ACHTSTE HOOFDSTUK.Walter en Claus.

ACHTSTE HOOFDSTUK.Walter en Claus.De eene week na de andere verliep zonder dat er in den toestand van het Volk verandering kwam. Ook in den toestand van Tell bleef alles hetzelfde, en als Claus er wat van vernam, dan was het niets anders dan dit: men wachtte nog altijd bericht van den Keizer.Intusschen was Tell niet als een gewoon misdadiger opgesloten en mocht hij zich vrij bewegen, wanneer hij maar bleef binnen de buitenmuren van den Zwing-Uri. Om het ontsnappen te voorkomen, werd hij evenwel steeds gevolgd door twee wachters en mocht hij geen enkel wapen dragen. Van alle kanten deed men moeite hem over te halen zich bij Oostenrijk aan te sluiten, doch Tell bleef onverzettelijk. Hij schroomde zelfs niet om eene uitnoodiging om bij Geszler een feestmaal bij te wonen, af te slaan met de woorden: „Willem Tell viert alleen feest met vrienden van Zwitserland, nimmer met verraders van hun Vaderland!”Dat hooghartige gezegde deed Geszler in woede ontsteken,en was oorzaak dat Tell thans alle vrijheid verloor en opgesloten werd in een kerkerhol, waarin geen enkel zonnestraaltje doordrong, en waar de vochtige bodem bewees, dat het hol diep onder den grond lag.Had zijn verblijf daar lang moeten duren, dan zou hij stellig zeer spoedig door den dood uit zijn lijden verlost zijn geworden.En Willem Tell leed. Ook zijn geweten klaagde hem aan, dat de hoogmoed, die zijn' boezem binnengeslopen was, de oorzaak van alles was.Die hoogmoed deed hem de matigheid uit het oog verliezen en deed hem Claus, den trouwen Claus vergeten. Hij alleen was dus de schuld van alles. Hij, hij alleen had ramp over vrouw en kinderen gebracht.Meer dan onder Gods helderen hemel, die dit jaar na het verdwijnen van den winter zoo buitengewoon zonnig en warm was, dat alles eene maand vroeger groen was en bloeide dan in andere jaren, sprak dat knagende zelfverwijt, in het vochtige hol, waarin het altijd nacht was.Zijn verblijf duurde in dat hol echter maar twee dagen. Dan zou hij het verlaten om weer altijd vrij te zijn.En hij, die aan zijne gevangenschap een einde maken zou, zou geene bende gewapende vrienden, neen, het zou een achtjarig kind, het zou zijn Walter zijn.Na het gevangen nemen van Tell was in de bergwoning niets merkwaardigs geschied. Treurig leefde ieder daar zijn leven, en al zong de leeuwerik nog zoo schoon, al sjilpten de teruggekeerde zwaluwtjes, die onder het uitstekende dak hunne nestjes bouwden of herstelden nog zoo vriendelijk, men liet de zon schijnen, men liet groeien, bloeien, zingen en sjilpen zonder er oog of oor voor te hebben.Kuno en Eppo deden Tell's werk, en Hedwig deed, als naar gewoonte, het hare.Eens op een' schoonen Aprildag waren Kuno en Eppo met Bruno en Wolf het gebergte ingegaan om te jagen. Kleine Willem had voorjaarskoorts en lag te bed. Moeder Hedwig was bezig met brooddeeg kneden, en Walter liep buiten met het boogje, dat zijn Vader voor hem gemaakt had. Hij oefende zich iederen dag in het schieten en zelfs Kuno en Eppo moesten erkennen, dat hij beter schoot dan één hunner. Alleen zijn boogje was nog te zwak voor grof wild, maar anders, wel, hij deed schoten als zijn Vader!Met dat schieten had Walter een doel, dat hij met de grootste zorgvuldigheid voor ieder verborgen hield.Hij wilde zich zóó lang oefenen tot hij een dun geldstukje in den stam van een' boom gestoken zesmaal achter elkaar raken zou. Kon hij dat, dan zou hij naar den Zwing-Uri gaan, en zeggen: „Heer Rijksvoogd, als ik zes schoten doe op dit geldstukje, dat ik in een' boom gestoken heb, en het zesmaal zoo raak, dat het geheel in den boom gedreven is, krijg ik dan wat ik vraag?” Geszler zal dit niet willen gelooven en „ja” zeggen. Heb ik zesmaal geschoten en mijne belofte vervuld, dan vraag ik, als loon: de vrijheid van Vader.Zoo had Walter als kind geredeneerd, en nu was hij bezig te beproeven, wat hij kon.Zesmaal geraakt en, verdwenen in den boom het geldstukje! Het was hem gelukt!Nog eens geprobeerd, en werkelijk, met denzelfden uitslag.„Nu naar den Zwing-Uri,” dacht hij, en weldra was hij op weg naar dien vrij ver gelegen burcht.Wat repten die kleine beentjes zich!Wat keken die blauwe oogjes, stralend van onschuld, hoop en blijheid uit naar alle kanten om zich te verbergen, als hij iemand zag aankomen, die hem stellig alweer thuis brengen zou!Wat stonden die stevige voetjes vast op het meer dan gevaarlijke pad langs den afgrond!Wat klopte dat jonge hart van levenskracht en levenslust!Van levenslust?Ja, zeker, van levenslust, van levensblijheid zelfs!„Halli! Halli! Hallo!” jodelde hij eenmaal.En waarom ook niet?Zie, eer de zon alweer achter de bergen neerdook, zou hij immers hier weer zijn? Maar dan niet alleen, doch met Vader bij zich!Hé, wat zou hij grootsch zijn!Daar bij den hoek vanwaar men hunne woning zien kon, zou hij eensklaps voortijlen om tot Moeder te roepen: „Moeder! Moeder! Daar komt Vader! Ik heb zijne vrijheid verdiend, door mij te oefenen in het schieten! Ik heb woord gehouden, weet je dat wel, Moeder? Ik had het u immers in het oor gefluisterd, en al lachten die Kuno en Eppo mij ook uit, ik gaf er niet om, want ik wist, dat ik woord houden zou! Ja, en... daar komt Vader!”Arme Walter met uw moedig, goedig hart, wat bouwt gij daar in uwe kinderlijke eenvoudigheid toch luchtkasteelen!Hoe zal alles heel anders afloopen dan gij denkt!Maar uw woord houden, ja, kind, dàt zult gij! Gij zult uw' Vader vrijmaken, maar niet vandaag, neen, morgen nacht pas, en... gij zult er niet bij zijn.Toch, ja tòch zal zijne vrijheid uw werk zijn, beste jongen! En als die nacht, waarvan ik sprak, voorbij zal zijn, dan zal Grootvader Walter Fürst u wat in het oor fluisteren, dat u veel harder, veel mooier en veel vroolijker dan zoo even zal laten jodelen: „Halli! Halli! Hallo!”Ga gerust verder, beste zoon van zulke lieve Ouders! Op uw heerlijk en schoon pogen zal de zegen des Hemels rusten! Ga naar den Zwing-Uri!Ga voort! Ga verder, Walter!Ziet gij daar die torens? Ja?Rept u! Rept u! Dat is de Zwing-Uri! Daar zit Vader in een' donkeren, vochtigen kerker, diep onder den grond.Wat!? Doet gij het niet? Gaat gij er bij zitten?Het is te gelooven, kind, dat ge moede zijt! De tocht was ook zoo moeielijk en zoo ver!Rust wat! Goed, dan hebt ge straks nieuwe kracht, en te vaster zal uw handje zijn, als ge tot zesmaal achter elkander uw' pijl zóó wegschiet, dat hij even veel keeren hetzelfde doel raakt.Zit, en rust wat!Hij zet zich op het jonge gras onder de schaduw van een' kastanjeboom neer, en kijkt met wijd geopende oogen naar de torens en muren van den Zwing-Uri.Maar die oogen doen raar, heel raar! De oogleden vallen nu en dan dicht; het blonde kopje knikt, schudt, buigt zich voorover en... blijft eindelijk voorover gebogen hangen.Walter slaapt en droomt.Een malle droom. In zijn' slaap meent hij steeds voort te gaan; hij nadert het kasteel! De muren zijn bezet met posten, die hem nijdig aanblikken.En daar, te midden van ruwe schildwachten ziet hij Vader met de armen op den rug geboeid.Een schildwacht neemt een' stok en wil Vader slaan!Zal de slag neervallen?De stok daalt; hij ziet Vader den breeden rug buigen om den slag te ontvangen, en...„Vader! Vader!” gilt hij. „Hier is Walter! Hij komt u halen! Vader! Va....”De schrik doet hem ontwaken, en wien ziet hij daar?De weduwe Heinrichs, maar nu als Oostenrijksch ruiter gekleed, en vol angst roept hij uit:„Weg! Weg! Leelijke heks! Je hebt onze pijlen betooverd en Vader gestolen! Weg! Weg, leelijke man! Walter Tell is boos op je! Weg, heks!”De Oostenrijker, die werkelijk niemand anders is dan de man, die zich zoo kunstig in eene weduwe vermomde, rijdt de paarden van zijn' meester af. Zijn weg voert hem langs den kastanjeboom, en daar vindt hij den knaap, die hem bijna verraden had. Een leelijke grijnslach trekt over zijn gelaat en tevreden mompelt hij: „Eene heerlijke vangst, Fridel! Met dat uilskuiken kunnen wij den wilden vaderuil temmen!”In een omzien is hij van zijn paard gesprongen, doch juist, als hij bij Walter is, heeft deze het einde van zijn' bangen droom, die hem luidkeels: „Vader!” doet roepen. En dan volgt van den ontwaakten knaap, dat: „Weg! Weg! leelijke heks! Weg, heks!”„Je kakelt mooi, schreeuwleelijk,” zegt Fridel. „Dat zal ik je afleeren!”Hij haalt een' doek uit den zak, maakt er eene prop van en stopt ze Walter in den mond. Met een paar lederen riemen worden de tegenspartelende beentjes en handjes machteloos gemaakt. Met het kind op den arm springt hij op een der paarden. Onder zijn' langen en ruimen mantel stopt hij het ventje weg. Geen Zwitser mag zien, wat hij daar bij zich heeft.„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het uit de verte.Fridel slaat er geen acht op, maar onder zijn' mantel voelt hij beweging, hij meent daar zelfs een' gesmoorden vreugdekreet te hooren.„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het van dichter bij.Fridel keert zich op het paard om; hij ziet niets! De blaffende honden zijn juist daar, waar de bergweg eene bocht maakt, en...„Zeker „Treu” en „Thor”, die mijn spoor gevonden hebben,” mompelt hij.„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het nu bijna in zijne onmiddellijke nabijheid en de geboeide knaap wringt zich haast van onder den mantel, die hem verbergt.Weer ziet Fridel om; want Treu en Thor blaften toch anders! Deze honden huilen, janken en blaffen tegelijk.„De honden van Tell! De bloedhonden!” roept hij verschrikt.„Voort! Voort!” schreeuwt hij den paarden toe en geeft het ros waarop hij zit, zoo diep de sporen, dat het roode bloed de witte huid verft.Als dol rennen de paarden voort, achtervolgd door Bruno en Wolf, die hun' jongen meester ontdekt hebben en hem nu bevrijden willen.Helaas, tegen de voorthollende paarden, die nog niet vermoeid waren toen ze den dollen rit aanvingen, moeten Bruno en Wolf het verliezen, hoe ze zich ook met inspanning van alle krachten nog voortreppen.Van den Zwing-Uri heeft men de wilde jacht zien aankomen, en nauwlijks zijn de paarden over de valbrug of de wachters halen ze op.Fridel is met zijn „uilskuiken” in veiligheid. Voor de opgehaalde brug staan Bruno en Wolf met de tong uit den wijdgeopenden bek te hijgen.Plons! daar springt Bruno in de slotgracht.Plons! Wolf volgt hem.„Schiet de duivels dood! Ze zijn dol!” schreeuwt Fridel den schildwachten toe.Tal van pijlen worden op de trouwe dieren afgezonden.Hun bloed kleurt het kristalheldere water. Twee, drie, vier pijlen blijven in hun lijf zitten. De trouwen! Ze zwemmen voort, steeds voort!Maar trager, veel trager wordt hunne vaart!Daar heft Bruno nog eenmaal den trouwen kop op! Een kreet, die iets menschelijks heeft, wordt gehoord!Hij is dood!Dood, de goede trouwe, brave, lieve hond!Nog zulk een kreet!Het is Wolf, die hem slaakt! Een pijl vliegt in den wijdgeopenden bek en blijft hem in de keel zitten.Ook Wolf is dood!En dat alles heeft Walter moeten aanzien.Fridel heeft hem van onder zijn' mantel gehaald. Spottend haalt hij de prop uit zijn' mondje en maakt hij de riemen los.„Daar gaan je broertjes om zeep, schreeuwleelijk!” zegt hij, met een' afschuwelijken grijnslach.De laatste kreet van Wolf bereikt Walters oor. Zijn oog valt op zijn kinderboogje, dat vóór hem op het paard ligt. Zijn zwak handje grijpt dat boogje, van taai esschenhout vervaardigd, en eer Fridels grijnslach nog verdwenen is, striemt Walter den boog dwars over het gelaat van zijn' ontvoerder, die van pijn een gil laat hooren, akeliger en luider dan die van den stervenden Bruno en Wolf!Met één sprong is Walter van het paard en vliedt.Maar och, wat helpt het hem? Hij is op den voorhof van den Zwing-Uri te midden van mannen, die het arme kind najagen en grijpen.„Wat is dat?” vraagt Landenberg, die juist gereed is om van zijn gewoon dagelijksch bezoek op den Zwing-Uri naar zijn eigen kasteel terug te keeren en door Geszler tot aan den voorhof gebracht wordt.Bijna stikkend van woede en met eene streep, dik als een touw, dwars over het gelaat, vertelt Fridel alles.„De honden opvisschen en begraven eer er een Zwitserachter komt,” beveelt Landenberg, die steeds vol vrees is voor de getergde woede van zijne landgenooten, die hij verraden heeft.„En wat met dat jong te doen?” vraagt hij aan Geszler.Een lach, onbeschrijflijk wreed, legert zich op het gelaat van den boozen Rijksvoogd.„Weet ge wat goeds?” vraagt Landenberg, dien lach ziende.„Ja! Die knaap is goud waard. Luister! Ik zal morgen Tell zeggen, dat hem alles vergeven is en dat hij in vrijheid kan heengaan, als hij een' appel van het hoofd zijns zoons schiet!”„O, dan is hij morgen vrij!”„Neen, niet vrij! Dat gevaarlijke pijlschot zal zijne hand doen beven; hij zal zijn eigen kind doodschieten, en dan, dan! Heerlijk! Heerlijk! Met de marteling zijn' zoon gedood te hebben, sturen we hem naar den Keizer. Dan zal hij langzaam, heel langzaam wegsterven van wroeging en leed. Een' wreederen dood ken ik niet voor hem. Zoo zal het zijn! Brengt den knaap weg, doch doet hem geen leed! Hij moet morgen, blozende van gezondheid, voor zijn' Vader staan, des te onzekerder wordt de hand!”Landenberg is verrùkt! Dat is eerst nog eens eene straf, zooals hij zelf niet bedenken kon.„Uitnemend! En hoe laat zullen we morgen die grap hebben?” vraagt hij Geszler.„Morgen middag twaalf uur!”„Goed! Ik kom! Dat wil ik zien! En waar?”„Waar? Midden op de Markt van Altorf, in het gezicht van den Hertogshoed, dien hij bespot heeft!”„Maar het Volk zal dat niet dulden!”„Het Volk weet van niets en zit thuis of op het veld! Bovendien, we zullen zorgen, dat we gewapende mannengenoeg bij ons hebben! Alles loopt goed af, wees gerust! Tot morgen!”Landenberg rijdt weg en als hij op zijn kasteel is, wordt daar spoedig verteld, wat er gebeurd is en welke heerlijke plannen Geszler heeft.Claus verneemt het en mompelt: „Dat nooit! Dat nooit! Nu is het uur gekomen!”Hij snelt naar den uitgang, doch als hij den boom verlaten wil, ziet hij Oostenrijksche houthakkers bezig met boomen vellen. Nu kan hij niet weg; hij zou zich verraden.Eerst tegen den avond gaat het werkvolk huiswaarts. Nu verlaat Claus den boom, dien hij al geleerd heeft zonder touwladder af te dalen of te beklimmen.„Voort, Claus, voort! Allereerst naar de arme Hedwig, die niet weet, wat er met haar kind gebeurd is! Dan naar Stauffacher, naar van Attinghausen, naar Walter Fürst! Ha! Thans begint de worsteling! Voort! Voort!”Het buitengewoon warme weder heeft de sneeuw op de bergen vroeg doen smelten. Heele bergen van sneeuw storten naar beneden en maken de smalle paden onbegaanbaar! Claus' voeten glijden telkens uit. Daar is hij voor eene kloof waardoor de naaste weg naar Tell's woning leidt. De sneeuw heeft die kloof gevuld: er is geen doorgraven aan! Terug dan! Er zijn meer wegen! Speelt het noodlot dan met hem? Alweer heeft de sneeuw hier het pad versperd. Alweer een uur verloren! Voort! Voort! Van versperring tot versperring! Doodaf van vermoeidheid bereikt hij eerst tegen het morgengrauwen Tell's woning en... vindt ze verlaten. Wat daar woonde, zoekt! Alleen kleine Willem ligt op zijn kamertje nog te bed en heeft beloofd te zullen blijven liggen. Alles doorsnuffelend komt Claus ook daar en vertelt nu aan het kind alles! Weg is hij weer! De zon is al op en het zal spoedig middag zijn. Stauffacher is op het veld.Hem opgezocht, spoedig! Een half uur zoeken! Eindelijk gevonden, eindelijk, en het is al negen uren! Voort! Nu naar Walter Fürst! Stauffacher belast er zich mede om van Attinghausen van alles, wat gebeurd is, in kennis te stellen.Hij is echter ontevreden, bitter ontevreden!„Te vroeg, veel te vroeg!” mompelt hij. „We zijn nog niet klaar en Tell wist dat; hij wist het beter dan menig ander, want ik heb het hem meer dan aan eenig ander uitgelegd, waarom wij nog niet in verzet en opstand kwamen. Moedig, ja, dat is hij, maar zijn moed grenst aan overmoed, bijna aan drieste lichtzinnigheid. Wat deed hij op de Markt te Altorf? Wat anders dan toegeven aan zijne begeerte den Oostenrijker te toonen, dat hij hem verachtte. Hij had er niets noodig en wist dat wij, die de ziel van den opstand moeten worden, besloten hadden niet op de Markt te komen vóór de tijd daar was! Hij kon toch begrijpen, dat het niet groeten van dien Hertogshoed gevolgen hebben moest? Maar, gedane zaken nemen geen' keer. Er moet nu een ander plan gemaakt, er moet gehandeld worden. Toch kan alles nog kalm in zijn werk gaan, want de Oostenrijker weet niet beter of wij zijn met alles onbekend. Die Claus, ja, die Claus is onbetaalbaar. Met zulke mannen doet men wonderen, en... och, misschien, misschien dat alles nog beter afloopt dan ik vrees. In alle gevallen nu met kracht handelen en den strijd aanvangen, den strijd op leven en dood voor onze vrijheid! Voort, naar van Attinghausen! Niets zonder hem!”Stauffacher rept zich naar zijn' ouden vriend en in dien tusschentijd is Claus naar Walter Fürst gesneld. Zijn gang is echter vergeefsch. De arme Vader heeft tijding gekregen van het verdwijnen van zijn' lieven kleinzoon Walter, en waar is hij nu meer noodig dan bij zijn kind, de arme Hedwig, dat veel beproefde Moedertje? Hij is er heen geijld zonder er zelfs zijne vrouw kennis van gegeven te hebben.En als die goede ziel nu uit den mond van Claus verneemt, wat er in de bergen is voorgevallen, weet ze niet, wat ze doen moet.Wat moet Claus nu aanvangen?Hij kan en mag het volk niet in beweging brengen! Slechts zeer enkelen zijn met zijn geheim bekend!Hij staat stil en denkt!„Alles, wat maar eenigszins kan, zal zich naar de Markt te Altorf spoeden en de Sarnenstein zal zoo goed als verlaten liggen. Wie weet welk eene goede gelegenheid ik dan heb om binnen den burcht te komen! En dan tegen den nacht alweer naar Stauffacher. Hij zal mij mannen geven en... morgenochtend is de Sarnenstein in onze handen! Wie weet of we vriend Landenberg dan zelfs niet in onze macht hebben! Dat zou nog eens een gijzelaar zijn!”Opgewekt spoedt hij zich voort, doch langs allerlei sluippaden want men mag hem niet zien.Hij is in het bosch en...„De houthakkers,” denkt hij.Gelukkig! Het is stil in het bosch! Ook houthakkers zijn nieuwsgierig, en allen zijn naar de Markt in de stad. Ze willen dat schot ook zien doen.Ongemerkt bereikt Claus dus den boom en spoedig is hij voor ieders bespiedend oog verdwenen.Op de gewone manier sluipt hij voort en ziet, dat men bezig is met water putten. Dat is nu wel iets zeer gewoons en heeft hij al zoo dikwijls gezien, maar nu moet hij er bij zijn. Als er wat gezegd wordt, moet hij alles hooren. Zonder de noodige voorzichtigheid in acht te nemen loopt hij voort. Hij denkt slechts aan al, wat er buiten om gaat en aan zichzelven denkt hij niet. Het prikkelt in zijn' neus en eer hij er op bedacht is om de hand of een' doek voor den mond te houden om zoo het geluid te dempen, niest hij.Opeens blijft de wateremmer onbeweeg'lijk hangen, en Claus schrikt, hoe kon hij zich zoo vergeten?„Wat is het?” hoort hij boven zich vragen.Claus herkent in de stem van den vrager den ouden Oostenrijker Ludwig.„Ik hoor daar in den put niezen,” antwoordt de ander in wien Claus dadelijk Albrecht, den vriend van Ludwig herkent.„De Kabouters[3]misschien, of de Nixen hebben je eene poets gespeeld. Ik hoor daar zoo dikwijls wat. Gisteren nog heb ik er duidelijk iemand zich hooren voortschuifelen. Maar zeg, waarom ben je niet naar Altorf? Ben je niet nieuwsgierig te weten hoe dat schot afloopen zal?”Claus, die daar in de diepte geheel onzichtbaar was, waagde het om eens even naar boven te kijken, en zag beide mannen op den gemetselden rand van den put zitten. Hij wilde zich overtuigen of hij werkelijk te doen had met de twee mannen, die hem reeds vroeger hadden doen hooren, dat ze vijanden waren, die het hart op de rechte plaats droegen.Zoodra hij ze zag, zeî hij tot zichzelven: „Ze zijn het, maar nu toegeluisterd zonder hen verder aan te kijken, want wakker zijn ze, dat moet ik erkennen, en als ze mij zagen, dan zouden ze hun' plicht doen, dat is zeker. Maar als het er op aankomt, sparen zullen we die twee toch!”„Waarom is Ludwig niet naar de stad?” vraagt Albrecht. „Is hij niet nieuwsgierig? Hij houdt anders toch wel van een goed schot!”„Ja, van een goed schot houd ik, Albrecht,” luidt het antwoord. „Maar dat schot wil ik niet zien. Foei, ik schaam mij tegenover elken Zwitser, dat ik ook Oostenrijker ben. Zóó bestrijdt een mensch, dat nog gevoel van eer heeft, zijn' vijand niet! Dat is een moordenaarswerk!”„Juist, Ludwig, dat zeg ik ook, en daarom ging ik evenmin als gij naar Altorf! Wil je wel gelooven dat ik, als ik zag dat de arme Vader zijn' zoon doodschoot, instaat zou zijn om...”Hij hield zijne woorden in.„Vertrouw je mij niet, dat je zoo opeens zwijgt? Welnu, ik vertrouw jou wel. Als Tell de moordenaar zijns zoons geworden is, dan wil ik Geszler of Landenberg niet langer meer dienen. Ludwig is de knecht van een' krijgsman, maar niet van een' beul. En ik vrees, dat hij misschieten zal. Men zegt dat zijn boog gewijd is, omdat hij eenmaal in het Heilige Land gediend heeft tegen de vijanden van het Kruis. Dien boog mist hij en de vreemde boog zal zijne hand onvast maken.”„Maar wat zullen wij doen, als we de Rijksvoogden niet meer dienen willen? We kunnen dit land niet verlaten zonder in hunne handen te vallen. Den dood te ontkomen kan maar op ééne wijze geschieden, en dat is door ons bij de Zwitsers aan te sluiten.”„En verraders worden? Neen, Albrecht, dat nooit! Ik verraad mijn' Vorst en mijn Volk niet. Wat ik doen zal, weet ik nog niet. Mogelijk weet ik het, als het schot geschied is. Het kan ook wel zijn, dat de Zwitsers het beletten.”„Onmogelijk! Geen Zwitser komt op de Markt sedertTell daar kwam, en hoe zouden ze weten, wat er gebeuren moet? Ze denken immers, dat Tell ergens in den afgrond gestort is, en niemand der Zwitsers weet, dat hij als gevangene op den Zwing-Uri leeft. Dat zijn zoontje daar ook is, weet eveneens niemand. Maar waarom glimlach je zoo geheimzinnig?”„Om je onnoozelheid, Albrecht! Is het niet gebleken, dat de Zwitsers alles weten, wat door de Rijksvoogden besloten wordt? Den heelen winter, van den dag af waarop Claus verdween, kon er geen besluit genomen worden, of het kwam immers later uit, dat de Zwitsers het wisten? Ben je die hooi-geschiedenis dan vergeten?”„Neen, maar ik geloof, dat de Zwitsers een verbond met den Booze gesloten hebben. Geloof je dat ook niet?”„Ik zàl het gelooven, als je mij zegt, hoe Claus het ontkomen is. Zelf heb ik hem in den wijnkelder zien gaan. Door de gewone deur is hij er niet uitgekomen en toch was hij weg. Hij moet uit den kelder eene vluchtgang geweten hebben en daardoor ontsnapt zijn. Al die oude burchten, hier, zoowel als in Tirol, hebben zulke vluchtgangen.”„Claus is immers stokdoof! Hij kan niet hooren, wat er gezegd wordt.”„Aan die doofheid twijfel ik sterk, maar al is hij doof, wat hindert dat? Waar hij uit kan, daar kan een ander immers in?”„En waarom zeg je dat niet aan Landenberg?”„Waarom niet? Denk je, dat ik Claus aan de martelingen van een' beul zou willen overgeven? Eer ik dat doe, moge de tong in mijn' mond verstommen. Maar, gij weet het nu, zeg gij het Landenberg dan!”„Ik, Ludwig, ik?? Nooit! Maar nu ge mij van die vluchtgang gesproken hebt, ben ik bang, dat op den een' of anderen dag de Sarnenstein overrompeld zal worden. Wat dan?”„Wat dan? vraagt gij? Dan kunnen we op eervolle wijze aan ons beulsknechten-leven een einde maken. Wij sterven dan met het zwaard in de vuist den krijgsmansdood. Wat kunnen wij beter wenschen? Onze vrienden zullen dan een woord van lof voor ons hebben en onze vijanden zullen ons althans niet verachten. Hoort ge niets?”„Hier in den put?”„Neen, buiten! Men komt te paard aansnellen! Mee naar de poort! Wie weet, wat er gebeurd is? Hoor, er zijn meer paarden! De Zwitsers zijn zeker in opstand geraakt! Mee! Mee!”De beide mannen repten zich naar de poort om deze te verdedigen, en Claus brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen, wat er gebeurd was. Hij kon echter niets doen dan blijven, waar hij was en moest dus geduldig wachten. Gelukkig duurde dat wachten slechts zeer kort.

De eene week na de andere verliep zonder dat er in den toestand van het Volk verandering kwam. Ook in den toestand van Tell bleef alles hetzelfde, en als Claus er wat van vernam, dan was het niets anders dan dit: men wachtte nog altijd bericht van den Keizer.

Intusschen was Tell niet als een gewoon misdadiger opgesloten en mocht hij zich vrij bewegen, wanneer hij maar bleef binnen de buitenmuren van den Zwing-Uri. Om het ontsnappen te voorkomen, werd hij evenwel steeds gevolgd door twee wachters en mocht hij geen enkel wapen dragen. Van alle kanten deed men moeite hem over te halen zich bij Oostenrijk aan te sluiten, doch Tell bleef onverzettelijk. Hij schroomde zelfs niet om eene uitnoodiging om bij Geszler een feestmaal bij te wonen, af te slaan met de woorden: „Willem Tell viert alleen feest met vrienden van Zwitserland, nimmer met verraders van hun Vaderland!”

Dat hooghartige gezegde deed Geszler in woede ontsteken,en was oorzaak dat Tell thans alle vrijheid verloor en opgesloten werd in een kerkerhol, waarin geen enkel zonnestraaltje doordrong, en waar de vochtige bodem bewees, dat het hol diep onder den grond lag.

Had zijn verblijf daar lang moeten duren, dan zou hij stellig zeer spoedig door den dood uit zijn lijden verlost zijn geworden.

En Willem Tell leed. Ook zijn geweten klaagde hem aan, dat de hoogmoed, die zijn' boezem binnengeslopen was, de oorzaak van alles was.

Die hoogmoed deed hem de matigheid uit het oog verliezen en deed hem Claus, den trouwen Claus vergeten. Hij alleen was dus de schuld van alles. Hij, hij alleen had ramp over vrouw en kinderen gebracht.

Meer dan onder Gods helderen hemel, die dit jaar na het verdwijnen van den winter zoo buitengewoon zonnig en warm was, dat alles eene maand vroeger groen was en bloeide dan in andere jaren, sprak dat knagende zelfverwijt, in het vochtige hol, waarin het altijd nacht was.

Zijn verblijf duurde in dat hol echter maar twee dagen. Dan zou hij het verlaten om weer altijd vrij te zijn.

En hij, die aan zijne gevangenschap een einde maken zou, zou geene bende gewapende vrienden, neen, het zou een achtjarig kind, het zou zijn Walter zijn.

Na het gevangen nemen van Tell was in de bergwoning niets merkwaardigs geschied. Treurig leefde ieder daar zijn leven, en al zong de leeuwerik nog zoo schoon, al sjilpten de teruggekeerde zwaluwtjes, die onder het uitstekende dak hunne nestjes bouwden of herstelden nog zoo vriendelijk, men liet de zon schijnen, men liet groeien, bloeien, zingen en sjilpen zonder er oog of oor voor te hebben.

Kuno en Eppo deden Tell's werk, en Hedwig deed, als naar gewoonte, het hare.

Eens op een' schoonen Aprildag waren Kuno en Eppo met Bruno en Wolf het gebergte ingegaan om te jagen. Kleine Willem had voorjaarskoorts en lag te bed. Moeder Hedwig was bezig met brooddeeg kneden, en Walter liep buiten met het boogje, dat zijn Vader voor hem gemaakt had. Hij oefende zich iederen dag in het schieten en zelfs Kuno en Eppo moesten erkennen, dat hij beter schoot dan één hunner. Alleen zijn boogje was nog te zwak voor grof wild, maar anders, wel, hij deed schoten als zijn Vader!

Met dat schieten had Walter een doel, dat hij met de grootste zorgvuldigheid voor ieder verborgen hield.

Hij wilde zich zóó lang oefenen tot hij een dun geldstukje in den stam van een' boom gestoken zesmaal achter elkaar raken zou. Kon hij dat, dan zou hij naar den Zwing-Uri gaan, en zeggen: „Heer Rijksvoogd, als ik zes schoten doe op dit geldstukje, dat ik in een' boom gestoken heb, en het zesmaal zoo raak, dat het geheel in den boom gedreven is, krijg ik dan wat ik vraag?” Geszler zal dit niet willen gelooven en „ja” zeggen. Heb ik zesmaal geschoten en mijne belofte vervuld, dan vraag ik, als loon: de vrijheid van Vader.

Zoo had Walter als kind geredeneerd, en nu was hij bezig te beproeven, wat hij kon.

Zesmaal geraakt en, verdwenen in den boom het geldstukje! Het was hem gelukt!

Nog eens geprobeerd, en werkelijk, met denzelfden uitslag.

„Nu naar den Zwing-Uri,” dacht hij, en weldra was hij op weg naar dien vrij ver gelegen burcht.

Wat repten die kleine beentjes zich!

Wat keken die blauwe oogjes, stralend van onschuld, hoop en blijheid uit naar alle kanten om zich te verbergen, als hij iemand zag aankomen, die hem stellig alweer thuis brengen zou!

Wat stonden die stevige voetjes vast op het meer dan gevaarlijke pad langs den afgrond!

Wat klopte dat jonge hart van levenskracht en levenslust!

Van levenslust?

Ja, zeker, van levenslust, van levensblijheid zelfs!

„Halli! Halli! Hallo!” jodelde hij eenmaal.

En waarom ook niet?

Zie, eer de zon alweer achter de bergen neerdook, zou hij immers hier weer zijn? Maar dan niet alleen, doch met Vader bij zich!

Hé, wat zou hij grootsch zijn!

Daar bij den hoek vanwaar men hunne woning zien kon, zou hij eensklaps voortijlen om tot Moeder te roepen: „Moeder! Moeder! Daar komt Vader! Ik heb zijne vrijheid verdiend, door mij te oefenen in het schieten! Ik heb woord gehouden, weet je dat wel, Moeder? Ik had het u immers in het oor gefluisterd, en al lachten die Kuno en Eppo mij ook uit, ik gaf er niet om, want ik wist, dat ik woord houden zou! Ja, en... daar komt Vader!”

Arme Walter met uw moedig, goedig hart, wat bouwt gij daar in uwe kinderlijke eenvoudigheid toch luchtkasteelen!

Hoe zal alles heel anders afloopen dan gij denkt!

Maar uw woord houden, ja, kind, dàt zult gij! Gij zult uw' Vader vrijmaken, maar niet vandaag, neen, morgen nacht pas, en... gij zult er niet bij zijn.

Toch, ja tòch zal zijne vrijheid uw werk zijn, beste jongen! En als die nacht, waarvan ik sprak, voorbij zal zijn, dan zal Grootvader Walter Fürst u wat in het oor fluisteren, dat u veel harder, veel mooier en veel vroolijker dan zoo even zal laten jodelen: „Halli! Halli! Hallo!”

Ga gerust verder, beste zoon van zulke lieve Ouders! Op uw heerlijk en schoon pogen zal de zegen des Hemels rusten! Ga naar den Zwing-Uri!

Ga voort! Ga verder, Walter!

Ziet gij daar die torens? Ja?

Rept u! Rept u! Dat is de Zwing-Uri! Daar zit Vader in een' donkeren, vochtigen kerker, diep onder den grond.

Wat!? Doet gij het niet? Gaat gij er bij zitten?

Het is te gelooven, kind, dat ge moede zijt! De tocht was ook zoo moeielijk en zoo ver!

Rust wat! Goed, dan hebt ge straks nieuwe kracht, en te vaster zal uw handje zijn, als ge tot zesmaal achter elkander uw' pijl zóó wegschiet, dat hij even veel keeren hetzelfde doel raakt.

Zit, en rust wat!

Hij zet zich op het jonge gras onder de schaduw van een' kastanjeboom neer, en kijkt met wijd geopende oogen naar de torens en muren van den Zwing-Uri.

Maar die oogen doen raar, heel raar! De oogleden vallen nu en dan dicht; het blonde kopje knikt, schudt, buigt zich voorover en... blijft eindelijk voorover gebogen hangen.

Walter slaapt en droomt.

Een malle droom. In zijn' slaap meent hij steeds voort te gaan; hij nadert het kasteel! De muren zijn bezet met posten, die hem nijdig aanblikken.

En daar, te midden van ruwe schildwachten ziet hij Vader met de armen op den rug geboeid.

Een schildwacht neemt een' stok en wil Vader slaan!

Zal de slag neervallen?

De stok daalt; hij ziet Vader den breeden rug buigen om den slag te ontvangen, en...

„Vader! Vader!” gilt hij. „Hier is Walter! Hij komt u halen! Vader! Va....”

De schrik doet hem ontwaken, en wien ziet hij daar?

De weduwe Heinrichs, maar nu als Oostenrijksch ruiter gekleed, en vol angst roept hij uit:

„Weg! Weg! Leelijke heks! Je hebt onze pijlen betooverd en Vader gestolen! Weg! Weg, leelijke man! Walter Tell is boos op je! Weg, heks!”

De Oostenrijker, die werkelijk niemand anders is dan de man, die zich zoo kunstig in eene weduwe vermomde, rijdt de paarden van zijn' meester af. Zijn weg voert hem langs den kastanjeboom, en daar vindt hij den knaap, die hem bijna verraden had. Een leelijke grijnslach trekt over zijn gelaat en tevreden mompelt hij: „Eene heerlijke vangst, Fridel! Met dat uilskuiken kunnen wij den wilden vaderuil temmen!”

In een omzien is hij van zijn paard gesprongen, doch juist, als hij bij Walter is, heeft deze het einde van zijn' bangen droom, die hem luidkeels: „Vader!” doet roepen. En dan volgt van den ontwaakten knaap, dat: „Weg! Weg! leelijke heks! Weg, heks!”

„Je kakelt mooi, schreeuwleelijk,” zegt Fridel. „Dat zal ik je afleeren!”

Hij haalt een' doek uit den zak, maakt er eene prop van en stopt ze Walter in den mond. Met een paar lederen riemen worden de tegenspartelende beentjes en handjes machteloos gemaakt. Met het kind op den arm springt hij op een der paarden. Onder zijn' langen en ruimen mantel stopt hij het ventje weg. Geen Zwitser mag zien, wat hij daar bij zich heeft.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het uit de verte.

Fridel slaat er geen acht op, maar onder zijn' mantel voelt hij beweging, hij meent daar zelfs een' gesmoorden vreugdekreet te hooren.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het van dichter bij.

Fridel keert zich op het paard om; hij ziet niets! De blaffende honden zijn juist daar, waar de bergweg eene bocht maakt, en...

„Zeker „Treu” en „Thor”, die mijn spoor gevonden hebben,” mompelt hij.

„Wof! Waf! Wof! Waf!” klinkt het nu bijna in zijne onmiddellijke nabijheid en de geboeide knaap wringt zich haast van onder den mantel, die hem verbergt.

Weer ziet Fridel om; want Treu en Thor blaften toch anders! Deze honden huilen, janken en blaffen tegelijk.

„De honden van Tell! De bloedhonden!” roept hij verschrikt.

„Voort! Voort!” schreeuwt hij den paarden toe en geeft het ros waarop hij zit, zoo diep de sporen, dat het roode bloed de witte huid verft.

Als dol rennen de paarden voort, achtervolgd door Bruno en Wolf, die hun' jongen meester ontdekt hebben en hem nu bevrijden willen.

Helaas, tegen de voorthollende paarden, die nog niet vermoeid waren toen ze den dollen rit aanvingen, moeten Bruno en Wolf het verliezen, hoe ze zich ook met inspanning van alle krachten nog voortreppen.

Van den Zwing-Uri heeft men de wilde jacht zien aankomen, en nauwlijks zijn de paarden over de valbrug of de wachters halen ze op.

Fridel is met zijn „uilskuiken” in veiligheid. Voor de opgehaalde brug staan Bruno en Wolf met de tong uit den wijdgeopenden bek te hijgen.

Plons! daar springt Bruno in de slotgracht.

Plons! Wolf volgt hem.

„Schiet de duivels dood! Ze zijn dol!” schreeuwt Fridel den schildwachten toe.

Tal van pijlen worden op de trouwe dieren afgezonden.

Hun bloed kleurt het kristalheldere water. Twee, drie, vier pijlen blijven in hun lijf zitten. De trouwen! Ze zwemmen voort, steeds voort!

Maar trager, veel trager wordt hunne vaart!

Daar heft Bruno nog eenmaal den trouwen kop op! Een kreet, die iets menschelijks heeft, wordt gehoord!

Hij is dood!

Dood, de goede trouwe, brave, lieve hond!

Nog zulk een kreet!

Het is Wolf, die hem slaakt! Een pijl vliegt in den wijdgeopenden bek en blijft hem in de keel zitten.

Ook Wolf is dood!

En dat alles heeft Walter moeten aanzien.

Fridel heeft hem van onder zijn' mantel gehaald. Spottend haalt hij de prop uit zijn' mondje en maakt hij de riemen los.

„Daar gaan je broertjes om zeep, schreeuwleelijk!” zegt hij, met een' afschuwelijken grijnslach.

De laatste kreet van Wolf bereikt Walters oor. Zijn oog valt op zijn kinderboogje, dat vóór hem op het paard ligt. Zijn zwak handje grijpt dat boogje, van taai esschenhout vervaardigd, en eer Fridels grijnslach nog verdwenen is, striemt Walter den boog dwars over het gelaat van zijn' ontvoerder, die van pijn een gil laat hooren, akeliger en luider dan die van den stervenden Bruno en Wolf!

Met één sprong is Walter van het paard en vliedt.

Maar och, wat helpt het hem? Hij is op den voorhof van den Zwing-Uri te midden van mannen, die het arme kind najagen en grijpen.

„Wat is dat?” vraagt Landenberg, die juist gereed is om van zijn gewoon dagelijksch bezoek op den Zwing-Uri naar zijn eigen kasteel terug te keeren en door Geszler tot aan den voorhof gebracht wordt.

Bijna stikkend van woede en met eene streep, dik als een touw, dwars over het gelaat, vertelt Fridel alles.

„De honden opvisschen en begraven eer er een Zwitserachter komt,” beveelt Landenberg, die steeds vol vrees is voor de getergde woede van zijne landgenooten, die hij verraden heeft.

„En wat met dat jong te doen?” vraagt hij aan Geszler.

Een lach, onbeschrijflijk wreed, legert zich op het gelaat van den boozen Rijksvoogd.

„Weet ge wat goeds?” vraagt Landenberg, dien lach ziende.

„Ja! Die knaap is goud waard. Luister! Ik zal morgen Tell zeggen, dat hem alles vergeven is en dat hij in vrijheid kan heengaan, als hij een' appel van het hoofd zijns zoons schiet!”

„O, dan is hij morgen vrij!”

„Neen, niet vrij! Dat gevaarlijke pijlschot zal zijne hand doen beven; hij zal zijn eigen kind doodschieten, en dan, dan! Heerlijk! Heerlijk! Met de marteling zijn' zoon gedood te hebben, sturen we hem naar den Keizer. Dan zal hij langzaam, heel langzaam wegsterven van wroeging en leed. Een' wreederen dood ken ik niet voor hem. Zoo zal het zijn! Brengt den knaap weg, doch doet hem geen leed! Hij moet morgen, blozende van gezondheid, voor zijn' Vader staan, des te onzekerder wordt de hand!”

Landenberg is verrùkt! Dat is eerst nog eens eene straf, zooals hij zelf niet bedenken kon.

„Uitnemend! En hoe laat zullen we morgen die grap hebben?” vraagt hij Geszler.

„Morgen middag twaalf uur!”

„Goed! Ik kom! Dat wil ik zien! En waar?”

„Waar? Midden op de Markt van Altorf, in het gezicht van den Hertogshoed, dien hij bespot heeft!”

„Maar het Volk zal dat niet dulden!”

„Het Volk weet van niets en zit thuis of op het veld! Bovendien, we zullen zorgen, dat we gewapende mannengenoeg bij ons hebben! Alles loopt goed af, wees gerust! Tot morgen!”

Landenberg rijdt weg en als hij op zijn kasteel is, wordt daar spoedig verteld, wat er gebeurd is en welke heerlijke plannen Geszler heeft.

Claus verneemt het en mompelt: „Dat nooit! Dat nooit! Nu is het uur gekomen!”

Hij snelt naar den uitgang, doch als hij den boom verlaten wil, ziet hij Oostenrijksche houthakkers bezig met boomen vellen. Nu kan hij niet weg; hij zou zich verraden.

Eerst tegen den avond gaat het werkvolk huiswaarts. Nu verlaat Claus den boom, dien hij al geleerd heeft zonder touwladder af te dalen of te beklimmen.

„Voort, Claus, voort! Allereerst naar de arme Hedwig, die niet weet, wat er met haar kind gebeurd is! Dan naar Stauffacher, naar van Attinghausen, naar Walter Fürst! Ha! Thans begint de worsteling! Voort! Voort!”

Het buitengewoon warme weder heeft de sneeuw op de bergen vroeg doen smelten. Heele bergen van sneeuw storten naar beneden en maken de smalle paden onbegaanbaar! Claus' voeten glijden telkens uit. Daar is hij voor eene kloof waardoor de naaste weg naar Tell's woning leidt. De sneeuw heeft die kloof gevuld: er is geen doorgraven aan! Terug dan! Er zijn meer wegen! Speelt het noodlot dan met hem? Alweer heeft de sneeuw hier het pad versperd. Alweer een uur verloren! Voort! Voort! Van versperring tot versperring! Doodaf van vermoeidheid bereikt hij eerst tegen het morgengrauwen Tell's woning en... vindt ze verlaten. Wat daar woonde, zoekt! Alleen kleine Willem ligt op zijn kamertje nog te bed en heeft beloofd te zullen blijven liggen. Alles doorsnuffelend komt Claus ook daar en vertelt nu aan het kind alles! Weg is hij weer! De zon is al op en het zal spoedig middag zijn. Stauffacher is op het veld.Hem opgezocht, spoedig! Een half uur zoeken! Eindelijk gevonden, eindelijk, en het is al negen uren! Voort! Nu naar Walter Fürst! Stauffacher belast er zich mede om van Attinghausen van alles, wat gebeurd is, in kennis te stellen.

Hij is echter ontevreden, bitter ontevreden!

„Te vroeg, veel te vroeg!” mompelt hij. „We zijn nog niet klaar en Tell wist dat; hij wist het beter dan menig ander, want ik heb het hem meer dan aan eenig ander uitgelegd, waarom wij nog niet in verzet en opstand kwamen. Moedig, ja, dat is hij, maar zijn moed grenst aan overmoed, bijna aan drieste lichtzinnigheid. Wat deed hij op de Markt te Altorf? Wat anders dan toegeven aan zijne begeerte den Oostenrijker te toonen, dat hij hem verachtte. Hij had er niets noodig en wist dat wij, die de ziel van den opstand moeten worden, besloten hadden niet op de Markt te komen vóór de tijd daar was! Hij kon toch begrijpen, dat het niet groeten van dien Hertogshoed gevolgen hebben moest? Maar, gedane zaken nemen geen' keer. Er moet nu een ander plan gemaakt, er moet gehandeld worden. Toch kan alles nog kalm in zijn werk gaan, want de Oostenrijker weet niet beter of wij zijn met alles onbekend. Die Claus, ja, die Claus is onbetaalbaar. Met zulke mannen doet men wonderen, en... och, misschien, misschien dat alles nog beter afloopt dan ik vrees. In alle gevallen nu met kracht handelen en den strijd aanvangen, den strijd op leven en dood voor onze vrijheid! Voort, naar van Attinghausen! Niets zonder hem!”

Stauffacher rept zich naar zijn' ouden vriend en in dien tusschentijd is Claus naar Walter Fürst gesneld. Zijn gang is echter vergeefsch. De arme Vader heeft tijding gekregen van het verdwijnen van zijn' lieven kleinzoon Walter, en waar is hij nu meer noodig dan bij zijn kind, de arme Hedwig, dat veel beproefde Moedertje? Hij is er heen geijld zonder er zelfs zijne vrouw kennis van gegeven te hebben.En als die goede ziel nu uit den mond van Claus verneemt, wat er in de bergen is voorgevallen, weet ze niet, wat ze doen moet.

Wat moet Claus nu aanvangen?

Hij kan en mag het volk niet in beweging brengen! Slechts zeer enkelen zijn met zijn geheim bekend!

Hij staat stil en denkt!

„Alles, wat maar eenigszins kan, zal zich naar de Markt te Altorf spoeden en de Sarnenstein zal zoo goed als verlaten liggen. Wie weet welk eene goede gelegenheid ik dan heb om binnen den burcht te komen! En dan tegen den nacht alweer naar Stauffacher. Hij zal mij mannen geven en... morgenochtend is de Sarnenstein in onze handen! Wie weet of we vriend Landenberg dan zelfs niet in onze macht hebben! Dat zou nog eens een gijzelaar zijn!”

Opgewekt spoedt hij zich voort, doch langs allerlei sluippaden want men mag hem niet zien.

Hij is in het bosch en...

„De houthakkers,” denkt hij.

Gelukkig! Het is stil in het bosch! Ook houthakkers zijn nieuwsgierig, en allen zijn naar de Markt in de stad. Ze willen dat schot ook zien doen.

Ongemerkt bereikt Claus dus den boom en spoedig is hij voor ieders bespiedend oog verdwenen.

Op de gewone manier sluipt hij voort en ziet, dat men bezig is met water putten. Dat is nu wel iets zeer gewoons en heeft hij al zoo dikwijls gezien, maar nu moet hij er bij zijn. Als er wat gezegd wordt, moet hij alles hooren. Zonder de noodige voorzichtigheid in acht te nemen loopt hij voort. Hij denkt slechts aan al, wat er buiten om gaat en aan zichzelven denkt hij niet. Het prikkelt in zijn' neus en eer hij er op bedacht is om de hand of een' doek voor den mond te houden om zoo het geluid te dempen, niest hij.

Opeens blijft de wateremmer onbeweeg'lijk hangen, en Claus schrikt, hoe kon hij zich zoo vergeten?

„Wat is het?” hoort hij boven zich vragen.

Claus herkent in de stem van den vrager den ouden Oostenrijker Ludwig.

„Ik hoor daar in den put niezen,” antwoordt de ander in wien Claus dadelijk Albrecht, den vriend van Ludwig herkent.

„De Kabouters[3]misschien, of de Nixen hebben je eene poets gespeeld. Ik hoor daar zoo dikwijls wat. Gisteren nog heb ik er duidelijk iemand zich hooren voortschuifelen. Maar zeg, waarom ben je niet naar Altorf? Ben je niet nieuwsgierig te weten hoe dat schot afloopen zal?”

Claus, die daar in de diepte geheel onzichtbaar was, waagde het om eens even naar boven te kijken, en zag beide mannen op den gemetselden rand van den put zitten. Hij wilde zich overtuigen of hij werkelijk te doen had met de twee mannen, die hem reeds vroeger hadden doen hooren, dat ze vijanden waren, die het hart op de rechte plaats droegen.

Zoodra hij ze zag, zeî hij tot zichzelven: „Ze zijn het, maar nu toegeluisterd zonder hen verder aan te kijken, want wakker zijn ze, dat moet ik erkennen, en als ze mij zagen, dan zouden ze hun' plicht doen, dat is zeker. Maar als het er op aankomt, sparen zullen we die twee toch!”

„Waarom is Ludwig niet naar de stad?” vraagt Albrecht. „Is hij niet nieuwsgierig? Hij houdt anders toch wel van een goed schot!”

„Ja, van een goed schot houd ik, Albrecht,” luidt het antwoord. „Maar dat schot wil ik niet zien. Foei, ik schaam mij tegenover elken Zwitser, dat ik ook Oostenrijker ben. Zóó bestrijdt een mensch, dat nog gevoel van eer heeft, zijn' vijand niet! Dat is een moordenaarswerk!”

„Juist, Ludwig, dat zeg ik ook, en daarom ging ik evenmin als gij naar Altorf! Wil je wel gelooven dat ik, als ik zag dat de arme Vader zijn' zoon doodschoot, instaat zou zijn om...”

Hij hield zijne woorden in.

„Vertrouw je mij niet, dat je zoo opeens zwijgt? Welnu, ik vertrouw jou wel. Als Tell de moordenaar zijns zoons geworden is, dan wil ik Geszler of Landenberg niet langer meer dienen. Ludwig is de knecht van een' krijgsman, maar niet van een' beul. En ik vrees, dat hij misschieten zal. Men zegt dat zijn boog gewijd is, omdat hij eenmaal in het Heilige Land gediend heeft tegen de vijanden van het Kruis. Dien boog mist hij en de vreemde boog zal zijne hand onvast maken.”

„Maar wat zullen wij doen, als we de Rijksvoogden niet meer dienen willen? We kunnen dit land niet verlaten zonder in hunne handen te vallen. Den dood te ontkomen kan maar op ééne wijze geschieden, en dat is door ons bij de Zwitsers aan te sluiten.”

„En verraders worden? Neen, Albrecht, dat nooit! Ik verraad mijn' Vorst en mijn Volk niet. Wat ik doen zal, weet ik nog niet. Mogelijk weet ik het, als het schot geschied is. Het kan ook wel zijn, dat de Zwitsers het beletten.”

„Onmogelijk! Geen Zwitser komt op de Markt sedertTell daar kwam, en hoe zouden ze weten, wat er gebeuren moet? Ze denken immers, dat Tell ergens in den afgrond gestort is, en niemand der Zwitsers weet, dat hij als gevangene op den Zwing-Uri leeft. Dat zijn zoontje daar ook is, weet eveneens niemand. Maar waarom glimlach je zoo geheimzinnig?”

„Om je onnoozelheid, Albrecht! Is het niet gebleken, dat de Zwitsers alles weten, wat door de Rijksvoogden besloten wordt? Den heelen winter, van den dag af waarop Claus verdween, kon er geen besluit genomen worden, of het kwam immers later uit, dat de Zwitsers het wisten? Ben je die hooi-geschiedenis dan vergeten?”

„Neen, maar ik geloof, dat de Zwitsers een verbond met den Booze gesloten hebben. Geloof je dat ook niet?”

„Ik zàl het gelooven, als je mij zegt, hoe Claus het ontkomen is. Zelf heb ik hem in den wijnkelder zien gaan. Door de gewone deur is hij er niet uitgekomen en toch was hij weg. Hij moet uit den kelder eene vluchtgang geweten hebben en daardoor ontsnapt zijn. Al die oude burchten, hier, zoowel als in Tirol, hebben zulke vluchtgangen.”

„Claus is immers stokdoof! Hij kan niet hooren, wat er gezegd wordt.”

„Aan die doofheid twijfel ik sterk, maar al is hij doof, wat hindert dat? Waar hij uit kan, daar kan een ander immers in?”

„En waarom zeg je dat niet aan Landenberg?”

„Waarom niet? Denk je, dat ik Claus aan de martelingen van een' beul zou willen overgeven? Eer ik dat doe, moge de tong in mijn' mond verstommen. Maar, gij weet het nu, zeg gij het Landenberg dan!”

„Ik, Ludwig, ik?? Nooit! Maar nu ge mij van die vluchtgang gesproken hebt, ben ik bang, dat op den een' of anderen dag de Sarnenstein overrompeld zal worden. Wat dan?”

„Wat dan? vraagt gij? Dan kunnen we op eervolle wijze aan ons beulsknechten-leven een einde maken. Wij sterven dan met het zwaard in de vuist den krijgsmansdood. Wat kunnen wij beter wenschen? Onze vrienden zullen dan een woord van lof voor ons hebben en onze vijanden zullen ons althans niet verachten. Hoort ge niets?”

„Hier in den put?”

„Neen, buiten! Men komt te paard aansnellen! Mee naar de poort! Wie weet, wat er gebeurd is? Hoor, er zijn meer paarden! De Zwitsers zijn zeker in opstand geraakt! Mee! Mee!”

De beide mannen repten zich naar de poort om deze te verdedigen, en Claus brandde van nieuwsgierigheid om te weten te komen, wat er gebeurd was. Hij kon echter niets doen dan blijven, waar hij was en moest dus geduldig wachten. Gelukkig duurde dat wachten slechts zeer kort.


Back to IndexNext