Zesde Hoofdstuk.

»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.

Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:

»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij Van der Vliet, burgemeester.»

»Ja, ik ook — maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»

»Juist burgemeester, — zou dat ook nu niet het geval zijn?»

[1]Casueel, bedoelde Kees.

[1]Casueel, bedoelde Kees.

Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde.Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pietereen kuil groef en er ten slotte zelf in viel.

Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging, zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze had het hem verteld.

Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen halven cent vertrouwen zouden schenken. ’t Was eene echte dievenfamilie, waarin geen greintje goeds stak.

Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op gestrengen toon:

»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden mag, nooit voorbarig in je oordeel. ’t Kan nog best uitkomen, dat die menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. ’t Is eene schande!»

Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar weinig menschen spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: »’t Is toch maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en ’t is maar goed, als ze achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»

Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich hebben geschaamd, vooral toen ’s middags zich veel meer wandelaars op hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was dientengevolge niemand te zien.

Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik ’s middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en wij waren er blij om, toen het ’s middags vrij erg begon te regenen, zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien hadden na zijnonvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.

Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden. En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens geducht te plagen.

Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open.

»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne Moe bij ons is komen logeeren. Bah, ’t is zoo’n vervelende jongen. Hij ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar niet lachen, hoor!»

Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen, toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet van Koorde.

»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit den mond der tante, »mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»

»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me niet kwalijk, als ’t u belieft.»

Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon statige dame was, die zoo recht als eenekaars op haar stoel zat. Zij scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne deftige moeder.

»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!» zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon.

»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan hij al deed.

Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden.

Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp.

»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond ook in de vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?»

Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:

»Neen, mijnheer, — dank u! Dat laten we aan Bob over.»

Plotseling klonk het uit den mond der tante:

»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, — wat ik afschuwelijk vind, maar Robert.»

»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo’n leelijken naam?»

»Rechtop zitten, Pieter! — Wilden Bob! O, verschrikkelijk!’k Wou niet graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar Wilde Bob! ’t Is afschuwelijk, — ik zou het niet dulden, broeder Marinus!»

»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met een licht schouderophalen. »De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er weinig aan veranderen.»

»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel het je gisteren in die vischkaar?»

Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel.

»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! ’t Wordt waarlijk nog erger! Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond gesloten, zooals het behoort.»

»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.

»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg tante aan mevrouw de Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren.

»Och, Bob — Robert wil ik zeggen, — is gisteren bij het verstoppertje spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag, en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.»

»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam Tante met verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft zoo’n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar nietmet Jan en alleman op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van dergelijke spelletjes?»

»Neen, Mama!»

»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»

»Veel liever, Mama!»

Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was.

»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat is nu zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat hem eens zien.»

»Ja, Mama!»

Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf spreekt.

»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. ’t Deed hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de hoogte, en riep:

»Au! Au!»

»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had het met voordacht gedaan. »Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg pijn?»

»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder ophouden wreef.

»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef Robert kon het niet helpen, zegt hij immers.»

Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet vriendelijk aan.

»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.

»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. »Zwiepen is geen woord; dat zeggen koetsiers.»

Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken. Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou uithalen. Hij zeide daarom:

»’t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb je huisarrest.»

»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op haar deftigsten toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar kroop. ’k Heb liever, dat hij binnen blijft.»

»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.»

»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande.

Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak hem de lust.

»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef zitten.

»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met een genadig knikje.

»Jawel, Mama!»

Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel, Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij schuddende van het lachen.

Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.

»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.

»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.

»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.

»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.

»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn wij natuurlijk anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»

»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan, en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen.

»Au! Neen, — boksen — au — kan ik niet. Au! — Au!»

»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of jij krijgt alles alleen. Zóó moet je doen!»

»Au! — Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou. »Houd-op, Robert, au! Ik doe — au! — jou immers — au! — ook niets!»

»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen, neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!»

»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. »Zoo is er toch geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan doen?»

Bob hield met boksen op.

»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »’t Is jammer, dat het zoo regent, anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten. Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»

Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.

»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.

»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. »Maar weet jij geen mooi spelletje?»

»Ik niet; wij spelen nooit.»

»Zoo, — zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden heb. ’t Is wat prachtigs!»

»Wat dan?» vroegen wij.

»Ja, wacht maar, — dan zal ik het je laten zien. ’t Is bepaald nog iets uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer aan.»

Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken. ’t Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo’n lange pijp gezien.

»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker.

»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»

»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens rooken?»

»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste minachting te lezen stond. »Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?»

»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het niet verklapt, komt niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?»

»Neen, — klikken doe ik niet.»

»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, met zijn bekend knipoogje tegen ons. »Willen we het doen, jongens?»

»Heb-je tabak?» vroeg ik.

»Dat zou ik meenen, — een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik krijgen kon. Zie maar eens hier.»

Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk hij met een trotsch gebaar omhoog hield.

»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak bestaat er niet.»

»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» Hij begon nu de pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal zoo lang als noodig was.

»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan we met ons vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha’s. Hier heb ik een doosje lucifers.»

»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif en staat bovendien in het geheel niet fatsoenlijk.»

»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei Bob. »Weet je, wat jij intusschen wel kunt doen?»

»Nu, wat dan?»

»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat beginnen. Wij nemen een lucifer,» — Bob voegde de daad bij het woord, — »schrappen hem aan, — en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»

»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.

Bob gaf hem de pijp.

Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, — Karel kon het ook niet.

»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt,» zei hij.

»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.

Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.

Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte nogmaals een lucifer aan, en ha — daar dwarrelden de rookwolken omhoog.

Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan, hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.

»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep hij ons opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke verbeeldingskracht.

»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»

Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij hadden kleuren als boeien!

Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem nogmaal toevoegde:

»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke broeder spreke!»

»Kuche — kuche — kuche — niets — ik — kuche ik wensch niemendal! — Hè, je doet me bijna stikken!» riep Piet, terwijl hij met zijne beide handen den rook van zich afweerde.

Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar doorrooken.

»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»

Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eenegeduchte rookwolk toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de pijp toe en zeide op plechtigen toon:

»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»

»Wat? — Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, dat doe ik niet — dat heb ik nog nooit gedaan!»

»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met woedende blikken uit, terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield.

»Strijd? O neen, — geen strijd!» zei Piet, die nog aan de bokskunst van Bob dacht.

»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, op zichzelven wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.»

Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en — rookte, tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.

Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en zeide:

»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt hem zijn vriendschap aan.»

Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden nietgedacht, dat hij zoo goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde:

»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?»

En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:

»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. ’t Gaat heel gemakkelijk, en ’t smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.»

»Zoo, is ’t waar? En wanneer wordt het onze beurt?» vroeg Karel. »Of ben je van plan, de heele pijp leeg te rooken?»

»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp leeg is, stoppen we haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.»

En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd daarop doende rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:

»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne oorlogsliederen zingen.»

»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds voortdampende.

»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode kinderen gedood!» zei Bob somber.

»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij vreezen den dood niet.»

»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. »Ik geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak aan.»

»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er niet tegen, neefje, denk ik.»

»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede op.

»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»

»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.

»Eerst, — o ja, maar ’t wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word ik akelig.»

Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!

Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.

»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob plagend. »Zoekt mijn bleeke broeder iets?»

»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de vredespijp te rooken.»

»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik voel, hier — in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik misselijk!»

»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijkeraad van Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten.

»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan maak je een prachtig figuur,» zei Karel dampende.

»O, — wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en neerliep. »Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.»

»’t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.

»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan de beurt?»

»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan gaat het ’t best.»

Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend toe.

»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?»

»Ja, — maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk vond ik het afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort.

Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:

»Nu ben ik weer aan de beurt!»

Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een fabrieksschoorsteen.

»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»

»Ik ga dood, — ik ben doodziek. O, — ach, — hê — wat ben ik ellendig.»

»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.

»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.»

Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij schaterden soms van ’t lachen.

»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger dan wij dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd.

»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een poosje.»

»Pak aan,» zei Bob kortaf. »’t Is eerlijk jou beurt.»

»O, — ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama nu toch eens hier kwam.»

»Pak aan, Karel, ’t is jou beurt,» herhaalde Bob, daar Karel er edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou.

Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het geheel niet opgewekt uit.

Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter, te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden.

»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien.

»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» zegt het spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob een even naar gevoel in hunnemaag als neef Pieter, en daar ik mij nog heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»

»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. »Dat doet me pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn rotting krijgen.»

»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».

»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben — ik voel me erg onpasselijk. Ik ga naar buiten.»

»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het hier benauwd.»

»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik me geen raad.»

»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, want daar ik minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef Pieter, en geëindigd was, met er zelf in te vallen.

’t Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot het priëel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, — o heden, daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje uitvoerde.

»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat lig je daar onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!»

Pieter gehoorzaamde.

»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»

»Ja Mama! — ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»

»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt toch niets gegeten, dat verkeerd was?»

»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»

»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter moet komen, dadelijk, vóór het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt het iets beter?»

»Neen Mama, nog niets. ’t Wordt nog veel erger!»

Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door mevrouw en mijnheer de Wild.

»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. »De volle waarheid, hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.»

»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne Moe, wie ook de angst op het gelaat te lezen stond.

»Pa, — wij hebben — de vredespijp gerookt,» zei Bob. »Pfff, wat ben ik ziek.»

Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.

»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, ’t kon niet beter. Die pijp, die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, die bij het misdrijf behoort. ’t Is niets, vrouw, en beste zuster, maak je ook maar niet ongerust, ’t zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha! ’t Is meer dan grappig!»

»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven zoozeer verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»

»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.

»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben straf genoeg. Heusch, vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we naar binnen gaan.»

Karel Holm stond ook op.

»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.

»Adieu! Tot morgen!»

»En ik — ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»

»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan Bob.

»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.

»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.

Zoo gingen wij ieder onzes weegs.

Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.

Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam.Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.

Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog altoos met neef Pieter opgescheept zat.

»Kom je niet spelen?» vroegen we.

»Spelen, — dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar hij mag wel wandelen.»

»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.

»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!»

Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te vervolgen.

Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:

»Zeg jongens, — ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. ’t Is mooi weer, warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.»

»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»

»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!»

»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»

»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet, of Mama het wel hebben wil.»

»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.

»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»

»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.

Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal pad voerde daarheen. ’t Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man, vrouw en drie jongens. ’t Was eene zeer onzindelijke familie, en de jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde. Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet veel genoegen, want zijwerden door ons allen voor den gek gehouden en geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.

Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus veel kans, het onderspit te moeten delven.

Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren ons bad te nemen.

Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet, want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste plaats.

Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten. Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was, dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouwrustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.

»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel ik me, en ’t schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet uit?»

»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»

Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat het voor hem een zeer ongewoon werk was.

»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat koud!»

»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»

»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch, het zal je meêvallen.»

»Maar ’t is zoo koud,» zei Piet weifelend.

»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je moet het zelf weten, hoor.»

Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.

»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»

Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.

Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.

»Brrr — hè — hè — hè — brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!» zei hij smeekend. »Ik verdrink!»

»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig knipoogje:

»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee — drie, daar gaat Pieter!»

»O nh — he — heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.

»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.

En daar ging Pietje voor de derde maal.

»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger geworden, Pietje!»

»Brrr — pfff — o — wat — nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.

Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar werden hem door Karel, die ongemerktonder water naar hem toegeloopen was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.

»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me iets aan de beenen!»

»’k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder bevond.

»Wat kan dat toch geweest.....»

O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.

»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »’k Vind het hier heerlijk.»

»Krijgertje doen?» vroeg ik.

»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.

Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een vijandigen voet stonden.

Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen, — maar toen was het laat.

»Gooi in het water — die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen.

»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»

»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!»

Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in staat.

Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles, wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden, ten einde tijd te winnen.

»Als je ’t hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe. »Wacht je dan voor de gevolgen!»

Maar zij waren onvermurwbaar.

Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.

In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij kwaad!

»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»

»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die apen!»

»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en dan hadden wij er geen last aan. ’t Is eene mooie geschiedenis: al ons goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?»

»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht. Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»

»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.»

»En dan?»

»Ze aantrekken!»

»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan het lachen.

Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.

»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de oppervlakte verschijnende.

»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »’t Is het mijne, Kareltje. Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie ik wel.»

»O, ’t is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.

»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.

»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.

»En ik eene kous!» juichte ik.

»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel sorteeren.»

»Eene broek!»

»Nog eene!»

»En eene blouse! Weer twee schoenen!»

»Hier is een hemd!»

Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze natte kleeren, als het beeld der wanhoop.

»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!»

»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.»

»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.

»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, — toe maar, zoo stijf als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna geen droppeltje inblijft.»

»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wijhet ook doen. Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken wij er toch door kwijt.»

»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu — draaien maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!»

»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.

»Of een strijkijzer!» zei ik.

»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!»

»Ja, — zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»

»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een paar uren te bleeken leggen!»

»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.

Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte goed koud! Piet had het er ’t kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in den tuin nog uit te lachen op den koop toe.

»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»

»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»

»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob.

»Ja,» zei Karel, — »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben door en door koud!»

»Uitstekend! Vooruit, — daar gaan we!»

Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.

In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend hebben.

Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.

Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad kozen.

»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.

»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg boos op hen was.

»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn hoofd! Ze gooien!»

»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Zeschijnen te meenen, dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.»

Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.

»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd opkijken. Nu, — daar gaat hij!»

»Een!»

Bob wachtte een oogenblik.

»Twee!»

Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.

»Drie! Valt aan!»

Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet, die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.

O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij daartoe hun best, — maar ’t was te laat.

In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield, ons aan te moedigen.Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het uitschreeuwden van pijn en angst.

»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb eene gulle bui vandaag!»

Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:

»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»

»Hê, ’t spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob.

Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren zeer tevreden over onszelven.

»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.

»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.»

»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.

Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor dergelijke vermaken en bovendien — hij had het gedaan, zonder verlof te vragen, iets, wat wij nooit deden.

’t Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar — wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar hij gemerkt had, dat Pieter ’s avonds in het donker nog al bang was, maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de slaapkamer van Pieter. Daarteekende hij met het gezwavelde einde, juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den toeschouwer allerakeligst aan.

Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.

Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers, die al te voorschijn waren gekomen.

Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie weet, hoe ’n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen zouden er graag een willen hebben.

»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.»

»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?»

»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als ’t mogelijk is.»

»’k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ikzal ze je sturen met den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»

»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.

Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten waren slechts door een houten beschot gescheiden.

Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.

»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend. »Ik heb nog wel tabak.»

»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er aan denk, word ik nu nog ziek.»

»Wel te rusten dan!» zei Bob.

»Slaap lekker!» was Pieters wensch.

Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden. Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.

Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieterweer zacht kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te schudden in zijn bed van ’t lachen.


Back to IndexNext