Vierde Hoofdstuk.

»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt niet, of zij iets kwaads in den zin had. ’t Is alleen maar zoo buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in het schuurtje bracht.»

»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een kwartier waag ik het weer.»

Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te ondernemen.

Eindelijk ging Bob.

Weer klonk in den tuin zijn signaal, — weer sprong hij over de sloot en sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles veilig was. Ik nam het terrein op en — zweeg, want alleen in geval van nood zou ik mijn signaal doen hooren.

Wip! — daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna op zijn buik over den grond.

Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen, tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechtszoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het schuurtje.....

O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging snel open en daar verscheen plotseling de vijand — Mina.

Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij mislukte van den schrik.

Mina ijlde naar het schuurtje!

Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.

Mina had de deur bereikt.

Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een oogenblik en hij zou gered zijn.

Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel voor.

Bob was gevangen.

Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo’n akelige meid!

In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.

Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen maar, hoe dat gedaan moest worden.

Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.

Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild enging op weg naar Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind. Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.

Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.

»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.

»Zoo Karel! Al terug?»

»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»

»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten in het schuurtje van den dokter.»

»Bob opgesloten? — In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»

»Mina, de meid.»

Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.

»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin, dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten.»

»Juist, Karel, precies mijn idée, — maar hoe?»

»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbeldewas Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»

»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden wij maar eene boodschap!»

»Ja, maar die hebben we niet. — Maar wacht eens — ha, daar bedenk ik wat. Je weet, dat Pa van ’t voorjaar zoo lang ziek geweest is en geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?»

»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»

Nu — en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat nu te doen.»

»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt eene leuke historie, Karel!»

»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»

Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.

Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze wegen scheidden.

»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren. Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»

»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkanderkunnen hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.»

»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in. Voorzichtig, hoor!»

»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»

»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»

»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je kunt.»

»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»

Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo noodlottig geworden was.

Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd, namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te bellen, en door Bob uit het schuurtje.

Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om mij heen.

Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof den grendel weg, en opende de deur.

Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand. Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.

»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg op.

Ik ijlde hem vooruit.

O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en die muts op, en dan op stelten.

Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos, toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.

»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!»

Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.

Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.

Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug. Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigdwas, dat hij toch veel harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord toe te voegen.

Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.

»’t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd, dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!»

Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappelen daarna voor visch speelt.

Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede te spelen.

Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij zeide.

Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen, was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep, weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden: Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.

Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.

Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan, met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.

Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.

»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.»

»’t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg geplaagd.»

»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos buiten het geheim. Nu weet ik wel, datwij ook zulke erg brave jongens niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, — en dat deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we het nooit nalaten.

»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede.

»Goed nieuws?» klonk het terug.

»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg te komen, ’s middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het hagdloopen op stelten.»

»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na. Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.

»’t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon.

»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond.

»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik bennog niet uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»

»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»

»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, maag niet in een fgaaien band.»

»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»

»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag — ik behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed beggepen?»

»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten lachen.

»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk Langeraar aan Bob.

»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag alles vgagen, hoog kegeltje?»

»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»

Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.

En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de Zaterdag was gewoonlijkzijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar twijfelde hij ook niet aan.

Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.

»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.

»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.

»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem gedaan?»

»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij wat hij gedaan had.

»Zoo’n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker, Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt. ’t Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.»

»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het hardst steltloopen?»

»Goed!» zei ik.

Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.

»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.

»Ja — laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd. Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huibde Leeuw met Arie Kooi, Dirk Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»

Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen. De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!

Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.

»Hè-hè!»

»Au! Ga toch weg!»

»Rijs op, zeg ik je!»

»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»

»Ik stik! Ik stik!»

»Au, mijn arm!»

»Mijne beenen breken!»

»Je zit op mijn rug!»

Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder bovenwonder, niemand van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen een steen terecht gekomen.

»’t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. ’t Doet me anders wel pijn.»

Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.

»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.

»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.

»’t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij allen nadoen, net als de schapen.»

»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.

»Ja, overdoen! Overdoen!»

»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.

»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen.»

Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk de prijzen wel zouden winnen.

»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.»

»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is toch de hoofdzaak.»

»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik.

»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummerstrekken, zoodat zij tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei Huib de Leeuw.

»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob.

»Ja, — wat dan?»

»Verstoppertje?»

»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?»

»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde. Is dat afgesproken?»

»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel, — over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.»

Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.

Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten, dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten eerder dan hij den boom tebereiken, waardoor wij het recht verkregen, bij het volgende spel weer schuil te gaan.

Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd, om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd. Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende schuilhoeken te vinden.

Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden, kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem, zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om zich een pad door die lastigeplanten te banen. Bob had dit wel gedaan, maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens gevonden had, zei hij tot de andere jongens:

»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.»

»Ga kijken, — dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht. Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland door den rijstebrijberg.

»Welnu, — denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een overmoedig lachje.

»Ik weet het niet, Karel, maar — jij liever dan ik!» zei ik lachend.

»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit, daar gaat hij!»

En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in. Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan teheffen, zoodra wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong en wij hem hoorden roepen:

»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt om te zoeken. Jou slimme rot!»

Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van het boschje.

»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!»

»’t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun je de pret.»

»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.»

Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te verliezen.

’t Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was Cor Valk de zoeker.

En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij dacht, stellig nooit zoeken zou. ’t Was wel eene gewaagde, ja, zelfs zeer gewaagde onderneming van hem, maar — het gevaar dat hem dreigde van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg niet was.

Welk plaatsje had hij dan gevonden?

De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit, om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.

Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naarbinnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.

Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was, had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk te kunnen ondernemen.

Hij deed het dan ook.

Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.

Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden, want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.

»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, — laat ze nu maar zoeken. Dit isnog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen, zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze zich hier bevinden. ’t Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een wreede dood is. — O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in zijne kaar zat, — wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, — natuurlijk, maar — enfin, ’t doet er niet toe, want hij weet er niets van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!»

Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje zich naar den waterkant begaf, — wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel gewaarschuwd hebben, — maar wij wisten er niets van, want wij zaten rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.

Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet; hij dacht aan geen gevaar.

Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over.

»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet, met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»

»Neen, de Veer, ik dacht.....»

»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor je doen.....»

»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»

»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»

»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......»

»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»

»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van en ik zal de schade wel betalen.....»

»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek met me laat steken? ’t Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; ’t is bepaald grappig, ’t is vermakelijk!»

»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij, asjeblieft!»

»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een lus, en dan zijn we klaar.»

Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De kaar zat stevig in elkander.

»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!»

Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te kunnen worden.

»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast, hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten! Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat vergeet ik mijn leven lang niet!»

»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe, laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal doen.»

»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?»

»Dat ook niet, — och toe, ik....»

O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog.De schoenmaker zette haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk met de beenen omhoog.

Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.

Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen te gelijk om hulp hoorden roepen.

»Help! — Help! — Moord! — Moord!» gilde hij.

»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij zullen den brand wel blusschen. Een, twee — hoepla!»

Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.

Och, och, wat lachte die schoenmaker.

Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed niet anders dan lachen, — lachen zonder ophouden.

»Help! — Ik — verdrink! — Help — O — o! Help!» Bob kroop ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.

»O, — help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik.... brrr!

Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er weldra een groote oploop ontstond.

Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op het droge te trekken.

»Toe, Jaap, nu is ’t genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu straf genoeg gehad.»

»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar.

»Zoo’n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de omstanders lachend den schoenmaker toe.

»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»

»’t Bevalt hem er niet!» riep een ander.

»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»

»Toe man, haal er den jongen nu uit! ’t Is nu mooi genoeg, toe!»

»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de gaatjes in alle richtingen wegvloeide.

Vrouw de Veer deed de wervels los — en daar wipte Bob er uit, onder luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren. Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het volk heen, — naar zijn huis toe.

Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst op zijn gelaat.

Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij nooit vernomen.

Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen ik ’s avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had gehad.

Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof totspreken en voor de Van der Vliets ook veel stoftot treurigheid gaf.

De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis. Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst, maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.

Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.

’t Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare lijfspreukwas steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven. Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen, staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij bijna zoo rijk werd als een koning.

Wel een paar minuten bleef zij zoo onbeweeglijk op hare knieën voor het geld zitten, zonder het aan te raken, maar toen begon zij langzamerhand tot kalmte te komen. Zij raapte de geldstukken op en riep:

»Kees! — Kees! —»

Een dof gebrom uit de bedstede was het eenige antwoord.

»Kees! — Kees dan toch!» herhaalde zij met verheffing van stem. »Kees! Word dan toch wakker! Kijkeens, wat ik hier gevonden heb. — Een schat, Kees, drie gouden tientjes!»

»Hé? — Wat?» vroeg Kees, die bij het hooren van die woorden geheel wakker werd en zijn geslaapmutst hoofd tusschen de bedgordijnen doorstak. »Gevonden? Drie gouden tientjes? Maar dat is onmogelijk, Trijn, dat kan niet.»

»Kan dat niet? Kijk dan maar eens hier, op mijne hand, daar liggen ze. Drie echte, gouden tientjes, wat ik je zeg!»

In een wip was Kees nu zijn bed uit. Haastig trok hij zijne kousen en wat kleeren aan, en zeide:

»Waarlijk! Dat zijn drie gouden tientjes! Geef eens hier, Trijn, laat eens hooren, of ze echt zijn. Er is tegenwoordig zooveel bedrog in de wereld, dat je haast niet te voorzichtig kunt wezen. Geef ze eens hier.»

Trijn gaf ze aan haar man en deze liet ze van eene tamelijke hoogte op de tafel neervallen, waar ze met zulk een helderen metaalklank op neerrinkelden, dat Jan van het ongewone geluid wakker werd. Dat ook hij niet weinig verbaasd was, behoeft niet te worden gezegd.

In geuren en kleuren vertelde Trijn, hoe zij aan het werk was gegaan, precies zooals ze altoos gewoon was te doen, eerst de kopjes, toen de tafel, en daarna den vloer eene beurt gevende, tot zij plotseling het geld voor de deur vond liggen, blijkbaar door de hand van een weldoener, die onbekend wenschte te blijven, daar onderdoor geschoven.

»Ja vrouw, dat mag-je zeggen: een weldoener, wienwij niet dankbaar genoeg kunnen zijn. O, als ik wist wie hij was, ik ging dadelijk naar hem toe, om hem te bedanken voor zulk eene milde gift, die ons tot allerlei dingen in staat stelt, waarover wij vroeger wel eens mochten denken, maar waartoe wij nooit konden komen, omdat wij te arm waren. Nu gaan wij een winkeltje beginnen, Trijn.»

»Een winkeltje? Dunkt je dat, Kees?»

»Ja, een winkeltje, zeg ik. O, Trijn, wat heerlijk. Nu kan ik toch ook wat gaan verdienen, als jij uit werken bent, want er moet toch iemand zijn, die op den winkel past. Ik kan je niet zeggen, hoe het mij altoos tegen de borst heeft gestuit, dat jij eigenlijk den kost voor ons allen moest verdienen, Trijn, en dat ik altoos maar werkeloos moest blijven toezien, hoe jij je aftobde. Maar daar komt nu een einde aan. Voortaan zal ook ik geregeld mijn werk hebben, en als Jan van school gaat, dan kan hij gaan venten. Van zelf komen de klanten niet naar je toe, we moeten ze geregeld bezoeken. O Trijn, nu zullen voor ons de goede dagen eindelijk ook gaan komen.»

Trijn antwoordde niet. Zij stond in gedachten verzonken. Eindelijk zeide ze:

»Ja Kees, dat is alles goed en wel, en ’t is een mooi idée van je, maar zie je, ik kan me maar niet begrijpen, wie het toch kan zijn, die ons zulk een groot cadeau geeft. Als er maar niet iets slechts achter schuilt. Nu ik er goed over ga nadenken, is het me precies, of we dat geld eigenlijk niet moesten aannemen. Ik ben er niet geheel en al gerust over.»

»Niet gerust? — Niet aannemen?» vroeg Kees vol verwondering. »En waarom zouden wij het niet aannemen? ’t Is ons toch gegeven en we hebben het niet gestolen!»

»Ja, dat is waar.»

»En toen er den vorigen winter op een avond aan de deur geklopt werd, en wij bij het opendoen niets vonden dan eene mand vol levensmiddelen, die daar was neergezet, hebben wij toen een oogenblik getwijfeld, of wij dat wel zouden aannemen? Ik weet nog best, hoe blij je toen waart, Trijn.»

»Geen wonder! We hadden ook geen kruimel meer in huis. En die mand werd ons thuisbezorgd.»

»Juist, — ’t ging er precies mede als met dit geld. Een of ander weldadig mensch heeft het in alle stilte onder de deur doorgeschoven, wel wetende, dat wij het van morgen zouden vinden. Wie weet, of het niet van denzelfden gever komt, als die mand met levensmiddelen.»

»Ja moeder,» zeide Jan, »of als dat lekkers, dat ons op St. Nicolaasavond door een onbekende werd thuisgezonden.»

»Jelui hebt gelijk,» zeide Trijn hoofdschuddend. »Toch zou ik er voor zijn, er in elk geval den burgemeester kennis van te geven. ’t Is zoo’n groote som.»

»Voor òns is het eene groote som, dat is waar, maar wie weet, welk eene kleinigheid het voor den gever is, wie weet, over hoe grooten rijkdom hij te beschikken heeft. Neen, Trijn, ik ben er juist voor, om er tegen niemand van te spreken, en — —.»

»Dus geheim houden?»

»Juist, als niemand het weet, kan niemand het er ons lastig over maken. ’t Is eene eerlijke zaak, waar niemand mede noodig heeft. Wij huren een huisje dat geschikt is, om er een winkeltje in op te zetten, en slaan voor dit geld onzen noodigen voorraad in. Je zult zien, Trijn, hoe aan onze armoede nu een einde komt.»

»Nu, ’t is mij goed, — hoewel ik er toch eigenlijk in mijn hart geen vrede meê heb. Wie zou ons dat geld nu toch geschonken hebben? Ik kan het mij maar niet begrijpen! Dertig gulden! ’t Is toch waarlijk geen kleinigheid, om die zoo maar weg te geven.»

»Ja vrouw, ’t is een raadsel, waarvan wij de oplossing niet weten. ’t Zal echter wel eenmaal uitkomen, wie zoo goed voor ons geweest is, daar twijfel ik niet aan.»

»Wist ik het maar, Kees, dan zou ik mij veel rustiger gevoelen. ’t Is me nu precies, of er met dit geld iets is, dat niet richtig is.»

»Gekheid! Dwaasheid, Trijn. Omdat het zulk een rijk cadeau is, maakt ge je zenuwachtig en angstig, doch geloof maar gerust, dat het voor ons bedoeld is. Hoe zou het hier anders in huis komen?»

»Ja, ja, — dat is waar; ik kan er niets tegen inbrengen.»

»Dus we zullen er tegen niemand over spreken? Jan, jij houdt je ook stil, hoor!»

»Ja, vader.»

»Niemand behoeft er zijn neus in te steken, zeg ik maar; en ’t is niet noodig, dat het heele dorp er zich mede bemoeit. De menschen babbelen altijd zooveel,veel meer, dan ze verantwoorden kunnen, — en dat is nu niet noodig. Wat niet weet, deert ook niet.»

Met dit laatste stopwoord maakte Kees van der Vliet een einde aan de zaak. Het geld werd opgeborgen in een klein doosje, dat in de linnenkast werd gezet, en moeder Trijn ging met hare bezigheden voort. Dat de rijke vondst evenwel geen oogenblik uit hare gedachten was, en dat zij er onophoudelijk met haren man over sprak, behoeft niet te worden gezegd. En wat al plannen voor de toekomst werden er gesmeed, wat al luchtkasteelen gebouwd!

Helaas, op hoe droevige wijze zouden al die illusien worden verstoord, en hoe zou de vreugde dezer arme lieden weldra verkeeren in droefheid. Hadden zij maar dadelijk van hunne vondst kennis gegeven aan den burgemeester, zooals Trijn dat had gewild, wat zouden zij dan voor veel ellende gespaard zijn gebleven, die nu hun deel werd.

Want er was dien nacht in het dorp diefstal gepleegd. ’s Morgens om elf uur, toen de kerk uit was, ging het gerucht daarvan als een loopend vuurtje door het dorp rond.

’t Zal ongeveer half tien in den morgen geweest zijn, toen de Heer Valk, de directeur van het post- en telegraafkantoor, zijne woonkamer verliet, om zich naar het kantoor te begeven. Eerst ging hij nog een oogenblik in den tuin, om wat frissche lucht te happen, zooals hij dat noemde, hetgeen hij bij goed weêr elken morgen gewoon was te doen. Na eenige oogenblikken rondwandelensechter werd zijne aandacht getrokken door het zijraam van het kantoor, dat half openstond, iets wat op dezen tijd van den dag nooit het geval was. Er was nog niemand op het kantoor aanwezig, dus òf hij moest het den vorigen dag vergeten hebben te sluiten, òf er had zich iemand toegang tot het kantoor verschaft, door het raam open te schuiven. Indien deze laatste veronderstelling juist was, moest er gestolen zijn.

De Heer Valk spoedde zich dus naar binnen en vroeg in het voorbijloopen aan Geertje, de meid:

»Ben je van morgen al in het kantoor geweest?»

»Neen, mijnheer.»

»Weet je het zeker?»

»Ja mijnheer, zoo zeker als twee maal twee vier is.»

Daarna opende hij de deur van de woonkamer, en vroeg aan zijne vrouw:

»Lize, ben jij al op ’t kantoor geweest van morgen?»

»Neen, waarom vraag je dat?»

»Omdat het zijraam opengeschoven is. Jij dan, misschien, Cor?»

»Neen pa, ik ook niet.»

»Dan is de zaak niet in orde!» riep de Heer Valk, terwijl hij zich met groote schreden verwijderde. Zijne vrouw en Cor volgden hem op den voet.

Hij ontsloot de kantoordeur, waarvan hij den sleutel altoos bij zich droeg, en genadige hemel, — ja, een enkele blik was voldoende om hem te overtuigen, dat zijn vermoeden juist was geweest. Er moest een dief geweest zijn. Het raam was opengeschoven, de slotenvan zijn bureau waren geforceerd en een ijzeren geldkistje, dat daarin geborgen was geweest, was met geweld opengebroken. Het geld daaruit was verdwenen!

Half verbrande lucifers lagen over den vloer verspreid, en uit enkele vetdruppels kon men opmaken, dat de dief zich van een eindje vetkaars had bediend.

»Wel verschrikkelijk!» riep mevrouw Valk uit. »Wie kan dat nu toch gedaan hebben? Hoeveel geld is er gestolen, Eduard? Toch niet veel, hoop ik?»

»’k Weet het niet, maar ik zal het even nazien,» antwoordde de directeur, die doodsbleek zag, binnensmonds. »Wie had dàt nu ooit kunnen denken! Zoo’n brutale dief. Wacht, hier is het boek. Laat zien: honderd, tien, twintig, dertig, en dertig is zestig en veertig — ’t is precies twee honderd gulden. Ja juist, nu herinner ik het mij: ’t is twee honderd gulden, waarvan tien gouden tientjes, een bankje van zestig en een van veertig.»

»Kijk pa, de postzegelkast is ook opengebroken.»

»Waarlijk, — dat ook nog! Dat moest er nog bijkomen! Zie eens aan, er is geen zegeltje overgebleven. Ook nog eene schade van een vijftig gulden ongeveer. Dat is een fraaie geschiedenis!»

»’t Is verregaand brutaal!» zei mevrouw, terwijl zij de handen van verbazing in elkaar sloeg. »Ik zou dadelijk om den burgemeester sturen, lieve. Er moet direct werk van deze zaak gemaakt worden.»

»Dat is waar, — je hebt gelijk. Toe, Cor, ga dadelijk naar den burgemeester en verzoek hem hier te komen. Maar spreek tegen niemand een woord, van hetgeen hiervoorgevallen is, begrepen?»

»Ja, pa!»

»En vlug, — als de wind, hoor!»

»Ja, pa!»

Cor vloog naar den burgemeester, en dat deze niet weinig ophoorde van hetgeen hij vernam, kan ieder begrijpen als ik vertel, dat er al sedert vele jaren iets dergelijks in ons dorp niet was voorgevallen.

Hij begaf zich onmiddellijk met Cor naar het postkantoor, waar de directeur en zijne vrouw nog, doodsbleek van ontsteltenis, bezig waren, alle laden en kasten na te zien. Het bleek hun, dat alles van waarde verdwenen was, terwijl daarentegen de waardelooze papieren wel doorgesnuffeld maar verder ongeschonden gebleven waren.

Dadelijk begon de burgemeester, geholpen door den directeur, een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar hetgeen er gebeurd was, wat hij alles uitvoerig opschreef. Toen hij daarmede gereed was, vroeg hij:

»En zeg mij nu eens, mijnheer Valk, wien verdenkt gij nu eigenlijk van dezen diefstal? Of hebt gij tegen niemand eenig kwaad vermoeden?»

»Neen, burgemeester, tegen niemand. Ik zou werkelijk niet weten, wien ik noemen moest. Een klerk heb ik niet, en onze dienstbode is de eerlijkheid in eigen persoon. Zij kan het niet gedaan hebben. Trouwens, u kunt u daarvan persoonlijk overtuigen door haar te ondervragen. Zij is op dit oogenblik nog geheel onbekend met hetgeen er gebeurd is. Hoor, zij zingt in de keuken als een lijster.»

»Dat hebben er meer gedaan, die bij slot van rekeningtoch schuldig bleken te zijn. Vergun mij, dat ik haar een oogenblik ga spreken.»

De burgemeester verliet het kantoor en begaf zich regelrecht naar de keuken, waar Geertje bezig was met koffie malen. Zij zong daarbij het hoogste lied.

Maar zoodra de burgemeester binnenstapte, op wiens komst zij allerminst voorbereid was, hield zij dadelijk met zingen op, en stamelde met een verlegen lachje:

»Gut, mijnheer de burgemeester, komt u in de keuken? Mijnheer en mevrouw zijn in de kamer, geloof ik, dus als u ze spreken wil....»

»Neen, meisje, ’t is mij om u te doen!» sprak de burgemeester op gestrengen toon, terwijl hij haar diep in de oogen keek. Maar Geertje keek hem zoo onbevangen aan, dat hij dadelijk overtuigd was van hare onschuld.

»Om mij?» vroeg zij: »Wat is er van uw dienst, burgemeester?»

»Waar ben jij van nacht geweest, meisje?»

»Van nacht?» vroeg Geertje lachend, want zij scheen die vraag zeer grappig te vinden. En op vroolijken toon liet zij er op volgen: »Wel, op bed, burgemeester! Waarom vraagt u dat aan me?»

»Omdat er dezen nacht hier in het kantoor ingebroken en gestolen is, Geertje!» zei de burgemeester.

»Ingebroken! — Gestolen!» riep Geertje doodsbleek uit. »Wel, verschrikkelijk!»

En zonder een oogenblik langer om den burgemeester te denken, verliet zij de keuken en ijlde naar het kantoor, waar zij, louter van ontsteltenis, luid begon te schreien.Het kostte mevrouw zelfs niet weinig moeite, haar tot bedaren te brengen.

De burgemeester twijfelde nu geen oogenblik langer aan hare onschuld. Na enkele minuten verzocht hij haar zich weer naar de keuken te begeven, en zeide, toen zij vertrokken was:

»Zij is beslist onschuldig.»

»Zooals wij u reeds vooruit gezegd hebben,» viel mevrouw in. »Neen, wij moeten den dief ergens anders zoeken.»

»Dat merkt u terecht op, mevrouw; wij moeten hem ergens elders zoeken. Heeft u gisteren misschien andere menschen in uw dienst gehad?»

»Gisteren? — Neen, — o ja, toch, kreupelen Kees en zijne vrouw; hij heeft den tuin opgeknapt, en zij werkt hier geregeld elken Zaterdag. Maar dat zijn ook doodeerlijke lieden, die tot diefstal, en dan nog wel gepaard met inbraak, allerminst in staat zijn.»

De burgemeester was dat blijkbaar niet geheel met haar eens, want hij zeide:

»Zoo, — Kees van der Vliet en zijne vrouw. Ja, dat zijn wel eerlijke lieden, maar toch — iemand moet het gedaan hebben, niet waar? Wanneer wij den dief willen snappen, schijnt het mij noodzakelijk toe, van niemand te denken, dat hij eerlijk is. Die menschen hebben immers geen gelegenheid gehad, zich hier gisteravond te laten insluiten?»

»O neen,» zei mijnheer Valk op beslisten toon, »daar is geen sprake van. Zij zijn geen van beiden in hetkantoor geweest en ik heb het zelf gesloten. Bovendien schijnt het mij bespottelijk toe, die menschen van diefstal te verdenken.»

»Dat heeft u geheel en al mis, mijnheer Valk. In politiezaken is eene dergelijke gedachte in het geheel niet bespottelijk. Kan de brievenbesteller zich wellicht hebben laten insluiten? Of is er misschien iemand anders nog laat in het kantoor geweest?»

»De postlooper komt hier nooit binnen, dan in heel enkele gevallen. Gisteren is hij niet verder geweest dan de deur. En bezoek heb ik niet gehad dan alleen van Arie de Zwaan, den neef van den koster, die hier alle avonden komt vragen, hoe laat het is. Zooals u weet, houdt de koster de kerkklok steeds gelijk met den tijd van het kantoor.»

»Zoo, — ja, juist, dat weet ik. Nu, wat dien Arie de Zwaan betreft, hem zou ik voor eene daad als deze niet te goed houden, — en u?»

»Ik ook niet, burgemeester. ’t Is, geloof ik, een jongmensch, dat nergens te goed voor is. En nu ik mij goed bedenk, herinner ik mij, dat hij nog een poosje bij mij binnen is geweest, en dat wij een kwartiertje met elkaar hebben staan praten over koetjes en kalfjes. Het zal ongeveer acht uren geweest zijn, toen hij vertrok.»

»Kan u mij nog meer inlichtingen geven?» vroeg de burgemeester. »U moet wel bedenken, dat van de kleinste kleinigheid soms het vinden van den dief kan afhangen.»

»Ik heb u verder niets te zeggen.»

»Dan is mijn werk hier afgeloopen. Ik geloof, dat hetmijn plicht is, eerst een onderzoek in te stellen bij Kees van der Vliet en daarna bij Arie de Zwaan. En het zou mij niet verwonderen, als ik den dief vandaag nog snapte. Mevrouw, uw dienaar! Adieu, mijnheer Valk!»

Met eene buiging en een handdruk verliet het hoofd der gemeente de woning.

Onmiddellijk daarop was de burgemeester, vergezeld van Tip, den veldwachter, naar het huisje van Kees van der Vliet gegaan, die met zijne vrouw aan de tafel zat. Zij dronken koffie, en waren bezig plannen te maken over hetgeen zij zouden doen met de gevonden goudstukken. Ook Jan was thuis, en Zus speelde op den grond. Zoodra Trijn de beide mannen zag naderen, werd zij zoo wit als een doek en begon zij te beven over al hare leden. Van den diefstal hadden zij nog niets vernomen.

»Daar is de burgemeester met den veldwachter,» zeide ze tot Kees. »O God, — daar heb je ’t al. Hadden wij het toch dadelijk maar gezegd!»

»Waarom? — Wij hebben het toch niet gestolen!» zei Kees binnensmonds. Maar toch verbleekte ook hij.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en traden de beide mannen binnen.

»Goeden morgen!» klonk hun groet kortaf.

Kees stond eerbiedig op en nam zijne pet af, die hij ook in huis steeds ophad.

»Goeden morgen, mijnheer de Burgemeester! Goeden morgen, Tip!»

Hij schoof twee stoelen bij de tafel, en vervolgde:

»Wil u niet gaan zitten?»

De burgemeester scheen die uitnoodiging niet eens te hooren. Hij bleef midden in de kamer staan en nam met scherpen blik het geheele vertrek in oogenschouw. Nu was daar niet veel in te zien, want behalve eene tafel, enkele oude stoelen, eene groote staartklok en twee bedsteden was er niets dan een eenvoudig geverfd linnenkastje, dat Trijn indertijd gekocht had, toen zij als dienstmeisje een klein spaarpotje had gemaakt. Op dat kastje bleef eindelijk ’s burgemeesters blik rusten, en het met den vinger aanwijzende, zeide hij tot den veldwachter:

»Tip, haal dat kastje eens leeg, en bekijk alles goed. Leg den inhoud hier uitgespreid op den grond.»

Tip begon reeds het bevel uit te voeren, toen Trijn een stap vooruit kwam, en zeide:

»Maar mijnheer de Burgemeester, dat lijkt wel huiszoeking. U denkt toch niet, dat we gestolen hebben, — dat we dieven zijn?»

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer de Burgemeester,» voegde Kees er bij, terwijl hij zich bij de linnenkast plaatste, alsof hij Tip beletten wilde, het ontvangen bevel uit te voeren.

»Wij zijn eerlijke menschen, mijnheer, die nog nooit iemand een cent te kort hebben gedaan.»

»En daarom durven wij gerust iedereen in de oogen zien, want wij hebben ons voor niets of niemand te schamen,» zei weêr Trijn, terwijl haar de tranen in de oogen kwamen.

»En nu deze schande te moeten ondervinden. Wat zullen de menschen wel zeggen, als zij het hooren?Wie had nu ooit kunnen denken, dat ik dìt nog eens beleven zou!»

»Doe wat ik je gezegd heb, Tip,» gebood de burgemeester. »En gij, goede menschen,» — vervolgde hij tot Kees en diens vrouw, »ik raad u aan, kalm en bedaard te blijven. Ik geloof inderdaad, dat gij eerlijke menschen zijt, en ben overtuigd, dat gij u voor niemand behoeft te schamen. ’t Is dan ook slechts toeval, dat ik juist bij u huiszoeking kom doen. Doch daarin steekt volstrekt geen schande. Integendeel, wanneer ik straks van hier ga, zonder te hebben gevonden wat ik zoek, is dat het duidelijkste bewijs, dat gij onschuldig zijt!»

»Maar wat is er dan toch gebeurd?» vroeg Trijn. »Want ik voel me in het geheel niet gerust, burgemeester. Nu u eenmaal hier is en dit onderzoek instelt, wil ik het u, — neen, kàn en ’màg ik het u niet langer verzwijgen, wat er van morgen hier gebeurd is.»

»Hier iets gebeurd?» vroeg de burgemeester. En tot Tip zeide hij:

»Niets dan kleeren; leg ze hier maar op den grond, en zoek bedaard verder. — En wàt is hier dan wel gebeurd, vrouw Van der Vliet?»

»Wel burgemeester, toen ik van morgen den vloer aanveegde, vond ik dààr onder de deur doorgeschoven, niet minder dan drie gouden tientjes, — hier, op deze zelfde plek, burgemeester, zoo waar als ik ’t u zeg.»

»Wat? — Hé, wat zegt u? — Drie gouden tientjes? En hebt ge die daar gevonden, op den vloer? Dat is al heel toevallig, moet ik zeggen.»

»Ja, mijnheer de Burgemeester,» zei Kees, »ik lag nog rustig te slapen, ziet u, omdat het Zondagmorgen was, want dan slaap ik altoos wat langer dan in de week, toen Trijn me wakker schreeuwde en me drie gouden tientjes liet zien, die ze daar gevonden had.»

»’t Is wel opmerkelijk, Trijn!» zei de burgemeester met een ongeloovig gezicht, daar het geheele verhaal hem wat onwaarschijnlijk klonk. »Er is dezen nacht inbraak gepleegd, gevolgd door diefstal, Trijn. Vind-je het nu zelf niet wat heel vreemd, dat hier drie gouden tientjes onder de deur doorgeschoven worden?»

»’t Is wèl kaseweel,» zei Kees hoofdschuddend. »Wonder kaseweel[1]. Dat moet ik zeggen.»

Doch Trijn begon te schreien. Zij was vrij wat schranderder dan haar echtvriend, en doorzag veel beter dan hij de treurige gevolgen, die deze zaak voor hen kon hebben.

»Zoek goed, hoor Tip. Me dunkt, dat we hier meer zullen vinden, dan we ons voorgesteld hebben.»

»Hier vind ik een klein doosje, burgemeester, weggestopt achter een stapeltje kleêren. Wil u het openen?»

»Geef maar hier.»

De burgemeester ontdeed het van het deksel, en ontwaarde de drie goudstukken, die Trijn daar enkele uren geleden ingelegd had.

»Ha, ha! Het raadsel begint opgelost te worden,» zei hij, terwijl hij Trijn scherp onderzoekend aankeek. »Dat had ik niet van u gedacht, vrouw van der Vliet; ik hebu altoos voor eene door en door eerlijke vrouw gehouden, niet in staat tot iets, dat slecht was. En moet ik nu bij u gestolen geld vinden? Kom, arme ziel, want ik heb medelijden met u, maak de zaak niet erger dan zij al is, en zeg mij de volle waarheid. Wie weet, wat ik dan wellicht nog voor u doen kan. Gij hebt het geld weggenomen, niet waar? Spreek de waarheid, vrouw, en bezwaar uw geweten niet door nog te liegen.»

Trijn barstte in zenuwachtig snikken uit, zoo hevig, dat het haar het spreken belette. Doch toen zij zichzelve meester geworden was, riep ze uit, terwijl ze hare rechterhand ophief, als om den hemel tot getuige te roepen:

»Zoo waarachtig als er een Heer in den Hemel is, ik ben onschuldig, mijnheer de burgemeester!»

Bij het hooren van die plechtige woorden barstte ook Jan in tranen uit, en toen Zus moeder en broeder zag schreien, verhief ook zij hare stem. ’t Was een treurig tooneel.

De burgemeester haalde de schouders op en gaf den veldwachter een wenk, met zijn onderzoek voort te gaan, wat deze dan ook deed.

Vrouw Van der Vliet viel op een stoel neder, bij de tafel, en bedekte haar gelaat met haar boezelaar.

»Ik ben onschuldig!» riep zij door hare tranen heen. »Ik ben onschuldig, zoo onschuldig als dit kleine kind! Maar u gelooft me niet, u luistert niet eens naar me. O, had ik het u toch dezen morgen maar dadelijk gezegd!»

Zij nam kleine Zus op haar schoot, en kuste haar.

»Arm, onschuldig kind, arme lieveling!» schreide ze.»Nu zullen ze je moeder nog van je weghalen en in de gevangenis zetten, — en wie zal er dan voor jou zorgen...»

»’t Zàl niet gebeuren! Moeder, ik zal.....»

Zoo riep Jan schreiend uit, terwijl hij zich met gebalde vuisten naast zijne moeder plaatste, als om haar te verdedigen.

»Stil, kind, stil! Wij kunnen er niets tegen doen. O, burgemeester, zoek toch maar niet langer, want gij zult niets meer vinden, dat bezweer ik u, dan de enkele stuivers, die Kees en ik gisteren bij mijnheer Valk hebben verdiend. Waarachtig, mijnheer, ’t is de waarheid — ik lieg u niets voor, niets —»

De kast was nu doorzocht, en de veldwachter begon nu de beide bedsteden te inspecteeren; daarna kwam de provisiekast aan de beurt, die al bijzonder weinig bevatte, en toen werd zelfs de groote klok doorzocht, maar tevergeefs; het overige geld werd niet gevonden.

De burgemeester deed nog eenmaal eene poging, om Trijn tot bekentenis te brengen, doch zij volhardde bij hetgeen zij gezegd had. Het geld had zij gevonden op den vloer van hare kamer, vlak bij de deur, en hare eenige fout was, dat zij er niet dadelijk kennis van gegeven had. O, had zij het maar gedaan.

Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen, doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste verslagenheid achterlatende.

Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht, er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en hem onaangenaam stemde.


Back to IndexNext