deed, en weer fluisterde ik hem toe:
»Laat het dan toch, Bob. Je maakt me in de war!»
Wat was ik blij, toen ook het tweede gezang ten einde was. Ik maakte alles gereed voor het derde en wendde mij daarna tot Bob, die doodbedaard op een stoel was gaan zitten.
»Zoo,» zei ik zacht, maar daarom niet minder boos, »ben je daar toch?»
»Zooals je ziet,» zei Bob. »En ik ga niet weg ook, al kijk je me nog zoo nijdig aan.»
»Ik vind het leelijk van je, Bob — erg leelijk!» zei ik weer. »Als ik den koster roep, word je dadelijk weggestuurd.»
»Ja, dat weet ik wel, maar je haalt hem niet, Dorus.Doch wees nu maar bedaard, — ik beloof je, dat ik in het geheel geen kwaad zal doen en stil zal blijven zitten. Is het nu goed?»
Hij lachte mij vriendelijk toe, terwijl hij dat zeide. De oolijkerd wist wel, dat hij gelijk had. Ik draaide mij boos van hem af en ging voor mijne muziek zitten, om die nog eens door te zien.
Inderdaad hield Bob zich eenigen tijd zeer bedaard, zoodat ik volstrekt geen reden had, om ontevreden over hem te wezen. Toch deed ik nog net, of ik erg boos op hem was en bleef met mijn rug naar hem toezitten. Want ik wilde mij volstrekt niet met hem bemoeien, daar ik wist, dat hij direct de geheele hand zou nemen, als ik hem maar een vinger toestak. Ik wilde hem in het geheel niet aanmoedigen.
Na een klein kwartier echter begon de stoel, waarop hij plaats genomen had, verdachte geluiden voort te brengen en telkens geducht te kraken, wat mij het duidelijke bewijs was, dat Bob onmogelijk langer stil kon zitten.
»Nu zal het lieve leventje beginnen,» dacht ik, doch ik bleef op mijne muziek turen en verwaardigde hem met geen blik.
Het gekraak werd evenwel telkens erger, zoodat ik wel omkijken moest, en nu zag ik Bobje boven op de leuning zitten met zijne voeten op de zitting, en hij maakte allerlei leelijke grimassen tegen den ouden Potman, die hem heel boos zat aan te kijken.
»Bob, wees toch stil!» gebood ik, want ik twijfeldeniet, of men zou beneden in de kerk het leven kunnen hooren, dat hij maakte.
»Houd je kalm, Dorus,» zei Bob. »Kijk dien ouden Potman eens boos wezen! Ik geloof, dat hij me wel zou willen opeten.»
En weer begon hij grimassen te maken en op de leuning heen en weer te schommelen, zoodat de stoel er van kraakte.
»Bob, houd nu op en ga heen. Toe, asjeblief, Bob!»
Nu mijn dreigen niet hielp, begon ik hem te smeeken, want ik twijfelde niet langer, of hij zou me in groote ongelegenheid brengen. »Aanstonds breekt de stoel nog,» zei ik er waarschuwend bij. En nauwelijks had ik die woorden uitgesproken, of krak, krak! daar brak de leuning middendoor en viel Bob met een slag op den grond. Het bloed steeg mij naar het hoofd van den schrik en ik keek snel naar beneden, of de menschen in de kerk het hadden gehoord. Ja, een enkele zag even naar boven, maar daar het orgel boven de groote vestibule stond, had men er daar minder van gehoord, dan ik vreesde.
Toch had het gebeurde een gevolg, waarover ik mij zeer verheugde, want Bob had in allerijl het hazenpad gekozen; zeker vreesde hij, dat de koster naar boven zou komen.
Nu werd het zoo rustig boven als ik maar wenschen kon, want Jan van der Vliet zat doodbedaard op een stoel achter mij te luisteren naar de preek van den dominee, hetgeen ik nu ook ging doen. Want tot nog toe had mijn vriend Bob mijne aandacht daar totaal vanafgeleid. En de oude Potman ging, als gewoonlijk, zijn slaapje doen. Bob was nog geen drie minuten weg, of de oude man zat al te knikkebollen.
Het duurde echter maar kort, of ik hoorde iemand met groot gedruisch de trap afklimmen, die naar den toren voerde. Dat moest Bob wezen, het kon niet anders. Zeker was hij weer naar het uilennest wezen kijken. Maar hoe kwam hij er nu toch toe, om zoo hard naar beneden te komen stormen? Hij wist toch, dat er kerk was? Of wilde hij mij met voordacht in ongelegenheid brengen? Dat vond ik slecht van hem.
Daar werd de deur driftig opengeworpen en kwam Bob met niet weinig gedruisch binnenstappen. Zijn gelaat was hoogrood gekleurd en hij maakte ontzaglijk veel leven. Blijkbaar was hij zoowel den dominee als alle kerkgangers vergeten.
»Ssst! Ssst!» fluisterde ik hem toe, met mijn vingers tegen den mond.
»Jan, ga mee! Dorus, jij ook!» zei hij gejaagd. »Ik heb het geld gevonden van den diefstal, — al het geld!»
In een oogwenk stonden wij naast hem, en Jan werd doodsbleek.
»Het geld! — Van den diefstal?» stamelde hij. »Spot er niet mede, Bob, want dat zou laag en laf wezen.»
»Ik spot niet! Gerust niet! Gaat maar mede. ’t Ligt boven in den toren, onder het uilennest, je weet wel, dat nest, dat we onlangs hebben gevonden. Komt, dan zal ik het je wijzen!»
Bob ging ons voor, en zonder meer aan het orgel tedenken volgde ik hem. Dat ook Jan naar boven ging, behoeft niet te worden gezegd.
Halverwege de trap dacht ik echter aan het derde gezang, dat nu volgen moest, maar naar mijne berekening was het daarvoor nog te vroeg. Ik zou toch spoedig weer naar beneden komen, maar eerst moest ik dat geld eens zien.
Vlug klommen wij de trap op. Wij gingen de klok voorbij, die regelmatig tikte, en hadden weldra het nest bereikt.
»Kijk, — hier onder!» zei Bob. »Zie je wel, dat de eieren er nog precies zoo liggen als toen? De vogels zijn ongetwijfeld gestoord door den dief, want zie maar, hier ligt het geld!»
Bob lichtte nu het nest op, en waarlijk, — daar lag het gestolene; een briefje van zestig gulden, een van veertig, en zeven gouden tientjes. Alleen de drie gouden tientjes, die bij Van der Vliet onder de deur door geschoven waren, ontbraken er aan. En bovendien lagen daar nog eenige honderden postzegels van verschillende waarde, zoodat wij niet behoefden te twijfelen, of dit het geld van den diefstal was.
Jan schreide en lachte tegelijk. De goede jongen was geheel in de war.
»Daar is het! Daar is het!» juichte hij. »Nu zal de onschuld van mijne ouders aan het licht komen. O Bob, dat heb ik aan jou te danken!»
»Maar wat moeten we nu doen?» vroeg Bob.
»Alles precies laten liggen, zooals het ligt, en dadelijkden burgemeester gaan waarschuwen,» zei ik. »En spreek er tegen niemand......»
Maar eensklaps bestierven de woorden mij op de lippen, want — daar klonk mij plotseling gezang in de ooren. Eerst begreep ik niet, wat er gebeurde, maar weldra ging mij een licht op. ’t Was kerkgezang — en dat nog wel zonder orgelbegeleiding. Door de verrassing van het gebeurde, had ik het orgel vergeten, en nu — was het te laat!
Van schrik kon ik niet spreken, en met open mond staarde ik mijne beide vrienden aan.
»Mooi zoo, Dorus!» zei Bob. »Dat ziet er pleizierig voor je uit. ’t Is zeker het derde gezang?»
Ik knikte toestemmend en kreeg de tranen in de oogen, tranen van spijt en berouw. Zonder een oogenblik langer te dralen ijlde ik naar beneden, naar het orgel, — maar wat kon ik er doen? De menschen zongen reeds onder leiding van den voorzanger, en ik kon onmogelijk zoo maar invallen. Potman keek mij aan en schudde bedenkelijk met het hoofd. Hij vond mij zeker erg slecht.
En ik — schreide tranen van verdriet.
Nu werd de deur geopend en trad Pa binnen. Hij had de kerk onder het zingen verlaten, en kwam kijken, wat er gebeurd was.
Zijn gelaat stond zeer ernstig.
»Waarom speel-je niet, Dorus?» vroeg hij.
Vol schaamte hield ik mijne oogen op den grond gericht, maar ik antwoordde niet.
»Waarom speel je niet, Dorus?» herhaalde Pa zacht, maar dringend.
»Ik was er niet, Pa.»
Ik zag, dat mijn antwoord Pa bedroefde.
»Dat spijt me van je, Dorus!» zei hij zacht. »Dat spijt me meer, dan je wellicht vermoedt. Ik vertrouwde je zoo geheel, Dorus.»
Ach, wat speet het mij, Pa zoo teleurgesteld te hebben.
»Waar was je dan?» vroeg hij even later.
»Pa, ik was in den toren. Bob......»
»Bob? Ik had je immers verboden, jongens mede te nemen? Dorus, — Dorus! Wat val je me tegen.»
»Ik heb hem niet meegenomen, Pa!» zei ik schreiende. »Hij is zelfs gekomen ondanks mijn verbod. En ik kon hem niet weg krijgen.»
»En wat moest je in den toren doen? Het was je plicht hier te blijven. ’t Is niet alleen stout van je geweest, maar ook dom, erg dom, Dorus.»
»Ach Pa, u weet alles niet. Bob was in den toren gegaan, en daar heeft hij al het geld gevonden en de postzegels, die bij mijnheer Valk gestolen zijn. En toen hij ons dat kwam zeggen, zijn Jan en ik met hem naar boven geklommen, om het te zien. En Pa, toen — toen was ik het derde gezang vergeten, — ik dacht er in het geheel niet meer aan, totdat ik opeens hoorde zingen.»
»Het geld gevonden en de postzegels?» zei Pa, die een en al verbazing was. »Dat zeg je immers?»
»Ja, Pa.»
»En waar zijn die jongens nu?»
»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieftdadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»
Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
»Jij blijft hier op je post, — begrepen, Dorus?»
»Ja, Pa.»
Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van zijne predikatie.
Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.
»Wees maar niet bang, Dorus, ’t zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschenover het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het mij bevolen.»
En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.
Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.
Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.
Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, omnog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor eenigen tijd ontdekt hadden.
»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.
»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.
Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout vergaf.
Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker verstopt.»
»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar weet je immers niets van?»
Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de burgemeester.
»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob. »Arie de Zwaan — o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren in den steek lieten.»
»Zoo, — hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jeluimoet van middag om één uur bij me op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»
»Ja burgemeester.»
»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene zal ik meênemen.»
Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag, vroeg hij:
»Wat is er in den toren te doen, jongens?»
»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat ziet hij bleek!»
En luid antwoordde hij:
»In den toren? Op dit oogenblik niets.»
Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist naar buiten komen.
De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne gejaagde bewegingen zien.
De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u gevangen.»
Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagenhoe Arie’s tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt, laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»
Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote vreugde hebben geheerscht!