Hoofdstuk VII.Granvelle vertrokken. Verbond der Edelen. Oranje’s houding. 1565–1566.Er is misschien geen tijdvak uit de levensgeschiedenis van den Prins van Oranje, dat zóó door zijn vijanden gebruikt wordt om hem af te schilderen als het meest dubbelzinnig, huichelachtig en satanisch karakter, als het tijdvak, dat volgde op zijn zegepraal over Granvelle. En inderdaad, indien men slechts oppervlakkig de verschillende episodes daarvan beschouwt en zonder op het verband te letten het doen en laten van den Prins in die jaren gadeslaat, dan zou er veel te zeggen zijn voor de meening, dat Oranje in die jaren geen karakter openbaarde, dat eerbied en bewondering afdwong.Wanneer men vergeet, dat zijn karakter nog geheel in wording was, vergeet hoe zijn persoonlijkheid gevormd is door de omstandigheden en wanneer men hem in die jaren toetst aan hetgeen men noemt, een man uit één stuk, dan blijft er van eerbied en bewondering niet veel over. Wie hem echter ook in die jaren neemt gelijk hij was, wie gelooft, dat hij als mensch en als staatsman nog aan den aanvang van zijn ontwikkeling stond, die zal met deze fase van een leven, dat zich later zoo krachtig ontplooide, vrede kunnen hebben, ook al komt het niet in hem op, zijn zwakheden te verschoonen.In de eerste maanden na Granvelle’s vertrek scheen het, alsof de edelen de regeering in handen hadden en of home rule een voldongen feit was. De regentes scheen haar Nederlandschen raadgever geheel te vertrouwen en de Prins hoopte door wettige middelen de misbruiken weg te nemen. Margareta was zelfs zeer vriendelijk tegen hem; trouwens hoe gelukkig was zij, van den meesterachtigen kardinaal verlost te zijn. Dat de Prins bijzonder in haar gunst deelde, bleek wel hieruit, dat hij haar op de jacht moest begeleiden, menigmaal haar gast aan tafel was en dikwijls met de landvoogdes tot laat in den nacht werkte aan regeeringszaken.De Raad van State werd nu ook weer door Egmond en Oranje bezocht, maar al spoedig bemerkten zij daar, dat al hun arbeid met onmacht zou geslagen zijn, zoolang die Raad niet een andere bestemming had gekregen, want een eigenlijk regeeringswerktuig was dat lichaam niet, zijn taak was alleen raad te geven. Vandaar het voorstel van Oranje en Egmond om den Raad van State tot regeerend lichaam te maken en zijn macht zelfs zoo uit te breiden, dat de andere Raden tot bureaux zouden verlaagd worden. Margareta keurde dit plan goed, maar het stuitte af op den onwil van den koning, die wel Granvelle wilde opofferen, maar zijn regeeringsstelsel nooit.Viglius en Barlaimont bleven zich eveneens vijandig tegenover Oranje en zijn voorstellen tot verbetering van den toestand plaatsen, terwijl in het bijzonder Viglius met Granvelle in briefwisseling bleef, waardoor deze geheel op de hoogte werd gehouden van de gebeurtenissen in Brussel. Spoedig zou het blijken, dat men eigenlijk met Granvelle’s vertrek niets gewonnen had en dat deze eerste rooskleurige dagen weder het begin zouden zijn van nieuwe naderende onheilen.Met ’s Prinsen bijzondere zaken ging het ook niet naar wensch. Zoowel zijn geldmiddelen, als zijne echtgenoote, zoowel het prinsdom Oranje, als zijn Duitsche nabestaanden, kostten hem moeite en hoofdbreken. Hoe moeilijk het was zijn vermogen van schulden te zuiveren, bewijst o. a. de volgende brief aan Lodewijk:“Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van mij vordert en wel kan ik zeggen: “Sic ut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum” (zooals het in het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn, dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers; al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200 florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven, spoedig van de schulden bevrijd te zijn.Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten, want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is,Willem van Nassau.Uit Breda, 25 Jan. 1564.”De gezantschappen, in dien brief bedoeld, kwamen van de arme protestanten uit Oranje, die ter wille van hun godsdienst niet met rust werden gelaten. Evenals de Nederlanders waren zij ook verlangend naar hun afwezigen souverein, opdat die eenig belang zou stellen in hunne zaken.Meenden zij, dat de nieuwe godsdienst geen groote kans had, zich uit te breiden, de paus dacht daar anders over en zond in December 1563 een brief aan den Prins vol klachten over den treurigen toestand van den godsdienst in het kleine rijkje, een brief waarvan de inhoud neerkwam op de klacht: “Ketters, ketters overal!”De paus achtte den toestand noodlottig voor den staat, grievend voor alle katholieken en gaf niet onduidelijk te verstaan, dat als zijn vaderlijke waarschuwingen niet hielpen en de Prins voortging zijn duidelijken plicht te verwaarloozen, er dan gestrenger maatregelen genomen zouden worden. “Indien onze krachten en die van de heilige Roomsche kerk niet voldoende zijn, dan zullen wij tot menschelijke hulp onze toevlucht moeten nemen.”Ook de protestanten van Oranje deden daarop een beroep; zij schreven aan Calvijn en verzochten hem met hun vorst, ten behoeve van hun godsdienst tusschenbeide te komen.Nu de hulp van den Prins werd ingeroepen, zoowel door den paus als door de protestantsche bevolking, was het begrijpelijk, dat zijn houding tegenover den godsdienst en de godsdienstige verdeeldheid wel een noodzakelijk deel moest gaan vormen van zijn staatkundig program. Van persoonlijke sympathie voor de protestanten, van persoonlijken ijver voor den godsdienst was tot dat oogenblik bij Oranje geenerlei sprake.Terwijl hij echter de hervorming in de Nederlanden steeds meer vorderingen zag maken en hem dit als raadgever van Margareta vanzelf moest aanzetten tot eene besliste houding in de godsdienstquaestie, kwam daarbij nu nog uit zijn eigen vorstendom een roepstem van de aanhangers van het nieuwe geloof tot hem om bescherming. Begrijpelijk is het, dat het jaar 1564 daarom kan gelden als het merkwaardigste jaar, niet van zijn eigen godsdienstige bekeering, maar als dat waarin hij belangstelling in het godsdienstig vraagstuk aan den dag begon te leggen, al was het alleen maar, omdat de staatkunde er hem toe verplichtte. Oranje bevredigde de hervormden in zijn prinsdom voorloopig door aan den paus te schrijven, dat hij overeenkomstig de ligging van zijn vorstendom verplicht was zich te houden aan de Fransche edicten, die in die dagen, uitgenomen in Parijs, voor de protestanten zeer mild waren.Ook zijn huiselijke omstandigheden veroorzaakten den Prins zorgen en verdriet. Reeds in 1564 bleek Anna van Saksen een vreemde, zonderlinge vrouw te zijn. Zoo wordt verteld, dat de Prins zich aan tafel van de landvoogdes eens had uitgelaten over het vreemde leven, dat zijn vrouw leidde. “Zij at heel weinig en het gebeurde nu en dan, dat zij 14 dagen in haar kamer bleef zonder uit te gaan en zonder eenig gezelschap te willen hebben.” Zoo melankoliek was haar gemoedstoestand, dat dezelfde zegsman eens aan Granvelle schreef, dat de Prinses niet lang geleden in Brugge had vertoefd, maar dat zij ook daar niet uit haar kamer was geweest en dat zelfs, terwijl dagelijks de vensters gesloten bleven, zij geenander licht wenschte dan een kandelaar. Die melankolieke gemoedstoestand scheen zelfs van jaar tot jaar erger te worden, tenminste in 1565 schreef de Prins aan zijn broer Lodewijk over haar op een toon, die veel kwaads doet veronderstellen. De Prins draagt daar namelijk aan zijn broer op, eens bij den keurvorst van Saksen een boekje over zijn nicht open te doen. Hij mag gerust onderzoeken, zelfs bij haar kamenier, de kleine Duitsche, hoe en op welke manier zij zich gedraagt; haar eigenzinnigheid had haar reeds tot tamelijke ongehoorzaamheid gebracht en de Prins vreesde, al had zij ook beterschap beloofd, dat het toch weer zou terugkeeren. Lodewijk wordt daarin door Oranje verzocht maar eens aan den keurvorst te vragen, of hij eenig geneesmiddel wil bedenken voor de zielekwaal van zijn echtgenoote.Toch schonk Anna in December 1564 het leven aan een zoon, die Maurits werd gedoopt, doch die zoo ziekelijk was, dat hij reeds in Maart d. a. v. overleed. Het ontbreekt wel aan de noodige gegevens om al te groote gevolgtrekkingen te maken voor het karakter van den Prins uit zijn tweeden ongelukkigen echt, doch het kan niet anders, of die huiselijke tweedracht moet den vroeger maar al te lichtzinnigen Oranje tot meerder levensernst gebracht hebben. Het samenvallen van de ernstige gebeurtenissen van het land met zijn huiselijk onheil heeft ongetwijfeld meegewerkt tot de vorming van zijn karakter. En niet alleen zijn vrouw, ook zijn bloedverwanten kostten hem in die jaren hoofdbreken genoeg. De opvoeding en de positie van zijn jongsten broer Hendrik brachten veel zorgen en bemoeiingen mede, zooals we later zullen zien.Welke houding nam de Prins nu aan in de Nederlanden?In Augustus 1564 kwamen er orders van Filips II, die duidelijk toonden, dat de schijn van kalmte na Granvelle’s vertrek bedriegelijk was geweest en dat er een beroering voor de deur stond van vrij wat ernstiger karakter dan die door den kardinaal was veroorzaakt. Het concilie van Trente, dat reeds met tusschenpoozen van 1545 af was vergaderd geweest, eindigde in 1563 met bevestiging van de oude leerstellingen omtrent de absolute autoriteit der kerk.Voor den fanatieken koning van Spanje waren de eindbesluiten van het concilie natuurlijk van onfeilbare kracht en hij greep ze dan ook direct aan om aan zijn eigen besluiteloosheid ten opzichte van de Nederlanden voor goed een einde te maken. Aan Margareta werd bericht gezonden, dat de besluiten in de Nederlanden moesten worden afgekondigd en dat de inquisiteurs door alle burgerlijke ambtenaren gesteund moesten worden, teneinde tot volstrekte gehoorzaamheid aan die besluiten te dwingen en elk persoonlijk oordeel in zake den godsdienst te beteugelen.Reeds in 1525, gedurende de regeering van Karel V, waren er inquisiteurs aangesteld, wier plicht het was, met kracht de Hervorming tegen te gaan, terwijl tal van plakkaten waren uitgevaardigd, die hetzelfde doel beoogden. Ook onder Filips had het waarlijk niet ontbroken aan pogingen in diezelfde richting. De bisschoppelijke organisatie van 1561 bedoelde vooral, krachtigen steun te verleenen aan de inquisitie in de verschillende gewesten. Dat er luide protesten tegen dieinrichting werden vernomen, behoeft waarlijk geen betoog; was Brabant tot dien tijd er vrij van gebleven, in de andere gewesten bestond een krachtige oppositie tegen dien gruwel en sedert 1559 ontstond er ook bij Oranje verzet tegen de harde maatregelen, welke de inquisitie eischte.Het was den Prins duidelijk geworden, ook uit de jongste gebeurtenissen der naburige landen, dat de geest der hervorming overal doordrong en tevens, dat bestrijding van dien geest door middel van geweld veel meer uitbreiding dan vernietiging tengevolge had. Al was hij voor zichzelf tot heden trouw gebleven aan het katholieke geloof, of liever, al had hij zich persoonlijk weinig of niets om den godsdienst bekreund—al had hij de geheele wereld tot dien tijd wel Amadissen de Gaule in handen willen geven en gaillardes willen leeren dansen, om de melankolieke quaestie van den godsdienst te vergeten—ook hij begon toch in te zien, dat de godsdienst iets meer was, dan een zwaarmoedige stemming, die moest worden overwonnen; dat hij even groot gewicht in de schaal legde in het leven der individuen als der volken.Hij moest zich, geprikkeld door de onophoudelijke klachten over de ketterij in zijn vorstendom Oranje, aangevuurd door hetgeen hij onmiddellijk rondom zich in de Nederlanden aanschouwde—wel rekenschap gaan afvragen van de roeping van den staatsman tegenover het geloof.Is het daarom niet merkwaardig, dat nagenoeg in denzelfden tijd, in den nazomer van 1564, de Prins van Oranje een geheime samenkomst met François Baudouin in het bosch van Soignies had. Baudouin behoorde tot die eigenaardige geesten uit de 16eeeuw, die gelijk Cassander e. a., hoewel de dwalingen der kerk inziende, nochtans zoo afkeerig waren van den strijdlust der protestanten, dat ze naar verzoening streefden. Hij was Nederlander van geboorte, stond bekend als een groot jurist en daar hij reeds een verzoenende rol in Frankrijk en Duitschland had willen spelen, riepen de Nederlandsche grooten hem in 1563 naar zijn vaderland terug en benoemden hem tot hoogleeraar in Douai. De bedoeling was, dat Baudouin, eenmaal lid van den geheimen raad geworden, in vereeniging en overleg met Willem van Oranje mede zou werken tot eene nieuwe wetgeving op het punt der religie, waarbij eendracht in kerk en staat op den voorgrond zou staan.Hoewel de zaak geen gevolgen heeft gehad en Baudouin ten slotte niet de rechte bemiddelaar bleek te zijn, toch is deze poging van belang, omdat er duidelijk door wordt, hoe de Prins in 1564 zoowel door den toestand in Oranje, als door zijn positie in de Nederlanden, met alle macht zocht naar een ander middel dan de bloedige plakkaten, ten einde de rust in staat en kerk te herstellen. Aan eerbied voor de kerkleer, zooals die in Trente was vastgesteld, ontbrak het hem niet, maar afkeer van de bloedige vervolging, zucht tot vrede, deden hem en de zijnen opkomen tegen de noodlottige inquisitie en tegen alle gewelddadige maatregelen.Nemen we dit een en ander in aanmerking, dan is ons de houding van Oranje in den Raad van State geen raadsel meer, nadat Margareta in December 1564 met de grooten den toestand van het land had besproken en Viglius een veel te zwakke instructie had opgesteld voor Egmond, die persoonlijk naar Spanje zou gaan.Van de gedenkwaardige rede, welke toen door den Prins in den Raad van State werd gehouden en die Viglius zoo deed ontstellen, dat hij door een beroerte werd getroffen, is slechts een uittreksel van weinige regels bekend, maar deze zijn voldoende om ons te overtuigen,dat we Oranje op een van de hoogtepunten van zijn leven leeren kennen.Nadat door niemand bedenkingen waren ingebracht tegen het door Viglius opgestelde stuk, kwam aan Oranje de beurt, zijn stem erover uit te brengen.“Het is thans tijd,” zoo sprak de Prins, “ronduit te spreken en niet langer te verbloemen, want de toestand, waarin het land gebracht is, kan niet voortduren. De koning dwaalt, als hij meent dat Nederland te midden van landen, waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan; evenals elders zal men ook hier oogluikend veel moeten toestaan. En hoezeer ik aan het katholiek geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over het geweten hunner onderdanen willen heerschen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.”Zulke woorden waren nog nooit in den Raad van State gehoord en inderdaad openden ze een nieuw tijdvak in de verhouding van de Nederlanden tot Filips. De groote kampioen van de verdraagzaamheid en de gewetensvrijheid was met die woorden in den Prins geboren. Tot dien tijd had Oranje wel krachtiger aandeel aan het bestuur en uitbreiding van de bevoegdheid van den Raad van State gevraagd, maar toch altijd aan den koning beloofd, de ketterij mede te willen bestrijden, al was het niet langs den weg der bloedige plakkaten. Ook in zijne antwoorden aan den paus zette hij steeds nog zijn ijver voor de katholieke kerk en leer op den voorgrond.Nu echter komt hij openlijk voor den godsdienstvrijheid uit, in navolging van Duitschland, ook al bleef hij erkennen, voor zich zelf aan het katholiek geloof gehecht te zijn. Alles had, gelijk we zagen medegewerkt, om hem tot dat hooger standpunt op te voeren. Zonder nog zelf behoefte te hebben aan een reiner geloof, was er toch door zijn levenservaringen meer ernst in zijn gemoed gekomen; de landen, waartoe hij in betrekking stond, leerden hem dagelijks al meer en meer, dat de godsdienst als gewetenszaak der individuen niet aan banden te leggen was en zijn omgang met zijn Duitsche betrekkingen, die in gewetensvrijheid zooveel ruimer ademhaalden, dwong hem tot de erkenning, dat diezelfde vrijheid, trots den wil des konings, in de Nederlanden moest veroverd worden.Of Oranje, die zoo beslist had gesproken, veel vertrouwen had in de zending van Egmond naar Spanje, kan worden betwijfeld. En inderdaad, die twijfel zou gewettigd geweest zijn. Want het is bekend, dat Egmonds zending, hoe hij ook zich zelf eerst gevleid en gestreeld achtte met ’s konings beloften, geheel als mislukt was te beschouwen. In Brussel teruggekeerd, kon de graaf de vragen zijner achterdochtige vrienden niet beantwoorden en moest hij van Oranje de harde waarheid hooren, dat hij de algemeene belangen om zijn bijzondere verzuimd had.De Prins deed dat laatste in die dagen zeker niet, want dan had hij ook geen recht gehad, Egmond hard te vallen. Maar of we hem daarom als een held des geloofs hebben te begroeten op grond van die verdediging der godsdienstvrijheid in den Raad van State, deze vraag zou alleen bevestigend kunnen beantwoordworden door hen, die andere trekken uit zijn leven van die dagen voorbijzien, of daaraan ter wille van een vooraf opgevatte meening niet die beteekenis geven, die ze inderdaad hebben. Wij vinden namelijk in de briefwisseling van den Prins uit denzelfden tijd bewijzen te over, dat ook bij hem het tijdelijk belang groot gewicht in de schaal legde en die ons overtuigen, dat destijds ook bij Oranje “de zaak van den godsdienst geen bezielend idee, maar een schakel in zijn politiek plan was, waarin een zekere engbegrensde hervorming, een zekere godsdienstige verdraagzaamheid was opgenomen, als onontbeerlijk voor het eigen belang en voor het belang van het volk.”Vreemd klinkt het zeker, dat de Prins terzelfder tijd, dat hij in den Raad van State die lans voor de godsdienstvrijheid brak, briefjes vol toewijding aan den koning schreef met beloften van trouw aan zijn dienst en aan de zaak der religie. Ook van Filips ontving hij in die dagen meer dan één schrijven, om hem dank te zeggen voor de trouw, die hij in zijn dienst bewees. De Prins zegt zelf in een van die brieven o. a.: “Het was niet noodig, Sire, dat Uwe Majesteit mij aanbeval te willen voortgaan met de bevordering van den godsdienst, want zij kan zich verzekerd houden enz.”Nog vreemder echter schijnt het volgende: Juliana van Stolberg volgde met groote bezorgdheid de schreden van haar jongsten zoon Hendrik van Nassau. Zij vreesde telkens dat hij besmet zou worden met de paapsche afgoderij en vertrouwde hem nauwelijks te Leuven, waar hij nog zijn studiën in 1565 voortzette. Strookte het dan met de inzichten van die moeder, dat Willem van Oranje zijn jongsten broeder Hendrik bestemde voor kerkelijke ambten in het door en door streng katholieke Nederland? En toch, de Prins koesterde dit plan. De bisschop van Luik was gestorven en daardoor viel de zeer winstgevende betrekking van de proostdij van St. Salvator te Utrecht open. Naar dat ambt stond Oranje voor Hendrik en inderdaad gelukte die candidatuur in zoover, dat de jonge graaf van Nassau, met goedkeuring van den koning en met voorbijzien van meer dan één geestelijke, die er alle recht op kon doen gelden wegens geleerdheid en onberispelijkheid van zeden, het jaargeld ontving aan dat ambt verbonden; het ambt zelf kreeg een tegen-candidaat, de graaf van Rennenberg. Dit geschiedde in den aanvang van 1566, maar ook in 1565 waren Oranje’s zorgen voor Hendrik in strijd met de inzichten zijner moeder. Hij toch schrijft in Aug. 1565 aan zijn broeder Lodewijk o. a.:“Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden, komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat, zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen;want ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen, vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is, dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça, dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles tot groot schandaal en onze schande afloopen.”Daarop geeft hij zelfs in dien brief te kennen, dat er zich nog een andere gelegenheid heeft voorgedaan, om Hendrik te bevoordeelen. De graaf van Schauenburg was namelijk bij hem geweest met graaf van den Berg en die had hem beloofd, dat hij graaf Hendrik tot coadjutor van zijn proostdij Hildesheim wilde bevorderen. Oranje voegt daaraan toe, dat die betrekking een graaf zeer goed past en vooral deze woorden zijn merkwaardig, dat die betrekking geenerlei verplichting oplegt, dat ieder betreffende den godsdienst kan leven gelijk hem goeddunkt, mits men een weinig bescheiden is en de onderhoorigen niet worden gedwongen. Ook hoopte de graaf van Schauenburg, dat de broeder van den graaf van Königstein, graaf Christoffel, die de proostdij van Halberstadt bezat, Hendrik ook tot zijn coadjutor zou maken, welke proostdij zooveel rente gaf, dat de bezitter daarvan gemakkelijk 20 paarden met hun ruiters en equipage kon onderhouden. Buitendien lagen die beide proostdijen slechts 5 mijlen van elkander.“Waar ons zulke aanbiedingen gedaan worden, moeten we niet slapen, maar het met inspanning van al onze krachten trachten te bereiken en omdat het noodzakelijk is, daarvoor de goedkeuring van den paus te hebben, is het goed, dat mijn broeder hier is, anders is alle moeite vergeefsch.”Deze geheele zaak bewijst ten duidelijkste, hoe Oranje op dat tijdstip alle godsdienstige belangen ondergeschikt maakt aan de tijdelijke en het verwondert ons dan ook niet, dat Juliana van Stolberg en graaf Jan, hoe zij ook den oudsten zoon en broeder vertrouwden, in dit opzicht zijn raad, niettegenstaande den krachtigen aandrang van den Prins, niet hebben willen opvolgen. Wel weigerden zij niet absoluut, maar ze hielden de zaak slepend, zoodat Jan in den volgenden zomer aan Lodewijk schreef, dat hij nog steeds onwillig was, om Hendrik naar Brussel te doen terugkeeren. Hij vreesde den aankomenden jongeling onder katholieke invloeden te brengen. De daarop gevolgde toestand in de Nederlanden vernietigde van zelf dit plan omtrent Hendrik.Dit is het echter niet, dat ons het meest belang inboezemde, wel de kennis, die wij uit dien langen brief van den Prins aan Lodewijk putten omtrent Oranje’seigenlijke gezindheid. En dan kan niet ontkend worden, dat, hoe Oranje ook in den Raad van State voor godsdienstvrijheid pleitte, toch de godsdienst zelf voor hem in dat jaar nog geheel ondergeschikt gemaakt werd aan stoffelijke belangen. Van wezenlijken ijver voor de heiligste zaak is bij hem volgens dien brief geen sprake. De godsdienst vindt in de rij van andere stoffelijke belangen een gedrongen plaats. Wel moet erkend worden, dat Oranje zoowel als alle edelen in groote moeilijkheid geraakte door deze omstandigheden. Zij stonden tusschen twee uitersten in, die beiden als radicaal konden beschouwd worden en zij wilden een middenweg. Maar die middenweg werd de ondergang van den adel en de tijdelijke verduistering van Oranje’s ster. “De Nederlandsche adel had zijn belangen liever dan de zaak van den godsdienst.” De krachtige uitlatingen van den Prins in den bewusten brief over de belangen van graaf Hendrik laten omtrent hem zelf geen ander oordeel in dit tijdperk van zijn leven toe.In den daarop volgenden brief drukte de Prins, terwijl hij nog blijft aandringen op Hendriks komst, het grootste verlangen uit naar het gezelschap van Lodewijk, daar hij zich zoo bitter alleen en verlaten voelt. “Kom als het kan, al is het slechts voor 14 dagen.” Hij heeft behoefte aan zijn broeder zoowel voor zaken van belang als om zich met hem te ontspannen. Al moest hij tegen wil en dank erkennen, dat het noodzakelijk was, dat Lodewijk naar Dillenburg ging, zoo hoopte hij toch, dat hij intijds terug zou zijn voor de bruiloft van Montigny en dat hij deel zou kunnen nemen aan het tournooi.Lodewijks bezigheid in Duitschland was op dat oogenblik, in overleg te treden met de Duitsche vorsten en hij werd daar langer opgehouden, dan men verwacht had. Als trouwe hulp stond hij den Zwijger in die dagen niet minder dan later bij; thans vooral om mede te werken tot meerder eensgezindheid tusschen de verschillende protestantsche sekten. Hij was het geweest, die in 1564 den Prins tot Baudouin bracht, ten einde door dezen een middel te vinden om katholieken en protestanten te hereenigen. Nu was vooral Lodewijk bezig, een poging aan te wenden om een vergelijk tot stand te brengen tusschen de Lutheranen en de Calvinisten, terwijl hij hoopte de Duitsche vorsten zooveel mogelijk te verzoenen met zijn broeder, den katholieken Prins van Oranje, wien hij tevens raad en steun vroeg.Dit toch werd met den dag een dringender eisch. De toestand in de Nederlanden werd hoe langer hoe meer gespannen. Weer duurde het geruimen tijd, eer na Egmonds terugkeer uit Spanje de koning aan zijn belofte voldeed, om nader te schrijven. Hij was er eerst niet tegen, een vergadering van geestelijken en rechtsgeleerden te beleggen, die zouden beraadslagen over andere middelen tot wering der ketterij, maar het advies dier vergadering, om verzachting der straf in enkele gevallen toe te staan, droeg allerminst de goedkeuring des konings weg.Daarom schreef Filips weder na maanden op den 17enOctober 1565,“dat de straffen niet verminderd mochten worden; de inquisitie moest blijven, gelijk ze was en dat de magistraten en de regenten die moesten steunen.”Deze heillooze brieven uit Segovia werden in de eerste dagen van November te Brussel ontvangen. Filips’ orders waren ondubbelzinnig, maar het was hoogsttwijfelachtig, of het in de macht van zijn zuster zou liggen, die orders uit te voeren. Op het verzet van het volk werd in geen enkel opzicht acht geslagen. De plakkaten moesten zonder eenig voorbehoud worden toegepast. Margareta sprak verscheiden dagen niet over den inhoud van die brieven, maar haar sombere stemming kon ze niet verhelen; niet moeilijk was het naar de oorzaak daarvan te gissen.Tegen December werd er een vergadering van den Raad van State bijeengeroepen. De brieven van Spanje werden voorgelezen en de ontroering daarover was algemeen. Egmond, “de gelukkigste man der wereld”, zooals hij zich bij terugkeer in een brief aan Filips noemde, erkende nu voor het eerst, dat alle beloften, die de koning hem mondeling had gedaan, volkomen waardeloos waren. Viglius zelfs, blijkbaar bevreesd over de heillooze uitwerking op de gespannen gemoederen, gaf den raad, nog eenmaal de zaak bij Filips terug te brengen, althans slechts gedeeltelijk den wil des konings te volvoeren en in de aanschrijving geen gewag te maken van de inquisitie. Maar Oranje verklaarde zich, nu het na zoovele ervaringen gebleken was, dat de koning geen acht wilde slaan op de stem des volks, tegen alle halfheid en voor de onmiddellijke uitvoering van de bevelen. Het was nog beter, dat het volk wist, waaraan men zich voortaan te houden had, dan het langer in onzekerheid te laten.De koning van Spanje zou toch niet—dat was duidelijk genoeg gebleken—van gedachten veranderen; een middenweg was niet meer te vinden. In dien zin werd dan ook besloten. Aan de stadhouders en aan de gerechtshoven zouden lastbrieven gezonden worden, om ’s konings bevelen onverwijld op te volgen. Toen dat besluit was genomen, moet Oranje iemand naast hem in de ooren gefluisterd hebben: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien.” Viglius, die die woorden heeft medegedeeld, voegde er bij, dat de Prins ze uitsprak, “als ware hij verblijd en bij voorbaat zeker van de overwinning.”Er is geen ander bladzijde uit ’s Prinsen leven, waaruit door zijn vijanden tot heden toe meer venijn getrokken is, dan uit die houding en die woorden van Oranje. Hier wordt hij niet langer alleen de huichelaar en de eerzuchtige gescholden, hier wordt hij voorgesteld als de satanische geest, als de Lucifer, die er behagen in had de lont in het kruit te werpen, die, hoewel beseffende dat zijne daad de droeve tragedie van den oorlog zou openen, met een vroolijk gelaat en als zeker van zijne overwinning, al de ellenden en gruwelen van den afval van Spanje en den koning op zijn geweten had.Zeker uit het oogpunt van zijn feilen bestrijder, daarbij nog voorgelicht door den subjectieven indruk, dien Viglius ontving, is er inderdaad iets satanisch in Oranje’s houding op dat oogenblik. Wat kan vreeselijker gedacht worden, dan met volle bewustzijn, louter gedreven door persoonlijke eerzucht en al de jammerlijke gevolgen aan zijn daad verbonden kennende, van zulk een tragedie met lachend gelaat, niet de aanleiding, maar de onmiddellijke oorzaak te zijn. Wij zullen dan ook die opvatting niet veroordeelen, want op een bevooroordeeld standpunt is geene andere opvatting mogelijk. Op dat standpunt is Willem van Oranje hier terecht de incarnatie van dien Lucifer, wien Vondel deze woorden in den mond legt, als Belzebub hem voor goed heeft gewonnen voor den opstand tegen God:Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelfZoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogenTe bersten springen en verstuiven voor onz’ oogen,’t Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen rompDit wonderlijk heelal in zijnen mengelklompEn wilde woestheid weer verwarren en verkeeren.Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.Geheel anders wordt echter onze voorstelling, indien we ons te binnen brengen, dat er aan dat hemelsblauw gewelf van de Nederlanden reeds lang zeer donkere en onheilspellende wolken waren aanschouwd; dat de man die die woorden sprak: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien,” langzamerhand ontwaakte tot het bewustzijn van zijn roeping; dat zijn karakter bezig was zich te vormen voor den grooten strijd, die niet uit kon blijven, nu de koning van Spanje zich zoo onwijs bleef verzetten tegen den geest van het volk en den geest van zijn tijd.Moedig was integendeel de daad van den Prins na de heillooze brieven uit Segovia; noem het een somberen moed, mij wel; want niet elk sterveling is er op aangelegd, om op die wijze de lont in het kruit te steken; maar evenmin als het ons voegt een steen te werpen op historische personen, die mannen van staal en bloed zijn geworden, omdat zij een hoog volksideaal tot verwezenlijking moesten brengen door bloed en tranen heen, al blijft ook hun karakter, uit het oogpunt van de gangbare moraal raadselachtig; evenmin voegt ons hier een oordeel over Willem van Oranje, die door zijn houding in den Raad van State de droeve tragedie met volle bewustheid heeft geopend.De gebeurtenissen moesten hun loop hebben; wie de verantwoordelijkheid van die gebeurtenissen op zich neemt, zal altijd blootstaan aan het oppervlakkig oordeel der menigte. Wij zijn niet van meening, dat deze bladzijde tegen den Prins getuigt. Zelfs onpartijdige historieschrijvers hebben er Oranje om veroordeeld; anderen hebben getracht de beteekenis der woorden te verzwakken. Wij daarentegen vinden in deze fase, toen het den Prins nog ontbrak aan den hoogen en diepen ernst van waren godsdienst, toen hij, hoewel geneigd de slachtoffers van de inquisitie te beschermen, toch nog voor tijdelijke belangen voorgaf den R-Katholieken godsdienst aan te hangen; wij vinden er een echt menschelijke uiting in van een wordend karakter en wel verre van hier een Lucifer-incarnatie in hem te aanschouwen, begroeten we hem hier als een geestverwant van dien ander, die somber de wonderspreuk uitte: “Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard.”Het is te begrijpen, hoe grooten indruk het in de gewesten maakte, toen men vernam, dat ’s konings bevelen moesten worden uitgevoerd. De hervorming, die onder alle standen en rangen der maatschappij reeds wortel had geschoten en zich vooral in Antwerpen onder de Duitsche kooplieden, daar woonachtig, zich sterk had uitgebreid, was niet meer te keeren en er was dan ook in 1565 slechts één verlangen onder het volk: dat Filips zijn eischen zou matigen. Het misnoegen was werkelijk zeer groot; overal, op straat, in de herberg, op het veld, op de markt of in de kerk, bij eene begrafenis of bij een bruiloft, zoowel op het kasteelvan den edele, als in de hut van den landman, zoowel in de woning van den daglooner, als onder de kooplieden op de beurs—overal en altijd werd slechts over dat ééne verschrikkelijke onderwerp gesproken.Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)In Brabant, dat altijd krachtens bijzondere privilegiën van de inquisitie was verschoond gebleven, wilde men de nieuwe inbreuk op de rechten van het volk niet dulden en in Vlaanderen en Namen protesteerde men ook krachtig. Geen wonder, dat de stadhouders der verschillende gewesten er bezwaar in hadden, de bevelen uit te voeren en verzochten, vervangen te worden door mannen, die zich in staat zouden achten, de bevelen van Filips op te volgen. Ook Oranje gaf in zijn qualiteit van stadhouder te kennen, dat de uitvoering, waartoe hij als lid van den Raad van State had moeten meewerken, voor hem ondoenlijk was.In den zomer van 1565 was tijdens een verblijf van Lodewijk van Nassau te Spa, het eerste denkbeeld omtrent een verbond van edelen ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk, dat het niet alleen gezondheidsredenen waren, die Lodewijk bewogen daar de baden te gebruiken. Spa was, evenals in onze dagen verschillende badplaatsen, in dien tijd dikwijls het vereenigingspunt voor andere doeleinden dan het watergebruik.Zeker, Lodewijk was op dat oogenblik ongesteld; Oranje vraagt hem naar den invloed van de baden op zijn gezondheid en Brederode waarschuwt hem op zijn manier, om toch niet te veel water te drinken en den wijn niet te vergeten, maar de Prins schreef ook tevens aan zijn broeder, dat zijn verblijf te Spa, nu Bergen daar ook was, misschien een goede gelegenheid zou zijn, “om een weinig te praten over de zaken, die wij overlegden.”Onbekend is, of Bergen, met wien Lodewijk in Spa druk verkeerde, heeft deelgenomen aan de besprekingen, die op de badplaats de aanleiding zijn geworden tot het verbond der edelen.Lodewijk van Nassau ontmoette aldaar eenige leiders van de Calvinistische partij, twee edelen, n.l. Jan van Marnix, den broeder van Marnix van St. Aldegonde en Nicolaas de Hames, wapenheraut van het Gulden Vlies en een vertegenwoordiger van den rijken burgerstand Gilles le Clercq van Doornik. Over die ontmoeting, of ze toevallig was, dan op afspraak berustte, noch over de bijzonderheden van de samenkomst bestaan eenige berichten. Alleen weet men met zekerheid, dat er met Lodewijk door de drie genoemde personen van gedachten gewisseld is over het oprichten van een verbond, tot verdediging der gewetensvrijheid.Of de Prins hiervan geheel was ingelicht, is onzeker. In ’t algemeen ried de voorzichtige man in die dagen groote behoedzaamheid aan, gelijk o. a. blijkt uit zijn reeds vermelden brief over Hendrik, waarin hij aan Lodewijk den raad geeft, toch zoo weinig mogelijk te schrijven over dergelijke zaken, hetgeen waarschijnlijk ziet op de hulp, die men van de Duitsche rijksvorsten wachtte.Wat te Spa begonnen was, werd in het einde van November te Brussel voltooid. Ondertusschen waren de brieven uit Segovia gekomen en was de toestand veel meer gespannen geworden. Het huwelijk van Alexander Farnese met Donna Maria van Portugal werd te Brussel gevierd en daar het hof bij die gelegenheid openstond voor alle Nederlandsche edelen van hooger en lager rang, hadden dezeeen ongezochte gelegenheid meermalen samen te komen, zonder dat dit achterdocht zou wekken. Ook Lodewijk van Nassau kwam einde November uit Dillenburg om deel te nemen aan alle feesten, maaltijden en vermaken, waartoe dat huwelijk aanleiding gaf.Geen wonder, dat bij die gelegenheid weer het onderwerp van Spa ter sprake kwam. Men trachtte de jonge edelen voor het denkbeeld van een verbond te winnen en in het paleis van Floris van Pallandt, heer van Culemborg, werd er na het aanhooren van eene predikatie van den Calvinistischen prediker Junius, die te Antwerpen leeraar was, over de zaak gesproken, hetgeen twee dagen later ten huize van den genoemden de Hames tot hetCompromis der Edelenleidde. De hoofdpersoon in die vergadering was Jan van Marnix, heer van Toulouse. Dezelfde mannen dus, die het vier maanden geleden te Spa hadden beraamd, waren hier de voornaamsten, die het oprichtten; terecht kan men hen niet beschuldigen in overijling gehandeld te hebben.Een belangrijke vraag doet zich nu voor, n.l. in hoeverre de Prins aandeel heeft gehad aan dat verbond en hoe zijn houding daarbij was, want ook hier zal het ons blijken, hetgeen trouwens elke bladzijde van het leven van den Prins van Oranje bewijst, dat het moeilijk, ja onmogelijk is, zijn persoon uit de gebeurtenissen te lichten. Het blijkt ons, dat Willem van Oranje tegenover het Compromis der Edelen van het begin af eer waarschuwend en intoomend, dan aansporend en opwekkend gestaan heeft. Zijn broeder Lodewijk was zeer voortvarend geweest, al verklaarde hij later ook in zijn Apologie, dat hij eerst niet had willen teekenen, maar er slechts op aandrang zijner vrienden toe was overgegaan; in Maart 1566 was Lodewijk reeds met Hendrik van Brederode, de erkende leider der beweging.De Prins hield niet op, hem in den aanvang althans te waarschuwen, zich toch niet te veel bloot te geven; zelfs vond Oranje, dat Lodewijk zich reeds te ver had gewaagd. Men beschuldigde Lodewijk zelfs de hand te hebben gehad in een geschrift tegen de inquisitie. Zijn broeder keurde in den aanvang het Verbond der Edelen af als een begin van opstand tegen de regeering, vandaar dat hij den graaf naar aanleiding van het gerucht, dat hij de schrijver zou zijn van het stuk, dat in den nacht van 23 December op drie of vier plaatsen in Antwerpen was aangeplakt, het volgende schrijft:12 Januari.“Mijn broeder!Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen.”Het blijkt uit dezen brief, dat, hoe groot ook de vertrouwelijkheid tusschen den Prins en zijn broeder Lodewijk moge geweest zijn, Oranje toch meende, dat hij niet in al de geheimen van Lodewijk deelde.Willem van Oranje bleef, wilde althans in 1566 de loyale dienaar van den koning blijven. Hij wilde den strijd tusschen de onderdanen en den souverein vermijden, zoolang het mogelijk was. Wel had hij niet geaarzeld, om in den Raad van State den raad te geven ’s konings bevelen uit te voeren, doch al wist hij, dat dit ’t begin zou zijn van een jammerlijk treurspel, tot de opening daarvan verder mee te werken, achtte hij in 1566 nog ongeoorloofd.Hij voorzag de mogelijkheid van ernstige onlusten, maar zocht tegelijk naar het middel om ze te voorkomen. Geen wonder, dat de schijnbare tegenstrijdigheid zijner handelingen in dat jaar aanleiding heeft gegeven tot verklaringen van den kant zijner vijanden ten nadeele van zijn karakter. Dubbelzinnigheid en huichelarij zijn karaktertrekken van den Prins, in den mond zijner vijanden bestorven. Voor hem, die althans iets dieper weet te peilen in zijn ondoorgrondelijk karakter, is zijn houding in dat jaar niet geheel onverstaanbaar. En al zullen wij niet ontkennen, dat Oranje in 1566 de kracht van den volkswil heeft miskend, dat hij m. a. w. nog steeds de staatsman in wording was, de snelle loop der gebeurtenissen, die dagelijks de kans van burgerkrijg vermeerderde, maakte hem, die in 1566 nog geen vaste plannen had, destijds besluiteloos en angstvallig.Wie een karakter, als dat des Prinsen wil beoordeelen en hem in dat voor den staatsman zoo bange jaar 1566 wil begrijpen, mag dit bij de volgende uiteenzetting geen enkel oogenblik uit de gedachte verliezen. Ook mag men de verschillende qualiteiten niet vergeten, waarin de Prins moest handelen. Als lid van den Raad van State had hij de onmiddellijke opvolging van Filips’ bevelen mede doorgevoerd; als stadhouder moet hij ook toen reeds het onmogelijke van die uitvoering begrepen hebben. Althans hij schrijft op den 24enJanuari 1566 aan Margareta o.a. het volgende:“Ik heb de brieven van Uwe Hoogheid ontvangen, waarin Zij mij den wil van Z. M. op drie punten te kennen geeft, mij uitdrukkelijk bevelende in alle plaatsen van mijn stadhouderschap elk dezer stiptelijk te doen uitvoeren. Hoewel ik nu Mevrouw, in die zaak van zulk een groot gewicht en gevolg om advies gevraagd ben (natuurlijk in zijn qualiteit van stadhouder), zoo gevoel ik mij toch, als loyaal dienaar en vazal van Z. M., die begeerig ben om te verrichten al wat ik aan mijn staat en eed verschuldigd ben, verplicht, mijn meening rond en open te zeggen, daar ik liever de kans loop voor ’t tegenwoordige ondank in te oogsten wegens mijn waarschuwingen en betoogen, dan door oogluiking en stilzwijgen, na de verwoesting van het land, geblameerd te worden van ontrouw en verwaarloozing als stadhouder.”Achtereenvolgens bespreekt hij dan de drie punten. Wat de uitvoering van de besluiten van het concilie aangaat, de reformatiën der priesters en andere kerkelijke verordeningen, dat zijn zaken, die niet tot zijn roeping behooren; die zal hij overgeven aan hen, die er mee belast zijn en zorgen, waar het noodig is, dat aan het bevel des konings wordt voldaan.Wat echter het tweede punt betreft, dat de stadhouders en andere ambtenaars de inquisiteurs moeten helpen, dienaangaande schrijft hij aan Margareta:“Uwe Hoogheid moet zich herinneren, dat de klachten en moeilijkheden,door de bisschoppelijke organisatie verwekt, geen anderen grond hadden, dan de vrees, dat men onder dit voorwendsel eenigen vorm van inquisitie zou invoeren. Want niet alleen de uitvoering, maar reeds de naam er van klinkt hatelijk en onaangenaam.“Buitendien kan Uwe Hoogheid weten, dat Zijne Keizerlijke Majesteit en Koningin Maria herhaaldelijk aan de inwoners van de Nederlanden verzekerd hebben, dat de inquisitie in deze landen niet zou worden ingevoerd, maar het geheele land zou bestuurd en geregeld worden als van ouds.“Die verzekeringen en beloften hebben den handel dezer landen steeds doen bloeien.“Wat aangaat het derde punt, om al de plakkaten door den keizer en den koning uitgevaardigd, in al hun gestrengheid toe te passen, Mevrouw! dit schijnt mij zeer moeilijk toe, daar de plakkaten zoo talrijk en verschillend zijn geweest en nooit ten strengste zijn opgevolgd, zelfs niet in den tijd, toen de algemeene ellende niet zoo groot was als tegenwoordig. Hunne uitvoering zou ondragelijk zijn en is derhalve niet raadzaam.”De Prins gaat zoo ver, dat hij zegt, dat de godsdienstige vrijheid in naburige landen de onderdrukking zeer onrechtvaardig zou maken en, volgens hem zou het het toppunt van dwaasheid zijn, de hartstochten op te wekken, juist nu het volk in zulk een groote bezorgdheid verkeert wegens de duurte der tarwe. Hij hoopt, dat alle gestrenge maatregelen zullen uitgesteld worden tot Filips zelf hier zal komen, om door zijn tegenwoordigheid al het kromme weer recht te maken. Hij eindigt met te zeggen dat, als de koning, in spijt van zijne waarschuwingen, blijft aandringen op de uitvoering van zijne bevelen, hij liever zijn ambt wil nederleggen, dan de “blaam mij op den hals te halen, die me zou bevlekken, als aan het land, waarover ik als stadhouder ben aangesteld, een ongeluk overkwam.” Met vernieuwde uiting van trouw aan den koning eindigt dit schrijven. Zoolang hij leeft, zal hij al wat hij in de wereld heeft, in den dienst van Z. M. en het land stellen, zijn persoon, ja vrouw en kinderen zelfs.Deze uitdrukking van loyaliteit ware ongetwijfeld in verband met hetgeen reeds was voorafgegaan onverklaarbaar, als niet deze uitzondering daarop gemaakt werd: “Behalve indien de zaken van het land anders gaan, dan voor de welvaart noodig is.”En geen wonder, dat hij die uitzondering als mogelijk stelde. Want al keurde hij in den aanvang het Verbond der Edelen af, hij verdacht Filips in diezelfde dagen reeds maatregelen te beramen, om zijn plannen met geweld in de Nederlanden door te voeren. Er kwamen toch berichten tot hem, dat de koning aan hertog Eric van Brunswijk, een der weinige Duitsche vorsten, die voor geld beide partijen wilde dienen, bevolen had troepen te verzamelen, teneinde de rebellen te straffen. Op die mogelijkheid was de Prins dan ook terzelfder stond bedacht en hij schreef aan Lodewijk om toch George von Holl en andere Duitschers te overreden, naar de Nederlanden te komen, “hetgeen zij zeker zouden doen, als zij alles wisten.” Hij schreef zelfs: “Hoe rustiger de zaken kunnen gehouden worden, des te beter; wees alleen gereed met het oog op mogelijke gebeurtenissen.” Ja wat nog meerzegt, in die dagen ging de gedachte reeds in hem om, het land te verlaten, onder voorwendsel, deel te nemen aan de beraadslagingen van den Duitschen Rijksdag. Twee motieven drongen hem daartoe. Allereerst de sympathie van Maximiliaan II voor de Lutherschen en tevens het beroep, dat hij bij den Rijksdag zou kunnen doen op het verdrag van Augsburg van 1548, waarbij de Nederlanden wel als een afzonderlijke kreits waren erkend, doch niet alle banden met Duitschland waren opgelost. Zelfs dacht hij na over pogingen om geld op te nemen, indien het noodig was.Uit een en ander blijkt, dat Oranje zelf ook wel degelijk op toekomstige mogelijke gebeurtenissen bedacht, gereed wilde zijn, als die gebeurtenissen hem dwongen een andere houding aan te nemen, dan die van loyaal dienaar des konings. Maar toch was het verschil tusschen hem en de stormachtige edelen, die hun verbond hadden gesloten, zeer groot.Gedurende den winter was Oranje in Breda, van waar hij vele brieven schreef aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, om hun den staat van zaken in de Nederlanden duidelijk te maken en hun raad in te winnen. Elke stap voorwaarts moest met groote zorg gedaan worden. In het eind van Februari was er een groot aantal edelen in Breda. Die hadden in dien tusschentijd niet stil gezeten. Zoowel met het beramen van plannen als met het winnen van nieuwe leden hadden de verbondenen de laatste maanden doorgebracht. Vooral onder den lageren adel breidde zich van dag tot dag het verbond uit. Van het verbondschrift, waarschijnlijk het werk van St. Aldegonde, waren afschriften gemaakt en in een paar maanden stonden twee à driehonderd namen op de lijsten. Wat hunne plannen aangaat, met zekerheid is dit niet te zeggen. Doch volgens Junius, denzelfden predikant, die bij de oprichting aanwezig was, waren de verbondenen voornemens zich van Antwerpen meester te maken en vandaar uit het land in beweging te brengen. Van die plannen hoorde de Prins nu in Breda in ’t eind van Februari en hij keurde ze ten stelligste af. Ook Nicolaas de Hames was daarbij tegenwoordig.Teneinde het verschil naar waarde te schatten, dat er bestond tusschen de revolutionaire partij onder de edelen, die voor geen geweld terugdeinsden en den voorzichtigen Prins, is het merkwaardig in dit verband een brief van dien Nicolaas de Hames te lezen, die voor geen heftigen maatregel terugdeinsde en die onder den indruk van de voorzichtige, afwachtende houding van Oranje, al zijn spijt en wrevel in een brief aan Lodewijk uitdrukt:“Monseigneur! Sedert uw vertrek uit deze landen hebt gij, naar ik meen, van niet een der verbondenen eenig bericht gehad betreffende onze zaak; al hebben wij verscheiden malen zeer begeerd een middel te vinden om u op de hoogte te houden van de dingen, die wij in grooten getale hebben behandeld, zonder tot eenig besluit te komen. Zoo stonden de zaken, toen op de laatste vergadering, waar Mr. de Warou, luitenant van den admiraal, Mr. Dolhain, Mr. de Louverval, Mr. de Toulouse, Mr. de Leefdael en ik tegenwoordig waren, een besluit werd genomen, dat volgens het oordeel van allen voordeeliger en gemakkelijker was, dan een der andere plannen, die vroeger geopperd waren. Wij namen het onder correctie en advies van den Heer van Brederode, wien wij alle bijzonderheden der ondernemingmededeelden, terwijl we den Prins alleen het algemeen plan vertelden. Brederode vond de zaak uitstekend, de Prins verwierp het algemeene denkbeeld; hij hield zich verzekerd van den onmogelijken uitslag. Hij is van meening, dat we de toevlucht tot de wapenen nog niet mogen nemen en zonder deze is het ons onmogelijk, ons plan uit te voeren. Met een ongelooflijk verlangen zien wij uw terugkeer tegemoet hopende, dat gij zult helpen, om het vuur in de harten van die heeren te doen ontvlammen, die te langzaam vooruit willen en daardoor krachteloos zijn.Zij willen dat wij tegenover de koppigheid en de verstoktheid van die begeerige wolven slechts remonstranties en requesten, kortom alleen woorden zullen stellen, daar waar zij van hun kant niet ophouden te verbranden, te onthoofden, te verbannen en op allerlei wijze hun woede te uiten. Wij hebben het middel in de hand, om zonder oproer, zonder moeilijkheid, zonder bloedstorting, zonder oorlog hen te beteugelen en men wil het niet. Welnu, laten wij dan de pen en zij het zwaard ter hand nemen, wij de woorden, zij de daden. Wij zullen huilen en zij zullen lachen. De Heer zij over alles geprezen, maar zonder tranen kan ik u dit niet schrijven. Alle arme geloovigen zijn radeloos, ziende dat het geneesmiddel zoo wordt uitgesteld. Een tijdlang hebben we ze getroost met de belofte van spoedige hulp, maar door de lauwheid van hen, die er het meest voor moesten bezield zijn, zie ik die hulp nog op een verren afstand. De vier steden van Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven en ’s Hertogenbosch) hebben aan den kanselier en de raden van hun gewest een geschrift aangeboden, betreffende het laatste bevel, maar het schijnt, dat zij de vroegere edicten erkennen, alleen de inquisitie verwerpen en met den naam spelen, terwijl ze de zaken laten, gelijk ze zijn.Men zegt, dat Vlaanderen een dergelijk geschrift gereed maakt. Ook Holland. Maar ik zie niet in, dat er eenige vrucht van al dat schrijven kan komen; altijd zal men weer van voren af beginnen. De ziekte en het verderf van onzen staat zijn te groot, om die te genezen met zachte dranken en siropen. Er moet een veel sterker purgatief of fistel worden aangewend. De Staten-Generaal hebben volle macht, zij zijn het eenig geneesmiddel voor onze kwalen; wij hebben zonder twijfel het middel in onze macht om die vergadering samen te brengen, maar men wil niet genezen zijn. Hoe meer men de venusziekte vleit en liefkoost, des te kwaadaardiger wordt zij en verbreidt zich totdat de aangetaste op het kerkhof ligt. Onze venusziekte is de corruptie van het geloof, van het recht, van de munt; eindelooze schulden, achteruitgang, ja bijna vernietiging van den adel; ambten en bedieningen in de handen van enkel onwaardige personen. Ja komaan, genees dat alles eens met woorden!”Nicolaas de Hames eindigt dien merkwaardigen brief met een oproep tot Lodewijk van Nassau, om toch spoedig te komen en van raad te dienen en zeker tractaat mee te brengen, dat hij beloofd had, de redenen behelzende, waarom de ondergeschikte magistraat de wapens kan opnemen, als de opperste magistraat slaapt of tyranniseert. Wij noemen dien brief hoogst merkwaardig, omdat een man, zeker van heftig karakter, maar van een edele gezindheid, hierin krachtig het verschil uitspreekt, dat er bestond tusschen deedelen, die wilden doortasten en degrooten,die tot voorzichtigheid aanspoorden. Het zal wel altijd moeilijk blijven juist te beoordeelen wie te dezen opzichte gelijk had. Merkwaardig is het zeker, dat de stichters van het Verbond der Edelen reeds in 1566 hetzelfde plan koesterden, als tien jaren later tot uitvoering kwam. Terecht begrepen zij, dat Filips zich door geen woorden tot het verleenen van godsdienstvrijheid zou laten bewegen; dat alleen geweld van wapenen zou kunnen beslissen.Maar of Oranje en de zijnen daarom niet nog hooger stonden, die op dat oogenblik nog van dat geweld afkeerig waren, die vraag zou ik niet gaarne ontkennend beantwoorden. Althans bewees hij daardoor te begrijpen, dat de poging die de edelen zich voorstelden te doen, hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben zou en wel zou afstuiten op dezelfde tweedracht en naijver, waardoor zelfs tien jaar later de pacificatie van Gent werd verijdeld.Toch begrijpen we aan den anderen kant het ongeduld van mannen als De Hames zeer goed. De aarzeling en beraadslaging, de terughouding en voorzichtigheid, waarmede Oranje elken stap voorwaarts deed, de rem toepassend bij elke wenteling van het wiel, waren ontmoedigend voor mannen van één denkbeeld, die begrepen, dat het vroeg of laat toch tot wapengeweld moest komen. Daartegenover was het natuurlijk, dat de Prins, die de gevolgen kende van den burgeroorlog in Frankrijk, door dergelijke oorzaken aangewakkerd als hier aanwezig waren en die wist, hoe daar het geneesmiddel nog erger dan de kwaal scheen te worden, waarschuwde tegen gewelddadige maatregelen.De samenkomst te Breda in ’t eind van Februari had den Prins geleerd, dat de vurige partij onder de edelen niet licht haar plan zou opgeven; de brief van De Hames onder den indruk dier samenkomst geschreven, kan ook ons daarvan overtuigen. Mannen als De Hames zouden, aan zichzelf overgelaten, tot onberaden stappen komen.Vandaar dat enkele dagen, nadat de Prins de plannen van die partij ten sterkste had afgekeurd, door hem eene samenkomst van de voornaamste grooten, eerst in Breda en kort daarop te Hoogstraten werd geleid, waarin hij dezen ter voorkoming van de gevaren die uit het Verbond der Edelen konden voortvloeien, opwekte zich met hem aan het hoofd der beweging te plaatsen.Welk plan daar te Hoogstraten door den Prins zelf geopperd werd, is niet geheel zeker. Wel bewijst de aanwezigheid van Lodewijk van Nassau en van George von Holl aldaar en het beroep, dat de Prins op hen deed, dat de gedachte toch ook in hem omging, om desnoods door wapengeweld het land tegen een aanval van Spaansche troepen te verdedigen. Misschien wilde hij wel, zonder zich van Antwerpen meester te maken, de Staten-Generaal bijeenroepen en gedekt door de toezegging van vreemde hulptroepen, vrij met den koning onderhandelen. Doch ook aan dit plan, zoo het aldus werd voorgesteld, lag wapengeweld ten grondslag en daarvan wilde Egmond niets weten. Ook Meghen en Mansfelt kozen Egmonds zijde.Het is hier de plaats niet om een oordeel over Egmond uit te spreken. Hard, zeer hard wordt hij om die houding aangevallen; door anderen, die zijn loyauteit blijven roemen, daarom geëerbiedigd, al bejammeren ook deze zijn nauwgezetheid, die zooveel ongeluk aan het land berokkende. Doch, terwijl we het oordeel in dezenover Egmond aan anderen overlaten, die zijn karakter bestudeeren, voor ons, wie het te doen is om den Prins, is daarom alleen Egmonds verzet te Hoogstraten merkwaardig, omdat de Prins ook toen zijn ontwerp opgaf en ten stelligste aanried, de daden nog uit te stellen en alleen met woorden te beginnen.Het is jammer genoeg, dat Egmonds voorbeeld zoo aanstekelijk op den Prins heeft gewerkt. In 1566 en 1567 zullen we Oranje meer dan eens onder den invloed van Egmonds versaagdheid zien. De kracht van den volkswil heeft hij in het eind van 1566 miskend en in plaats van in 1568 had hij wellicht beter gedaan in dat jaar reeds de vaan van den opstand te ontrollen.Aan Lodewijk van Nassau werd opgedragen, het adres van de edelen aan Margareta op te stellen. Hij en Brederode waren in Maart de erkende leiders. Doch ook de Prins had grooten invloed op den inhoud van het smeekschrift; althans terwijl Lodewijk met de samenstelling bezig was, vertoefde hij meestal bij zijn broeder in Breda. Gezamenlijk zou dit smeekschrift aan de landvoogdes worden aangeboden. Op uitdrukkelijk verlangen van Oranje zouden de edelen bij die aanbieding ongewapend verschijnen. Het mocht geen revolutionaire maatregel zijn, maar een eenvoudig protest tegen een regeeringsdaad.Nadat de zaak alzoo geschikt was, viel er nog veel te doen voor hen, die aan het hoofd stonden en met de geestdrift en den ijver van moderne leiders der politieke bewegingen togen ze aan den arbeid. De verbondenen—die naam werd niet voor April gebruikt—verdeelden de gewesten onderling om onderteekeningen voor de petitie te verwerven. Lodewijk nam o. a. Zeeland, Friesland en Antwerpen, Brederode Holland voor zijn rekening. De Hames alleen beroemde er zich op, in korten tijd meer dan 2000 handteekeningen op het smeekschrift te hebben verworven.De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)
Hoofdstuk VII.Granvelle vertrokken. Verbond der Edelen. Oranje’s houding. 1565–1566.Er is misschien geen tijdvak uit de levensgeschiedenis van den Prins van Oranje, dat zóó door zijn vijanden gebruikt wordt om hem af te schilderen als het meest dubbelzinnig, huichelachtig en satanisch karakter, als het tijdvak, dat volgde op zijn zegepraal over Granvelle. En inderdaad, indien men slechts oppervlakkig de verschillende episodes daarvan beschouwt en zonder op het verband te letten het doen en laten van den Prins in die jaren gadeslaat, dan zou er veel te zeggen zijn voor de meening, dat Oranje in die jaren geen karakter openbaarde, dat eerbied en bewondering afdwong.Wanneer men vergeet, dat zijn karakter nog geheel in wording was, vergeet hoe zijn persoonlijkheid gevormd is door de omstandigheden en wanneer men hem in die jaren toetst aan hetgeen men noemt, een man uit één stuk, dan blijft er van eerbied en bewondering niet veel over. Wie hem echter ook in die jaren neemt gelijk hij was, wie gelooft, dat hij als mensch en als staatsman nog aan den aanvang van zijn ontwikkeling stond, die zal met deze fase van een leven, dat zich later zoo krachtig ontplooide, vrede kunnen hebben, ook al komt het niet in hem op, zijn zwakheden te verschoonen.In de eerste maanden na Granvelle’s vertrek scheen het, alsof de edelen de regeering in handen hadden en of home rule een voldongen feit was. De regentes scheen haar Nederlandschen raadgever geheel te vertrouwen en de Prins hoopte door wettige middelen de misbruiken weg te nemen. Margareta was zelfs zeer vriendelijk tegen hem; trouwens hoe gelukkig was zij, van den meesterachtigen kardinaal verlost te zijn. Dat de Prins bijzonder in haar gunst deelde, bleek wel hieruit, dat hij haar op de jacht moest begeleiden, menigmaal haar gast aan tafel was en dikwijls met de landvoogdes tot laat in den nacht werkte aan regeeringszaken.De Raad van State werd nu ook weer door Egmond en Oranje bezocht, maar al spoedig bemerkten zij daar, dat al hun arbeid met onmacht zou geslagen zijn, zoolang die Raad niet een andere bestemming had gekregen, want een eigenlijk regeeringswerktuig was dat lichaam niet, zijn taak was alleen raad te geven. Vandaar het voorstel van Oranje en Egmond om den Raad van State tot regeerend lichaam te maken en zijn macht zelfs zoo uit te breiden, dat de andere Raden tot bureaux zouden verlaagd worden. Margareta keurde dit plan goed, maar het stuitte af op den onwil van den koning, die wel Granvelle wilde opofferen, maar zijn regeeringsstelsel nooit.Viglius en Barlaimont bleven zich eveneens vijandig tegenover Oranje en zijn voorstellen tot verbetering van den toestand plaatsen, terwijl in het bijzonder Viglius met Granvelle in briefwisseling bleef, waardoor deze geheel op de hoogte werd gehouden van de gebeurtenissen in Brussel. Spoedig zou het blijken, dat men eigenlijk met Granvelle’s vertrek niets gewonnen had en dat deze eerste rooskleurige dagen weder het begin zouden zijn van nieuwe naderende onheilen.Met ’s Prinsen bijzondere zaken ging het ook niet naar wensch. Zoowel zijn geldmiddelen, als zijne echtgenoote, zoowel het prinsdom Oranje, als zijn Duitsche nabestaanden, kostten hem moeite en hoofdbreken. Hoe moeilijk het was zijn vermogen van schulden te zuiveren, bewijst o. a. de volgende brief aan Lodewijk:“Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van mij vordert en wel kan ik zeggen: “Sic ut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum” (zooals het in het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn, dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers; al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200 florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven, spoedig van de schulden bevrijd te zijn.Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten, want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is,Willem van Nassau.Uit Breda, 25 Jan. 1564.”De gezantschappen, in dien brief bedoeld, kwamen van de arme protestanten uit Oranje, die ter wille van hun godsdienst niet met rust werden gelaten. Evenals de Nederlanders waren zij ook verlangend naar hun afwezigen souverein, opdat die eenig belang zou stellen in hunne zaken.Meenden zij, dat de nieuwe godsdienst geen groote kans had, zich uit te breiden, de paus dacht daar anders over en zond in December 1563 een brief aan den Prins vol klachten over den treurigen toestand van den godsdienst in het kleine rijkje, een brief waarvan de inhoud neerkwam op de klacht: “Ketters, ketters overal!”De paus achtte den toestand noodlottig voor den staat, grievend voor alle katholieken en gaf niet onduidelijk te verstaan, dat als zijn vaderlijke waarschuwingen niet hielpen en de Prins voortging zijn duidelijken plicht te verwaarloozen, er dan gestrenger maatregelen genomen zouden worden. “Indien onze krachten en die van de heilige Roomsche kerk niet voldoende zijn, dan zullen wij tot menschelijke hulp onze toevlucht moeten nemen.”Ook de protestanten van Oranje deden daarop een beroep; zij schreven aan Calvijn en verzochten hem met hun vorst, ten behoeve van hun godsdienst tusschenbeide te komen.Nu de hulp van den Prins werd ingeroepen, zoowel door den paus als door de protestantsche bevolking, was het begrijpelijk, dat zijn houding tegenover den godsdienst en de godsdienstige verdeeldheid wel een noodzakelijk deel moest gaan vormen van zijn staatkundig program. Van persoonlijke sympathie voor de protestanten, van persoonlijken ijver voor den godsdienst was tot dat oogenblik bij Oranje geenerlei sprake.Terwijl hij echter de hervorming in de Nederlanden steeds meer vorderingen zag maken en hem dit als raadgever van Margareta vanzelf moest aanzetten tot eene besliste houding in de godsdienstquaestie, kwam daarbij nu nog uit zijn eigen vorstendom een roepstem van de aanhangers van het nieuwe geloof tot hem om bescherming. Begrijpelijk is het, dat het jaar 1564 daarom kan gelden als het merkwaardigste jaar, niet van zijn eigen godsdienstige bekeering, maar als dat waarin hij belangstelling in het godsdienstig vraagstuk aan den dag begon te leggen, al was het alleen maar, omdat de staatkunde er hem toe verplichtte. Oranje bevredigde de hervormden in zijn prinsdom voorloopig door aan den paus te schrijven, dat hij overeenkomstig de ligging van zijn vorstendom verplicht was zich te houden aan de Fransche edicten, die in die dagen, uitgenomen in Parijs, voor de protestanten zeer mild waren.Ook zijn huiselijke omstandigheden veroorzaakten den Prins zorgen en verdriet. Reeds in 1564 bleek Anna van Saksen een vreemde, zonderlinge vrouw te zijn. Zoo wordt verteld, dat de Prins zich aan tafel van de landvoogdes eens had uitgelaten over het vreemde leven, dat zijn vrouw leidde. “Zij at heel weinig en het gebeurde nu en dan, dat zij 14 dagen in haar kamer bleef zonder uit te gaan en zonder eenig gezelschap te willen hebben.” Zoo melankoliek was haar gemoedstoestand, dat dezelfde zegsman eens aan Granvelle schreef, dat de Prinses niet lang geleden in Brugge had vertoefd, maar dat zij ook daar niet uit haar kamer was geweest en dat zelfs, terwijl dagelijks de vensters gesloten bleven, zij geenander licht wenschte dan een kandelaar. Die melankolieke gemoedstoestand scheen zelfs van jaar tot jaar erger te worden, tenminste in 1565 schreef de Prins aan zijn broer Lodewijk over haar op een toon, die veel kwaads doet veronderstellen. De Prins draagt daar namelijk aan zijn broer op, eens bij den keurvorst van Saksen een boekje over zijn nicht open te doen. Hij mag gerust onderzoeken, zelfs bij haar kamenier, de kleine Duitsche, hoe en op welke manier zij zich gedraagt; haar eigenzinnigheid had haar reeds tot tamelijke ongehoorzaamheid gebracht en de Prins vreesde, al had zij ook beterschap beloofd, dat het toch weer zou terugkeeren. Lodewijk wordt daarin door Oranje verzocht maar eens aan den keurvorst te vragen, of hij eenig geneesmiddel wil bedenken voor de zielekwaal van zijn echtgenoote.Toch schonk Anna in December 1564 het leven aan een zoon, die Maurits werd gedoopt, doch die zoo ziekelijk was, dat hij reeds in Maart d. a. v. overleed. Het ontbreekt wel aan de noodige gegevens om al te groote gevolgtrekkingen te maken voor het karakter van den Prins uit zijn tweeden ongelukkigen echt, doch het kan niet anders, of die huiselijke tweedracht moet den vroeger maar al te lichtzinnigen Oranje tot meerder levensernst gebracht hebben. Het samenvallen van de ernstige gebeurtenissen van het land met zijn huiselijk onheil heeft ongetwijfeld meegewerkt tot de vorming van zijn karakter. En niet alleen zijn vrouw, ook zijn bloedverwanten kostten hem in die jaren hoofdbreken genoeg. De opvoeding en de positie van zijn jongsten broer Hendrik brachten veel zorgen en bemoeiingen mede, zooals we later zullen zien.Welke houding nam de Prins nu aan in de Nederlanden?In Augustus 1564 kwamen er orders van Filips II, die duidelijk toonden, dat de schijn van kalmte na Granvelle’s vertrek bedriegelijk was geweest en dat er een beroering voor de deur stond van vrij wat ernstiger karakter dan die door den kardinaal was veroorzaakt. Het concilie van Trente, dat reeds met tusschenpoozen van 1545 af was vergaderd geweest, eindigde in 1563 met bevestiging van de oude leerstellingen omtrent de absolute autoriteit der kerk.Voor den fanatieken koning van Spanje waren de eindbesluiten van het concilie natuurlijk van onfeilbare kracht en hij greep ze dan ook direct aan om aan zijn eigen besluiteloosheid ten opzichte van de Nederlanden voor goed een einde te maken. Aan Margareta werd bericht gezonden, dat de besluiten in de Nederlanden moesten worden afgekondigd en dat de inquisiteurs door alle burgerlijke ambtenaren gesteund moesten worden, teneinde tot volstrekte gehoorzaamheid aan die besluiten te dwingen en elk persoonlijk oordeel in zake den godsdienst te beteugelen.Reeds in 1525, gedurende de regeering van Karel V, waren er inquisiteurs aangesteld, wier plicht het was, met kracht de Hervorming tegen te gaan, terwijl tal van plakkaten waren uitgevaardigd, die hetzelfde doel beoogden. Ook onder Filips had het waarlijk niet ontbroken aan pogingen in diezelfde richting. De bisschoppelijke organisatie van 1561 bedoelde vooral, krachtigen steun te verleenen aan de inquisitie in de verschillende gewesten. Dat er luide protesten tegen dieinrichting werden vernomen, behoeft waarlijk geen betoog; was Brabant tot dien tijd er vrij van gebleven, in de andere gewesten bestond een krachtige oppositie tegen dien gruwel en sedert 1559 ontstond er ook bij Oranje verzet tegen de harde maatregelen, welke de inquisitie eischte.Het was den Prins duidelijk geworden, ook uit de jongste gebeurtenissen der naburige landen, dat de geest der hervorming overal doordrong en tevens, dat bestrijding van dien geest door middel van geweld veel meer uitbreiding dan vernietiging tengevolge had. Al was hij voor zichzelf tot heden trouw gebleven aan het katholieke geloof, of liever, al had hij zich persoonlijk weinig of niets om den godsdienst bekreund—al had hij de geheele wereld tot dien tijd wel Amadissen de Gaule in handen willen geven en gaillardes willen leeren dansen, om de melankolieke quaestie van den godsdienst te vergeten—ook hij begon toch in te zien, dat de godsdienst iets meer was, dan een zwaarmoedige stemming, die moest worden overwonnen; dat hij even groot gewicht in de schaal legde in het leven der individuen als der volken.Hij moest zich, geprikkeld door de onophoudelijke klachten over de ketterij in zijn vorstendom Oranje, aangevuurd door hetgeen hij onmiddellijk rondom zich in de Nederlanden aanschouwde—wel rekenschap gaan afvragen van de roeping van den staatsman tegenover het geloof.Is het daarom niet merkwaardig, dat nagenoeg in denzelfden tijd, in den nazomer van 1564, de Prins van Oranje een geheime samenkomst met François Baudouin in het bosch van Soignies had. Baudouin behoorde tot die eigenaardige geesten uit de 16eeeuw, die gelijk Cassander e. a., hoewel de dwalingen der kerk inziende, nochtans zoo afkeerig waren van den strijdlust der protestanten, dat ze naar verzoening streefden. Hij was Nederlander van geboorte, stond bekend als een groot jurist en daar hij reeds een verzoenende rol in Frankrijk en Duitschland had willen spelen, riepen de Nederlandsche grooten hem in 1563 naar zijn vaderland terug en benoemden hem tot hoogleeraar in Douai. De bedoeling was, dat Baudouin, eenmaal lid van den geheimen raad geworden, in vereeniging en overleg met Willem van Oranje mede zou werken tot eene nieuwe wetgeving op het punt der religie, waarbij eendracht in kerk en staat op den voorgrond zou staan.Hoewel de zaak geen gevolgen heeft gehad en Baudouin ten slotte niet de rechte bemiddelaar bleek te zijn, toch is deze poging van belang, omdat er duidelijk door wordt, hoe de Prins in 1564 zoowel door den toestand in Oranje, als door zijn positie in de Nederlanden, met alle macht zocht naar een ander middel dan de bloedige plakkaten, ten einde de rust in staat en kerk te herstellen. Aan eerbied voor de kerkleer, zooals die in Trente was vastgesteld, ontbrak het hem niet, maar afkeer van de bloedige vervolging, zucht tot vrede, deden hem en de zijnen opkomen tegen de noodlottige inquisitie en tegen alle gewelddadige maatregelen.Nemen we dit een en ander in aanmerking, dan is ons de houding van Oranje in den Raad van State geen raadsel meer, nadat Margareta in December 1564 met de grooten den toestand van het land had besproken en Viglius een veel te zwakke instructie had opgesteld voor Egmond, die persoonlijk naar Spanje zou gaan.Van de gedenkwaardige rede, welke toen door den Prins in den Raad van State werd gehouden en die Viglius zoo deed ontstellen, dat hij door een beroerte werd getroffen, is slechts een uittreksel van weinige regels bekend, maar deze zijn voldoende om ons te overtuigen,dat we Oranje op een van de hoogtepunten van zijn leven leeren kennen.Nadat door niemand bedenkingen waren ingebracht tegen het door Viglius opgestelde stuk, kwam aan Oranje de beurt, zijn stem erover uit te brengen.“Het is thans tijd,” zoo sprak de Prins, “ronduit te spreken en niet langer te verbloemen, want de toestand, waarin het land gebracht is, kan niet voortduren. De koning dwaalt, als hij meent dat Nederland te midden van landen, waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan; evenals elders zal men ook hier oogluikend veel moeten toestaan. En hoezeer ik aan het katholiek geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over het geweten hunner onderdanen willen heerschen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.”Zulke woorden waren nog nooit in den Raad van State gehoord en inderdaad openden ze een nieuw tijdvak in de verhouding van de Nederlanden tot Filips. De groote kampioen van de verdraagzaamheid en de gewetensvrijheid was met die woorden in den Prins geboren. Tot dien tijd had Oranje wel krachtiger aandeel aan het bestuur en uitbreiding van de bevoegdheid van den Raad van State gevraagd, maar toch altijd aan den koning beloofd, de ketterij mede te willen bestrijden, al was het niet langs den weg der bloedige plakkaten. Ook in zijne antwoorden aan den paus zette hij steeds nog zijn ijver voor de katholieke kerk en leer op den voorgrond.Nu echter komt hij openlijk voor den godsdienstvrijheid uit, in navolging van Duitschland, ook al bleef hij erkennen, voor zich zelf aan het katholiek geloof gehecht te zijn. Alles had, gelijk we zagen medegewerkt, om hem tot dat hooger standpunt op te voeren. Zonder nog zelf behoefte te hebben aan een reiner geloof, was er toch door zijn levenservaringen meer ernst in zijn gemoed gekomen; de landen, waartoe hij in betrekking stond, leerden hem dagelijks al meer en meer, dat de godsdienst als gewetenszaak der individuen niet aan banden te leggen was en zijn omgang met zijn Duitsche betrekkingen, die in gewetensvrijheid zooveel ruimer ademhaalden, dwong hem tot de erkenning, dat diezelfde vrijheid, trots den wil des konings, in de Nederlanden moest veroverd worden.Of Oranje, die zoo beslist had gesproken, veel vertrouwen had in de zending van Egmond naar Spanje, kan worden betwijfeld. En inderdaad, die twijfel zou gewettigd geweest zijn. Want het is bekend, dat Egmonds zending, hoe hij ook zich zelf eerst gevleid en gestreeld achtte met ’s konings beloften, geheel als mislukt was te beschouwen. In Brussel teruggekeerd, kon de graaf de vragen zijner achterdochtige vrienden niet beantwoorden en moest hij van Oranje de harde waarheid hooren, dat hij de algemeene belangen om zijn bijzondere verzuimd had.De Prins deed dat laatste in die dagen zeker niet, want dan had hij ook geen recht gehad, Egmond hard te vallen. Maar of we hem daarom als een held des geloofs hebben te begroeten op grond van die verdediging der godsdienstvrijheid in den Raad van State, deze vraag zou alleen bevestigend kunnen beantwoordworden door hen, die andere trekken uit zijn leven van die dagen voorbijzien, of daaraan ter wille van een vooraf opgevatte meening niet die beteekenis geven, die ze inderdaad hebben. Wij vinden namelijk in de briefwisseling van den Prins uit denzelfden tijd bewijzen te over, dat ook bij hem het tijdelijk belang groot gewicht in de schaal legde en die ons overtuigen, dat destijds ook bij Oranje “de zaak van den godsdienst geen bezielend idee, maar een schakel in zijn politiek plan was, waarin een zekere engbegrensde hervorming, een zekere godsdienstige verdraagzaamheid was opgenomen, als onontbeerlijk voor het eigen belang en voor het belang van het volk.”Vreemd klinkt het zeker, dat de Prins terzelfder tijd, dat hij in den Raad van State die lans voor de godsdienstvrijheid brak, briefjes vol toewijding aan den koning schreef met beloften van trouw aan zijn dienst en aan de zaak der religie. Ook van Filips ontving hij in die dagen meer dan één schrijven, om hem dank te zeggen voor de trouw, die hij in zijn dienst bewees. De Prins zegt zelf in een van die brieven o. a.: “Het was niet noodig, Sire, dat Uwe Majesteit mij aanbeval te willen voortgaan met de bevordering van den godsdienst, want zij kan zich verzekerd houden enz.”Nog vreemder echter schijnt het volgende: Juliana van Stolberg volgde met groote bezorgdheid de schreden van haar jongsten zoon Hendrik van Nassau. Zij vreesde telkens dat hij besmet zou worden met de paapsche afgoderij en vertrouwde hem nauwelijks te Leuven, waar hij nog zijn studiën in 1565 voortzette. Strookte het dan met de inzichten van die moeder, dat Willem van Oranje zijn jongsten broeder Hendrik bestemde voor kerkelijke ambten in het door en door streng katholieke Nederland? En toch, de Prins koesterde dit plan. De bisschop van Luik was gestorven en daardoor viel de zeer winstgevende betrekking van de proostdij van St. Salvator te Utrecht open. Naar dat ambt stond Oranje voor Hendrik en inderdaad gelukte die candidatuur in zoover, dat de jonge graaf van Nassau, met goedkeuring van den koning en met voorbijzien van meer dan één geestelijke, die er alle recht op kon doen gelden wegens geleerdheid en onberispelijkheid van zeden, het jaargeld ontving aan dat ambt verbonden; het ambt zelf kreeg een tegen-candidaat, de graaf van Rennenberg. Dit geschiedde in den aanvang van 1566, maar ook in 1565 waren Oranje’s zorgen voor Hendrik in strijd met de inzichten zijner moeder. Hij toch schrijft in Aug. 1565 aan zijn broeder Lodewijk o. a.:“Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden, komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat, zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen;want ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen, vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is, dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça, dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles tot groot schandaal en onze schande afloopen.”Daarop geeft hij zelfs in dien brief te kennen, dat er zich nog een andere gelegenheid heeft voorgedaan, om Hendrik te bevoordeelen. De graaf van Schauenburg was namelijk bij hem geweest met graaf van den Berg en die had hem beloofd, dat hij graaf Hendrik tot coadjutor van zijn proostdij Hildesheim wilde bevorderen. Oranje voegt daaraan toe, dat die betrekking een graaf zeer goed past en vooral deze woorden zijn merkwaardig, dat die betrekking geenerlei verplichting oplegt, dat ieder betreffende den godsdienst kan leven gelijk hem goeddunkt, mits men een weinig bescheiden is en de onderhoorigen niet worden gedwongen. Ook hoopte de graaf van Schauenburg, dat de broeder van den graaf van Königstein, graaf Christoffel, die de proostdij van Halberstadt bezat, Hendrik ook tot zijn coadjutor zou maken, welke proostdij zooveel rente gaf, dat de bezitter daarvan gemakkelijk 20 paarden met hun ruiters en equipage kon onderhouden. Buitendien lagen die beide proostdijen slechts 5 mijlen van elkander.“Waar ons zulke aanbiedingen gedaan worden, moeten we niet slapen, maar het met inspanning van al onze krachten trachten te bereiken en omdat het noodzakelijk is, daarvoor de goedkeuring van den paus te hebben, is het goed, dat mijn broeder hier is, anders is alle moeite vergeefsch.”Deze geheele zaak bewijst ten duidelijkste, hoe Oranje op dat tijdstip alle godsdienstige belangen ondergeschikt maakt aan de tijdelijke en het verwondert ons dan ook niet, dat Juliana van Stolberg en graaf Jan, hoe zij ook den oudsten zoon en broeder vertrouwden, in dit opzicht zijn raad, niettegenstaande den krachtigen aandrang van den Prins, niet hebben willen opvolgen. Wel weigerden zij niet absoluut, maar ze hielden de zaak slepend, zoodat Jan in den volgenden zomer aan Lodewijk schreef, dat hij nog steeds onwillig was, om Hendrik naar Brussel te doen terugkeeren. Hij vreesde den aankomenden jongeling onder katholieke invloeden te brengen. De daarop gevolgde toestand in de Nederlanden vernietigde van zelf dit plan omtrent Hendrik.Dit is het echter niet, dat ons het meest belang inboezemde, wel de kennis, die wij uit dien langen brief van den Prins aan Lodewijk putten omtrent Oranje’seigenlijke gezindheid. En dan kan niet ontkend worden, dat, hoe Oranje ook in den Raad van State voor godsdienstvrijheid pleitte, toch de godsdienst zelf voor hem in dat jaar nog geheel ondergeschikt gemaakt werd aan stoffelijke belangen. Van wezenlijken ijver voor de heiligste zaak is bij hem volgens dien brief geen sprake. De godsdienst vindt in de rij van andere stoffelijke belangen een gedrongen plaats. Wel moet erkend worden, dat Oranje zoowel als alle edelen in groote moeilijkheid geraakte door deze omstandigheden. Zij stonden tusschen twee uitersten in, die beiden als radicaal konden beschouwd worden en zij wilden een middenweg. Maar die middenweg werd de ondergang van den adel en de tijdelijke verduistering van Oranje’s ster. “De Nederlandsche adel had zijn belangen liever dan de zaak van den godsdienst.” De krachtige uitlatingen van den Prins in den bewusten brief over de belangen van graaf Hendrik laten omtrent hem zelf geen ander oordeel in dit tijdperk van zijn leven toe.In den daarop volgenden brief drukte de Prins, terwijl hij nog blijft aandringen op Hendriks komst, het grootste verlangen uit naar het gezelschap van Lodewijk, daar hij zich zoo bitter alleen en verlaten voelt. “Kom als het kan, al is het slechts voor 14 dagen.” Hij heeft behoefte aan zijn broeder zoowel voor zaken van belang als om zich met hem te ontspannen. Al moest hij tegen wil en dank erkennen, dat het noodzakelijk was, dat Lodewijk naar Dillenburg ging, zoo hoopte hij toch, dat hij intijds terug zou zijn voor de bruiloft van Montigny en dat hij deel zou kunnen nemen aan het tournooi.Lodewijks bezigheid in Duitschland was op dat oogenblik, in overleg te treden met de Duitsche vorsten en hij werd daar langer opgehouden, dan men verwacht had. Als trouwe hulp stond hij den Zwijger in die dagen niet minder dan later bij; thans vooral om mede te werken tot meerder eensgezindheid tusschen de verschillende protestantsche sekten. Hij was het geweest, die in 1564 den Prins tot Baudouin bracht, ten einde door dezen een middel te vinden om katholieken en protestanten te hereenigen. Nu was vooral Lodewijk bezig, een poging aan te wenden om een vergelijk tot stand te brengen tusschen de Lutheranen en de Calvinisten, terwijl hij hoopte de Duitsche vorsten zooveel mogelijk te verzoenen met zijn broeder, den katholieken Prins van Oranje, wien hij tevens raad en steun vroeg.Dit toch werd met den dag een dringender eisch. De toestand in de Nederlanden werd hoe langer hoe meer gespannen. Weer duurde het geruimen tijd, eer na Egmonds terugkeer uit Spanje de koning aan zijn belofte voldeed, om nader te schrijven. Hij was er eerst niet tegen, een vergadering van geestelijken en rechtsgeleerden te beleggen, die zouden beraadslagen over andere middelen tot wering der ketterij, maar het advies dier vergadering, om verzachting der straf in enkele gevallen toe te staan, droeg allerminst de goedkeuring des konings weg.Daarom schreef Filips weder na maanden op den 17enOctober 1565,“dat de straffen niet verminderd mochten worden; de inquisitie moest blijven, gelijk ze was en dat de magistraten en de regenten die moesten steunen.”Deze heillooze brieven uit Segovia werden in de eerste dagen van November te Brussel ontvangen. Filips’ orders waren ondubbelzinnig, maar het was hoogsttwijfelachtig, of het in de macht van zijn zuster zou liggen, die orders uit te voeren. Op het verzet van het volk werd in geen enkel opzicht acht geslagen. De plakkaten moesten zonder eenig voorbehoud worden toegepast. Margareta sprak verscheiden dagen niet over den inhoud van die brieven, maar haar sombere stemming kon ze niet verhelen; niet moeilijk was het naar de oorzaak daarvan te gissen.Tegen December werd er een vergadering van den Raad van State bijeengeroepen. De brieven van Spanje werden voorgelezen en de ontroering daarover was algemeen. Egmond, “de gelukkigste man der wereld”, zooals hij zich bij terugkeer in een brief aan Filips noemde, erkende nu voor het eerst, dat alle beloften, die de koning hem mondeling had gedaan, volkomen waardeloos waren. Viglius zelfs, blijkbaar bevreesd over de heillooze uitwerking op de gespannen gemoederen, gaf den raad, nog eenmaal de zaak bij Filips terug te brengen, althans slechts gedeeltelijk den wil des konings te volvoeren en in de aanschrijving geen gewag te maken van de inquisitie. Maar Oranje verklaarde zich, nu het na zoovele ervaringen gebleken was, dat de koning geen acht wilde slaan op de stem des volks, tegen alle halfheid en voor de onmiddellijke uitvoering van de bevelen. Het was nog beter, dat het volk wist, waaraan men zich voortaan te houden had, dan het langer in onzekerheid te laten.De koning van Spanje zou toch niet—dat was duidelijk genoeg gebleken—van gedachten veranderen; een middenweg was niet meer te vinden. In dien zin werd dan ook besloten. Aan de stadhouders en aan de gerechtshoven zouden lastbrieven gezonden worden, om ’s konings bevelen onverwijld op te volgen. Toen dat besluit was genomen, moet Oranje iemand naast hem in de ooren gefluisterd hebben: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien.” Viglius, die die woorden heeft medegedeeld, voegde er bij, dat de Prins ze uitsprak, “als ware hij verblijd en bij voorbaat zeker van de overwinning.”Er is geen ander bladzijde uit ’s Prinsen leven, waaruit door zijn vijanden tot heden toe meer venijn getrokken is, dan uit die houding en die woorden van Oranje. Hier wordt hij niet langer alleen de huichelaar en de eerzuchtige gescholden, hier wordt hij voorgesteld als de satanische geest, als de Lucifer, die er behagen in had de lont in het kruit te werpen, die, hoewel beseffende dat zijne daad de droeve tragedie van den oorlog zou openen, met een vroolijk gelaat en als zeker van zijne overwinning, al de ellenden en gruwelen van den afval van Spanje en den koning op zijn geweten had.Zeker uit het oogpunt van zijn feilen bestrijder, daarbij nog voorgelicht door den subjectieven indruk, dien Viglius ontving, is er inderdaad iets satanisch in Oranje’s houding op dat oogenblik. Wat kan vreeselijker gedacht worden, dan met volle bewustzijn, louter gedreven door persoonlijke eerzucht en al de jammerlijke gevolgen aan zijn daad verbonden kennende, van zulk een tragedie met lachend gelaat, niet de aanleiding, maar de onmiddellijke oorzaak te zijn. Wij zullen dan ook die opvatting niet veroordeelen, want op een bevooroordeeld standpunt is geene andere opvatting mogelijk. Op dat standpunt is Willem van Oranje hier terecht de incarnatie van dien Lucifer, wien Vondel deze woorden in den mond legt, als Belzebub hem voor goed heeft gewonnen voor den opstand tegen God:Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelfZoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogenTe bersten springen en verstuiven voor onz’ oogen,’t Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen rompDit wonderlijk heelal in zijnen mengelklompEn wilde woestheid weer verwarren en verkeeren.Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.Geheel anders wordt echter onze voorstelling, indien we ons te binnen brengen, dat er aan dat hemelsblauw gewelf van de Nederlanden reeds lang zeer donkere en onheilspellende wolken waren aanschouwd; dat de man die die woorden sprak: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien,” langzamerhand ontwaakte tot het bewustzijn van zijn roeping; dat zijn karakter bezig was zich te vormen voor den grooten strijd, die niet uit kon blijven, nu de koning van Spanje zich zoo onwijs bleef verzetten tegen den geest van het volk en den geest van zijn tijd.Moedig was integendeel de daad van den Prins na de heillooze brieven uit Segovia; noem het een somberen moed, mij wel; want niet elk sterveling is er op aangelegd, om op die wijze de lont in het kruit te steken; maar evenmin als het ons voegt een steen te werpen op historische personen, die mannen van staal en bloed zijn geworden, omdat zij een hoog volksideaal tot verwezenlijking moesten brengen door bloed en tranen heen, al blijft ook hun karakter, uit het oogpunt van de gangbare moraal raadselachtig; evenmin voegt ons hier een oordeel over Willem van Oranje, die door zijn houding in den Raad van State de droeve tragedie met volle bewustheid heeft geopend.De gebeurtenissen moesten hun loop hebben; wie de verantwoordelijkheid van die gebeurtenissen op zich neemt, zal altijd blootstaan aan het oppervlakkig oordeel der menigte. Wij zijn niet van meening, dat deze bladzijde tegen den Prins getuigt. Zelfs onpartijdige historieschrijvers hebben er Oranje om veroordeeld; anderen hebben getracht de beteekenis der woorden te verzwakken. Wij daarentegen vinden in deze fase, toen het den Prins nog ontbrak aan den hoogen en diepen ernst van waren godsdienst, toen hij, hoewel geneigd de slachtoffers van de inquisitie te beschermen, toch nog voor tijdelijke belangen voorgaf den R-Katholieken godsdienst aan te hangen; wij vinden er een echt menschelijke uiting in van een wordend karakter en wel verre van hier een Lucifer-incarnatie in hem te aanschouwen, begroeten we hem hier als een geestverwant van dien ander, die somber de wonderspreuk uitte: “Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard.”Het is te begrijpen, hoe grooten indruk het in de gewesten maakte, toen men vernam, dat ’s konings bevelen moesten worden uitgevoerd. De hervorming, die onder alle standen en rangen der maatschappij reeds wortel had geschoten en zich vooral in Antwerpen onder de Duitsche kooplieden, daar woonachtig, zich sterk had uitgebreid, was niet meer te keeren en er was dan ook in 1565 slechts één verlangen onder het volk: dat Filips zijn eischen zou matigen. Het misnoegen was werkelijk zeer groot; overal, op straat, in de herberg, op het veld, op de markt of in de kerk, bij eene begrafenis of bij een bruiloft, zoowel op het kasteelvan den edele, als in de hut van den landman, zoowel in de woning van den daglooner, als onder de kooplieden op de beurs—overal en altijd werd slechts over dat ééne verschrikkelijke onderwerp gesproken.Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)In Brabant, dat altijd krachtens bijzondere privilegiën van de inquisitie was verschoond gebleven, wilde men de nieuwe inbreuk op de rechten van het volk niet dulden en in Vlaanderen en Namen protesteerde men ook krachtig. Geen wonder, dat de stadhouders der verschillende gewesten er bezwaar in hadden, de bevelen uit te voeren en verzochten, vervangen te worden door mannen, die zich in staat zouden achten, de bevelen van Filips op te volgen. Ook Oranje gaf in zijn qualiteit van stadhouder te kennen, dat de uitvoering, waartoe hij als lid van den Raad van State had moeten meewerken, voor hem ondoenlijk was.In den zomer van 1565 was tijdens een verblijf van Lodewijk van Nassau te Spa, het eerste denkbeeld omtrent een verbond van edelen ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk, dat het niet alleen gezondheidsredenen waren, die Lodewijk bewogen daar de baden te gebruiken. Spa was, evenals in onze dagen verschillende badplaatsen, in dien tijd dikwijls het vereenigingspunt voor andere doeleinden dan het watergebruik.Zeker, Lodewijk was op dat oogenblik ongesteld; Oranje vraagt hem naar den invloed van de baden op zijn gezondheid en Brederode waarschuwt hem op zijn manier, om toch niet te veel water te drinken en den wijn niet te vergeten, maar de Prins schreef ook tevens aan zijn broeder, dat zijn verblijf te Spa, nu Bergen daar ook was, misschien een goede gelegenheid zou zijn, “om een weinig te praten over de zaken, die wij overlegden.”Onbekend is, of Bergen, met wien Lodewijk in Spa druk verkeerde, heeft deelgenomen aan de besprekingen, die op de badplaats de aanleiding zijn geworden tot het verbond der edelen.Lodewijk van Nassau ontmoette aldaar eenige leiders van de Calvinistische partij, twee edelen, n.l. Jan van Marnix, den broeder van Marnix van St. Aldegonde en Nicolaas de Hames, wapenheraut van het Gulden Vlies en een vertegenwoordiger van den rijken burgerstand Gilles le Clercq van Doornik. Over die ontmoeting, of ze toevallig was, dan op afspraak berustte, noch over de bijzonderheden van de samenkomst bestaan eenige berichten. Alleen weet men met zekerheid, dat er met Lodewijk door de drie genoemde personen van gedachten gewisseld is over het oprichten van een verbond, tot verdediging der gewetensvrijheid.Of de Prins hiervan geheel was ingelicht, is onzeker. In ’t algemeen ried de voorzichtige man in die dagen groote behoedzaamheid aan, gelijk o. a. blijkt uit zijn reeds vermelden brief over Hendrik, waarin hij aan Lodewijk den raad geeft, toch zoo weinig mogelijk te schrijven over dergelijke zaken, hetgeen waarschijnlijk ziet op de hulp, die men van de Duitsche rijksvorsten wachtte.Wat te Spa begonnen was, werd in het einde van November te Brussel voltooid. Ondertusschen waren de brieven uit Segovia gekomen en was de toestand veel meer gespannen geworden. Het huwelijk van Alexander Farnese met Donna Maria van Portugal werd te Brussel gevierd en daar het hof bij die gelegenheid openstond voor alle Nederlandsche edelen van hooger en lager rang, hadden dezeeen ongezochte gelegenheid meermalen samen te komen, zonder dat dit achterdocht zou wekken. Ook Lodewijk van Nassau kwam einde November uit Dillenburg om deel te nemen aan alle feesten, maaltijden en vermaken, waartoe dat huwelijk aanleiding gaf.Geen wonder, dat bij die gelegenheid weer het onderwerp van Spa ter sprake kwam. Men trachtte de jonge edelen voor het denkbeeld van een verbond te winnen en in het paleis van Floris van Pallandt, heer van Culemborg, werd er na het aanhooren van eene predikatie van den Calvinistischen prediker Junius, die te Antwerpen leeraar was, over de zaak gesproken, hetgeen twee dagen later ten huize van den genoemden de Hames tot hetCompromis der Edelenleidde. De hoofdpersoon in die vergadering was Jan van Marnix, heer van Toulouse. Dezelfde mannen dus, die het vier maanden geleden te Spa hadden beraamd, waren hier de voornaamsten, die het oprichtten; terecht kan men hen niet beschuldigen in overijling gehandeld te hebben.Een belangrijke vraag doet zich nu voor, n.l. in hoeverre de Prins aandeel heeft gehad aan dat verbond en hoe zijn houding daarbij was, want ook hier zal het ons blijken, hetgeen trouwens elke bladzijde van het leven van den Prins van Oranje bewijst, dat het moeilijk, ja onmogelijk is, zijn persoon uit de gebeurtenissen te lichten. Het blijkt ons, dat Willem van Oranje tegenover het Compromis der Edelen van het begin af eer waarschuwend en intoomend, dan aansporend en opwekkend gestaan heeft. Zijn broeder Lodewijk was zeer voortvarend geweest, al verklaarde hij later ook in zijn Apologie, dat hij eerst niet had willen teekenen, maar er slechts op aandrang zijner vrienden toe was overgegaan; in Maart 1566 was Lodewijk reeds met Hendrik van Brederode, de erkende leider der beweging.De Prins hield niet op, hem in den aanvang althans te waarschuwen, zich toch niet te veel bloot te geven; zelfs vond Oranje, dat Lodewijk zich reeds te ver had gewaagd. Men beschuldigde Lodewijk zelfs de hand te hebben gehad in een geschrift tegen de inquisitie. Zijn broeder keurde in den aanvang het Verbond der Edelen af als een begin van opstand tegen de regeering, vandaar dat hij den graaf naar aanleiding van het gerucht, dat hij de schrijver zou zijn van het stuk, dat in den nacht van 23 December op drie of vier plaatsen in Antwerpen was aangeplakt, het volgende schrijft:12 Januari.“Mijn broeder!Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen.”Het blijkt uit dezen brief, dat, hoe groot ook de vertrouwelijkheid tusschen den Prins en zijn broeder Lodewijk moge geweest zijn, Oranje toch meende, dat hij niet in al de geheimen van Lodewijk deelde.Willem van Oranje bleef, wilde althans in 1566 de loyale dienaar van den koning blijven. Hij wilde den strijd tusschen de onderdanen en den souverein vermijden, zoolang het mogelijk was. Wel had hij niet geaarzeld, om in den Raad van State den raad te geven ’s konings bevelen uit te voeren, doch al wist hij, dat dit ’t begin zou zijn van een jammerlijk treurspel, tot de opening daarvan verder mee te werken, achtte hij in 1566 nog ongeoorloofd.Hij voorzag de mogelijkheid van ernstige onlusten, maar zocht tegelijk naar het middel om ze te voorkomen. Geen wonder, dat de schijnbare tegenstrijdigheid zijner handelingen in dat jaar aanleiding heeft gegeven tot verklaringen van den kant zijner vijanden ten nadeele van zijn karakter. Dubbelzinnigheid en huichelarij zijn karaktertrekken van den Prins, in den mond zijner vijanden bestorven. Voor hem, die althans iets dieper weet te peilen in zijn ondoorgrondelijk karakter, is zijn houding in dat jaar niet geheel onverstaanbaar. En al zullen wij niet ontkennen, dat Oranje in 1566 de kracht van den volkswil heeft miskend, dat hij m. a. w. nog steeds de staatsman in wording was, de snelle loop der gebeurtenissen, die dagelijks de kans van burgerkrijg vermeerderde, maakte hem, die in 1566 nog geen vaste plannen had, destijds besluiteloos en angstvallig.Wie een karakter, als dat des Prinsen wil beoordeelen en hem in dat voor den staatsman zoo bange jaar 1566 wil begrijpen, mag dit bij de volgende uiteenzetting geen enkel oogenblik uit de gedachte verliezen. Ook mag men de verschillende qualiteiten niet vergeten, waarin de Prins moest handelen. Als lid van den Raad van State had hij de onmiddellijke opvolging van Filips’ bevelen mede doorgevoerd; als stadhouder moet hij ook toen reeds het onmogelijke van die uitvoering begrepen hebben. Althans hij schrijft op den 24enJanuari 1566 aan Margareta o.a. het volgende:“Ik heb de brieven van Uwe Hoogheid ontvangen, waarin Zij mij den wil van Z. M. op drie punten te kennen geeft, mij uitdrukkelijk bevelende in alle plaatsen van mijn stadhouderschap elk dezer stiptelijk te doen uitvoeren. Hoewel ik nu Mevrouw, in die zaak van zulk een groot gewicht en gevolg om advies gevraagd ben (natuurlijk in zijn qualiteit van stadhouder), zoo gevoel ik mij toch, als loyaal dienaar en vazal van Z. M., die begeerig ben om te verrichten al wat ik aan mijn staat en eed verschuldigd ben, verplicht, mijn meening rond en open te zeggen, daar ik liever de kans loop voor ’t tegenwoordige ondank in te oogsten wegens mijn waarschuwingen en betoogen, dan door oogluiking en stilzwijgen, na de verwoesting van het land, geblameerd te worden van ontrouw en verwaarloozing als stadhouder.”Achtereenvolgens bespreekt hij dan de drie punten. Wat de uitvoering van de besluiten van het concilie aangaat, de reformatiën der priesters en andere kerkelijke verordeningen, dat zijn zaken, die niet tot zijn roeping behooren; die zal hij overgeven aan hen, die er mee belast zijn en zorgen, waar het noodig is, dat aan het bevel des konings wordt voldaan.Wat echter het tweede punt betreft, dat de stadhouders en andere ambtenaars de inquisiteurs moeten helpen, dienaangaande schrijft hij aan Margareta:“Uwe Hoogheid moet zich herinneren, dat de klachten en moeilijkheden,door de bisschoppelijke organisatie verwekt, geen anderen grond hadden, dan de vrees, dat men onder dit voorwendsel eenigen vorm van inquisitie zou invoeren. Want niet alleen de uitvoering, maar reeds de naam er van klinkt hatelijk en onaangenaam.“Buitendien kan Uwe Hoogheid weten, dat Zijne Keizerlijke Majesteit en Koningin Maria herhaaldelijk aan de inwoners van de Nederlanden verzekerd hebben, dat de inquisitie in deze landen niet zou worden ingevoerd, maar het geheele land zou bestuurd en geregeld worden als van ouds.“Die verzekeringen en beloften hebben den handel dezer landen steeds doen bloeien.“Wat aangaat het derde punt, om al de plakkaten door den keizer en den koning uitgevaardigd, in al hun gestrengheid toe te passen, Mevrouw! dit schijnt mij zeer moeilijk toe, daar de plakkaten zoo talrijk en verschillend zijn geweest en nooit ten strengste zijn opgevolgd, zelfs niet in den tijd, toen de algemeene ellende niet zoo groot was als tegenwoordig. Hunne uitvoering zou ondragelijk zijn en is derhalve niet raadzaam.”De Prins gaat zoo ver, dat hij zegt, dat de godsdienstige vrijheid in naburige landen de onderdrukking zeer onrechtvaardig zou maken en, volgens hem zou het het toppunt van dwaasheid zijn, de hartstochten op te wekken, juist nu het volk in zulk een groote bezorgdheid verkeert wegens de duurte der tarwe. Hij hoopt, dat alle gestrenge maatregelen zullen uitgesteld worden tot Filips zelf hier zal komen, om door zijn tegenwoordigheid al het kromme weer recht te maken. Hij eindigt met te zeggen dat, als de koning, in spijt van zijne waarschuwingen, blijft aandringen op de uitvoering van zijne bevelen, hij liever zijn ambt wil nederleggen, dan de “blaam mij op den hals te halen, die me zou bevlekken, als aan het land, waarover ik als stadhouder ben aangesteld, een ongeluk overkwam.” Met vernieuwde uiting van trouw aan den koning eindigt dit schrijven. Zoolang hij leeft, zal hij al wat hij in de wereld heeft, in den dienst van Z. M. en het land stellen, zijn persoon, ja vrouw en kinderen zelfs.Deze uitdrukking van loyaliteit ware ongetwijfeld in verband met hetgeen reeds was voorafgegaan onverklaarbaar, als niet deze uitzondering daarop gemaakt werd: “Behalve indien de zaken van het land anders gaan, dan voor de welvaart noodig is.”En geen wonder, dat hij die uitzondering als mogelijk stelde. Want al keurde hij in den aanvang het Verbond der Edelen af, hij verdacht Filips in diezelfde dagen reeds maatregelen te beramen, om zijn plannen met geweld in de Nederlanden door te voeren. Er kwamen toch berichten tot hem, dat de koning aan hertog Eric van Brunswijk, een der weinige Duitsche vorsten, die voor geld beide partijen wilde dienen, bevolen had troepen te verzamelen, teneinde de rebellen te straffen. Op die mogelijkheid was de Prins dan ook terzelfder stond bedacht en hij schreef aan Lodewijk om toch George von Holl en andere Duitschers te overreden, naar de Nederlanden te komen, “hetgeen zij zeker zouden doen, als zij alles wisten.” Hij schreef zelfs: “Hoe rustiger de zaken kunnen gehouden worden, des te beter; wees alleen gereed met het oog op mogelijke gebeurtenissen.” Ja wat nog meerzegt, in die dagen ging de gedachte reeds in hem om, het land te verlaten, onder voorwendsel, deel te nemen aan de beraadslagingen van den Duitschen Rijksdag. Twee motieven drongen hem daartoe. Allereerst de sympathie van Maximiliaan II voor de Lutherschen en tevens het beroep, dat hij bij den Rijksdag zou kunnen doen op het verdrag van Augsburg van 1548, waarbij de Nederlanden wel als een afzonderlijke kreits waren erkend, doch niet alle banden met Duitschland waren opgelost. Zelfs dacht hij na over pogingen om geld op te nemen, indien het noodig was.Uit een en ander blijkt, dat Oranje zelf ook wel degelijk op toekomstige mogelijke gebeurtenissen bedacht, gereed wilde zijn, als die gebeurtenissen hem dwongen een andere houding aan te nemen, dan die van loyaal dienaar des konings. Maar toch was het verschil tusschen hem en de stormachtige edelen, die hun verbond hadden gesloten, zeer groot.Gedurende den winter was Oranje in Breda, van waar hij vele brieven schreef aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, om hun den staat van zaken in de Nederlanden duidelijk te maken en hun raad in te winnen. Elke stap voorwaarts moest met groote zorg gedaan worden. In het eind van Februari was er een groot aantal edelen in Breda. Die hadden in dien tusschentijd niet stil gezeten. Zoowel met het beramen van plannen als met het winnen van nieuwe leden hadden de verbondenen de laatste maanden doorgebracht. Vooral onder den lageren adel breidde zich van dag tot dag het verbond uit. Van het verbondschrift, waarschijnlijk het werk van St. Aldegonde, waren afschriften gemaakt en in een paar maanden stonden twee à driehonderd namen op de lijsten. Wat hunne plannen aangaat, met zekerheid is dit niet te zeggen. Doch volgens Junius, denzelfden predikant, die bij de oprichting aanwezig was, waren de verbondenen voornemens zich van Antwerpen meester te maken en vandaar uit het land in beweging te brengen. Van die plannen hoorde de Prins nu in Breda in ’t eind van Februari en hij keurde ze ten stelligste af. Ook Nicolaas de Hames was daarbij tegenwoordig.Teneinde het verschil naar waarde te schatten, dat er bestond tusschen de revolutionaire partij onder de edelen, die voor geen geweld terugdeinsden en den voorzichtigen Prins, is het merkwaardig in dit verband een brief van dien Nicolaas de Hames te lezen, die voor geen heftigen maatregel terugdeinsde en die onder den indruk van de voorzichtige, afwachtende houding van Oranje, al zijn spijt en wrevel in een brief aan Lodewijk uitdrukt:“Monseigneur! Sedert uw vertrek uit deze landen hebt gij, naar ik meen, van niet een der verbondenen eenig bericht gehad betreffende onze zaak; al hebben wij verscheiden malen zeer begeerd een middel te vinden om u op de hoogte te houden van de dingen, die wij in grooten getale hebben behandeld, zonder tot eenig besluit te komen. Zoo stonden de zaken, toen op de laatste vergadering, waar Mr. de Warou, luitenant van den admiraal, Mr. Dolhain, Mr. de Louverval, Mr. de Toulouse, Mr. de Leefdael en ik tegenwoordig waren, een besluit werd genomen, dat volgens het oordeel van allen voordeeliger en gemakkelijker was, dan een der andere plannen, die vroeger geopperd waren. Wij namen het onder correctie en advies van den Heer van Brederode, wien wij alle bijzonderheden der ondernemingmededeelden, terwijl we den Prins alleen het algemeen plan vertelden. Brederode vond de zaak uitstekend, de Prins verwierp het algemeene denkbeeld; hij hield zich verzekerd van den onmogelijken uitslag. Hij is van meening, dat we de toevlucht tot de wapenen nog niet mogen nemen en zonder deze is het ons onmogelijk, ons plan uit te voeren. Met een ongelooflijk verlangen zien wij uw terugkeer tegemoet hopende, dat gij zult helpen, om het vuur in de harten van die heeren te doen ontvlammen, die te langzaam vooruit willen en daardoor krachteloos zijn.Zij willen dat wij tegenover de koppigheid en de verstoktheid van die begeerige wolven slechts remonstranties en requesten, kortom alleen woorden zullen stellen, daar waar zij van hun kant niet ophouden te verbranden, te onthoofden, te verbannen en op allerlei wijze hun woede te uiten. Wij hebben het middel in de hand, om zonder oproer, zonder moeilijkheid, zonder bloedstorting, zonder oorlog hen te beteugelen en men wil het niet. Welnu, laten wij dan de pen en zij het zwaard ter hand nemen, wij de woorden, zij de daden. Wij zullen huilen en zij zullen lachen. De Heer zij over alles geprezen, maar zonder tranen kan ik u dit niet schrijven. Alle arme geloovigen zijn radeloos, ziende dat het geneesmiddel zoo wordt uitgesteld. Een tijdlang hebben we ze getroost met de belofte van spoedige hulp, maar door de lauwheid van hen, die er het meest voor moesten bezield zijn, zie ik die hulp nog op een verren afstand. De vier steden van Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven en ’s Hertogenbosch) hebben aan den kanselier en de raden van hun gewest een geschrift aangeboden, betreffende het laatste bevel, maar het schijnt, dat zij de vroegere edicten erkennen, alleen de inquisitie verwerpen en met den naam spelen, terwijl ze de zaken laten, gelijk ze zijn.Men zegt, dat Vlaanderen een dergelijk geschrift gereed maakt. Ook Holland. Maar ik zie niet in, dat er eenige vrucht van al dat schrijven kan komen; altijd zal men weer van voren af beginnen. De ziekte en het verderf van onzen staat zijn te groot, om die te genezen met zachte dranken en siropen. Er moet een veel sterker purgatief of fistel worden aangewend. De Staten-Generaal hebben volle macht, zij zijn het eenig geneesmiddel voor onze kwalen; wij hebben zonder twijfel het middel in onze macht om die vergadering samen te brengen, maar men wil niet genezen zijn. Hoe meer men de venusziekte vleit en liefkoost, des te kwaadaardiger wordt zij en verbreidt zich totdat de aangetaste op het kerkhof ligt. Onze venusziekte is de corruptie van het geloof, van het recht, van de munt; eindelooze schulden, achteruitgang, ja bijna vernietiging van den adel; ambten en bedieningen in de handen van enkel onwaardige personen. Ja komaan, genees dat alles eens met woorden!”Nicolaas de Hames eindigt dien merkwaardigen brief met een oproep tot Lodewijk van Nassau, om toch spoedig te komen en van raad te dienen en zeker tractaat mee te brengen, dat hij beloofd had, de redenen behelzende, waarom de ondergeschikte magistraat de wapens kan opnemen, als de opperste magistraat slaapt of tyranniseert. Wij noemen dien brief hoogst merkwaardig, omdat een man, zeker van heftig karakter, maar van een edele gezindheid, hierin krachtig het verschil uitspreekt, dat er bestond tusschen deedelen, die wilden doortasten en degrooten,die tot voorzichtigheid aanspoorden. Het zal wel altijd moeilijk blijven juist te beoordeelen wie te dezen opzichte gelijk had. Merkwaardig is het zeker, dat de stichters van het Verbond der Edelen reeds in 1566 hetzelfde plan koesterden, als tien jaren later tot uitvoering kwam. Terecht begrepen zij, dat Filips zich door geen woorden tot het verleenen van godsdienstvrijheid zou laten bewegen; dat alleen geweld van wapenen zou kunnen beslissen.Maar of Oranje en de zijnen daarom niet nog hooger stonden, die op dat oogenblik nog van dat geweld afkeerig waren, die vraag zou ik niet gaarne ontkennend beantwoorden. Althans bewees hij daardoor te begrijpen, dat de poging die de edelen zich voorstelden te doen, hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben zou en wel zou afstuiten op dezelfde tweedracht en naijver, waardoor zelfs tien jaar later de pacificatie van Gent werd verijdeld.Toch begrijpen we aan den anderen kant het ongeduld van mannen als De Hames zeer goed. De aarzeling en beraadslaging, de terughouding en voorzichtigheid, waarmede Oranje elken stap voorwaarts deed, de rem toepassend bij elke wenteling van het wiel, waren ontmoedigend voor mannen van één denkbeeld, die begrepen, dat het vroeg of laat toch tot wapengeweld moest komen. Daartegenover was het natuurlijk, dat de Prins, die de gevolgen kende van den burgeroorlog in Frankrijk, door dergelijke oorzaken aangewakkerd als hier aanwezig waren en die wist, hoe daar het geneesmiddel nog erger dan de kwaal scheen te worden, waarschuwde tegen gewelddadige maatregelen.De samenkomst te Breda in ’t eind van Februari had den Prins geleerd, dat de vurige partij onder de edelen niet licht haar plan zou opgeven; de brief van De Hames onder den indruk dier samenkomst geschreven, kan ook ons daarvan overtuigen. Mannen als De Hames zouden, aan zichzelf overgelaten, tot onberaden stappen komen.Vandaar dat enkele dagen, nadat de Prins de plannen van die partij ten sterkste had afgekeurd, door hem eene samenkomst van de voornaamste grooten, eerst in Breda en kort daarop te Hoogstraten werd geleid, waarin hij dezen ter voorkoming van de gevaren die uit het Verbond der Edelen konden voortvloeien, opwekte zich met hem aan het hoofd der beweging te plaatsen.Welk plan daar te Hoogstraten door den Prins zelf geopperd werd, is niet geheel zeker. Wel bewijst de aanwezigheid van Lodewijk van Nassau en van George von Holl aldaar en het beroep, dat de Prins op hen deed, dat de gedachte toch ook in hem omging, om desnoods door wapengeweld het land tegen een aanval van Spaansche troepen te verdedigen. Misschien wilde hij wel, zonder zich van Antwerpen meester te maken, de Staten-Generaal bijeenroepen en gedekt door de toezegging van vreemde hulptroepen, vrij met den koning onderhandelen. Doch ook aan dit plan, zoo het aldus werd voorgesteld, lag wapengeweld ten grondslag en daarvan wilde Egmond niets weten. Ook Meghen en Mansfelt kozen Egmonds zijde.Het is hier de plaats niet om een oordeel over Egmond uit te spreken. Hard, zeer hard wordt hij om die houding aangevallen; door anderen, die zijn loyauteit blijven roemen, daarom geëerbiedigd, al bejammeren ook deze zijn nauwgezetheid, die zooveel ongeluk aan het land berokkende. Doch, terwijl we het oordeel in dezenover Egmond aan anderen overlaten, die zijn karakter bestudeeren, voor ons, wie het te doen is om den Prins, is daarom alleen Egmonds verzet te Hoogstraten merkwaardig, omdat de Prins ook toen zijn ontwerp opgaf en ten stelligste aanried, de daden nog uit te stellen en alleen met woorden te beginnen.Het is jammer genoeg, dat Egmonds voorbeeld zoo aanstekelijk op den Prins heeft gewerkt. In 1566 en 1567 zullen we Oranje meer dan eens onder den invloed van Egmonds versaagdheid zien. De kracht van den volkswil heeft hij in het eind van 1566 miskend en in plaats van in 1568 had hij wellicht beter gedaan in dat jaar reeds de vaan van den opstand te ontrollen.Aan Lodewijk van Nassau werd opgedragen, het adres van de edelen aan Margareta op te stellen. Hij en Brederode waren in Maart de erkende leiders. Doch ook de Prins had grooten invloed op den inhoud van het smeekschrift; althans terwijl Lodewijk met de samenstelling bezig was, vertoefde hij meestal bij zijn broeder in Breda. Gezamenlijk zou dit smeekschrift aan de landvoogdes worden aangeboden. Op uitdrukkelijk verlangen van Oranje zouden de edelen bij die aanbieding ongewapend verschijnen. Het mocht geen revolutionaire maatregel zijn, maar een eenvoudig protest tegen een regeeringsdaad.Nadat de zaak alzoo geschikt was, viel er nog veel te doen voor hen, die aan het hoofd stonden en met de geestdrift en den ijver van moderne leiders der politieke bewegingen togen ze aan den arbeid. De verbondenen—die naam werd niet voor April gebruikt—verdeelden de gewesten onderling om onderteekeningen voor de petitie te verwerven. Lodewijk nam o. a. Zeeland, Friesland en Antwerpen, Brederode Holland voor zijn rekening. De Hames alleen beroemde er zich op, in korten tijd meer dan 2000 handteekeningen op het smeekschrift te hebben verworven.De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)
Er is misschien geen tijdvak uit de levensgeschiedenis van den Prins van Oranje, dat zóó door zijn vijanden gebruikt wordt om hem af te schilderen als het meest dubbelzinnig, huichelachtig en satanisch karakter, als het tijdvak, dat volgde op zijn zegepraal over Granvelle. En inderdaad, indien men slechts oppervlakkig de verschillende episodes daarvan beschouwt en zonder op het verband te letten het doen en laten van den Prins in die jaren gadeslaat, dan zou er veel te zeggen zijn voor de meening, dat Oranje in die jaren geen karakter openbaarde, dat eerbied en bewondering afdwong.
Wanneer men vergeet, dat zijn karakter nog geheel in wording was, vergeet hoe zijn persoonlijkheid gevormd is door de omstandigheden en wanneer men hem in die jaren toetst aan hetgeen men noemt, een man uit één stuk, dan blijft er van eerbied en bewondering niet veel over. Wie hem echter ook in die jaren neemt gelijk hij was, wie gelooft, dat hij als mensch en als staatsman nog aan den aanvang van zijn ontwikkeling stond, die zal met deze fase van een leven, dat zich later zoo krachtig ontplooide, vrede kunnen hebben, ook al komt het niet in hem op, zijn zwakheden te verschoonen.
In de eerste maanden na Granvelle’s vertrek scheen het, alsof de edelen de regeering in handen hadden en of home rule een voldongen feit was. De regentes scheen haar Nederlandschen raadgever geheel te vertrouwen en de Prins hoopte door wettige middelen de misbruiken weg te nemen. Margareta was zelfs zeer vriendelijk tegen hem; trouwens hoe gelukkig was zij, van den meesterachtigen kardinaal verlost te zijn. Dat de Prins bijzonder in haar gunst deelde, bleek wel hieruit, dat hij haar op de jacht moest begeleiden, menigmaal haar gast aan tafel was en dikwijls met de landvoogdes tot laat in den nacht werkte aan regeeringszaken.
De Raad van State werd nu ook weer door Egmond en Oranje bezocht, maar al spoedig bemerkten zij daar, dat al hun arbeid met onmacht zou geslagen zijn, zoolang die Raad niet een andere bestemming had gekregen, want een eigenlijk regeeringswerktuig was dat lichaam niet, zijn taak was alleen raad te geven. Vandaar het voorstel van Oranje en Egmond om den Raad van State tot regeerend lichaam te maken en zijn macht zelfs zoo uit te breiden, dat de andere Raden tot bureaux zouden verlaagd worden. Margareta keurde dit plan goed, maar het stuitte af op den onwil van den koning, die wel Granvelle wilde opofferen, maar zijn regeeringsstelsel nooit.
Viglius en Barlaimont bleven zich eveneens vijandig tegenover Oranje en zijn voorstellen tot verbetering van den toestand plaatsen, terwijl in het bijzonder Viglius met Granvelle in briefwisseling bleef, waardoor deze geheel op de hoogte werd gehouden van de gebeurtenissen in Brussel. Spoedig zou het blijken, dat men eigenlijk met Granvelle’s vertrek niets gewonnen had en dat deze eerste rooskleurige dagen weder het begin zouden zijn van nieuwe naderende onheilen.
Met ’s Prinsen bijzondere zaken ging het ook niet naar wensch. Zoowel zijn geldmiddelen, als zijne echtgenoote, zoowel het prinsdom Oranje, als zijn Duitsche nabestaanden, kostten hem moeite en hoofdbreken. Hoe moeilijk het was zijn vermogen van schulden te zuiveren, bewijst o. a. de volgende brief aan Lodewijk:
“Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van mij vordert en wel kan ik zeggen: “Sic ut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum” (zooals het in het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn, dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers; al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200 florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven, spoedig van de schulden bevrijd te zijn.Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten, want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is,Willem van Nassau.Uit Breda, 25 Jan. 1564.”
“Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van mij vordert en wel kan ik zeggen: “Sic ut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum” (zooals het in het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn, dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers; al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200 florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven, spoedig van de schulden bevrijd te zijn.
Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten, want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.
Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is,Willem van Nassau.Uit Breda, 25 Jan. 1564.”
De gezantschappen, in dien brief bedoeld, kwamen van de arme protestanten uit Oranje, die ter wille van hun godsdienst niet met rust werden gelaten. Evenals de Nederlanders waren zij ook verlangend naar hun afwezigen souverein, opdat die eenig belang zou stellen in hunne zaken.
Meenden zij, dat de nieuwe godsdienst geen groote kans had, zich uit te breiden, de paus dacht daar anders over en zond in December 1563 een brief aan den Prins vol klachten over den treurigen toestand van den godsdienst in het kleine rijkje, een brief waarvan de inhoud neerkwam op de klacht: “Ketters, ketters overal!”
De paus achtte den toestand noodlottig voor den staat, grievend voor alle katholieken en gaf niet onduidelijk te verstaan, dat als zijn vaderlijke waarschuwingen niet hielpen en de Prins voortging zijn duidelijken plicht te verwaarloozen, er dan gestrenger maatregelen genomen zouden worden. “Indien onze krachten en die van de heilige Roomsche kerk niet voldoende zijn, dan zullen wij tot menschelijke hulp onze toevlucht moeten nemen.”
Ook de protestanten van Oranje deden daarop een beroep; zij schreven aan Calvijn en verzochten hem met hun vorst, ten behoeve van hun godsdienst tusschenbeide te komen.
Nu de hulp van den Prins werd ingeroepen, zoowel door den paus als door de protestantsche bevolking, was het begrijpelijk, dat zijn houding tegenover den godsdienst en de godsdienstige verdeeldheid wel een noodzakelijk deel moest gaan vormen van zijn staatkundig program. Van persoonlijke sympathie voor de protestanten, van persoonlijken ijver voor den godsdienst was tot dat oogenblik bij Oranje geenerlei sprake.
Terwijl hij echter de hervorming in de Nederlanden steeds meer vorderingen zag maken en hem dit als raadgever van Margareta vanzelf moest aanzetten tot eene besliste houding in de godsdienstquaestie, kwam daarbij nu nog uit zijn eigen vorstendom een roepstem van de aanhangers van het nieuwe geloof tot hem om bescherming. Begrijpelijk is het, dat het jaar 1564 daarom kan gelden als het merkwaardigste jaar, niet van zijn eigen godsdienstige bekeering, maar als dat waarin hij belangstelling in het godsdienstig vraagstuk aan den dag begon te leggen, al was het alleen maar, omdat de staatkunde er hem toe verplichtte. Oranje bevredigde de hervormden in zijn prinsdom voorloopig door aan den paus te schrijven, dat hij overeenkomstig de ligging van zijn vorstendom verplicht was zich te houden aan de Fransche edicten, die in die dagen, uitgenomen in Parijs, voor de protestanten zeer mild waren.
Ook zijn huiselijke omstandigheden veroorzaakten den Prins zorgen en verdriet. Reeds in 1564 bleek Anna van Saksen een vreemde, zonderlinge vrouw te zijn. Zoo wordt verteld, dat de Prins zich aan tafel van de landvoogdes eens had uitgelaten over het vreemde leven, dat zijn vrouw leidde. “Zij at heel weinig en het gebeurde nu en dan, dat zij 14 dagen in haar kamer bleef zonder uit te gaan en zonder eenig gezelschap te willen hebben.” Zoo melankoliek was haar gemoedstoestand, dat dezelfde zegsman eens aan Granvelle schreef, dat de Prinses niet lang geleden in Brugge had vertoefd, maar dat zij ook daar niet uit haar kamer was geweest en dat zelfs, terwijl dagelijks de vensters gesloten bleven, zij geenander licht wenschte dan een kandelaar. Die melankolieke gemoedstoestand scheen zelfs van jaar tot jaar erger te worden, tenminste in 1565 schreef de Prins aan zijn broer Lodewijk over haar op een toon, die veel kwaads doet veronderstellen. De Prins draagt daar namelijk aan zijn broer op, eens bij den keurvorst van Saksen een boekje over zijn nicht open te doen. Hij mag gerust onderzoeken, zelfs bij haar kamenier, de kleine Duitsche, hoe en op welke manier zij zich gedraagt; haar eigenzinnigheid had haar reeds tot tamelijke ongehoorzaamheid gebracht en de Prins vreesde, al had zij ook beterschap beloofd, dat het toch weer zou terugkeeren. Lodewijk wordt daarin door Oranje verzocht maar eens aan den keurvorst te vragen, of hij eenig geneesmiddel wil bedenken voor de zielekwaal van zijn echtgenoote.
Toch schonk Anna in December 1564 het leven aan een zoon, die Maurits werd gedoopt, doch die zoo ziekelijk was, dat hij reeds in Maart d. a. v. overleed. Het ontbreekt wel aan de noodige gegevens om al te groote gevolgtrekkingen te maken voor het karakter van den Prins uit zijn tweeden ongelukkigen echt, doch het kan niet anders, of die huiselijke tweedracht moet den vroeger maar al te lichtzinnigen Oranje tot meerder levensernst gebracht hebben. Het samenvallen van de ernstige gebeurtenissen van het land met zijn huiselijk onheil heeft ongetwijfeld meegewerkt tot de vorming van zijn karakter. En niet alleen zijn vrouw, ook zijn bloedverwanten kostten hem in die jaren hoofdbreken genoeg. De opvoeding en de positie van zijn jongsten broer Hendrik brachten veel zorgen en bemoeiingen mede, zooals we later zullen zien.
Welke houding nam de Prins nu aan in de Nederlanden?
In Augustus 1564 kwamen er orders van Filips II, die duidelijk toonden, dat de schijn van kalmte na Granvelle’s vertrek bedriegelijk was geweest en dat er een beroering voor de deur stond van vrij wat ernstiger karakter dan die door den kardinaal was veroorzaakt. Het concilie van Trente, dat reeds met tusschenpoozen van 1545 af was vergaderd geweest, eindigde in 1563 met bevestiging van de oude leerstellingen omtrent de absolute autoriteit der kerk.
Voor den fanatieken koning van Spanje waren de eindbesluiten van het concilie natuurlijk van onfeilbare kracht en hij greep ze dan ook direct aan om aan zijn eigen besluiteloosheid ten opzichte van de Nederlanden voor goed een einde te maken. Aan Margareta werd bericht gezonden, dat de besluiten in de Nederlanden moesten worden afgekondigd en dat de inquisiteurs door alle burgerlijke ambtenaren gesteund moesten worden, teneinde tot volstrekte gehoorzaamheid aan die besluiten te dwingen en elk persoonlijk oordeel in zake den godsdienst te beteugelen.
Reeds in 1525, gedurende de regeering van Karel V, waren er inquisiteurs aangesteld, wier plicht het was, met kracht de Hervorming tegen te gaan, terwijl tal van plakkaten waren uitgevaardigd, die hetzelfde doel beoogden. Ook onder Filips had het waarlijk niet ontbroken aan pogingen in diezelfde richting. De bisschoppelijke organisatie van 1561 bedoelde vooral, krachtigen steun te verleenen aan de inquisitie in de verschillende gewesten. Dat er luide protesten tegen dieinrichting werden vernomen, behoeft waarlijk geen betoog; was Brabant tot dien tijd er vrij van gebleven, in de andere gewesten bestond een krachtige oppositie tegen dien gruwel en sedert 1559 ontstond er ook bij Oranje verzet tegen de harde maatregelen, welke de inquisitie eischte.
Het was den Prins duidelijk geworden, ook uit de jongste gebeurtenissen der naburige landen, dat de geest der hervorming overal doordrong en tevens, dat bestrijding van dien geest door middel van geweld veel meer uitbreiding dan vernietiging tengevolge had. Al was hij voor zichzelf tot heden trouw gebleven aan het katholieke geloof, of liever, al had hij zich persoonlijk weinig of niets om den godsdienst bekreund—al had hij de geheele wereld tot dien tijd wel Amadissen de Gaule in handen willen geven en gaillardes willen leeren dansen, om de melankolieke quaestie van den godsdienst te vergeten—ook hij begon toch in te zien, dat de godsdienst iets meer was, dan een zwaarmoedige stemming, die moest worden overwonnen; dat hij even groot gewicht in de schaal legde in het leven der individuen als der volken.
Hij moest zich, geprikkeld door de onophoudelijke klachten over de ketterij in zijn vorstendom Oranje, aangevuurd door hetgeen hij onmiddellijk rondom zich in de Nederlanden aanschouwde—wel rekenschap gaan afvragen van de roeping van den staatsman tegenover het geloof.
Is het daarom niet merkwaardig, dat nagenoeg in denzelfden tijd, in den nazomer van 1564, de Prins van Oranje een geheime samenkomst met François Baudouin in het bosch van Soignies had. Baudouin behoorde tot die eigenaardige geesten uit de 16eeeuw, die gelijk Cassander e. a., hoewel de dwalingen der kerk inziende, nochtans zoo afkeerig waren van den strijdlust der protestanten, dat ze naar verzoening streefden. Hij was Nederlander van geboorte, stond bekend als een groot jurist en daar hij reeds een verzoenende rol in Frankrijk en Duitschland had willen spelen, riepen de Nederlandsche grooten hem in 1563 naar zijn vaderland terug en benoemden hem tot hoogleeraar in Douai. De bedoeling was, dat Baudouin, eenmaal lid van den geheimen raad geworden, in vereeniging en overleg met Willem van Oranje mede zou werken tot eene nieuwe wetgeving op het punt der religie, waarbij eendracht in kerk en staat op den voorgrond zou staan.
Hoewel de zaak geen gevolgen heeft gehad en Baudouin ten slotte niet de rechte bemiddelaar bleek te zijn, toch is deze poging van belang, omdat er duidelijk door wordt, hoe de Prins in 1564 zoowel door den toestand in Oranje, als door zijn positie in de Nederlanden, met alle macht zocht naar een ander middel dan de bloedige plakkaten, ten einde de rust in staat en kerk te herstellen. Aan eerbied voor de kerkleer, zooals die in Trente was vastgesteld, ontbrak het hem niet, maar afkeer van de bloedige vervolging, zucht tot vrede, deden hem en de zijnen opkomen tegen de noodlottige inquisitie en tegen alle gewelddadige maatregelen.
Nemen we dit een en ander in aanmerking, dan is ons de houding van Oranje in den Raad van State geen raadsel meer, nadat Margareta in December 1564 met de grooten den toestand van het land had besproken en Viglius een veel te zwakke instructie had opgesteld voor Egmond, die persoonlijk naar Spanje zou gaan.
Van de gedenkwaardige rede, welke toen door den Prins in den Raad van State werd gehouden en die Viglius zoo deed ontstellen, dat hij door een beroerte werd getroffen, is slechts een uittreksel van weinige regels bekend, maar deze zijn voldoende om ons te overtuigen,dat we Oranje op een van de hoogtepunten van zijn leven leeren kennen.
Nadat door niemand bedenkingen waren ingebracht tegen het door Viglius opgestelde stuk, kwam aan Oranje de beurt, zijn stem erover uit te brengen.
“Het is thans tijd,” zoo sprak de Prins, “ronduit te spreken en niet langer te verbloemen, want de toestand, waarin het land gebracht is, kan niet voortduren. De koning dwaalt, als hij meent dat Nederland te midden van landen, waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan; evenals elders zal men ook hier oogluikend veel moeten toestaan. En hoezeer ik aan het katholiek geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over het geweten hunner onderdanen willen heerschen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.”
Zulke woorden waren nog nooit in den Raad van State gehoord en inderdaad openden ze een nieuw tijdvak in de verhouding van de Nederlanden tot Filips. De groote kampioen van de verdraagzaamheid en de gewetensvrijheid was met die woorden in den Prins geboren. Tot dien tijd had Oranje wel krachtiger aandeel aan het bestuur en uitbreiding van de bevoegdheid van den Raad van State gevraagd, maar toch altijd aan den koning beloofd, de ketterij mede te willen bestrijden, al was het niet langs den weg der bloedige plakkaten. Ook in zijne antwoorden aan den paus zette hij steeds nog zijn ijver voor de katholieke kerk en leer op den voorgrond.
Nu echter komt hij openlijk voor den godsdienstvrijheid uit, in navolging van Duitschland, ook al bleef hij erkennen, voor zich zelf aan het katholiek geloof gehecht te zijn. Alles had, gelijk we zagen medegewerkt, om hem tot dat hooger standpunt op te voeren. Zonder nog zelf behoefte te hebben aan een reiner geloof, was er toch door zijn levenservaringen meer ernst in zijn gemoed gekomen; de landen, waartoe hij in betrekking stond, leerden hem dagelijks al meer en meer, dat de godsdienst als gewetenszaak der individuen niet aan banden te leggen was en zijn omgang met zijn Duitsche betrekkingen, die in gewetensvrijheid zooveel ruimer ademhaalden, dwong hem tot de erkenning, dat diezelfde vrijheid, trots den wil des konings, in de Nederlanden moest veroverd worden.
Of Oranje, die zoo beslist had gesproken, veel vertrouwen had in de zending van Egmond naar Spanje, kan worden betwijfeld. En inderdaad, die twijfel zou gewettigd geweest zijn. Want het is bekend, dat Egmonds zending, hoe hij ook zich zelf eerst gevleid en gestreeld achtte met ’s konings beloften, geheel als mislukt was te beschouwen. In Brussel teruggekeerd, kon de graaf de vragen zijner achterdochtige vrienden niet beantwoorden en moest hij van Oranje de harde waarheid hooren, dat hij de algemeene belangen om zijn bijzondere verzuimd had.
De Prins deed dat laatste in die dagen zeker niet, want dan had hij ook geen recht gehad, Egmond hard te vallen. Maar of we hem daarom als een held des geloofs hebben te begroeten op grond van die verdediging der godsdienstvrijheid in den Raad van State, deze vraag zou alleen bevestigend kunnen beantwoordworden door hen, die andere trekken uit zijn leven van die dagen voorbijzien, of daaraan ter wille van een vooraf opgevatte meening niet die beteekenis geven, die ze inderdaad hebben. Wij vinden namelijk in de briefwisseling van den Prins uit denzelfden tijd bewijzen te over, dat ook bij hem het tijdelijk belang groot gewicht in de schaal legde en die ons overtuigen, dat destijds ook bij Oranje “de zaak van den godsdienst geen bezielend idee, maar een schakel in zijn politiek plan was, waarin een zekere engbegrensde hervorming, een zekere godsdienstige verdraagzaamheid was opgenomen, als onontbeerlijk voor het eigen belang en voor het belang van het volk.”
Vreemd klinkt het zeker, dat de Prins terzelfder tijd, dat hij in den Raad van State die lans voor de godsdienstvrijheid brak, briefjes vol toewijding aan den koning schreef met beloften van trouw aan zijn dienst en aan de zaak der religie. Ook van Filips ontving hij in die dagen meer dan één schrijven, om hem dank te zeggen voor de trouw, die hij in zijn dienst bewees. De Prins zegt zelf in een van die brieven o. a.: “Het was niet noodig, Sire, dat Uwe Majesteit mij aanbeval te willen voortgaan met de bevordering van den godsdienst, want zij kan zich verzekerd houden enz.”
Nog vreemder echter schijnt het volgende: Juliana van Stolberg volgde met groote bezorgdheid de schreden van haar jongsten zoon Hendrik van Nassau. Zij vreesde telkens dat hij besmet zou worden met de paapsche afgoderij en vertrouwde hem nauwelijks te Leuven, waar hij nog zijn studiën in 1565 voortzette. Strookte het dan met de inzichten van die moeder, dat Willem van Oranje zijn jongsten broeder Hendrik bestemde voor kerkelijke ambten in het door en door streng katholieke Nederland? En toch, de Prins koesterde dit plan. De bisschop van Luik was gestorven en daardoor viel de zeer winstgevende betrekking van de proostdij van St. Salvator te Utrecht open. Naar dat ambt stond Oranje voor Hendrik en inderdaad gelukte die candidatuur in zoover, dat de jonge graaf van Nassau, met goedkeuring van den koning en met voorbijzien van meer dan één geestelijke, die er alle recht op kon doen gelden wegens geleerdheid en onberispelijkheid van zeden, het jaargeld ontving aan dat ambt verbonden; het ambt zelf kreeg een tegen-candidaat, de graaf van Rennenberg. Dit geschiedde in den aanvang van 1566, maar ook in 1565 waren Oranje’s zorgen voor Hendrik in strijd met de inzichten zijner moeder. Hij toch schrijft in Aug. 1565 aan zijn broeder Lodewijk o. a.:
“Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden, komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat, zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen;want ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen, vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is, dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça, dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles tot groot schandaal en onze schande afloopen.”
“Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden, komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat, zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen;want ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen, vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is, dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça, dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles tot groot schandaal en onze schande afloopen.”
Daarop geeft hij zelfs in dien brief te kennen, dat er zich nog een andere gelegenheid heeft voorgedaan, om Hendrik te bevoordeelen. De graaf van Schauenburg was namelijk bij hem geweest met graaf van den Berg en die had hem beloofd, dat hij graaf Hendrik tot coadjutor van zijn proostdij Hildesheim wilde bevorderen. Oranje voegt daaraan toe, dat die betrekking een graaf zeer goed past en vooral deze woorden zijn merkwaardig, dat die betrekking geenerlei verplichting oplegt, dat ieder betreffende den godsdienst kan leven gelijk hem goeddunkt, mits men een weinig bescheiden is en de onderhoorigen niet worden gedwongen. Ook hoopte de graaf van Schauenburg, dat de broeder van den graaf van Königstein, graaf Christoffel, die de proostdij van Halberstadt bezat, Hendrik ook tot zijn coadjutor zou maken, welke proostdij zooveel rente gaf, dat de bezitter daarvan gemakkelijk 20 paarden met hun ruiters en equipage kon onderhouden. Buitendien lagen die beide proostdijen slechts 5 mijlen van elkander.
“Waar ons zulke aanbiedingen gedaan worden, moeten we niet slapen, maar het met inspanning van al onze krachten trachten te bereiken en omdat het noodzakelijk is, daarvoor de goedkeuring van den paus te hebben, is het goed, dat mijn broeder hier is, anders is alle moeite vergeefsch.”
Deze geheele zaak bewijst ten duidelijkste, hoe Oranje op dat tijdstip alle godsdienstige belangen ondergeschikt maakt aan de tijdelijke en het verwondert ons dan ook niet, dat Juliana van Stolberg en graaf Jan, hoe zij ook den oudsten zoon en broeder vertrouwden, in dit opzicht zijn raad, niettegenstaande den krachtigen aandrang van den Prins, niet hebben willen opvolgen. Wel weigerden zij niet absoluut, maar ze hielden de zaak slepend, zoodat Jan in den volgenden zomer aan Lodewijk schreef, dat hij nog steeds onwillig was, om Hendrik naar Brussel te doen terugkeeren. Hij vreesde den aankomenden jongeling onder katholieke invloeden te brengen. De daarop gevolgde toestand in de Nederlanden vernietigde van zelf dit plan omtrent Hendrik.
Dit is het echter niet, dat ons het meest belang inboezemde, wel de kennis, die wij uit dien langen brief van den Prins aan Lodewijk putten omtrent Oranje’seigenlijke gezindheid. En dan kan niet ontkend worden, dat, hoe Oranje ook in den Raad van State voor godsdienstvrijheid pleitte, toch de godsdienst zelf voor hem in dat jaar nog geheel ondergeschikt gemaakt werd aan stoffelijke belangen. Van wezenlijken ijver voor de heiligste zaak is bij hem volgens dien brief geen sprake. De godsdienst vindt in de rij van andere stoffelijke belangen een gedrongen plaats. Wel moet erkend worden, dat Oranje zoowel als alle edelen in groote moeilijkheid geraakte door deze omstandigheden. Zij stonden tusschen twee uitersten in, die beiden als radicaal konden beschouwd worden en zij wilden een middenweg. Maar die middenweg werd de ondergang van den adel en de tijdelijke verduistering van Oranje’s ster. “De Nederlandsche adel had zijn belangen liever dan de zaak van den godsdienst.” De krachtige uitlatingen van den Prins in den bewusten brief over de belangen van graaf Hendrik laten omtrent hem zelf geen ander oordeel in dit tijdperk van zijn leven toe.
In den daarop volgenden brief drukte de Prins, terwijl hij nog blijft aandringen op Hendriks komst, het grootste verlangen uit naar het gezelschap van Lodewijk, daar hij zich zoo bitter alleen en verlaten voelt. “Kom als het kan, al is het slechts voor 14 dagen.” Hij heeft behoefte aan zijn broeder zoowel voor zaken van belang als om zich met hem te ontspannen. Al moest hij tegen wil en dank erkennen, dat het noodzakelijk was, dat Lodewijk naar Dillenburg ging, zoo hoopte hij toch, dat hij intijds terug zou zijn voor de bruiloft van Montigny en dat hij deel zou kunnen nemen aan het tournooi.
Lodewijks bezigheid in Duitschland was op dat oogenblik, in overleg te treden met de Duitsche vorsten en hij werd daar langer opgehouden, dan men verwacht had. Als trouwe hulp stond hij den Zwijger in die dagen niet minder dan later bij; thans vooral om mede te werken tot meerder eensgezindheid tusschen de verschillende protestantsche sekten. Hij was het geweest, die in 1564 den Prins tot Baudouin bracht, ten einde door dezen een middel te vinden om katholieken en protestanten te hereenigen. Nu was vooral Lodewijk bezig, een poging aan te wenden om een vergelijk tot stand te brengen tusschen de Lutheranen en de Calvinisten, terwijl hij hoopte de Duitsche vorsten zooveel mogelijk te verzoenen met zijn broeder, den katholieken Prins van Oranje, wien hij tevens raad en steun vroeg.
Dit toch werd met den dag een dringender eisch. De toestand in de Nederlanden werd hoe langer hoe meer gespannen. Weer duurde het geruimen tijd, eer na Egmonds terugkeer uit Spanje de koning aan zijn belofte voldeed, om nader te schrijven. Hij was er eerst niet tegen, een vergadering van geestelijken en rechtsgeleerden te beleggen, die zouden beraadslagen over andere middelen tot wering der ketterij, maar het advies dier vergadering, om verzachting der straf in enkele gevallen toe te staan, droeg allerminst de goedkeuring des konings weg.
Daarom schreef Filips weder na maanden op den 17enOctober 1565,“dat de straffen niet verminderd mochten worden; de inquisitie moest blijven, gelijk ze was en dat de magistraten en de regenten die moesten steunen.”
Deze heillooze brieven uit Segovia werden in de eerste dagen van November te Brussel ontvangen. Filips’ orders waren ondubbelzinnig, maar het was hoogsttwijfelachtig, of het in de macht van zijn zuster zou liggen, die orders uit te voeren. Op het verzet van het volk werd in geen enkel opzicht acht geslagen. De plakkaten moesten zonder eenig voorbehoud worden toegepast. Margareta sprak verscheiden dagen niet over den inhoud van die brieven, maar haar sombere stemming kon ze niet verhelen; niet moeilijk was het naar de oorzaak daarvan te gissen.
Tegen December werd er een vergadering van den Raad van State bijeengeroepen. De brieven van Spanje werden voorgelezen en de ontroering daarover was algemeen. Egmond, “de gelukkigste man der wereld”, zooals hij zich bij terugkeer in een brief aan Filips noemde, erkende nu voor het eerst, dat alle beloften, die de koning hem mondeling had gedaan, volkomen waardeloos waren. Viglius zelfs, blijkbaar bevreesd over de heillooze uitwerking op de gespannen gemoederen, gaf den raad, nog eenmaal de zaak bij Filips terug te brengen, althans slechts gedeeltelijk den wil des konings te volvoeren en in de aanschrijving geen gewag te maken van de inquisitie. Maar Oranje verklaarde zich, nu het na zoovele ervaringen gebleken was, dat de koning geen acht wilde slaan op de stem des volks, tegen alle halfheid en voor de onmiddellijke uitvoering van de bevelen. Het was nog beter, dat het volk wist, waaraan men zich voortaan te houden had, dan het langer in onzekerheid te laten.
De koning van Spanje zou toch niet—dat was duidelijk genoeg gebleken—van gedachten veranderen; een middenweg was niet meer te vinden. In dien zin werd dan ook besloten. Aan de stadhouders en aan de gerechtshoven zouden lastbrieven gezonden worden, om ’s konings bevelen onverwijld op te volgen. Toen dat besluit was genomen, moet Oranje iemand naast hem in de ooren gefluisterd hebben: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien.” Viglius, die die woorden heeft medegedeeld, voegde er bij, dat de Prins ze uitsprak, “als ware hij verblijd en bij voorbaat zeker van de overwinning.”
Er is geen ander bladzijde uit ’s Prinsen leven, waaruit door zijn vijanden tot heden toe meer venijn getrokken is, dan uit die houding en die woorden van Oranje. Hier wordt hij niet langer alleen de huichelaar en de eerzuchtige gescholden, hier wordt hij voorgesteld als de satanische geest, als de Lucifer, die er behagen in had de lont in het kruit te werpen, die, hoewel beseffende dat zijne daad de droeve tragedie van den oorlog zou openen, met een vroolijk gelaat en als zeker van zijne overwinning, al de ellenden en gruwelen van den afval van Spanje en den koning op zijn geweten had.
Zeker uit het oogpunt van zijn feilen bestrijder, daarbij nog voorgelicht door den subjectieven indruk, dien Viglius ontving, is er inderdaad iets satanisch in Oranje’s houding op dat oogenblik. Wat kan vreeselijker gedacht worden, dan met volle bewustzijn, louter gedreven door persoonlijke eerzucht en al de jammerlijke gevolgen aan zijn daad verbonden kennende, van zulk een tragedie met lachend gelaat, niet de aanleiding, maar de onmiddellijke oorzaak te zijn. Wij zullen dan ook die opvatting niet veroordeelen, want op een bevooroordeeld standpunt is geene andere opvatting mogelijk. Op dat standpunt is Willem van Oranje hier terecht de incarnatie van dien Lucifer, wien Vondel deze woorden in den mond legt, als Belzebub hem voor goed heeft gewonnen voor den opstand tegen God:
Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelfZoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogenTe bersten springen en verstuiven voor onz’ oogen,’t Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen rompDit wonderlijk heelal in zijnen mengelklompEn wilde woestheid weer verwarren en verkeeren.Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.
Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf
Zoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen
Te bersten springen en verstuiven voor onz’ oogen,
’t Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen romp
Dit wonderlijk heelal in zijnen mengelklomp
En wilde woestheid weer verwarren en verkeeren.
Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.
Geheel anders wordt echter onze voorstelling, indien we ons te binnen brengen, dat er aan dat hemelsblauw gewelf van de Nederlanden reeds lang zeer donkere en onheilspellende wolken waren aanschouwd; dat de man die die woorden sprak: “Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien,” langzamerhand ontwaakte tot het bewustzijn van zijn roeping; dat zijn karakter bezig was zich te vormen voor den grooten strijd, die niet uit kon blijven, nu de koning van Spanje zich zoo onwijs bleef verzetten tegen den geest van het volk en den geest van zijn tijd.
Moedig was integendeel de daad van den Prins na de heillooze brieven uit Segovia; noem het een somberen moed, mij wel; want niet elk sterveling is er op aangelegd, om op die wijze de lont in het kruit te steken; maar evenmin als het ons voegt een steen te werpen op historische personen, die mannen van staal en bloed zijn geworden, omdat zij een hoog volksideaal tot verwezenlijking moesten brengen door bloed en tranen heen, al blijft ook hun karakter, uit het oogpunt van de gangbare moraal raadselachtig; evenmin voegt ons hier een oordeel over Willem van Oranje, die door zijn houding in den Raad van State de droeve tragedie met volle bewustheid heeft geopend.
De gebeurtenissen moesten hun loop hebben; wie de verantwoordelijkheid van die gebeurtenissen op zich neemt, zal altijd blootstaan aan het oppervlakkig oordeel der menigte. Wij zijn niet van meening, dat deze bladzijde tegen den Prins getuigt. Zelfs onpartijdige historieschrijvers hebben er Oranje om veroordeeld; anderen hebben getracht de beteekenis der woorden te verzwakken. Wij daarentegen vinden in deze fase, toen het den Prins nog ontbrak aan den hoogen en diepen ernst van waren godsdienst, toen hij, hoewel geneigd de slachtoffers van de inquisitie te beschermen, toch nog voor tijdelijke belangen voorgaf den R-Katholieken godsdienst aan te hangen; wij vinden er een echt menschelijke uiting in van een wordend karakter en wel verre van hier een Lucifer-incarnatie in hem te aanschouwen, begroeten we hem hier als een geestverwant van dien ander, die somber de wonderspreuk uitte: “Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard.”
Het is te begrijpen, hoe grooten indruk het in de gewesten maakte, toen men vernam, dat ’s konings bevelen moesten worden uitgevoerd. De hervorming, die onder alle standen en rangen der maatschappij reeds wortel had geschoten en zich vooral in Antwerpen onder de Duitsche kooplieden, daar woonachtig, zich sterk had uitgebreid, was niet meer te keeren en er was dan ook in 1565 slechts één verlangen onder het volk: dat Filips zijn eischen zou matigen. Het misnoegen was werkelijk zeer groot; overal, op straat, in de herberg, op het veld, op de markt of in de kerk, bij eene begrafenis of bij een bruiloft, zoowel op het kasteelvan den edele, als in de hut van den landman, zoowel in de woning van den daglooner, als onder de kooplieden op de beurs—overal en altijd werd slechts over dat ééne verschrikkelijke onderwerp gesproken.
Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)
Oranje houdt de beroemde rede in den Raad van State. (Bladz. 91.)
In Brabant, dat altijd krachtens bijzondere privilegiën van de inquisitie was verschoond gebleven, wilde men de nieuwe inbreuk op de rechten van het volk niet dulden en in Vlaanderen en Namen protesteerde men ook krachtig. Geen wonder, dat de stadhouders der verschillende gewesten er bezwaar in hadden, de bevelen uit te voeren en verzochten, vervangen te worden door mannen, die zich in staat zouden achten, de bevelen van Filips op te volgen. Ook Oranje gaf in zijn qualiteit van stadhouder te kennen, dat de uitvoering, waartoe hij als lid van den Raad van State had moeten meewerken, voor hem ondoenlijk was.
In den zomer van 1565 was tijdens een verblijf van Lodewijk van Nassau te Spa, het eerste denkbeeld omtrent een verbond van edelen ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk, dat het niet alleen gezondheidsredenen waren, die Lodewijk bewogen daar de baden te gebruiken. Spa was, evenals in onze dagen verschillende badplaatsen, in dien tijd dikwijls het vereenigingspunt voor andere doeleinden dan het watergebruik.
Zeker, Lodewijk was op dat oogenblik ongesteld; Oranje vraagt hem naar den invloed van de baden op zijn gezondheid en Brederode waarschuwt hem op zijn manier, om toch niet te veel water te drinken en den wijn niet te vergeten, maar de Prins schreef ook tevens aan zijn broeder, dat zijn verblijf te Spa, nu Bergen daar ook was, misschien een goede gelegenheid zou zijn, “om een weinig te praten over de zaken, die wij overlegden.”
Onbekend is, of Bergen, met wien Lodewijk in Spa druk verkeerde, heeft deelgenomen aan de besprekingen, die op de badplaats de aanleiding zijn geworden tot het verbond der edelen.
Lodewijk van Nassau ontmoette aldaar eenige leiders van de Calvinistische partij, twee edelen, n.l. Jan van Marnix, den broeder van Marnix van St. Aldegonde en Nicolaas de Hames, wapenheraut van het Gulden Vlies en een vertegenwoordiger van den rijken burgerstand Gilles le Clercq van Doornik. Over die ontmoeting, of ze toevallig was, dan op afspraak berustte, noch over de bijzonderheden van de samenkomst bestaan eenige berichten. Alleen weet men met zekerheid, dat er met Lodewijk door de drie genoemde personen van gedachten gewisseld is over het oprichten van een verbond, tot verdediging der gewetensvrijheid.
Of de Prins hiervan geheel was ingelicht, is onzeker. In ’t algemeen ried de voorzichtige man in die dagen groote behoedzaamheid aan, gelijk o. a. blijkt uit zijn reeds vermelden brief over Hendrik, waarin hij aan Lodewijk den raad geeft, toch zoo weinig mogelijk te schrijven over dergelijke zaken, hetgeen waarschijnlijk ziet op de hulp, die men van de Duitsche rijksvorsten wachtte.
Wat te Spa begonnen was, werd in het einde van November te Brussel voltooid. Ondertusschen waren de brieven uit Segovia gekomen en was de toestand veel meer gespannen geworden. Het huwelijk van Alexander Farnese met Donna Maria van Portugal werd te Brussel gevierd en daar het hof bij die gelegenheid openstond voor alle Nederlandsche edelen van hooger en lager rang, hadden dezeeen ongezochte gelegenheid meermalen samen te komen, zonder dat dit achterdocht zou wekken. Ook Lodewijk van Nassau kwam einde November uit Dillenburg om deel te nemen aan alle feesten, maaltijden en vermaken, waartoe dat huwelijk aanleiding gaf.
Geen wonder, dat bij die gelegenheid weer het onderwerp van Spa ter sprake kwam. Men trachtte de jonge edelen voor het denkbeeld van een verbond te winnen en in het paleis van Floris van Pallandt, heer van Culemborg, werd er na het aanhooren van eene predikatie van den Calvinistischen prediker Junius, die te Antwerpen leeraar was, over de zaak gesproken, hetgeen twee dagen later ten huize van den genoemden de Hames tot hetCompromis der Edelenleidde. De hoofdpersoon in die vergadering was Jan van Marnix, heer van Toulouse. Dezelfde mannen dus, die het vier maanden geleden te Spa hadden beraamd, waren hier de voornaamsten, die het oprichtten; terecht kan men hen niet beschuldigen in overijling gehandeld te hebben.
Een belangrijke vraag doet zich nu voor, n.l. in hoeverre de Prins aandeel heeft gehad aan dat verbond en hoe zijn houding daarbij was, want ook hier zal het ons blijken, hetgeen trouwens elke bladzijde van het leven van den Prins van Oranje bewijst, dat het moeilijk, ja onmogelijk is, zijn persoon uit de gebeurtenissen te lichten. Het blijkt ons, dat Willem van Oranje tegenover het Compromis der Edelen van het begin af eer waarschuwend en intoomend, dan aansporend en opwekkend gestaan heeft. Zijn broeder Lodewijk was zeer voortvarend geweest, al verklaarde hij later ook in zijn Apologie, dat hij eerst niet had willen teekenen, maar er slechts op aandrang zijner vrienden toe was overgegaan; in Maart 1566 was Lodewijk reeds met Hendrik van Brederode, de erkende leider der beweging.
De Prins hield niet op, hem in den aanvang althans te waarschuwen, zich toch niet te veel bloot te geven; zelfs vond Oranje, dat Lodewijk zich reeds te ver had gewaagd. Men beschuldigde Lodewijk zelfs de hand te hebben gehad in een geschrift tegen de inquisitie. Zijn broeder keurde in den aanvang het Verbond der Edelen af als een begin van opstand tegen de regeering, vandaar dat hij den graaf naar aanleiding van het gerucht, dat hij de schrijver zou zijn van het stuk, dat in den nacht van 23 December op drie of vier plaatsen in Antwerpen was aangeplakt, het volgende schrijft:
12 Januari.“Mijn broeder!Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen.”
12 Januari.“Mijn broeder!
Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen.”
Het blijkt uit dezen brief, dat, hoe groot ook de vertrouwelijkheid tusschen den Prins en zijn broeder Lodewijk moge geweest zijn, Oranje toch meende, dat hij niet in al de geheimen van Lodewijk deelde.
Willem van Oranje bleef, wilde althans in 1566 de loyale dienaar van den koning blijven. Hij wilde den strijd tusschen de onderdanen en den souverein vermijden, zoolang het mogelijk was. Wel had hij niet geaarzeld, om in den Raad van State den raad te geven ’s konings bevelen uit te voeren, doch al wist hij, dat dit ’t begin zou zijn van een jammerlijk treurspel, tot de opening daarvan verder mee te werken, achtte hij in 1566 nog ongeoorloofd.
Hij voorzag de mogelijkheid van ernstige onlusten, maar zocht tegelijk naar het middel om ze te voorkomen. Geen wonder, dat de schijnbare tegenstrijdigheid zijner handelingen in dat jaar aanleiding heeft gegeven tot verklaringen van den kant zijner vijanden ten nadeele van zijn karakter. Dubbelzinnigheid en huichelarij zijn karaktertrekken van den Prins, in den mond zijner vijanden bestorven. Voor hem, die althans iets dieper weet te peilen in zijn ondoorgrondelijk karakter, is zijn houding in dat jaar niet geheel onverstaanbaar. En al zullen wij niet ontkennen, dat Oranje in 1566 de kracht van den volkswil heeft miskend, dat hij m. a. w. nog steeds de staatsman in wording was, de snelle loop der gebeurtenissen, die dagelijks de kans van burgerkrijg vermeerderde, maakte hem, die in 1566 nog geen vaste plannen had, destijds besluiteloos en angstvallig.
Wie een karakter, als dat des Prinsen wil beoordeelen en hem in dat voor den staatsman zoo bange jaar 1566 wil begrijpen, mag dit bij de volgende uiteenzetting geen enkel oogenblik uit de gedachte verliezen. Ook mag men de verschillende qualiteiten niet vergeten, waarin de Prins moest handelen. Als lid van den Raad van State had hij de onmiddellijke opvolging van Filips’ bevelen mede doorgevoerd; als stadhouder moet hij ook toen reeds het onmogelijke van die uitvoering begrepen hebben. Althans hij schrijft op den 24enJanuari 1566 aan Margareta o.a. het volgende:
“Ik heb de brieven van Uwe Hoogheid ontvangen, waarin Zij mij den wil van Z. M. op drie punten te kennen geeft, mij uitdrukkelijk bevelende in alle plaatsen van mijn stadhouderschap elk dezer stiptelijk te doen uitvoeren. Hoewel ik nu Mevrouw, in die zaak van zulk een groot gewicht en gevolg om advies gevraagd ben (natuurlijk in zijn qualiteit van stadhouder), zoo gevoel ik mij toch, als loyaal dienaar en vazal van Z. M., die begeerig ben om te verrichten al wat ik aan mijn staat en eed verschuldigd ben, verplicht, mijn meening rond en open te zeggen, daar ik liever de kans loop voor ’t tegenwoordige ondank in te oogsten wegens mijn waarschuwingen en betoogen, dan door oogluiking en stilzwijgen, na de verwoesting van het land, geblameerd te worden van ontrouw en verwaarloozing als stadhouder.”
Achtereenvolgens bespreekt hij dan de drie punten. Wat de uitvoering van de besluiten van het concilie aangaat, de reformatiën der priesters en andere kerkelijke verordeningen, dat zijn zaken, die niet tot zijn roeping behooren; die zal hij overgeven aan hen, die er mee belast zijn en zorgen, waar het noodig is, dat aan het bevel des konings wordt voldaan.
Wat echter het tweede punt betreft, dat de stadhouders en andere ambtenaars de inquisiteurs moeten helpen, dienaangaande schrijft hij aan Margareta:
“Uwe Hoogheid moet zich herinneren, dat de klachten en moeilijkheden,door de bisschoppelijke organisatie verwekt, geen anderen grond hadden, dan de vrees, dat men onder dit voorwendsel eenigen vorm van inquisitie zou invoeren. Want niet alleen de uitvoering, maar reeds de naam er van klinkt hatelijk en onaangenaam.
“Buitendien kan Uwe Hoogheid weten, dat Zijne Keizerlijke Majesteit en Koningin Maria herhaaldelijk aan de inwoners van de Nederlanden verzekerd hebben, dat de inquisitie in deze landen niet zou worden ingevoerd, maar het geheele land zou bestuurd en geregeld worden als van ouds.
“Die verzekeringen en beloften hebben den handel dezer landen steeds doen bloeien.
“Wat aangaat het derde punt, om al de plakkaten door den keizer en den koning uitgevaardigd, in al hun gestrengheid toe te passen, Mevrouw! dit schijnt mij zeer moeilijk toe, daar de plakkaten zoo talrijk en verschillend zijn geweest en nooit ten strengste zijn opgevolgd, zelfs niet in den tijd, toen de algemeene ellende niet zoo groot was als tegenwoordig. Hunne uitvoering zou ondragelijk zijn en is derhalve niet raadzaam.”
De Prins gaat zoo ver, dat hij zegt, dat de godsdienstige vrijheid in naburige landen de onderdrukking zeer onrechtvaardig zou maken en, volgens hem zou het het toppunt van dwaasheid zijn, de hartstochten op te wekken, juist nu het volk in zulk een groote bezorgdheid verkeert wegens de duurte der tarwe. Hij hoopt, dat alle gestrenge maatregelen zullen uitgesteld worden tot Filips zelf hier zal komen, om door zijn tegenwoordigheid al het kromme weer recht te maken. Hij eindigt met te zeggen dat, als de koning, in spijt van zijne waarschuwingen, blijft aandringen op de uitvoering van zijne bevelen, hij liever zijn ambt wil nederleggen, dan de “blaam mij op den hals te halen, die me zou bevlekken, als aan het land, waarover ik als stadhouder ben aangesteld, een ongeluk overkwam.” Met vernieuwde uiting van trouw aan den koning eindigt dit schrijven. Zoolang hij leeft, zal hij al wat hij in de wereld heeft, in den dienst van Z. M. en het land stellen, zijn persoon, ja vrouw en kinderen zelfs.
Deze uitdrukking van loyaliteit ware ongetwijfeld in verband met hetgeen reeds was voorafgegaan onverklaarbaar, als niet deze uitzondering daarop gemaakt werd: “Behalve indien de zaken van het land anders gaan, dan voor de welvaart noodig is.”
En geen wonder, dat hij die uitzondering als mogelijk stelde. Want al keurde hij in den aanvang het Verbond der Edelen af, hij verdacht Filips in diezelfde dagen reeds maatregelen te beramen, om zijn plannen met geweld in de Nederlanden door te voeren. Er kwamen toch berichten tot hem, dat de koning aan hertog Eric van Brunswijk, een der weinige Duitsche vorsten, die voor geld beide partijen wilde dienen, bevolen had troepen te verzamelen, teneinde de rebellen te straffen. Op die mogelijkheid was de Prins dan ook terzelfder stond bedacht en hij schreef aan Lodewijk om toch George von Holl en andere Duitschers te overreden, naar de Nederlanden te komen, “hetgeen zij zeker zouden doen, als zij alles wisten.” Hij schreef zelfs: “Hoe rustiger de zaken kunnen gehouden worden, des te beter; wees alleen gereed met het oog op mogelijke gebeurtenissen.” Ja wat nog meerzegt, in die dagen ging de gedachte reeds in hem om, het land te verlaten, onder voorwendsel, deel te nemen aan de beraadslagingen van den Duitschen Rijksdag. Twee motieven drongen hem daartoe. Allereerst de sympathie van Maximiliaan II voor de Lutherschen en tevens het beroep, dat hij bij den Rijksdag zou kunnen doen op het verdrag van Augsburg van 1548, waarbij de Nederlanden wel als een afzonderlijke kreits waren erkend, doch niet alle banden met Duitschland waren opgelost. Zelfs dacht hij na over pogingen om geld op te nemen, indien het noodig was.
Uit een en ander blijkt, dat Oranje zelf ook wel degelijk op toekomstige mogelijke gebeurtenissen bedacht, gereed wilde zijn, als die gebeurtenissen hem dwongen een andere houding aan te nemen, dan die van loyaal dienaar des konings. Maar toch was het verschil tusschen hem en de stormachtige edelen, die hun verbond hadden gesloten, zeer groot.
Gedurende den winter was Oranje in Breda, van waar hij vele brieven schreef aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, om hun den staat van zaken in de Nederlanden duidelijk te maken en hun raad in te winnen. Elke stap voorwaarts moest met groote zorg gedaan worden. In het eind van Februari was er een groot aantal edelen in Breda. Die hadden in dien tusschentijd niet stil gezeten. Zoowel met het beramen van plannen als met het winnen van nieuwe leden hadden de verbondenen de laatste maanden doorgebracht. Vooral onder den lageren adel breidde zich van dag tot dag het verbond uit. Van het verbondschrift, waarschijnlijk het werk van St. Aldegonde, waren afschriften gemaakt en in een paar maanden stonden twee à driehonderd namen op de lijsten. Wat hunne plannen aangaat, met zekerheid is dit niet te zeggen. Doch volgens Junius, denzelfden predikant, die bij de oprichting aanwezig was, waren de verbondenen voornemens zich van Antwerpen meester te maken en vandaar uit het land in beweging te brengen. Van die plannen hoorde de Prins nu in Breda in ’t eind van Februari en hij keurde ze ten stelligste af. Ook Nicolaas de Hames was daarbij tegenwoordig.
Teneinde het verschil naar waarde te schatten, dat er bestond tusschen de revolutionaire partij onder de edelen, die voor geen geweld terugdeinsden en den voorzichtigen Prins, is het merkwaardig in dit verband een brief van dien Nicolaas de Hames te lezen, die voor geen heftigen maatregel terugdeinsde en die onder den indruk van de voorzichtige, afwachtende houding van Oranje, al zijn spijt en wrevel in een brief aan Lodewijk uitdrukt:
“Monseigneur! Sedert uw vertrek uit deze landen hebt gij, naar ik meen, van niet een der verbondenen eenig bericht gehad betreffende onze zaak; al hebben wij verscheiden malen zeer begeerd een middel te vinden om u op de hoogte te houden van de dingen, die wij in grooten getale hebben behandeld, zonder tot eenig besluit te komen. Zoo stonden de zaken, toen op de laatste vergadering, waar Mr. de Warou, luitenant van den admiraal, Mr. Dolhain, Mr. de Louverval, Mr. de Toulouse, Mr. de Leefdael en ik tegenwoordig waren, een besluit werd genomen, dat volgens het oordeel van allen voordeeliger en gemakkelijker was, dan een der andere plannen, die vroeger geopperd waren. Wij namen het onder correctie en advies van den Heer van Brederode, wien wij alle bijzonderheden der ondernemingmededeelden, terwijl we den Prins alleen het algemeen plan vertelden. Brederode vond de zaak uitstekend, de Prins verwierp het algemeene denkbeeld; hij hield zich verzekerd van den onmogelijken uitslag. Hij is van meening, dat we de toevlucht tot de wapenen nog niet mogen nemen en zonder deze is het ons onmogelijk, ons plan uit te voeren. Met een ongelooflijk verlangen zien wij uw terugkeer tegemoet hopende, dat gij zult helpen, om het vuur in de harten van die heeren te doen ontvlammen, die te langzaam vooruit willen en daardoor krachteloos zijn.
Zij willen dat wij tegenover de koppigheid en de verstoktheid van die begeerige wolven slechts remonstranties en requesten, kortom alleen woorden zullen stellen, daar waar zij van hun kant niet ophouden te verbranden, te onthoofden, te verbannen en op allerlei wijze hun woede te uiten. Wij hebben het middel in de hand, om zonder oproer, zonder moeilijkheid, zonder bloedstorting, zonder oorlog hen te beteugelen en men wil het niet. Welnu, laten wij dan de pen en zij het zwaard ter hand nemen, wij de woorden, zij de daden. Wij zullen huilen en zij zullen lachen. De Heer zij over alles geprezen, maar zonder tranen kan ik u dit niet schrijven. Alle arme geloovigen zijn radeloos, ziende dat het geneesmiddel zoo wordt uitgesteld. Een tijdlang hebben we ze getroost met de belofte van spoedige hulp, maar door de lauwheid van hen, die er het meest voor moesten bezield zijn, zie ik die hulp nog op een verren afstand. De vier steden van Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven en ’s Hertogenbosch) hebben aan den kanselier en de raden van hun gewest een geschrift aangeboden, betreffende het laatste bevel, maar het schijnt, dat zij de vroegere edicten erkennen, alleen de inquisitie verwerpen en met den naam spelen, terwijl ze de zaken laten, gelijk ze zijn.
Men zegt, dat Vlaanderen een dergelijk geschrift gereed maakt. Ook Holland. Maar ik zie niet in, dat er eenige vrucht van al dat schrijven kan komen; altijd zal men weer van voren af beginnen. De ziekte en het verderf van onzen staat zijn te groot, om die te genezen met zachte dranken en siropen. Er moet een veel sterker purgatief of fistel worden aangewend. De Staten-Generaal hebben volle macht, zij zijn het eenig geneesmiddel voor onze kwalen; wij hebben zonder twijfel het middel in onze macht om die vergadering samen te brengen, maar men wil niet genezen zijn. Hoe meer men de venusziekte vleit en liefkoost, des te kwaadaardiger wordt zij en verbreidt zich totdat de aangetaste op het kerkhof ligt. Onze venusziekte is de corruptie van het geloof, van het recht, van de munt; eindelooze schulden, achteruitgang, ja bijna vernietiging van den adel; ambten en bedieningen in de handen van enkel onwaardige personen. Ja komaan, genees dat alles eens met woorden!”
Nicolaas de Hames eindigt dien merkwaardigen brief met een oproep tot Lodewijk van Nassau, om toch spoedig te komen en van raad te dienen en zeker tractaat mee te brengen, dat hij beloofd had, de redenen behelzende, waarom de ondergeschikte magistraat de wapens kan opnemen, als de opperste magistraat slaapt of tyranniseert. Wij noemen dien brief hoogst merkwaardig, omdat een man, zeker van heftig karakter, maar van een edele gezindheid, hierin krachtig het verschil uitspreekt, dat er bestond tusschen deedelen, die wilden doortasten en degrooten,die tot voorzichtigheid aanspoorden. Het zal wel altijd moeilijk blijven juist te beoordeelen wie te dezen opzichte gelijk had. Merkwaardig is het zeker, dat de stichters van het Verbond der Edelen reeds in 1566 hetzelfde plan koesterden, als tien jaren later tot uitvoering kwam. Terecht begrepen zij, dat Filips zich door geen woorden tot het verleenen van godsdienstvrijheid zou laten bewegen; dat alleen geweld van wapenen zou kunnen beslissen.
Maar of Oranje en de zijnen daarom niet nog hooger stonden, die op dat oogenblik nog van dat geweld afkeerig waren, die vraag zou ik niet gaarne ontkennend beantwoorden. Althans bewees hij daardoor te begrijpen, dat de poging die de edelen zich voorstelden te doen, hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben zou en wel zou afstuiten op dezelfde tweedracht en naijver, waardoor zelfs tien jaar later de pacificatie van Gent werd verijdeld.
Toch begrijpen we aan den anderen kant het ongeduld van mannen als De Hames zeer goed. De aarzeling en beraadslaging, de terughouding en voorzichtigheid, waarmede Oranje elken stap voorwaarts deed, de rem toepassend bij elke wenteling van het wiel, waren ontmoedigend voor mannen van één denkbeeld, die begrepen, dat het vroeg of laat toch tot wapengeweld moest komen. Daartegenover was het natuurlijk, dat de Prins, die de gevolgen kende van den burgeroorlog in Frankrijk, door dergelijke oorzaken aangewakkerd als hier aanwezig waren en die wist, hoe daar het geneesmiddel nog erger dan de kwaal scheen te worden, waarschuwde tegen gewelddadige maatregelen.
De samenkomst te Breda in ’t eind van Februari had den Prins geleerd, dat de vurige partij onder de edelen niet licht haar plan zou opgeven; de brief van De Hames onder den indruk dier samenkomst geschreven, kan ook ons daarvan overtuigen. Mannen als De Hames zouden, aan zichzelf overgelaten, tot onberaden stappen komen.
Vandaar dat enkele dagen, nadat de Prins de plannen van die partij ten sterkste had afgekeurd, door hem eene samenkomst van de voornaamste grooten, eerst in Breda en kort daarop te Hoogstraten werd geleid, waarin hij dezen ter voorkoming van de gevaren die uit het Verbond der Edelen konden voortvloeien, opwekte zich met hem aan het hoofd der beweging te plaatsen.
Welk plan daar te Hoogstraten door den Prins zelf geopperd werd, is niet geheel zeker. Wel bewijst de aanwezigheid van Lodewijk van Nassau en van George von Holl aldaar en het beroep, dat de Prins op hen deed, dat de gedachte toch ook in hem omging, om desnoods door wapengeweld het land tegen een aanval van Spaansche troepen te verdedigen. Misschien wilde hij wel, zonder zich van Antwerpen meester te maken, de Staten-Generaal bijeenroepen en gedekt door de toezegging van vreemde hulptroepen, vrij met den koning onderhandelen. Doch ook aan dit plan, zoo het aldus werd voorgesteld, lag wapengeweld ten grondslag en daarvan wilde Egmond niets weten. Ook Meghen en Mansfelt kozen Egmonds zijde.
Het is hier de plaats niet om een oordeel over Egmond uit te spreken. Hard, zeer hard wordt hij om die houding aangevallen; door anderen, die zijn loyauteit blijven roemen, daarom geëerbiedigd, al bejammeren ook deze zijn nauwgezetheid, die zooveel ongeluk aan het land berokkende. Doch, terwijl we het oordeel in dezenover Egmond aan anderen overlaten, die zijn karakter bestudeeren, voor ons, wie het te doen is om den Prins, is daarom alleen Egmonds verzet te Hoogstraten merkwaardig, omdat de Prins ook toen zijn ontwerp opgaf en ten stelligste aanried, de daden nog uit te stellen en alleen met woorden te beginnen.
Het is jammer genoeg, dat Egmonds voorbeeld zoo aanstekelijk op den Prins heeft gewerkt. In 1566 en 1567 zullen we Oranje meer dan eens onder den invloed van Egmonds versaagdheid zien. De kracht van den volkswil heeft hij in het eind van 1566 miskend en in plaats van in 1568 had hij wellicht beter gedaan in dat jaar reeds de vaan van den opstand te ontrollen.
Aan Lodewijk van Nassau werd opgedragen, het adres van de edelen aan Margareta op te stellen. Hij en Brederode waren in Maart de erkende leiders. Doch ook de Prins had grooten invloed op den inhoud van het smeekschrift; althans terwijl Lodewijk met de samenstelling bezig was, vertoefde hij meestal bij zijn broeder in Breda. Gezamenlijk zou dit smeekschrift aan de landvoogdes worden aangeboden. Op uitdrukkelijk verlangen van Oranje zouden de edelen bij die aanbieding ongewapend verschijnen. Het mocht geen revolutionaire maatregel zijn, maar een eenvoudig protest tegen een regeeringsdaad.
Nadat de zaak alzoo geschikt was, viel er nog veel te doen voor hen, die aan het hoofd stonden en met de geestdrift en den ijver van moderne leiders der politieke bewegingen togen ze aan den arbeid. De verbondenen—die naam werd niet voor April gebruikt—verdeelden de gewesten onderling om onderteekeningen voor de petitie te verwerven. Lodewijk nam o. a. Zeeland, Friesland en Antwerpen, Brederode Holland voor zijn rekening. De Hames alleen beroemde er zich op, in korten tijd meer dan 2000 handteekeningen op het smeekschrift te hebben verworven.
De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)
De optocht der Edelen. 5 April 1566. (Bladz. 107.)