Hoofdstuk X.

Hoofdstuk X.De slag van Austruweel. Oranje en het oproer in Antwerpen. Vertrek van den Prins. 1567.Wat in den aanvang van 1566 mogelijk was geweest, indien de gedachte van Nicolaas de Hames was verwezenlijkt, doch wat toen door den tegenstand van Oranje en de andere grooten niet geschied was, dat werd thans, nu de zaak der verbondenen veel wanhopiger stond, ter elfde ure nog beproefd.Alleen wanhoop kon op dat oogenblik nog tot zulk een waagstuk drijven, want overal in het land was de regeering sedert veel machtiger geworden, terwijl de legerbenden van Alva het land naderden. Toch werd het nog beproefd en eere den mannen, die de proef met hun dood hebben bezegeld en door hun offer een bezielend voorbeeld gaven voor het verzet, dat enkele jaren later met het schoonste succes zou bekroond worden.Als legerhoofd trad Hendrik van Brederode op en de meeste oprichters van het compromis der Edelen werden bevelhebbers zijner troepen. Nicolaas de Hames was er niet bij; deze was reeds sedert eenige maanden naar Duitschland verwijderd en op zeer ongunstige wijze door Margareta aan den keizer afgeschilderd. Na Brederode was Jan van Marnix, heer van Toulouse de opperste veldheer, terwijl zijn broer St. Aldegonde de functie van thesaurier-generaal bekleedde. Op naam van “Brederode en die van de nieuwe religie” werd in en buiten Antwerpen krijgsvolk aangeworven en dat Oranje zich daartegen niet verzette blijkt wel uit het feit, dat sommige werfofficieren er durfden bijvoegen: “Op last van den Prins van Oranje.”Een boekje in die dagen verspreid, kon als manifest van den opstand gelden; in het bijzonder bevatte het eene aansporing tot de grooten en edelen, niet langer te weifelen, maar vastberaden het eenige middel aan te grijpen, dat nog redden kon, n. l. eendrachtige bestrijding der regeering. Men begreep zeer goed, wat men van den Spaanschen koning te vreezen had en tevens dat ze hun goed en leven, dat zij nu op het spel gingen zetten, toch reeds verbeurd hadden. Zij, degereformeerden, wisten het wel, maar de “Heilige Raad,” zooals het boekje werd genoemd, overtuigde slechts hen, die reeds overtuigd waren, niet echter de grooten, die bleven weifelen.... totdat het te laat was.De verbondenen hoopten allereerst Antwerpen meester te worden, teneinde deze stad tot het middelpunt hunner onderneming te maken; zij rekenden tevens op den bijval van niet minder dan 52 Noord-Nederlandsche steden. Daar ze meester waren van Deventer en Maastricht, kon de uit Duitschland verwachte hulp over de bruggen van Maas en IJsel komen, terwijl de bezetting van Zeeland, hetgeen ze niet moeilijk achtten, hen in de gelegenheid zou stellen met Fransche en Engelsche geloofsgenooten in gemeenschap te komen.Antonie van Bombergen maakte zich bij verrassing van ’s Hertogenbosch meester en trachtte ook daar krijgsvolk te werven op naam van Oranje en Hoogstraten. Wel verbood Oranje verdere lichtingen, maar hij kan niet onbekend zijn geweest met het feit, dat zijn bevel niet werd gehoorzaamd.Het krijgsvolk, dat zich aanmeldde, was echter onvoldoende geoefend en aan wapenen ontbrak het geheel, vooral ook doordat Mechelen, waar de arsenalen zich bevonden, door de regeering was bemachtigd. Deze liet de opstandelingen niet den tijd tot organisatie, doch tastte nu ook door. Utrecht werd door Meghen verrast en ook Amsterdam liep gevaar, maar deze stad bleef door de komst van Brederode voor de geuzen behouden. In plaats van Brederode, die de troepen bij Vianen en Antwerpen zonder hoofd had moeten achterlaten, kwam de jonge Toulouse, een edel en moedig man, geen veldheer, maar een geleerde.Zijn aanslag op Walcheren mislukte en daarop verschanste hij zich bij het dorp Austruweel in het gezicht van Antwerpen, in de hoop dat de Prins zich eindelijk voor hen verklaren zou. Die hoop bleek ijdel.De regeering zat inmiddels niet stil en geholpen helaas door den ouden veldheersblik van Egmond, die zijn troepen uit Vlaanderen had aangeboden tegen het geuzenleger, dat een sterke stelling had ingenomen, werd Filips van Lannoy, heer van Beauvoir, tegen Toulouse afgezonden. Waarschijnlijk vertrouwde Margareta haar raadsman niet zoozeer, om hem zelf met het commando te belasten.Op den 12enMaart ontmoette Beauvoir de troepen van Toulouse bij Austruweel. Deze was daardoor geheel verrast; ja hij meende eerst nog dat het de Duitsche hulptroepen waren, waarop zoolang was gehoopt. Geen gevecht, maar een ware slachting was het gevolg; de meeste geuzen sneuvelden of werden in de Schelde gejaagd; van de 3000 krijgsknechten onder Toulouse ontkwam er bijna geen een, al waren de overwinnaars slechts ten getale van 800 man. Ook de arme Toulouse zelf kwam strijdend om en werd in honderd stukken neergehouwen.Dit was het droevig einde van de eerste poging van den Nederlandschen opstand.Welken indruk die gebeurtenissen op de Calvinisten maakten en hoe de houding van den Prins daarbij was, blijkt uit de volgende beschrijving:“Ondertusschen verlangden de Antwerpsche Calvinisten, toen zij van hunne bolwerken het vuur van Austruweel en de ongenadige behandeling van de armeToulousianen zagen, zich met hen in den slag te vereenigen. Zij haastten zich naar de marktplaats, gemeenlijk genoemd Place de Meir, waar in een oogwenk 1300 à 1500 man waren verzameld. Sommigen waren gewapend met puntige hamers, maliekolven en oude wapens, anderen met werpspietsen en slagzwaarden. Bij dezen voegde zich een corps muitelingen, ongeveer 4000 man sterk, op dezelfde manier uitgerust....“De Prins van Oranje, over deze plotselinge beweging ontzet, riep de acht compagnieën katholieke soldaten en achtenswaardige burgers, die hij in de maand September had ingeschreven, te zamen. Hij liet deze in het stadhuis en op plaatsen aan de markt grenzende, postvatten, ten einde de muitzieken en de hervormden, die samenspanden om de stad te plunderen, in bedwang te houden. Daarop ging hij, vergezeld door Hoogstraten en van Straalen, burgemeester van Antwerpen, naar de Place de Meir om te weten te komen, wat die woeste menigte verlangde.“Ze werden met beleedigingen begroet. Oranje werd een vuile verrader genoemd, een dienaar van den Paus, een beambte van den Anti-Christ. Met dergelijke liefelijke woorden zooals de Hugenoten gewoon waren naar hun vijanden te slingeren, werd de Prins overvallen. Daarop begonnen zij als krankzinnigen te roepen, dat zij den dood van hun gesneuvelde broeders, die door de Katholieken zoo wreed waren gemassacreerd, wilden wreken en bevalen den Prins gebiedend, dat hij de poorten moest openen of anders zouden zij ze afbreken. Toen hij daarmede langer wachtte, dan hun beviel, ijlden ze naar de naastbijzijnde poorten, maakten ze met hun maliekolven open, ten einde hun plan te gaan uitvoeren, geen acht slaande op de waarschuwing van den Prins, dat ze niet in staat waren met goed toegeruste soldaten te vechten en dat Toulouse en zijn troepen, die voor hun oogen waren vernietigd, hun tot waarschuwing konden dienen. Eindelijk ziende, dat zijn vermaning niets uitwerkte, keerde de Prins naar de Place de Meir terug.“Nu moet men niet vergeten dat Beauvoir, vóór de nederlaag van Toulouse, gewaarschuwd was, dat de Antwerpsche sektarissen zich verzamelden om hem aan te vallen... Daarom beval hij al de gevangenen ter dood te brengen ten getale van ongeveer 300, uit vrees, dat deze hem soms een poets zouden spelen. Dat was zeker een zeer onmenschelijke daad, maar misschien op dat oogenblik een militaire noodzakelijkheid. Daarop trok hij naar de stad, vast besloten de Evangelische muiters, die zich wilden wreken op den dood hunner kameraads, te straffen... Toen deze echter Beauvoir met zijn overwinnende troepen, die de lucht vervulden met de geluiden van krijgstrompet en trommelslag, zagen naderen, was hun drift bekoeld en kalm gingen ze naar de Place de Meir, om den raad van den Prins van Oranje op te volgen, dien ze daareven zoo verachtelijk hadden verworpen.“Beauvoir bleef eenigen tijd in slagorde op hen wachten, maar toen hij zag, dat ze niet het minste verlangen hadden, zijn uitdaging te beantwoorden, plaatste hij de standaards van den ongelukkigen Toulouse tot een bespotting op den hoek van de haven, liet die daar een poos staan en ging toen, met roem overdekt en met buit beladen, met zijn soldaten naar Brussel.“Het scheen, alsof de Calvinisten van spijt zouden barsten, want ze zwoeren, dat de Antwerpsche papisten niet lang over hun ongeluk zouden lachen. Den nacht bracht de menigte gewapend op de Place de Meir door, onophoudelijk roepende: “Vivent les gueux.” Vroeg in den ochtend haalden ze 17 stukken geschut uit het arsenaal, want ze vertrouwden de magistraat niet en daarop gingen ze als waanzinnigen van kerk tot kerk, van klooster tot klooster, plunderend en roovend al wat zij vonden, terwijl ze priesters en geestelijken, vooral de Minoriten, die in slechten dunk stonden, kwalijk bejegenden. Daarop stonden ze gereed de rijke woningen te gaan plunderen, met het plan allen, die niet tot hun geloof behoorden, te verjagen en de stad onder hun macht te brengen.“Ze haatten de Lutherschen nog meer dan de Katholieken; die noemden ze “halve-papisten,” “erger dan papisten” en ze wilden geen woord ten gunste van de Anabaptisten hooren, hoewel zij (altijd volgens Pontus Payen) kinderen van den duivel waren niet minder dan deze.“Waarschijnlijk zouden ze geslaagd zijn in hun verderfelijke oogmerken, als de Prins van Oranje dit niet door zijn voorzichtige zorg had voorkomen. Hij, die de bloeddorstige natuur der Calvinisten haatte, besloot hun stoutheid met sterke hand te keeren. Hij nam daarom de voornaamste Spaansche, Italiaansche, Engelsche en Duitsche kooplieden in vertrouwen en ook de dekens van alle gilden, die niet tot de opstandelingen behoorden. Daarop verzamelde hij de gewapende Katholieken en Lutheranen; hij overreedde hen een verbond te sluiten en tezamen pogingen in het werk te stellen om de buitensporigheden van die sektarissen te beteugelen, die geboren schenen, om de wereld in beroering en alles in wanorde en verwarring te brengen.De Lutherschen waren daartoe volkomen bereid. Ze hadden dikwijls van te voren zulk een verbond aan de Katholieken voorgesteld, met wie ze in goede verstandhouding gedurende de troebelen geleefd hadden. De Prins beval toen, dat de groote klok geluid werd en op een andere marktplaats, geheel afgezonderd van de Place de Meir, verzamelden zich de Katholieken en Lutheranen. Deze bestonden enkel uit deftige lieden, rijke kooplui en achtenswaardige burgers, terwijl de anderen slechts uit schorriemorrie bestonden, voor ’t grootste deel vreemdelingen, vluchtelingen, bankroetiers en minder volk, aangevoerd door een ellendigen galgevogel, met name Hermans.“Zeker, er waren ook in de stad vele rijke kooplieden, die den godsdienst van Calvijn beleden, doch die vermengden zich niet openlijk met het gepeupel, al ondersteunden zij ze misschien in het geheim. Er bestond dus gelegenheid, de stad van slecht bloed te zuiveren, maar de Calvinisten, de ongelijkheid van den strijd erkennende, zonden hunne predikanten naar den Prins, om voorwaarden te maken en ze boden aan, zich aan zijn besluiten te onderwerpen. Oranje willigde dit in en bedaarde den toorn der Katholieken en Lutheranen, die er eindelijk in toestemden het verbond te teekenen, dat de Prins met de Consistories had gemaakt en die beloofden, zich aan den inhoud daarvan te houden. Zoo werd het oproer zonder bloedvergieten gestild, geheel tegen de algemeene verwachting in.“De Prins wordt om dit optreden door velen hoogelijk geprezen; men gaat zelfs zoover, dat men hem alle eer geeft, de stad tegen plundering en bloedvergietendoor zijne tegenwoordigheid te hebben bewaard. Men beweert, dat door hem het leven der Katholieken is gespaard, die zonder de tijdelijke hulp der Lutheranen in het uiterste gevaar zouden verkeerd hebben.“Wat mij aangaat, (zoo eindigt de katholieke royalistische schrijver), ik zou niet gaarne de eer, die den Prins in die zaak toekomt, ontkennen; maar toch komt het mij voor, dat de Calvinisten meer reden van dankbaarheid hadden, dan de Katholieken en de Lutheranen; want het Compromis dat hij maakte, was geheel in het voordeel van de zwakste partij, die op het punt stond voor haar heiligschennis en diefstallen, die ze begaan hadden, een waardige straf te ontvangen.”Ziedaar het verhaal, verteld door een katholiek schrijver, die bijna tijdgenoot dier gebeurtenis was, doch die Margareta doet voorkomen als een voorbeeldige regentes, wie de belangen harer kerk bovenal ter harte gingen. Natuurlijk moet dus dit verhaal als zoodanig beoordeeld worden.De overeenkomst, waartoe de verschillende sekten zich verbonden, was de volgende: De stadssleutels bleven in de handen van den Prins en van Hoogstraten. Burgers en soldaten samen moesten verantwoordelijk blijven voor den algemeenen vrede; de burgers benoemden de kapiteins, wier keuze door den Prins moest worden goedgekeurd; 1200 burgers moesten de poorten bewaken en de stad werd in districten verdeeld. Binnen de wallen kon de overheid geen gewapend volk toestaan, noch eenig soort van garnizoen, zonder toestemming der gemeente. De burgers moesten den eed afleggen aan den koning, de stad en het volk, met behoud der privileges, inzonderheid van dat der Joyeuse entrée. Het verdrag van 1566, betreffende de beide godsdiensten, bleef onaangetast.De eerste vorm van deze overkomst werd door het volk niet aangenomen. Op den volgenden dag kwamen er vijftien additioneele artikelen bij, o.a. bepalende, dat de conventie van den 27enmoest worden in stand gehouden, totdat de koning en de staten het punt van den godsdienst hadden toegestaan. De stadssleutels moesten onmiddellijk aan Oranje en Hoogstraten gegeven worden, die, indien ze het noodzakelijk achtten, 400 ruiters mochten lichten en gewapende schepen in de Schelde konden opstellen. Al de inwoners zonder uitzondering moesten bijdragen aan de uitgaven, die de algemeene verdediging eischten; op de bolwerken zouden kanonnen worden geplaatst en de gouverneurs moesten het geschut controleeren. Op den 15enMaart stemden de Calvinisten er in toe, deze artikelen te onderteekenen.Er is geen twijfel aan, of door deze conventie werd een bloedbad voorkomen, zoo vreeselijk als Parijs ooit gezien heeft; de stad werd door het vergelijk beveiligd en tot rust gebracht en aan Oranje komt ten volle de eer van deze heilrijke uitkomst toe. Hij bewees op dat gespannen oogenblik, te midden van tallooze sekten, die elkander ten bloede toe haatten, een staatsman van groote wijsheid te zijn. Men moge terecht zijn weifelen en zijn besluiteloosheid in 1566 en 1567 betreuren; te midden van zulk een oproerige stad, waar de meest booze plannen werden gekoesterd, de rust hersteld te hebben, is het beste pleidooi voor zijn helder inzicht, ik zeg niet in den tijdgeest, maar in de eischen van het oogenblik. En die geest van staatsmanswijsheid is hem ook later, toen hij gelouterd inhet land wederkeerde, bijgebleven en toen aan het gansche land, gelijk thans Antwerpen, ten goede gekomen. Oranje moet den dood van Toulouse, den jongen geleerde en van zijn 3000 man, diep betreurd hebben, maar hij behield zijne kalmte en bestuurde te midden van de gevaarlijkste samenscholingen met den besten uitslag de oproerige stad.Op den morgen van den 15enMaart werden de troepen, door de stad geworven, op de Place de Meir verzameld. Oranje, Hoogstraten, de stedelijke overheid en een honderdtal ruiters reden naar de markt, allen met roode sjerpen om hun wapenrusting, het embleem door hen, die de orde wilden handhaven, aangenomen.De menigte Calvinisten stond met toornige blikken aan het eene eind van de plaats. Oranje beval, dat de artikels van het vergelijk overluid zouden worden gelezen en toen hield hij een korte toespraak, waarin hij, met het noodlottig voorbeeld van Toulouse en zijn ongeoefende vrijwilligers tegenover ervaren soldaten voor oogen, het volk waarschuwde tegen het garnizoen, dat onder het gezag der stad stond, om toch geen ijdele pogingen aan te wenden, nog meer concessies te verkrijgen. Hij eindigde zijn toespraak met de woorden: “Leve de koning!” Na een oogenblik stilzwijgen herhaalde de menigte dien kreet en de rust was hersteld.Twee weken was het bijna geleden, sedert Margareta den Prins om vernieuwing van den eed van getrouwheid had gevraagd en een weigerend antwoord van hem had ontvangen, terwijl hij afstand deed van al zijn bedieningen. Hij was echter niet van zijn dienst ontheven, zoodat hij, overeenkomstig het officieel gebruik, nog gebonden was, toe te zien, dat de dienst volgens den wil des konings vervuld werd.Wat hij zou gedaan hebben, als Toulouse, in plaats van Beauvoir, overwinnaar was geweest, kan niet worden bepaald. Maar in den staat van zaken, zooals die op het oogenblik was, stelde hij zijn verplichting tegenover Filips hooger, dan het feit, dat hij reeds afstand had gedaan, hetgeen zeker op dat oogenblik het beste was, dat hij kon doen. De Landvoogdes, wel verplicht den Prins te prijzen met zijn succesvol optreden, was toch ontevreden met het resultaat en zij meende dat Oranje voor het volk had ondergedaan. Haar goed- of afkeuring was echter een zaak van de grootste onverschilligheid voor hem.Aan een Duitsch vorst, waarschijnlijk Willem van Hessen schreef hij den 17enMaart het verhaal over het voorgevallene te Antwerpen. Hij vermeldt in dien brief, dat het alleen met de grootste inspanning en met gevaar voor zijn leven gelukt is de Calvinisten te overmeesteren en de eer der stad te handhaven. Veel dank zal hij er niet mee inoogsten, dat begrijpt hij, maar “God en alle eerlijke lieden zullen onze daden erkennen.”Ook zegt de Prins nog in hetzelfde schrijven, dat hij reden heeft God te danken, nu hij aan zulk een groot gevaar is ontkomen en dat hij zich zelf door de genade Gods kan beschouwen als een nieuw geborene. Hoe hij geheel gered zal worden, weet hij nog niet, maar op God en op de gebeden zijner vrienden vertrouwt hij.Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)Zonder twijfel hebben wij het recht deze woorden aan te merken als een uiting van het ontwaakte religieuse leven van den Prins, want ook elders laat hijniet na den naam van God te noemen en zich en de zijnen in zijn hoede aan te bevelen. De angstige dagen in Antwerpen doorleefd, schijnen zijn hart te hebben geopend voor het godsdienstig gevoel, dat zich hier in innige dankbaarheid, diepe afhankelijkheid en hartelijk vertrouwen uit.Zijn besluit om het land te verlaten had hij reeds vroeger genomen, maar thans besefte hij ten volle, dat hij weg moest gaan en aan Willem van Hessen schrijft hij dan ook, hoe onmogelijk het voor hem was na Alva’s komst te blijven.Hoewel Margareta, zooals we zagen, lang niet voldaan was met Oranje, verzuimde zij toch niet, pogingen in het werk te stellen, hem in de Nederlanden te houden.Ze zond nog eenmaal haar secretaris Berty met het voorstel, indien hij bleef weigeren, den nieuwen eed af te leggen, een samenkomst te hebben met zijn vroegere medeleden van den Raad van State, zooals Aerschot, Barlaimont, Egmond en Mansfelt. Deze samenkomst had wel plaats te Willebroek bij Mechelen met Egmond en Mansfelt, doch succes had deze bespreking niet. De Prins bleef bij zijn wensch, te worden ontlast van al zijn ambten en bedieningen, zoowel van die welke de Koning, als van die welke de Landvoogdes hem had opgedragen. Hij wilde zich eerst naar Breda, dan naar Duitschland terugtrekken en beloofde de nederige vazal van den koning te blijven.Margareta zegt in haar brief aan Filips, dat ze aan zijn laatste verklaring niet veel waarde hecht.Het was de laatste maal, dat Oranje en Egmond samen waren. Een Calvinist, die zich in den schoorsteen van de audiëntiezaal had verborgen, deelde omtrent deze ontmoeting het volgende mede: Toen alles van weerszijden was gezegd en de graaf volhardde bij zijn voornemen, zijn lot met dat van zijn land te blijven deelen en de Prins vast bij zijn besluit bleef, het Nederlandsche stof van zijn voeten af te schudden, zei de eerste: “Vaarwel, Prins zonder Staten!” en Oranje antwoordde: “Vaarwel, graaf zonder hoofd!”, waarop ze elkander omhelsden en vertrokken. Een ander verhaalt, dat Oranje zou gezegd hebben: “Mijn neef, de Spanjaarden zullen de Nederlanden binnentreden, maar ik verzeker u, uw hoofd zal hun tot brug dienen.”Hoewel deze berichten geen geschiedkundigen grondslag hebben, stemmen alle schrijvers toe, dat Oranje en Egmond elkander omhelsden en droevig scheidden.Zeker heeft nooit een verrader en—van het Spaansche gezichtspunt uit was Oranje dit ongetwijfeld—met dergelijke overwegingen als Willem van Nassau het land verlaten, dat hij besloten had uit de macht van een tiran te bevrijden. De edelen vertrokken dienzelfden dag na het middagmaal en Oranje keerde naar Antwerpen terug om de laatste, voorbereidende maatregelen te nemen, voor hij de gewesten verliet. In de Brabants hoofdstad echter durfde hij den voet niet zetten.Op den 10enApril schreef hij aan Filips een brief, waarin de Prins zijn optreden in Antwerpen en Holland rechtvaardigt; hij deelt den koning mede, hoe hij in de eerstgenoemde stad bij zijn terugkeer het oproer heeft bedwongen.Wat den eed aangaat, waarover de hertogin van Parma hem heeft geschreven,deelt de Prins den koning zelf mede, dat hij dien geweigerd heeft af te leggen, reden waarom hij zijn ambten en bedieningen nederlegt. Hij eindigt met de verzekering zijner trouw, loyauteit en gehoorzaamheid aan den koning.Mocht iemand de herhaalde getuigenis van zijn trouw en loyauteit aan den koning overdreven vinden, hij bedenke, dat de briefstijl dergelijke uitingen eischte, waardoor alleen een plichtmatige vorm werd nagekomen. Nemen we dat in aanmerking, dan is er geen eerlijker overgang van loyauteit tot rebellie denkbaar dan die, waarvan deze brief getuigenis geeft. Zelfs de 50.000 florijnen, die de Staten van Holland hem wilden vereeren als een geschenk voor het dempen van het oproer, weigerde hij, hoe goed hem dat geld ook bij al zijn schulden zou te pas gekomen zijn. Aan Filips schrijft Oranje, dat hij den nieuwen eed uit beginsel niet kan afleggen en daarom van de Staten van Holland het geschenk niet wil aanvaarden voor zijn persoonlijk gebruik, daar hij eerstdaags geen stadhouder meer zal wezen.Het vertrek van den Prins wordt op verschillende wijzen uitgelegd. Zelfs beweert men, dat hij na den slag bij Austruweel en onder den indruk van de jongste berichten van Lodewijk van Nassau, nu er op geenerlei hulp uit Duitschland te rekenen viel, erover gedacht heeft zich met den koning van Spanje te verzoenen en dat nog wel door middel van Granvelle. ’t Is waarlijk nog al eigenaardig, dat men dit van hem beweert en men moet den Zwijger al erg naïef vinden, wanneer men meent, dat deze verzoening, stel het geval, kon bereikt worden door tusschenkomst van den man, die zijn gansche vernedering aan den Prins had te wijten. Die geheele verzoening echter was een fictie, want wat zou anders de herhaalde weigering van den eed af te leggen, beteekend hebben.Ook zegt men, dat de Prins vluchtte uit vrees. Dat hij van nature bang was wordt echter evenmin door iets bevestigd. Van angstvalligheid was toch zeker geen sprake in Antwerpen van 14–16 Maart! Zijn vlucht was integendeel het gevolg van een lang beraamd plan, dat hij slechts noode vervulde en waartoe hij eerst, door de omstandigheden gedrongen, overging.Bevreemdend blijft alleen het slot van zijn brief aan den koning, want Oranje wist zeer goed, dat hij in Duitschland gevlucht, niet de trouwe gehoorzame vazal des konings zou kunnen blijven. En toch beweert hij, dat hij met Gods hulp in trouw en gehoorzaamheid hoopte te volharden, zoodat Z. M. er ten volle mee tevreden zou zijn.Men moet echter niet vergeten, dat hij nog geruimen tijd ook na zijn terugkeer in het land is blijven voortgaan, in naam des konings op te treden en dat zijn opstand tegen de Spaansche macht alleen bedoelde vrijmaking van het geweld, waarmede hij zelfs den kwaad ingelichten vorst een dienst hoopte te bewijzen tot het behoud van zijne Nederlanden. De gedachte daaraan kon ons nog meer dan de briefstijl en de vorm verzoenen met Oranje’s krachtige betuiging van trouw en loyauteit in dien laatsten brief voor zijn vertrek aan Filips II.Den 11enApril verliet de Prins Antwerpen en ging naar Breda, met het plan, ook die stad zoo spoedig mogelijk, na orde op zijn zaken gesteld te hebben, te verlaten. Tien à elf dagen vertoefde hij er nog, wel een bewijs, dat angst niethet motief was van zijn vlucht. Wat daar gedurende dien tijd plaats had, is onvolledig bekend. Aangaande een paar zaken zijn we slechts met zekerheid ingelicht. Hij ondervond allereerst van den kant zijner vrouw een hoogst onaangenaam verzet tegen het vertrek naar Duitschland.Anna’s kleine, onbeduidende, zelfzuchtige natuur was de oorzaak, dat ze de betrekking, waarin haar echtgenoot tot zijn vorst stond niet kon begrijpen. Zij was zeker Protestant, maar ze vond het in het geheel niet noodzakelijk voor haar man, de zaak van een onbeduidend volk te omhelzen, zoodat hij verplicht werd, zijn positie, zoo hoog in rang en macht, te verlaten en zijn privaat eigendom in de waagschaal te stellen door met een jongeren broeder op een ver afgelegen, geïsoleerd Duitsch kasteel de toevlucht te nemen, ver verwijderd van alle gemakken, die in Brabant te verkrijgen waren. De zaken zouden allen terecht komen als hij slechts een weinig diplomatie wilde gebruiken, meende Anna, en onverdragelijk was het haar, zoo uit haar huis te worden weggerukt.Niets is ongerijmder dan de meening, alsof Anna den Prins tot die verhuizing had aangezet of eenig deel aan den opstand had genomen door mede te Spa of elders met de verbondenen te onderhandelen. Anna knorde en gromde alleen; ze had in ’t minst geen denkbeeld van de plichten van haar gemaal en maakte de laatste dagen van zijn verblijf in Breda, door haar zelfzuchtigen tegenstand, voor Oranje nog onaangenamer.Uit Breda schreef de Prins afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne en ook aan den graaf van Bergen in Madrid. De beide eerste brieven waren in het latijn. Het zijn antwoorden op de laatste pogingen der beide graven, om hem in het land te houden. Waarom hij de deftige Latijnsche taal koos, om aan zijne weigering uiting te geven, is onbekend; maar ’t schijnt een stijf en vreemd middel van communicatie tusschen mannen, die aan dagelijkschen familiaren omgang gewoon waren.Ook aan Egmond herhaalde hij, dat, wat hem ook verplichtte het land te verlaten, hij niet ophield Filips’ getrouwe vazal te blijven. De brief aan Hoorne is vrijer van toon en krasser in uitdrukkingen omtrent het kwaad door Filips aan de Nederlanden bedreven. Bovendien viel de Spaansche honig, waarvoor Filips van Hessen nog op zijn sterfbed had gewaarschuwd, niet in zijn smaak.Den 22enApril ging de Prins op reis uit Breda, eerst naar Grave, van daar naar Kleef en toen naar Dillenburg. Ofschoon hij openlijk alle toebereidselen had genomen om het land te verlaten en er nog dagen verliepen, voor hij uit Breda vertrok, wordt toch voorgesteld, dat alleen lafhartigheid oorzaak was van de groote haast waarmede hij naar Dillenburg vertrok. Te Kleef vereenigden zich zijn echtgenoote en hofhouding met hem, terwijl tal van geestverwanten hem volgden.Aan Margareta werd gemeld, dat een derde deel van de inwoners van ’s Hertogenbosch naar Kleef ging.“Een groote menigte Brabanders en Walen ging voorbij Delfzijl naar Emden; armen en rijken, vrouwen en kinderen,” zoo schreef men den 5enMei aan Aremberg en deze berichtte den 9enJuni aan Margareta: “Mevrouw, ik heb vernomen, dat de voornaamste beeldstormers en oproermakers met tal van Brabanders, Hollanders en anderen dagelijks vluchtende zijn naar Emden.”Bossu, die in plaats van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd was, werd een maand later ingelicht omtrent het feit, dat Emden boordevol vluchtelingen was, dat er in het huis van een bakker alleen dertig waren en er dagelijks nieuwe aankwamen.Voor Oranje Breda had verlaten, had hij zijn zoon Filips Willem, die in Leuven studeerde, daar ontboden, om hem vóór zijn vertrek nog eenmaal te zien; het verbaasde hem bij die gelegenheid, dat de zaken al zóó ver gekomen waren, dat de vader zonder suspicie den zoon niet eens kon zien en spreken.Wij, die het lot van dien zoon kennen en die weten, hoe Filips Willem, door Alva opgelicht, zijn gansche leven bijna in Spanje heeft moeten doorbrengen, verbazen ons nog meer, dat de Prins hem te Leuven liet. Misschien wenschte Oranje, door hem in het land te houden, eenig vertrouwen in Filips te toonen voor het geval de zaken veranderden, te meer omdat hij ontwijfelbaar geloofde in het heiligdom van den neutralen grond der Universiteit, niet kunnende vermoeden, dat die zelfs door de wreede hand van Alva zou worden geschonden.Zijn dertienjarige dochter, die aan het hof van Margareta was en zeer door haar geliefd werd, duldde hij niet langer in het land, dat hij zelf ging verlaten; ook Juliana van Stolberg vond de aanwezigheid van Willems dochter daar aan het hof minder gewenscht en achtte het veel beter, dat Marie in Dillenburg kwam onder hare leiding.Oranje schreef, dat zijn moeder verlangde haar kleindochter te zien en daarop ontving hij het volgend briefje van Margareta, dat ook om andere redenen hier in zijn geheel wordt vermeld.Mijn neef,Uit uw brief van den 22endezer maand heb ik gezien, dat gij nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland, waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken, die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt, de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning, mijn heer, te blijven.Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet, dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens, om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat MlleOranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier waart en in uw zaken zalik niet minder belangstellen, dan ik gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen, een aangename reis en alle geluk moge geven.Uit Antwerpen den laatsten April 1567.Het bleek later zeer gelukkig te zijn, dat Marie bij haar grootmoeder was gekomen, want in 1570 verscheen een gerechtsdienaar met een bevel van Alva om haar op te vorderen! Keerde ze niet terug, dan zouden haar goederen worden verbeurd verklaard.Het is begrijpelijk, dat deze eigenaardige opvordering geen succes had en Marie rustig bij haar grootmoeder bleef en ook, dat de latere vorstin van Hohenlohe haar grootmoeder altijd dankbaar bleef voor haar redding uit Spaansche handen.Aldus eindigde het tweede hoofdstuk van Willems leven. Den dag nadat hij Breda verliet, had hij zijn 34ejaar voleindigd. Zijn leerjaren als vredelievend staatsman waren voorbij. Nu stond hij geheel op eigen voeten. Zijn familie, zijn vrienden, het land verwachtten nu van hem een opbouwende politiek, die grooter lasten van verantwoordelijkheid op zijn schouders zou leggen, dan de gehoorzaamheid aan de bevelen van een verwijderd vorst.Hoofdstuk XI.De uitgeweken Prins. 1567.Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen, want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van Filips II, die tevens Oranje’s spion was, hem mede, dat hij een brief van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving, den Prins aanstonds gevangen te nemen enzijn rechterlijk verhoor niet langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan, zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels en waardigheden.Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude, Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en eerste persoon en die zekergeen aangename bezoekster was onder de tegenwoordige lastige omstandigheden.Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak zij van den Prins, “die maar altijd andere menschen liet voorgaan en nooit zijn eigen rechten deed gelden.” Toen het plan doorging, het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau’s bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden, waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.Op den 11enMei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis, om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21enMei zond de Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten; Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand bijzondere gunst te toonen.Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept; Filipszou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13enJuni dankte deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien, wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.Van denzelfden 13enJuni dagteekent een andere brief van den Prins aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van den volgenden inhoud: “Wij zouden van ganscher harte begeeren tot sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een zekere Nicolaas Zell woont, die enz.”Wij herhalen:die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen ontwikkelingsgang van den Prins.Tot nu toe zagen we niet veel van het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon verhelderen.Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg; de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de waarheid der Luthersche dogmata.Eene zitting van den Bloedraad.Eene zitting van den Bloedraad.Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland werdontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief, die uitnoodiging behelzende, was op den 9enJuli 1567 geschreven en werd op den 22envan dezelfde maand door den Prins beantwoord. De alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning, toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst, die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning van Spanje.De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht van Filips om alle onbeschaamde eischen van “dat beest, dat men het volk noemt” eens voor al te weerstaan.Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips’ duistere plannen werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor Filips’ ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders, de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het ontheiligde Antwerpen had hersteld.Toen Alva’s komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies; maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op nadere orders te laten wachten.Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid aan Filips terug te brengen. “Ik heb wel een volk van ijzer getemd, zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?” zoo sprak hij op verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden, voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man, in drie afdeelingen verdeeld.Op zijn weg uit Italië had de hertog ook Genève, het broeinest van het Calvinisme, in het voorbijgaan willen verwoesten, doch door de diplomatiekezorgen van Condé en Coligny had dit wreede plan niet kunnen vervuld worden. In Augustus kwam hij in Luxemburg aan, waar hij begroet werd door Barlaimont en Noircarmes, die hem in naam der regentes welkom heetten. Graaf Egmond reed hem zelfs tot Tirlemont tegemoet en bood hem als welkomstgeschenk eenige schoone paarden aan. De ontvangst echter was, trots dat geschenk, niet zeer hartelijk. Alva had Egmond nooit de overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen vergeven. Toen hij den “Prins van Gavere”1zag, zeide hij zoo luid, dat Egmond het kon verstaan: “Ziedaar de groote ketter!” Dit voorspelde den graaf weinig goeds, die alles van zijn loyauteit verwachtte. Een oogenblik later veranderde de hertog van toon en deed hij, alsof hij dat woord in scherts had gesproken. Hij werd plotseling hartelijker, sloeg den arm om zijn hals—den hals, dien hij reeds den beul had gewijd!Op den weg naar Brussel, trok de aanstaande nieuwe Landvoogd door Leuven, waar Filips Willem, Graaf van Buren, de oudste zoon van Oranje, zijne studiën voortzette. Henry de Wiltberg, voogd van den jongen graaf, schreef aan den Prins, dat zijn zoon den hertog in een huis bij zijn woning, het College van Savoye, zag voorbijgaan en dat hij naar buiten ging, om zijn hand te kussen en dat ze hem toen zagen met Barlaimont en Aremberg.De graaf van Buren werd goed ontvangen en door den hertog met liefkoozingen overladen. De jongen werd geheel en al door den ouden krijgsheld betooverd; hij toonde hem groote hartelijkheid en noodigde hem tot een nadere samenkomst op den volgenden dag. Toen de jonge graaf afscheid van hem nam, omhelsde de hertog hem en overlaadde hem met vriendelijkheid. Wiltberg voegt er bij, dat hij had gehoord, dat de groot-prior van St. Jan, een bastaardzoon van Alva, een paard noodig had en hij stelt aan den Prins voor, om door middel van Filips Willem aan dien prior een paard ten geschenke te doen geven.Verschillende gewaarwordingen maakten zich van de Landvoogdes meester, daar ze niet wist, hoe ze den man zou ontmoeten, door wiens komst zij zich in het diepst harer ziel beleedigd achtte. Drie dagen na zijn aankomst stond ze hem toe, haar zijn hulde te komen aanbieden. Ze ontving hem in haar slaapkamer, waar ze hem staande, in gezelschap van Barlaimont, Aerschot en Egmond ontving. Niemand van hen deed een stap voorwaarts, om den hertog te gemoet te treden. De samenkomst duurde een uur, maar het geheele gezelschap bleef trotsch en stijf tegenover elkander staan. De hertog schreef aan Filips, dat hij de hertogin als een koningin behandeld had, maar waarschijnlijk lag er achter zijn bestudeerde Castiliaansche beleefdheid een kwalijk verborgene onbeschaamdheid, die Margareta moeilijk kon breken.Na de aankomst van den hertog van Alva in Brabant, werd de Prinses van Oranje steeds meer verlangend naar Breda terug te gaan om voor haar bezittingen te zorgen, die ze meende, dat door de Spanjaarden zouden genomen worden. Na tevergeefs haar echtgenoot daarom verzocht te hebben, schreef ze aan haar oom,den Keurvorst van Saksen, dat het te Dillenburg niet om uit te houden was en dat ze van de plaats weg moest. Ze drong daarop zoo sterk aan, dat Oranje, twijfelende aan zijn eigen argumenten, een bijzonder gezant, een zekeren Volbrecht Riedsel naar Dresden zond, om met Augustus te raadplegen, wat men het best zou doen.De instructies van dien gezant zijn in het Dresdensch archief bewaard en waren de volgende: Anna had voortdurend gevraagd, dat het haar zou worden toegestaan uit de Nederlanden van daan te gaan “omdat zij niet langer haar verblijf kon houden bij zulk een goddeloos en trouweloos volk.” Nu wenschte ze juist met aandrang naar de Nederlanden terug, alhoewel ze daarmede niet alleen zich zelf maar ook het leven van haar nog ongeboren kind in de waagschaal stellen zou. Hij verbood haar terugkeer om haar aanstaande bevalling, teneinde het vermoeden te voorkomen, alsof hij of zijn broeder haar slecht behandelden en ook ter wille van den godsdienst, daar zij òf op de haastige reis haar eigen geloof moest belijden òf gevaar zou loopen, bevreesd te worden gemaakt, met het gevolg dat zij zich een aanhangster verklaarde van het Roomsche geloof.“Inderdaad hebben we voor eenigen tijd bij uw nicht, niet zonder diepen angst, een onzekerheid in godsdienstige zaken opgemerkt; ja zij geeft weinig acht op godsdienstig leven en onderwijs. Zelfs praat zij nu en dan op schandelijke manier over Gods woord. Ook moet ik in aanmerking nemen, dat uw pupil van de ware kennis van Christus zou kunnen worden afgetrokken tot paapsche gruwelen of andere dwalingen, die pijnlijk voor u en van dien aard zouden zijn, dat ze mijn leven zeer ellendig zouden maken en een slecht voorbeeld voor velen zouden wezen.”Behalve de genoemde redenen, voegde de Prins er bij, dat hij geen twee huishoudens kon bekostigen. In antwoord op dien brief, verzekerde Augustus aan den Prins, dat hij het volkomen met hem eens was en raadde zijn nicht aan, geduld te oefenen.Op den 14enSeptember werd Maurits geboren; de doop van dat kind had volgens Luthersche gebruiken plaats. Deze Maurits was dus de eerste van Oranje’s kinderen, die met de Protestantsche zaak van huis uit een was. Hoe dit ook op zich zelf voor de Nassausche familie een stof van vreugde was, wat de Prins zelf van de moeder van dat kind in de volgende jaren te lijden gehad heeft, is met geen pen te beschrijven. Wij komen daarop nader in bijzonderheden terug, doch vestigen allereerst, om de tegenstelling des te dieper te beseffen, op Oranje zelf het oog, gelijk hij uit Dillenburg den strijd ging aanvaardenvoor de wet, het volk en den koning.In Augustus 1567 werd de Prins door zijn vriend, den burgemeester van Antwerpen, van Straalen, die zijn rechterhand was geweest in de onrustige dagen, welke de Scheldestad had beleefd, omtrent Alva’s komst in het land ingelicht. Oranje, wiens eerste zorg reeds in 1559 was geweest, vreemd krijgsvolk te weren, zal wel niet door die tijding verrast zijn, maar toch moet ze hem diep hebben getroffen.Dit was echter maar een voorbode van vreeselijker tijdingen. Weinig dagen nade verraderlijke gevangenneming van Egmond en Hoorne, gevolgd door die van den daareven vermelden Antonie van Straalen, werd ook de tijding daarvan in Duitschland verspreid en bracht geheel Europa in rep en roer. Het bracht grooten angst in de gemoederen. De Duitsche echtgenoote van Egmond, Sabina van Beieren, bewoog in haar vaderland hemel en aarde, om op de vrijspraak van haar man aan te dringen en ook de Prins zelf dacht niet alleen aan zijn eigen veiligheid, maar was ook in Duitschland in het belang zijner oude vrienden werkzaam. Hij beval zelfs den hertog van Brunswijk, die met Alva in briefwisseling was en van wien wij vroeger zagen, dat hij de Spaansche zaak was toegedaan, levendig de belangen der beide graven aan. Zoo verliep het najaar in angstige spanning en uit den langen brief, dien de Prins in December als antwoord op een schrijven van den keurvorst van Saksen uit Dillenburg verzond, blijkt, hoe allengs bij Oranje het zekere bewustzijn ontwaakte, dat geweld met geweld moest worden beantwoord. De keurvorst had hem, in een omslachtigen brief, nog den raad gegeven, een algeheele breuk met Filips te vermijden. Maar de Prins was overtuigd van het tegendeel. De koning van Spanje was zoover gegaan, dat gewapende tegenstand niet alleen te rechtvaardigen, maar noodzakelijk was en dat niet slechts in het belang der Nederlanden, maar evenzeer in het belang van Duitschland. Hij vroeg hem dus om hulp.De Prins had dan ook in diezelfde maand December een aangrijpend schrijven ontvangen van C. V. Coornhert die, evenals zijn broeders Dirk en Frans, een ijverig aanhanger was van de zaak der Nederlandsche vrijheid en der hervorming. Deze Coornhert behoorde tot de tallooze vluchtelingen, die naar Emden ontkomen waren. Omtrent den toestand van den handel der Nederlanden gaf hij den Prins een diep mistroostige beschrijving; hij zou zelfs wenschen, dat de handel van de Nederlanden naar Emden verplaatst werd.“Ick en weete Uwer Excell. verders niet nieus te scriven, dan dat alhier groote benautheijt is onder de Coopluyden en allen gevluchten; konne wel peysen, dat het op andere plaetsen daer gevluchten zijn, van gelijcken is, zonderling den Coopman die bekants geheel disperaet is en dagelix onder den anderen raetslaegen hoe zij ’t aenstellen zullen en waer zij met den anderen trecken en woonen willen, daer zij haeren conscientie en handel vrij zullen moogen leven” enz. Die beschrijving was niet overdreven. “Zoodra de vreemde roofvogels, die Alva’s bloedraad uitmaakten, of de hebzuchtige trawanten der landvoogdes, met vervolging en verbeurdverklaring dreigden, konden de arme kooplieden hunne prijsgemaakte schepen, hun geplunderde have in den vreemde, te Emden, te Wezel of elders, betreuren.”Deze en soortgelijke hartverscheurende berichten over de bron der Nederlandsche welvaart, over den jammerlijken toestand, waartoe de koopmansstand was gedaald, hebben zeker den Prins zeer getroffen. Hij wist beter dan iemand anders, hoeveel die kooplieden vooral in de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden hadden gedaan, om door hun verbond en hun geldelijken steun uitkomst te erlangen; toch was hij zelf niet in staat geweest, de vrijwillig opgebrachte sommen tot het doel te gebruiken, waartoe ze waren gegeven. In den vreemde levende heeft de Prins zich eerst met hart en ziel aangesloten aande Nederlandsche burgerij, gelijk zijn latere briefwisseling o. a. met Jacob van Wezenbeke bewijst.In het eind van 1567 en ’68 werd een drukke correspondentie gewisseld tusschen verschillende Duitsche vorsten over de belangen van Oranje. En de eerste maand van het laatst genoemde jaar zou niet voorbijgaan, zonder dat de vijand zelf door een openbare handeling den Prins noodzaakte, als publiek persoon uit zijn schuilhoek te voorschijn te komen. Op 28 Januari 1568 namelijk verscheen er op het plein voor het paleis in Brussel, een soldaat, door zes trompetters geëscorteerd, die den Prins opriep voor den Raad van Beroerten binnen den tijd van 3 maal 14 dagen, van den datum der proclamatie af, te verschijnen. De Prins werd daarin genoemd devoornaamste bewerker, beschermer en begunstiger van de rebellen, terwijl zijn broeder en vrienden, Lodewijk, Hoogstraten en de anderen werden opgeroepen om te verschijnen als samenzweerders, bevorderaars van opstand en verwoesters van den publieken vrede. Indien ze deze beleefde uitnoodiging weigerden aan te nemen dan zouden ze veroordeeld worden tot voortdurende verbanning en verbeurdverklaring van al hunne bezittingen. Oranje werd beschuldigd, de oorzaak te zijn van elke beweging der verbondenen; toen hij naar Antwerpen was gegaan, blijkbaar om den opstand te dempen had hij eenvoudig ketterij en verdeeldheid aangemoedigd en den dissenters veroorloofd, hun eigen wettelooze begeerten te volgen.Hoe deze tijding op het kasteel te Dillenburg ontvangen werd, blijkt niet uit eenig bijzonder document. Doch het spreekt vanzelf, dat de bedoelde gedagvaarde edellieden niet aanstonds hun paarden lieten zadelen om naar Brabant terug te rijden. In plaats daarvan maakte Oranje een document, tot antwoord aan de oproeping van Alva. Lang echter voordat dit gereed was, werd er een andere aanval op hem gedaan.Op den 13enFebruari zond Alva den Heer de Chassy, vergezeld van vier officieren en twaalf boogschutters naar Leuven. Deze reikte, den jongen graaf van Buren in tegenwoordigheid van zijn voogd, een brief over, die hem in naam van zijn koninklijken pleegvader Filips, naar Spanje noodigde. De Chassy verzekerde den knaap, dat het zijn plicht was hem te escorteeren, niet hem te arresteeren en dat de koning wenschte hem tot zijn dienst op te voeden. Hij kon door twee bedienden, twee pages, een kok en een boekhouder vergezeld worden.De jonge Filips Willem liep gemakkelijk in den valstrik, nam elk aanbod met genoegen aan, ging zonder aarzelen met zijn roovers mede naar Antwerpen, bracht zijn verlof aldaar met graaf Lodron vroolijk door, nam deel aan alle feesten te zijner eer gegeven, en scheepte zich te Vlissingen in naar het land, waar hij bestemd was bijna dertig jaar te blijven. De Universiteit van Leuven protesteerde wel tegen deze verkrachting harer privileges, maar dat vertoog werd door Vargas, het bekende Spaansche lid van den Bloedraad, met dezelfde formule beantwoord, waarmee hij alle klachten van gemeenten en gewesten, die zich op hun privileges beriepen, beantwoordde, met deze formule namelijk: “Non curamos vestros privilegios”. (“Wij bekommeren ons niet om Uw privileges.”) En alzoo werd Oranje’s hoop, zijn goederen te behouden door een vertegenwoordiger in de Nederlandente laten, in duigen geworpen. Het was zonder twijfel een onbezonnen daad van den gewoonlijk zoo voorzichtigen Prins, zijn oudsten zoon aldaar binnen het bereik van Alva te laten en dat nog wel na de openbaarmaking van zijn dagvaarding voor een hof, welker vonnissen allen denzelfden geest verrieden.De Duitsche Keizer, de Keurvorst van Saksen en de Landgraaf van Hessen gaven allen Oranje den raad, een antwoord openbaar te maken op de beschuldigingen van zijn vijand, die zoo duidelijk waren uitgesproken. Dienovereenkomstig verscheen er op den 6enApril eene “Justificatie,” die in ’t Duitsch, Latijn, Nederlandsch, Engelsch, Spaansch en Fransch vertaald, over geheel Europa verspreid werd.Daarin wordt een eerbiedige toon tegenover Filips aangeslagen; de geheele blaam voor de troebelen wordt op zijne dienaars geworpen, die handelden zonder Filips’ kennis of goedkeuring. Hij werpt de beschuldiging van eerzucht verre van zich en legt er den nadruk op, dat hij voor Filips’ vertrek eerst geweigerd had, lid van den Raad van State te worden, doch alleen die post had aangenomen, omdat de koning er op aandrong. Gelegenheden te over hadden zich voor een eerzuchtig man voorgedaan, om zich zelf te bevoordeelen, maar hij had er nooit gebruik van gemaakt. Zeker, Granvelle’s invloed had hij bestreden, omdat hij overtuigd was, dat die ten nadeele werkte van Filips’ gezag.Margareta had inderdaad erkend, dat zij in drie maanden tijds na het vertrek van den kardinaal meer van de publieke zaken begrepen had, dan zij gedurende al de vroegere jaren van haar bestuur had gedaan. Later, toen zij Brussel wilde verlaten en naar Mons gaan, was het alleen op aandringen der edelen geweest, dat zij er in toestemde te blijven, om aldus het gezag van haar broeder te redden. In die crisis had de Prins, indien hij gewild had, zonder eenige moeite de teugels van het bewind kunnen gegrepen hebben. De strengheid van de inquisitie en de plakkaten had hij ten eenenmale afgekeurd, omdat hij ze voor door en door onstaatkundig hield en ook meende, dat ze er alleen toe dienden, om de hervormers tot grooter vasthoudendheid aan hun meeningen te brengen, daar dit overal en altijd de uitwerking van godsdienstvervolging was geweest.Tot de verbonden edelen had hij nooit behoord, hij had de buitensporigheden der Geuzen ten strengste afgekeurd, al was hij het ook met hunne petities eens geweest. Steeds had hij de vergadering der Staten-Generaal gewenscht, een maatregel, die de overleden keizer dikwijls als hoogst nuttig beschouwd had. In al zijn pogingen, om de troebelen in zijn gouvernementen te bedaren, had hij Margareta’s aanwijzingen gevolgd en de enkele punten, waarin hij van haar verschilde, had hij steeds met argumenten gesteund, die hem onwederlegbaar toeschenen.Brederode was volgens alle privileges der heerlijkheden volkomen in zijn recht, om zijn stad te versterken en Oranje was vrij, hem zonder iemands toestemming daarbij te helpen. In geen enkel opzicht had hij de onderneming op Zeeland gesteund. Zijn maatregelen in Antwerpen waren alle genomen met het oogop de doelmatigheid, daar hij de kracht van de sekten kende. Hij had 55.000 gulden geweigerd aan te nemen, hem door Holland aangeboden.De slotsom, waarmede hij zijn rechtvaardiging besloot, luidde aldus:“Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen, die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen, in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn dan mijn leven.Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen, contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone, buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen, die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben verborgen gehouden.”Dit document bevat verscheidene opmerkenswaardige dingen. Letterkundig is het niet fraai geschreven, ook zeker niet bijzonder welsprekend, maar het geeft punt voor punt een overzicht van hetgeen de Prins in zijn brieven van de beide laatste jaren had gezegd. Hij scheidt Filips zoover mogelijk van de daden af, die in zijn naam zijn bedreven en toch zijn er weinig van die overvloedige betuigingen van getrouwheid aan den persoon des konings, die in al zijn vroegere brieven voorkomen, in te vinden. Hij werpt nog niet de trouwheid aan zijn souverein weg. De koninklijke dienaren blameert hij en het gemakkelijk en goed vertrouwen, dat Filips gesteld heeft in verkeerde voorstellingen van mannen, die hij reden had te wantrouwen.Ook wordt er voor den eersten keer geen gewag gemaakt, hoe dan ook, van “onze ware en oude godsdienst.” Ook die uitdrukking kwam in vroegere geschriften van den Prins telkens en telkens weder.Dat hij nu schrijvende aan een katholiek vorst als Filips, dit nalaat, is ongetwijfeld zeer opmerkenswaard. We moeten dan ook zeker in de jaren zijner ballingschap in Dillenburg de eerste sporen zoeken van zijn omkeer op godsdienstig gebied. Alles werkte daartoe mede. Vooreerst zijn persoonlijke levenservaringen, die tot de smartelijkste behoorden, welke een mensch kan ondervinden; en dan de invloed zijner moeder, de betrekkelijke rust op het oude kasteel, de lezing van het boek van Melanchthon, hem door Willem van Hessen gezonden, de arbeid van den bekwamen prediker hem door den landgraaf afgestaan; het een en het ander samenveroorzaakte, dat hij de Roomsch-Katholieke vormen vaarwel zeide, die hij van zijn elfde jaar af in acht genomen had. Nog was in die dagen de godsdienst geen zaak, waarom hij zich veel bekommerde; eerst langzamerhand kon hij persoonlijk gaan belangstellen in een zielsverschijnsel, dat hem vroeger tamelijk onverschillig liet. Maar zijn gansche omgeving in Dillenburg, zijn familie, de Duitsche vorsten hechtten er groot gewicht aan. Hoe zou hij dan geheel buiten den invloed daarvan kunnen gebleven zijn, te meer omdat van diezelfde Duitsche vorsten toch de hulp voor de Nederlanden moest komen.Spoedig werden er openlijk door geheel Duitschland troepen geworven, wier bestemming voor de Nederlanden algemeen bekend was en uit verschillende bronnen kwamen de fondsen voort, om de uitgaven voor die troepen te bestrijden. De Prins benoemde zelfs commissies voor die wervingen en maakte daarbij gebruik van zijn recht als Prins van Oranje en dus als onafhankelijk souverein van het rijk. Al was dat vorstendom ook zeer klein, het gaf hem titels, die zijn andere goederen hem niet gaven. Hij liet de commissies op dezen vreemden grondslag werven, dat zij hulp vroegen voor Filips tegen zijn onwaardige dienaars.De formule luidde: “Om Zijne Majesteit zijne heerschappij te verzekeren en voor elk burger (hetzij Protestant of Roomsch-Katholiek) zijn gewetensvrijheid te handhaven.” Oranje verkocht zelfs zijn juweelen, zijn zilver en tapijten, om troepen te kunnen lichten. Het bedrag van zijn persoonlijke contributie bereikte de som van 50.000 florijnen.Zijn broeders deden zooveel ze konden; Jan gaf een belangrijke som door middel van een hypotheek op zijn goederen. Lodewijk droeg 10.000 fl. bij. De voornaamste Nederlandsche steden, Antwerpen, Vlissingen, Amsterdam en andere, door de Nederlandsche kooplieden, die naar Engeland gevlucht waren, geholpen, brachten de som van 100.000 kronen op, juist de helft die Oranje noodig achtte, om hem in staat te stellen zijn leger in het veld te brengen. Den 17enApril schreef de Prins vertrouwelijk aan den Landgraaf van Hessen, dat hij op reis ging naar Keulen om daar of in de nabijheid af te wachten, “wat wij zullen moeten doen.” Het gerucht van de lichtingen was te veel verbreid. Ook deelt hij den landgraaf mede, dat hij gehoord heeft, dat Alva naar het klooster St. Bernard, vijf mijlen van Brussel, gegaan is, om zijn Paschen te vieren. Dit was hem niet aangenaam. De Prins had gehoopt, dat hij een ander klooster zou gekozen hebben, waarschijnlijk omdat er in die dagen plan heeft bestaan onder de vrienden van Oranje om den hertog op te lichten. Eindelijk zendt hij aan Willem van Hessen zijn Justificatie met verzoek die door te lezen en zijn bedenkingen tegen den vorm aan den brenger, Dr. Joh. Meixnern, mee te deelen. De Prins voelde zelf vooral bezwaren tegen het woordje “krijgstoerusting.”“Is dat ook te hard of te scherp. Zou dit soms zoo kunnen worden opgevat, alsof wij uit een bijzonder genoegen den oorlog begonnen, in plaats van uit zuiver noodweer en zelfverdediging?” zoo vroeg hij.Is het niet merkwaardig, dat we aan den vooravond van den 80-jarigenoorlog—want de proclamatie was het signaal van dien oorlog—in een vertrouwelijk schrijven van den Prins zulk een uiting van nauwgezetheid vinden? Men weet, hoe de laatste woorden door vorsten of diplomaten gesproken of geschreven voor de uitbarsting van een geweldigen oorlog, gewoonlijk later worden gebruikt om de een of andere partij of persoon de zedelijke schuld en verantwoording van het bloedbad op den hals te laden. Het pleit dus voor den Prins, dat het hem bij het opstellen zijner justificatie niet ontbroken heeft aan teederheid en fijnheid van geweten, want Oranje kon alleen een oorlog, uit zelfverdediging aanvaard, voor God en de toekomst goedkeuren.1Egmonds titel was Prins van Gavere.

Hoofdstuk X.De slag van Austruweel. Oranje en het oproer in Antwerpen. Vertrek van den Prins. 1567.Wat in den aanvang van 1566 mogelijk was geweest, indien de gedachte van Nicolaas de Hames was verwezenlijkt, doch wat toen door den tegenstand van Oranje en de andere grooten niet geschied was, dat werd thans, nu de zaak der verbondenen veel wanhopiger stond, ter elfde ure nog beproefd.Alleen wanhoop kon op dat oogenblik nog tot zulk een waagstuk drijven, want overal in het land was de regeering sedert veel machtiger geworden, terwijl de legerbenden van Alva het land naderden. Toch werd het nog beproefd en eere den mannen, die de proef met hun dood hebben bezegeld en door hun offer een bezielend voorbeeld gaven voor het verzet, dat enkele jaren later met het schoonste succes zou bekroond worden.Als legerhoofd trad Hendrik van Brederode op en de meeste oprichters van het compromis der Edelen werden bevelhebbers zijner troepen. Nicolaas de Hames was er niet bij; deze was reeds sedert eenige maanden naar Duitschland verwijderd en op zeer ongunstige wijze door Margareta aan den keizer afgeschilderd. Na Brederode was Jan van Marnix, heer van Toulouse de opperste veldheer, terwijl zijn broer St. Aldegonde de functie van thesaurier-generaal bekleedde. Op naam van “Brederode en die van de nieuwe religie” werd in en buiten Antwerpen krijgsvolk aangeworven en dat Oranje zich daartegen niet verzette blijkt wel uit het feit, dat sommige werfofficieren er durfden bijvoegen: “Op last van den Prins van Oranje.”Een boekje in die dagen verspreid, kon als manifest van den opstand gelden; in het bijzonder bevatte het eene aansporing tot de grooten en edelen, niet langer te weifelen, maar vastberaden het eenige middel aan te grijpen, dat nog redden kon, n. l. eendrachtige bestrijding der regeering. Men begreep zeer goed, wat men van den Spaanschen koning te vreezen had en tevens dat ze hun goed en leven, dat zij nu op het spel gingen zetten, toch reeds verbeurd hadden. Zij, degereformeerden, wisten het wel, maar de “Heilige Raad,” zooals het boekje werd genoemd, overtuigde slechts hen, die reeds overtuigd waren, niet echter de grooten, die bleven weifelen.... totdat het te laat was.De verbondenen hoopten allereerst Antwerpen meester te worden, teneinde deze stad tot het middelpunt hunner onderneming te maken; zij rekenden tevens op den bijval van niet minder dan 52 Noord-Nederlandsche steden. Daar ze meester waren van Deventer en Maastricht, kon de uit Duitschland verwachte hulp over de bruggen van Maas en IJsel komen, terwijl de bezetting van Zeeland, hetgeen ze niet moeilijk achtten, hen in de gelegenheid zou stellen met Fransche en Engelsche geloofsgenooten in gemeenschap te komen.Antonie van Bombergen maakte zich bij verrassing van ’s Hertogenbosch meester en trachtte ook daar krijgsvolk te werven op naam van Oranje en Hoogstraten. Wel verbood Oranje verdere lichtingen, maar hij kan niet onbekend zijn geweest met het feit, dat zijn bevel niet werd gehoorzaamd.Het krijgsvolk, dat zich aanmeldde, was echter onvoldoende geoefend en aan wapenen ontbrak het geheel, vooral ook doordat Mechelen, waar de arsenalen zich bevonden, door de regeering was bemachtigd. Deze liet de opstandelingen niet den tijd tot organisatie, doch tastte nu ook door. Utrecht werd door Meghen verrast en ook Amsterdam liep gevaar, maar deze stad bleef door de komst van Brederode voor de geuzen behouden. In plaats van Brederode, die de troepen bij Vianen en Antwerpen zonder hoofd had moeten achterlaten, kwam de jonge Toulouse, een edel en moedig man, geen veldheer, maar een geleerde.Zijn aanslag op Walcheren mislukte en daarop verschanste hij zich bij het dorp Austruweel in het gezicht van Antwerpen, in de hoop dat de Prins zich eindelijk voor hen verklaren zou. Die hoop bleek ijdel.De regeering zat inmiddels niet stil en geholpen helaas door den ouden veldheersblik van Egmond, die zijn troepen uit Vlaanderen had aangeboden tegen het geuzenleger, dat een sterke stelling had ingenomen, werd Filips van Lannoy, heer van Beauvoir, tegen Toulouse afgezonden. Waarschijnlijk vertrouwde Margareta haar raadsman niet zoozeer, om hem zelf met het commando te belasten.Op den 12enMaart ontmoette Beauvoir de troepen van Toulouse bij Austruweel. Deze was daardoor geheel verrast; ja hij meende eerst nog dat het de Duitsche hulptroepen waren, waarop zoolang was gehoopt. Geen gevecht, maar een ware slachting was het gevolg; de meeste geuzen sneuvelden of werden in de Schelde gejaagd; van de 3000 krijgsknechten onder Toulouse ontkwam er bijna geen een, al waren de overwinnaars slechts ten getale van 800 man. Ook de arme Toulouse zelf kwam strijdend om en werd in honderd stukken neergehouwen.Dit was het droevig einde van de eerste poging van den Nederlandschen opstand.Welken indruk die gebeurtenissen op de Calvinisten maakten en hoe de houding van den Prins daarbij was, blijkt uit de volgende beschrijving:“Ondertusschen verlangden de Antwerpsche Calvinisten, toen zij van hunne bolwerken het vuur van Austruweel en de ongenadige behandeling van de armeToulousianen zagen, zich met hen in den slag te vereenigen. Zij haastten zich naar de marktplaats, gemeenlijk genoemd Place de Meir, waar in een oogwenk 1300 à 1500 man waren verzameld. Sommigen waren gewapend met puntige hamers, maliekolven en oude wapens, anderen met werpspietsen en slagzwaarden. Bij dezen voegde zich een corps muitelingen, ongeveer 4000 man sterk, op dezelfde manier uitgerust....“De Prins van Oranje, over deze plotselinge beweging ontzet, riep de acht compagnieën katholieke soldaten en achtenswaardige burgers, die hij in de maand September had ingeschreven, te zamen. Hij liet deze in het stadhuis en op plaatsen aan de markt grenzende, postvatten, ten einde de muitzieken en de hervormden, die samenspanden om de stad te plunderen, in bedwang te houden. Daarop ging hij, vergezeld door Hoogstraten en van Straalen, burgemeester van Antwerpen, naar de Place de Meir om te weten te komen, wat die woeste menigte verlangde.“Ze werden met beleedigingen begroet. Oranje werd een vuile verrader genoemd, een dienaar van den Paus, een beambte van den Anti-Christ. Met dergelijke liefelijke woorden zooals de Hugenoten gewoon waren naar hun vijanden te slingeren, werd de Prins overvallen. Daarop begonnen zij als krankzinnigen te roepen, dat zij den dood van hun gesneuvelde broeders, die door de Katholieken zoo wreed waren gemassacreerd, wilden wreken en bevalen den Prins gebiedend, dat hij de poorten moest openen of anders zouden zij ze afbreken. Toen hij daarmede langer wachtte, dan hun beviel, ijlden ze naar de naastbijzijnde poorten, maakten ze met hun maliekolven open, ten einde hun plan te gaan uitvoeren, geen acht slaande op de waarschuwing van den Prins, dat ze niet in staat waren met goed toegeruste soldaten te vechten en dat Toulouse en zijn troepen, die voor hun oogen waren vernietigd, hun tot waarschuwing konden dienen. Eindelijk ziende, dat zijn vermaning niets uitwerkte, keerde de Prins naar de Place de Meir terug.“Nu moet men niet vergeten dat Beauvoir, vóór de nederlaag van Toulouse, gewaarschuwd was, dat de Antwerpsche sektarissen zich verzamelden om hem aan te vallen... Daarom beval hij al de gevangenen ter dood te brengen ten getale van ongeveer 300, uit vrees, dat deze hem soms een poets zouden spelen. Dat was zeker een zeer onmenschelijke daad, maar misschien op dat oogenblik een militaire noodzakelijkheid. Daarop trok hij naar de stad, vast besloten de Evangelische muiters, die zich wilden wreken op den dood hunner kameraads, te straffen... Toen deze echter Beauvoir met zijn overwinnende troepen, die de lucht vervulden met de geluiden van krijgstrompet en trommelslag, zagen naderen, was hun drift bekoeld en kalm gingen ze naar de Place de Meir, om den raad van den Prins van Oranje op te volgen, dien ze daareven zoo verachtelijk hadden verworpen.“Beauvoir bleef eenigen tijd in slagorde op hen wachten, maar toen hij zag, dat ze niet het minste verlangen hadden, zijn uitdaging te beantwoorden, plaatste hij de standaards van den ongelukkigen Toulouse tot een bespotting op den hoek van de haven, liet die daar een poos staan en ging toen, met roem overdekt en met buit beladen, met zijn soldaten naar Brussel.“Het scheen, alsof de Calvinisten van spijt zouden barsten, want ze zwoeren, dat de Antwerpsche papisten niet lang over hun ongeluk zouden lachen. Den nacht bracht de menigte gewapend op de Place de Meir door, onophoudelijk roepende: “Vivent les gueux.” Vroeg in den ochtend haalden ze 17 stukken geschut uit het arsenaal, want ze vertrouwden de magistraat niet en daarop gingen ze als waanzinnigen van kerk tot kerk, van klooster tot klooster, plunderend en roovend al wat zij vonden, terwijl ze priesters en geestelijken, vooral de Minoriten, die in slechten dunk stonden, kwalijk bejegenden. Daarop stonden ze gereed de rijke woningen te gaan plunderen, met het plan allen, die niet tot hun geloof behoorden, te verjagen en de stad onder hun macht te brengen.“Ze haatten de Lutherschen nog meer dan de Katholieken; die noemden ze “halve-papisten,” “erger dan papisten” en ze wilden geen woord ten gunste van de Anabaptisten hooren, hoewel zij (altijd volgens Pontus Payen) kinderen van den duivel waren niet minder dan deze.“Waarschijnlijk zouden ze geslaagd zijn in hun verderfelijke oogmerken, als de Prins van Oranje dit niet door zijn voorzichtige zorg had voorkomen. Hij, die de bloeddorstige natuur der Calvinisten haatte, besloot hun stoutheid met sterke hand te keeren. Hij nam daarom de voornaamste Spaansche, Italiaansche, Engelsche en Duitsche kooplieden in vertrouwen en ook de dekens van alle gilden, die niet tot de opstandelingen behoorden. Daarop verzamelde hij de gewapende Katholieken en Lutheranen; hij overreedde hen een verbond te sluiten en tezamen pogingen in het werk te stellen om de buitensporigheden van die sektarissen te beteugelen, die geboren schenen, om de wereld in beroering en alles in wanorde en verwarring te brengen.De Lutherschen waren daartoe volkomen bereid. Ze hadden dikwijls van te voren zulk een verbond aan de Katholieken voorgesteld, met wie ze in goede verstandhouding gedurende de troebelen geleefd hadden. De Prins beval toen, dat de groote klok geluid werd en op een andere marktplaats, geheel afgezonderd van de Place de Meir, verzamelden zich de Katholieken en Lutheranen. Deze bestonden enkel uit deftige lieden, rijke kooplui en achtenswaardige burgers, terwijl de anderen slechts uit schorriemorrie bestonden, voor ’t grootste deel vreemdelingen, vluchtelingen, bankroetiers en minder volk, aangevoerd door een ellendigen galgevogel, met name Hermans.“Zeker, er waren ook in de stad vele rijke kooplieden, die den godsdienst van Calvijn beleden, doch die vermengden zich niet openlijk met het gepeupel, al ondersteunden zij ze misschien in het geheim. Er bestond dus gelegenheid, de stad van slecht bloed te zuiveren, maar de Calvinisten, de ongelijkheid van den strijd erkennende, zonden hunne predikanten naar den Prins, om voorwaarden te maken en ze boden aan, zich aan zijn besluiten te onderwerpen. Oranje willigde dit in en bedaarde den toorn der Katholieken en Lutheranen, die er eindelijk in toestemden het verbond te teekenen, dat de Prins met de Consistories had gemaakt en die beloofden, zich aan den inhoud daarvan te houden. Zoo werd het oproer zonder bloedvergieten gestild, geheel tegen de algemeene verwachting in.“De Prins wordt om dit optreden door velen hoogelijk geprezen; men gaat zelfs zoover, dat men hem alle eer geeft, de stad tegen plundering en bloedvergietendoor zijne tegenwoordigheid te hebben bewaard. Men beweert, dat door hem het leven der Katholieken is gespaard, die zonder de tijdelijke hulp der Lutheranen in het uiterste gevaar zouden verkeerd hebben.“Wat mij aangaat, (zoo eindigt de katholieke royalistische schrijver), ik zou niet gaarne de eer, die den Prins in die zaak toekomt, ontkennen; maar toch komt het mij voor, dat de Calvinisten meer reden van dankbaarheid hadden, dan de Katholieken en de Lutheranen; want het Compromis dat hij maakte, was geheel in het voordeel van de zwakste partij, die op het punt stond voor haar heiligschennis en diefstallen, die ze begaan hadden, een waardige straf te ontvangen.”Ziedaar het verhaal, verteld door een katholiek schrijver, die bijna tijdgenoot dier gebeurtenis was, doch die Margareta doet voorkomen als een voorbeeldige regentes, wie de belangen harer kerk bovenal ter harte gingen. Natuurlijk moet dus dit verhaal als zoodanig beoordeeld worden.De overeenkomst, waartoe de verschillende sekten zich verbonden, was de volgende: De stadssleutels bleven in de handen van den Prins en van Hoogstraten. Burgers en soldaten samen moesten verantwoordelijk blijven voor den algemeenen vrede; de burgers benoemden de kapiteins, wier keuze door den Prins moest worden goedgekeurd; 1200 burgers moesten de poorten bewaken en de stad werd in districten verdeeld. Binnen de wallen kon de overheid geen gewapend volk toestaan, noch eenig soort van garnizoen, zonder toestemming der gemeente. De burgers moesten den eed afleggen aan den koning, de stad en het volk, met behoud der privileges, inzonderheid van dat der Joyeuse entrée. Het verdrag van 1566, betreffende de beide godsdiensten, bleef onaangetast.De eerste vorm van deze overkomst werd door het volk niet aangenomen. Op den volgenden dag kwamen er vijftien additioneele artikelen bij, o.a. bepalende, dat de conventie van den 27enmoest worden in stand gehouden, totdat de koning en de staten het punt van den godsdienst hadden toegestaan. De stadssleutels moesten onmiddellijk aan Oranje en Hoogstraten gegeven worden, die, indien ze het noodzakelijk achtten, 400 ruiters mochten lichten en gewapende schepen in de Schelde konden opstellen. Al de inwoners zonder uitzondering moesten bijdragen aan de uitgaven, die de algemeene verdediging eischten; op de bolwerken zouden kanonnen worden geplaatst en de gouverneurs moesten het geschut controleeren. Op den 15enMaart stemden de Calvinisten er in toe, deze artikelen te onderteekenen.Er is geen twijfel aan, of door deze conventie werd een bloedbad voorkomen, zoo vreeselijk als Parijs ooit gezien heeft; de stad werd door het vergelijk beveiligd en tot rust gebracht en aan Oranje komt ten volle de eer van deze heilrijke uitkomst toe. Hij bewees op dat gespannen oogenblik, te midden van tallooze sekten, die elkander ten bloede toe haatten, een staatsman van groote wijsheid te zijn. Men moge terecht zijn weifelen en zijn besluiteloosheid in 1566 en 1567 betreuren; te midden van zulk een oproerige stad, waar de meest booze plannen werden gekoesterd, de rust hersteld te hebben, is het beste pleidooi voor zijn helder inzicht, ik zeg niet in den tijdgeest, maar in de eischen van het oogenblik. En die geest van staatsmanswijsheid is hem ook later, toen hij gelouterd inhet land wederkeerde, bijgebleven en toen aan het gansche land, gelijk thans Antwerpen, ten goede gekomen. Oranje moet den dood van Toulouse, den jongen geleerde en van zijn 3000 man, diep betreurd hebben, maar hij behield zijne kalmte en bestuurde te midden van de gevaarlijkste samenscholingen met den besten uitslag de oproerige stad.Op den morgen van den 15enMaart werden de troepen, door de stad geworven, op de Place de Meir verzameld. Oranje, Hoogstraten, de stedelijke overheid en een honderdtal ruiters reden naar de markt, allen met roode sjerpen om hun wapenrusting, het embleem door hen, die de orde wilden handhaven, aangenomen.De menigte Calvinisten stond met toornige blikken aan het eene eind van de plaats. Oranje beval, dat de artikels van het vergelijk overluid zouden worden gelezen en toen hield hij een korte toespraak, waarin hij, met het noodlottig voorbeeld van Toulouse en zijn ongeoefende vrijwilligers tegenover ervaren soldaten voor oogen, het volk waarschuwde tegen het garnizoen, dat onder het gezag der stad stond, om toch geen ijdele pogingen aan te wenden, nog meer concessies te verkrijgen. Hij eindigde zijn toespraak met de woorden: “Leve de koning!” Na een oogenblik stilzwijgen herhaalde de menigte dien kreet en de rust was hersteld.Twee weken was het bijna geleden, sedert Margareta den Prins om vernieuwing van den eed van getrouwheid had gevraagd en een weigerend antwoord van hem had ontvangen, terwijl hij afstand deed van al zijn bedieningen. Hij was echter niet van zijn dienst ontheven, zoodat hij, overeenkomstig het officieel gebruik, nog gebonden was, toe te zien, dat de dienst volgens den wil des konings vervuld werd.Wat hij zou gedaan hebben, als Toulouse, in plaats van Beauvoir, overwinnaar was geweest, kan niet worden bepaald. Maar in den staat van zaken, zooals die op het oogenblik was, stelde hij zijn verplichting tegenover Filips hooger, dan het feit, dat hij reeds afstand had gedaan, hetgeen zeker op dat oogenblik het beste was, dat hij kon doen. De Landvoogdes, wel verplicht den Prins te prijzen met zijn succesvol optreden, was toch ontevreden met het resultaat en zij meende dat Oranje voor het volk had ondergedaan. Haar goed- of afkeuring was echter een zaak van de grootste onverschilligheid voor hem.Aan een Duitsch vorst, waarschijnlijk Willem van Hessen schreef hij den 17enMaart het verhaal over het voorgevallene te Antwerpen. Hij vermeldt in dien brief, dat het alleen met de grootste inspanning en met gevaar voor zijn leven gelukt is de Calvinisten te overmeesteren en de eer der stad te handhaven. Veel dank zal hij er niet mee inoogsten, dat begrijpt hij, maar “God en alle eerlijke lieden zullen onze daden erkennen.”Ook zegt de Prins nog in hetzelfde schrijven, dat hij reden heeft God te danken, nu hij aan zulk een groot gevaar is ontkomen en dat hij zich zelf door de genade Gods kan beschouwen als een nieuw geborene. Hoe hij geheel gered zal worden, weet hij nog niet, maar op God en op de gebeden zijner vrienden vertrouwt hij.Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)Zonder twijfel hebben wij het recht deze woorden aan te merken als een uiting van het ontwaakte religieuse leven van den Prins, want ook elders laat hijniet na den naam van God te noemen en zich en de zijnen in zijn hoede aan te bevelen. De angstige dagen in Antwerpen doorleefd, schijnen zijn hart te hebben geopend voor het godsdienstig gevoel, dat zich hier in innige dankbaarheid, diepe afhankelijkheid en hartelijk vertrouwen uit.Zijn besluit om het land te verlaten had hij reeds vroeger genomen, maar thans besefte hij ten volle, dat hij weg moest gaan en aan Willem van Hessen schrijft hij dan ook, hoe onmogelijk het voor hem was na Alva’s komst te blijven.Hoewel Margareta, zooals we zagen, lang niet voldaan was met Oranje, verzuimde zij toch niet, pogingen in het werk te stellen, hem in de Nederlanden te houden.Ze zond nog eenmaal haar secretaris Berty met het voorstel, indien hij bleef weigeren, den nieuwen eed af te leggen, een samenkomst te hebben met zijn vroegere medeleden van den Raad van State, zooals Aerschot, Barlaimont, Egmond en Mansfelt. Deze samenkomst had wel plaats te Willebroek bij Mechelen met Egmond en Mansfelt, doch succes had deze bespreking niet. De Prins bleef bij zijn wensch, te worden ontlast van al zijn ambten en bedieningen, zoowel van die welke de Koning, als van die welke de Landvoogdes hem had opgedragen. Hij wilde zich eerst naar Breda, dan naar Duitschland terugtrekken en beloofde de nederige vazal van den koning te blijven.Margareta zegt in haar brief aan Filips, dat ze aan zijn laatste verklaring niet veel waarde hecht.Het was de laatste maal, dat Oranje en Egmond samen waren. Een Calvinist, die zich in den schoorsteen van de audiëntiezaal had verborgen, deelde omtrent deze ontmoeting het volgende mede: Toen alles van weerszijden was gezegd en de graaf volhardde bij zijn voornemen, zijn lot met dat van zijn land te blijven deelen en de Prins vast bij zijn besluit bleef, het Nederlandsche stof van zijn voeten af te schudden, zei de eerste: “Vaarwel, Prins zonder Staten!” en Oranje antwoordde: “Vaarwel, graaf zonder hoofd!”, waarop ze elkander omhelsden en vertrokken. Een ander verhaalt, dat Oranje zou gezegd hebben: “Mijn neef, de Spanjaarden zullen de Nederlanden binnentreden, maar ik verzeker u, uw hoofd zal hun tot brug dienen.”Hoewel deze berichten geen geschiedkundigen grondslag hebben, stemmen alle schrijvers toe, dat Oranje en Egmond elkander omhelsden en droevig scheidden.Zeker heeft nooit een verrader en—van het Spaansche gezichtspunt uit was Oranje dit ongetwijfeld—met dergelijke overwegingen als Willem van Nassau het land verlaten, dat hij besloten had uit de macht van een tiran te bevrijden. De edelen vertrokken dienzelfden dag na het middagmaal en Oranje keerde naar Antwerpen terug om de laatste, voorbereidende maatregelen te nemen, voor hij de gewesten verliet. In de Brabants hoofdstad echter durfde hij den voet niet zetten.Op den 10enApril schreef hij aan Filips een brief, waarin de Prins zijn optreden in Antwerpen en Holland rechtvaardigt; hij deelt den koning mede, hoe hij in de eerstgenoemde stad bij zijn terugkeer het oproer heeft bedwongen.Wat den eed aangaat, waarover de hertogin van Parma hem heeft geschreven,deelt de Prins den koning zelf mede, dat hij dien geweigerd heeft af te leggen, reden waarom hij zijn ambten en bedieningen nederlegt. Hij eindigt met de verzekering zijner trouw, loyauteit en gehoorzaamheid aan den koning.Mocht iemand de herhaalde getuigenis van zijn trouw en loyauteit aan den koning overdreven vinden, hij bedenke, dat de briefstijl dergelijke uitingen eischte, waardoor alleen een plichtmatige vorm werd nagekomen. Nemen we dat in aanmerking, dan is er geen eerlijker overgang van loyauteit tot rebellie denkbaar dan die, waarvan deze brief getuigenis geeft. Zelfs de 50.000 florijnen, die de Staten van Holland hem wilden vereeren als een geschenk voor het dempen van het oproer, weigerde hij, hoe goed hem dat geld ook bij al zijn schulden zou te pas gekomen zijn. Aan Filips schrijft Oranje, dat hij den nieuwen eed uit beginsel niet kan afleggen en daarom van de Staten van Holland het geschenk niet wil aanvaarden voor zijn persoonlijk gebruik, daar hij eerstdaags geen stadhouder meer zal wezen.Het vertrek van den Prins wordt op verschillende wijzen uitgelegd. Zelfs beweert men, dat hij na den slag bij Austruweel en onder den indruk van de jongste berichten van Lodewijk van Nassau, nu er op geenerlei hulp uit Duitschland te rekenen viel, erover gedacht heeft zich met den koning van Spanje te verzoenen en dat nog wel door middel van Granvelle. ’t Is waarlijk nog al eigenaardig, dat men dit van hem beweert en men moet den Zwijger al erg naïef vinden, wanneer men meent, dat deze verzoening, stel het geval, kon bereikt worden door tusschenkomst van den man, die zijn gansche vernedering aan den Prins had te wijten. Die geheele verzoening echter was een fictie, want wat zou anders de herhaalde weigering van den eed af te leggen, beteekend hebben.Ook zegt men, dat de Prins vluchtte uit vrees. Dat hij van nature bang was wordt echter evenmin door iets bevestigd. Van angstvalligheid was toch zeker geen sprake in Antwerpen van 14–16 Maart! Zijn vlucht was integendeel het gevolg van een lang beraamd plan, dat hij slechts noode vervulde en waartoe hij eerst, door de omstandigheden gedrongen, overging.Bevreemdend blijft alleen het slot van zijn brief aan den koning, want Oranje wist zeer goed, dat hij in Duitschland gevlucht, niet de trouwe gehoorzame vazal des konings zou kunnen blijven. En toch beweert hij, dat hij met Gods hulp in trouw en gehoorzaamheid hoopte te volharden, zoodat Z. M. er ten volle mee tevreden zou zijn.Men moet echter niet vergeten, dat hij nog geruimen tijd ook na zijn terugkeer in het land is blijven voortgaan, in naam des konings op te treden en dat zijn opstand tegen de Spaansche macht alleen bedoelde vrijmaking van het geweld, waarmede hij zelfs den kwaad ingelichten vorst een dienst hoopte te bewijzen tot het behoud van zijne Nederlanden. De gedachte daaraan kon ons nog meer dan de briefstijl en de vorm verzoenen met Oranje’s krachtige betuiging van trouw en loyauteit in dien laatsten brief voor zijn vertrek aan Filips II.Den 11enApril verliet de Prins Antwerpen en ging naar Breda, met het plan, ook die stad zoo spoedig mogelijk, na orde op zijn zaken gesteld te hebben, te verlaten. Tien à elf dagen vertoefde hij er nog, wel een bewijs, dat angst niethet motief was van zijn vlucht. Wat daar gedurende dien tijd plaats had, is onvolledig bekend. Aangaande een paar zaken zijn we slechts met zekerheid ingelicht. Hij ondervond allereerst van den kant zijner vrouw een hoogst onaangenaam verzet tegen het vertrek naar Duitschland.Anna’s kleine, onbeduidende, zelfzuchtige natuur was de oorzaak, dat ze de betrekking, waarin haar echtgenoot tot zijn vorst stond niet kon begrijpen. Zij was zeker Protestant, maar ze vond het in het geheel niet noodzakelijk voor haar man, de zaak van een onbeduidend volk te omhelzen, zoodat hij verplicht werd, zijn positie, zoo hoog in rang en macht, te verlaten en zijn privaat eigendom in de waagschaal te stellen door met een jongeren broeder op een ver afgelegen, geïsoleerd Duitsch kasteel de toevlucht te nemen, ver verwijderd van alle gemakken, die in Brabant te verkrijgen waren. De zaken zouden allen terecht komen als hij slechts een weinig diplomatie wilde gebruiken, meende Anna, en onverdragelijk was het haar, zoo uit haar huis te worden weggerukt.Niets is ongerijmder dan de meening, alsof Anna den Prins tot die verhuizing had aangezet of eenig deel aan den opstand had genomen door mede te Spa of elders met de verbondenen te onderhandelen. Anna knorde en gromde alleen; ze had in ’t minst geen denkbeeld van de plichten van haar gemaal en maakte de laatste dagen van zijn verblijf in Breda, door haar zelfzuchtigen tegenstand, voor Oranje nog onaangenamer.Uit Breda schreef de Prins afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne en ook aan den graaf van Bergen in Madrid. De beide eerste brieven waren in het latijn. Het zijn antwoorden op de laatste pogingen der beide graven, om hem in het land te houden. Waarom hij de deftige Latijnsche taal koos, om aan zijne weigering uiting te geven, is onbekend; maar ’t schijnt een stijf en vreemd middel van communicatie tusschen mannen, die aan dagelijkschen familiaren omgang gewoon waren.Ook aan Egmond herhaalde hij, dat, wat hem ook verplichtte het land te verlaten, hij niet ophield Filips’ getrouwe vazal te blijven. De brief aan Hoorne is vrijer van toon en krasser in uitdrukkingen omtrent het kwaad door Filips aan de Nederlanden bedreven. Bovendien viel de Spaansche honig, waarvoor Filips van Hessen nog op zijn sterfbed had gewaarschuwd, niet in zijn smaak.Den 22enApril ging de Prins op reis uit Breda, eerst naar Grave, van daar naar Kleef en toen naar Dillenburg. Ofschoon hij openlijk alle toebereidselen had genomen om het land te verlaten en er nog dagen verliepen, voor hij uit Breda vertrok, wordt toch voorgesteld, dat alleen lafhartigheid oorzaak was van de groote haast waarmede hij naar Dillenburg vertrok. Te Kleef vereenigden zich zijn echtgenoote en hofhouding met hem, terwijl tal van geestverwanten hem volgden.Aan Margareta werd gemeld, dat een derde deel van de inwoners van ’s Hertogenbosch naar Kleef ging.“Een groote menigte Brabanders en Walen ging voorbij Delfzijl naar Emden; armen en rijken, vrouwen en kinderen,” zoo schreef men den 5enMei aan Aremberg en deze berichtte den 9enJuni aan Margareta: “Mevrouw, ik heb vernomen, dat de voornaamste beeldstormers en oproermakers met tal van Brabanders, Hollanders en anderen dagelijks vluchtende zijn naar Emden.”Bossu, die in plaats van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd was, werd een maand later ingelicht omtrent het feit, dat Emden boordevol vluchtelingen was, dat er in het huis van een bakker alleen dertig waren en er dagelijks nieuwe aankwamen.Voor Oranje Breda had verlaten, had hij zijn zoon Filips Willem, die in Leuven studeerde, daar ontboden, om hem vóór zijn vertrek nog eenmaal te zien; het verbaasde hem bij die gelegenheid, dat de zaken al zóó ver gekomen waren, dat de vader zonder suspicie den zoon niet eens kon zien en spreken.Wij, die het lot van dien zoon kennen en die weten, hoe Filips Willem, door Alva opgelicht, zijn gansche leven bijna in Spanje heeft moeten doorbrengen, verbazen ons nog meer, dat de Prins hem te Leuven liet. Misschien wenschte Oranje, door hem in het land te houden, eenig vertrouwen in Filips te toonen voor het geval de zaken veranderden, te meer omdat hij ontwijfelbaar geloofde in het heiligdom van den neutralen grond der Universiteit, niet kunnende vermoeden, dat die zelfs door de wreede hand van Alva zou worden geschonden.Zijn dertienjarige dochter, die aan het hof van Margareta was en zeer door haar geliefd werd, duldde hij niet langer in het land, dat hij zelf ging verlaten; ook Juliana van Stolberg vond de aanwezigheid van Willems dochter daar aan het hof minder gewenscht en achtte het veel beter, dat Marie in Dillenburg kwam onder hare leiding.Oranje schreef, dat zijn moeder verlangde haar kleindochter te zien en daarop ontving hij het volgend briefje van Margareta, dat ook om andere redenen hier in zijn geheel wordt vermeld.Mijn neef,Uit uw brief van den 22endezer maand heb ik gezien, dat gij nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland, waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken, die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt, de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning, mijn heer, te blijven.Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet, dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens, om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat MlleOranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier waart en in uw zaken zalik niet minder belangstellen, dan ik gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen, een aangename reis en alle geluk moge geven.Uit Antwerpen den laatsten April 1567.Het bleek later zeer gelukkig te zijn, dat Marie bij haar grootmoeder was gekomen, want in 1570 verscheen een gerechtsdienaar met een bevel van Alva om haar op te vorderen! Keerde ze niet terug, dan zouden haar goederen worden verbeurd verklaard.Het is begrijpelijk, dat deze eigenaardige opvordering geen succes had en Marie rustig bij haar grootmoeder bleef en ook, dat de latere vorstin van Hohenlohe haar grootmoeder altijd dankbaar bleef voor haar redding uit Spaansche handen.Aldus eindigde het tweede hoofdstuk van Willems leven. Den dag nadat hij Breda verliet, had hij zijn 34ejaar voleindigd. Zijn leerjaren als vredelievend staatsman waren voorbij. Nu stond hij geheel op eigen voeten. Zijn familie, zijn vrienden, het land verwachtten nu van hem een opbouwende politiek, die grooter lasten van verantwoordelijkheid op zijn schouders zou leggen, dan de gehoorzaamheid aan de bevelen van een verwijderd vorst.

Wat in den aanvang van 1566 mogelijk was geweest, indien de gedachte van Nicolaas de Hames was verwezenlijkt, doch wat toen door den tegenstand van Oranje en de andere grooten niet geschied was, dat werd thans, nu de zaak der verbondenen veel wanhopiger stond, ter elfde ure nog beproefd.

Alleen wanhoop kon op dat oogenblik nog tot zulk een waagstuk drijven, want overal in het land was de regeering sedert veel machtiger geworden, terwijl de legerbenden van Alva het land naderden. Toch werd het nog beproefd en eere den mannen, die de proef met hun dood hebben bezegeld en door hun offer een bezielend voorbeeld gaven voor het verzet, dat enkele jaren later met het schoonste succes zou bekroond worden.

Als legerhoofd trad Hendrik van Brederode op en de meeste oprichters van het compromis der Edelen werden bevelhebbers zijner troepen. Nicolaas de Hames was er niet bij; deze was reeds sedert eenige maanden naar Duitschland verwijderd en op zeer ongunstige wijze door Margareta aan den keizer afgeschilderd. Na Brederode was Jan van Marnix, heer van Toulouse de opperste veldheer, terwijl zijn broer St. Aldegonde de functie van thesaurier-generaal bekleedde. Op naam van “Brederode en die van de nieuwe religie” werd in en buiten Antwerpen krijgsvolk aangeworven en dat Oranje zich daartegen niet verzette blijkt wel uit het feit, dat sommige werfofficieren er durfden bijvoegen: “Op last van den Prins van Oranje.”

Een boekje in die dagen verspreid, kon als manifest van den opstand gelden; in het bijzonder bevatte het eene aansporing tot de grooten en edelen, niet langer te weifelen, maar vastberaden het eenige middel aan te grijpen, dat nog redden kon, n. l. eendrachtige bestrijding der regeering. Men begreep zeer goed, wat men van den Spaanschen koning te vreezen had en tevens dat ze hun goed en leven, dat zij nu op het spel gingen zetten, toch reeds verbeurd hadden. Zij, degereformeerden, wisten het wel, maar de “Heilige Raad,” zooals het boekje werd genoemd, overtuigde slechts hen, die reeds overtuigd waren, niet echter de grooten, die bleven weifelen.... totdat het te laat was.

De verbondenen hoopten allereerst Antwerpen meester te worden, teneinde deze stad tot het middelpunt hunner onderneming te maken; zij rekenden tevens op den bijval van niet minder dan 52 Noord-Nederlandsche steden. Daar ze meester waren van Deventer en Maastricht, kon de uit Duitschland verwachte hulp over de bruggen van Maas en IJsel komen, terwijl de bezetting van Zeeland, hetgeen ze niet moeilijk achtten, hen in de gelegenheid zou stellen met Fransche en Engelsche geloofsgenooten in gemeenschap te komen.

Antonie van Bombergen maakte zich bij verrassing van ’s Hertogenbosch meester en trachtte ook daar krijgsvolk te werven op naam van Oranje en Hoogstraten. Wel verbood Oranje verdere lichtingen, maar hij kan niet onbekend zijn geweest met het feit, dat zijn bevel niet werd gehoorzaamd.

Het krijgsvolk, dat zich aanmeldde, was echter onvoldoende geoefend en aan wapenen ontbrak het geheel, vooral ook doordat Mechelen, waar de arsenalen zich bevonden, door de regeering was bemachtigd. Deze liet de opstandelingen niet den tijd tot organisatie, doch tastte nu ook door. Utrecht werd door Meghen verrast en ook Amsterdam liep gevaar, maar deze stad bleef door de komst van Brederode voor de geuzen behouden. In plaats van Brederode, die de troepen bij Vianen en Antwerpen zonder hoofd had moeten achterlaten, kwam de jonge Toulouse, een edel en moedig man, geen veldheer, maar een geleerde.

Zijn aanslag op Walcheren mislukte en daarop verschanste hij zich bij het dorp Austruweel in het gezicht van Antwerpen, in de hoop dat de Prins zich eindelijk voor hen verklaren zou. Die hoop bleek ijdel.

De regeering zat inmiddels niet stil en geholpen helaas door den ouden veldheersblik van Egmond, die zijn troepen uit Vlaanderen had aangeboden tegen het geuzenleger, dat een sterke stelling had ingenomen, werd Filips van Lannoy, heer van Beauvoir, tegen Toulouse afgezonden. Waarschijnlijk vertrouwde Margareta haar raadsman niet zoozeer, om hem zelf met het commando te belasten.

Op den 12enMaart ontmoette Beauvoir de troepen van Toulouse bij Austruweel. Deze was daardoor geheel verrast; ja hij meende eerst nog dat het de Duitsche hulptroepen waren, waarop zoolang was gehoopt. Geen gevecht, maar een ware slachting was het gevolg; de meeste geuzen sneuvelden of werden in de Schelde gejaagd; van de 3000 krijgsknechten onder Toulouse ontkwam er bijna geen een, al waren de overwinnaars slechts ten getale van 800 man. Ook de arme Toulouse zelf kwam strijdend om en werd in honderd stukken neergehouwen.

Dit was het droevig einde van de eerste poging van den Nederlandschen opstand.

Dit was het droevig einde van de eerste poging van den Nederlandschen opstand.

Welken indruk die gebeurtenissen op de Calvinisten maakten en hoe de houding van den Prins daarbij was, blijkt uit de volgende beschrijving:

“Ondertusschen verlangden de Antwerpsche Calvinisten, toen zij van hunne bolwerken het vuur van Austruweel en de ongenadige behandeling van de armeToulousianen zagen, zich met hen in den slag te vereenigen. Zij haastten zich naar de marktplaats, gemeenlijk genoemd Place de Meir, waar in een oogwenk 1300 à 1500 man waren verzameld. Sommigen waren gewapend met puntige hamers, maliekolven en oude wapens, anderen met werpspietsen en slagzwaarden. Bij dezen voegde zich een corps muitelingen, ongeveer 4000 man sterk, op dezelfde manier uitgerust....

“De Prins van Oranje, over deze plotselinge beweging ontzet, riep de acht compagnieën katholieke soldaten en achtenswaardige burgers, die hij in de maand September had ingeschreven, te zamen. Hij liet deze in het stadhuis en op plaatsen aan de markt grenzende, postvatten, ten einde de muitzieken en de hervormden, die samenspanden om de stad te plunderen, in bedwang te houden. Daarop ging hij, vergezeld door Hoogstraten en van Straalen, burgemeester van Antwerpen, naar de Place de Meir om te weten te komen, wat die woeste menigte verlangde.

“Ze werden met beleedigingen begroet. Oranje werd een vuile verrader genoemd, een dienaar van den Paus, een beambte van den Anti-Christ. Met dergelijke liefelijke woorden zooals de Hugenoten gewoon waren naar hun vijanden te slingeren, werd de Prins overvallen. Daarop begonnen zij als krankzinnigen te roepen, dat zij den dood van hun gesneuvelde broeders, die door de Katholieken zoo wreed waren gemassacreerd, wilden wreken en bevalen den Prins gebiedend, dat hij de poorten moest openen of anders zouden zij ze afbreken. Toen hij daarmede langer wachtte, dan hun beviel, ijlden ze naar de naastbijzijnde poorten, maakten ze met hun maliekolven open, ten einde hun plan te gaan uitvoeren, geen acht slaande op de waarschuwing van den Prins, dat ze niet in staat waren met goed toegeruste soldaten te vechten en dat Toulouse en zijn troepen, die voor hun oogen waren vernietigd, hun tot waarschuwing konden dienen. Eindelijk ziende, dat zijn vermaning niets uitwerkte, keerde de Prins naar de Place de Meir terug.

“Nu moet men niet vergeten dat Beauvoir, vóór de nederlaag van Toulouse, gewaarschuwd was, dat de Antwerpsche sektarissen zich verzamelden om hem aan te vallen... Daarom beval hij al de gevangenen ter dood te brengen ten getale van ongeveer 300, uit vrees, dat deze hem soms een poets zouden spelen. Dat was zeker een zeer onmenschelijke daad, maar misschien op dat oogenblik een militaire noodzakelijkheid. Daarop trok hij naar de stad, vast besloten de Evangelische muiters, die zich wilden wreken op den dood hunner kameraads, te straffen... Toen deze echter Beauvoir met zijn overwinnende troepen, die de lucht vervulden met de geluiden van krijgstrompet en trommelslag, zagen naderen, was hun drift bekoeld en kalm gingen ze naar de Place de Meir, om den raad van den Prins van Oranje op te volgen, dien ze daareven zoo verachtelijk hadden verworpen.

“Beauvoir bleef eenigen tijd in slagorde op hen wachten, maar toen hij zag, dat ze niet het minste verlangen hadden, zijn uitdaging te beantwoorden, plaatste hij de standaards van den ongelukkigen Toulouse tot een bespotting op den hoek van de haven, liet die daar een poos staan en ging toen, met roem overdekt en met buit beladen, met zijn soldaten naar Brussel.

“Het scheen, alsof de Calvinisten van spijt zouden barsten, want ze zwoeren, dat de Antwerpsche papisten niet lang over hun ongeluk zouden lachen. Den nacht bracht de menigte gewapend op de Place de Meir door, onophoudelijk roepende: “Vivent les gueux.” Vroeg in den ochtend haalden ze 17 stukken geschut uit het arsenaal, want ze vertrouwden de magistraat niet en daarop gingen ze als waanzinnigen van kerk tot kerk, van klooster tot klooster, plunderend en roovend al wat zij vonden, terwijl ze priesters en geestelijken, vooral de Minoriten, die in slechten dunk stonden, kwalijk bejegenden. Daarop stonden ze gereed de rijke woningen te gaan plunderen, met het plan allen, die niet tot hun geloof behoorden, te verjagen en de stad onder hun macht te brengen.

“Ze haatten de Lutherschen nog meer dan de Katholieken; die noemden ze “halve-papisten,” “erger dan papisten” en ze wilden geen woord ten gunste van de Anabaptisten hooren, hoewel zij (altijd volgens Pontus Payen) kinderen van den duivel waren niet minder dan deze.

“Waarschijnlijk zouden ze geslaagd zijn in hun verderfelijke oogmerken, als de Prins van Oranje dit niet door zijn voorzichtige zorg had voorkomen. Hij, die de bloeddorstige natuur der Calvinisten haatte, besloot hun stoutheid met sterke hand te keeren. Hij nam daarom de voornaamste Spaansche, Italiaansche, Engelsche en Duitsche kooplieden in vertrouwen en ook de dekens van alle gilden, die niet tot de opstandelingen behoorden. Daarop verzamelde hij de gewapende Katholieken en Lutheranen; hij overreedde hen een verbond te sluiten en tezamen pogingen in het werk te stellen om de buitensporigheden van die sektarissen te beteugelen, die geboren schenen, om de wereld in beroering en alles in wanorde en verwarring te brengen.

De Lutherschen waren daartoe volkomen bereid. Ze hadden dikwijls van te voren zulk een verbond aan de Katholieken voorgesteld, met wie ze in goede verstandhouding gedurende de troebelen geleefd hadden. De Prins beval toen, dat de groote klok geluid werd en op een andere marktplaats, geheel afgezonderd van de Place de Meir, verzamelden zich de Katholieken en Lutheranen. Deze bestonden enkel uit deftige lieden, rijke kooplui en achtenswaardige burgers, terwijl de anderen slechts uit schorriemorrie bestonden, voor ’t grootste deel vreemdelingen, vluchtelingen, bankroetiers en minder volk, aangevoerd door een ellendigen galgevogel, met name Hermans.

“Zeker, er waren ook in de stad vele rijke kooplieden, die den godsdienst van Calvijn beleden, doch die vermengden zich niet openlijk met het gepeupel, al ondersteunden zij ze misschien in het geheim. Er bestond dus gelegenheid, de stad van slecht bloed te zuiveren, maar de Calvinisten, de ongelijkheid van den strijd erkennende, zonden hunne predikanten naar den Prins, om voorwaarden te maken en ze boden aan, zich aan zijn besluiten te onderwerpen. Oranje willigde dit in en bedaarde den toorn der Katholieken en Lutheranen, die er eindelijk in toestemden het verbond te teekenen, dat de Prins met de Consistories had gemaakt en die beloofden, zich aan den inhoud daarvan te houden. Zoo werd het oproer zonder bloedvergieten gestild, geheel tegen de algemeene verwachting in.

“De Prins wordt om dit optreden door velen hoogelijk geprezen; men gaat zelfs zoover, dat men hem alle eer geeft, de stad tegen plundering en bloedvergietendoor zijne tegenwoordigheid te hebben bewaard. Men beweert, dat door hem het leven der Katholieken is gespaard, die zonder de tijdelijke hulp der Lutheranen in het uiterste gevaar zouden verkeerd hebben.

“Wat mij aangaat, (zoo eindigt de katholieke royalistische schrijver), ik zou niet gaarne de eer, die den Prins in die zaak toekomt, ontkennen; maar toch komt het mij voor, dat de Calvinisten meer reden van dankbaarheid hadden, dan de Katholieken en de Lutheranen; want het Compromis dat hij maakte, was geheel in het voordeel van de zwakste partij, die op het punt stond voor haar heiligschennis en diefstallen, die ze begaan hadden, een waardige straf te ontvangen.”

Ziedaar het verhaal, verteld door een katholiek schrijver, die bijna tijdgenoot dier gebeurtenis was, doch die Margareta doet voorkomen als een voorbeeldige regentes, wie de belangen harer kerk bovenal ter harte gingen. Natuurlijk moet dus dit verhaal als zoodanig beoordeeld worden.

De overeenkomst, waartoe de verschillende sekten zich verbonden, was de volgende: De stadssleutels bleven in de handen van den Prins en van Hoogstraten. Burgers en soldaten samen moesten verantwoordelijk blijven voor den algemeenen vrede; de burgers benoemden de kapiteins, wier keuze door den Prins moest worden goedgekeurd; 1200 burgers moesten de poorten bewaken en de stad werd in districten verdeeld. Binnen de wallen kon de overheid geen gewapend volk toestaan, noch eenig soort van garnizoen, zonder toestemming der gemeente. De burgers moesten den eed afleggen aan den koning, de stad en het volk, met behoud der privileges, inzonderheid van dat der Joyeuse entrée. Het verdrag van 1566, betreffende de beide godsdiensten, bleef onaangetast.

De eerste vorm van deze overkomst werd door het volk niet aangenomen. Op den volgenden dag kwamen er vijftien additioneele artikelen bij, o.a. bepalende, dat de conventie van den 27enmoest worden in stand gehouden, totdat de koning en de staten het punt van den godsdienst hadden toegestaan. De stadssleutels moesten onmiddellijk aan Oranje en Hoogstraten gegeven worden, die, indien ze het noodzakelijk achtten, 400 ruiters mochten lichten en gewapende schepen in de Schelde konden opstellen. Al de inwoners zonder uitzondering moesten bijdragen aan de uitgaven, die de algemeene verdediging eischten; op de bolwerken zouden kanonnen worden geplaatst en de gouverneurs moesten het geschut controleeren. Op den 15enMaart stemden de Calvinisten er in toe, deze artikelen te onderteekenen.

Er is geen twijfel aan, of door deze conventie werd een bloedbad voorkomen, zoo vreeselijk als Parijs ooit gezien heeft; de stad werd door het vergelijk beveiligd en tot rust gebracht en aan Oranje komt ten volle de eer van deze heilrijke uitkomst toe. Hij bewees op dat gespannen oogenblik, te midden van tallooze sekten, die elkander ten bloede toe haatten, een staatsman van groote wijsheid te zijn. Men moge terecht zijn weifelen en zijn besluiteloosheid in 1566 en 1567 betreuren; te midden van zulk een oproerige stad, waar de meest booze plannen werden gekoesterd, de rust hersteld te hebben, is het beste pleidooi voor zijn helder inzicht, ik zeg niet in den tijdgeest, maar in de eischen van het oogenblik. En die geest van staatsmanswijsheid is hem ook later, toen hij gelouterd inhet land wederkeerde, bijgebleven en toen aan het gansche land, gelijk thans Antwerpen, ten goede gekomen. Oranje moet den dood van Toulouse, den jongen geleerde en van zijn 3000 man, diep betreurd hebben, maar hij behield zijne kalmte en bestuurde te midden van de gevaarlijkste samenscholingen met den besten uitslag de oproerige stad.

Op den morgen van den 15enMaart werden de troepen, door de stad geworven, op de Place de Meir verzameld. Oranje, Hoogstraten, de stedelijke overheid en een honderdtal ruiters reden naar de markt, allen met roode sjerpen om hun wapenrusting, het embleem door hen, die de orde wilden handhaven, aangenomen.

De menigte Calvinisten stond met toornige blikken aan het eene eind van de plaats. Oranje beval, dat de artikels van het vergelijk overluid zouden worden gelezen en toen hield hij een korte toespraak, waarin hij, met het noodlottig voorbeeld van Toulouse en zijn ongeoefende vrijwilligers tegenover ervaren soldaten voor oogen, het volk waarschuwde tegen het garnizoen, dat onder het gezag der stad stond, om toch geen ijdele pogingen aan te wenden, nog meer concessies te verkrijgen. Hij eindigde zijn toespraak met de woorden: “Leve de koning!” Na een oogenblik stilzwijgen herhaalde de menigte dien kreet en de rust was hersteld.

Twee weken was het bijna geleden, sedert Margareta den Prins om vernieuwing van den eed van getrouwheid had gevraagd en een weigerend antwoord van hem had ontvangen, terwijl hij afstand deed van al zijn bedieningen. Hij was echter niet van zijn dienst ontheven, zoodat hij, overeenkomstig het officieel gebruik, nog gebonden was, toe te zien, dat de dienst volgens den wil des konings vervuld werd.

Wat hij zou gedaan hebben, als Toulouse, in plaats van Beauvoir, overwinnaar was geweest, kan niet worden bepaald. Maar in den staat van zaken, zooals die op het oogenblik was, stelde hij zijn verplichting tegenover Filips hooger, dan het feit, dat hij reeds afstand had gedaan, hetgeen zeker op dat oogenblik het beste was, dat hij kon doen. De Landvoogdes, wel verplicht den Prins te prijzen met zijn succesvol optreden, was toch ontevreden met het resultaat en zij meende dat Oranje voor het volk had ondergedaan. Haar goed- of afkeuring was echter een zaak van de grootste onverschilligheid voor hem.

Aan een Duitsch vorst, waarschijnlijk Willem van Hessen schreef hij den 17enMaart het verhaal over het voorgevallene te Antwerpen. Hij vermeldt in dien brief, dat het alleen met de grootste inspanning en met gevaar voor zijn leven gelukt is de Calvinisten te overmeesteren en de eer der stad te handhaven. Veel dank zal hij er niet mee inoogsten, dat begrijpt hij, maar “God en alle eerlijke lieden zullen onze daden erkennen.”

Ook zegt de Prins nog in hetzelfde schrijven, dat hij reden heeft God te danken, nu hij aan zulk een groot gevaar is ontkomen en dat hij zich zelf door de genade Gods kan beschouwen als een nieuw geborene. Hoe hij geheel gered zal worden, weet hij nog niet, maar op God en op de gebeden zijner vrienden vertrouwt hij.

Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)

Oranje bedwingt de Antwerpsche burgerij. Maart 1567. (Bladz. 141.)

Zonder twijfel hebben wij het recht deze woorden aan te merken als een uiting van het ontwaakte religieuse leven van den Prins, want ook elders laat hijniet na den naam van God te noemen en zich en de zijnen in zijn hoede aan te bevelen. De angstige dagen in Antwerpen doorleefd, schijnen zijn hart te hebben geopend voor het godsdienstig gevoel, dat zich hier in innige dankbaarheid, diepe afhankelijkheid en hartelijk vertrouwen uit.

Zijn besluit om het land te verlaten had hij reeds vroeger genomen, maar thans besefte hij ten volle, dat hij weg moest gaan en aan Willem van Hessen schrijft hij dan ook, hoe onmogelijk het voor hem was na Alva’s komst te blijven.

Hoewel Margareta, zooals we zagen, lang niet voldaan was met Oranje, verzuimde zij toch niet, pogingen in het werk te stellen, hem in de Nederlanden te houden.

Ze zond nog eenmaal haar secretaris Berty met het voorstel, indien hij bleef weigeren, den nieuwen eed af te leggen, een samenkomst te hebben met zijn vroegere medeleden van den Raad van State, zooals Aerschot, Barlaimont, Egmond en Mansfelt. Deze samenkomst had wel plaats te Willebroek bij Mechelen met Egmond en Mansfelt, doch succes had deze bespreking niet. De Prins bleef bij zijn wensch, te worden ontlast van al zijn ambten en bedieningen, zoowel van die welke de Koning, als van die welke de Landvoogdes hem had opgedragen. Hij wilde zich eerst naar Breda, dan naar Duitschland terugtrekken en beloofde de nederige vazal van den koning te blijven.

Margareta zegt in haar brief aan Filips, dat ze aan zijn laatste verklaring niet veel waarde hecht.

Het was de laatste maal, dat Oranje en Egmond samen waren. Een Calvinist, die zich in den schoorsteen van de audiëntiezaal had verborgen, deelde omtrent deze ontmoeting het volgende mede: Toen alles van weerszijden was gezegd en de graaf volhardde bij zijn voornemen, zijn lot met dat van zijn land te blijven deelen en de Prins vast bij zijn besluit bleef, het Nederlandsche stof van zijn voeten af te schudden, zei de eerste: “Vaarwel, Prins zonder Staten!” en Oranje antwoordde: “Vaarwel, graaf zonder hoofd!”, waarop ze elkander omhelsden en vertrokken. Een ander verhaalt, dat Oranje zou gezegd hebben: “Mijn neef, de Spanjaarden zullen de Nederlanden binnentreden, maar ik verzeker u, uw hoofd zal hun tot brug dienen.”

Hoewel deze berichten geen geschiedkundigen grondslag hebben, stemmen alle schrijvers toe, dat Oranje en Egmond elkander omhelsden en droevig scheidden.

Zeker heeft nooit een verrader en—van het Spaansche gezichtspunt uit was Oranje dit ongetwijfeld—met dergelijke overwegingen als Willem van Nassau het land verlaten, dat hij besloten had uit de macht van een tiran te bevrijden. De edelen vertrokken dienzelfden dag na het middagmaal en Oranje keerde naar Antwerpen terug om de laatste, voorbereidende maatregelen te nemen, voor hij de gewesten verliet. In de Brabants hoofdstad echter durfde hij den voet niet zetten.

Op den 10enApril schreef hij aan Filips een brief, waarin de Prins zijn optreden in Antwerpen en Holland rechtvaardigt; hij deelt den koning mede, hoe hij in de eerstgenoemde stad bij zijn terugkeer het oproer heeft bedwongen.

Wat den eed aangaat, waarover de hertogin van Parma hem heeft geschreven,deelt de Prins den koning zelf mede, dat hij dien geweigerd heeft af te leggen, reden waarom hij zijn ambten en bedieningen nederlegt. Hij eindigt met de verzekering zijner trouw, loyauteit en gehoorzaamheid aan den koning.

Mocht iemand de herhaalde getuigenis van zijn trouw en loyauteit aan den koning overdreven vinden, hij bedenke, dat de briefstijl dergelijke uitingen eischte, waardoor alleen een plichtmatige vorm werd nagekomen. Nemen we dat in aanmerking, dan is er geen eerlijker overgang van loyauteit tot rebellie denkbaar dan die, waarvan deze brief getuigenis geeft. Zelfs de 50.000 florijnen, die de Staten van Holland hem wilden vereeren als een geschenk voor het dempen van het oproer, weigerde hij, hoe goed hem dat geld ook bij al zijn schulden zou te pas gekomen zijn. Aan Filips schrijft Oranje, dat hij den nieuwen eed uit beginsel niet kan afleggen en daarom van de Staten van Holland het geschenk niet wil aanvaarden voor zijn persoonlijk gebruik, daar hij eerstdaags geen stadhouder meer zal wezen.

Het vertrek van den Prins wordt op verschillende wijzen uitgelegd. Zelfs beweert men, dat hij na den slag bij Austruweel en onder den indruk van de jongste berichten van Lodewijk van Nassau, nu er op geenerlei hulp uit Duitschland te rekenen viel, erover gedacht heeft zich met den koning van Spanje te verzoenen en dat nog wel door middel van Granvelle. ’t Is waarlijk nog al eigenaardig, dat men dit van hem beweert en men moet den Zwijger al erg naïef vinden, wanneer men meent, dat deze verzoening, stel het geval, kon bereikt worden door tusschenkomst van den man, die zijn gansche vernedering aan den Prins had te wijten. Die geheele verzoening echter was een fictie, want wat zou anders de herhaalde weigering van den eed af te leggen, beteekend hebben.

Ook zegt men, dat de Prins vluchtte uit vrees. Dat hij van nature bang was wordt echter evenmin door iets bevestigd. Van angstvalligheid was toch zeker geen sprake in Antwerpen van 14–16 Maart! Zijn vlucht was integendeel het gevolg van een lang beraamd plan, dat hij slechts noode vervulde en waartoe hij eerst, door de omstandigheden gedrongen, overging.

Bevreemdend blijft alleen het slot van zijn brief aan den koning, want Oranje wist zeer goed, dat hij in Duitschland gevlucht, niet de trouwe gehoorzame vazal des konings zou kunnen blijven. En toch beweert hij, dat hij met Gods hulp in trouw en gehoorzaamheid hoopte te volharden, zoodat Z. M. er ten volle mee tevreden zou zijn.

Men moet echter niet vergeten, dat hij nog geruimen tijd ook na zijn terugkeer in het land is blijven voortgaan, in naam des konings op te treden en dat zijn opstand tegen de Spaansche macht alleen bedoelde vrijmaking van het geweld, waarmede hij zelfs den kwaad ingelichten vorst een dienst hoopte te bewijzen tot het behoud van zijne Nederlanden. De gedachte daaraan kon ons nog meer dan de briefstijl en de vorm verzoenen met Oranje’s krachtige betuiging van trouw en loyauteit in dien laatsten brief voor zijn vertrek aan Filips II.

Den 11enApril verliet de Prins Antwerpen en ging naar Breda, met het plan, ook die stad zoo spoedig mogelijk, na orde op zijn zaken gesteld te hebben, te verlaten. Tien à elf dagen vertoefde hij er nog, wel een bewijs, dat angst niethet motief was van zijn vlucht. Wat daar gedurende dien tijd plaats had, is onvolledig bekend. Aangaande een paar zaken zijn we slechts met zekerheid ingelicht. Hij ondervond allereerst van den kant zijner vrouw een hoogst onaangenaam verzet tegen het vertrek naar Duitschland.

Anna’s kleine, onbeduidende, zelfzuchtige natuur was de oorzaak, dat ze de betrekking, waarin haar echtgenoot tot zijn vorst stond niet kon begrijpen. Zij was zeker Protestant, maar ze vond het in het geheel niet noodzakelijk voor haar man, de zaak van een onbeduidend volk te omhelzen, zoodat hij verplicht werd, zijn positie, zoo hoog in rang en macht, te verlaten en zijn privaat eigendom in de waagschaal te stellen door met een jongeren broeder op een ver afgelegen, geïsoleerd Duitsch kasteel de toevlucht te nemen, ver verwijderd van alle gemakken, die in Brabant te verkrijgen waren. De zaken zouden allen terecht komen als hij slechts een weinig diplomatie wilde gebruiken, meende Anna, en onverdragelijk was het haar, zoo uit haar huis te worden weggerukt.

Niets is ongerijmder dan de meening, alsof Anna den Prins tot die verhuizing had aangezet of eenig deel aan den opstand had genomen door mede te Spa of elders met de verbondenen te onderhandelen. Anna knorde en gromde alleen; ze had in ’t minst geen denkbeeld van de plichten van haar gemaal en maakte de laatste dagen van zijn verblijf in Breda, door haar zelfzuchtigen tegenstand, voor Oranje nog onaangenamer.

Uit Breda schreef de Prins afscheidsbrieven aan Egmond en Hoorne en ook aan den graaf van Bergen in Madrid. De beide eerste brieven waren in het latijn. Het zijn antwoorden op de laatste pogingen der beide graven, om hem in het land te houden. Waarom hij de deftige Latijnsche taal koos, om aan zijne weigering uiting te geven, is onbekend; maar ’t schijnt een stijf en vreemd middel van communicatie tusschen mannen, die aan dagelijkschen familiaren omgang gewoon waren.

Ook aan Egmond herhaalde hij, dat, wat hem ook verplichtte het land te verlaten, hij niet ophield Filips’ getrouwe vazal te blijven. De brief aan Hoorne is vrijer van toon en krasser in uitdrukkingen omtrent het kwaad door Filips aan de Nederlanden bedreven. Bovendien viel de Spaansche honig, waarvoor Filips van Hessen nog op zijn sterfbed had gewaarschuwd, niet in zijn smaak.

Den 22enApril ging de Prins op reis uit Breda, eerst naar Grave, van daar naar Kleef en toen naar Dillenburg. Ofschoon hij openlijk alle toebereidselen had genomen om het land te verlaten en er nog dagen verliepen, voor hij uit Breda vertrok, wordt toch voorgesteld, dat alleen lafhartigheid oorzaak was van de groote haast waarmede hij naar Dillenburg vertrok. Te Kleef vereenigden zich zijn echtgenoote en hofhouding met hem, terwijl tal van geestverwanten hem volgden.

Aan Margareta werd gemeld, dat een derde deel van de inwoners van ’s Hertogenbosch naar Kleef ging.

“Een groote menigte Brabanders en Walen ging voorbij Delfzijl naar Emden; armen en rijken, vrouwen en kinderen,” zoo schreef men den 5enMei aan Aremberg en deze berichtte den 9enJuni aan Margareta: “Mevrouw, ik heb vernomen, dat de voornaamste beeldstormers en oproermakers met tal van Brabanders, Hollanders en anderen dagelijks vluchtende zijn naar Emden.”

Bossu, die in plaats van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd was, werd een maand later ingelicht omtrent het feit, dat Emden boordevol vluchtelingen was, dat er in het huis van een bakker alleen dertig waren en er dagelijks nieuwe aankwamen.

Voor Oranje Breda had verlaten, had hij zijn zoon Filips Willem, die in Leuven studeerde, daar ontboden, om hem vóór zijn vertrek nog eenmaal te zien; het verbaasde hem bij die gelegenheid, dat de zaken al zóó ver gekomen waren, dat de vader zonder suspicie den zoon niet eens kon zien en spreken.

Wij, die het lot van dien zoon kennen en die weten, hoe Filips Willem, door Alva opgelicht, zijn gansche leven bijna in Spanje heeft moeten doorbrengen, verbazen ons nog meer, dat de Prins hem te Leuven liet. Misschien wenschte Oranje, door hem in het land te houden, eenig vertrouwen in Filips te toonen voor het geval de zaken veranderden, te meer omdat hij ontwijfelbaar geloofde in het heiligdom van den neutralen grond der Universiteit, niet kunnende vermoeden, dat die zelfs door de wreede hand van Alva zou worden geschonden.

Zijn dertienjarige dochter, die aan het hof van Margareta was en zeer door haar geliefd werd, duldde hij niet langer in het land, dat hij zelf ging verlaten; ook Juliana van Stolberg vond de aanwezigheid van Willems dochter daar aan het hof minder gewenscht en achtte het veel beter, dat Marie in Dillenburg kwam onder hare leiding.

Oranje schreef, dat zijn moeder verlangde haar kleindochter te zien en daarop ontving hij het volgend briefje van Margareta, dat ook om andere redenen hier in zijn geheel wordt vermeld.

Mijn neef,Uit uw brief van den 22endezer maand heb ik gezien, dat gij nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland, waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken, die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt, de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning, mijn heer, te blijven.Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet, dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens, om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat MlleOranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier waart en in uw zaken zalik niet minder belangstellen, dan ik gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen, een aangename reis en alle geluk moge geven.Uit Antwerpen den laatsten April 1567.

Mijn neef,

Uit uw brief van den 22endezer maand heb ik gezien, dat gij nu eindelijk besloten zijt tot die reis naar Duitschland, waarop gij reeds lang geleden plan hadt, ter wille van zaken, die u en uwe verwanten en vrienden betreffen; waarin gij ook de belofte doet, om, waar gij u ook bevinden moogt, de nederige en getrouwe dienaar en vazal van den koning, mijn heer, te blijven.

Ik twijfel dan ook niet, of die belofte oprecht is, te meer daar ik Uwe groote en goede hoedanigheden ken en gij weet, dat ge te doen hebt met een vorst, die u altijd liefde en goeden wil toedroeg. Ook dank ik U voor Uwe goede voornemens, om mij altijd genegen te zijn, waar gij ook zijt en verzeker u dat ik u, in alle opzichten vriendschap, hulp en genoegen zal blijven doen, daar ik u steeds als mijn zoon heb liefgehad. Wat MlleOranje aangaat, haar heb ik steeds bemind als mijn eigen kind. Maar gelijk gij zegt: Mevrouw uw moeder wenschte haar voor haar dood te zien; reden genoeg, waarom zij moet gaan, om haar vaarwel te zeggen. Begeert ze bij mij terug te keeren, ze zal mijn liefde onverminderd vinden. Gedurende uw afwezigheid zal ik Uw dienaars en ambtenaars behandelen, alsof gij hier waart en in uw zaken zalik niet minder belangstellen, dan ik gedaan heb. Ik bid den Schepper, dat Hij u goede raadgevingen, een aangename reis en alle geluk moge geven.

Uit Antwerpen den laatsten April 1567.

Het bleek later zeer gelukkig te zijn, dat Marie bij haar grootmoeder was gekomen, want in 1570 verscheen een gerechtsdienaar met een bevel van Alva om haar op te vorderen! Keerde ze niet terug, dan zouden haar goederen worden verbeurd verklaard.

Het is begrijpelijk, dat deze eigenaardige opvordering geen succes had en Marie rustig bij haar grootmoeder bleef en ook, dat de latere vorstin van Hohenlohe haar grootmoeder altijd dankbaar bleef voor haar redding uit Spaansche handen.

Aldus eindigde het tweede hoofdstuk van Willems leven. Den dag nadat hij Breda verliet, had hij zijn 34ejaar voleindigd. Zijn leerjaren als vredelievend staatsman waren voorbij. Nu stond hij geheel op eigen voeten. Zijn familie, zijn vrienden, het land verwachtten nu van hem een opbouwende politiek, die grooter lasten van verantwoordelijkheid op zijn schouders zou leggen, dan de gehoorzaamheid aan de bevelen van een verwijderd vorst.

Hoofdstuk XI.De uitgeweken Prins. 1567.Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen, want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van Filips II, die tevens Oranje’s spion was, hem mede, dat hij een brief van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving, den Prins aanstonds gevangen te nemen enzijn rechterlijk verhoor niet langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan, zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels en waardigheden.Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude, Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en eerste persoon en die zekergeen aangename bezoekster was onder de tegenwoordige lastige omstandigheden.Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak zij van den Prins, “die maar altijd andere menschen liet voorgaan en nooit zijn eigen rechten deed gelden.” Toen het plan doorging, het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau’s bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden, waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.Op den 11enMei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis, om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21enMei zond de Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten; Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand bijzondere gunst te toonen.Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept; Filipszou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13enJuni dankte deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien, wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.Van denzelfden 13enJuni dagteekent een andere brief van den Prins aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van den volgenden inhoud: “Wij zouden van ganscher harte begeeren tot sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een zekere Nicolaas Zell woont, die enz.”Wij herhalen:die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen ontwikkelingsgang van den Prins.Tot nu toe zagen we niet veel van het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon verhelderen.Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg; de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de waarheid der Luthersche dogmata.Eene zitting van den Bloedraad.Eene zitting van den Bloedraad.Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland werdontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief, die uitnoodiging behelzende, was op den 9enJuli 1567 geschreven en werd op den 22envan dezelfde maand door den Prins beantwoord. De alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning, toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst, die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning van Spanje.De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht van Filips om alle onbeschaamde eischen van “dat beest, dat men het volk noemt” eens voor al te weerstaan.Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips’ duistere plannen werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor Filips’ ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders, de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het ontheiligde Antwerpen had hersteld.Toen Alva’s komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies; maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op nadere orders te laten wachten.Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid aan Filips terug te brengen. “Ik heb wel een volk van ijzer getemd, zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?” zoo sprak hij op verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden, voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man, in drie afdeelingen verdeeld.Op zijn weg uit Italië had de hertog ook Genève, het broeinest van het Calvinisme, in het voorbijgaan willen verwoesten, doch door de diplomatiekezorgen van Condé en Coligny had dit wreede plan niet kunnen vervuld worden. In Augustus kwam hij in Luxemburg aan, waar hij begroet werd door Barlaimont en Noircarmes, die hem in naam der regentes welkom heetten. Graaf Egmond reed hem zelfs tot Tirlemont tegemoet en bood hem als welkomstgeschenk eenige schoone paarden aan. De ontvangst echter was, trots dat geschenk, niet zeer hartelijk. Alva had Egmond nooit de overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen vergeven. Toen hij den “Prins van Gavere”1zag, zeide hij zoo luid, dat Egmond het kon verstaan: “Ziedaar de groote ketter!” Dit voorspelde den graaf weinig goeds, die alles van zijn loyauteit verwachtte. Een oogenblik later veranderde de hertog van toon en deed hij, alsof hij dat woord in scherts had gesproken. Hij werd plotseling hartelijker, sloeg den arm om zijn hals—den hals, dien hij reeds den beul had gewijd!Op den weg naar Brussel, trok de aanstaande nieuwe Landvoogd door Leuven, waar Filips Willem, Graaf van Buren, de oudste zoon van Oranje, zijne studiën voortzette. Henry de Wiltberg, voogd van den jongen graaf, schreef aan den Prins, dat zijn zoon den hertog in een huis bij zijn woning, het College van Savoye, zag voorbijgaan en dat hij naar buiten ging, om zijn hand te kussen en dat ze hem toen zagen met Barlaimont en Aremberg.De graaf van Buren werd goed ontvangen en door den hertog met liefkoozingen overladen. De jongen werd geheel en al door den ouden krijgsheld betooverd; hij toonde hem groote hartelijkheid en noodigde hem tot een nadere samenkomst op den volgenden dag. Toen de jonge graaf afscheid van hem nam, omhelsde de hertog hem en overlaadde hem met vriendelijkheid. Wiltberg voegt er bij, dat hij had gehoord, dat de groot-prior van St. Jan, een bastaardzoon van Alva, een paard noodig had en hij stelt aan den Prins voor, om door middel van Filips Willem aan dien prior een paard ten geschenke te doen geven.Verschillende gewaarwordingen maakten zich van de Landvoogdes meester, daar ze niet wist, hoe ze den man zou ontmoeten, door wiens komst zij zich in het diepst harer ziel beleedigd achtte. Drie dagen na zijn aankomst stond ze hem toe, haar zijn hulde te komen aanbieden. Ze ontving hem in haar slaapkamer, waar ze hem staande, in gezelschap van Barlaimont, Aerschot en Egmond ontving. Niemand van hen deed een stap voorwaarts, om den hertog te gemoet te treden. De samenkomst duurde een uur, maar het geheele gezelschap bleef trotsch en stijf tegenover elkander staan. De hertog schreef aan Filips, dat hij de hertogin als een koningin behandeld had, maar waarschijnlijk lag er achter zijn bestudeerde Castiliaansche beleefdheid een kwalijk verborgene onbeschaamdheid, die Margareta moeilijk kon breken.Na de aankomst van den hertog van Alva in Brabant, werd de Prinses van Oranje steeds meer verlangend naar Breda terug te gaan om voor haar bezittingen te zorgen, die ze meende, dat door de Spanjaarden zouden genomen worden. Na tevergeefs haar echtgenoot daarom verzocht te hebben, schreef ze aan haar oom,den Keurvorst van Saksen, dat het te Dillenburg niet om uit te houden was en dat ze van de plaats weg moest. Ze drong daarop zoo sterk aan, dat Oranje, twijfelende aan zijn eigen argumenten, een bijzonder gezant, een zekeren Volbrecht Riedsel naar Dresden zond, om met Augustus te raadplegen, wat men het best zou doen.De instructies van dien gezant zijn in het Dresdensch archief bewaard en waren de volgende: Anna had voortdurend gevraagd, dat het haar zou worden toegestaan uit de Nederlanden van daan te gaan “omdat zij niet langer haar verblijf kon houden bij zulk een goddeloos en trouweloos volk.” Nu wenschte ze juist met aandrang naar de Nederlanden terug, alhoewel ze daarmede niet alleen zich zelf maar ook het leven van haar nog ongeboren kind in de waagschaal stellen zou. Hij verbood haar terugkeer om haar aanstaande bevalling, teneinde het vermoeden te voorkomen, alsof hij of zijn broeder haar slecht behandelden en ook ter wille van den godsdienst, daar zij òf op de haastige reis haar eigen geloof moest belijden òf gevaar zou loopen, bevreesd te worden gemaakt, met het gevolg dat zij zich een aanhangster verklaarde van het Roomsche geloof.“Inderdaad hebben we voor eenigen tijd bij uw nicht, niet zonder diepen angst, een onzekerheid in godsdienstige zaken opgemerkt; ja zij geeft weinig acht op godsdienstig leven en onderwijs. Zelfs praat zij nu en dan op schandelijke manier over Gods woord. Ook moet ik in aanmerking nemen, dat uw pupil van de ware kennis van Christus zou kunnen worden afgetrokken tot paapsche gruwelen of andere dwalingen, die pijnlijk voor u en van dien aard zouden zijn, dat ze mijn leven zeer ellendig zouden maken en een slecht voorbeeld voor velen zouden wezen.”Behalve de genoemde redenen, voegde de Prins er bij, dat hij geen twee huishoudens kon bekostigen. In antwoord op dien brief, verzekerde Augustus aan den Prins, dat hij het volkomen met hem eens was en raadde zijn nicht aan, geduld te oefenen.Op den 14enSeptember werd Maurits geboren; de doop van dat kind had volgens Luthersche gebruiken plaats. Deze Maurits was dus de eerste van Oranje’s kinderen, die met de Protestantsche zaak van huis uit een was. Hoe dit ook op zich zelf voor de Nassausche familie een stof van vreugde was, wat de Prins zelf van de moeder van dat kind in de volgende jaren te lijden gehad heeft, is met geen pen te beschrijven. Wij komen daarop nader in bijzonderheden terug, doch vestigen allereerst, om de tegenstelling des te dieper te beseffen, op Oranje zelf het oog, gelijk hij uit Dillenburg den strijd ging aanvaardenvoor de wet, het volk en den koning.In Augustus 1567 werd de Prins door zijn vriend, den burgemeester van Antwerpen, van Straalen, die zijn rechterhand was geweest in de onrustige dagen, welke de Scheldestad had beleefd, omtrent Alva’s komst in het land ingelicht. Oranje, wiens eerste zorg reeds in 1559 was geweest, vreemd krijgsvolk te weren, zal wel niet door die tijding verrast zijn, maar toch moet ze hem diep hebben getroffen.Dit was echter maar een voorbode van vreeselijker tijdingen. Weinig dagen nade verraderlijke gevangenneming van Egmond en Hoorne, gevolgd door die van den daareven vermelden Antonie van Straalen, werd ook de tijding daarvan in Duitschland verspreid en bracht geheel Europa in rep en roer. Het bracht grooten angst in de gemoederen. De Duitsche echtgenoote van Egmond, Sabina van Beieren, bewoog in haar vaderland hemel en aarde, om op de vrijspraak van haar man aan te dringen en ook de Prins zelf dacht niet alleen aan zijn eigen veiligheid, maar was ook in Duitschland in het belang zijner oude vrienden werkzaam. Hij beval zelfs den hertog van Brunswijk, die met Alva in briefwisseling was en van wien wij vroeger zagen, dat hij de Spaansche zaak was toegedaan, levendig de belangen der beide graven aan. Zoo verliep het najaar in angstige spanning en uit den langen brief, dien de Prins in December als antwoord op een schrijven van den keurvorst van Saksen uit Dillenburg verzond, blijkt, hoe allengs bij Oranje het zekere bewustzijn ontwaakte, dat geweld met geweld moest worden beantwoord. De keurvorst had hem, in een omslachtigen brief, nog den raad gegeven, een algeheele breuk met Filips te vermijden. Maar de Prins was overtuigd van het tegendeel. De koning van Spanje was zoover gegaan, dat gewapende tegenstand niet alleen te rechtvaardigen, maar noodzakelijk was en dat niet slechts in het belang der Nederlanden, maar evenzeer in het belang van Duitschland. Hij vroeg hem dus om hulp.De Prins had dan ook in diezelfde maand December een aangrijpend schrijven ontvangen van C. V. Coornhert die, evenals zijn broeders Dirk en Frans, een ijverig aanhanger was van de zaak der Nederlandsche vrijheid en der hervorming. Deze Coornhert behoorde tot de tallooze vluchtelingen, die naar Emden ontkomen waren. Omtrent den toestand van den handel der Nederlanden gaf hij den Prins een diep mistroostige beschrijving; hij zou zelfs wenschen, dat de handel van de Nederlanden naar Emden verplaatst werd.“Ick en weete Uwer Excell. verders niet nieus te scriven, dan dat alhier groote benautheijt is onder de Coopluyden en allen gevluchten; konne wel peysen, dat het op andere plaetsen daer gevluchten zijn, van gelijcken is, zonderling den Coopman die bekants geheel disperaet is en dagelix onder den anderen raetslaegen hoe zij ’t aenstellen zullen en waer zij met den anderen trecken en woonen willen, daer zij haeren conscientie en handel vrij zullen moogen leven” enz. Die beschrijving was niet overdreven. “Zoodra de vreemde roofvogels, die Alva’s bloedraad uitmaakten, of de hebzuchtige trawanten der landvoogdes, met vervolging en verbeurdverklaring dreigden, konden de arme kooplieden hunne prijsgemaakte schepen, hun geplunderde have in den vreemde, te Emden, te Wezel of elders, betreuren.”Deze en soortgelijke hartverscheurende berichten over de bron der Nederlandsche welvaart, over den jammerlijken toestand, waartoe de koopmansstand was gedaald, hebben zeker den Prins zeer getroffen. Hij wist beter dan iemand anders, hoeveel die kooplieden vooral in de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden hadden gedaan, om door hun verbond en hun geldelijken steun uitkomst te erlangen; toch was hij zelf niet in staat geweest, de vrijwillig opgebrachte sommen tot het doel te gebruiken, waartoe ze waren gegeven. In den vreemde levende heeft de Prins zich eerst met hart en ziel aangesloten aande Nederlandsche burgerij, gelijk zijn latere briefwisseling o. a. met Jacob van Wezenbeke bewijst.In het eind van 1567 en ’68 werd een drukke correspondentie gewisseld tusschen verschillende Duitsche vorsten over de belangen van Oranje. En de eerste maand van het laatst genoemde jaar zou niet voorbijgaan, zonder dat de vijand zelf door een openbare handeling den Prins noodzaakte, als publiek persoon uit zijn schuilhoek te voorschijn te komen. Op 28 Januari 1568 namelijk verscheen er op het plein voor het paleis in Brussel, een soldaat, door zes trompetters geëscorteerd, die den Prins opriep voor den Raad van Beroerten binnen den tijd van 3 maal 14 dagen, van den datum der proclamatie af, te verschijnen. De Prins werd daarin genoemd devoornaamste bewerker, beschermer en begunstiger van de rebellen, terwijl zijn broeder en vrienden, Lodewijk, Hoogstraten en de anderen werden opgeroepen om te verschijnen als samenzweerders, bevorderaars van opstand en verwoesters van den publieken vrede. Indien ze deze beleefde uitnoodiging weigerden aan te nemen dan zouden ze veroordeeld worden tot voortdurende verbanning en verbeurdverklaring van al hunne bezittingen. Oranje werd beschuldigd, de oorzaak te zijn van elke beweging der verbondenen; toen hij naar Antwerpen was gegaan, blijkbaar om den opstand te dempen had hij eenvoudig ketterij en verdeeldheid aangemoedigd en den dissenters veroorloofd, hun eigen wettelooze begeerten te volgen.Hoe deze tijding op het kasteel te Dillenburg ontvangen werd, blijkt niet uit eenig bijzonder document. Doch het spreekt vanzelf, dat de bedoelde gedagvaarde edellieden niet aanstonds hun paarden lieten zadelen om naar Brabant terug te rijden. In plaats daarvan maakte Oranje een document, tot antwoord aan de oproeping van Alva. Lang echter voordat dit gereed was, werd er een andere aanval op hem gedaan.Op den 13enFebruari zond Alva den Heer de Chassy, vergezeld van vier officieren en twaalf boogschutters naar Leuven. Deze reikte, den jongen graaf van Buren in tegenwoordigheid van zijn voogd, een brief over, die hem in naam van zijn koninklijken pleegvader Filips, naar Spanje noodigde. De Chassy verzekerde den knaap, dat het zijn plicht was hem te escorteeren, niet hem te arresteeren en dat de koning wenschte hem tot zijn dienst op te voeden. Hij kon door twee bedienden, twee pages, een kok en een boekhouder vergezeld worden.De jonge Filips Willem liep gemakkelijk in den valstrik, nam elk aanbod met genoegen aan, ging zonder aarzelen met zijn roovers mede naar Antwerpen, bracht zijn verlof aldaar met graaf Lodron vroolijk door, nam deel aan alle feesten te zijner eer gegeven, en scheepte zich te Vlissingen in naar het land, waar hij bestemd was bijna dertig jaar te blijven. De Universiteit van Leuven protesteerde wel tegen deze verkrachting harer privileges, maar dat vertoog werd door Vargas, het bekende Spaansche lid van den Bloedraad, met dezelfde formule beantwoord, waarmee hij alle klachten van gemeenten en gewesten, die zich op hun privileges beriepen, beantwoordde, met deze formule namelijk: “Non curamos vestros privilegios”. (“Wij bekommeren ons niet om Uw privileges.”) En alzoo werd Oranje’s hoop, zijn goederen te behouden door een vertegenwoordiger in de Nederlandente laten, in duigen geworpen. Het was zonder twijfel een onbezonnen daad van den gewoonlijk zoo voorzichtigen Prins, zijn oudsten zoon aldaar binnen het bereik van Alva te laten en dat nog wel na de openbaarmaking van zijn dagvaarding voor een hof, welker vonnissen allen denzelfden geest verrieden.De Duitsche Keizer, de Keurvorst van Saksen en de Landgraaf van Hessen gaven allen Oranje den raad, een antwoord openbaar te maken op de beschuldigingen van zijn vijand, die zoo duidelijk waren uitgesproken. Dienovereenkomstig verscheen er op den 6enApril eene “Justificatie,” die in ’t Duitsch, Latijn, Nederlandsch, Engelsch, Spaansch en Fransch vertaald, over geheel Europa verspreid werd.Daarin wordt een eerbiedige toon tegenover Filips aangeslagen; de geheele blaam voor de troebelen wordt op zijne dienaars geworpen, die handelden zonder Filips’ kennis of goedkeuring. Hij werpt de beschuldiging van eerzucht verre van zich en legt er den nadruk op, dat hij voor Filips’ vertrek eerst geweigerd had, lid van den Raad van State te worden, doch alleen die post had aangenomen, omdat de koning er op aandrong. Gelegenheden te over hadden zich voor een eerzuchtig man voorgedaan, om zich zelf te bevoordeelen, maar hij had er nooit gebruik van gemaakt. Zeker, Granvelle’s invloed had hij bestreden, omdat hij overtuigd was, dat die ten nadeele werkte van Filips’ gezag.Margareta had inderdaad erkend, dat zij in drie maanden tijds na het vertrek van den kardinaal meer van de publieke zaken begrepen had, dan zij gedurende al de vroegere jaren van haar bestuur had gedaan. Later, toen zij Brussel wilde verlaten en naar Mons gaan, was het alleen op aandringen der edelen geweest, dat zij er in toestemde te blijven, om aldus het gezag van haar broeder te redden. In die crisis had de Prins, indien hij gewild had, zonder eenige moeite de teugels van het bewind kunnen gegrepen hebben. De strengheid van de inquisitie en de plakkaten had hij ten eenenmale afgekeurd, omdat hij ze voor door en door onstaatkundig hield en ook meende, dat ze er alleen toe dienden, om de hervormers tot grooter vasthoudendheid aan hun meeningen te brengen, daar dit overal en altijd de uitwerking van godsdienstvervolging was geweest.Tot de verbonden edelen had hij nooit behoord, hij had de buitensporigheden der Geuzen ten strengste afgekeurd, al was hij het ook met hunne petities eens geweest. Steeds had hij de vergadering der Staten-Generaal gewenscht, een maatregel, die de overleden keizer dikwijls als hoogst nuttig beschouwd had. In al zijn pogingen, om de troebelen in zijn gouvernementen te bedaren, had hij Margareta’s aanwijzingen gevolgd en de enkele punten, waarin hij van haar verschilde, had hij steeds met argumenten gesteund, die hem onwederlegbaar toeschenen.Brederode was volgens alle privileges der heerlijkheden volkomen in zijn recht, om zijn stad te versterken en Oranje was vrij, hem zonder iemands toestemming daarbij te helpen. In geen enkel opzicht had hij de onderneming op Zeeland gesteund. Zijn maatregelen in Antwerpen waren alle genomen met het oogop de doelmatigheid, daar hij de kracht van de sekten kende. Hij had 55.000 gulden geweigerd aan te nemen, hem door Holland aangeboden.De slotsom, waarmede hij zijn rechtvaardiging besloot, luidde aldus:“Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen, die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen, in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn dan mijn leven.Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen, contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone, buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen, die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben verborgen gehouden.”Dit document bevat verscheidene opmerkenswaardige dingen. Letterkundig is het niet fraai geschreven, ook zeker niet bijzonder welsprekend, maar het geeft punt voor punt een overzicht van hetgeen de Prins in zijn brieven van de beide laatste jaren had gezegd. Hij scheidt Filips zoover mogelijk van de daden af, die in zijn naam zijn bedreven en toch zijn er weinig van die overvloedige betuigingen van getrouwheid aan den persoon des konings, die in al zijn vroegere brieven voorkomen, in te vinden. Hij werpt nog niet de trouwheid aan zijn souverein weg. De koninklijke dienaren blameert hij en het gemakkelijk en goed vertrouwen, dat Filips gesteld heeft in verkeerde voorstellingen van mannen, die hij reden had te wantrouwen.Ook wordt er voor den eersten keer geen gewag gemaakt, hoe dan ook, van “onze ware en oude godsdienst.” Ook die uitdrukking kwam in vroegere geschriften van den Prins telkens en telkens weder.Dat hij nu schrijvende aan een katholiek vorst als Filips, dit nalaat, is ongetwijfeld zeer opmerkenswaard. We moeten dan ook zeker in de jaren zijner ballingschap in Dillenburg de eerste sporen zoeken van zijn omkeer op godsdienstig gebied. Alles werkte daartoe mede. Vooreerst zijn persoonlijke levenservaringen, die tot de smartelijkste behoorden, welke een mensch kan ondervinden; en dan de invloed zijner moeder, de betrekkelijke rust op het oude kasteel, de lezing van het boek van Melanchthon, hem door Willem van Hessen gezonden, de arbeid van den bekwamen prediker hem door den landgraaf afgestaan; het een en het ander samenveroorzaakte, dat hij de Roomsch-Katholieke vormen vaarwel zeide, die hij van zijn elfde jaar af in acht genomen had. Nog was in die dagen de godsdienst geen zaak, waarom hij zich veel bekommerde; eerst langzamerhand kon hij persoonlijk gaan belangstellen in een zielsverschijnsel, dat hem vroeger tamelijk onverschillig liet. Maar zijn gansche omgeving in Dillenburg, zijn familie, de Duitsche vorsten hechtten er groot gewicht aan. Hoe zou hij dan geheel buiten den invloed daarvan kunnen gebleven zijn, te meer omdat van diezelfde Duitsche vorsten toch de hulp voor de Nederlanden moest komen.Spoedig werden er openlijk door geheel Duitschland troepen geworven, wier bestemming voor de Nederlanden algemeen bekend was en uit verschillende bronnen kwamen de fondsen voort, om de uitgaven voor die troepen te bestrijden. De Prins benoemde zelfs commissies voor die wervingen en maakte daarbij gebruik van zijn recht als Prins van Oranje en dus als onafhankelijk souverein van het rijk. Al was dat vorstendom ook zeer klein, het gaf hem titels, die zijn andere goederen hem niet gaven. Hij liet de commissies op dezen vreemden grondslag werven, dat zij hulp vroegen voor Filips tegen zijn onwaardige dienaars.De formule luidde: “Om Zijne Majesteit zijne heerschappij te verzekeren en voor elk burger (hetzij Protestant of Roomsch-Katholiek) zijn gewetensvrijheid te handhaven.” Oranje verkocht zelfs zijn juweelen, zijn zilver en tapijten, om troepen te kunnen lichten. Het bedrag van zijn persoonlijke contributie bereikte de som van 50.000 florijnen.Zijn broeders deden zooveel ze konden; Jan gaf een belangrijke som door middel van een hypotheek op zijn goederen. Lodewijk droeg 10.000 fl. bij. De voornaamste Nederlandsche steden, Antwerpen, Vlissingen, Amsterdam en andere, door de Nederlandsche kooplieden, die naar Engeland gevlucht waren, geholpen, brachten de som van 100.000 kronen op, juist de helft die Oranje noodig achtte, om hem in staat te stellen zijn leger in het veld te brengen. Den 17enApril schreef de Prins vertrouwelijk aan den Landgraaf van Hessen, dat hij op reis ging naar Keulen om daar of in de nabijheid af te wachten, “wat wij zullen moeten doen.” Het gerucht van de lichtingen was te veel verbreid. Ook deelt hij den landgraaf mede, dat hij gehoord heeft, dat Alva naar het klooster St. Bernard, vijf mijlen van Brussel, gegaan is, om zijn Paschen te vieren. Dit was hem niet aangenaam. De Prins had gehoopt, dat hij een ander klooster zou gekozen hebben, waarschijnlijk omdat er in die dagen plan heeft bestaan onder de vrienden van Oranje om den hertog op te lichten. Eindelijk zendt hij aan Willem van Hessen zijn Justificatie met verzoek die door te lezen en zijn bedenkingen tegen den vorm aan den brenger, Dr. Joh. Meixnern, mee te deelen. De Prins voelde zelf vooral bezwaren tegen het woordje “krijgstoerusting.”“Is dat ook te hard of te scherp. Zou dit soms zoo kunnen worden opgevat, alsof wij uit een bijzonder genoegen den oorlog begonnen, in plaats van uit zuiver noodweer en zelfverdediging?” zoo vroeg hij.Is het niet merkwaardig, dat we aan den vooravond van den 80-jarigenoorlog—want de proclamatie was het signaal van dien oorlog—in een vertrouwelijk schrijven van den Prins zulk een uiting van nauwgezetheid vinden? Men weet, hoe de laatste woorden door vorsten of diplomaten gesproken of geschreven voor de uitbarsting van een geweldigen oorlog, gewoonlijk later worden gebruikt om de een of andere partij of persoon de zedelijke schuld en verantwoording van het bloedbad op den hals te laden. Het pleit dus voor den Prins, dat het hem bij het opstellen zijner justificatie niet ontbroken heeft aan teederheid en fijnheid van geweten, want Oranje kon alleen een oorlog, uit zelfverdediging aanvaard, voor God en de toekomst goedkeuren.1Egmonds titel was Prins van Gavere.

Het was juist bijtijds, dat de Prins uit het land was verdwenen, want nauwelijks in Duitschland gekomen, deelde de geheimschrijver van Filips II, die tevens Oranje’s spion was, hem mede, dat hij een brief van den koning aan Alva gezien had, waarin de hertog het bevel ontving, den Prins aanstonds gevangen te nemen enzijn rechterlijk verhoor niet langer dan 24 uur te doen duren! Gelukkig dan ook, dat de Oranjevorst op geen eiland verzeild was, toen hij in Dillenburg aankwam. Met de grootste welwillendheid en gastvrijheid werd hij aanstonds opgenomen.

Jan van Nassau, die in leeftijd op hem volgde, was het hoofd der familie geworden; hij was gehuwd met Elisabeth, landgravin van Lautenberg en had een aantal kinderen. Wettig had Oranje geenerlei aanspraak meer op eenige inkomsten van het graafschap, want toen hij erfgenaam werd van Réné, had de Prins van zijn rechten afstand gedaan, zoodat hij alleen een zeker pandrecht op het oude kasteel van Nassau en mogelijk ook op Dillenburg had behouden, ter wille van de titels en waardigheden.

Het was echter een aartsvaderlijke huishouding, die onder het dak van het kasteel te Dillenburg bijeen was. Behalve Jan van Nassau, die er het hoofd was, zooals we zeiden, bevond de weduwe van Willem den Oude, Juliana van Stolberg, zich er ook met haar ongehuwde dochters. Ook Lodewijk, Adolf en Hendrik hadden allen, behalve hun wettig aandeel in het huis, volkomen vrijheid en beweging daarin. De gehuwde zusters met hunne echtgenooten Schwarzberg en Nieuwenaar en de anderen, werden in hunne aanspraken als bloedverwanten door hen ten volle erkend.

Bij dezen uitgebreiden familiekring kwam nu de Prins van Oranje met ongeveer een 150 van zijn partij; ook zijn echtgenoote Anna, die geen gemakkelijk lid van een huishouden was, zelfs niet als hoofd en eerste persoon en die zekergeen aangename bezoekster was onder de tegenwoordige lastige omstandigheden.

Tijdens haar verblijf in de Nederlanden had zij zonder omwegen alle menschen en dingen smadelijk bejegend. Met verachting sprak zij van den Prins, “die maar altijd andere menschen liet voorgaan en nooit zijn eigen rechten deed gelden.” Toen het plan doorging, het gehate land te verlaten, kreeg de zaak in haar oogen een geheel andere gedaante en Anna verzette er zich heftig tegen. Zij weigerde niet haar echtgenoot te volgen; misschien was er wel een bijzondere oorzaak, die haar bevreesd maakte, toen zij op 22 April Breda verliet. Nauwelijks was ze echter in Dillenburg gekomen, of haar nieuwe omgeving was minder overeenkomstig met haar wenschen dan haar oude. Het huis was overvol. Jans echtgenoote behandelde haar niet met eerbied en ze begon verlangend naar Nederlandsche zeden en gewoonten terug te zien. Daarenboven waren niet alleen al de eigendommen van Oranje-Nassau in de Nederlanden achtergelaten, maar ook haar eigene en ze hield niet op, haar echtgenoot te plagen met vergunning te vragen om voor hare bezittingen te zorgen, voordat ze werden verbeurd verklaard. Ook werd zij, op Duitschen grond teruggekeerd, weder het verschil indachtig, dat er tusschen haar rang en dien der Nassau’s bestond en zij maakte zich boos over de benarde omstandigheden, waartoe zij, de dochter van den grooten keurvorst, was teruggebracht.

Op den 11enMei schreef Oranje aan Willem van Hessen, sedert den dood van den ouden landgraaf ([+] 31 Maart 1567) het hoofd van zijn huis, om hem zijn komst in Duitschland te melden. Op den 21enMei zond de Prins aan den keurvorst van Saksen een uitvoerig schrijven, waarin hij hem de beweegredenen uiteenzette, die hem naar Duitschland hadden doen komen, en waarin Oranje tegelijkertijd om raad vroeg.

Het kan moeilijk op aandrang van den Prins geweest zijn, dat de Duitsche vorsten een deputatie naar Margareta zonden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de volstrekte onbeduidendheid van eenige verdere onderhandeling; hij moet alleen in het plan berust hebben, al kon hij het ook niet goedkeuren. Toch deden de vorsten het onder den indruk van de gebeurtenissen in de Nederlanden en van de aanstaande komst van Alva, die den vrede van Europa bedreigde. De vorsten, van wie dit petitionnement aan Margareta uitging, waren de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, de markgraaf van Baden, de hertog van Wurtemberg en de landgraaf van Hessen. Het doel van hun vertoog was alleen tusschen beiden te treden ten gunste van de Lutheranen; vandaar dat een Calvinist als de keurvorst van de Paltz er geen deel aan nam.

De petitionarissen vonden Margareta echter in geen enkel opzicht geneigd, iets toe te geven. De ketters, die het meeste vat op zich gaven, waren lang niet meer zoo te vreezen, als in den aanvang van het jaar; Oranje was genoodzaakt geweest, het land te verlaten; Egmond was een onderworpene, trouwe vazal geworden, die zijn best deed te gelooven in de goede trouw des konings. Valenciennes was ten onder gebracht en er bestond geen enkele reden, om tegenover iemand bijzondere gunst te toonen.

Het gezantschap van de Duitsche vorsten werd vrijwel afgescheept; Filipszou wel rechtvaardig handelen enz. en het ging dan ook naar Duitschland terug, even wijs als het was gekomen. Van die slotsom gaf Willem van Hessen aan Oranje bericht en op den 13enJuni dankte deze den landgraaf voor zijn rapport, daarbij voegende, dat ze op God en op den tijd moesten vertrouwen, om geholpen te worden. De vorsten schijnen er toen nog over gedacht te hebben een deputatie te zenden naar Catharina de Medicis, die goede Christin(!) om te zien, wat er van haar zijde voor de onderdrukte zaak van den godsdienst in de Nederlanden te wachten zou zijn; zelfs maakten ze reeds instructies gereed, maar de zaak schijnt in de wieg gesmoord te zijn.

Van denzelfden 13enJuni dagteekent een andere brief van den Prins aan Willem van Hessen, die vooral daarom belangrijk is, omdat hij ons inlichting geeft omtrent het standpunt van godsdienstige ontwikkeling, waartoe Oranje destijds was gekomen. Die brief is van den volgenden inhoud: “Wij zouden van ganscher harte begeeren tot sterking en bevestiging van ons gemoed en geweten, den tijd, dien wij hier buiten onze Nederlandsche graafschappen en heerlijkheden doorbrengen, te besteden met het lezen en hooren uitleggen der heilige goddelijke schrift. Want zonder er op te roemen, wij gevoelen een bijzondere affectie voor Christelijken ijver, maar hebben daartoe een eerbiedwaardigen, geleerden, zachtmoedigen en wereldkundigen man noodig, dien wij gaarne in onze nabijheid hadden en nu vernemen we na veelzijdig onderzoek en navraag, dat er in Tresza in Hessen een zekere Nicolaas Zell woont, die enz.”

Wij herhalen:die brief is merkwaardig voor den godsdienstigen ontwikkelingsgang van den Prins.Tot nu toe zagen we niet veel van het eigenlijk godsdienstig leven bij hem. Was dit een tijdlang geheel in slaap gebleven, reeds vroeger zagen we, dat het toch niet geheel in hem was gestorven. Van groote belangstelling in het godsdienstig leven vinden we geen spoor, aan algemeen religieus gevoel ontbrak het hem niet. Maar noch zijn aanleg, noch de omstandigheden waren van dien aard, dat hij zich veel moeite had getroost, zich rekenschap te vragen van de eigenlijke beteekenis der geloofsverschillen. Het meest had hij nog naar het Lutheranisme overgeheld, doch niet veel meer dan politiek was die neiging geweest. De Duitsche hulp, die hij verwachtte was alleen mogelijk, indien hij althans het Lutheranisme niet veroordeelde. Van werkelijke belangstelling daarin was geen sprake. Hier echter in Dillenburg begon in de eenzaamheid die belangstelling te ontwaken. Hij wilde voorgelicht worden door een bekwaam, rechtschapen man, die zijne godsdienstige begrippen kon verhelderen.

Willem van Hessen antwoordde, dat de verlangde predikant Zell een zeer geacht man was, dat daarom de gemeente, die hij diende, hem zeer ongaarne miste, maar dat de Prins hem gedurende een half jaar tot voorlichter zijner godsdienstige denkbeelden kon krijgen. Vijf dagen later zond de Landgraaf een werk van Melanchthon getiteld Loci theologici, een zuiver theologisch handboek, naar Dillenburg; de afzender hoopte, dat het den Prins geheel zou overtuigen van de waarheid der Luthersche dogmata.

Eene zitting van den Bloedraad.Eene zitting van den Bloedraad.

Eene zitting van den Bloedraad.

Uit een en ander blijkt, dat de Prins met open armen in Duitschland werdontvangen, dat zijn verwanten en vrienden hem tegemoet kwamen met groote liefde en innige belangstelling. Dat hij ook buiten Duitschland groote vrienden had, die oprecht deelden in zijn lot, bewijst wel de uitnoodiging van den koning van Denemarken, Frederik II, tot hem gericht, om in zijn staten een toevluchtsoord te zoeken. De brief, die uitnoodiging behelzende, was op den 9enJuli 1567 geschreven en werd op den 22envan dezelfde maand door den Prins beantwoord. De alleronderdanigste toon van den Prins in zijn antwoord aan dien koning, toen hij hem de reden van zijn verblijf in Duitschland meldde en hem voorloopig dankte voor die uitnoodiging, die toon tegenover een vorst, die slechts een tweeden of derden rang innam onder de vorsten in Europa, bewijst wel, hoe Oranje op dat oogenblik nog geheel vervuld was van de rechten der monarchie en verklaart dus ook van ter zijde zijn nog jarenlang volgehouden eerbiediging van den wettigen koning van Spanje.

De vlucht van den Prins uit de Nederlanden was niets te vroeg geweest. Binnen een maand, nadat hij Breda had verlaten, scheepte Alva zich met een uitgelezen leger te Carthagena in, met de opdracht van Filips om alle onbeschaamde eischen van “dat beest, dat men het volk noemt” eens voor al te weerstaan.

Al de geruchten van het voorgaand jaar omtrent Filips’ duistere plannen werden meer dan bewaarheid. De koning had zelfs zijn gehoorzame Nederlandsche regentes niet in zijn vertrouwen genomen en haar in den waan gelaten, alsof hij voornemens was zelf te komen. Vandaar dat Margareta in Zeeland voorbereidende maatregelen nam voor Filips’ ontvangst. Hoe weinig had zij kunnen denken, dat ze zou worden ontslagen, juist toen ze, geholpen door haar stadhouders, de oproerige bewegingen in verschillende deelen van het land had gedempt en persoonlijk zegevierend den Roomschen eeredienst in het ontheiligde Antwerpen had hersteld.

Toen Alva’s komst haar was aangekondigd, was Margareta nog in onkunde gelaten omtrent het meedoogenloos karakter van zijn instructies; maar het naakte feit van de nadering van een leger vervulde haar met ontzetting. Den geest der Vlamingen kennende, vreesde ze de aankomst van vreemde troepen zeer en zond koeriers naar Alva in Savoye, met het verzoek, alleen de Nederlanden binnen te komen en zijn leger op nadere orders te laten wachten.

Natuurlijk oefende deze raad geen invloed uit op den bevelhebber, die niet aan zijn bekwaamheid twijfelde, om het volk tot gehoorzaamheid aan Filips terug te brengen. “Ik heb wel een volk van ijzer getemd, zou ik dan nu geen volk van boter kunnen temmen?” zoo sprak hij op verachtelijken toon en hij antwoordde de regentes, dat hij niets te doen had, dan de bevelen van den koning op te volgen. Daarom alleen en volstrekt geen acht gevende op wenschen van anderen, schreed de hertog van Alva voort op zijn bepaalden weg. Wel duurde het eenige maanden, voordat hij de Nederlanden bereikte met zijn leger van 12000 man, in drie afdeelingen verdeeld.

Op zijn weg uit Italië had de hertog ook Genève, het broeinest van het Calvinisme, in het voorbijgaan willen verwoesten, doch door de diplomatiekezorgen van Condé en Coligny had dit wreede plan niet kunnen vervuld worden. In Augustus kwam hij in Luxemburg aan, waar hij begroet werd door Barlaimont en Noircarmes, die hem in naam der regentes welkom heetten. Graaf Egmond reed hem zelfs tot Tirlemont tegemoet en bood hem als welkomstgeschenk eenige schoone paarden aan. De ontvangst echter was, trots dat geschenk, niet zeer hartelijk. Alva had Egmond nooit de overwinningen bij St. Quentin en Grevelingen vergeven. Toen hij den “Prins van Gavere”1zag, zeide hij zoo luid, dat Egmond het kon verstaan: “Ziedaar de groote ketter!” Dit voorspelde den graaf weinig goeds, die alles van zijn loyauteit verwachtte. Een oogenblik later veranderde de hertog van toon en deed hij, alsof hij dat woord in scherts had gesproken. Hij werd plotseling hartelijker, sloeg den arm om zijn hals—den hals, dien hij reeds den beul had gewijd!

Op den weg naar Brussel, trok de aanstaande nieuwe Landvoogd door Leuven, waar Filips Willem, Graaf van Buren, de oudste zoon van Oranje, zijne studiën voortzette. Henry de Wiltberg, voogd van den jongen graaf, schreef aan den Prins, dat zijn zoon den hertog in een huis bij zijn woning, het College van Savoye, zag voorbijgaan en dat hij naar buiten ging, om zijn hand te kussen en dat ze hem toen zagen met Barlaimont en Aremberg.

De graaf van Buren werd goed ontvangen en door den hertog met liefkoozingen overladen. De jongen werd geheel en al door den ouden krijgsheld betooverd; hij toonde hem groote hartelijkheid en noodigde hem tot een nadere samenkomst op den volgenden dag. Toen de jonge graaf afscheid van hem nam, omhelsde de hertog hem en overlaadde hem met vriendelijkheid. Wiltberg voegt er bij, dat hij had gehoord, dat de groot-prior van St. Jan, een bastaardzoon van Alva, een paard noodig had en hij stelt aan den Prins voor, om door middel van Filips Willem aan dien prior een paard ten geschenke te doen geven.

Verschillende gewaarwordingen maakten zich van de Landvoogdes meester, daar ze niet wist, hoe ze den man zou ontmoeten, door wiens komst zij zich in het diepst harer ziel beleedigd achtte. Drie dagen na zijn aankomst stond ze hem toe, haar zijn hulde te komen aanbieden. Ze ontving hem in haar slaapkamer, waar ze hem staande, in gezelschap van Barlaimont, Aerschot en Egmond ontving. Niemand van hen deed een stap voorwaarts, om den hertog te gemoet te treden. De samenkomst duurde een uur, maar het geheele gezelschap bleef trotsch en stijf tegenover elkander staan. De hertog schreef aan Filips, dat hij de hertogin als een koningin behandeld had, maar waarschijnlijk lag er achter zijn bestudeerde Castiliaansche beleefdheid een kwalijk verborgene onbeschaamdheid, die Margareta moeilijk kon breken.

Na de aankomst van den hertog van Alva in Brabant, werd de Prinses van Oranje steeds meer verlangend naar Breda terug te gaan om voor haar bezittingen te zorgen, die ze meende, dat door de Spanjaarden zouden genomen worden. Na tevergeefs haar echtgenoot daarom verzocht te hebben, schreef ze aan haar oom,den Keurvorst van Saksen, dat het te Dillenburg niet om uit te houden was en dat ze van de plaats weg moest. Ze drong daarop zoo sterk aan, dat Oranje, twijfelende aan zijn eigen argumenten, een bijzonder gezant, een zekeren Volbrecht Riedsel naar Dresden zond, om met Augustus te raadplegen, wat men het best zou doen.

De instructies van dien gezant zijn in het Dresdensch archief bewaard en waren de volgende: Anna had voortdurend gevraagd, dat het haar zou worden toegestaan uit de Nederlanden van daan te gaan “omdat zij niet langer haar verblijf kon houden bij zulk een goddeloos en trouweloos volk.” Nu wenschte ze juist met aandrang naar de Nederlanden terug, alhoewel ze daarmede niet alleen zich zelf maar ook het leven van haar nog ongeboren kind in de waagschaal stellen zou. Hij verbood haar terugkeer om haar aanstaande bevalling, teneinde het vermoeden te voorkomen, alsof hij of zijn broeder haar slecht behandelden en ook ter wille van den godsdienst, daar zij òf op de haastige reis haar eigen geloof moest belijden òf gevaar zou loopen, bevreesd te worden gemaakt, met het gevolg dat zij zich een aanhangster verklaarde van het Roomsche geloof.

“Inderdaad hebben we voor eenigen tijd bij uw nicht, niet zonder diepen angst, een onzekerheid in godsdienstige zaken opgemerkt; ja zij geeft weinig acht op godsdienstig leven en onderwijs. Zelfs praat zij nu en dan op schandelijke manier over Gods woord. Ook moet ik in aanmerking nemen, dat uw pupil van de ware kennis van Christus zou kunnen worden afgetrokken tot paapsche gruwelen of andere dwalingen, die pijnlijk voor u en van dien aard zouden zijn, dat ze mijn leven zeer ellendig zouden maken en een slecht voorbeeld voor velen zouden wezen.”

Behalve de genoemde redenen, voegde de Prins er bij, dat hij geen twee huishoudens kon bekostigen. In antwoord op dien brief, verzekerde Augustus aan den Prins, dat hij het volkomen met hem eens was en raadde zijn nicht aan, geduld te oefenen.

Op den 14enSeptember werd Maurits geboren; de doop van dat kind had volgens Luthersche gebruiken plaats. Deze Maurits was dus de eerste van Oranje’s kinderen, die met de Protestantsche zaak van huis uit een was. Hoe dit ook op zich zelf voor de Nassausche familie een stof van vreugde was, wat de Prins zelf van de moeder van dat kind in de volgende jaren te lijden gehad heeft, is met geen pen te beschrijven. Wij komen daarop nader in bijzonderheden terug, doch vestigen allereerst, om de tegenstelling des te dieper te beseffen, op Oranje zelf het oog, gelijk hij uit Dillenburg den strijd ging aanvaardenvoor de wet, het volk en den koning.

In Augustus 1567 werd de Prins door zijn vriend, den burgemeester van Antwerpen, van Straalen, die zijn rechterhand was geweest in de onrustige dagen, welke de Scheldestad had beleefd, omtrent Alva’s komst in het land ingelicht. Oranje, wiens eerste zorg reeds in 1559 was geweest, vreemd krijgsvolk te weren, zal wel niet door die tijding verrast zijn, maar toch moet ze hem diep hebben getroffen.

Dit was echter maar een voorbode van vreeselijker tijdingen. Weinig dagen nade verraderlijke gevangenneming van Egmond en Hoorne, gevolgd door die van den daareven vermelden Antonie van Straalen, werd ook de tijding daarvan in Duitschland verspreid en bracht geheel Europa in rep en roer. Het bracht grooten angst in de gemoederen. De Duitsche echtgenoote van Egmond, Sabina van Beieren, bewoog in haar vaderland hemel en aarde, om op de vrijspraak van haar man aan te dringen en ook de Prins zelf dacht niet alleen aan zijn eigen veiligheid, maar was ook in Duitschland in het belang zijner oude vrienden werkzaam. Hij beval zelfs den hertog van Brunswijk, die met Alva in briefwisseling was en van wien wij vroeger zagen, dat hij de Spaansche zaak was toegedaan, levendig de belangen der beide graven aan. Zoo verliep het najaar in angstige spanning en uit den langen brief, dien de Prins in December als antwoord op een schrijven van den keurvorst van Saksen uit Dillenburg verzond, blijkt, hoe allengs bij Oranje het zekere bewustzijn ontwaakte, dat geweld met geweld moest worden beantwoord. De keurvorst had hem, in een omslachtigen brief, nog den raad gegeven, een algeheele breuk met Filips te vermijden. Maar de Prins was overtuigd van het tegendeel. De koning van Spanje was zoover gegaan, dat gewapende tegenstand niet alleen te rechtvaardigen, maar noodzakelijk was en dat niet slechts in het belang der Nederlanden, maar evenzeer in het belang van Duitschland. Hij vroeg hem dus om hulp.

De Prins had dan ook in diezelfde maand December een aangrijpend schrijven ontvangen van C. V. Coornhert die, evenals zijn broeders Dirk en Frans, een ijverig aanhanger was van de zaak der Nederlandsche vrijheid en der hervorming. Deze Coornhert behoorde tot de tallooze vluchtelingen, die naar Emden ontkomen waren. Omtrent den toestand van den handel der Nederlanden gaf hij den Prins een diep mistroostige beschrijving; hij zou zelfs wenschen, dat de handel van de Nederlanden naar Emden verplaatst werd.

“Ick en weete Uwer Excell. verders niet nieus te scriven, dan dat alhier groote benautheijt is onder de Coopluyden en allen gevluchten; konne wel peysen, dat het op andere plaetsen daer gevluchten zijn, van gelijcken is, zonderling den Coopman die bekants geheel disperaet is en dagelix onder den anderen raetslaegen hoe zij ’t aenstellen zullen en waer zij met den anderen trecken en woonen willen, daer zij haeren conscientie en handel vrij zullen moogen leven” enz. Die beschrijving was niet overdreven. “Zoodra de vreemde roofvogels, die Alva’s bloedraad uitmaakten, of de hebzuchtige trawanten der landvoogdes, met vervolging en verbeurdverklaring dreigden, konden de arme kooplieden hunne prijsgemaakte schepen, hun geplunderde have in den vreemde, te Emden, te Wezel of elders, betreuren.”

Deze en soortgelijke hartverscheurende berichten over de bron der Nederlandsche welvaart, over den jammerlijken toestand, waartoe de koopmansstand was gedaald, hebben zeker den Prins zeer getroffen. Hij wist beter dan iemand anders, hoeveel die kooplieden vooral in de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden hadden gedaan, om door hun verbond en hun geldelijken steun uitkomst te erlangen; toch was hij zelf niet in staat geweest, de vrijwillig opgebrachte sommen tot het doel te gebruiken, waartoe ze waren gegeven. In den vreemde levende heeft de Prins zich eerst met hart en ziel aangesloten aande Nederlandsche burgerij, gelijk zijn latere briefwisseling o. a. met Jacob van Wezenbeke bewijst.

In het eind van 1567 en ’68 werd een drukke correspondentie gewisseld tusschen verschillende Duitsche vorsten over de belangen van Oranje. En de eerste maand van het laatst genoemde jaar zou niet voorbijgaan, zonder dat de vijand zelf door een openbare handeling den Prins noodzaakte, als publiek persoon uit zijn schuilhoek te voorschijn te komen. Op 28 Januari 1568 namelijk verscheen er op het plein voor het paleis in Brussel, een soldaat, door zes trompetters geëscorteerd, die den Prins opriep voor den Raad van Beroerten binnen den tijd van 3 maal 14 dagen, van den datum der proclamatie af, te verschijnen. De Prins werd daarin genoemd devoornaamste bewerker, beschermer en begunstiger van de rebellen, terwijl zijn broeder en vrienden, Lodewijk, Hoogstraten en de anderen werden opgeroepen om te verschijnen als samenzweerders, bevorderaars van opstand en verwoesters van den publieken vrede. Indien ze deze beleefde uitnoodiging weigerden aan te nemen dan zouden ze veroordeeld worden tot voortdurende verbanning en verbeurdverklaring van al hunne bezittingen. Oranje werd beschuldigd, de oorzaak te zijn van elke beweging der verbondenen; toen hij naar Antwerpen was gegaan, blijkbaar om den opstand te dempen had hij eenvoudig ketterij en verdeeldheid aangemoedigd en den dissenters veroorloofd, hun eigen wettelooze begeerten te volgen.

Hoe deze tijding op het kasteel te Dillenburg ontvangen werd, blijkt niet uit eenig bijzonder document. Doch het spreekt vanzelf, dat de bedoelde gedagvaarde edellieden niet aanstonds hun paarden lieten zadelen om naar Brabant terug te rijden. In plaats daarvan maakte Oranje een document, tot antwoord aan de oproeping van Alva. Lang echter voordat dit gereed was, werd er een andere aanval op hem gedaan.

Op den 13enFebruari zond Alva den Heer de Chassy, vergezeld van vier officieren en twaalf boogschutters naar Leuven. Deze reikte, den jongen graaf van Buren in tegenwoordigheid van zijn voogd, een brief over, die hem in naam van zijn koninklijken pleegvader Filips, naar Spanje noodigde. De Chassy verzekerde den knaap, dat het zijn plicht was hem te escorteeren, niet hem te arresteeren en dat de koning wenschte hem tot zijn dienst op te voeden. Hij kon door twee bedienden, twee pages, een kok en een boekhouder vergezeld worden.

De jonge Filips Willem liep gemakkelijk in den valstrik, nam elk aanbod met genoegen aan, ging zonder aarzelen met zijn roovers mede naar Antwerpen, bracht zijn verlof aldaar met graaf Lodron vroolijk door, nam deel aan alle feesten te zijner eer gegeven, en scheepte zich te Vlissingen in naar het land, waar hij bestemd was bijna dertig jaar te blijven. De Universiteit van Leuven protesteerde wel tegen deze verkrachting harer privileges, maar dat vertoog werd door Vargas, het bekende Spaansche lid van den Bloedraad, met dezelfde formule beantwoord, waarmee hij alle klachten van gemeenten en gewesten, die zich op hun privileges beriepen, beantwoordde, met deze formule namelijk: “Non curamos vestros privilegios”. (“Wij bekommeren ons niet om Uw privileges.”) En alzoo werd Oranje’s hoop, zijn goederen te behouden door een vertegenwoordiger in de Nederlandente laten, in duigen geworpen. Het was zonder twijfel een onbezonnen daad van den gewoonlijk zoo voorzichtigen Prins, zijn oudsten zoon aldaar binnen het bereik van Alva te laten en dat nog wel na de openbaarmaking van zijn dagvaarding voor een hof, welker vonnissen allen denzelfden geest verrieden.

De Duitsche Keizer, de Keurvorst van Saksen en de Landgraaf van Hessen gaven allen Oranje den raad, een antwoord openbaar te maken op de beschuldigingen van zijn vijand, die zoo duidelijk waren uitgesproken. Dienovereenkomstig verscheen er op den 6enApril eene “Justificatie,” die in ’t Duitsch, Latijn, Nederlandsch, Engelsch, Spaansch en Fransch vertaald, over geheel Europa verspreid werd.

Daarin wordt een eerbiedige toon tegenover Filips aangeslagen; de geheele blaam voor de troebelen wordt op zijne dienaars geworpen, die handelden zonder Filips’ kennis of goedkeuring. Hij werpt de beschuldiging van eerzucht verre van zich en legt er den nadruk op, dat hij voor Filips’ vertrek eerst geweigerd had, lid van den Raad van State te worden, doch alleen die post had aangenomen, omdat de koning er op aandrong. Gelegenheden te over hadden zich voor een eerzuchtig man voorgedaan, om zich zelf te bevoordeelen, maar hij had er nooit gebruik van gemaakt. Zeker, Granvelle’s invloed had hij bestreden, omdat hij overtuigd was, dat die ten nadeele werkte van Filips’ gezag.

Margareta had inderdaad erkend, dat zij in drie maanden tijds na het vertrek van den kardinaal meer van de publieke zaken begrepen had, dan zij gedurende al de vroegere jaren van haar bestuur had gedaan. Later, toen zij Brussel wilde verlaten en naar Mons gaan, was het alleen op aandringen der edelen geweest, dat zij er in toestemde te blijven, om aldus het gezag van haar broeder te redden. In die crisis had de Prins, indien hij gewild had, zonder eenige moeite de teugels van het bewind kunnen gegrepen hebben. De strengheid van de inquisitie en de plakkaten had hij ten eenenmale afgekeurd, omdat hij ze voor door en door onstaatkundig hield en ook meende, dat ze er alleen toe dienden, om de hervormers tot grooter vasthoudendheid aan hun meeningen te brengen, daar dit overal en altijd de uitwerking van godsdienstvervolging was geweest.

Tot de verbonden edelen had hij nooit behoord, hij had de buitensporigheden der Geuzen ten strengste afgekeurd, al was hij het ook met hunne petities eens geweest. Steeds had hij de vergadering der Staten-Generaal gewenscht, een maatregel, die de overleden keizer dikwijls als hoogst nuttig beschouwd had. In al zijn pogingen, om de troebelen in zijn gouvernementen te bedaren, had hij Margareta’s aanwijzingen gevolgd en de enkele punten, waarin hij van haar verschilde, had hij steeds met argumenten gesteund, die hem onwederlegbaar toeschenen.

Brederode was volgens alle privileges der heerlijkheden volkomen in zijn recht, om zijn stad te versterken en Oranje was vrij, hem zonder iemands toestemming daarbij te helpen. In geen enkel opzicht had hij de onderneming op Zeeland gesteund. Zijn maatregelen in Antwerpen waren alle genomen met het oogop de doelmatigheid, daar hij de kracht van de sekten kende. Hij had 55.000 gulden geweigerd aan te nemen, hem door Holland aangeboden.

De slotsom, waarmede hij zijn rechtvaardiging besloot, luidde aldus:

“Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen, die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen, in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn dan mijn leven.Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen, contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone, buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen, die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben verborgen gehouden.”

“Terwijl men alzoo al mijn diensten, voor mijn eigen rekening gedaan en ook de diensten van mijn voorgangers, zelfs van hen, die aan den voet des keizers zijn gestorven vergeet, ben ik op grond van goddelooze en valsche beschuldigingen en om redenen, in strijd met alle wet, alle rechten en gebruiken, niet alleen beroofd van mijn eigendom, maar mijn eer is beleedigd en van mijn kind ben ik beroofd, twee zaken, die me dierbaarder zijn dan mijn leven.

Al hetwelk niet alleen tot mijn nadeel is, maar ook tot dat van Z. Majesteit daar al zijn beloften, verplichtingen, contracten en eeden geringschat zijn en er zulke buitengewone, buitensporige en hatelijke dingen gedaan zijn, dat het onmogelijk is, dat niet te eeniger tijd, de resultaten daarvan zullen gevoeld worden. Wij bidden God, Z. Majesteit met goddelijk licht te verlichten en doen hem naar behooren de daden van zijn goede en loyale dienaars en onderdanen, die nu belasterd, vervolgd en gekrenkt zijn, kennen. Opdat de wereld eindelijk wete, dat al wat gebeurd is, niet voortkomt uit Z. Majesteit zelf, maar uit de onteerende en lasterlijke rapporten van hen, die tot nu toe de waarheid voor hem hebben verborgen gehouden.”

Dit document bevat verscheidene opmerkenswaardige dingen. Letterkundig is het niet fraai geschreven, ook zeker niet bijzonder welsprekend, maar het geeft punt voor punt een overzicht van hetgeen de Prins in zijn brieven van de beide laatste jaren had gezegd. Hij scheidt Filips zoover mogelijk van de daden af, die in zijn naam zijn bedreven en toch zijn er weinig van die overvloedige betuigingen van getrouwheid aan den persoon des konings, die in al zijn vroegere brieven voorkomen, in te vinden. Hij werpt nog niet de trouwheid aan zijn souverein weg. De koninklijke dienaren blameert hij en het gemakkelijk en goed vertrouwen, dat Filips gesteld heeft in verkeerde voorstellingen van mannen, die hij reden had te wantrouwen.

Ook wordt er voor den eersten keer geen gewag gemaakt, hoe dan ook, van “onze ware en oude godsdienst.” Ook die uitdrukking kwam in vroegere geschriften van den Prins telkens en telkens weder.

Dat hij nu schrijvende aan een katholiek vorst als Filips, dit nalaat, is ongetwijfeld zeer opmerkenswaard. We moeten dan ook zeker in de jaren zijner ballingschap in Dillenburg de eerste sporen zoeken van zijn omkeer op godsdienstig gebied. Alles werkte daartoe mede. Vooreerst zijn persoonlijke levenservaringen, die tot de smartelijkste behoorden, welke een mensch kan ondervinden; en dan de invloed zijner moeder, de betrekkelijke rust op het oude kasteel, de lezing van het boek van Melanchthon, hem door Willem van Hessen gezonden, de arbeid van den bekwamen prediker hem door den landgraaf afgestaan; het een en het ander samenveroorzaakte, dat hij de Roomsch-Katholieke vormen vaarwel zeide, die hij van zijn elfde jaar af in acht genomen had. Nog was in die dagen de godsdienst geen zaak, waarom hij zich veel bekommerde; eerst langzamerhand kon hij persoonlijk gaan belangstellen in een zielsverschijnsel, dat hem vroeger tamelijk onverschillig liet. Maar zijn gansche omgeving in Dillenburg, zijn familie, de Duitsche vorsten hechtten er groot gewicht aan. Hoe zou hij dan geheel buiten den invloed daarvan kunnen gebleven zijn, te meer omdat van diezelfde Duitsche vorsten toch de hulp voor de Nederlanden moest komen.

Spoedig werden er openlijk door geheel Duitschland troepen geworven, wier bestemming voor de Nederlanden algemeen bekend was en uit verschillende bronnen kwamen de fondsen voort, om de uitgaven voor die troepen te bestrijden. De Prins benoemde zelfs commissies voor die wervingen en maakte daarbij gebruik van zijn recht als Prins van Oranje en dus als onafhankelijk souverein van het rijk. Al was dat vorstendom ook zeer klein, het gaf hem titels, die zijn andere goederen hem niet gaven. Hij liet de commissies op dezen vreemden grondslag werven, dat zij hulp vroegen voor Filips tegen zijn onwaardige dienaars.

De formule luidde: “Om Zijne Majesteit zijne heerschappij te verzekeren en voor elk burger (hetzij Protestant of Roomsch-Katholiek) zijn gewetensvrijheid te handhaven.” Oranje verkocht zelfs zijn juweelen, zijn zilver en tapijten, om troepen te kunnen lichten. Het bedrag van zijn persoonlijke contributie bereikte de som van 50.000 florijnen.

Zijn broeders deden zooveel ze konden; Jan gaf een belangrijke som door middel van een hypotheek op zijn goederen. Lodewijk droeg 10.000 fl. bij. De voornaamste Nederlandsche steden, Antwerpen, Vlissingen, Amsterdam en andere, door de Nederlandsche kooplieden, die naar Engeland gevlucht waren, geholpen, brachten de som van 100.000 kronen op, juist de helft die Oranje noodig achtte, om hem in staat te stellen zijn leger in het veld te brengen. Den 17enApril schreef de Prins vertrouwelijk aan den Landgraaf van Hessen, dat hij op reis ging naar Keulen om daar of in de nabijheid af te wachten, “wat wij zullen moeten doen.” Het gerucht van de lichtingen was te veel verbreid. Ook deelt hij den landgraaf mede, dat hij gehoord heeft, dat Alva naar het klooster St. Bernard, vijf mijlen van Brussel, gegaan is, om zijn Paschen te vieren. Dit was hem niet aangenaam. De Prins had gehoopt, dat hij een ander klooster zou gekozen hebben, waarschijnlijk omdat er in die dagen plan heeft bestaan onder de vrienden van Oranje om den hertog op te lichten. Eindelijk zendt hij aan Willem van Hessen zijn Justificatie met verzoek die door te lezen en zijn bedenkingen tegen den vorm aan den brenger, Dr. Joh. Meixnern, mee te deelen. De Prins voelde zelf vooral bezwaren tegen het woordje “krijgstoerusting.”

“Is dat ook te hard of te scherp. Zou dit soms zoo kunnen worden opgevat, alsof wij uit een bijzonder genoegen den oorlog begonnen, in plaats van uit zuiver noodweer en zelfverdediging?” zoo vroeg hij.

Is het niet merkwaardig, dat we aan den vooravond van den 80-jarigenoorlog—want de proclamatie was het signaal van dien oorlog—in een vertrouwelijk schrijven van den Prins zulk een uiting van nauwgezetheid vinden? Men weet, hoe de laatste woorden door vorsten of diplomaten gesproken of geschreven voor de uitbarsting van een geweldigen oorlog, gewoonlijk later worden gebruikt om de een of andere partij of persoon de zedelijke schuld en verantwoording van het bloedbad op den hals te laden. Het pleit dus voor den Prins, dat het hem bij het opstellen zijner justificatie niet ontbroken heeft aan teederheid en fijnheid van geweten, want Oranje kon alleen een oorlog, uit zelfverdediging aanvaard, voor God en de toekomst goedkeuren.

1Egmonds titel was Prins van Gavere.

1Egmonds titel was Prins van Gavere.


Back to IndexNext