Hoofdstuk IX.

Hoofdstuk IX.De hersteller van de orde na den Beeldenstorm. De nieuwe eed. 1566–1567.Oranje spande zich in Antwerpen met alle macht in, de orde te herstellen en werkelijk gelukte het hem binnen een kort tijdsverloop, met medewerking van de Magistraat, vergelijkenderwijze de stad weder tot rust te brengen. Hij slaagde er in, de vreemde kooplieden, die gedreigd hadden de stad te zullen verlaten om elders hunne zaken te hervatten, te overreden in Antwerpen te blijven. Ook besloot hij de preeken niet te verbieden, maar te zorgen, dat zij rustig gehouden werden. Zijn voorstel om de stedelijke militaire macht met een paar honderd man op kosten van de stad te versterken, vond geen goedkeuring bij de Magistraat.De Landvoogdes was ondertusschen zeer bevreesd geweest, dat de geheele stoet van de verzamelde edellieden te St. Truyen weer naar Brussel zou komen. Door invloed van den Prins, van Duffel uit, werd zij hiervan bevrijd. Slechts een commissie van twaalf gedeputeerden, gewoonlijk de twaalf Apostelen genoemd, met Lodewijk van Nassau aan het hoofd, kwam in Brussel, om het tweede verzoekschrift aan te bieden. Niet dan met moeite liet de Landvoogdes zich bewegen de gedeputeerden te ontvangen. Stoute taal lieten zij hooren. Medewerking zouden zij verleenen om de vrede te helpen bewarenindienwerd toegestaan, dat er geen wraak zou genomen worden over het verledene, dat de regeering hun toestond zich met de gereformeerden te vereenigen en hun godsdienstoefeningen zouden worden beschermd, dat Oranje, Egmond en Hoorne in alle gewichtige zaken zouden worden geraadpleegd en als de Landvoogdes de Staten-Generaal wilde bijeenroepen.Het smeekschrift van April was Margareta al te ver gegaan, maar dit nieuwe verzoekschrift was, zooals zij het zelf uitdrukte “nog veel wranger van smaak en nog veel harder om te verduwen.”Ten einde over dat verzoekschrift en het antwoord er op te geven teberaadslagen, riep Margareta tegen den 18enAugustus de Ridders van het Gulden Vlies en de leden van den Raad van State bijeen; met opzet nam ze een uitstel van drie weken in de hoop, dat inmiddels antwoord uit Madrid zou komen op het verzoekschrift van April en haar hoop, zullen we zien, werd verwezenlijkt.Ook den Prins schreef ze herhaaldelijk naar Antwerpen om haar toch in Brussel te komen bijstaan. Daartoe was echter Oranje allesbehalve gezind, want hij wist, dat de schijnbare kalmte in Antwerpen slechts aan de oppervlakte lag. De regentes echter weigerde naar zijn bezwaren te luisteren. Al verzekerde hij, dat zijn vertrek het sein zou wezen tot onlusten en dat het gevaarlijk was, de opgeruide menigte aan zich zelf over te laten, zonder een leidsman, dien ze vertrouwde, toch werd hij telkens dringender naar de hoofdstad ontboden.De 18deAugustus was toen en is nog een geliefde heilige dag voor de Vlaamsche stad. Een klein beeldje van de H. Maagd, in de Antwerpsche Kathedraal bewaard, werd op dien dag gewoonlijk door de stad gedragen. Het was het feest van den “ommegang.”Kennende het gevaar van samengevloeide menigten, drong de Prins er op aan, althans zijn vertrek tot na dat feest uit te stellen. Op den 18enAugustus was hij dus nog in Antwerpen en woonde zelfs als ooggetuige, voor een venster op het stadhuis, met de Prinses en met Lodewijk den feestelijken omgang bij.Toen het kleine beeldje, als naar gewoonte bedekt door de rijke geschenken, die van tijd tot tijd haar toevloeiden, het heiligdom verliet, werd het van den kant der menigte, die op een veiligen afstand volgde, met spotkreten begroet en bij tusschenpoozen, als het rumoer wat bedaarde, werden de honende woorden vernomen: “Maaike, Maaike, uw uur heeft geslagen. Het is de laatste maal, dat gij zoo rondgaat. De stad is u moede geworden.”Er werden enkele steenen geworpen, maar ze beschadigden niets en het arme onschuldige beeldje, voor de eerste maal oneerbiedig behandeld, werd veilig en wel in het heiligdom teruggebracht. Gewoonlijk werd het na den terugkeer van haar omgang bij de westelijke deur van de Kathedraal geplaatst, om daar nog gelukwenschen en geschenken te ontvangen. Maar dit jaar waren haar bewakers al blij genoeg, dat ze haar veilig onder dak hadden teruggebracht, dan dat ze verder gevaar wilden loopen en het beeldje werd in het koor achter een ijzeren traliedeur geplaatst.Daags na de processie, gaf Oranje gehoor aan den oproep der regentes en ging vroegtijdig naar Brussel, in de hoop, dat het gevaar niet dreigend zou zijn en toch was hij niet vrij van vrees. Die vrees bleek spoedig maar al te gegrond.Voordat hij nog Brussel had bereikt, verzamelde zich een menigte bij de deur der Kathedraal; het verborgen beeldje werd ontdekt en het volk begon de kreten van den vorigen dag te herhalen: “Maaike, Maaike, zijt gij zoo vroeg bevreesd geworden? Zoo spoedig naar uw bergplaats gebracht? Dacht gij buiten het bereik van kwaadwilligheid te zijn? Waak, Maaike, waak, uw uur is gekomen!”De kerk stond open, gelijk toen en gelijk nog de gewoonte is en de menigte liep in en rond het gebouw even vrij als de toerist van heden.Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).Een in lompen gehulde kerel kwam op het denkbeeld, om den preekstoel te beklimmen; hij opende den bijbel en begon spottend een monnikenpreek na te bootsen. Sommigen van de ooggetuigen waren verontwaardigd. Maar anderen juichten den man toe en schreeuwden: “Lang leven de Geuzen!” woorden, die voor een Vlaamschen volkshoop even natuurlijk begonnen te worden als de Marseillaise voor onze hedendaagsche oproermakers. Doch die kreet had volstrekt niet altijd bijzonder het oog op de verbonden edelen.De volkssympathie was niet geheel met de hervormingsgezinden. De spotboef, die op den preekstoel was geklommen, werd door enkelen uit den volkshoop beetgegrepen. Een jonge schipper, die aan den anderen kant den kansel opklauterde, pakte hem beet en sleurde hem van de trappen. De twee worstelaars waren ongedeerd, maar er volgde een algemeene verwarring. Een pistool werd afgeschoten en de schipper in den arm gewond. Met de grootste moeite slechts slaagden de priesters er in, de kerk te doen ontruimen en de groote kerkdeuren werden gesloten.Intusschen was de vroedschap op het stadhuis samen gekomen. De eenige man, op wien zij gedurende de laatste weken hadden vertrouwd, was weggegaan en er was geen telegraaf om hem terug te roepen. Ze zonden hem echter een ijlbode achterna. Den dag brachten ze met ijdele besprekingen door en eindelijk gingen ze naar huis, zonder een besluit te hebben genomen, maar in de hoop, dat de nieuwe morgen rust zou aanbrengen. De volkshoop echter, ziende, dat er geen maatregelen tegen hun wetteloos gedrag waren genomen, werd hoe langer hoe stoutmoediger. Toen den volgenden morgen de kerkdeuren werden geopend, stroomde een woedende menigte binnen en het: “Lang leven de Geuzen!” weerklonk door het gebouw. Spotkreten en bedreigingen werden tegen het ongelukkige kleine beeldje geslingerd.Een arme vrouw, die waskaarsjes verkocht, werd het mikpunt van de grappen van den volkshoop, hetgeen zij beantwoordde met de plagers asch en vuilnis naar het hoofd te werpen, misschien getergd, doordat men haar zeide, dat er geen trek meer voor die koopwaar was en dat ze haar kraam wel kon opbreken. Ondertusschen werd de kerk al voller en voller en ontstond er weer een heftig tumult. Toen besloot de Magistraat gezamenlijk naar de kerk te gaan en te zien, wat haar plechtige tegenwoordigheid zou uitwerken. Dat was echter olie in het vuur. Wel werden op voorstel van den Raad alle deuren op een na gesloten, omdat men hoopte, dat dan de menigte uit dien eenen uitgang de kerk zou verlaten. Maar ook dit baatte niet; de weerspannigsten bleven in de kerk en anderen stormden er weder in. Ten einde raad ging de Magistraat weer naar het stadhuis, om over nieuwe maatregelen te raadplegen. Maar in dien tijd was de Kathedraal aan de willekeur der bestormers overgeleverd en het verwoestingswerk ving aan.Het beeld der H. Maagd was het eerste slachtoffer. Haar glans werd in de vier hoeken van den wind verstrooid en haar zielloos lichaam in stukken gehakt. Daarop keerde de woede van het gepeupel zich tot andere versieringen; beelden, schilderijen, altaren werden zonder acht te slaan op ouderdom, kunst of kostbaarheid vernield. Voor middernacht was de prachtig versierde kerk, zooals er in Europa geen tweede te vinden was, in een ledigen, akeligen romp veranderd. Al de haat tegen priesterbedrog en Roomsche gebruiken barstte los en zij,die uit werkelijken godsdienstijver handelden, werden door het gespuis, dat alleen uit lust in oproer zich bij hen voegde, geholpen.En daarop toog de menigte van de eene kerk naar de andere; twee dagen en twee nachten duurde de vernieling. Beelden werden gebroken, schilderijen vernield, crucifixen afgeslagen, doch alle schrijvers erkennen, dat er geen plundering plaats had. De gehate voorwerpen, zelfs die van groote waarde, werden vernield maar niet gestolen. De vroedschap, onbekwaam om den storm te bedaren, sidderde van ontzetting, hopende op ’s Prinsen terugkomst en vreezende voor hun leven. Doch hun angst daarvoor was overbodig. Geen persoonlijk geweld van eenigen aard werd er bedreven; geen enkel mensch werd leed gedaan. Dit was een sprekende trek gedurende dien geheelen storm van geestdrijverij, die gedurende de maand Augustus door het land woedde. Beelden werden vernield, maar menschenlevens overal gespaard.De tijding bereikte Brussel en bracht de Landvoogdes in de hevigste ontroering. Waarom Oranje niet onmiddellijk aan den wensch der Antwerpsche overheid voldeed, om daar terug te keeren, is niet bekend. Waarschijnlijk was het Margareta, die hem tegenhield. Hij was volgens haar meening een volkstribuun en tegenover de dreigende volksmacht wilde zij een beschermer. Margareta begreep natuurlijk niets van dien beeldenstorm. Het groote beest, het volk, had zijn horens getoond; het moest worden overwonnen en tot onderwerping gebracht. Van een mogelijk recht, dat daaraan ten grondslag lag, had zij geen begrip. Haar voornaamste aandoening echter was vrees bij de uitbarsting en ze zocht naar elke bescherming, die zich aanbood.Om 3 uur in den morgen van 22 Augustus werden Egmond, Hoorne, Oranje en anderen in het paleis geroepen. Het voorplein lag vol kisten en koffers en de regentes stond gereed, naar Mons te vluchten, waar Aerschot het bevel voerde. Aremberg, Barlaimont en Noircarmes waren reeds bij de Landvoogdes, toen de anderen aankwamen. Al hare raadslieden verzetten zich tegen dit roekeloos plan, dat een algemeenen opstand zou ten gevolge hebben. Had men de regentes tot vertrek kunnen bewegen, dan zou het Oranje niets gekost hebben, de teugels van het bewind te aanvaarden; hij deed niets van dien aard, maar wees integendeel Margareta op de uiterste dwaasheid van zulk een handelwijze.De oude president Viglius kwam met de tijding binnen, dat de burgers de poorten van Brussel hadden gesloten om het vertrek van de regentes te beletten. Zij overlaadde den armen ouden man met een vloed verwijten; toch week ze eindelijk voor den aandrang harer raadslieden, als wier gevangene zij zich nu beschouwde.Mansfelt werd met het opzicht over de stad belast, terwijl Egmond, Hoorne en Oranje zich onder hem schaarden. Er liepen dan ook geruchten, dat de beeldstormers van plan waren, in den nacht van den 24enAugustus op alle Brusselsche kerken een aanval te doen. De eene paniek volgde op de andere en de Landvoogdes was met moeite tot bedaren te brengen. Die angst vermeerderde bij elk bericht, dat uit andere Vlaamsche steden kwam. In Doornik, Valenciennes, Gent en Mechelen hadden de berichten uit Antwerpen eveneens een vuur ontstoken. Tevergeefs trachttemen den hartstocht van den volkshoop te breidelen; de furie van den beeldenstorm was ontembaar.Op 25 Augustus werd Margareta tot een gewichtige concessie gedwongen. Eenige dagen te voren was er van Filips tijding gekomen, in antwoord op het verzoekschrift van April; het behelsde, dat de inquisitie kon worden afgeschaft en dat er een gematigd plakkaat moest worden ontworpen. Dat bericht, hoe nietswaardig ook, daar Filips terzelfder tijd aan den Paus verzekerde, dat die belofte aan de Nederlanders hem slechts door den nood was afgedwongen en daarom ijdel was, dat bericht moest thans dienen om de edelen te bevredigen. Zelfs beloofde Margareta hun, dat zij bij den koning zou aandringen op het bijeenroepen der Staten-Generaal, waartoe hij nog geen verlof had gegeven. Zij erkende met weerzin, dat de hervormingsgezinden haar te machtig waren geworden en dat zij hun recht om God te dienen naar hun eigen wensch niet langer veilig kon ontkennen. En daarom teekende zij ook een verdrag (Accoord), waarbij de vrije prediking werd toegestaan op plaatsen, waar die tot nu toe reeds bestaan had, terwijl de Edelen van hun zijde het Compromis beloofden op te heffen.Die laatste belofte was een groote fout. Welk aandeel Oranje daaraan gehad heeft, is moeilijk te bepalen, doch zooveel is zeker, dat Lodewijk van Nassau de bewerker van het verdrag is geweest. Brederode en Jan van Marnix (Toulouse) keurden het met scherpe woorden af. De eerste zeide zelfs, dat hij altijd gedacht had “que la seule mort nous pouroit séparer du Compromis.”Ook een groot deel van het volk beschouwde dit verdrag als verraad aan de goede zaak gepleegd. De vrije prediking alleen toe te staan op plaatsen, waar die reeds gehouden werd, stond gelijk met een verbod en was te duidelijk bewijs, dat Margareta alleen uit vrees en voor ’t oogenblik iets toegaf.Waarschijnlijk is Lodewijk van Nassau evenals zijn broeder, de Prins, uit vrees voor de uitspattingen van het Calvinisme, tot het sluiten van dat verdrag gekomen. De vergunning der vrije prediking, waar ze reeds bestond, scheen in de oogen van het volk, dat daarvan voordeel trok, een groote stap voorwaarts. Toen dit bekend werd, was de onnadenkende menigte uitgelaten van vreugde en meende in haar opgewondenheid den dageraad van een nieuwen dag over land en volk te zien aangebroken.Op 26 Augustus keerde Oranje naar Antwerpen terug en op den 29enschreef hij aan Margareta:“Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen, overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit, van Uwe Hoogheid en van mij zelf.“Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij opdroeg, om geld gereed te houden, debandes d’ordonnancete betalen.”Oranje vond natuurlijk volop bezigheid in Antwerpen. De geheele stad zag er uit, alsof er een cycloon over was heengegaan. Het was een zware taak de orde teherstellen. Buitendien was de positie van den Prins op dat oogenblik uiterst vreemd.De verbondenen bleven Margareta’s goede trouw verdenken. Zij besloten gewapende mannen in hun dienst te nemen en Jan van Nassau zelfs had op zich genomen, Duitsche hulptroepen voor dit doel te lichten.Oranje kan hiermede niet onbekend geweest zijn. Natuurlijk was het lichten van troepen om zich te verzetten tegen regeeringsmaatregelen een revolutionaire daad—maar toch was er zeker nooit een loyaler rebel dan de Prins. Hij toch liet geen steen ongekeerd, om allen burgers te geven, wat hun toekwam en publiceerde een ordonnantie, die onder bedreiging van de doodstraf, de minste stoornis van den katholieken eeredienst of eenige beleediging van geestelijken verbood en hij toonde zelfs zijn beslistheid om door te zetten, door drie beeldenstormers in zijn tegenwoordigheid te doen ophangen.Hij toonde hoe krachtig hij zich kon beheerschen in het handhaven van het koninklijk gezag, zoover dit maar eenigszins mogelijk was, terwijl hij terzelfder tijd duidelijk aan de regentes uiteenzette, dat de regeering alleen haar eigen zwakheid openbaarde door wetten te maken, die niet konden worden uitgevoerd en dat er een zekere vrijheid van godsdienst aan de bevolking moest worden toegestaan. Hij gaf zijn goedkeuring aan de versterking van het garnizoen in Antwerpen en elders, maar liet ook geen gelegenheid voorbijgaan, aan te dringen op een bijeenroeping van de Staten-Generaal.De brieven van Margareta ademen doorgaans vertrouwen in hem. Op den 1enSeptember verzocht zij hem bij haar te komen, toen zij kwade geruchten gehoord had van lichtingen der verbondenen in Duitschland, maar toch was ze angstig, hem te raadplegen. Indien ze geweten had, dat op den dag vóór zij schreef, de Prins een langen brief aan Hendrik van Brunswijk had gezonden, om verder verstuurd te worden aan de Hessische vorsten, den hertog van Cleef en Graaf Schwartzburg, dan zou ze niet zoo angstig voor zijn raad geweest zijn.Daarin toch beschrijft hij het wilde spel, dat de godsdienst in de Nederlanden had gespeeld, daaraan deze woorden toevoegende: “Wij kunnen wel gissen dat dit gedrag onzen genadigsten Heer, de Koninklijke Majesteit van Spanje ten zeerste zal mishagen en grieven, gelijk het inderdaad niet minder ons ontrust en krenkt.” Hij zegt zelfs, dat, als de Spaansche Koning de Inquisitie spoediger uit het land had gebannen, deze beweging niet zou ontstaan zijn en de oude Katholieke godsdienst beter zou hebben kunnen gehandhaafd worden.Zijn woorden zijn als altijd, ook hier zeer oordeelkundig gekozen; de lezer proeft er uit algemeene liefde tot vrede en orde en een werkelijke aanhankelijkheid aan het Katholicisme. Hij herhaalt zijne overtuiging, dat, indien men den Hervormden rustige uitoefening van hun godsdienst had toegestaan, alles goed zou gegaan zijn. Hij hoopt, dat Filips nog zal hooren naar rede en dat de toestand zal verbeteren.Uit dergelijke brieven leert men het karakter van den Prins het best kennen. Indien dit verraad was, dan was het wel het openhartigst samenzweren, ooit door een staatsman in praktijk gebracht. Hij was een Washington gelijk, die elken stap voorwaarts in de oogen der wereld wenschte te rechtvaardigen.Lodewijk, die destijds in Breda was en die evenals de Prins de heftigeCalvinisten als gevaarlijke oproermakers beschouwde, was nog steeds in de weer, de Duitsche vorsten tot hulp te overreden. Hij schreef daarover zelfs aan zijn broeder te Antwerpen, die, hoe regeeringsgezind ook, toch ook steeds op de mogelijkheid van gewapend verzet bedacht bleef.Volgens Lodewijk zou de overeenkomst, die hij zou aangaan met George van Holl, den koning wel noodzaken, wat water in zijn wijn te doen. Lodewijk werd dan ook voor veel gevaarlijker geacht dan Oranje. De koning verzocht zelfs aan Oranje, Lodewijk voor eenigen tijd weg te zenden, hetgeen Margareta met aandrang herhaalde. Door Lodewijks verwijdering hoopten zij den band te zullen verbreken tusschen de ketters der verschillende landen, doch de Prins weigerde zijn broeder weg te sturen.Sir Thomas Gresham, de bekende Londensche koopman, stichter van de Londensche beurs, die ook groote zaken dreef, had het raadzaam gevonden, naar die stad terug te keeren, toen hij van den onrustigen geest, die daar heerschte, hoorde. Op den 8enSeptember schreef hij vandaar het volgende:“Den vierden dezer maand, liet de Prins van Oranje mij vragen, met hem te dineeren. Ik had een hoogst aangenaam onderhoud met hem. Hij vroeg mij naar de gezondheid van Hare Majesteit (Elisabeth); vertelde mij alles wat er in de stad plaats had gehad; wat een gevaarlijke taak hij had te vervullen en hoe hij met de Protestanten een overeenkomst had gesloten, welke hij mij door den secretaris der stad, Wesembeke (dezelfde die in Engeland kwam voor den vrijen handel in het koren) liet voorlezen. Op denzelfden dag werd de overeenkomst op het stadhuis geproclameerd.De copie daarvan zend ik U hierin gesloten. Maar bij al wat de Prins sprak, zeide hij: “De koning zal niet tevreden zijn met hetgeen wij thans doen,” hetgeen mij deed denken, dat die zaak nog lang niet geëindigd was, maar wel tot grooten rampspoed voeren zou; vooral als de koning van Spanje de bovenhand krijgt. Ook vroeg hij mij, of ons volk van plan was, de stad te verlaten. Ik zei hem, dat ik daarvan niets gehoord had.”Blijkbaar had Oranje dien maaltijd gegeven, om de meening der Engelschen te weten te komen.Men kan zich licht voorstellen, hoe angstig de familie van den Prins op het rustige Dillenburgsche kasteel naar de aankomst der koeriers uitzag.Gravin Juliana was nog in leven. De toestand in de Nederlanden, waarbij een harer zoons aan de zijde der wet en der gevestigde regeering stond, maar de ander min of meer rebelleerde tegen het gezag, dat zijn broeder vertegenwoordigde, boezemde aan de moeder grooten angst in.Einde Augustus 1566 schrijft ze aan Lodewijk o. a.:“.....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets raadt noch doet dat tegenGods woord indruischt en dat in strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart van land en luiden.Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen, niet verlaten enz.”Ongetwijfeld werden de Nassausche vorsten in hun godsdienst door staatkundige motieven geleid; niet aldus hun brave moeder. De godsdienst was leven voor haar en menig innig gebed zond ze omhoog voor de geliefde, dierbare zonen, die in een vreemd land in de moeilijkste zaken gewikkeld waren.In hoever het den Prins gelukte, de orde in Antwerpen te herstellen, blijkt het best uit zijn brieven aan de Landvoogdes. Reeds 2 September 1566 kon Oranje haar berichten, dat er weder in de groote kerk Notre Dame gepreekt werd en ook de mis in tegenwoordigheid van een groote menigte was gecelebreerd.Hij geeft haar tevens te kennen, dat door hem niets zal worden nagelaten, den godsdienst overal weder te herstellen overeenkomstig de bevelen van haar, maar hij vond de oppositie in de stad zelfs onder menschen van goeden stand zeer sterk.Twaalf dagen dus na de verwoesting van de Antwerpsche Kathedraal was de kerk weder voor haar oorspronkelijk doel hersteld en dat alleen door inspanning van den man, wiens naam later gold als synoniem van het strijdend Protestantisme. In een later schrijven zegt Oranje, dat hij met de grootste moeite de beroeringen tot rust heeft gebracht.De aanhangers van den nieuwen godsdienst zijn zoo talrijk, dat zij meenen alles in hun macht te hebben. Daarom zendt Oranje bij den brief een overeenkomst, die hij na eindelooze discussies heeft tot stand gebracht en die o.a. inhoudt de prediking binnen de muren toe te staan; hij hoopt, dat de Landvoogdes hare goedkeuring daaraan zal kunnen verleenen; hij wijst haar op het ontzaglijke aantal van 18 à 20.000, dat buiten de muren der stad het preeken bijwoont en spreekt de vrees uit, dat bij weigering er nog meer beroering zal komen, daar er vele landloopers en vagebonden zijn, die zich wel met het groot aantal werklooze arbeiders zouden kunnen vereenigen.Oranje hoopt vooral, dat de Landvoogdes de numerieke sterkte van de hervormden in Antwerpen niet te licht zal schatten.Margareta was ten zeerste ontevreden over de erkenning der schadelijke sekten en over de concessies, die hun waren gedaan. Haar brieven zijn dan ookvol tegenwerpingen over zijn handelwijze, terwijl Oranje’s verontwaardiging steeds grooter werd over haar verwachting, dat hij het onmogelijke doen zou, op een oogenblik, dat hij reeds verricht had wat onwaarschijnlijk scheen.In het begin van September schreef Egmond aan Oranje, toen hij gereed stond naar zijn gouvernement te vertrekken. Ook Egmond ging naar Vlaanderen om het Accoord in zijn gouvernement ten uitvoer te brengen. Dit was voor alle stadhouders een moeilijke taak. “Het teugelloos gemeen tot zijn plicht te brengen, het beeldstormen te verhinderen, de bedrijvers der wanorde te straffen, de openbare preek te bepalen tot die plaatsen, waar ze voor den 23enAugustus werd gehouden en voor dit alles geen andere middelen, dan goede woorden te hebben, daar de regeering geen troepen kon missen; het was een uiterst zware plicht.Toch slaagden ze er in door hun invloed en den bijstand der gezeten burgers, maar voor al hun moeite kregen ze weinig dank van de Landvoogdes, die van haar eigen concessies gruwende, het hun kwalijk nam, dat ze ter goeder trouw het Accoord naleefden.”Al hield Egmond, de meest katholieke der drie, zich het naast aan de bedoeling der Landvoogdes, ook hij gevoelde niet vertrouwd te worden. Egmond klaagt er ook over, dat Margareta op niemand anders haar vertrouwen schijnt te stellen dan op Barlaimont, Viglius, Assonleville en mannen van dat slag, met wie ze elken dag vergaderingen houdt, soms drie uur achtereen. Als reden geeft de Landvoogdes op, dat zij gewaarschuwd is tegen lichtingen, die in Saksen en Hessen door ons volk worden voorbereid, maar Egmond kan dat niet gelooven, want dit zou in strijd zijn met hetgeen de edelen hem hebben verzekerd.Blijkbaar was de graaf van Egmond minder in het vertrouwen der verbonden edelen dan Oranje. Deze sloot met overleg zijn oogen voor hetgeen er gebeurde; de eerste was te eenvoudig om te wantrouwen, hetgeen niet in het openbaar geschiedde; hij bleef dus in onwetendheid.De maand September wordt wel als datum vastgesteld, waarop “gedachten van trouweloosheid” in Oranje begonnen op te komen. Dat er plannen in hem omgingen van oppositie tegen de onderdrukking van den vreemden koning en van pogingen om zelfregeering te verkrijgen, is waarschijnlijk, doch dit alles hield hem ook vroeger reeds bezig. Dit is daarom des te eigenaardiger, omdat hij juist ook in 1566 alles aanwendde, om het koninklijk gezag te handhaven. Zeker is het, dat hij in September, waarschijnlijk na ontvangst van het vermelde briefje van Egmond, een zekeren Varich naar den graaf toezond om Egmond eens te polsen over het verzet tegen Filips.Wilde hij aan den eenen kant het gezag van den koning handhaven, tegelijkertijd zocht hij echter naar middelen om een ander toevlucht dan Filips’ genade te hebben. Hij droomde van verheffing van het volk, dat een sterke begeerte naar nationaal bestaan begon te openbaren.De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.Egmond beschikte over een magnetische kracht, die Oranje miste; er was in hem een onbeschrijfelijke eigenschap, die persoonlijke bewondering opwekte. In den oorlog was hij voorspoedig geweest en daarbij werd Egmond door aandrift,niet door rede beheerscht, twee groote factoren om een populair held te worden. De warmte, die in Oranje’s karakter slechts langzaam ontstond, was in Egmonds karakter van zelf aanwezig.De Prins begreep ten volle dit verschil tusschen hen beiden en gevoelde, dat met hulp van Egmond de zaak gewonnen was; een groot bezwaar voor het leiderschap van Egmond was er echter en dat was Egmond zelf. Hij was van harte een loyaal dienaar van Spanje, zooals Oranje nooit, sedert hij page was, had kunnen zijn. Egmond kon niet gelooven, dat al de indrukken van zijn onbeduidende reis naar Spanje valsch waren geweest en zijn brief van 6 September aan Oranje is een positief bewijs, dat hij niets wist van de pogingen om zich Duitsche hulp te verzekeren.Prins Varich, een vertrouwd edelman, broeder van zijn stadhouder in het kleine vorstendom Oranje, werd daarom naar Egmond gezonden met instructies, welke het handschrift van Lodewijk verraden, zoodat deze jonge geestdriftvolle man er waarschijnlijk in geslaagd is zijn meer voorzichtigen broeder te bewegen, Egmond zijn hand te toonen.Varich moest de aandacht vestigen op de zeer uitgebreide toerustingen van den Koning van Spanje, zoodat niet alleen de dissenters maar ook de Katholieken verdacht werden en het plan van Filips misschien was, hen geheel onder slavernij te brengen.Verder moest hij mededeelen, dat Oranje voor zich zelf besloten had niet in het land te blijven en getuige te zijn van zijn ondergang en de vernedering van het volk. Indien de graaf en de admiraal van gelijke meening waren geen tirannieke onderdrukking te dulden, dan bood Oranje aan, met zijn vrienden de middelen te overleggen om dat te vermijden. De Staten-Generaal bijeen te roepen zou een goede zaak zijn, maar nog beter zou het wezen, er geen gras over te laten groeien, totdat het te laat zou zijn, handelend op te treden. Ten slotte moest Varich den graaf van de onbillijkheid overtuigen, dat Eric van Brunswijk met zijn troepen naar Holland was gezonden.Onmiddellijk na den beeldenstorm was de regeering begonnen troepen aan te werven, hetgeen des te gemakkelijker ging, omdat er juist in die dagen aanzienlijke sommen uit Spanje waren gezonden. Reeds in October kon Margareta op 10.000 man te voet en 3000 ruiters rekenen. Deze legermacht kwam onder commando van Mansfelt, Meghen en anderen; Oranje en Egmond werden niet voldoende vertrouwd. De nieuwe troepen kwamen in de groote steden in bezetting; weigerden deze, zooals Antwerpen en ’s-Hertogenbosch, dan werden de troepen in de nabijheid gelegerd.Niet zoo gemakkelijk ging het, in de stadhouderschappen van Oranje en Egmond, in Holland en Vlaanderen, bezetting te brengen en toch had de Landvoogdes zich niet ontzien toe te staan, dat Eric van Brunswijk zich in Woerden versterkte en dat Gouda 300 waardgelders aannam.Tegenover de alzoo gewapende regeering stond de nationale partij machteloos. Geen wonder, dat de stadhouder van Holland daarover zeer ontstemd was en dat Oranje door middel van Varich, Egmond op het gevaar liet wijzen, dat Hollandlangzamerhand geheel versterkt werd. Oranje was dan ook besloten afstand te doen van zijn stadhouderschappen en zich vrij te maken van alle verplichtingen, maar zonder den raad van Egmond en den admiraal wilde hij niets doen.Oranje vroeg een samenkomst met hem. Egmond antwoordde op deze boodschap met een kort, koud briefje, dat hij den volgenden Dinsdag te 10 uur Oranje te Dendermonde hoopte te ontmoeten. Met zijn gewoon optimisme gaf de graaf te kennen, dat hij de verzekering van de regentes geloofde en Filips zijn toestemming zou geven tot het bijeenroepen der Staten-Generaal, terwijl hij het erg jammer vond, dat Brederode en Culemborg zoo ver waren gegaan.Overeenkomstig de afspraak had de samenkomst op den volgenden Dinsdag plaats. Ze kan niet lang geduurd hebben, want ze begon nagenoeg 11 uur en was voor het middageten afgeloopen.Alle edelen beklaagden zich bitter over de regentes en Lodewijk van Nassau in het bijzonder was zeer gekrenkt over haar mededeeling aan zijn broeder, dat hij uit het land gebannen zou worden. Hoorne liet een brief van zijn broeder Montigny lezen, waarin deze de gramschap van den koning over den beeldenstorm beschreef en Oranje las een brief voor van den Spaanschen gezant te Parijs, Don Alava aan de hertogin, waarin de schuld van het oproer aan de drie mannen, Oranje, Egmond en Hoorne werd geweten en waaruit bleek, dat het Filips’ doel was, op deze drie te gelegener tijd zijn wraak te nemen.Lodewijk van Nassau beweerde, dat, als de koning een leger naar de Nederlanden zond om een tirannie te vestigen, de edelen volkomen in hun recht waren, tegenover de Spanjaards Duitsche huurtroepen te stellen. Algemeen zag men in, dat Filips valsch spel met hen speelde.De brief van Don Alava heette onderschept te zijn, maar was hoogst waarschijnlijk verdicht, om Egmond, die aan de echtheid geloofde, voor Oranje’s plannen te winnen. Toch heeft ook dit niets geholpen. Egmond bleef weigeren om mede te werken tot afwering van het Spaansche geweld; hij was de eenige te Dendermonde, die het verzet tegen den koning afkeurde. Veertien jaar later schreef Oranje in zijn Apologie:“Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards vasten voet in het land verkregen hadden.”De samenkomst te Dendermonde was alzoo een waardig pendant van die te Hoogstraten. Op beide vergaderingen was het de loyauteit van Egmond, die zijn vrienden belette, althans een poging te wagen, het land te redden.Kort daarop schreef Egmond uit Brussel een brief aan Oranje, waarin hij hem meedeelde, hoe verontwaardigd Margareta was over den inhoud van den verdichten brief van don Alava, maar tevens (en dit vooral had Egmonds oogen moeten doen opengaan), hoe de Landvoogdes hem behandelde als een man, van wien zij een slechten dunk had.In den aanvang van October was Antwerpen wederom in een dragelijk rustigen toestand, ten minste voor het uiterlijke. De noordelijke gewesten, die reeds geruimen tijd op de aanwezigheid van hun stadhouder hadden aangedrongen, herhaalden steeds luider die vraag. Om hem over te halen, gaven ze te kennen, dat de Staten van Holland hadden besloten, hem een wacht van 36 man te geven. Ook wilden ze hem een geschenk aanbieden, evenals Vlaanderen dat aan Egmond gedaan had. Ze wilden hem 55000 ponden geven, maar de Prins meende, dat in die moeilijke dagen het geld beter kon besteed worden. Toch nam hij een gift voor zijn uitgaven aan.Wel vreesde de Prins voor een herhaling van het oproer, als hij Antwerpen aan de zorg van de overheid overliet, maar hij begreep ook de billijkheid van het verzoek der Hollanders en gevolgd door zijn “bande d’ordonnance” uit 260 ruiters bestaande, toog hij op reis naar Utrecht. Hoogstraten werd Oranje’s tijdelijke plaatsvervanger te Antwerpen.In het Noorden waren de troebelen eenvoudig een herhaling van die te Antwerpen. De hervormde sekten wenschten te hooren preeken, de regentes wilde dit voorkomen en de schending van de kerkgebouwen straffen, terwijl de Prins den hervormden het voorrecht wilde geven, hun wettig toegestaan door het Accoord van 25 Augustus. Er was over de nauwkeurige datums, wanneer er in verschillende plaatsen voor het eerst gepreekt was, groot geharrewar en de quaestie was niet altijd gemakkelijk te beslissen, daar de getuigen noodzakelijk er bij geïntresseerd waren.In Utrecht was de Prins tamelijk voorspoedig in het herstellen van de orde; daarna ging hij naar Amsterdam. Margareta waarschuwde Oranje, voordat hij Utrecht verliet, dat binnen de stedelijke grenzen te Amsterdam geen preeken hoegenaamd mochten worden toegestaan.De ligging van Amsterdam maakte den toestand daar eenig in zijn soort. Van alle zijden door kanalen en grachten doorsneden, stond het verbreken van samenkomsten binnen de stad gelijk met een uitnoodiging om in het IJ te springen, als de predikers buiten de stad hun toespraken gingen houden. Oranje was niet blind voor dit moeilijk vraagstuk en verzocht de hertogin een ander te zenden, om hare onmogelijke opdracht uit te voeren.Margareta antwoordde daarop, dat het haar wensch was, dat het preeken in Amsterdam ophield, daar er vóór het Accoord niet gepreekt werd, naar zij had vernomen. Alleen buiten de stad, waar wel gepreekt was op een bepaalde plaats, moest de Prins het in Godsnaam toelaten, als hij het niet kon verhinderen. Ook verzoekt zij in haar brief, zoowel in Amsterdam als in de andere plaatsen, waar wanorde werd aangetroffen op voorbeeldige wijze “de ontwijders en de roovers der kerken” te straffen.Al begonnen de brieven van de Landvoogdes aan Oranje steeds met “mon bon cousin,” al eindigden ze altijd met “votre bonne cousine,” toch bleek uit alles, dat ze eigenlijk den Prins weinig vertrouwde in het uitvoeren van haar scherpe bevelen.Reeds het Accoord met de edelen aangegaan, was haar te veel; buiten degrenzen daarvan te treden, zelfs dan, wanneer de noodzakelijkheid dit niet anders mogelijk maakte, wekte haar toorn in hooge mate op. Dat de regeeringspositie van Oranje van dag tot dag moeilijker werd laat zich hooren, maar toch werd hij door zeer begrijpelijke motieven er nog steeds toe geleid, zich niet bij de partij van het geweld aan te sluiten.Alle kansen om een geregelde gewapende macht samen te stellen tegenover de naderende Spaansche soldaten, waren verloren. Zelfs het aanvankelijk in wachtgeld genomen krijgsvolk, door Lodewijk van Nassau aangeworven, was nog voor den winter van 1566–67 door gebrek aan geld ontbonden; men had per slot van rekening voor Filips het leger bijeengebracht, want voor rekening van hem werden die huursoldaten, die het geuzenleger moesten vormen, overgenomen. Ook weigerde Oranje het opperbevel te aanvaarden over een leger van de consistoriën. Aan Brederode werd dit toen opgedragen, doch daar men voor de lente geen ernstigen aanval wachtte, werd er geen al te groote haast met de maatregelen gemaakt. De regeering was met haar voorbereiding reeds veel verder gevorderd en in het midden van December werd tot de belegering van Valenciennes besloten, dat in het Zuiden der Nederlanden het brandpunt der hervorming was.Noircarmes was aan het hoofd van het leger geplaatst, om Valenciennes ten onder te brengen. De stad werd buiten de wet verklaard. Verschrikt door dezen onverwachten aanval, liepen de geuzen van het zuiden, aangespoord door Dathenus, van alle kanten samen, om Valenciennes en de geloofsbroeders te ontzetten. Doch die ongeregelde massa was een gemakkelijke prooi voor de troepen der regeering. Noircarmes overrompelde de hoofdmacht van het geuzenleger en drieduizend man sneuvelden in een gevecht bij Lannoy.Welken indruk die verovering op Egmond maakte, is bekend. De zwakke man liet toen den laatsten stengel los, die hem nog aan de verbondenen hechtte. Ook hij ontwapende het volk van Vlaanderen, het gewest van zijn stadhouderschap, schafte zelfs op de meeste plaatsen de openbare preek af en stelde zich zonder eenig voorbehoud voor de regeering beschikbaar.Oranje was tijdens deze jammerlijke eerste nederlaag nog te Amsterdam. Hier was hij er na eindelooze moeite in geslaagd de orde te herstellen, zooals die elders was verkregen en einde Januari zond hij de Landvoogdes een copie van het Accoord met de burgers.Wel had hij de dissenters verboden gebruik te maken van de kerk der Minoriten, maar hij meende hun te moeten toestaan, binnen de stad vergaderingen te houden, tot ze in de lente een gebouw buiten de wallen hadden gesticht. Godsdienstige buitensporigheden had hij beteugeld, maar voor godsdienstijver een uitweg gevonden, meenende dat dit het eenige middel kon zijn om Filips’ gezag te handhaven.Margareta was er in ’t geheel niet mee voldaan, dat er eenige privileges zouden worden toegestaan. Opstand was opstand en moest in kerk of staat worden overwonnen. Ze berispte dan ook Oranje zoowel over de liberaliteit van het Accoord als over zijn laksheid tegenover de bondgenooten. Vooral wantrouwde zij Lodewijk van Nassau. Daarom schreef Oranje haar op den 20enJanuari:“Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd, daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad.”Was Margareta ontevreden over de concessies door den Prins gedaan, terwijl ze toch zelf haar eigen onmacht om de Vlaamsche oproerige beweging te kalmeeren, moest inzien, men kan licht begrijpen, dat haar broeder van zijn verwijder gezichtspunt uit, nog een gestrenger beoordeelaar van Oranje was.Naar zijne meening waren de protesteerende geesten van het Noorden een hoop onrustige, oproerige en goddelooze booswichten. Hij besloot na eindelooze overwegingen, een nieuwen eed van trouw van elken koninklijken ambtenaar en dienaar in zijn Nederlandschen dienst te eischen. Wie deze eedsaflegging weigerde, zou worden aangemerkt als een verrader.In December 1566 had Margareta het bevel ontvangen, dezen nieuwen eed van al de troepen in de gewesten af te nemen. Dienovereenkomstig beval zij in Januari aan den Prins dien eed aan zijn troepen op te leggen. Hij antwoordde daarop uit Haarlem, dat hij niet in staat was, haar bevel op te volgen, daar zijn compagnie reeds was vertrokken. De hertogin zou gemakkelijk een ander vinden, om de troepen den vereischten eed te doen afleggen. De tijd scheen hem nog niet rijp, om zijn werkelijke meening over deze nieuwe regeling uit te spreken. Hij wendde geen poging aan, zijn manschappen terug te houden van de opvolging van Filips’ gebod, maar gaf toch duidelijk te kennen, dat hij liever niet als tusschenpersoon daarbij diende.Toen het Accoord te Amsterdam was geteekend en alles door hem gedaan was, wat binnen de grenzen zijner macht viel, ging Oranje naar Antwerpen terug, waar de zaken weder in zulk een toestand gekomen waren, dat er een sterkere hand dan die van Hoogstraten noodig was. Hij hield te Breda op, waar de graven van Hoorne, Nieuwenaar, Hoogstraten, Brederode en verschillende andere verbondenen zijn aankomst afwachtten.De Landvoogdes, die van het voornemen dezer samenkomst had gehoord, had wel aan den Prins geschreven, dat zij dit niet goedkeurde, maar haar brief was te laat gekomen om het te beletten.Hoe verontwaardigd de edelen waren over den maatregel van een nieuwen eed in het midden zijner regeering, terwijl alle vereischte vormen van den eed van getrouwheid aan den koning in den aanvang van diens regeering geheel en al nagekomen waren, laat zich denken.Brederode stelde een nieuwe petitie aan de regeering voor; Oranje keurde die evenmin goed als dat hij ze verhinderde. Het schijnt dat hij op het oogenblik den toestand van den kranken staat zoo hopeloos vond, dat hij onverschillig was voor de proef van elk geneesmiddel.Het nieuwe request was krachtig gesteld; het klaagde over het verbreken van het Accoord, over het uitvaardigen van daarmee strijdige plakkaten en overandere onwettigheden. Margareta wilde Brederode zelf niet ontvangen; een zijner vrienden overhandigde het haar en zij antwoordde acht dagen later met tegenklachten. Ook zij beschuldigde de tegenpartij van overtreding van het Accoord en had Brederode met oproer gedreigd, haar antwoord luidde, dat het onderdanen niet paste, zulk een taal tegen de overheid te voeren. Nauwelijks was dit antwoord in Brederode’s handen gekomen, of hij begon te Antwerpen krijgstoerustingen, die Oranje oogluikend toestond.Met Duitsche vorsten bleef de Prins ook in die dagen in drukke briefwisseling, terwijl zijn broeder Lodewijk hen persoonlijk bezocht, om raad en hulp te vragen. Augustus van Saksen schreef Oranje o.a. dat niemand eigenlijk den Prins kon raden dan de Prins zelf, maar dat het een goed plan was, als hij de Augsburgsche confessie aannam en de gereformeerden kon overreden, die insgelijks te omhelzen. En inderdaad, daartoe deed Oranje in die dagen allerlei pogingen. De Lutheranen en de Calvinisten wilden zich echter niet vereenigen. Al kwamen er ook in Antwerpen eenige Luthersche predikanten, om de Calvinisten te bekeeren (misschien door toedoen van den Prins), hun bekrompen en onverdraagzaam dogmatisme kon slechts de tweedracht verergeren. Van den preekstoel werd er alleen hatelijk tegen andersdenkenden geredetwist. De Lutheranen ontzagen zich niet, de gereformeerden voor ketters en oproermakers te schelden en als menschen voor te stellen, die in een goed geordenden staat niet geduld mochten worden.’t Is wel vreemd: Oranje meende, dat het mogelijk zou zijn deze felle bestrijders van elkaar, te vereenigen! Wel een bewijs, dat hij in die dagen de beteekenis van den godsdienst nog niet voldoende begreep en dat hij, alleen om de hulp der Duitschers te verkrijgen, wilde vereenigen, wat in dien tijd niet bij elkaar te brengen was. De dagen waren echter niet verre meer, of hij zou dit begrijpen.Intusschen begon de Landvoogdes de bedoelingen van Oranje te wantrouwen. Wel was hij machtiger dan iemand anders geweest, om een schijn van vrede in de steden te herstellen, die door de onstuimigste beroeringen der verschillende sekten waren verdeeld. Maar wat hielpen al die pogingen van den Prins voor de rust van het land, als hij toch weder in het geheim samenwerkte met Brederode, die openlijk in Antwerpen lichtingen aanwierf, niet voor den dienst des konings bestemd.Nog één poging wendde de Prins aan, om door middel van de Duitsche vorsten invloed op de politiek van de Landvoogdes uit te oefenen. Had hij op den 7enJanuari 1567 een brief aan Willem van Hessen geschreven, met dringende bede om Duitsche hulp, was er dientengevolge eene vrij vruchtelooze samenkomst van edelen te Dusseldorf geweest, om over de Nederlandsche zaken te raadplegen, op den 21enFebruari schreef de Prins weder een langen brief aan denzelfden Willem van Hessen, waarin hij uitvoerig Margareta’s pogingen beschreef, om het Protestantisme uit te roeien.Van de regentes was niets te verwachten. Meghen was door en door papistisch en hij beheerschte geheel en al de hertogin. Hij was de oorzaak van al de ellende in Brabant, evenals Aremberg in Friesland; beiden bedoeldenalleen de arme Christenen te onderdrukken, onder voorwendsel van den godsdienst te beschermen. Deze brief kruiste met een van Willem van Hessen aan Oranje. Daarin deelde hij den Prins mede, dat de Duitsche vorsten van plan waren, een deputatie naar Margareta te zenden, om door mondelinge bespreking ten gunste van de Lutherschen iets uit te werken. Hij waarschuwde Oranje zich tegen de Spanjaards in acht te nemen, in naam van den ouden landgraaf, die op sterven lag en zoo er iemand in Europa was, die daarover uit ervaring kon spreken, dan was het wel Filips van Hessen.Misschien heeft deze waarschuwing van den ouden Landgraaf wel medegewerkt tot den beslissenden stap van Oranje, toen hij weigerde den nieuwen eed af te leggen. Vroeg in Maart herinnerde Margareta hem, dat de tijd voor alle trouwe vazallen van Spanje gekomen was, om openlijk voor den dag te komen en zich als zoodanig te toonen. De koning toch had zijn bevel herhaald, dat iedereen in zijnen dienst, zonder eenige uitzondering, zijn eed van getrouwheid zou hernieuwen. De regentes nam als zeker aan, dat de Prins niet aarzelen zou, aan haar verzoek te voldoen. Geen loyaal man zou onder de bestaande omstandigheden zijn handteekening kunnen weigeren. Het was eenvoudig herhaling. Dat was haar gezichtspunt—het was een doodgewone zaak.Nog denzelfden dag, waarop de Prins den nieuwen eed ter teekening ontving, zond hij Margareta bericht, dat het hem tot zijn spijt niet mogelijk was aan het verzoek van de Landvoogdes te voldoen. In zijn antwoord schrijft hij o. a.: ....“Indien ik nog eens getrouwheid zweer, dan kon het schijnen, alsof ik mijn vroegere geloften had verwaarloosd. De vorm van dezen nieuwen eed is daarbij wel eenigszins vreemd en schijnt van de gedachte uit te gaan, òf dat ik er over denk mij zelf te onttrekken aan het volbrengen van loyale plichten in ’s Konings dienst, òf dat ik meen orders te ontvangen, die ik niet gewetensvol zou kunnen uitvoeren, daar ik gezworen heb, de voorrechten der gewesten te beschermen....”Tevens verzoekt Oranje iemand te zenden om zijn opdracht te kunnen overnemen.Verwondert het ons, dat Margareta ontroerd was, toen zij die weigering van den Prins op hare vraag ontving? Ze had niet opgehouden in de dagelijksche briefwisseling met haar broeder, hem alle geruchten betreffende Oranje, mede te deelen en elke regel, dien zij schreef, ademde wantrouwen. En toch was ze zich levendig bewust, hoe nuttig de Prins voor haar was geweest en hoe geen ander man een dergelijken invloed op het volk kon uitoefenen. Het denkbeeld, dat hij zich onttrok, vervulde haar met grooten angst.Zij antwoordde Oranje, dat zij niet bij machte was, zijn besluit aan te nemen, daar zij hem de ambten niet had overgedragen, die hij vervulde. Ze zou echter den koning inlichten maar hoopte, dat hij voorloopig zijn bestuur zou blijven uitoefenen op zulk een wijze, dat hij zich tegenover God en zijn souverein kon verantwoorden en overeenkomstig zijn eersten eed.Kort daarna zond ze haar secretaris Berty naar Oranje, die met hem eenpersoonlijk onderhoud over dien eed had, doch hun samenkomst had geenerlei resultaat. Oranje kon en wilde geen eed zweren, dien hij voor kleingeestig hield, indien hij niet meer behelsde dan oppervlakkig scheen en dien hij voor gevaarlijk hield, indien er meer in verborgen lag, dan het oog kon zien. Hij bleef dus bij zijn voornemen, zijn ambten, die hij van den Spaanschen koning had verkregen, neder te leggen.Thans zou men zeggen, dat het oogenblik voor den Prins was gekomen om zich royaal aan de zijde van het volk te plaatsen of zich aanstonds geheel terug te trekken. Maar nog bleef Oranje weifelen. Al wordt alles in aanmerking genomen, om zijn houding te verontschuldigen, zijn weifeling tot het laatste oogenblik toe en zijn gebrek aan zelfvertrouwen zijn mede oorzaak geweest van de noodlottige gebeurtenissen, die het vaderland zoo diep te betreuren had.Filips II was besluiteloos, maar Oranje was het niet minder. De besluiteloosheid van den koning van Spanje was de oorzaak, dat Alva eerst in April 1567 Madrid verliet, terwijl toch de koning onmiddellijk na den beeldenstorm besloten had tot zijn zending. Had Oranje die maanden, die daartusschen verliepen (Aug. 1566-Maart 1567) gebruikt, om hem te voorkomen, de opstand ware georganiseerd en Alva had de poorten der steden gesloten gevonden. Maar de Prins miste het noodige vertrouwen op de duurzame kracht der beweging en op zich zelven.In de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden is er dan ook weinig verheffends in zijn persoonlijkheid. Staatkundige berekening gaf bij al zijn daden den doorslag. En al zullen wij hem op hoogst gespannen oogenblikken, die nog volgden, de hulde niet onthouden, die hem toekwam, toch betreuren we het, dat destijds niet reeds die hoogere geest in hem leefde, dien we later bij zijn terugkeer in het vaderland in hem bewonderen.Margareta had op de terugkomst van den Prins te Antwerpen gerekend, om krachtiger tegen de vrije prediking op te treden. Hoogstraten, die Oranje vervangen had tijdens diens afwezigheid in het Noorden, had wel met oordeel en kracht bestuurd en zelfs in October een oproer door strenge maatregelen bedwongen, maar of hij de man er naar was, om den katholieken godsdienst te herstellen ten koste der sekten, daaraan twijfelde Margareta.De Landvoogdes bleef op den Prins vertrouwen en nauwelijks was hij dan ook in de Scheldestad teruggekeerd, of Margareta ving weer aan, zich beroepende op zijn trouw aan den koning, hem aan te zetten tot het doen ophouden der prediking binnen de muren der stad. Daar Margareta zich niet van den Prins wilde ontslaan, ook al had hij den nieuwen eed geweigerd, totdat de koning daaromtrent zou beslist hebben, was Oranje wel verplicht, de moeilijke taak te Antwerpen weer op zich te nemen.Fernando Alvarez de ToledoFernando Alvarez de ToledoHertog van Alva.Na verschillende samenkomsten met de hervormers, kwamen de Prins, de magistraat en de graaf van Hoogstraten, die Oranje’s coadjuctor bleef, tot het resultaat, dat de prediking binnen de muren niet zou kunnen ophouden, tenzij er eenige compensatie aan de sekten gegeven werd. Op 17 Februari zonden ze een deputatie naar de Landvoogdes om de zaak met haar te bespreken. De regentes was zeer positief in haar eischen; zij stond met kracht op de nakoming van devolgende voorwaarden: Alle predikers moesten aanstonds vertrekken en alle preeken en godsdienstoefeningen ophouden. De katholieke eeredienst moest worden hersteld en het bouwen van nieuwe tempels gestaakt worden; alle burgers moesten den koning gehoorzamen en zich aan zijn geboden houden. Geen vagebonds of vluchtelingen mochten binnen de stad geduld worden en alle gewapende mannen in den dienst van de gemeente moesten gehoorzaamheid aan den koning zweren. Als die voorwaarden vervuld werden, dan beloofde de regentes den burgers van Antwerpen, dat ze niet om vroegere daden zouden worden gestraft, tenzij de koning, door de edelen, de raden en staten geraadpleegd, anders zou bevelen.In die amnestie was niet één persoon begrepen, die schuldig was aan beeldstormerij, samenzwering tegen Z. M. enz. Ten overvloede, om alles nog minder beteekenend te maken, verklaarde ze, dat de beloften in die artikelen vervat, aan ’s konings welbehagen waren onderworpen.Welk een slag was dit in het aangezicht van alle hervormden, van welke kleur ze ook waren! Op den 27enFebruari verschenen afgevaardigden van de sekten voor den Prins en vroegen, waarom er geen acht was geslagen op het verdrag van het voorgaand jaar. Was het wonder dat er samenscholingen van het volk plaats hadden, dat op zulk een wijze werd geprikkeld?Op den 2enMaart verzamelde zich een menigte van 2000 man voor de deur van ’s Prinsen verblijf en eischte de verzekering, dat er geen geweld zou worden gebezigd, om de preeken te doen ophouden. Toch gingen ze toen nog zonder rumoer uiteen.In plaats van zich aan het hoofd dier onstuimige menigte te plaatsen, dacht Oranje er aan, haar te bedwingen en te ontwapenen, met het doel den koning het voorwendsel te ontnemen, het land met Spaansche benden in te trekken. Daarom richtte hij in overleg met Nieuwenaar, die ook voor Hoorne sprak, Brederode en Hoogstraten nog eens een brief aan Egmond, zonder wien ze allen te zamen niets vermochten.En wat stelden ze hem voor? Zouden we het kunnen gelooven, indien de documenten het niet bewezen? Ze stelden Egmond voor, zich met hen te verbinden tot het afschaffen van de openbare preek, tot het herstellen der orde en daardoor tot het weren van de Spaansche troepen, voor wier komst de aanleiding dan zou zijn weggenomen. Wij gelooven gaarne, dat het doel van den Prins: het weren der Spaansche soldaten, ernstiger gemeend werd dan het middel: de vrije prediking af te schaffen. Maar ondertusschen werd het door hem voorgesteld.Wel een bewijs hoe weinig Oranje en de zijnen nog wisten wat hun te doen stond. Terwijl de Protestanten goed en bloed te hunner beschikking stelden, om de vrije prediking te behouden, stonden zij in beraad die desnoods met geweld te verhinderen. Toonde Margareta met haar dwaze eischen den geest des tijds niet te verstaan; die geest, die strooming werd evenmin begrepen door Oranje. Werd zij gedreven door den angst voor haar koning of het naderend leger, door hem gezonden; ook de Prins, voor wien de orde alles was in den staat, werd door diezelfde vrees tot de wanhopigste en onmogelijkste reactie gebracht, die wij ons bijna niet van hemkunnen voorstellen. Men mag echter niet vergeten, dat het doel van dat schrijven was, Egmond te winnen.Doch Egmond was een royalist pur sang. Hij was dit door afstamming en traditie, van den aanvang zijner loopbaan af, als overwinnend generaal van de troepen van zijn meester! Ook hem mishaagde wel het gedrag van den koning; diens bevelen vielen ook niet in zijn smaak, maar rebel te worden, de wapens tegen den koning op te nemen, dat kon hij nog minder verdragen. Van den aanvang af had hij dit geweigerd en bij die verklaring volhardde hij. Als aristocraat kon hij zich niet met het volk verbinden tegen zijn souverein; als katholiek wilde hij zich niet vereenzelvigen met de bestrijders van het gezag der kerk. Buitendien was er nog een andere factor in het spel, die zijn houding van die van Oranje deed verschillen. Al zijn eigendommen en belangen waren op den Nederlandschen grond.Oranje had zeker ook van zijn recht op zijn vaderlijk erfgoed afstand gedaan ter wille zijner broeders, maar de Nassau’s waren zoo aan elkander gehecht en zoo loyaal tegenover elkander, dat hij zeker was, een veilig toevluchtsoord in het ouderlijk huis te vinden. Egmonds diensten aan Filips bewezen, waren door heel Europa bekend en hij kon niet gelooven, dat de overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen, die zooveel glans had geworpen op de eerste regeeringsjaren van den vorst, door Filips verkeerd zou worden beoordeeld. Hij antwoordde daarom aan de vier edelen, dat hij zich niet met hen wilde verbinden. Hij vermaande hen te doen, wat ze hem voorstelden: de preek af te schaffen, het volk te beteugelen en dan nederig den koning te bidden, niet met zulk een geduchte legermacht in het land te komen. Geen defensief verbond wilde hij mee sluiten; tot meer dan nederig bidden, mochten de edelen zich niet verstouten.Oranje en zijne vrienden wilden nog een poging wagen, Egmond tot beter inzicht te brengen. Ze noodigden hem tot een gesprek, maar hij weigerde hen te ontmoeten. Hij vermaande hen zich als getrouwe vazallen te gedragen. Hij voor zich was besloten, de wijk te nemen als de koning het land overheerde, maar in geen geval zou hij zijn meester bestrijden. Dit was zijn laatste woord en daarmee keerde hij zich voor goed van zijn oude vrienden af.Egmond legde den nieuwen eed, dien Oranje geweigerd had, af en op den zelfden dag gaf Brederode de instructies aan de bevelhebbers zijner troepen.

Hoofdstuk IX.De hersteller van de orde na den Beeldenstorm. De nieuwe eed. 1566–1567.Oranje spande zich in Antwerpen met alle macht in, de orde te herstellen en werkelijk gelukte het hem binnen een kort tijdsverloop, met medewerking van de Magistraat, vergelijkenderwijze de stad weder tot rust te brengen. Hij slaagde er in, de vreemde kooplieden, die gedreigd hadden de stad te zullen verlaten om elders hunne zaken te hervatten, te overreden in Antwerpen te blijven. Ook besloot hij de preeken niet te verbieden, maar te zorgen, dat zij rustig gehouden werden. Zijn voorstel om de stedelijke militaire macht met een paar honderd man op kosten van de stad te versterken, vond geen goedkeuring bij de Magistraat.De Landvoogdes was ondertusschen zeer bevreesd geweest, dat de geheele stoet van de verzamelde edellieden te St. Truyen weer naar Brussel zou komen. Door invloed van den Prins, van Duffel uit, werd zij hiervan bevrijd. Slechts een commissie van twaalf gedeputeerden, gewoonlijk de twaalf Apostelen genoemd, met Lodewijk van Nassau aan het hoofd, kwam in Brussel, om het tweede verzoekschrift aan te bieden. Niet dan met moeite liet de Landvoogdes zich bewegen de gedeputeerden te ontvangen. Stoute taal lieten zij hooren. Medewerking zouden zij verleenen om de vrede te helpen bewarenindienwerd toegestaan, dat er geen wraak zou genomen worden over het verledene, dat de regeering hun toestond zich met de gereformeerden te vereenigen en hun godsdienstoefeningen zouden worden beschermd, dat Oranje, Egmond en Hoorne in alle gewichtige zaken zouden worden geraadpleegd en als de Landvoogdes de Staten-Generaal wilde bijeenroepen.Het smeekschrift van April was Margareta al te ver gegaan, maar dit nieuwe verzoekschrift was, zooals zij het zelf uitdrukte “nog veel wranger van smaak en nog veel harder om te verduwen.”Ten einde over dat verzoekschrift en het antwoord er op te geven teberaadslagen, riep Margareta tegen den 18enAugustus de Ridders van het Gulden Vlies en de leden van den Raad van State bijeen; met opzet nam ze een uitstel van drie weken in de hoop, dat inmiddels antwoord uit Madrid zou komen op het verzoekschrift van April en haar hoop, zullen we zien, werd verwezenlijkt.Ook den Prins schreef ze herhaaldelijk naar Antwerpen om haar toch in Brussel te komen bijstaan. Daartoe was echter Oranje allesbehalve gezind, want hij wist, dat de schijnbare kalmte in Antwerpen slechts aan de oppervlakte lag. De regentes echter weigerde naar zijn bezwaren te luisteren. Al verzekerde hij, dat zijn vertrek het sein zou wezen tot onlusten en dat het gevaarlijk was, de opgeruide menigte aan zich zelf over te laten, zonder een leidsman, dien ze vertrouwde, toch werd hij telkens dringender naar de hoofdstad ontboden.De 18deAugustus was toen en is nog een geliefde heilige dag voor de Vlaamsche stad. Een klein beeldje van de H. Maagd, in de Antwerpsche Kathedraal bewaard, werd op dien dag gewoonlijk door de stad gedragen. Het was het feest van den “ommegang.”Kennende het gevaar van samengevloeide menigten, drong de Prins er op aan, althans zijn vertrek tot na dat feest uit te stellen. Op den 18enAugustus was hij dus nog in Antwerpen en woonde zelfs als ooggetuige, voor een venster op het stadhuis, met de Prinses en met Lodewijk den feestelijken omgang bij.Toen het kleine beeldje, als naar gewoonte bedekt door de rijke geschenken, die van tijd tot tijd haar toevloeiden, het heiligdom verliet, werd het van den kant der menigte, die op een veiligen afstand volgde, met spotkreten begroet en bij tusschenpoozen, als het rumoer wat bedaarde, werden de honende woorden vernomen: “Maaike, Maaike, uw uur heeft geslagen. Het is de laatste maal, dat gij zoo rondgaat. De stad is u moede geworden.”Er werden enkele steenen geworpen, maar ze beschadigden niets en het arme onschuldige beeldje, voor de eerste maal oneerbiedig behandeld, werd veilig en wel in het heiligdom teruggebracht. Gewoonlijk werd het na den terugkeer van haar omgang bij de westelijke deur van de Kathedraal geplaatst, om daar nog gelukwenschen en geschenken te ontvangen. Maar dit jaar waren haar bewakers al blij genoeg, dat ze haar veilig onder dak hadden teruggebracht, dan dat ze verder gevaar wilden loopen en het beeldje werd in het koor achter een ijzeren traliedeur geplaatst.Daags na de processie, gaf Oranje gehoor aan den oproep der regentes en ging vroegtijdig naar Brussel, in de hoop, dat het gevaar niet dreigend zou zijn en toch was hij niet vrij van vrees. Die vrees bleek spoedig maar al te gegrond.Voordat hij nog Brussel had bereikt, verzamelde zich een menigte bij de deur der Kathedraal; het verborgen beeldje werd ontdekt en het volk begon de kreten van den vorigen dag te herhalen: “Maaike, Maaike, zijt gij zoo vroeg bevreesd geworden? Zoo spoedig naar uw bergplaats gebracht? Dacht gij buiten het bereik van kwaadwilligheid te zijn? Waak, Maaike, waak, uw uur is gekomen!”De kerk stond open, gelijk toen en gelijk nog de gewoonte is en de menigte liep in en rond het gebouw even vrij als de toerist van heden.Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).Een in lompen gehulde kerel kwam op het denkbeeld, om den preekstoel te beklimmen; hij opende den bijbel en begon spottend een monnikenpreek na te bootsen. Sommigen van de ooggetuigen waren verontwaardigd. Maar anderen juichten den man toe en schreeuwden: “Lang leven de Geuzen!” woorden, die voor een Vlaamschen volkshoop even natuurlijk begonnen te worden als de Marseillaise voor onze hedendaagsche oproermakers. Doch die kreet had volstrekt niet altijd bijzonder het oog op de verbonden edelen.De volkssympathie was niet geheel met de hervormingsgezinden. De spotboef, die op den preekstoel was geklommen, werd door enkelen uit den volkshoop beetgegrepen. Een jonge schipper, die aan den anderen kant den kansel opklauterde, pakte hem beet en sleurde hem van de trappen. De twee worstelaars waren ongedeerd, maar er volgde een algemeene verwarring. Een pistool werd afgeschoten en de schipper in den arm gewond. Met de grootste moeite slechts slaagden de priesters er in, de kerk te doen ontruimen en de groote kerkdeuren werden gesloten.Intusschen was de vroedschap op het stadhuis samen gekomen. De eenige man, op wien zij gedurende de laatste weken hadden vertrouwd, was weggegaan en er was geen telegraaf om hem terug te roepen. Ze zonden hem echter een ijlbode achterna. Den dag brachten ze met ijdele besprekingen door en eindelijk gingen ze naar huis, zonder een besluit te hebben genomen, maar in de hoop, dat de nieuwe morgen rust zou aanbrengen. De volkshoop echter, ziende, dat er geen maatregelen tegen hun wetteloos gedrag waren genomen, werd hoe langer hoe stoutmoediger. Toen den volgenden morgen de kerkdeuren werden geopend, stroomde een woedende menigte binnen en het: “Lang leven de Geuzen!” weerklonk door het gebouw. Spotkreten en bedreigingen werden tegen het ongelukkige kleine beeldje geslingerd.Een arme vrouw, die waskaarsjes verkocht, werd het mikpunt van de grappen van den volkshoop, hetgeen zij beantwoordde met de plagers asch en vuilnis naar het hoofd te werpen, misschien getergd, doordat men haar zeide, dat er geen trek meer voor die koopwaar was en dat ze haar kraam wel kon opbreken. Ondertusschen werd de kerk al voller en voller en ontstond er weer een heftig tumult. Toen besloot de Magistraat gezamenlijk naar de kerk te gaan en te zien, wat haar plechtige tegenwoordigheid zou uitwerken. Dat was echter olie in het vuur. Wel werden op voorstel van den Raad alle deuren op een na gesloten, omdat men hoopte, dat dan de menigte uit dien eenen uitgang de kerk zou verlaten. Maar ook dit baatte niet; de weerspannigsten bleven in de kerk en anderen stormden er weder in. Ten einde raad ging de Magistraat weer naar het stadhuis, om over nieuwe maatregelen te raadplegen. Maar in dien tijd was de Kathedraal aan de willekeur der bestormers overgeleverd en het verwoestingswerk ving aan.Het beeld der H. Maagd was het eerste slachtoffer. Haar glans werd in de vier hoeken van den wind verstrooid en haar zielloos lichaam in stukken gehakt. Daarop keerde de woede van het gepeupel zich tot andere versieringen; beelden, schilderijen, altaren werden zonder acht te slaan op ouderdom, kunst of kostbaarheid vernield. Voor middernacht was de prachtig versierde kerk, zooals er in Europa geen tweede te vinden was, in een ledigen, akeligen romp veranderd. Al de haat tegen priesterbedrog en Roomsche gebruiken barstte los en zij,die uit werkelijken godsdienstijver handelden, werden door het gespuis, dat alleen uit lust in oproer zich bij hen voegde, geholpen.En daarop toog de menigte van de eene kerk naar de andere; twee dagen en twee nachten duurde de vernieling. Beelden werden gebroken, schilderijen vernield, crucifixen afgeslagen, doch alle schrijvers erkennen, dat er geen plundering plaats had. De gehate voorwerpen, zelfs die van groote waarde, werden vernield maar niet gestolen. De vroedschap, onbekwaam om den storm te bedaren, sidderde van ontzetting, hopende op ’s Prinsen terugkomst en vreezende voor hun leven. Doch hun angst daarvoor was overbodig. Geen persoonlijk geweld van eenigen aard werd er bedreven; geen enkel mensch werd leed gedaan. Dit was een sprekende trek gedurende dien geheelen storm van geestdrijverij, die gedurende de maand Augustus door het land woedde. Beelden werden vernield, maar menschenlevens overal gespaard.De tijding bereikte Brussel en bracht de Landvoogdes in de hevigste ontroering. Waarom Oranje niet onmiddellijk aan den wensch der Antwerpsche overheid voldeed, om daar terug te keeren, is niet bekend. Waarschijnlijk was het Margareta, die hem tegenhield. Hij was volgens haar meening een volkstribuun en tegenover de dreigende volksmacht wilde zij een beschermer. Margareta begreep natuurlijk niets van dien beeldenstorm. Het groote beest, het volk, had zijn horens getoond; het moest worden overwonnen en tot onderwerping gebracht. Van een mogelijk recht, dat daaraan ten grondslag lag, had zij geen begrip. Haar voornaamste aandoening echter was vrees bij de uitbarsting en ze zocht naar elke bescherming, die zich aanbood.Om 3 uur in den morgen van 22 Augustus werden Egmond, Hoorne, Oranje en anderen in het paleis geroepen. Het voorplein lag vol kisten en koffers en de regentes stond gereed, naar Mons te vluchten, waar Aerschot het bevel voerde. Aremberg, Barlaimont en Noircarmes waren reeds bij de Landvoogdes, toen de anderen aankwamen. Al hare raadslieden verzetten zich tegen dit roekeloos plan, dat een algemeenen opstand zou ten gevolge hebben. Had men de regentes tot vertrek kunnen bewegen, dan zou het Oranje niets gekost hebben, de teugels van het bewind te aanvaarden; hij deed niets van dien aard, maar wees integendeel Margareta op de uiterste dwaasheid van zulk een handelwijze.De oude president Viglius kwam met de tijding binnen, dat de burgers de poorten van Brussel hadden gesloten om het vertrek van de regentes te beletten. Zij overlaadde den armen ouden man met een vloed verwijten; toch week ze eindelijk voor den aandrang harer raadslieden, als wier gevangene zij zich nu beschouwde.Mansfelt werd met het opzicht over de stad belast, terwijl Egmond, Hoorne en Oranje zich onder hem schaarden. Er liepen dan ook geruchten, dat de beeldstormers van plan waren, in den nacht van den 24enAugustus op alle Brusselsche kerken een aanval te doen. De eene paniek volgde op de andere en de Landvoogdes was met moeite tot bedaren te brengen. Die angst vermeerderde bij elk bericht, dat uit andere Vlaamsche steden kwam. In Doornik, Valenciennes, Gent en Mechelen hadden de berichten uit Antwerpen eveneens een vuur ontstoken. Tevergeefs trachttemen den hartstocht van den volkshoop te breidelen; de furie van den beeldenstorm was ontembaar.Op 25 Augustus werd Margareta tot een gewichtige concessie gedwongen. Eenige dagen te voren was er van Filips tijding gekomen, in antwoord op het verzoekschrift van April; het behelsde, dat de inquisitie kon worden afgeschaft en dat er een gematigd plakkaat moest worden ontworpen. Dat bericht, hoe nietswaardig ook, daar Filips terzelfder tijd aan den Paus verzekerde, dat die belofte aan de Nederlanders hem slechts door den nood was afgedwongen en daarom ijdel was, dat bericht moest thans dienen om de edelen te bevredigen. Zelfs beloofde Margareta hun, dat zij bij den koning zou aandringen op het bijeenroepen der Staten-Generaal, waartoe hij nog geen verlof had gegeven. Zij erkende met weerzin, dat de hervormingsgezinden haar te machtig waren geworden en dat zij hun recht om God te dienen naar hun eigen wensch niet langer veilig kon ontkennen. En daarom teekende zij ook een verdrag (Accoord), waarbij de vrije prediking werd toegestaan op plaatsen, waar die tot nu toe reeds bestaan had, terwijl de Edelen van hun zijde het Compromis beloofden op te heffen.Die laatste belofte was een groote fout. Welk aandeel Oranje daaraan gehad heeft, is moeilijk te bepalen, doch zooveel is zeker, dat Lodewijk van Nassau de bewerker van het verdrag is geweest. Brederode en Jan van Marnix (Toulouse) keurden het met scherpe woorden af. De eerste zeide zelfs, dat hij altijd gedacht had “que la seule mort nous pouroit séparer du Compromis.”Ook een groot deel van het volk beschouwde dit verdrag als verraad aan de goede zaak gepleegd. De vrije prediking alleen toe te staan op plaatsen, waar die reeds gehouden werd, stond gelijk met een verbod en was te duidelijk bewijs, dat Margareta alleen uit vrees en voor ’t oogenblik iets toegaf.Waarschijnlijk is Lodewijk van Nassau evenals zijn broeder, de Prins, uit vrees voor de uitspattingen van het Calvinisme, tot het sluiten van dat verdrag gekomen. De vergunning der vrije prediking, waar ze reeds bestond, scheen in de oogen van het volk, dat daarvan voordeel trok, een groote stap voorwaarts. Toen dit bekend werd, was de onnadenkende menigte uitgelaten van vreugde en meende in haar opgewondenheid den dageraad van een nieuwen dag over land en volk te zien aangebroken.Op 26 Augustus keerde Oranje naar Antwerpen terug en op den 29enschreef hij aan Margareta:“Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen, overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit, van Uwe Hoogheid en van mij zelf.“Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij opdroeg, om geld gereed te houden, debandes d’ordonnancete betalen.”Oranje vond natuurlijk volop bezigheid in Antwerpen. De geheele stad zag er uit, alsof er een cycloon over was heengegaan. Het was een zware taak de orde teherstellen. Buitendien was de positie van den Prins op dat oogenblik uiterst vreemd.De verbondenen bleven Margareta’s goede trouw verdenken. Zij besloten gewapende mannen in hun dienst te nemen en Jan van Nassau zelfs had op zich genomen, Duitsche hulptroepen voor dit doel te lichten.Oranje kan hiermede niet onbekend geweest zijn. Natuurlijk was het lichten van troepen om zich te verzetten tegen regeeringsmaatregelen een revolutionaire daad—maar toch was er zeker nooit een loyaler rebel dan de Prins. Hij toch liet geen steen ongekeerd, om allen burgers te geven, wat hun toekwam en publiceerde een ordonnantie, die onder bedreiging van de doodstraf, de minste stoornis van den katholieken eeredienst of eenige beleediging van geestelijken verbood en hij toonde zelfs zijn beslistheid om door te zetten, door drie beeldenstormers in zijn tegenwoordigheid te doen ophangen.Hij toonde hoe krachtig hij zich kon beheerschen in het handhaven van het koninklijk gezag, zoover dit maar eenigszins mogelijk was, terwijl hij terzelfder tijd duidelijk aan de regentes uiteenzette, dat de regeering alleen haar eigen zwakheid openbaarde door wetten te maken, die niet konden worden uitgevoerd en dat er een zekere vrijheid van godsdienst aan de bevolking moest worden toegestaan. Hij gaf zijn goedkeuring aan de versterking van het garnizoen in Antwerpen en elders, maar liet ook geen gelegenheid voorbijgaan, aan te dringen op een bijeenroeping van de Staten-Generaal.De brieven van Margareta ademen doorgaans vertrouwen in hem. Op den 1enSeptember verzocht zij hem bij haar te komen, toen zij kwade geruchten gehoord had van lichtingen der verbondenen in Duitschland, maar toch was ze angstig, hem te raadplegen. Indien ze geweten had, dat op den dag vóór zij schreef, de Prins een langen brief aan Hendrik van Brunswijk had gezonden, om verder verstuurd te worden aan de Hessische vorsten, den hertog van Cleef en Graaf Schwartzburg, dan zou ze niet zoo angstig voor zijn raad geweest zijn.Daarin toch beschrijft hij het wilde spel, dat de godsdienst in de Nederlanden had gespeeld, daaraan deze woorden toevoegende: “Wij kunnen wel gissen dat dit gedrag onzen genadigsten Heer, de Koninklijke Majesteit van Spanje ten zeerste zal mishagen en grieven, gelijk het inderdaad niet minder ons ontrust en krenkt.” Hij zegt zelfs, dat, als de Spaansche Koning de Inquisitie spoediger uit het land had gebannen, deze beweging niet zou ontstaan zijn en de oude Katholieke godsdienst beter zou hebben kunnen gehandhaafd worden.Zijn woorden zijn als altijd, ook hier zeer oordeelkundig gekozen; de lezer proeft er uit algemeene liefde tot vrede en orde en een werkelijke aanhankelijkheid aan het Katholicisme. Hij herhaalt zijne overtuiging, dat, indien men den Hervormden rustige uitoefening van hun godsdienst had toegestaan, alles goed zou gegaan zijn. Hij hoopt, dat Filips nog zal hooren naar rede en dat de toestand zal verbeteren.Uit dergelijke brieven leert men het karakter van den Prins het best kennen. Indien dit verraad was, dan was het wel het openhartigst samenzweren, ooit door een staatsman in praktijk gebracht. Hij was een Washington gelijk, die elken stap voorwaarts in de oogen der wereld wenschte te rechtvaardigen.Lodewijk, die destijds in Breda was en die evenals de Prins de heftigeCalvinisten als gevaarlijke oproermakers beschouwde, was nog steeds in de weer, de Duitsche vorsten tot hulp te overreden. Hij schreef daarover zelfs aan zijn broeder te Antwerpen, die, hoe regeeringsgezind ook, toch ook steeds op de mogelijkheid van gewapend verzet bedacht bleef.Volgens Lodewijk zou de overeenkomst, die hij zou aangaan met George van Holl, den koning wel noodzaken, wat water in zijn wijn te doen. Lodewijk werd dan ook voor veel gevaarlijker geacht dan Oranje. De koning verzocht zelfs aan Oranje, Lodewijk voor eenigen tijd weg te zenden, hetgeen Margareta met aandrang herhaalde. Door Lodewijks verwijdering hoopten zij den band te zullen verbreken tusschen de ketters der verschillende landen, doch de Prins weigerde zijn broeder weg te sturen.Sir Thomas Gresham, de bekende Londensche koopman, stichter van de Londensche beurs, die ook groote zaken dreef, had het raadzaam gevonden, naar die stad terug te keeren, toen hij van den onrustigen geest, die daar heerschte, hoorde. Op den 8enSeptember schreef hij vandaar het volgende:“Den vierden dezer maand, liet de Prins van Oranje mij vragen, met hem te dineeren. Ik had een hoogst aangenaam onderhoud met hem. Hij vroeg mij naar de gezondheid van Hare Majesteit (Elisabeth); vertelde mij alles wat er in de stad plaats had gehad; wat een gevaarlijke taak hij had te vervullen en hoe hij met de Protestanten een overeenkomst had gesloten, welke hij mij door den secretaris der stad, Wesembeke (dezelfde die in Engeland kwam voor den vrijen handel in het koren) liet voorlezen. Op denzelfden dag werd de overeenkomst op het stadhuis geproclameerd.De copie daarvan zend ik U hierin gesloten. Maar bij al wat de Prins sprak, zeide hij: “De koning zal niet tevreden zijn met hetgeen wij thans doen,” hetgeen mij deed denken, dat die zaak nog lang niet geëindigd was, maar wel tot grooten rampspoed voeren zou; vooral als de koning van Spanje de bovenhand krijgt. Ook vroeg hij mij, of ons volk van plan was, de stad te verlaten. Ik zei hem, dat ik daarvan niets gehoord had.”Blijkbaar had Oranje dien maaltijd gegeven, om de meening der Engelschen te weten te komen.Men kan zich licht voorstellen, hoe angstig de familie van den Prins op het rustige Dillenburgsche kasteel naar de aankomst der koeriers uitzag.Gravin Juliana was nog in leven. De toestand in de Nederlanden, waarbij een harer zoons aan de zijde der wet en der gevestigde regeering stond, maar de ander min of meer rebelleerde tegen het gezag, dat zijn broeder vertegenwoordigde, boezemde aan de moeder grooten angst in.Einde Augustus 1566 schrijft ze aan Lodewijk o. a.:“.....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets raadt noch doet dat tegenGods woord indruischt en dat in strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart van land en luiden.Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen, niet verlaten enz.”Ongetwijfeld werden de Nassausche vorsten in hun godsdienst door staatkundige motieven geleid; niet aldus hun brave moeder. De godsdienst was leven voor haar en menig innig gebed zond ze omhoog voor de geliefde, dierbare zonen, die in een vreemd land in de moeilijkste zaken gewikkeld waren.In hoever het den Prins gelukte, de orde in Antwerpen te herstellen, blijkt het best uit zijn brieven aan de Landvoogdes. Reeds 2 September 1566 kon Oranje haar berichten, dat er weder in de groote kerk Notre Dame gepreekt werd en ook de mis in tegenwoordigheid van een groote menigte was gecelebreerd.Hij geeft haar tevens te kennen, dat door hem niets zal worden nagelaten, den godsdienst overal weder te herstellen overeenkomstig de bevelen van haar, maar hij vond de oppositie in de stad zelfs onder menschen van goeden stand zeer sterk.Twaalf dagen dus na de verwoesting van de Antwerpsche Kathedraal was de kerk weder voor haar oorspronkelijk doel hersteld en dat alleen door inspanning van den man, wiens naam later gold als synoniem van het strijdend Protestantisme. In een later schrijven zegt Oranje, dat hij met de grootste moeite de beroeringen tot rust heeft gebracht.De aanhangers van den nieuwen godsdienst zijn zoo talrijk, dat zij meenen alles in hun macht te hebben. Daarom zendt Oranje bij den brief een overeenkomst, die hij na eindelooze discussies heeft tot stand gebracht en die o.a. inhoudt de prediking binnen de muren toe te staan; hij hoopt, dat de Landvoogdes hare goedkeuring daaraan zal kunnen verleenen; hij wijst haar op het ontzaglijke aantal van 18 à 20.000, dat buiten de muren der stad het preeken bijwoont en spreekt de vrees uit, dat bij weigering er nog meer beroering zal komen, daar er vele landloopers en vagebonden zijn, die zich wel met het groot aantal werklooze arbeiders zouden kunnen vereenigen.Oranje hoopt vooral, dat de Landvoogdes de numerieke sterkte van de hervormden in Antwerpen niet te licht zal schatten.Margareta was ten zeerste ontevreden over de erkenning der schadelijke sekten en over de concessies, die hun waren gedaan. Haar brieven zijn dan ookvol tegenwerpingen over zijn handelwijze, terwijl Oranje’s verontwaardiging steeds grooter werd over haar verwachting, dat hij het onmogelijke doen zou, op een oogenblik, dat hij reeds verricht had wat onwaarschijnlijk scheen.In het begin van September schreef Egmond aan Oranje, toen hij gereed stond naar zijn gouvernement te vertrekken. Ook Egmond ging naar Vlaanderen om het Accoord in zijn gouvernement ten uitvoer te brengen. Dit was voor alle stadhouders een moeilijke taak. “Het teugelloos gemeen tot zijn plicht te brengen, het beeldstormen te verhinderen, de bedrijvers der wanorde te straffen, de openbare preek te bepalen tot die plaatsen, waar ze voor den 23enAugustus werd gehouden en voor dit alles geen andere middelen, dan goede woorden te hebben, daar de regeering geen troepen kon missen; het was een uiterst zware plicht.Toch slaagden ze er in door hun invloed en den bijstand der gezeten burgers, maar voor al hun moeite kregen ze weinig dank van de Landvoogdes, die van haar eigen concessies gruwende, het hun kwalijk nam, dat ze ter goeder trouw het Accoord naleefden.”Al hield Egmond, de meest katholieke der drie, zich het naast aan de bedoeling der Landvoogdes, ook hij gevoelde niet vertrouwd te worden. Egmond klaagt er ook over, dat Margareta op niemand anders haar vertrouwen schijnt te stellen dan op Barlaimont, Viglius, Assonleville en mannen van dat slag, met wie ze elken dag vergaderingen houdt, soms drie uur achtereen. Als reden geeft de Landvoogdes op, dat zij gewaarschuwd is tegen lichtingen, die in Saksen en Hessen door ons volk worden voorbereid, maar Egmond kan dat niet gelooven, want dit zou in strijd zijn met hetgeen de edelen hem hebben verzekerd.Blijkbaar was de graaf van Egmond minder in het vertrouwen der verbonden edelen dan Oranje. Deze sloot met overleg zijn oogen voor hetgeen er gebeurde; de eerste was te eenvoudig om te wantrouwen, hetgeen niet in het openbaar geschiedde; hij bleef dus in onwetendheid.De maand September wordt wel als datum vastgesteld, waarop “gedachten van trouweloosheid” in Oranje begonnen op te komen. Dat er plannen in hem omgingen van oppositie tegen de onderdrukking van den vreemden koning en van pogingen om zelfregeering te verkrijgen, is waarschijnlijk, doch dit alles hield hem ook vroeger reeds bezig. Dit is daarom des te eigenaardiger, omdat hij juist ook in 1566 alles aanwendde, om het koninklijk gezag te handhaven. Zeker is het, dat hij in September, waarschijnlijk na ontvangst van het vermelde briefje van Egmond, een zekeren Varich naar den graaf toezond om Egmond eens te polsen over het verzet tegen Filips.Wilde hij aan den eenen kant het gezag van den koning handhaven, tegelijkertijd zocht hij echter naar middelen om een ander toevlucht dan Filips’ genade te hebben. Hij droomde van verheffing van het volk, dat een sterke begeerte naar nationaal bestaan begon te openbaren.De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.Egmond beschikte over een magnetische kracht, die Oranje miste; er was in hem een onbeschrijfelijke eigenschap, die persoonlijke bewondering opwekte. In den oorlog was hij voorspoedig geweest en daarbij werd Egmond door aandrift,niet door rede beheerscht, twee groote factoren om een populair held te worden. De warmte, die in Oranje’s karakter slechts langzaam ontstond, was in Egmonds karakter van zelf aanwezig.De Prins begreep ten volle dit verschil tusschen hen beiden en gevoelde, dat met hulp van Egmond de zaak gewonnen was; een groot bezwaar voor het leiderschap van Egmond was er echter en dat was Egmond zelf. Hij was van harte een loyaal dienaar van Spanje, zooals Oranje nooit, sedert hij page was, had kunnen zijn. Egmond kon niet gelooven, dat al de indrukken van zijn onbeduidende reis naar Spanje valsch waren geweest en zijn brief van 6 September aan Oranje is een positief bewijs, dat hij niets wist van de pogingen om zich Duitsche hulp te verzekeren.Prins Varich, een vertrouwd edelman, broeder van zijn stadhouder in het kleine vorstendom Oranje, werd daarom naar Egmond gezonden met instructies, welke het handschrift van Lodewijk verraden, zoodat deze jonge geestdriftvolle man er waarschijnlijk in geslaagd is zijn meer voorzichtigen broeder te bewegen, Egmond zijn hand te toonen.Varich moest de aandacht vestigen op de zeer uitgebreide toerustingen van den Koning van Spanje, zoodat niet alleen de dissenters maar ook de Katholieken verdacht werden en het plan van Filips misschien was, hen geheel onder slavernij te brengen.Verder moest hij mededeelen, dat Oranje voor zich zelf besloten had niet in het land te blijven en getuige te zijn van zijn ondergang en de vernedering van het volk. Indien de graaf en de admiraal van gelijke meening waren geen tirannieke onderdrukking te dulden, dan bood Oranje aan, met zijn vrienden de middelen te overleggen om dat te vermijden. De Staten-Generaal bijeen te roepen zou een goede zaak zijn, maar nog beter zou het wezen, er geen gras over te laten groeien, totdat het te laat zou zijn, handelend op te treden. Ten slotte moest Varich den graaf van de onbillijkheid overtuigen, dat Eric van Brunswijk met zijn troepen naar Holland was gezonden.Onmiddellijk na den beeldenstorm was de regeering begonnen troepen aan te werven, hetgeen des te gemakkelijker ging, omdat er juist in die dagen aanzienlijke sommen uit Spanje waren gezonden. Reeds in October kon Margareta op 10.000 man te voet en 3000 ruiters rekenen. Deze legermacht kwam onder commando van Mansfelt, Meghen en anderen; Oranje en Egmond werden niet voldoende vertrouwd. De nieuwe troepen kwamen in de groote steden in bezetting; weigerden deze, zooals Antwerpen en ’s-Hertogenbosch, dan werden de troepen in de nabijheid gelegerd.Niet zoo gemakkelijk ging het, in de stadhouderschappen van Oranje en Egmond, in Holland en Vlaanderen, bezetting te brengen en toch had de Landvoogdes zich niet ontzien toe te staan, dat Eric van Brunswijk zich in Woerden versterkte en dat Gouda 300 waardgelders aannam.Tegenover de alzoo gewapende regeering stond de nationale partij machteloos. Geen wonder, dat de stadhouder van Holland daarover zeer ontstemd was en dat Oranje door middel van Varich, Egmond op het gevaar liet wijzen, dat Hollandlangzamerhand geheel versterkt werd. Oranje was dan ook besloten afstand te doen van zijn stadhouderschappen en zich vrij te maken van alle verplichtingen, maar zonder den raad van Egmond en den admiraal wilde hij niets doen.Oranje vroeg een samenkomst met hem. Egmond antwoordde op deze boodschap met een kort, koud briefje, dat hij den volgenden Dinsdag te 10 uur Oranje te Dendermonde hoopte te ontmoeten. Met zijn gewoon optimisme gaf de graaf te kennen, dat hij de verzekering van de regentes geloofde en Filips zijn toestemming zou geven tot het bijeenroepen der Staten-Generaal, terwijl hij het erg jammer vond, dat Brederode en Culemborg zoo ver waren gegaan.Overeenkomstig de afspraak had de samenkomst op den volgenden Dinsdag plaats. Ze kan niet lang geduurd hebben, want ze begon nagenoeg 11 uur en was voor het middageten afgeloopen.Alle edelen beklaagden zich bitter over de regentes en Lodewijk van Nassau in het bijzonder was zeer gekrenkt over haar mededeeling aan zijn broeder, dat hij uit het land gebannen zou worden. Hoorne liet een brief van zijn broeder Montigny lezen, waarin deze de gramschap van den koning over den beeldenstorm beschreef en Oranje las een brief voor van den Spaanschen gezant te Parijs, Don Alava aan de hertogin, waarin de schuld van het oproer aan de drie mannen, Oranje, Egmond en Hoorne werd geweten en waaruit bleek, dat het Filips’ doel was, op deze drie te gelegener tijd zijn wraak te nemen.Lodewijk van Nassau beweerde, dat, als de koning een leger naar de Nederlanden zond om een tirannie te vestigen, de edelen volkomen in hun recht waren, tegenover de Spanjaards Duitsche huurtroepen te stellen. Algemeen zag men in, dat Filips valsch spel met hen speelde.De brief van Don Alava heette onderschept te zijn, maar was hoogst waarschijnlijk verdicht, om Egmond, die aan de echtheid geloofde, voor Oranje’s plannen te winnen. Toch heeft ook dit niets geholpen. Egmond bleef weigeren om mede te werken tot afwering van het Spaansche geweld; hij was de eenige te Dendermonde, die het verzet tegen den koning afkeurde. Veertien jaar later schreef Oranje in zijn Apologie:“Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards vasten voet in het land verkregen hadden.”De samenkomst te Dendermonde was alzoo een waardig pendant van die te Hoogstraten. Op beide vergaderingen was het de loyauteit van Egmond, die zijn vrienden belette, althans een poging te wagen, het land te redden.Kort daarop schreef Egmond uit Brussel een brief aan Oranje, waarin hij hem meedeelde, hoe verontwaardigd Margareta was over den inhoud van den verdichten brief van don Alava, maar tevens (en dit vooral had Egmonds oogen moeten doen opengaan), hoe de Landvoogdes hem behandelde als een man, van wien zij een slechten dunk had.In den aanvang van October was Antwerpen wederom in een dragelijk rustigen toestand, ten minste voor het uiterlijke. De noordelijke gewesten, die reeds geruimen tijd op de aanwezigheid van hun stadhouder hadden aangedrongen, herhaalden steeds luider die vraag. Om hem over te halen, gaven ze te kennen, dat de Staten van Holland hadden besloten, hem een wacht van 36 man te geven. Ook wilden ze hem een geschenk aanbieden, evenals Vlaanderen dat aan Egmond gedaan had. Ze wilden hem 55000 ponden geven, maar de Prins meende, dat in die moeilijke dagen het geld beter kon besteed worden. Toch nam hij een gift voor zijn uitgaven aan.Wel vreesde de Prins voor een herhaling van het oproer, als hij Antwerpen aan de zorg van de overheid overliet, maar hij begreep ook de billijkheid van het verzoek der Hollanders en gevolgd door zijn “bande d’ordonnance” uit 260 ruiters bestaande, toog hij op reis naar Utrecht. Hoogstraten werd Oranje’s tijdelijke plaatsvervanger te Antwerpen.In het Noorden waren de troebelen eenvoudig een herhaling van die te Antwerpen. De hervormde sekten wenschten te hooren preeken, de regentes wilde dit voorkomen en de schending van de kerkgebouwen straffen, terwijl de Prins den hervormden het voorrecht wilde geven, hun wettig toegestaan door het Accoord van 25 Augustus. Er was over de nauwkeurige datums, wanneer er in verschillende plaatsen voor het eerst gepreekt was, groot geharrewar en de quaestie was niet altijd gemakkelijk te beslissen, daar de getuigen noodzakelijk er bij geïntresseerd waren.In Utrecht was de Prins tamelijk voorspoedig in het herstellen van de orde; daarna ging hij naar Amsterdam. Margareta waarschuwde Oranje, voordat hij Utrecht verliet, dat binnen de stedelijke grenzen te Amsterdam geen preeken hoegenaamd mochten worden toegestaan.De ligging van Amsterdam maakte den toestand daar eenig in zijn soort. Van alle zijden door kanalen en grachten doorsneden, stond het verbreken van samenkomsten binnen de stad gelijk met een uitnoodiging om in het IJ te springen, als de predikers buiten de stad hun toespraken gingen houden. Oranje was niet blind voor dit moeilijk vraagstuk en verzocht de hertogin een ander te zenden, om hare onmogelijke opdracht uit te voeren.Margareta antwoordde daarop, dat het haar wensch was, dat het preeken in Amsterdam ophield, daar er vóór het Accoord niet gepreekt werd, naar zij had vernomen. Alleen buiten de stad, waar wel gepreekt was op een bepaalde plaats, moest de Prins het in Godsnaam toelaten, als hij het niet kon verhinderen. Ook verzoekt zij in haar brief, zoowel in Amsterdam als in de andere plaatsen, waar wanorde werd aangetroffen op voorbeeldige wijze “de ontwijders en de roovers der kerken” te straffen.Al begonnen de brieven van de Landvoogdes aan Oranje steeds met “mon bon cousin,” al eindigden ze altijd met “votre bonne cousine,” toch bleek uit alles, dat ze eigenlijk den Prins weinig vertrouwde in het uitvoeren van haar scherpe bevelen.Reeds het Accoord met de edelen aangegaan, was haar te veel; buiten degrenzen daarvan te treden, zelfs dan, wanneer de noodzakelijkheid dit niet anders mogelijk maakte, wekte haar toorn in hooge mate op. Dat de regeeringspositie van Oranje van dag tot dag moeilijker werd laat zich hooren, maar toch werd hij door zeer begrijpelijke motieven er nog steeds toe geleid, zich niet bij de partij van het geweld aan te sluiten.Alle kansen om een geregelde gewapende macht samen te stellen tegenover de naderende Spaansche soldaten, waren verloren. Zelfs het aanvankelijk in wachtgeld genomen krijgsvolk, door Lodewijk van Nassau aangeworven, was nog voor den winter van 1566–67 door gebrek aan geld ontbonden; men had per slot van rekening voor Filips het leger bijeengebracht, want voor rekening van hem werden die huursoldaten, die het geuzenleger moesten vormen, overgenomen. Ook weigerde Oranje het opperbevel te aanvaarden over een leger van de consistoriën. Aan Brederode werd dit toen opgedragen, doch daar men voor de lente geen ernstigen aanval wachtte, werd er geen al te groote haast met de maatregelen gemaakt. De regeering was met haar voorbereiding reeds veel verder gevorderd en in het midden van December werd tot de belegering van Valenciennes besloten, dat in het Zuiden der Nederlanden het brandpunt der hervorming was.Noircarmes was aan het hoofd van het leger geplaatst, om Valenciennes ten onder te brengen. De stad werd buiten de wet verklaard. Verschrikt door dezen onverwachten aanval, liepen de geuzen van het zuiden, aangespoord door Dathenus, van alle kanten samen, om Valenciennes en de geloofsbroeders te ontzetten. Doch die ongeregelde massa was een gemakkelijke prooi voor de troepen der regeering. Noircarmes overrompelde de hoofdmacht van het geuzenleger en drieduizend man sneuvelden in een gevecht bij Lannoy.Welken indruk die verovering op Egmond maakte, is bekend. De zwakke man liet toen den laatsten stengel los, die hem nog aan de verbondenen hechtte. Ook hij ontwapende het volk van Vlaanderen, het gewest van zijn stadhouderschap, schafte zelfs op de meeste plaatsen de openbare preek af en stelde zich zonder eenig voorbehoud voor de regeering beschikbaar.Oranje was tijdens deze jammerlijke eerste nederlaag nog te Amsterdam. Hier was hij er na eindelooze moeite in geslaagd de orde te herstellen, zooals die elders was verkregen en einde Januari zond hij de Landvoogdes een copie van het Accoord met de burgers.Wel had hij de dissenters verboden gebruik te maken van de kerk der Minoriten, maar hij meende hun te moeten toestaan, binnen de stad vergaderingen te houden, tot ze in de lente een gebouw buiten de wallen hadden gesticht. Godsdienstige buitensporigheden had hij beteugeld, maar voor godsdienstijver een uitweg gevonden, meenende dat dit het eenige middel kon zijn om Filips’ gezag te handhaven.Margareta was er in ’t geheel niet mee voldaan, dat er eenige privileges zouden worden toegestaan. Opstand was opstand en moest in kerk of staat worden overwonnen. Ze berispte dan ook Oranje zoowel over de liberaliteit van het Accoord als over zijn laksheid tegenover de bondgenooten. Vooral wantrouwde zij Lodewijk van Nassau. Daarom schreef Oranje haar op den 20enJanuari:“Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd, daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad.”Was Margareta ontevreden over de concessies door den Prins gedaan, terwijl ze toch zelf haar eigen onmacht om de Vlaamsche oproerige beweging te kalmeeren, moest inzien, men kan licht begrijpen, dat haar broeder van zijn verwijder gezichtspunt uit, nog een gestrenger beoordeelaar van Oranje was.Naar zijne meening waren de protesteerende geesten van het Noorden een hoop onrustige, oproerige en goddelooze booswichten. Hij besloot na eindelooze overwegingen, een nieuwen eed van trouw van elken koninklijken ambtenaar en dienaar in zijn Nederlandschen dienst te eischen. Wie deze eedsaflegging weigerde, zou worden aangemerkt als een verrader.In December 1566 had Margareta het bevel ontvangen, dezen nieuwen eed van al de troepen in de gewesten af te nemen. Dienovereenkomstig beval zij in Januari aan den Prins dien eed aan zijn troepen op te leggen. Hij antwoordde daarop uit Haarlem, dat hij niet in staat was, haar bevel op te volgen, daar zijn compagnie reeds was vertrokken. De hertogin zou gemakkelijk een ander vinden, om de troepen den vereischten eed te doen afleggen. De tijd scheen hem nog niet rijp, om zijn werkelijke meening over deze nieuwe regeling uit te spreken. Hij wendde geen poging aan, zijn manschappen terug te houden van de opvolging van Filips’ gebod, maar gaf toch duidelijk te kennen, dat hij liever niet als tusschenpersoon daarbij diende.Toen het Accoord te Amsterdam was geteekend en alles door hem gedaan was, wat binnen de grenzen zijner macht viel, ging Oranje naar Antwerpen terug, waar de zaken weder in zulk een toestand gekomen waren, dat er een sterkere hand dan die van Hoogstraten noodig was. Hij hield te Breda op, waar de graven van Hoorne, Nieuwenaar, Hoogstraten, Brederode en verschillende andere verbondenen zijn aankomst afwachtten.De Landvoogdes, die van het voornemen dezer samenkomst had gehoord, had wel aan den Prins geschreven, dat zij dit niet goedkeurde, maar haar brief was te laat gekomen om het te beletten.Hoe verontwaardigd de edelen waren over den maatregel van een nieuwen eed in het midden zijner regeering, terwijl alle vereischte vormen van den eed van getrouwheid aan den koning in den aanvang van diens regeering geheel en al nagekomen waren, laat zich denken.Brederode stelde een nieuwe petitie aan de regeering voor; Oranje keurde die evenmin goed als dat hij ze verhinderde. Het schijnt dat hij op het oogenblik den toestand van den kranken staat zoo hopeloos vond, dat hij onverschillig was voor de proef van elk geneesmiddel.Het nieuwe request was krachtig gesteld; het klaagde over het verbreken van het Accoord, over het uitvaardigen van daarmee strijdige plakkaten en overandere onwettigheden. Margareta wilde Brederode zelf niet ontvangen; een zijner vrienden overhandigde het haar en zij antwoordde acht dagen later met tegenklachten. Ook zij beschuldigde de tegenpartij van overtreding van het Accoord en had Brederode met oproer gedreigd, haar antwoord luidde, dat het onderdanen niet paste, zulk een taal tegen de overheid te voeren. Nauwelijks was dit antwoord in Brederode’s handen gekomen, of hij begon te Antwerpen krijgstoerustingen, die Oranje oogluikend toestond.Met Duitsche vorsten bleef de Prins ook in die dagen in drukke briefwisseling, terwijl zijn broeder Lodewijk hen persoonlijk bezocht, om raad en hulp te vragen. Augustus van Saksen schreef Oranje o.a. dat niemand eigenlijk den Prins kon raden dan de Prins zelf, maar dat het een goed plan was, als hij de Augsburgsche confessie aannam en de gereformeerden kon overreden, die insgelijks te omhelzen. En inderdaad, daartoe deed Oranje in die dagen allerlei pogingen. De Lutheranen en de Calvinisten wilden zich echter niet vereenigen. Al kwamen er ook in Antwerpen eenige Luthersche predikanten, om de Calvinisten te bekeeren (misschien door toedoen van den Prins), hun bekrompen en onverdraagzaam dogmatisme kon slechts de tweedracht verergeren. Van den preekstoel werd er alleen hatelijk tegen andersdenkenden geredetwist. De Lutheranen ontzagen zich niet, de gereformeerden voor ketters en oproermakers te schelden en als menschen voor te stellen, die in een goed geordenden staat niet geduld mochten worden.’t Is wel vreemd: Oranje meende, dat het mogelijk zou zijn deze felle bestrijders van elkaar, te vereenigen! Wel een bewijs, dat hij in die dagen de beteekenis van den godsdienst nog niet voldoende begreep en dat hij, alleen om de hulp der Duitschers te verkrijgen, wilde vereenigen, wat in dien tijd niet bij elkaar te brengen was. De dagen waren echter niet verre meer, of hij zou dit begrijpen.Intusschen begon de Landvoogdes de bedoelingen van Oranje te wantrouwen. Wel was hij machtiger dan iemand anders geweest, om een schijn van vrede in de steden te herstellen, die door de onstuimigste beroeringen der verschillende sekten waren verdeeld. Maar wat hielpen al die pogingen van den Prins voor de rust van het land, als hij toch weder in het geheim samenwerkte met Brederode, die openlijk in Antwerpen lichtingen aanwierf, niet voor den dienst des konings bestemd.Nog één poging wendde de Prins aan, om door middel van de Duitsche vorsten invloed op de politiek van de Landvoogdes uit te oefenen. Had hij op den 7enJanuari 1567 een brief aan Willem van Hessen geschreven, met dringende bede om Duitsche hulp, was er dientengevolge eene vrij vruchtelooze samenkomst van edelen te Dusseldorf geweest, om over de Nederlandsche zaken te raadplegen, op den 21enFebruari schreef de Prins weder een langen brief aan denzelfden Willem van Hessen, waarin hij uitvoerig Margareta’s pogingen beschreef, om het Protestantisme uit te roeien.Van de regentes was niets te verwachten. Meghen was door en door papistisch en hij beheerschte geheel en al de hertogin. Hij was de oorzaak van al de ellende in Brabant, evenals Aremberg in Friesland; beiden bedoeldenalleen de arme Christenen te onderdrukken, onder voorwendsel van den godsdienst te beschermen. Deze brief kruiste met een van Willem van Hessen aan Oranje. Daarin deelde hij den Prins mede, dat de Duitsche vorsten van plan waren, een deputatie naar Margareta te zenden, om door mondelinge bespreking ten gunste van de Lutherschen iets uit te werken. Hij waarschuwde Oranje zich tegen de Spanjaards in acht te nemen, in naam van den ouden landgraaf, die op sterven lag en zoo er iemand in Europa was, die daarover uit ervaring kon spreken, dan was het wel Filips van Hessen.Misschien heeft deze waarschuwing van den ouden Landgraaf wel medegewerkt tot den beslissenden stap van Oranje, toen hij weigerde den nieuwen eed af te leggen. Vroeg in Maart herinnerde Margareta hem, dat de tijd voor alle trouwe vazallen van Spanje gekomen was, om openlijk voor den dag te komen en zich als zoodanig te toonen. De koning toch had zijn bevel herhaald, dat iedereen in zijnen dienst, zonder eenige uitzondering, zijn eed van getrouwheid zou hernieuwen. De regentes nam als zeker aan, dat de Prins niet aarzelen zou, aan haar verzoek te voldoen. Geen loyaal man zou onder de bestaande omstandigheden zijn handteekening kunnen weigeren. Het was eenvoudig herhaling. Dat was haar gezichtspunt—het was een doodgewone zaak.Nog denzelfden dag, waarop de Prins den nieuwen eed ter teekening ontving, zond hij Margareta bericht, dat het hem tot zijn spijt niet mogelijk was aan het verzoek van de Landvoogdes te voldoen. In zijn antwoord schrijft hij o. a.: ....“Indien ik nog eens getrouwheid zweer, dan kon het schijnen, alsof ik mijn vroegere geloften had verwaarloosd. De vorm van dezen nieuwen eed is daarbij wel eenigszins vreemd en schijnt van de gedachte uit te gaan, òf dat ik er over denk mij zelf te onttrekken aan het volbrengen van loyale plichten in ’s Konings dienst, òf dat ik meen orders te ontvangen, die ik niet gewetensvol zou kunnen uitvoeren, daar ik gezworen heb, de voorrechten der gewesten te beschermen....”Tevens verzoekt Oranje iemand te zenden om zijn opdracht te kunnen overnemen.Verwondert het ons, dat Margareta ontroerd was, toen zij die weigering van den Prins op hare vraag ontving? Ze had niet opgehouden in de dagelijksche briefwisseling met haar broeder, hem alle geruchten betreffende Oranje, mede te deelen en elke regel, dien zij schreef, ademde wantrouwen. En toch was ze zich levendig bewust, hoe nuttig de Prins voor haar was geweest en hoe geen ander man een dergelijken invloed op het volk kon uitoefenen. Het denkbeeld, dat hij zich onttrok, vervulde haar met grooten angst.Zij antwoordde Oranje, dat zij niet bij machte was, zijn besluit aan te nemen, daar zij hem de ambten niet had overgedragen, die hij vervulde. Ze zou echter den koning inlichten maar hoopte, dat hij voorloopig zijn bestuur zou blijven uitoefenen op zulk een wijze, dat hij zich tegenover God en zijn souverein kon verantwoorden en overeenkomstig zijn eersten eed.Kort daarna zond ze haar secretaris Berty naar Oranje, die met hem eenpersoonlijk onderhoud over dien eed had, doch hun samenkomst had geenerlei resultaat. Oranje kon en wilde geen eed zweren, dien hij voor kleingeestig hield, indien hij niet meer behelsde dan oppervlakkig scheen en dien hij voor gevaarlijk hield, indien er meer in verborgen lag, dan het oog kon zien. Hij bleef dus bij zijn voornemen, zijn ambten, die hij van den Spaanschen koning had verkregen, neder te leggen.Thans zou men zeggen, dat het oogenblik voor den Prins was gekomen om zich royaal aan de zijde van het volk te plaatsen of zich aanstonds geheel terug te trekken. Maar nog bleef Oranje weifelen. Al wordt alles in aanmerking genomen, om zijn houding te verontschuldigen, zijn weifeling tot het laatste oogenblik toe en zijn gebrek aan zelfvertrouwen zijn mede oorzaak geweest van de noodlottige gebeurtenissen, die het vaderland zoo diep te betreuren had.Filips II was besluiteloos, maar Oranje was het niet minder. De besluiteloosheid van den koning van Spanje was de oorzaak, dat Alva eerst in April 1567 Madrid verliet, terwijl toch de koning onmiddellijk na den beeldenstorm besloten had tot zijn zending. Had Oranje die maanden, die daartusschen verliepen (Aug. 1566-Maart 1567) gebruikt, om hem te voorkomen, de opstand ware georganiseerd en Alva had de poorten der steden gesloten gevonden. Maar de Prins miste het noodige vertrouwen op de duurzame kracht der beweging en op zich zelven.In de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden is er dan ook weinig verheffends in zijn persoonlijkheid. Staatkundige berekening gaf bij al zijn daden den doorslag. En al zullen wij hem op hoogst gespannen oogenblikken, die nog volgden, de hulde niet onthouden, die hem toekwam, toch betreuren we het, dat destijds niet reeds die hoogere geest in hem leefde, dien we later bij zijn terugkeer in het vaderland in hem bewonderen.Margareta had op de terugkomst van den Prins te Antwerpen gerekend, om krachtiger tegen de vrije prediking op te treden. Hoogstraten, die Oranje vervangen had tijdens diens afwezigheid in het Noorden, had wel met oordeel en kracht bestuurd en zelfs in October een oproer door strenge maatregelen bedwongen, maar of hij de man er naar was, om den katholieken godsdienst te herstellen ten koste der sekten, daaraan twijfelde Margareta.De Landvoogdes bleef op den Prins vertrouwen en nauwelijks was hij dan ook in de Scheldestad teruggekeerd, of Margareta ving weer aan, zich beroepende op zijn trouw aan den koning, hem aan te zetten tot het doen ophouden der prediking binnen de muren der stad. Daar Margareta zich niet van den Prins wilde ontslaan, ook al had hij den nieuwen eed geweigerd, totdat de koning daaromtrent zou beslist hebben, was Oranje wel verplicht, de moeilijke taak te Antwerpen weer op zich te nemen.Fernando Alvarez de ToledoFernando Alvarez de ToledoHertog van Alva.Na verschillende samenkomsten met de hervormers, kwamen de Prins, de magistraat en de graaf van Hoogstraten, die Oranje’s coadjuctor bleef, tot het resultaat, dat de prediking binnen de muren niet zou kunnen ophouden, tenzij er eenige compensatie aan de sekten gegeven werd. Op 17 Februari zonden ze een deputatie naar de Landvoogdes om de zaak met haar te bespreken. De regentes was zeer positief in haar eischen; zij stond met kracht op de nakoming van devolgende voorwaarden: Alle predikers moesten aanstonds vertrekken en alle preeken en godsdienstoefeningen ophouden. De katholieke eeredienst moest worden hersteld en het bouwen van nieuwe tempels gestaakt worden; alle burgers moesten den koning gehoorzamen en zich aan zijn geboden houden. Geen vagebonds of vluchtelingen mochten binnen de stad geduld worden en alle gewapende mannen in den dienst van de gemeente moesten gehoorzaamheid aan den koning zweren. Als die voorwaarden vervuld werden, dan beloofde de regentes den burgers van Antwerpen, dat ze niet om vroegere daden zouden worden gestraft, tenzij de koning, door de edelen, de raden en staten geraadpleegd, anders zou bevelen.In die amnestie was niet één persoon begrepen, die schuldig was aan beeldstormerij, samenzwering tegen Z. M. enz. Ten overvloede, om alles nog minder beteekenend te maken, verklaarde ze, dat de beloften in die artikelen vervat, aan ’s konings welbehagen waren onderworpen.Welk een slag was dit in het aangezicht van alle hervormden, van welke kleur ze ook waren! Op den 27enFebruari verschenen afgevaardigden van de sekten voor den Prins en vroegen, waarom er geen acht was geslagen op het verdrag van het voorgaand jaar. Was het wonder dat er samenscholingen van het volk plaats hadden, dat op zulk een wijze werd geprikkeld?Op den 2enMaart verzamelde zich een menigte van 2000 man voor de deur van ’s Prinsen verblijf en eischte de verzekering, dat er geen geweld zou worden gebezigd, om de preeken te doen ophouden. Toch gingen ze toen nog zonder rumoer uiteen.In plaats van zich aan het hoofd dier onstuimige menigte te plaatsen, dacht Oranje er aan, haar te bedwingen en te ontwapenen, met het doel den koning het voorwendsel te ontnemen, het land met Spaansche benden in te trekken. Daarom richtte hij in overleg met Nieuwenaar, die ook voor Hoorne sprak, Brederode en Hoogstraten nog eens een brief aan Egmond, zonder wien ze allen te zamen niets vermochten.En wat stelden ze hem voor? Zouden we het kunnen gelooven, indien de documenten het niet bewezen? Ze stelden Egmond voor, zich met hen te verbinden tot het afschaffen van de openbare preek, tot het herstellen der orde en daardoor tot het weren van de Spaansche troepen, voor wier komst de aanleiding dan zou zijn weggenomen. Wij gelooven gaarne, dat het doel van den Prins: het weren der Spaansche soldaten, ernstiger gemeend werd dan het middel: de vrije prediking af te schaffen. Maar ondertusschen werd het door hem voorgesteld.Wel een bewijs hoe weinig Oranje en de zijnen nog wisten wat hun te doen stond. Terwijl de Protestanten goed en bloed te hunner beschikking stelden, om de vrije prediking te behouden, stonden zij in beraad die desnoods met geweld te verhinderen. Toonde Margareta met haar dwaze eischen den geest des tijds niet te verstaan; die geest, die strooming werd evenmin begrepen door Oranje. Werd zij gedreven door den angst voor haar koning of het naderend leger, door hem gezonden; ook de Prins, voor wien de orde alles was in den staat, werd door diezelfde vrees tot de wanhopigste en onmogelijkste reactie gebracht, die wij ons bijna niet van hemkunnen voorstellen. Men mag echter niet vergeten, dat het doel van dat schrijven was, Egmond te winnen.Doch Egmond was een royalist pur sang. Hij was dit door afstamming en traditie, van den aanvang zijner loopbaan af, als overwinnend generaal van de troepen van zijn meester! Ook hem mishaagde wel het gedrag van den koning; diens bevelen vielen ook niet in zijn smaak, maar rebel te worden, de wapens tegen den koning op te nemen, dat kon hij nog minder verdragen. Van den aanvang af had hij dit geweigerd en bij die verklaring volhardde hij. Als aristocraat kon hij zich niet met het volk verbinden tegen zijn souverein; als katholiek wilde hij zich niet vereenzelvigen met de bestrijders van het gezag der kerk. Buitendien was er nog een andere factor in het spel, die zijn houding van die van Oranje deed verschillen. Al zijn eigendommen en belangen waren op den Nederlandschen grond.Oranje had zeker ook van zijn recht op zijn vaderlijk erfgoed afstand gedaan ter wille zijner broeders, maar de Nassau’s waren zoo aan elkander gehecht en zoo loyaal tegenover elkander, dat hij zeker was, een veilig toevluchtsoord in het ouderlijk huis te vinden. Egmonds diensten aan Filips bewezen, waren door heel Europa bekend en hij kon niet gelooven, dat de overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen, die zooveel glans had geworpen op de eerste regeeringsjaren van den vorst, door Filips verkeerd zou worden beoordeeld. Hij antwoordde daarom aan de vier edelen, dat hij zich niet met hen wilde verbinden. Hij vermaande hen te doen, wat ze hem voorstelden: de preek af te schaffen, het volk te beteugelen en dan nederig den koning te bidden, niet met zulk een geduchte legermacht in het land te komen. Geen defensief verbond wilde hij mee sluiten; tot meer dan nederig bidden, mochten de edelen zich niet verstouten.Oranje en zijne vrienden wilden nog een poging wagen, Egmond tot beter inzicht te brengen. Ze noodigden hem tot een gesprek, maar hij weigerde hen te ontmoeten. Hij vermaande hen zich als getrouwe vazallen te gedragen. Hij voor zich was besloten, de wijk te nemen als de koning het land overheerde, maar in geen geval zou hij zijn meester bestrijden. Dit was zijn laatste woord en daarmee keerde hij zich voor goed van zijn oude vrienden af.Egmond legde den nieuwen eed, dien Oranje geweigerd had, af en op den zelfden dag gaf Brederode de instructies aan de bevelhebbers zijner troepen.

Oranje spande zich in Antwerpen met alle macht in, de orde te herstellen en werkelijk gelukte het hem binnen een kort tijdsverloop, met medewerking van de Magistraat, vergelijkenderwijze de stad weder tot rust te brengen. Hij slaagde er in, de vreemde kooplieden, die gedreigd hadden de stad te zullen verlaten om elders hunne zaken te hervatten, te overreden in Antwerpen te blijven. Ook besloot hij de preeken niet te verbieden, maar te zorgen, dat zij rustig gehouden werden. Zijn voorstel om de stedelijke militaire macht met een paar honderd man op kosten van de stad te versterken, vond geen goedkeuring bij de Magistraat.

De Landvoogdes was ondertusschen zeer bevreesd geweest, dat de geheele stoet van de verzamelde edellieden te St. Truyen weer naar Brussel zou komen. Door invloed van den Prins, van Duffel uit, werd zij hiervan bevrijd. Slechts een commissie van twaalf gedeputeerden, gewoonlijk de twaalf Apostelen genoemd, met Lodewijk van Nassau aan het hoofd, kwam in Brussel, om het tweede verzoekschrift aan te bieden. Niet dan met moeite liet de Landvoogdes zich bewegen de gedeputeerden te ontvangen. Stoute taal lieten zij hooren. Medewerking zouden zij verleenen om de vrede te helpen bewarenindienwerd toegestaan, dat er geen wraak zou genomen worden over het verledene, dat de regeering hun toestond zich met de gereformeerden te vereenigen en hun godsdienstoefeningen zouden worden beschermd, dat Oranje, Egmond en Hoorne in alle gewichtige zaken zouden worden geraadpleegd en als de Landvoogdes de Staten-Generaal wilde bijeenroepen.

Het smeekschrift van April was Margareta al te ver gegaan, maar dit nieuwe verzoekschrift was, zooals zij het zelf uitdrukte “nog veel wranger van smaak en nog veel harder om te verduwen.”

Ten einde over dat verzoekschrift en het antwoord er op te geven teberaadslagen, riep Margareta tegen den 18enAugustus de Ridders van het Gulden Vlies en de leden van den Raad van State bijeen; met opzet nam ze een uitstel van drie weken in de hoop, dat inmiddels antwoord uit Madrid zou komen op het verzoekschrift van April en haar hoop, zullen we zien, werd verwezenlijkt.

Ook den Prins schreef ze herhaaldelijk naar Antwerpen om haar toch in Brussel te komen bijstaan. Daartoe was echter Oranje allesbehalve gezind, want hij wist, dat de schijnbare kalmte in Antwerpen slechts aan de oppervlakte lag. De regentes echter weigerde naar zijn bezwaren te luisteren. Al verzekerde hij, dat zijn vertrek het sein zou wezen tot onlusten en dat het gevaarlijk was, de opgeruide menigte aan zich zelf over te laten, zonder een leidsman, dien ze vertrouwde, toch werd hij telkens dringender naar de hoofdstad ontboden.

De 18deAugustus was toen en is nog een geliefde heilige dag voor de Vlaamsche stad. Een klein beeldje van de H. Maagd, in de Antwerpsche Kathedraal bewaard, werd op dien dag gewoonlijk door de stad gedragen. Het was het feest van den “ommegang.”

Kennende het gevaar van samengevloeide menigten, drong de Prins er op aan, althans zijn vertrek tot na dat feest uit te stellen. Op den 18enAugustus was hij dus nog in Antwerpen en woonde zelfs als ooggetuige, voor een venster op het stadhuis, met de Prinses en met Lodewijk den feestelijken omgang bij.

Toen het kleine beeldje, als naar gewoonte bedekt door de rijke geschenken, die van tijd tot tijd haar toevloeiden, het heiligdom verliet, werd het van den kant der menigte, die op een veiligen afstand volgde, met spotkreten begroet en bij tusschenpoozen, als het rumoer wat bedaarde, werden de honende woorden vernomen: “Maaike, Maaike, uw uur heeft geslagen. Het is de laatste maal, dat gij zoo rondgaat. De stad is u moede geworden.”

Er werden enkele steenen geworpen, maar ze beschadigden niets en het arme onschuldige beeldje, voor de eerste maal oneerbiedig behandeld, werd veilig en wel in het heiligdom teruggebracht. Gewoonlijk werd het na den terugkeer van haar omgang bij de westelijke deur van de Kathedraal geplaatst, om daar nog gelukwenschen en geschenken te ontvangen. Maar dit jaar waren haar bewakers al blij genoeg, dat ze haar veilig onder dak hadden teruggebracht, dan dat ze verder gevaar wilden loopen en het beeldje werd in het koor achter een ijzeren traliedeur geplaatst.

Daags na de processie, gaf Oranje gehoor aan den oproep der regentes en ging vroegtijdig naar Brussel, in de hoop, dat het gevaar niet dreigend zou zijn en toch was hij niet vrij van vrees. Die vrees bleek spoedig maar al te gegrond.

Voordat hij nog Brussel had bereikt, verzamelde zich een menigte bij de deur der Kathedraal; het verborgen beeldje werd ontdekt en het volk begon de kreten van den vorigen dag te herhalen: “Maaike, Maaike, zijt gij zoo vroeg bevreesd geworden? Zoo spoedig naar uw bergplaats gebracht? Dacht gij buiten het bereik van kwaadwilligheid te zijn? Waak, Maaike, waak, uw uur is gekomen!”

De kerk stond open, gelijk toen en gelijk nog de gewoonte is en de menigte liep in en rond het gebouw even vrij als de toerist van heden.

Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).

Facsimiles van handteekeningen van edelen ter vergadering te St. Truyen. (Zie pag. 116).

Een in lompen gehulde kerel kwam op het denkbeeld, om den preekstoel te beklimmen; hij opende den bijbel en begon spottend een monnikenpreek na te bootsen. Sommigen van de ooggetuigen waren verontwaardigd. Maar anderen juichten den man toe en schreeuwden: “Lang leven de Geuzen!” woorden, die voor een Vlaamschen volkshoop even natuurlijk begonnen te worden als de Marseillaise voor onze hedendaagsche oproermakers. Doch die kreet had volstrekt niet altijd bijzonder het oog op de verbonden edelen.

De volkssympathie was niet geheel met de hervormingsgezinden. De spotboef, die op den preekstoel was geklommen, werd door enkelen uit den volkshoop beetgegrepen. Een jonge schipper, die aan den anderen kant den kansel opklauterde, pakte hem beet en sleurde hem van de trappen. De twee worstelaars waren ongedeerd, maar er volgde een algemeene verwarring. Een pistool werd afgeschoten en de schipper in den arm gewond. Met de grootste moeite slechts slaagden de priesters er in, de kerk te doen ontruimen en de groote kerkdeuren werden gesloten.

Intusschen was de vroedschap op het stadhuis samen gekomen. De eenige man, op wien zij gedurende de laatste weken hadden vertrouwd, was weggegaan en er was geen telegraaf om hem terug te roepen. Ze zonden hem echter een ijlbode achterna. Den dag brachten ze met ijdele besprekingen door en eindelijk gingen ze naar huis, zonder een besluit te hebben genomen, maar in de hoop, dat de nieuwe morgen rust zou aanbrengen. De volkshoop echter, ziende, dat er geen maatregelen tegen hun wetteloos gedrag waren genomen, werd hoe langer hoe stoutmoediger. Toen den volgenden morgen de kerkdeuren werden geopend, stroomde een woedende menigte binnen en het: “Lang leven de Geuzen!” weerklonk door het gebouw. Spotkreten en bedreigingen werden tegen het ongelukkige kleine beeldje geslingerd.

Een arme vrouw, die waskaarsjes verkocht, werd het mikpunt van de grappen van den volkshoop, hetgeen zij beantwoordde met de plagers asch en vuilnis naar het hoofd te werpen, misschien getergd, doordat men haar zeide, dat er geen trek meer voor die koopwaar was en dat ze haar kraam wel kon opbreken. Ondertusschen werd de kerk al voller en voller en ontstond er weer een heftig tumult. Toen besloot de Magistraat gezamenlijk naar de kerk te gaan en te zien, wat haar plechtige tegenwoordigheid zou uitwerken. Dat was echter olie in het vuur. Wel werden op voorstel van den Raad alle deuren op een na gesloten, omdat men hoopte, dat dan de menigte uit dien eenen uitgang de kerk zou verlaten. Maar ook dit baatte niet; de weerspannigsten bleven in de kerk en anderen stormden er weder in. Ten einde raad ging de Magistraat weer naar het stadhuis, om over nieuwe maatregelen te raadplegen. Maar in dien tijd was de Kathedraal aan de willekeur der bestormers overgeleverd en het verwoestingswerk ving aan.

Het beeld der H. Maagd was het eerste slachtoffer. Haar glans werd in de vier hoeken van den wind verstrooid en haar zielloos lichaam in stukken gehakt. Daarop keerde de woede van het gepeupel zich tot andere versieringen; beelden, schilderijen, altaren werden zonder acht te slaan op ouderdom, kunst of kostbaarheid vernield. Voor middernacht was de prachtig versierde kerk, zooals er in Europa geen tweede te vinden was, in een ledigen, akeligen romp veranderd. Al de haat tegen priesterbedrog en Roomsche gebruiken barstte los en zij,die uit werkelijken godsdienstijver handelden, werden door het gespuis, dat alleen uit lust in oproer zich bij hen voegde, geholpen.

En daarop toog de menigte van de eene kerk naar de andere; twee dagen en twee nachten duurde de vernieling. Beelden werden gebroken, schilderijen vernield, crucifixen afgeslagen, doch alle schrijvers erkennen, dat er geen plundering plaats had. De gehate voorwerpen, zelfs die van groote waarde, werden vernield maar niet gestolen. De vroedschap, onbekwaam om den storm te bedaren, sidderde van ontzetting, hopende op ’s Prinsen terugkomst en vreezende voor hun leven. Doch hun angst daarvoor was overbodig. Geen persoonlijk geweld van eenigen aard werd er bedreven; geen enkel mensch werd leed gedaan. Dit was een sprekende trek gedurende dien geheelen storm van geestdrijverij, die gedurende de maand Augustus door het land woedde. Beelden werden vernield, maar menschenlevens overal gespaard.

De tijding bereikte Brussel en bracht de Landvoogdes in de hevigste ontroering. Waarom Oranje niet onmiddellijk aan den wensch der Antwerpsche overheid voldeed, om daar terug te keeren, is niet bekend. Waarschijnlijk was het Margareta, die hem tegenhield. Hij was volgens haar meening een volkstribuun en tegenover de dreigende volksmacht wilde zij een beschermer. Margareta begreep natuurlijk niets van dien beeldenstorm. Het groote beest, het volk, had zijn horens getoond; het moest worden overwonnen en tot onderwerping gebracht. Van een mogelijk recht, dat daaraan ten grondslag lag, had zij geen begrip. Haar voornaamste aandoening echter was vrees bij de uitbarsting en ze zocht naar elke bescherming, die zich aanbood.

Om 3 uur in den morgen van 22 Augustus werden Egmond, Hoorne, Oranje en anderen in het paleis geroepen. Het voorplein lag vol kisten en koffers en de regentes stond gereed, naar Mons te vluchten, waar Aerschot het bevel voerde. Aremberg, Barlaimont en Noircarmes waren reeds bij de Landvoogdes, toen de anderen aankwamen. Al hare raadslieden verzetten zich tegen dit roekeloos plan, dat een algemeenen opstand zou ten gevolge hebben. Had men de regentes tot vertrek kunnen bewegen, dan zou het Oranje niets gekost hebben, de teugels van het bewind te aanvaarden; hij deed niets van dien aard, maar wees integendeel Margareta op de uiterste dwaasheid van zulk een handelwijze.

De oude president Viglius kwam met de tijding binnen, dat de burgers de poorten van Brussel hadden gesloten om het vertrek van de regentes te beletten. Zij overlaadde den armen ouden man met een vloed verwijten; toch week ze eindelijk voor den aandrang harer raadslieden, als wier gevangene zij zich nu beschouwde.

Mansfelt werd met het opzicht over de stad belast, terwijl Egmond, Hoorne en Oranje zich onder hem schaarden. Er liepen dan ook geruchten, dat de beeldstormers van plan waren, in den nacht van den 24enAugustus op alle Brusselsche kerken een aanval te doen. De eene paniek volgde op de andere en de Landvoogdes was met moeite tot bedaren te brengen. Die angst vermeerderde bij elk bericht, dat uit andere Vlaamsche steden kwam. In Doornik, Valenciennes, Gent en Mechelen hadden de berichten uit Antwerpen eveneens een vuur ontstoken. Tevergeefs trachttemen den hartstocht van den volkshoop te breidelen; de furie van den beeldenstorm was ontembaar.

Op 25 Augustus werd Margareta tot een gewichtige concessie gedwongen. Eenige dagen te voren was er van Filips tijding gekomen, in antwoord op het verzoekschrift van April; het behelsde, dat de inquisitie kon worden afgeschaft en dat er een gematigd plakkaat moest worden ontworpen. Dat bericht, hoe nietswaardig ook, daar Filips terzelfder tijd aan den Paus verzekerde, dat die belofte aan de Nederlanders hem slechts door den nood was afgedwongen en daarom ijdel was, dat bericht moest thans dienen om de edelen te bevredigen. Zelfs beloofde Margareta hun, dat zij bij den koning zou aandringen op het bijeenroepen der Staten-Generaal, waartoe hij nog geen verlof had gegeven. Zij erkende met weerzin, dat de hervormingsgezinden haar te machtig waren geworden en dat zij hun recht om God te dienen naar hun eigen wensch niet langer veilig kon ontkennen. En daarom teekende zij ook een verdrag (Accoord), waarbij de vrije prediking werd toegestaan op plaatsen, waar die tot nu toe reeds bestaan had, terwijl de Edelen van hun zijde het Compromis beloofden op te heffen.

Die laatste belofte was een groote fout. Welk aandeel Oranje daaraan gehad heeft, is moeilijk te bepalen, doch zooveel is zeker, dat Lodewijk van Nassau de bewerker van het verdrag is geweest. Brederode en Jan van Marnix (Toulouse) keurden het met scherpe woorden af. De eerste zeide zelfs, dat hij altijd gedacht had “que la seule mort nous pouroit séparer du Compromis.”

Ook een groot deel van het volk beschouwde dit verdrag als verraad aan de goede zaak gepleegd. De vrije prediking alleen toe te staan op plaatsen, waar die reeds gehouden werd, stond gelijk met een verbod en was te duidelijk bewijs, dat Margareta alleen uit vrees en voor ’t oogenblik iets toegaf.

Waarschijnlijk is Lodewijk van Nassau evenals zijn broeder, de Prins, uit vrees voor de uitspattingen van het Calvinisme, tot het sluiten van dat verdrag gekomen. De vergunning der vrije prediking, waar ze reeds bestond, scheen in de oogen van het volk, dat daarvan voordeel trok, een groote stap voorwaarts. Toen dit bekend werd, was de onnadenkende menigte uitgelaten van vreugde en meende in haar opgewondenheid den dageraad van een nieuwen dag over land en volk te zien aangebroken.

Op 26 Augustus keerde Oranje naar Antwerpen terug en op den 29enschreef hij aan Margareta:

“Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen, overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit, van Uwe Hoogheid en van mij zelf.“Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij opdroeg, om geld gereed te houden, debandes d’ordonnancete betalen.”

“Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen, overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit, van Uwe Hoogheid en van mij zelf.

“Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij opdroeg, om geld gereed te houden, debandes d’ordonnancete betalen.”

Oranje vond natuurlijk volop bezigheid in Antwerpen. De geheele stad zag er uit, alsof er een cycloon over was heengegaan. Het was een zware taak de orde teherstellen. Buitendien was de positie van den Prins op dat oogenblik uiterst vreemd.

De verbondenen bleven Margareta’s goede trouw verdenken. Zij besloten gewapende mannen in hun dienst te nemen en Jan van Nassau zelfs had op zich genomen, Duitsche hulptroepen voor dit doel te lichten.

Oranje kan hiermede niet onbekend geweest zijn. Natuurlijk was het lichten van troepen om zich te verzetten tegen regeeringsmaatregelen een revolutionaire daad—maar toch was er zeker nooit een loyaler rebel dan de Prins. Hij toch liet geen steen ongekeerd, om allen burgers te geven, wat hun toekwam en publiceerde een ordonnantie, die onder bedreiging van de doodstraf, de minste stoornis van den katholieken eeredienst of eenige beleediging van geestelijken verbood en hij toonde zelfs zijn beslistheid om door te zetten, door drie beeldenstormers in zijn tegenwoordigheid te doen ophangen.

Hij toonde hoe krachtig hij zich kon beheerschen in het handhaven van het koninklijk gezag, zoover dit maar eenigszins mogelijk was, terwijl hij terzelfder tijd duidelijk aan de regentes uiteenzette, dat de regeering alleen haar eigen zwakheid openbaarde door wetten te maken, die niet konden worden uitgevoerd en dat er een zekere vrijheid van godsdienst aan de bevolking moest worden toegestaan. Hij gaf zijn goedkeuring aan de versterking van het garnizoen in Antwerpen en elders, maar liet ook geen gelegenheid voorbijgaan, aan te dringen op een bijeenroeping van de Staten-Generaal.

De brieven van Margareta ademen doorgaans vertrouwen in hem. Op den 1enSeptember verzocht zij hem bij haar te komen, toen zij kwade geruchten gehoord had van lichtingen der verbondenen in Duitschland, maar toch was ze angstig, hem te raadplegen. Indien ze geweten had, dat op den dag vóór zij schreef, de Prins een langen brief aan Hendrik van Brunswijk had gezonden, om verder verstuurd te worden aan de Hessische vorsten, den hertog van Cleef en Graaf Schwartzburg, dan zou ze niet zoo angstig voor zijn raad geweest zijn.

Daarin toch beschrijft hij het wilde spel, dat de godsdienst in de Nederlanden had gespeeld, daaraan deze woorden toevoegende: “Wij kunnen wel gissen dat dit gedrag onzen genadigsten Heer, de Koninklijke Majesteit van Spanje ten zeerste zal mishagen en grieven, gelijk het inderdaad niet minder ons ontrust en krenkt.” Hij zegt zelfs, dat, als de Spaansche Koning de Inquisitie spoediger uit het land had gebannen, deze beweging niet zou ontstaan zijn en de oude Katholieke godsdienst beter zou hebben kunnen gehandhaafd worden.

Zijn woorden zijn als altijd, ook hier zeer oordeelkundig gekozen; de lezer proeft er uit algemeene liefde tot vrede en orde en een werkelijke aanhankelijkheid aan het Katholicisme. Hij herhaalt zijne overtuiging, dat, indien men den Hervormden rustige uitoefening van hun godsdienst had toegestaan, alles goed zou gegaan zijn. Hij hoopt, dat Filips nog zal hooren naar rede en dat de toestand zal verbeteren.

Uit dergelijke brieven leert men het karakter van den Prins het best kennen. Indien dit verraad was, dan was het wel het openhartigst samenzweren, ooit door een staatsman in praktijk gebracht. Hij was een Washington gelijk, die elken stap voorwaarts in de oogen der wereld wenschte te rechtvaardigen.

Lodewijk, die destijds in Breda was en die evenals de Prins de heftigeCalvinisten als gevaarlijke oproermakers beschouwde, was nog steeds in de weer, de Duitsche vorsten tot hulp te overreden. Hij schreef daarover zelfs aan zijn broeder te Antwerpen, die, hoe regeeringsgezind ook, toch ook steeds op de mogelijkheid van gewapend verzet bedacht bleef.

Volgens Lodewijk zou de overeenkomst, die hij zou aangaan met George van Holl, den koning wel noodzaken, wat water in zijn wijn te doen. Lodewijk werd dan ook voor veel gevaarlijker geacht dan Oranje. De koning verzocht zelfs aan Oranje, Lodewijk voor eenigen tijd weg te zenden, hetgeen Margareta met aandrang herhaalde. Door Lodewijks verwijdering hoopten zij den band te zullen verbreken tusschen de ketters der verschillende landen, doch de Prins weigerde zijn broeder weg te sturen.

Sir Thomas Gresham, de bekende Londensche koopman, stichter van de Londensche beurs, die ook groote zaken dreef, had het raadzaam gevonden, naar die stad terug te keeren, toen hij van den onrustigen geest, die daar heerschte, hoorde. Op den 8enSeptember schreef hij vandaar het volgende:

“Den vierden dezer maand, liet de Prins van Oranje mij vragen, met hem te dineeren. Ik had een hoogst aangenaam onderhoud met hem. Hij vroeg mij naar de gezondheid van Hare Majesteit (Elisabeth); vertelde mij alles wat er in de stad plaats had gehad; wat een gevaarlijke taak hij had te vervullen en hoe hij met de Protestanten een overeenkomst had gesloten, welke hij mij door den secretaris der stad, Wesembeke (dezelfde die in Engeland kwam voor den vrijen handel in het koren) liet voorlezen. Op denzelfden dag werd de overeenkomst op het stadhuis geproclameerd.

De copie daarvan zend ik U hierin gesloten. Maar bij al wat de Prins sprak, zeide hij: “De koning zal niet tevreden zijn met hetgeen wij thans doen,” hetgeen mij deed denken, dat die zaak nog lang niet geëindigd was, maar wel tot grooten rampspoed voeren zou; vooral als de koning van Spanje de bovenhand krijgt. Ook vroeg hij mij, of ons volk van plan was, de stad te verlaten. Ik zei hem, dat ik daarvan niets gehoord had.”

Blijkbaar had Oranje dien maaltijd gegeven, om de meening der Engelschen te weten te komen.

Men kan zich licht voorstellen, hoe angstig de familie van den Prins op het rustige Dillenburgsche kasteel naar de aankomst der koeriers uitzag.

Gravin Juliana was nog in leven. De toestand in de Nederlanden, waarbij een harer zoons aan de zijde der wet en der gevestigde regeering stond, maar de ander min of meer rebelleerde tegen het gezag, dat zijn broeder vertegenwoordigde, boezemde aan de moeder grooten angst in.

Einde Augustus 1566 schrijft ze aan Lodewijk o. a.:

“.....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets raadt noch doet dat tegenGods woord indruischt en dat in strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart van land en luiden.Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen, niet verlaten enz.”

“.....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets raadt noch doet dat tegenGods woord indruischt en dat in strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart van land en luiden.

Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen, niet verlaten enz.”

Ongetwijfeld werden de Nassausche vorsten in hun godsdienst door staatkundige motieven geleid; niet aldus hun brave moeder. De godsdienst was leven voor haar en menig innig gebed zond ze omhoog voor de geliefde, dierbare zonen, die in een vreemd land in de moeilijkste zaken gewikkeld waren.

In hoever het den Prins gelukte, de orde in Antwerpen te herstellen, blijkt het best uit zijn brieven aan de Landvoogdes. Reeds 2 September 1566 kon Oranje haar berichten, dat er weder in de groote kerk Notre Dame gepreekt werd en ook de mis in tegenwoordigheid van een groote menigte was gecelebreerd.

Hij geeft haar tevens te kennen, dat door hem niets zal worden nagelaten, den godsdienst overal weder te herstellen overeenkomstig de bevelen van haar, maar hij vond de oppositie in de stad zelfs onder menschen van goeden stand zeer sterk.

Twaalf dagen dus na de verwoesting van de Antwerpsche Kathedraal was de kerk weder voor haar oorspronkelijk doel hersteld en dat alleen door inspanning van den man, wiens naam later gold als synoniem van het strijdend Protestantisme. In een later schrijven zegt Oranje, dat hij met de grootste moeite de beroeringen tot rust heeft gebracht.

De aanhangers van den nieuwen godsdienst zijn zoo talrijk, dat zij meenen alles in hun macht te hebben. Daarom zendt Oranje bij den brief een overeenkomst, die hij na eindelooze discussies heeft tot stand gebracht en die o.a. inhoudt de prediking binnen de muren toe te staan; hij hoopt, dat de Landvoogdes hare goedkeuring daaraan zal kunnen verleenen; hij wijst haar op het ontzaglijke aantal van 18 à 20.000, dat buiten de muren der stad het preeken bijwoont en spreekt de vrees uit, dat bij weigering er nog meer beroering zal komen, daar er vele landloopers en vagebonden zijn, die zich wel met het groot aantal werklooze arbeiders zouden kunnen vereenigen.

Oranje hoopt vooral, dat de Landvoogdes de numerieke sterkte van de hervormden in Antwerpen niet te licht zal schatten.

Margareta was ten zeerste ontevreden over de erkenning der schadelijke sekten en over de concessies, die hun waren gedaan. Haar brieven zijn dan ookvol tegenwerpingen over zijn handelwijze, terwijl Oranje’s verontwaardiging steeds grooter werd over haar verwachting, dat hij het onmogelijke doen zou, op een oogenblik, dat hij reeds verricht had wat onwaarschijnlijk scheen.

In het begin van September schreef Egmond aan Oranje, toen hij gereed stond naar zijn gouvernement te vertrekken. Ook Egmond ging naar Vlaanderen om het Accoord in zijn gouvernement ten uitvoer te brengen. Dit was voor alle stadhouders een moeilijke taak. “Het teugelloos gemeen tot zijn plicht te brengen, het beeldstormen te verhinderen, de bedrijvers der wanorde te straffen, de openbare preek te bepalen tot die plaatsen, waar ze voor den 23enAugustus werd gehouden en voor dit alles geen andere middelen, dan goede woorden te hebben, daar de regeering geen troepen kon missen; het was een uiterst zware plicht.

Toch slaagden ze er in door hun invloed en den bijstand der gezeten burgers, maar voor al hun moeite kregen ze weinig dank van de Landvoogdes, die van haar eigen concessies gruwende, het hun kwalijk nam, dat ze ter goeder trouw het Accoord naleefden.”

Al hield Egmond, de meest katholieke der drie, zich het naast aan de bedoeling der Landvoogdes, ook hij gevoelde niet vertrouwd te worden. Egmond klaagt er ook over, dat Margareta op niemand anders haar vertrouwen schijnt te stellen dan op Barlaimont, Viglius, Assonleville en mannen van dat slag, met wie ze elken dag vergaderingen houdt, soms drie uur achtereen. Als reden geeft de Landvoogdes op, dat zij gewaarschuwd is tegen lichtingen, die in Saksen en Hessen door ons volk worden voorbereid, maar Egmond kan dat niet gelooven, want dit zou in strijd zijn met hetgeen de edelen hem hebben verzekerd.

Blijkbaar was de graaf van Egmond minder in het vertrouwen der verbonden edelen dan Oranje. Deze sloot met overleg zijn oogen voor hetgeen er gebeurde; de eerste was te eenvoudig om te wantrouwen, hetgeen niet in het openbaar geschiedde; hij bleef dus in onwetendheid.

De maand September wordt wel als datum vastgesteld, waarop “gedachten van trouweloosheid” in Oranje begonnen op te komen. Dat er plannen in hem omgingen van oppositie tegen de onderdrukking van den vreemden koning en van pogingen om zelfregeering te verkrijgen, is waarschijnlijk, doch dit alles hield hem ook vroeger reeds bezig. Dit is daarom des te eigenaardiger, omdat hij juist ook in 1566 alles aanwendde, om het koninklijk gezag te handhaven. Zeker is het, dat hij in September, waarschijnlijk na ontvangst van het vermelde briefje van Egmond, een zekeren Varich naar den graaf toezond om Egmond eens te polsen over het verzet tegen Filips.

Wilde hij aan den eenen kant het gezag van den koning handhaven, tegelijkertijd zocht hij echter naar middelen om een ander toevlucht dan Filips’ genade te hebben. Hij droomde van verheffing van het volk, dat een sterke begeerte naar nationaal bestaan begon te openbaren.

De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.

De openbare prediking buiten Amsterdam op “De Rietvink” door Jan Arendsz van Alckmaar.—9 Augustus 1566.

Egmond beschikte over een magnetische kracht, die Oranje miste; er was in hem een onbeschrijfelijke eigenschap, die persoonlijke bewondering opwekte. In den oorlog was hij voorspoedig geweest en daarbij werd Egmond door aandrift,niet door rede beheerscht, twee groote factoren om een populair held te worden. De warmte, die in Oranje’s karakter slechts langzaam ontstond, was in Egmonds karakter van zelf aanwezig.

De Prins begreep ten volle dit verschil tusschen hen beiden en gevoelde, dat met hulp van Egmond de zaak gewonnen was; een groot bezwaar voor het leiderschap van Egmond was er echter en dat was Egmond zelf. Hij was van harte een loyaal dienaar van Spanje, zooals Oranje nooit, sedert hij page was, had kunnen zijn. Egmond kon niet gelooven, dat al de indrukken van zijn onbeduidende reis naar Spanje valsch waren geweest en zijn brief van 6 September aan Oranje is een positief bewijs, dat hij niets wist van de pogingen om zich Duitsche hulp te verzekeren.

Prins Varich, een vertrouwd edelman, broeder van zijn stadhouder in het kleine vorstendom Oranje, werd daarom naar Egmond gezonden met instructies, welke het handschrift van Lodewijk verraden, zoodat deze jonge geestdriftvolle man er waarschijnlijk in geslaagd is zijn meer voorzichtigen broeder te bewegen, Egmond zijn hand te toonen.

Varich moest de aandacht vestigen op de zeer uitgebreide toerustingen van den Koning van Spanje, zoodat niet alleen de dissenters maar ook de Katholieken verdacht werden en het plan van Filips misschien was, hen geheel onder slavernij te brengen.

Verder moest hij mededeelen, dat Oranje voor zich zelf besloten had niet in het land te blijven en getuige te zijn van zijn ondergang en de vernedering van het volk. Indien de graaf en de admiraal van gelijke meening waren geen tirannieke onderdrukking te dulden, dan bood Oranje aan, met zijn vrienden de middelen te overleggen om dat te vermijden. De Staten-Generaal bijeen te roepen zou een goede zaak zijn, maar nog beter zou het wezen, er geen gras over te laten groeien, totdat het te laat zou zijn, handelend op te treden. Ten slotte moest Varich den graaf van de onbillijkheid overtuigen, dat Eric van Brunswijk met zijn troepen naar Holland was gezonden.

Onmiddellijk na den beeldenstorm was de regeering begonnen troepen aan te werven, hetgeen des te gemakkelijker ging, omdat er juist in die dagen aanzienlijke sommen uit Spanje waren gezonden. Reeds in October kon Margareta op 10.000 man te voet en 3000 ruiters rekenen. Deze legermacht kwam onder commando van Mansfelt, Meghen en anderen; Oranje en Egmond werden niet voldoende vertrouwd. De nieuwe troepen kwamen in de groote steden in bezetting; weigerden deze, zooals Antwerpen en ’s-Hertogenbosch, dan werden de troepen in de nabijheid gelegerd.

Niet zoo gemakkelijk ging het, in de stadhouderschappen van Oranje en Egmond, in Holland en Vlaanderen, bezetting te brengen en toch had de Landvoogdes zich niet ontzien toe te staan, dat Eric van Brunswijk zich in Woerden versterkte en dat Gouda 300 waardgelders aannam.

Tegenover de alzoo gewapende regeering stond de nationale partij machteloos. Geen wonder, dat de stadhouder van Holland daarover zeer ontstemd was en dat Oranje door middel van Varich, Egmond op het gevaar liet wijzen, dat Hollandlangzamerhand geheel versterkt werd. Oranje was dan ook besloten afstand te doen van zijn stadhouderschappen en zich vrij te maken van alle verplichtingen, maar zonder den raad van Egmond en den admiraal wilde hij niets doen.

Oranje vroeg een samenkomst met hem. Egmond antwoordde op deze boodschap met een kort, koud briefje, dat hij den volgenden Dinsdag te 10 uur Oranje te Dendermonde hoopte te ontmoeten. Met zijn gewoon optimisme gaf de graaf te kennen, dat hij de verzekering van de regentes geloofde en Filips zijn toestemming zou geven tot het bijeenroepen der Staten-Generaal, terwijl hij het erg jammer vond, dat Brederode en Culemborg zoo ver waren gegaan.

Overeenkomstig de afspraak had de samenkomst op den volgenden Dinsdag plaats. Ze kan niet lang geduurd hebben, want ze begon nagenoeg 11 uur en was voor het middageten afgeloopen.

Alle edelen beklaagden zich bitter over de regentes en Lodewijk van Nassau in het bijzonder was zeer gekrenkt over haar mededeeling aan zijn broeder, dat hij uit het land gebannen zou worden. Hoorne liet een brief van zijn broeder Montigny lezen, waarin deze de gramschap van den koning over den beeldenstorm beschreef en Oranje las een brief voor van den Spaanschen gezant te Parijs, Don Alava aan de hertogin, waarin de schuld van het oproer aan de drie mannen, Oranje, Egmond en Hoorne werd geweten en waaruit bleek, dat het Filips’ doel was, op deze drie te gelegener tijd zijn wraak te nemen.

Lodewijk van Nassau beweerde, dat, als de koning een leger naar de Nederlanden zond om een tirannie te vestigen, de edelen volkomen in hun recht waren, tegenover de Spanjaards Duitsche huurtroepen te stellen. Algemeen zag men in, dat Filips valsch spel met hen speelde.

De brief van Don Alava heette onderschept te zijn, maar was hoogst waarschijnlijk verdicht, om Egmond, die aan de echtheid geloofde, voor Oranje’s plannen te winnen. Toch heeft ook dit niets geholpen. Egmond bleef weigeren om mede te werken tot afwering van het Spaansche geweld; hij was de eenige te Dendermonde, die het verzet tegen den koning afkeurde. Veertien jaar later schreef Oranje in zijn Apologie:

“Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards vasten voet in het land verkregen hadden.”

“Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards vasten voet in het land verkregen hadden.”

De samenkomst te Dendermonde was alzoo een waardig pendant van die te Hoogstraten. Op beide vergaderingen was het de loyauteit van Egmond, die zijn vrienden belette, althans een poging te wagen, het land te redden.

Kort daarop schreef Egmond uit Brussel een brief aan Oranje, waarin hij hem meedeelde, hoe verontwaardigd Margareta was over den inhoud van den verdichten brief van don Alava, maar tevens (en dit vooral had Egmonds oogen moeten doen opengaan), hoe de Landvoogdes hem behandelde als een man, van wien zij een slechten dunk had.

In den aanvang van October was Antwerpen wederom in een dragelijk rustigen toestand, ten minste voor het uiterlijke. De noordelijke gewesten, die reeds geruimen tijd op de aanwezigheid van hun stadhouder hadden aangedrongen, herhaalden steeds luider die vraag. Om hem over te halen, gaven ze te kennen, dat de Staten van Holland hadden besloten, hem een wacht van 36 man te geven. Ook wilden ze hem een geschenk aanbieden, evenals Vlaanderen dat aan Egmond gedaan had. Ze wilden hem 55000 ponden geven, maar de Prins meende, dat in die moeilijke dagen het geld beter kon besteed worden. Toch nam hij een gift voor zijn uitgaven aan.

Wel vreesde de Prins voor een herhaling van het oproer, als hij Antwerpen aan de zorg van de overheid overliet, maar hij begreep ook de billijkheid van het verzoek der Hollanders en gevolgd door zijn “bande d’ordonnance” uit 260 ruiters bestaande, toog hij op reis naar Utrecht. Hoogstraten werd Oranje’s tijdelijke plaatsvervanger te Antwerpen.

In het Noorden waren de troebelen eenvoudig een herhaling van die te Antwerpen. De hervormde sekten wenschten te hooren preeken, de regentes wilde dit voorkomen en de schending van de kerkgebouwen straffen, terwijl de Prins den hervormden het voorrecht wilde geven, hun wettig toegestaan door het Accoord van 25 Augustus. Er was over de nauwkeurige datums, wanneer er in verschillende plaatsen voor het eerst gepreekt was, groot geharrewar en de quaestie was niet altijd gemakkelijk te beslissen, daar de getuigen noodzakelijk er bij geïntresseerd waren.

In Utrecht was de Prins tamelijk voorspoedig in het herstellen van de orde; daarna ging hij naar Amsterdam. Margareta waarschuwde Oranje, voordat hij Utrecht verliet, dat binnen de stedelijke grenzen te Amsterdam geen preeken hoegenaamd mochten worden toegestaan.

De ligging van Amsterdam maakte den toestand daar eenig in zijn soort. Van alle zijden door kanalen en grachten doorsneden, stond het verbreken van samenkomsten binnen de stad gelijk met een uitnoodiging om in het IJ te springen, als de predikers buiten de stad hun toespraken gingen houden. Oranje was niet blind voor dit moeilijk vraagstuk en verzocht de hertogin een ander te zenden, om hare onmogelijke opdracht uit te voeren.

Margareta antwoordde daarop, dat het haar wensch was, dat het preeken in Amsterdam ophield, daar er vóór het Accoord niet gepreekt werd, naar zij had vernomen. Alleen buiten de stad, waar wel gepreekt was op een bepaalde plaats, moest de Prins het in Godsnaam toelaten, als hij het niet kon verhinderen. Ook verzoekt zij in haar brief, zoowel in Amsterdam als in de andere plaatsen, waar wanorde werd aangetroffen op voorbeeldige wijze “de ontwijders en de roovers der kerken” te straffen.

Al begonnen de brieven van de Landvoogdes aan Oranje steeds met “mon bon cousin,” al eindigden ze altijd met “votre bonne cousine,” toch bleek uit alles, dat ze eigenlijk den Prins weinig vertrouwde in het uitvoeren van haar scherpe bevelen.

Reeds het Accoord met de edelen aangegaan, was haar te veel; buiten degrenzen daarvan te treden, zelfs dan, wanneer de noodzakelijkheid dit niet anders mogelijk maakte, wekte haar toorn in hooge mate op. Dat de regeeringspositie van Oranje van dag tot dag moeilijker werd laat zich hooren, maar toch werd hij door zeer begrijpelijke motieven er nog steeds toe geleid, zich niet bij de partij van het geweld aan te sluiten.

Alle kansen om een geregelde gewapende macht samen te stellen tegenover de naderende Spaansche soldaten, waren verloren. Zelfs het aanvankelijk in wachtgeld genomen krijgsvolk, door Lodewijk van Nassau aangeworven, was nog voor den winter van 1566–67 door gebrek aan geld ontbonden; men had per slot van rekening voor Filips het leger bijeengebracht, want voor rekening van hem werden die huursoldaten, die het geuzenleger moesten vormen, overgenomen. Ook weigerde Oranje het opperbevel te aanvaarden over een leger van de consistoriën. Aan Brederode werd dit toen opgedragen, doch daar men voor de lente geen ernstigen aanval wachtte, werd er geen al te groote haast met de maatregelen gemaakt. De regeering was met haar voorbereiding reeds veel verder gevorderd en in het midden van December werd tot de belegering van Valenciennes besloten, dat in het Zuiden der Nederlanden het brandpunt der hervorming was.

Noircarmes was aan het hoofd van het leger geplaatst, om Valenciennes ten onder te brengen. De stad werd buiten de wet verklaard. Verschrikt door dezen onverwachten aanval, liepen de geuzen van het zuiden, aangespoord door Dathenus, van alle kanten samen, om Valenciennes en de geloofsbroeders te ontzetten. Doch die ongeregelde massa was een gemakkelijke prooi voor de troepen der regeering. Noircarmes overrompelde de hoofdmacht van het geuzenleger en drieduizend man sneuvelden in een gevecht bij Lannoy.

Welken indruk die verovering op Egmond maakte, is bekend. De zwakke man liet toen den laatsten stengel los, die hem nog aan de verbondenen hechtte. Ook hij ontwapende het volk van Vlaanderen, het gewest van zijn stadhouderschap, schafte zelfs op de meeste plaatsen de openbare preek af en stelde zich zonder eenig voorbehoud voor de regeering beschikbaar.

Oranje was tijdens deze jammerlijke eerste nederlaag nog te Amsterdam. Hier was hij er na eindelooze moeite in geslaagd de orde te herstellen, zooals die elders was verkregen en einde Januari zond hij de Landvoogdes een copie van het Accoord met de burgers.

Wel had hij de dissenters verboden gebruik te maken van de kerk der Minoriten, maar hij meende hun te moeten toestaan, binnen de stad vergaderingen te houden, tot ze in de lente een gebouw buiten de wallen hadden gesticht. Godsdienstige buitensporigheden had hij beteugeld, maar voor godsdienstijver een uitweg gevonden, meenende dat dit het eenige middel kon zijn om Filips’ gezag te handhaven.

Margareta was er in ’t geheel niet mee voldaan, dat er eenige privileges zouden worden toegestaan. Opstand was opstand en moest in kerk of staat worden overwonnen. Ze berispte dan ook Oranje zoowel over de liberaliteit van het Accoord als over zijn laksheid tegenover de bondgenooten. Vooral wantrouwde zij Lodewijk van Nassau. Daarom schreef Oranje haar op den 20enJanuari:

“Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd, daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad.”

“Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd, daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad.”

Was Margareta ontevreden over de concessies door den Prins gedaan, terwijl ze toch zelf haar eigen onmacht om de Vlaamsche oproerige beweging te kalmeeren, moest inzien, men kan licht begrijpen, dat haar broeder van zijn verwijder gezichtspunt uit, nog een gestrenger beoordeelaar van Oranje was.

Naar zijne meening waren de protesteerende geesten van het Noorden een hoop onrustige, oproerige en goddelooze booswichten. Hij besloot na eindelooze overwegingen, een nieuwen eed van trouw van elken koninklijken ambtenaar en dienaar in zijn Nederlandschen dienst te eischen. Wie deze eedsaflegging weigerde, zou worden aangemerkt als een verrader.

In December 1566 had Margareta het bevel ontvangen, dezen nieuwen eed van al de troepen in de gewesten af te nemen. Dienovereenkomstig beval zij in Januari aan den Prins dien eed aan zijn troepen op te leggen. Hij antwoordde daarop uit Haarlem, dat hij niet in staat was, haar bevel op te volgen, daar zijn compagnie reeds was vertrokken. De hertogin zou gemakkelijk een ander vinden, om de troepen den vereischten eed te doen afleggen. De tijd scheen hem nog niet rijp, om zijn werkelijke meening over deze nieuwe regeling uit te spreken. Hij wendde geen poging aan, zijn manschappen terug te houden van de opvolging van Filips’ gebod, maar gaf toch duidelijk te kennen, dat hij liever niet als tusschenpersoon daarbij diende.

Toen het Accoord te Amsterdam was geteekend en alles door hem gedaan was, wat binnen de grenzen zijner macht viel, ging Oranje naar Antwerpen terug, waar de zaken weder in zulk een toestand gekomen waren, dat er een sterkere hand dan die van Hoogstraten noodig was. Hij hield te Breda op, waar de graven van Hoorne, Nieuwenaar, Hoogstraten, Brederode en verschillende andere verbondenen zijn aankomst afwachtten.

De Landvoogdes, die van het voornemen dezer samenkomst had gehoord, had wel aan den Prins geschreven, dat zij dit niet goedkeurde, maar haar brief was te laat gekomen om het te beletten.

Hoe verontwaardigd de edelen waren over den maatregel van een nieuwen eed in het midden zijner regeering, terwijl alle vereischte vormen van den eed van getrouwheid aan den koning in den aanvang van diens regeering geheel en al nagekomen waren, laat zich denken.

Brederode stelde een nieuwe petitie aan de regeering voor; Oranje keurde die evenmin goed als dat hij ze verhinderde. Het schijnt dat hij op het oogenblik den toestand van den kranken staat zoo hopeloos vond, dat hij onverschillig was voor de proef van elk geneesmiddel.

Het nieuwe request was krachtig gesteld; het klaagde over het verbreken van het Accoord, over het uitvaardigen van daarmee strijdige plakkaten en overandere onwettigheden. Margareta wilde Brederode zelf niet ontvangen; een zijner vrienden overhandigde het haar en zij antwoordde acht dagen later met tegenklachten. Ook zij beschuldigde de tegenpartij van overtreding van het Accoord en had Brederode met oproer gedreigd, haar antwoord luidde, dat het onderdanen niet paste, zulk een taal tegen de overheid te voeren. Nauwelijks was dit antwoord in Brederode’s handen gekomen, of hij begon te Antwerpen krijgstoerustingen, die Oranje oogluikend toestond.

Met Duitsche vorsten bleef de Prins ook in die dagen in drukke briefwisseling, terwijl zijn broeder Lodewijk hen persoonlijk bezocht, om raad en hulp te vragen. Augustus van Saksen schreef Oranje o.a. dat niemand eigenlijk den Prins kon raden dan de Prins zelf, maar dat het een goed plan was, als hij de Augsburgsche confessie aannam en de gereformeerden kon overreden, die insgelijks te omhelzen. En inderdaad, daartoe deed Oranje in die dagen allerlei pogingen. De Lutheranen en de Calvinisten wilden zich echter niet vereenigen. Al kwamen er ook in Antwerpen eenige Luthersche predikanten, om de Calvinisten te bekeeren (misschien door toedoen van den Prins), hun bekrompen en onverdraagzaam dogmatisme kon slechts de tweedracht verergeren. Van den preekstoel werd er alleen hatelijk tegen andersdenkenden geredetwist. De Lutheranen ontzagen zich niet, de gereformeerden voor ketters en oproermakers te schelden en als menschen voor te stellen, die in een goed geordenden staat niet geduld mochten worden.

’t Is wel vreemd: Oranje meende, dat het mogelijk zou zijn deze felle bestrijders van elkaar, te vereenigen! Wel een bewijs, dat hij in die dagen de beteekenis van den godsdienst nog niet voldoende begreep en dat hij, alleen om de hulp der Duitschers te verkrijgen, wilde vereenigen, wat in dien tijd niet bij elkaar te brengen was. De dagen waren echter niet verre meer, of hij zou dit begrijpen.

Intusschen begon de Landvoogdes de bedoelingen van Oranje te wantrouwen. Wel was hij machtiger dan iemand anders geweest, om een schijn van vrede in de steden te herstellen, die door de onstuimigste beroeringen der verschillende sekten waren verdeeld. Maar wat hielpen al die pogingen van den Prins voor de rust van het land, als hij toch weder in het geheim samenwerkte met Brederode, die openlijk in Antwerpen lichtingen aanwierf, niet voor den dienst des konings bestemd.

Nog één poging wendde de Prins aan, om door middel van de Duitsche vorsten invloed op de politiek van de Landvoogdes uit te oefenen. Had hij op den 7enJanuari 1567 een brief aan Willem van Hessen geschreven, met dringende bede om Duitsche hulp, was er dientengevolge eene vrij vruchtelooze samenkomst van edelen te Dusseldorf geweest, om over de Nederlandsche zaken te raadplegen, op den 21enFebruari schreef de Prins weder een langen brief aan denzelfden Willem van Hessen, waarin hij uitvoerig Margareta’s pogingen beschreef, om het Protestantisme uit te roeien.

Van de regentes was niets te verwachten. Meghen was door en door papistisch en hij beheerschte geheel en al de hertogin. Hij was de oorzaak van al de ellende in Brabant, evenals Aremberg in Friesland; beiden bedoeldenalleen de arme Christenen te onderdrukken, onder voorwendsel van den godsdienst te beschermen. Deze brief kruiste met een van Willem van Hessen aan Oranje. Daarin deelde hij den Prins mede, dat de Duitsche vorsten van plan waren, een deputatie naar Margareta te zenden, om door mondelinge bespreking ten gunste van de Lutherschen iets uit te werken. Hij waarschuwde Oranje zich tegen de Spanjaards in acht te nemen, in naam van den ouden landgraaf, die op sterven lag en zoo er iemand in Europa was, die daarover uit ervaring kon spreken, dan was het wel Filips van Hessen.

Misschien heeft deze waarschuwing van den ouden Landgraaf wel medegewerkt tot den beslissenden stap van Oranje, toen hij weigerde den nieuwen eed af te leggen. Vroeg in Maart herinnerde Margareta hem, dat de tijd voor alle trouwe vazallen van Spanje gekomen was, om openlijk voor den dag te komen en zich als zoodanig te toonen. De koning toch had zijn bevel herhaald, dat iedereen in zijnen dienst, zonder eenige uitzondering, zijn eed van getrouwheid zou hernieuwen. De regentes nam als zeker aan, dat de Prins niet aarzelen zou, aan haar verzoek te voldoen. Geen loyaal man zou onder de bestaande omstandigheden zijn handteekening kunnen weigeren. Het was eenvoudig herhaling. Dat was haar gezichtspunt—het was een doodgewone zaak.

Nog denzelfden dag, waarop de Prins den nieuwen eed ter teekening ontving, zond hij Margareta bericht, dat het hem tot zijn spijt niet mogelijk was aan het verzoek van de Landvoogdes te voldoen. In zijn antwoord schrijft hij o. a.: ....“Indien ik nog eens getrouwheid zweer, dan kon het schijnen, alsof ik mijn vroegere geloften had verwaarloosd. De vorm van dezen nieuwen eed is daarbij wel eenigszins vreemd en schijnt van de gedachte uit te gaan, òf dat ik er over denk mij zelf te onttrekken aan het volbrengen van loyale plichten in ’s Konings dienst, òf dat ik meen orders te ontvangen, die ik niet gewetensvol zou kunnen uitvoeren, daar ik gezworen heb, de voorrechten der gewesten te beschermen....”

Tevens verzoekt Oranje iemand te zenden om zijn opdracht te kunnen overnemen.

Verwondert het ons, dat Margareta ontroerd was, toen zij die weigering van den Prins op hare vraag ontving? Ze had niet opgehouden in de dagelijksche briefwisseling met haar broeder, hem alle geruchten betreffende Oranje, mede te deelen en elke regel, dien zij schreef, ademde wantrouwen. En toch was ze zich levendig bewust, hoe nuttig de Prins voor haar was geweest en hoe geen ander man een dergelijken invloed op het volk kon uitoefenen. Het denkbeeld, dat hij zich onttrok, vervulde haar met grooten angst.

Zij antwoordde Oranje, dat zij niet bij machte was, zijn besluit aan te nemen, daar zij hem de ambten niet had overgedragen, die hij vervulde. Ze zou echter den koning inlichten maar hoopte, dat hij voorloopig zijn bestuur zou blijven uitoefenen op zulk een wijze, dat hij zich tegenover God en zijn souverein kon verantwoorden en overeenkomstig zijn eersten eed.

Kort daarna zond ze haar secretaris Berty naar Oranje, die met hem eenpersoonlijk onderhoud over dien eed had, doch hun samenkomst had geenerlei resultaat. Oranje kon en wilde geen eed zweren, dien hij voor kleingeestig hield, indien hij niet meer behelsde dan oppervlakkig scheen en dien hij voor gevaarlijk hield, indien er meer in verborgen lag, dan het oog kon zien. Hij bleef dus bij zijn voornemen, zijn ambten, die hij van den Spaanschen koning had verkregen, neder te leggen.

Thans zou men zeggen, dat het oogenblik voor den Prins was gekomen om zich royaal aan de zijde van het volk te plaatsen of zich aanstonds geheel terug te trekken. Maar nog bleef Oranje weifelen. Al wordt alles in aanmerking genomen, om zijn houding te verontschuldigen, zijn weifeling tot het laatste oogenblik toe en zijn gebrek aan zelfvertrouwen zijn mede oorzaak geweest van de noodlottige gebeurtenissen, die het vaderland zoo diep te betreuren had.

Filips II was besluiteloos, maar Oranje was het niet minder. De besluiteloosheid van den koning van Spanje was de oorzaak, dat Alva eerst in April 1567 Madrid verliet, terwijl toch de koning onmiddellijk na den beeldenstorm besloten had tot zijn zending. Had Oranje die maanden, die daartusschen verliepen (Aug. 1566-Maart 1567) gebruikt, om hem te voorkomen, de opstand ware georganiseerd en Alva had de poorten der steden gesloten gevonden. Maar de Prins miste het noodige vertrouwen op de duurzame kracht der beweging en op zich zelven.

In de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden is er dan ook weinig verheffends in zijn persoonlijkheid. Staatkundige berekening gaf bij al zijn daden den doorslag. En al zullen wij hem op hoogst gespannen oogenblikken, die nog volgden, de hulde niet onthouden, die hem toekwam, toch betreuren we het, dat destijds niet reeds die hoogere geest in hem leefde, dien we later bij zijn terugkeer in het vaderland in hem bewonderen.

Margareta had op de terugkomst van den Prins te Antwerpen gerekend, om krachtiger tegen de vrije prediking op te treden. Hoogstraten, die Oranje vervangen had tijdens diens afwezigheid in het Noorden, had wel met oordeel en kracht bestuurd en zelfs in October een oproer door strenge maatregelen bedwongen, maar of hij de man er naar was, om den katholieken godsdienst te herstellen ten koste der sekten, daaraan twijfelde Margareta.

De Landvoogdes bleef op den Prins vertrouwen en nauwelijks was hij dan ook in de Scheldestad teruggekeerd, of Margareta ving weer aan, zich beroepende op zijn trouw aan den koning, hem aan te zetten tot het doen ophouden der prediking binnen de muren der stad. Daar Margareta zich niet van den Prins wilde ontslaan, ook al had hij den nieuwen eed geweigerd, totdat de koning daaromtrent zou beslist hebben, was Oranje wel verplicht, de moeilijke taak te Antwerpen weer op zich te nemen.

Fernando Alvarez de ToledoFernando Alvarez de ToledoHertog van Alva.

Fernando Alvarez de Toledo

Hertog van Alva.

Na verschillende samenkomsten met de hervormers, kwamen de Prins, de magistraat en de graaf van Hoogstraten, die Oranje’s coadjuctor bleef, tot het resultaat, dat de prediking binnen de muren niet zou kunnen ophouden, tenzij er eenige compensatie aan de sekten gegeven werd. Op 17 Februari zonden ze een deputatie naar de Landvoogdes om de zaak met haar te bespreken. De regentes was zeer positief in haar eischen; zij stond met kracht op de nakoming van devolgende voorwaarden: Alle predikers moesten aanstonds vertrekken en alle preeken en godsdienstoefeningen ophouden. De katholieke eeredienst moest worden hersteld en het bouwen van nieuwe tempels gestaakt worden; alle burgers moesten den koning gehoorzamen en zich aan zijn geboden houden. Geen vagebonds of vluchtelingen mochten binnen de stad geduld worden en alle gewapende mannen in den dienst van de gemeente moesten gehoorzaamheid aan den koning zweren. Als die voorwaarden vervuld werden, dan beloofde de regentes den burgers van Antwerpen, dat ze niet om vroegere daden zouden worden gestraft, tenzij de koning, door de edelen, de raden en staten geraadpleegd, anders zou bevelen.

In die amnestie was niet één persoon begrepen, die schuldig was aan beeldstormerij, samenzwering tegen Z. M. enz. Ten overvloede, om alles nog minder beteekenend te maken, verklaarde ze, dat de beloften in die artikelen vervat, aan ’s konings welbehagen waren onderworpen.

Welk een slag was dit in het aangezicht van alle hervormden, van welke kleur ze ook waren! Op den 27enFebruari verschenen afgevaardigden van de sekten voor den Prins en vroegen, waarom er geen acht was geslagen op het verdrag van het voorgaand jaar. Was het wonder dat er samenscholingen van het volk plaats hadden, dat op zulk een wijze werd geprikkeld?

Op den 2enMaart verzamelde zich een menigte van 2000 man voor de deur van ’s Prinsen verblijf en eischte de verzekering, dat er geen geweld zou worden gebezigd, om de preeken te doen ophouden. Toch gingen ze toen nog zonder rumoer uiteen.

In plaats van zich aan het hoofd dier onstuimige menigte te plaatsen, dacht Oranje er aan, haar te bedwingen en te ontwapenen, met het doel den koning het voorwendsel te ontnemen, het land met Spaansche benden in te trekken. Daarom richtte hij in overleg met Nieuwenaar, die ook voor Hoorne sprak, Brederode en Hoogstraten nog eens een brief aan Egmond, zonder wien ze allen te zamen niets vermochten.

En wat stelden ze hem voor? Zouden we het kunnen gelooven, indien de documenten het niet bewezen? Ze stelden Egmond voor, zich met hen te verbinden tot het afschaffen van de openbare preek, tot het herstellen der orde en daardoor tot het weren van de Spaansche troepen, voor wier komst de aanleiding dan zou zijn weggenomen. Wij gelooven gaarne, dat het doel van den Prins: het weren der Spaansche soldaten, ernstiger gemeend werd dan het middel: de vrije prediking af te schaffen. Maar ondertusschen werd het door hem voorgesteld.

Wel een bewijs hoe weinig Oranje en de zijnen nog wisten wat hun te doen stond. Terwijl de Protestanten goed en bloed te hunner beschikking stelden, om de vrije prediking te behouden, stonden zij in beraad die desnoods met geweld te verhinderen. Toonde Margareta met haar dwaze eischen den geest des tijds niet te verstaan; die geest, die strooming werd evenmin begrepen door Oranje. Werd zij gedreven door den angst voor haar koning of het naderend leger, door hem gezonden; ook de Prins, voor wien de orde alles was in den staat, werd door diezelfde vrees tot de wanhopigste en onmogelijkste reactie gebracht, die wij ons bijna niet van hemkunnen voorstellen. Men mag echter niet vergeten, dat het doel van dat schrijven was, Egmond te winnen.

Doch Egmond was een royalist pur sang. Hij was dit door afstamming en traditie, van den aanvang zijner loopbaan af, als overwinnend generaal van de troepen van zijn meester! Ook hem mishaagde wel het gedrag van den koning; diens bevelen vielen ook niet in zijn smaak, maar rebel te worden, de wapens tegen den koning op te nemen, dat kon hij nog minder verdragen. Van den aanvang af had hij dit geweigerd en bij die verklaring volhardde hij. Als aristocraat kon hij zich niet met het volk verbinden tegen zijn souverein; als katholiek wilde hij zich niet vereenzelvigen met de bestrijders van het gezag der kerk. Buitendien was er nog een andere factor in het spel, die zijn houding van die van Oranje deed verschillen. Al zijn eigendommen en belangen waren op den Nederlandschen grond.

Oranje had zeker ook van zijn recht op zijn vaderlijk erfgoed afstand gedaan ter wille zijner broeders, maar de Nassau’s waren zoo aan elkander gehecht en zoo loyaal tegenover elkander, dat hij zeker was, een veilig toevluchtsoord in het ouderlijk huis te vinden. Egmonds diensten aan Filips bewezen, waren door heel Europa bekend en hij kon niet gelooven, dat de overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen, die zooveel glans had geworpen op de eerste regeeringsjaren van den vorst, door Filips verkeerd zou worden beoordeeld. Hij antwoordde daarom aan de vier edelen, dat hij zich niet met hen wilde verbinden. Hij vermaande hen te doen, wat ze hem voorstelden: de preek af te schaffen, het volk te beteugelen en dan nederig den koning te bidden, niet met zulk een geduchte legermacht in het land te komen. Geen defensief verbond wilde hij mee sluiten; tot meer dan nederig bidden, mochten de edelen zich niet verstouten.

Oranje en zijne vrienden wilden nog een poging wagen, Egmond tot beter inzicht te brengen. Ze noodigden hem tot een gesprek, maar hij weigerde hen te ontmoeten. Hij vermaande hen zich als getrouwe vazallen te gedragen. Hij voor zich was besloten, de wijk te nemen als de koning het land overheerde, maar in geen geval zou hij zijn meester bestrijden. Dit was zijn laatste woord en daarmee keerde hij zich voor goed van zijn oude vrienden af.

Egmond legde den nieuwen eed, dien Oranje geweigerd had, af en op den zelfden dag gaf Brederode de instructies aan de bevelhebbers zijner troepen.


Back to IndexNext