Hoofdstuk VIII.Aanbieding van het smeekschrift en de gevolgen. Oranje in Antwerpen. 1566.Men kan zich begrijpen, dat Margareta niet zonder zorg de stemming van het volk opmerkte. Terwijl men zich van den kant der edelen op de demonstratie voorbereidde en het duidelijk werd, dat de verbondenen weldra tot een openlijke daad zouden overgaan, begon de landvoogdes zich steeds minder op haar gemak te voelen. De meest overdreven geruchten waren tot haar doorgedrongen; de krijgsmacht van het Verbond der Edelen werd zelfs op 30.000 man geschat!Wat te doen? Haar positie was niet benijdenswaardig en ze voelde zich bovendien erg verlaten. Viglius en Barlaimont vertrouwde zij niet volkomen en had zij van zich vervreemd, terwijl de meeste grooten uit de residentie waren vertrokken en herhaaldelijk verzocht zij hun terug te keeren om haar met raad en daad bij te staan.Op het einde van Maart riep zij de ridders van de Vliesorde en de leden van den Raad van State bijeen en ook Oranje ontving van haar een dringende uitnoodiging om in Brussel te komen, ten einde haar raad te geven in den dreigenden toestand. Zijn antwoorden waren eerst ontwijkend. Zijn zaken hielden hem bezig, zijn vrouw was ziek en al dergelijke uitvluchten zocht hij om Breda niet te verlaten. De Prins vond echter genoeg tijd om aan een der Duitsche vorsten een brief te schrijven, waarin hij uiteenzette, dat de oorlogstoerustingen van Filips niet alle tegen de Turken bedoeld waren, maar dat het verzamelde krijgsvolk onder den schijn van een Turkentocht wel voor een ander doel bestemd zou zijn. Hij hoopte dan ook, dat de Protestantsche Duitsche rijksvorsten op hun hoede zouden zijn en op den tegenwoordigen Rijksdag veel goeds en heilzaams zouden weten te bewerken in het belang van deze landen.Op den 27enMaart ging echter de Prins naar Brussel en woonde twee dagenlater een vergadering van den Raad van State bij. Lid voor lid vroeg de regentes de meening der vergadering omtrent de inquisitie. Allen zonder onderscheid, hetzij ze, gelijk de meesten katholiek waren, hetzij ze de hervorming sympathie toedroegen, allen waren van meening, dat de plakkaten moesten worden gematigd en dat de inquisitie hatelijk was en niet in het belang van den godsdienst.Toen de beurt aan den Prins kwam, zei hij, dat in alle wereldlijke zaken de orde moest worden bewaard, in godsdienstige plichten meer dan in iets anders. De bedoelingen van den koning waren goed, maar zij hadden het resultaat niet voorzien. De godsdienst ging achteruit. “Een mensch voor zijn meeningen te zien verbranden, krenkt het volk; de rechters zullen de plakkaten niet uitvoeren, terwijl de strenge dekreten niets doen om den godsdienst te handhaven.” Hij raadt dus de vergadering aan, een moderatie te ontwerpen en voor alles op de nieuwe plaatsen de inquisitie niet in te voeren, terwijl hij hoopt, dat Hare Hoogheid de bemiddelares zal wezen tusschen den koning en de inquisiteurs.De regentes was gedurende de vergadering zeer ontrust, doch toen de quaestie van de petitie te berde kwam, vermeerderde nog haar ontroering. Wat zou zij haar broeder zeggen, als zij de Edelen ontving; het was toch een protest tegen zijn wil en wat zou het volk doen, als zij hen eens weigerde te ontvangen? De koning was verre en het volk stond aan haar deur!Oranje beklaagde zich met Hoorne, dat zij als leden van het verbond werden aangemerkt. Als stadhouder en als ridder van het gulden Vlies moest hij die houding aannemen, ook al had hij persoonlijk zijn goedkeuring aan het verbond gehecht en al vond hij zelfs in het smeekschrift den grond om het verbond te verdedigen. De Prins schaarde zich echter in de discussie geheel aan de zijde der regeering. Op den 1enApril schrijft hij aan Lodewijk, toch vooral niet te veel verbondenen tot den optocht toe te staan, nogmaals bepaald er op aandringende, dat men ongewapend zal verschijnen.De 5eApril was voor de aanbieding van het smeekschrift vastgesteld.In den avond van den 3enApril 1566 omstreeks 6 uur kwam een cavalcade, 200 ruiters sterk, Brussel binnen. Een ontelbare menigte uit alle klassen der maatschappij verdrong zich overal waar de stoet zich vertoonde. Aan het hoofd reed Brederode, die met zijn groote gestalte en krijgshaftige houding een geschikt aanvoerder scheen voor dezen troep bataafsche ridders. Onder herhaalde toejuichingen reden ze langzaam de stad door tot het huis van Oranje, waar Lodewijk van Nassau en Brederode afstapten, daar zij de gasten van den Prins waren, terwijl de rest der edellieden in verschillende kwartieren der stad een onderkomen vonden.Den volgenden dag kwamen de graven Culemborg en Bergen aan, met ongeveer 100 volgers. De geheele troep verzamelde zich op den 5enbij het paleis van Culemborg. Dit huis lag op het plein Petit Sablon, nu versierd met de standbeelden van de voornaamste petitionarissen. De plaats, waar het paleis was, is thans ingenomen door een stedelijke gevangenis.Wie waren die edelen?“Het was een mooi gezicht die troep edellieden; de meesten hunner baardeloos,maar even beschaafd en volmaakt als er eenige in Europa zouden te vinden zijn. Velen van hen waren even ervaren in de letteren als in het gebruik van wapenen, maar zeer onkundig in staatszaken, het gevolg van hun jongen leeftijd. De meest uitstekenden waren Floris van Pallandt, graaf Culemborg, graaf Lodewijk van Nassau, broeder van den Prins van Oranje, George de Ligne en andere welbekende edelen.“Hunne bedoelingen waren zeer verschillend; dientengevolge was hun verbond slechts van korten duur, want er ontstond verdeeldheid, waaruit hun geheele ondergang volgde. Sommigen hadden zich bij het verbond aangesloten uit affectie voor hun land, met geen enkele gedachte van ontrouw aan den katholieken godsdienst en aan den dienst des konings. Anderen hoopten de oproerige leeringen van Calvijn in het land over te planten, doch deze waren niet zeer talrijk. De groote meerderheid wenschte eenvoudig den bestaanden staat van zaken te verwarren om, zooals het spreekwoord zegt, in troebel water te visschen en hun ledige beurzen ten koste van den staat en de geestelijkheid te vullen. Vooral haatten zij de leden van den geheimen raad en de betere dienaren des konings, die ze kardinalisten noemden. Behalve deze drie soorten waren er nog enkele plebejers, die het Compromis geteekend hadden om daardoor hun nakomelingen een merkteeken van adeldom te geven. Deze werden later door den hertog van Alva het strengst vervolgd als de meest schuldigen en zoo kregen ze hun verdiende loon voor hun ijdelheid.”Deze beschrijving van den katholieken schrijver Pontus Payen bevat veel waarheid, want die 300 edellieden langer te idealiseeren gaat niet aan. Er was meer kaf dan koren onder. De adel van die dagen was niet zoo schitterend en “gaf door zijn onderling verbond het laatste teeken van leven, dat eerlang door een doodelijke kwijning zou worden gevolgd.”Het Verbond der Edelen bestond bij lange na niet uit louter hervormingsgezinden. Wel kunnen zich een groot aantal bij hen hebben aangesloten uit zuiver geldelijke berekening, maar ook tal van onverdachte katholieke Edelen uitten zich evenzeer als de hervormingsgezinden tegen de inquisitie en de plakkaten. Toch was dit weder oorzaak, dat er spoedig door de volgende gebeurtenissen verdeeldheid onder die edelen kwam, die meer dan de slimheid der Landvoogdes tot de oplossing van het verbond heeft meegewerkt.Ongeveer ten getale van 300 gingen de edelen te voet naar het koninklijk paleis. Een fraaie, rechte straat leidde vandaar, langs den top van den heuvel naar het prachtig verblijf van de oude hertogen van Brabant, thans bewoond door hertogin Margareta. Het was over twaalven, toen ze het paleis van Culemborg verlieten, waarschijnlijk onmiddellijk na het eten, dat toen omstreeks elf uur plaats had. Een tallooze menigte had zich op de markt tegenover het paleis verzameld om de mannen te begroeten, die geacht werden het land te zullen bevrijden van de Spaansche heerschappij, de aanhangers van den kardinaal en van de inquisitie.Oranje, Hoorne en Egmond en de andere raadsleden waren reeds ten paleize, om Margareta, die zich van angst nauwelijks kon beheerschen, bij te staan.Ze had haar geest trachten te vermannen door gala-kleeding aan te trekken en in hooge statie in de raadkamer te gaan zitten, die alleen kon bereikt worden door de groote hal, waar haar vader afstand had gedaan van de regeering. Op haar angstig gegeven bevel werden de petitionarissen toegelaten. Brederode trad vooruit, maakte een diepe buiging en las daarop met toestemming van de landvoogdes de petitie voor.Het verzoekschrift begon met betuigingen van trouw, zoowel jegens den koning als jegens de hertogin. Na deze inleiding echter werd er onbewimpeld in meegedeeld, dat de laatste besluiten van Zijne Majesteit ten aanzien van de inquisitie een algemeenen opstand zouden teweeg brengen. Tevergeefs hadden zij genoopt, dat er een poging zou worden gedaan om het kwaad weg te nemen. Het gevaar nam dagelijks toe en daarom hadden zij zich gedrongen gevoeld niet langer te wachten, maar op te komen en hun plicht te doen. Ze deden dit met te meer gerustheid daar vooral hun landgoederen en huizen het meest waren blootgesteld aan de rampen, welke gewoonlijk het gevolg waren van inwendige beroerten.Bovendien was er niemand onder hen, van welken rang of stand ook, of hij zag bij de bestaande plakkaten elk oogenblik een doodvonnis boven zijn hoofd hangen op de valsche aanklacht van den eerste den beste, die zich van de goederen van den aangeklaagde wenschte meester te maken en die hem slechts had op te geven bij den kettermeester, aan wiens genade aller leven en bezittingen waren overgeleverd. Zij verzochten daarom de hertogin een gezant te zenden naar den koning, teneinde hem met hun smeekschrift bekend te maken, waarin op afschaffing der inquisitie en wijziging der plakkaten in overleg met de Staten-Generaal werd aangedrongen. Tevens vroegen zij, of de Hertogin de inquisitie en de invoering der plakkaten wilde schorsen, totdat de koning een beslissing had genomen.Het geschrift eindigde na betuiging van trouw: “Moge Uwe Hoogheid er er naar hooren, voordat er ander kwaad komt; gij zult dan goed doen.”Margareta werd hoe langer hoe onrustiger onder de voorlezing. Een poos lang bleef zij daarna zonder een woord te spreken, niet in staat om de tranen te bedwingen, die haar langs de wangen vloeiden en die de zekere getuigenis waren van de verslagenheid van haar geest. Zoodra zij de beheersching over zichzelf had herkregen, zei ze kort, dat de petitionarissen haar antwoord zouden erlangen, nadat ze met haar raadslieden overleg had gepleegd.Die raadpleging begon, zoodra de edelen zich hadden verwijderd. Er ontspon zich een zeer heftige discussie. Oranje trachtte de ontroerde regentes te bedaren, door haar te verzekeren, dat die mannen, die daar voor haar waren verschenen, geen woeste samenzweerders waren, maar waardige, ernstige, welmeenende en welgeboren edellieden, die den geest van het land kenden en wier protest eervolle overweging verdiende. Egmond trok zijn schouders op en zei, dat hij voor genezing van zijn voetgebrek eerstdaags naar Aix moest gaan. Barlaimont, altijd even onaangenaam, had in het geheel geen sympathie met het volk, dat hij eenvoudig voor gepeupel, voor een “beest met vele koppen” hield. Het was op dat oogenblik dat Barlaimont in heftigen toorn de merkwaardige woorden uitsprak, die bestemd waren, den naam der verbonden edelen te veranderen:“Hoe Mevrouw! kan het zijn, dat Uwe Hoogheid bevreesd is voor deze bedelaars?Bij den levenden God, indien mijn raad werd gevraagd, dan zou hun smeekschrift alleen stokslagen tot antwoord hebben en zij zouden de trappen van het paleis spoediger afdalen, dan dat zij die waren opgestegen.”Meghen drukte zich even heftig uit. Aremberg meende, dat “hunne hoogeerwaarden, de verbondenen,” op eens de stad moesten worden uitgezet. De raad ging voor een uur ongeveer uiteen. In groepen wandelden de edelen door Brussel, tevreden over hun ochtendarbeid, want zij hadden ongetwijfeld op Margareta indruk gemaakt, hetzij ze dan al of niet succes zouden hebben. Toen een dier groepen Barlaimonts huis voorbijging stond deze toevallig met Aremberg voor het venster: “Kijk,” riep Barlaimont, “onze beminlijke bedelaars! Hoe onbeschaamd om zoo onder onze oogen te komen.”Op den volgenden dag ging Brederode met enkele der voornaamste mannen naar het paleis en ontving het smeekschrift op plechtige wijze terug. Margareta had hare kantteekeningen in margine op het adres geschreven en zeide daarbij, dat ze de zaak bij den koning zou brengen, doch zij had absoluut geen macht om de plakkaten buiten werking te stellen. Al wat ze kon doen zou zijn: den ambtenaars voorzichtigheid aan te bevelen. Zij drukte daarbij de hoop uit, dat de edelen zich op loyale wijze zouden gedragen en toonen, dat ze geen kwade bedoelingen hadden tegenover den ouden landsgodsdienst.Twee dagen gingen voorbij en op den 8enverscheen Brederode weder voor de poort van het paleis met een antwoord op Margareta’s aanmerkingen. In dat antwoord, recht vriendelijk gesteld, beklaagden zich de verbondenen, dat de landvoogdes niet uitvoeriger de redenen had omkleed, die haar hadden bewogen. Zij betreurden het, dat zij niet de macht had, de inquisitie buiten werking te stellen, maar vertrouwden, dat zij aan alle gezaghebbende personen de order zou geven, dat de vervolging zou ophouden, totdat ’s konings wil bekend was. Welke regeling Filips ook trof, ze zouden zich daaraan onderwerpen, als de Staten-Generaal er hun goedkeuring aan gaven.Ze beloofden zich als nederige en gehoorzame dienaren des konings te gedragen, maar verzochten vriendelijk, ten einde alle booze geruchten en lasterpraatjes omtrent hunne vereeniging te bestrijden, dat hunne petitie op de koninklijke drukkerij zou gedrukt worden, woord voor woord, zooals zij door hen was aangeboden. Margareta gaf op die boodschap een vrij bevredigend antwoord. Zij hoopte zulk een order te geven aan de inquisiteuren en magistraten dat er “ni désordre, ni scandale” zou plaats hebben, maar vertrouwde van hare zijde, dat de verbondenen zich ook aan hunne beloften zouden houden en zelfs geene kleine geheime praktijken zouden verrichten, om uitbreiding aan hun bond te geven. Aldus scheen de zaak voorloopig geschikt, tot de boden heen en weer naar Spanje gereisd waren, om den wil van den koning zelf te vernemen.In de oogen van Brederode, den gezworen vijand van de Spanjaarden en van “klaar water” was er thans niets beters te doen dan aan tafel te gaan. Hij noodigde dus de verbondenen aan een prachtig gastmaal, dat hij in het huis vanCulemborg in gereedheid had doen brengen. Drie honderd gasten namen op den 8enApril deel aan dezen maaltijd, bestemd om in de geschiedenis vermaard te worden.Barlaimonts verachtelijke fraze was den feestgenooten ter oore gekomen en werd met toenemende vroolijkheid, van mond tot mond herhaald, toen de wijn rondging.“Vroolijk vulden de gasten de groote gouden en verguld zilveren bekers met kostbaren wijn en ze vergaten niet de gezondheid van den Prins van Oranje en den graaf van Egmond te drinken. Toen de wijn hunne hoofden had verhit, gaf Brederode, een der geestigsten van het gezelschap, een teeken aan de gasten om zich stil te houden.“Hij begon met luider stemme de opmerkingen te verhalen, die Barlaimont omtrent de verbondenen had gemaakt; hij had den fraaien en eervollen naam van “bedelaars” op hen toegepast. Welnu, zoo ging Brederode voort, sinds wij dan bedelaars zijn, bestaat er een goede reden voor ons om bedelzakken te dragen en uit houten nappen te drinken; op hetzelfde oogenblik bracht een zijner dienaren hem een bedelzak, die hij op de manier van het scapulier van een monnik omdeed en daarop nam hij met beide handen een houten schaal, schonk dien boordevol wijn, ledigde die in een slok, vulde hem weder en gaf hem zijn buurman, luid roepende: “Op de gezondheid der bedelaars! Lang leven zij!” Zijn buurman deed hetzelfde met den zak en de schaal en toen ook hij hem dus ledigde, riep het gansche gezelschap met luider stemme: “Lang leven de bedelaars!”“Elk der gasten deed hetzelfde op zijn beurt. Zij zwoeren elkander een eed hun verbond te onderhouden, voor elkander te leven en te sterven, onder de dwaaste en ongerijmdste plechtigheden waarvan ik ooit gehoord heb. Want hij die den zak omhad en de houten schaal in de hand, wierp eenige zoutkorrels in den wijn, terzelfder tijd deze rijmelarij herhalende:“Bij brood, bij zout, bij bedeltasch,De Geuzentroep blijft wat zij was!”“En daarop hadt gij, indien ge er bij tegenwoordig hadt kunnen zijn, tal van houten nappen en schalen op de tafel kunnen zien werpen, in plaats van de gouden en zilveren bekers en terwijl de pages van mijn edellieden zich beijverden om die te vullen, deden hun meesters nog meer hun best, die te ledigen, niet vergetende bij elken dronk te roepen: “Lang leven de bedelaars!” Er bestaat een bekend spreekwoord dat zegt: “Er is geen gehenna1behalve in den wijn,” want die maakt, dat we de meest geheime dingen openbaren; zoo deden sommigen van die verbondenen op dat ongelukkig feest; uit eerbied voor hunne verwanten zal ik hun namen niet noemen.“Op een zeer gevorderd uur van het souper kwamen de Prins van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, die met den graaf van Mansfelt het avondmaal hadden gebruikt, in het gezelschap. Ook zij dronken de vereeniging een dronk toe en toen weergalmde de kreet: “Lang leve de koning, heil den bedelaars!” zoo luid, dat men een donderslag niet zou hebben gehoord.“Wat zal ik verder zeggen? Zij gevoelden zich zoo vereerd door den naam van “bedelaars,” een naam, die hen van schaamte moest doen blozen, dat zij oogenblikkelijk daarna een devies verzonnen, luidende: “Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak.”“Dit devies werd op looden en tinnen medailles gegraveerd, die ze in plaats van juweelen snoeren om den hals hingen. Aan den eenen kant van deze medailles was het beeld des konings met deze woorden daaromheen: “Getrouw aan den koning,” en aan de andere zijde waren twee handen, het geloof beduidende, boven een bedelzak met de rest van het devies: “tot aan den bedelzak,” en ze noemden die medaille: “De orde van de bedelaars.”Dit is de geschiedenis van het ontstaan van eene uitdrukking, die van zoo groote beteekenis voor de verbeelding gedurende de volgende jaren van den burgeroorlog is gebleven. Geheel spontaan ontstond de naam op een zeer bepaald oogenblik. Van de meeste andere partijnamen ligt de oorsprong in het duister. De naam van “Geuzen” is misschien een eenig geval in de geschiedenis, waarvan men het nauwkeurig oogenblik van zijn ontstaan kent.Margareta had onder den indruk van het oogenblik eene moderatie van de plakkaten beloofd, totdat de koning zijn wil zou hebben kenbaar gemaakt. Doch die moderatie werd op zoo’n geheimzinnige wijze ontworpen en behandeld, dat de regeering daardoor zelf verraadde, hoe weinig zij er voor de bevrediging van het volk van verwachtte.De uitroeiing der ketterij bleef ook in de ontworpen moderatie de hoofdgedachte, alleen de middelen werden een weinig verzacht en een ruimer uitvlucht voor berouwhebbenden werd daarin opengesteld. Doch dat was het niet, wat het volk begeerde; het wenschte niet alleen afschaffing der inquisitie, maar vrijheid van de prediking van het nieuwe geloof. Toch werd de moderatie in den Raad van State goedgekeurd. Ook de Prins durfde niet openlijk het stelsel afkeuren, waarop het ontwerp berustte.Nu wenschte de landvoogdes, dat de Staten der gewesten er eveneens hun zegel aan hechtten, want de Staten-Generaal bijeen te roepen, hetgeen de edelen en het volk begeerden, zou te zeer tegen den wil des konings hebben ingedruischt. Zij richtte op den 9enApril aan alle stadhouders en provinciale raden een schrijven over de ontworpen moderatie.Artois hield zijn vergadering het eerst. Verscheidene leden waren besliste geuzen, maar ook Egmond was natuurlijk als stadhouder aanwezig. Diens houding was, gelijk een ooggetuige zegt, zeer zwak. “De graaf,” beweert deze, “sprak geen woord, hield voortdurend den blik ter aarde gewend en gedroeg zich als iemand die de kluts kwijt was, niet wetende, waartoe te besluiten.” Het gevolg was, dat de geestelijkheid, die in sterke mate in de Staten vertegenwoordigd was, den slag won en dat trots het protest van de enkele edelen van het verbond, het moderatieplakkaat, dat in den grond der zaak niets beduidde, werd aangenomen en goedgekeurd.Wij leggen den nadruk op die houding van Egmond, omdat zij, evenals vroeger te Hoogstraten, den Prins ook maar al te zeer ten jare 1566 heeft doen terugdeinzen. Was de eertijds zoo door het volk gevierde Egmond een man gebleven, ook Oranje zou in dat gewichtig jaar meer aan de zijde van het volk dan aan die van de regeering gestaan hebben. Want de prins plaatste zich in die dagen geheel aan de zijde der regeering, was de rechterhand van Margareta en woonde tallooze vergaderingen van den Raad van State bij. Algemeen werd in die vergaderingen aangedrongen op de overkomst van den koning zelf. Ook Oranje drong daarop met kracht aan en gaf zelfs als zijne meening te kennen, dat het beste zijn zou, als de koning naar Italië reisde, om daar nadere berichten uit de Nederlanden af te wachten en dan te besluiten, met of zonder leger te komen. In hoever het waarheid was, dat de Prins in dien tijd zijne spionnen in Spanje had, die hem dagelijks alles van ’t Escuriaal vertelden, is niet met zekerheid te zeggen, maar men noemt o. a. een van Filips’ secretarissen, Van den Esse, die de geheimen van den koning aan Oranje overbriefde.Deze dubbelzinnige houding van den Prins, waarop we nog nader terugkomen, heeft zeker ook veroorzaakt, dat de volksbeweging hem in 1566 te machtig werd. Want er mag niet vergeten worden, dat het compromis der edelen vooral de oorzaak is geworden, dat er onder hetvolkvoor het eerst groote beweging ontstond. Tot dien tijd hadden de hervormingsgezinden zich zooveel mogelijk schuil gehouden. Nu het Verbond der Edelen zich hunner had aangetrokken en men in den waan verkeerde, dat het verbond groot succes had gehad, nu kwamen ze bij menigte uit hun schuilhoeken te voorschijn, keerden ballingen terug uit den vreemde en was het volk uitgelaten van vreugde over de plotselinge verlossing en in den waan verkeerend, dat godsdienstvrijheid werd toegestaan, snelde men bij duizendtallen hier en ginds naar de openbare preek, die op de grazige velden, tusschen bosschages verscholen, werd gehouden.Eene fatale rol speelde echter in die spontane godsdienstige beweging het geloofsverschil der Protestanten. De grootste toevloed der hervormingsgezinden bestond uit Calvinisten en hoewel Oranje in die dagen nog voor het uiterlijke Katholiek was, had toch het Lutheranisme vooral door zijn omgang en briefwisseling met de Duitsche vorsten meer zijn sympathie weten te verwerven. Voor de geloofsbelijdenis der Lutheranen zou hij te winnen zijn geweest, maar tegen Calvinisten gevoelde de man, die de orde op den hoogsten prijs stelde, een heftige antipathie. Dit was te meer te bejammeren, omdat de ontwaakte volksbeweging, door de consistories geleid en door de vurigste predikers opgewekt, een zeer sterk Calvinistisch karakter had. Wel had men in 1565 gestreefd naar een verbroedering aller Protestanten, waarvoor Lodewijk van Nassau zeer had geijverd, maar op raad van den beroemden Geneefschen leeraar Beza was er van die vereeniging niets gekomen.Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)Antwerpen vooral was een middelpunt van beroering. Daar was het allerminst een schamele gemeente, die de hervorming voorstond. De rijkste koopmansstand telde menigen grooten vriend van het Calvinisme. De komst van Meghen, een der afvalligen van het Verbond en de vrees voor de komst van Aremberg meteen leger bracht in Antwerpen groote ontroering te weeg, omdat men eene bezetting der regeering vreesde. Daartegenover verscheen Brederode insgelijks met een grooten sleep in de stad. Gelijk we begrijpen kunnen, was dit alles de oorzaak van groote beweging te midden der volksmassa, die reeds stormenderhand de vrijheid der openbare prediking vroeg.In dien verontrustenden staat van zaken besloot Margareta den Prins van Oranje, die burggraaf van Antwerpen was, derwaarts te zenden, met volmacht om de rust te herstellen. Op den 13enJuli werd hij met juichkreten in de Scheldestad ingehaald. Volgens de Antwerpsche autoriteiten was de Prins de eenig mogelijke persoon, om de opgewonden gemoederen tot rust te brengen. Aan die roepstem des volks gaf Margareta gehoor, want uit zich zelve zou ze daartoe niet licht besloten hebben. Oranje deelde toch hare gevoelens op het stuk van den godsdienst niet. Hij sprak zelfs nog op den 6enJuli tot haar de woorden: “De godsdienst is de groote zaak van het hart en den wil der menschen, die door geene uitwendige macht ooit gedwongen kunnen worden.”In beginsel stond hij derhalve toen reeds op zijn hoog standpunt van verdraagzaamheid. Maar hoe weinig dit tot het gemoed en verstand van Margareta kon doordringen—één ding wist ze van hem: hij was een man die de orde voorstond.Daar dat optreden van Oranje te Antwerpen van groote beteekenis is geweest en zijne houding aldaar zoo verschillend is beoordeeld, is het noodig, dat we ons nog nader de omstandigheden verlevendigen, waaronder hij derwaarts trok.De stedelijke autoriteit had tevergeefs getracht de samenkomsten bij de openbare prediking in het veld tegen te gaan. Op den 24enJuni was er bij Berchem eene predikatie gehouden, waarbij 4 à 5000 menschen tegenwoordig waren. De Landvoogdes, geraadpleegd, had nog eerst geantwoord, dat die vergaderingen door kracht van wapenen moesten worden uiteengejaagd. Maar daartegen zagen de autoriteiten op, aangezien ze hun eigen zwakheid vreesden. Toen verscheen er met het oog op de menigte ballingen, die terugkeerden en die in den waan verkeerden, dat godsdienstvrijheid was toegestaan, een plakkaat, waarbij de komst van vreemdelingen in de stad en het houden van openbare prediking werden verboden.Op denzelfden dag vroegen de hervormden aan de magistraat de vergunning om die prediking te doen houden en te hooren. En ondertusschen dreigden vele rijke kooplieden, die de hervorming waren toegedaan, de stad te verlaten en aldus den handel van Antwerpen te verplaatsen. De overheid wist, tusschen twee vuren geplaatst, niet wat te doen. Zij vroeg aan de regentes onmiddellijk in de stad te komen en daartoe was zij eerst besloten, gelijk uit een brief van den Prins aan Lodewijk blijkt.De Prins vertelt daarin, dat Madame verzocht had aan hem en Egmond een dag of drie vóór haar naar Antwerpen te gaan en reeds mededeeling te doen aan de burgers, dat het preeken niet naar den zin van de Landvoogdes was. Ook wilde zij weten van de Antwerpsche heeren, welke zekerheid zij gaven voor de persoonlijke veiligheid van Margareta.Oranje had haar meegedeeld daarin weinig lust te hebben, maar wel wilde hij alleen naar Antwerpen gaan en dan met zulk een gezag bekleed als betamelijk was; dan zou hij, zooveel in zijn vermogen was zijn plicht vervullen en trachten te voorkomen, dat er eenig tumult of wanorde in de stad zou plaats hebben.Ook gaf de Prins te kennen, dat indien de Antwerpenaars hem als hun burggraaf verzochten te komen, dit hem meer tot eer zou verstrekken, dan afgezonden te worden als de fourier van de Landvoogdes, die haar logies kwam bestellen. Ook was dit voor de veiligheid van de Landvoogdes beter. Aan Lodewijk vraagt hij ten slotte alles in het werk te stellen, om Brederode te weerhouden, in dien kritieken toestand in Antwerpen te komen.Wij zagen reeds, dat Brederode in spijt van Oranje’s afkeuring, toch met een breeden stoet van ruiters in de Scheldestad aankwam en door zijn aanwezigheid de onrust nog vermeerderde. Zijn komst maakte den weg voor den Prins niet gemakkelijker om zijn doel te bereiken n.l. de oproerige geesten tot rust te brengen. Want daar is geen twijfel aan, of dat doel had hij. Totdat Filips’ antwoord op het smeekschrift komen zou, wilde de Prins voor alle dingen getrouw blijven binnen de grenzen der April-belofte. Vrijheid van godsdienstoefening ging voor zijn bewustzijn op dat oogenblik buiten die grenzen, doch hij zag, al wenschte hij een loyaal dienaar des konings te blijven, reeds op een afstand een donker punt, buiten ’t welk hij vroeg of laat, met opoffering dier loyaliteit, zou moeten gaan.Het hinderde hem zeer, dat het antwoord van Filips zoo lang uitbleef en in het begin van Juli beklaagde de Prins zich daarover in een brief aan Filips van Hessen, den ouden landgraaf, tevens vragende om zijn vaderlijken raad en hulp ingeval van noodzakelijkheid. Hoe moeilijk hij voor zich den toestand vond, blijkt wel uit een schrijven aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, waarin o. a. stond: “Zwijg ik, dan staat de ondergang dezer landen voor de deur; streef ik de regeering tegen, dan wordt dit beschouwd als tekortkoming aan mijn plicht.”Antwerpen was inderdaad de meest kosmopolitische plaats van de Europeesche wereld van dien tijd. Kooplieden van alle andere koopsteden hadden daar hun eigen huizen ten bate van hun stadgenooten, die Antwerpen bezochten met commercieele, financieele of diplomatieke bedoelingen.Deze reizigers waren de groote dragers van nieuwe denkbeelden en door hun bemiddeling waren al de verschillende fasen van godsdienstige gedachten en belangen, die in Europa gistten, tot in de nauwe straten van Antwerpen doorgedrongen. Steden als Valenciennes, in de nabijheid van Frankrijk gelegen, waren bijna geheel Calvinistisch, maar Antwerpen had Duitsche invloeden ondergaan en daar had men ook, behalve Calvinisten, groote Luthersche en Anabaptistische congregaties. Die verschillende secten werden in de eerste helft van 1566 al stoutmoediger en veeleischender.Nu was Oranje erfelijk burggraaf van Antwerpen, gelijk Engelbert, Hendriken Réné van Chalons dat vóór hem geweest waren. Op den 13enJuli verliet hij Brussel. Verschillende geruchten deden de ronde over zijn eerste weigering, daarheen te gaan; we hoorden reeds, dat hij er niet als de lakei van Margareta heen wilde, maar wel als burggraaf der stad, wien alle gezag was opgedragen. Voor zijn vertrek gaf hij aan de Landvoogdes en den Raad van State te kennen, dat het niet in zijn macht, noch in zijn wil lag de prediking te doen ophouden.Hij vond de stad tegen zich zelf verdeeld. De overheid wantrouwde de burgers; de burgers het hof en de overheid; de Protestanten het hof, de overheid en de andere burgers en ten slotte waren de Protestanten onder elkander verdeeld; aan den eenen kant heftige Calvinisten en aan de andere zijde kalme Lutheranen en tegenover beiden weder vijandig, de Anabaptisten.“De heffe van het volk had gezamenlijk Antwerpen in zijn macht.”Welk een taak, die den Prins daar wachtte! Hij voor zich was een burger, die zich bovenal aan de wet hield; hij beschouwde den godsdienst als een deel van de inrichting van den staat, hoewel hij zelf voor zich nog geen godsdienstige gevoelens kende. Hij had behoefte aan vrede en welvaart; het volk was zoo dwaas en Filips zulk een kortzichtige ezel, dat de Prins ontmoedigd werd door de vraag, hoe deze twee te verzoenen.Den 14enJuli meldt Oranje aan de Landvoogdes zijn wedervaren in Antwerpen.Hij vertelt, dat hij pas te 7 uur aan was gekomen, daar hij door verschillende zaken werd opgehouden en eerst laat uit Brussel kon vertrekken. Toen hij in de buurt van Berchem was gekomen, een halve mijl van de stad, kwam Brederode hem met een groot aantal edelen tegemoet, die als groet een salvo uit hunne pistolen gaven. Enkele burgers, die bij dien troep waren, riepen: “Vivent les gueux,” hetgeen zij af en toe op den geheelen weg naar de stad herhaalden. Meer dan 30.000 menschen waren er totaal op de been. Bij de komst in de stad begon de menigte Fransche psalmen te zingen, maar de Prins gebood hun aanstonds stil te zijn. Toen daarentegen de kreten al luider en luider werden en het “Vivent les gueux” ook op de wallen werd gehoord, trachtte de Prins eerst door teekenen hen te bedaren en toen dit niet hielp, werd hij zeer driftig en zwoer bij God, dat zij zeer goed wisten wat ze deden en dat sommigen hunner het zouden betreuren, als zij daarmee voortgingen.De overheid was hem tegemoet gereden en had hem eenige ordonnanties overhandigd om de rust in de stad te herstellen. De Prins beloofde die zorgvuldig te zullen onderzoeken. Wat de predikaties betreft, ze hadden plaats buiten de wallen en de Prins had gehoord, dat velen gewapend naar de vergaderingen gingen om anderen te beschermen, daar ze vernomen hadden, dat de Drost van Brabant in opdracht had, hen uiteen te jagen.Aan het slot van zijn schrijven, spreekt hij wel de hoop uit, dat ze niet zullen trachten de preeken binnen de wallen te houden, maar hij vreest, dat aan zijn verzoek niet te vergaderen, geen gevolg zal worden gegeven.Tusschen de Landvoogdes en den Prins volgde een dagelijksche briefwisseling. Spoedig bleek het Oranje, dat de hervormingsgezinden numeriek te sterkwaren om het mogelijk te maken hun de preek te verbieden. Zeer noodlottig was het daarbij, dat de hervormden het onderling zoo oneens waren, terwijl de Anabaptisten tegen iedereen waren en iedereen tegen hen.Zou de hertogin hen evenals de Lutheranen en de Calvinisten op denzelfden voet willen behandelen—want ze beschouwde hen allen zonder onderscheid als ketters—Oranje kon geen wanordelijke daad van welken aard ook goedkeuren. Niets revolutionairs was er in zijn geest, zoodat het ons niet verwondert, dat hij het ongeregeld optreden van Anabaptisten en Calvinisten niet goed kon verdragen.Terwijl de Prins alzoo naar Antwerpen ging, om, als het kon, hoog boven de vele partijen in naam der regeering de orde te handhaven, zonnen de edelen en de consistoriën op middelen, om meer te erlangen dan het moderatie-plakkaat van April hun schonk. Na een voorloopige bijeenkomst te Lier werd tegen de helft van de maand Juli St. Truyen als het verzameloord vastgesteld, waar de verbonden edelen en de hoofden der gereformeerde partij tot eene overeenkomst zouden trachten te komen. Geldelijk werden namelijk de consistories gesteund door het compromis der kooplieden. Was de aaneensluiting gevonden, dan zou niet alleen de eisch om afschaffing der inquisitie, maar om volkomen godsdienstvrijheid voor de poorten van Margareta’s paleis weerklinken.De vergadering te St. Truyen staat te kwader naam en faam in de geschiedenis bekend. Men heeft niet geaarzeld o. a. te vertellen, dat daar door de edelen de voorslag werd gedaan, om op één nacht in al de 17 Nederlandsche gewesten de Roomsche geestelijken te vermoorden. Wij kunnen gerust zeggen, dat deze bewering als zoodanig lasterlijk was. Doch overigens moet het te St. Truyen wel heet zijn toegegaan en was er misschien meer dan een op de vergadering, die wel zijn hand zou geleend hebben tot zulk moordbedrijf.De Prins heeft door zijn invloed evenals bij het eerste smeekschrift bewerkt, dat men te St. Truyen niet tot daden kwam, maar zich nogmaals alleen tot woorden zou bepalen. We vragen niet, of het misschien heilzamer ware geweest, indien de Prins openlijk de zijde der gematigde edelen te St. Truyen gekozen had. Naar onze zienswijze had hij in 1566 zich meer door de stemming van het volk moeten laten bepalen. Maar ook toen was het weer Egmond, “qui tenait la balance droit; s’il met l’épée sur l’une, elle l’emporte.”Margareta, bevreesd voor ’t geen zij van de samenkomst te St. Truyen vermoedde, droeg den Prins en Egmond op, naar Duffel te gaan, om van daar als onderhandelaars met de verbondenen te St. Truyen op te treden. En zeker is het, dat de Prins daardoor veel moedwil heeft te keer gegaan en nogmaals met goed gevolg de edelen tot een kalme houding bij hun tweede verzoekschrift heeft gebracht. De vraag is echter of hij, die door zijn aanwezigheid te Antwerpen, het brandpunt van de toenmalige volksbeweging, niet voldoende op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de geweldige stroomingen, die niet langer door woorden zouden te keeren zijn en of hij door zijne houding, die de hoofden der Consistories zeer verbitterde, niet mede verantwoordelijk is voor de geweldige uitbarsting van de volkswoede bij den beeldenstorm.Wij kunnen ons uitstekend verplaatsen in de hoogst moeilijke positie van Oranje, maar of thans nog niet het oogenblik was gekomen, om de Hames’ woorden op te volgen:Geen woorden meer, maar daden—wij zouden niet gaarne deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij eerbiedigen ten volle zijne poging om het revolutionair karakter zoolang mogelijk van de volksbeweging vreemd te houden, maar dat hij die volksbeweging in haar diepste oorzaken niet begreep en nog zou moeten leeren begrijpen, kwam hoofdzakelijk daar vandaan, dat het hem persoonlijk aan godsdienstig leven schortte. Eerlang zou de tijd komen, waarin hij begreep, dat alleen daden konden helpen om een volk te verlossen.1Het kwaad, de hel.
Hoofdstuk VIII.Aanbieding van het smeekschrift en de gevolgen. Oranje in Antwerpen. 1566.Men kan zich begrijpen, dat Margareta niet zonder zorg de stemming van het volk opmerkte. Terwijl men zich van den kant der edelen op de demonstratie voorbereidde en het duidelijk werd, dat de verbondenen weldra tot een openlijke daad zouden overgaan, begon de landvoogdes zich steeds minder op haar gemak te voelen. De meest overdreven geruchten waren tot haar doorgedrongen; de krijgsmacht van het Verbond der Edelen werd zelfs op 30.000 man geschat!Wat te doen? Haar positie was niet benijdenswaardig en ze voelde zich bovendien erg verlaten. Viglius en Barlaimont vertrouwde zij niet volkomen en had zij van zich vervreemd, terwijl de meeste grooten uit de residentie waren vertrokken en herhaaldelijk verzocht zij hun terug te keeren om haar met raad en daad bij te staan.Op het einde van Maart riep zij de ridders van de Vliesorde en de leden van den Raad van State bijeen en ook Oranje ontving van haar een dringende uitnoodiging om in Brussel te komen, ten einde haar raad te geven in den dreigenden toestand. Zijn antwoorden waren eerst ontwijkend. Zijn zaken hielden hem bezig, zijn vrouw was ziek en al dergelijke uitvluchten zocht hij om Breda niet te verlaten. De Prins vond echter genoeg tijd om aan een der Duitsche vorsten een brief te schrijven, waarin hij uiteenzette, dat de oorlogstoerustingen van Filips niet alle tegen de Turken bedoeld waren, maar dat het verzamelde krijgsvolk onder den schijn van een Turkentocht wel voor een ander doel bestemd zou zijn. Hij hoopte dan ook, dat de Protestantsche Duitsche rijksvorsten op hun hoede zouden zijn en op den tegenwoordigen Rijksdag veel goeds en heilzaams zouden weten te bewerken in het belang van deze landen.Op den 27enMaart ging echter de Prins naar Brussel en woonde twee dagenlater een vergadering van den Raad van State bij. Lid voor lid vroeg de regentes de meening der vergadering omtrent de inquisitie. Allen zonder onderscheid, hetzij ze, gelijk de meesten katholiek waren, hetzij ze de hervorming sympathie toedroegen, allen waren van meening, dat de plakkaten moesten worden gematigd en dat de inquisitie hatelijk was en niet in het belang van den godsdienst.Toen de beurt aan den Prins kwam, zei hij, dat in alle wereldlijke zaken de orde moest worden bewaard, in godsdienstige plichten meer dan in iets anders. De bedoelingen van den koning waren goed, maar zij hadden het resultaat niet voorzien. De godsdienst ging achteruit. “Een mensch voor zijn meeningen te zien verbranden, krenkt het volk; de rechters zullen de plakkaten niet uitvoeren, terwijl de strenge dekreten niets doen om den godsdienst te handhaven.” Hij raadt dus de vergadering aan, een moderatie te ontwerpen en voor alles op de nieuwe plaatsen de inquisitie niet in te voeren, terwijl hij hoopt, dat Hare Hoogheid de bemiddelares zal wezen tusschen den koning en de inquisiteurs.De regentes was gedurende de vergadering zeer ontrust, doch toen de quaestie van de petitie te berde kwam, vermeerderde nog haar ontroering. Wat zou zij haar broeder zeggen, als zij de Edelen ontving; het was toch een protest tegen zijn wil en wat zou het volk doen, als zij hen eens weigerde te ontvangen? De koning was verre en het volk stond aan haar deur!Oranje beklaagde zich met Hoorne, dat zij als leden van het verbond werden aangemerkt. Als stadhouder en als ridder van het gulden Vlies moest hij die houding aannemen, ook al had hij persoonlijk zijn goedkeuring aan het verbond gehecht en al vond hij zelfs in het smeekschrift den grond om het verbond te verdedigen. De Prins schaarde zich echter in de discussie geheel aan de zijde der regeering. Op den 1enApril schrijft hij aan Lodewijk, toch vooral niet te veel verbondenen tot den optocht toe te staan, nogmaals bepaald er op aandringende, dat men ongewapend zal verschijnen.De 5eApril was voor de aanbieding van het smeekschrift vastgesteld.In den avond van den 3enApril 1566 omstreeks 6 uur kwam een cavalcade, 200 ruiters sterk, Brussel binnen. Een ontelbare menigte uit alle klassen der maatschappij verdrong zich overal waar de stoet zich vertoonde. Aan het hoofd reed Brederode, die met zijn groote gestalte en krijgshaftige houding een geschikt aanvoerder scheen voor dezen troep bataafsche ridders. Onder herhaalde toejuichingen reden ze langzaam de stad door tot het huis van Oranje, waar Lodewijk van Nassau en Brederode afstapten, daar zij de gasten van den Prins waren, terwijl de rest der edellieden in verschillende kwartieren der stad een onderkomen vonden.Den volgenden dag kwamen de graven Culemborg en Bergen aan, met ongeveer 100 volgers. De geheele troep verzamelde zich op den 5enbij het paleis van Culemborg. Dit huis lag op het plein Petit Sablon, nu versierd met de standbeelden van de voornaamste petitionarissen. De plaats, waar het paleis was, is thans ingenomen door een stedelijke gevangenis.Wie waren die edelen?“Het was een mooi gezicht die troep edellieden; de meesten hunner baardeloos,maar even beschaafd en volmaakt als er eenige in Europa zouden te vinden zijn. Velen van hen waren even ervaren in de letteren als in het gebruik van wapenen, maar zeer onkundig in staatszaken, het gevolg van hun jongen leeftijd. De meest uitstekenden waren Floris van Pallandt, graaf Culemborg, graaf Lodewijk van Nassau, broeder van den Prins van Oranje, George de Ligne en andere welbekende edelen.“Hunne bedoelingen waren zeer verschillend; dientengevolge was hun verbond slechts van korten duur, want er ontstond verdeeldheid, waaruit hun geheele ondergang volgde. Sommigen hadden zich bij het verbond aangesloten uit affectie voor hun land, met geen enkele gedachte van ontrouw aan den katholieken godsdienst en aan den dienst des konings. Anderen hoopten de oproerige leeringen van Calvijn in het land over te planten, doch deze waren niet zeer talrijk. De groote meerderheid wenschte eenvoudig den bestaanden staat van zaken te verwarren om, zooals het spreekwoord zegt, in troebel water te visschen en hun ledige beurzen ten koste van den staat en de geestelijkheid te vullen. Vooral haatten zij de leden van den geheimen raad en de betere dienaren des konings, die ze kardinalisten noemden. Behalve deze drie soorten waren er nog enkele plebejers, die het Compromis geteekend hadden om daardoor hun nakomelingen een merkteeken van adeldom te geven. Deze werden later door den hertog van Alva het strengst vervolgd als de meest schuldigen en zoo kregen ze hun verdiende loon voor hun ijdelheid.”Deze beschrijving van den katholieken schrijver Pontus Payen bevat veel waarheid, want die 300 edellieden langer te idealiseeren gaat niet aan. Er was meer kaf dan koren onder. De adel van die dagen was niet zoo schitterend en “gaf door zijn onderling verbond het laatste teeken van leven, dat eerlang door een doodelijke kwijning zou worden gevolgd.”Het Verbond der Edelen bestond bij lange na niet uit louter hervormingsgezinden. Wel kunnen zich een groot aantal bij hen hebben aangesloten uit zuiver geldelijke berekening, maar ook tal van onverdachte katholieke Edelen uitten zich evenzeer als de hervormingsgezinden tegen de inquisitie en de plakkaten. Toch was dit weder oorzaak, dat er spoedig door de volgende gebeurtenissen verdeeldheid onder die edelen kwam, die meer dan de slimheid der Landvoogdes tot de oplossing van het verbond heeft meegewerkt.Ongeveer ten getale van 300 gingen de edelen te voet naar het koninklijk paleis. Een fraaie, rechte straat leidde vandaar, langs den top van den heuvel naar het prachtig verblijf van de oude hertogen van Brabant, thans bewoond door hertogin Margareta. Het was over twaalven, toen ze het paleis van Culemborg verlieten, waarschijnlijk onmiddellijk na het eten, dat toen omstreeks elf uur plaats had. Een tallooze menigte had zich op de markt tegenover het paleis verzameld om de mannen te begroeten, die geacht werden het land te zullen bevrijden van de Spaansche heerschappij, de aanhangers van den kardinaal en van de inquisitie.Oranje, Hoorne en Egmond en de andere raadsleden waren reeds ten paleize, om Margareta, die zich van angst nauwelijks kon beheerschen, bij te staan.Ze had haar geest trachten te vermannen door gala-kleeding aan te trekken en in hooge statie in de raadkamer te gaan zitten, die alleen kon bereikt worden door de groote hal, waar haar vader afstand had gedaan van de regeering. Op haar angstig gegeven bevel werden de petitionarissen toegelaten. Brederode trad vooruit, maakte een diepe buiging en las daarop met toestemming van de landvoogdes de petitie voor.Het verzoekschrift begon met betuigingen van trouw, zoowel jegens den koning als jegens de hertogin. Na deze inleiding echter werd er onbewimpeld in meegedeeld, dat de laatste besluiten van Zijne Majesteit ten aanzien van de inquisitie een algemeenen opstand zouden teweeg brengen. Tevergeefs hadden zij genoopt, dat er een poging zou worden gedaan om het kwaad weg te nemen. Het gevaar nam dagelijks toe en daarom hadden zij zich gedrongen gevoeld niet langer te wachten, maar op te komen en hun plicht te doen. Ze deden dit met te meer gerustheid daar vooral hun landgoederen en huizen het meest waren blootgesteld aan de rampen, welke gewoonlijk het gevolg waren van inwendige beroerten.Bovendien was er niemand onder hen, van welken rang of stand ook, of hij zag bij de bestaande plakkaten elk oogenblik een doodvonnis boven zijn hoofd hangen op de valsche aanklacht van den eerste den beste, die zich van de goederen van den aangeklaagde wenschte meester te maken en die hem slechts had op te geven bij den kettermeester, aan wiens genade aller leven en bezittingen waren overgeleverd. Zij verzochten daarom de hertogin een gezant te zenden naar den koning, teneinde hem met hun smeekschrift bekend te maken, waarin op afschaffing der inquisitie en wijziging der plakkaten in overleg met de Staten-Generaal werd aangedrongen. Tevens vroegen zij, of de Hertogin de inquisitie en de invoering der plakkaten wilde schorsen, totdat de koning een beslissing had genomen.Het geschrift eindigde na betuiging van trouw: “Moge Uwe Hoogheid er er naar hooren, voordat er ander kwaad komt; gij zult dan goed doen.”Margareta werd hoe langer hoe onrustiger onder de voorlezing. Een poos lang bleef zij daarna zonder een woord te spreken, niet in staat om de tranen te bedwingen, die haar langs de wangen vloeiden en die de zekere getuigenis waren van de verslagenheid van haar geest. Zoodra zij de beheersching over zichzelf had herkregen, zei ze kort, dat de petitionarissen haar antwoord zouden erlangen, nadat ze met haar raadslieden overleg had gepleegd.Die raadpleging begon, zoodra de edelen zich hadden verwijderd. Er ontspon zich een zeer heftige discussie. Oranje trachtte de ontroerde regentes te bedaren, door haar te verzekeren, dat die mannen, die daar voor haar waren verschenen, geen woeste samenzweerders waren, maar waardige, ernstige, welmeenende en welgeboren edellieden, die den geest van het land kenden en wier protest eervolle overweging verdiende. Egmond trok zijn schouders op en zei, dat hij voor genezing van zijn voetgebrek eerstdaags naar Aix moest gaan. Barlaimont, altijd even onaangenaam, had in het geheel geen sympathie met het volk, dat hij eenvoudig voor gepeupel, voor een “beest met vele koppen” hield. Het was op dat oogenblik dat Barlaimont in heftigen toorn de merkwaardige woorden uitsprak, die bestemd waren, den naam der verbonden edelen te veranderen:“Hoe Mevrouw! kan het zijn, dat Uwe Hoogheid bevreesd is voor deze bedelaars?Bij den levenden God, indien mijn raad werd gevraagd, dan zou hun smeekschrift alleen stokslagen tot antwoord hebben en zij zouden de trappen van het paleis spoediger afdalen, dan dat zij die waren opgestegen.”Meghen drukte zich even heftig uit. Aremberg meende, dat “hunne hoogeerwaarden, de verbondenen,” op eens de stad moesten worden uitgezet. De raad ging voor een uur ongeveer uiteen. In groepen wandelden de edelen door Brussel, tevreden over hun ochtendarbeid, want zij hadden ongetwijfeld op Margareta indruk gemaakt, hetzij ze dan al of niet succes zouden hebben. Toen een dier groepen Barlaimonts huis voorbijging stond deze toevallig met Aremberg voor het venster: “Kijk,” riep Barlaimont, “onze beminlijke bedelaars! Hoe onbeschaamd om zoo onder onze oogen te komen.”Op den volgenden dag ging Brederode met enkele der voornaamste mannen naar het paleis en ontving het smeekschrift op plechtige wijze terug. Margareta had hare kantteekeningen in margine op het adres geschreven en zeide daarbij, dat ze de zaak bij den koning zou brengen, doch zij had absoluut geen macht om de plakkaten buiten werking te stellen. Al wat ze kon doen zou zijn: den ambtenaars voorzichtigheid aan te bevelen. Zij drukte daarbij de hoop uit, dat de edelen zich op loyale wijze zouden gedragen en toonen, dat ze geen kwade bedoelingen hadden tegenover den ouden landsgodsdienst.Twee dagen gingen voorbij en op den 8enverscheen Brederode weder voor de poort van het paleis met een antwoord op Margareta’s aanmerkingen. In dat antwoord, recht vriendelijk gesteld, beklaagden zich de verbondenen, dat de landvoogdes niet uitvoeriger de redenen had omkleed, die haar hadden bewogen. Zij betreurden het, dat zij niet de macht had, de inquisitie buiten werking te stellen, maar vertrouwden, dat zij aan alle gezaghebbende personen de order zou geven, dat de vervolging zou ophouden, totdat ’s konings wil bekend was. Welke regeling Filips ook trof, ze zouden zich daaraan onderwerpen, als de Staten-Generaal er hun goedkeuring aan gaven.Ze beloofden zich als nederige en gehoorzame dienaren des konings te gedragen, maar verzochten vriendelijk, ten einde alle booze geruchten en lasterpraatjes omtrent hunne vereeniging te bestrijden, dat hunne petitie op de koninklijke drukkerij zou gedrukt worden, woord voor woord, zooals zij door hen was aangeboden. Margareta gaf op die boodschap een vrij bevredigend antwoord. Zij hoopte zulk een order te geven aan de inquisiteuren en magistraten dat er “ni désordre, ni scandale” zou plaats hebben, maar vertrouwde van hare zijde, dat de verbondenen zich ook aan hunne beloften zouden houden en zelfs geene kleine geheime praktijken zouden verrichten, om uitbreiding aan hun bond te geven. Aldus scheen de zaak voorloopig geschikt, tot de boden heen en weer naar Spanje gereisd waren, om den wil van den koning zelf te vernemen.In de oogen van Brederode, den gezworen vijand van de Spanjaarden en van “klaar water” was er thans niets beters te doen dan aan tafel te gaan. Hij noodigde dus de verbondenen aan een prachtig gastmaal, dat hij in het huis vanCulemborg in gereedheid had doen brengen. Drie honderd gasten namen op den 8enApril deel aan dezen maaltijd, bestemd om in de geschiedenis vermaard te worden.Barlaimonts verachtelijke fraze was den feestgenooten ter oore gekomen en werd met toenemende vroolijkheid, van mond tot mond herhaald, toen de wijn rondging.“Vroolijk vulden de gasten de groote gouden en verguld zilveren bekers met kostbaren wijn en ze vergaten niet de gezondheid van den Prins van Oranje en den graaf van Egmond te drinken. Toen de wijn hunne hoofden had verhit, gaf Brederode, een der geestigsten van het gezelschap, een teeken aan de gasten om zich stil te houden.“Hij begon met luider stemme de opmerkingen te verhalen, die Barlaimont omtrent de verbondenen had gemaakt; hij had den fraaien en eervollen naam van “bedelaars” op hen toegepast. Welnu, zoo ging Brederode voort, sinds wij dan bedelaars zijn, bestaat er een goede reden voor ons om bedelzakken te dragen en uit houten nappen te drinken; op hetzelfde oogenblik bracht een zijner dienaren hem een bedelzak, die hij op de manier van het scapulier van een monnik omdeed en daarop nam hij met beide handen een houten schaal, schonk dien boordevol wijn, ledigde die in een slok, vulde hem weder en gaf hem zijn buurman, luid roepende: “Op de gezondheid der bedelaars! Lang leven zij!” Zijn buurman deed hetzelfde met den zak en de schaal en toen ook hij hem dus ledigde, riep het gansche gezelschap met luider stemme: “Lang leven de bedelaars!”“Elk der gasten deed hetzelfde op zijn beurt. Zij zwoeren elkander een eed hun verbond te onderhouden, voor elkander te leven en te sterven, onder de dwaaste en ongerijmdste plechtigheden waarvan ik ooit gehoord heb. Want hij die den zak omhad en de houten schaal in de hand, wierp eenige zoutkorrels in den wijn, terzelfder tijd deze rijmelarij herhalende:“Bij brood, bij zout, bij bedeltasch,De Geuzentroep blijft wat zij was!”“En daarop hadt gij, indien ge er bij tegenwoordig hadt kunnen zijn, tal van houten nappen en schalen op de tafel kunnen zien werpen, in plaats van de gouden en zilveren bekers en terwijl de pages van mijn edellieden zich beijverden om die te vullen, deden hun meesters nog meer hun best, die te ledigen, niet vergetende bij elken dronk te roepen: “Lang leven de bedelaars!” Er bestaat een bekend spreekwoord dat zegt: “Er is geen gehenna1behalve in den wijn,” want die maakt, dat we de meest geheime dingen openbaren; zoo deden sommigen van die verbondenen op dat ongelukkig feest; uit eerbied voor hunne verwanten zal ik hun namen niet noemen.“Op een zeer gevorderd uur van het souper kwamen de Prins van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, die met den graaf van Mansfelt het avondmaal hadden gebruikt, in het gezelschap. Ook zij dronken de vereeniging een dronk toe en toen weergalmde de kreet: “Lang leve de koning, heil den bedelaars!” zoo luid, dat men een donderslag niet zou hebben gehoord.“Wat zal ik verder zeggen? Zij gevoelden zich zoo vereerd door den naam van “bedelaars,” een naam, die hen van schaamte moest doen blozen, dat zij oogenblikkelijk daarna een devies verzonnen, luidende: “Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak.”“Dit devies werd op looden en tinnen medailles gegraveerd, die ze in plaats van juweelen snoeren om den hals hingen. Aan den eenen kant van deze medailles was het beeld des konings met deze woorden daaromheen: “Getrouw aan den koning,” en aan de andere zijde waren twee handen, het geloof beduidende, boven een bedelzak met de rest van het devies: “tot aan den bedelzak,” en ze noemden die medaille: “De orde van de bedelaars.”Dit is de geschiedenis van het ontstaan van eene uitdrukking, die van zoo groote beteekenis voor de verbeelding gedurende de volgende jaren van den burgeroorlog is gebleven. Geheel spontaan ontstond de naam op een zeer bepaald oogenblik. Van de meeste andere partijnamen ligt de oorsprong in het duister. De naam van “Geuzen” is misschien een eenig geval in de geschiedenis, waarvan men het nauwkeurig oogenblik van zijn ontstaan kent.Margareta had onder den indruk van het oogenblik eene moderatie van de plakkaten beloofd, totdat de koning zijn wil zou hebben kenbaar gemaakt. Doch die moderatie werd op zoo’n geheimzinnige wijze ontworpen en behandeld, dat de regeering daardoor zelf verraadde, hoe weinig zij er voor de bevrediging van het volk van verwachtte.De uitroeiing der ketterij bleef ook in de ontworpen moderatie de hoofdgedachte, alleen de middelen werden een weinig verzacht en een ruimer uitvlucht voor berouwhebbenden werd daarin opengesteld. Doch dat was het niet, wat het volk begeerde; het wenschte niet alleen afschaffing der inquisitie, maar vrijheid van de prediking van het nieuwe geloof. Toch werd de moderatie in den Raad van State goedgekeurd. Ook de Prins durfde niet openlijk het stelsel afkeuren, waarop het ontwerp berustte.Nu wenschte de landvoogdes, dat de Staten der gewesten er eveneens hun zegel aan hechtten, want de Staten-Generaal bijeen te roepen, hetgeen de edelen en het volk begeerden, zou te zeer tegen den wil des konings hebben ingedruischt. Zij richtte op den 9enApril aan alle stadhouders en provinciale raden een schrijven over de ontworpen moderatie.Artois hield zijn vergadering het eerst. Verscheidene leden waren besliste geuzen, maar ook Egmond was natuurlijk als stadhouder aanwezig. Diens houding was, gelijk een ooggetuige zegt, zeer zwak. “De graaf,” beweert deze, “sprak geen woord, hield voortdurend den blik ter aarde gewend en gedroeg zich als iemand die de kluts kwijt was, niet wetende, waartoe te besluiten.” Het gevolg was, dat de geestelijkheid, die in sterke mate in de Staten vertegenwoordigd was, den slag won en dat trots het protest van de enkele edelen van het verbond, het moderatieplakkaat, dat in den grond der zaak niets beduidde, werd aangenomen en goedgekeurd.Wij leggen den nadruk op die houding van Egmond, omdat zij, evenals vroeger te Hoogstraten, den Prins ook maar al te zeer ten jare 1566 heeft doen terugdeinzen. Was de eertijds zoo door het volk gevierde Egmond een man gebleven, ook Oranje zou in dat gewichtig jaar meer aan de zijde van het volk dan aan die van de regeering gestaan hebben. Want de prins plaatste zich in die dagen geheel aan de zijde der regeering, was de rechterhand van Margareta en woonde tallooze vergaderingen van den Raad van State bij. Algemeen werd in die vergaderingen aangedrongen op de overkomst van den koning zelf. Ook Oranje drong daarop met kracht aan en gaf zelfs als zijne meening te kennen, dat het beste zijn zou, als de koning naar Italië reisde, om daar nadere berichten uit de Nederlanden af te wachten en dan te besluiten, met of zonder leger te komen. In hoever het waarheid was, dat de Prins in dien tijd zijne spionnen in Spanje had, die hem dagelijks alles van ’t Escuriaal vertelden, is niet met zekerheid te zeggen, maar men noemt o. a. een van Filips’ secretarissen, Van den Esse, die de geheimen van den koning aan Oranje overbriefde.Deze dubbelzinnige houding van den Prins, waarop we nog nader terugkomen, heeft zeker ook veroorzaakt, dat de volksbeweging hem in 1566 te machtig werd. Want er mag niet vergeten worden, dat het compromis der edelen vooral de oorzaak is geworden, dat er onder hetvolkvoor het eerst groote beweging ontstond. Tot dien tijd hadden de hervormingsgezinden zich zooveel mogelijk schuil gehouden. Nu het Verbond der Edelen zich hunner had aangetrokken en men in den waan verkeerde, dat het verbond groot succes had gehad, nu kwamen ze bij menigte uit hun schuilhoeken te voorschijn, keerden ballingen terug uit den vreemde en was het volk uitgelaten van vreugde over de plotselinge verlossing en in den waan verkeerend, dat godsdienstvrijheid werd toegestaan, snelde men bij duizendtallen hier en ginds naar de openbare preek, die op de grazige velden, tusschen bosschages verscholen, werd gehouden.Eene fatale rol speelde echter in die spontane godsdienstige beweging het geloofsverschil der Protestanten. De grootste toevloed der hervormingsgezinden bestond uit Calvinisten en hoewel Oranje in die dagen nog voor het uiterlijke Katholiek was, had toch het Lutheranisme vooral door zijn omgang en briefwisseling met de Duitsche vorsten meer zijn sympathie weten te verwerven. Voor de geloofsbelijdenis der Lutheranen zou hij te winnen zijn geweest, maar tegen Calvinisten gevoelde de man, die de orde op den hoogsten prijs stelde, een heftige antipathie. Dit was te meer te bejammeren, omdat de ontwaakte volksbeweging, door de consistories geleid en door de vurigste predikers opgewekt, een zeer sterk Calvinistisch karakter had. Wel had men in 1565 gestreefd naar een verbroedering aller Protestanten, waarvoor Lodewijk van Nassau zeer had geijverd, maar op raad van den beroemden Geneefschen leeraar Beza was er van die vereeniging niets gekomen.Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)Antwerpen vooral was een middelpunt van beroering. Daar was het allerminst een schamele gemeente, die de hervorming voorstond. De rijkste koopmansstand telde menigen grooten vriend van het Calvinisme. De komst van Meghen, een der afvalligen van het Verbond en de vrees voor de komst van Aremberg meteen leger bracht in Antwerpen groote ontroering te weeg, omdat men eene bezetting der regeering vreesde. Daartegenover verscheen Brederode insgelijks met een grooten sleep in de stad. Gelijk we begrijpen kunnen, was dit alles de oorzaak van groote beweging te midden der volksmassa, die reeds stormenderhand de vrijheid der openbare prediking vroeg.In dien verontrustenden staat van zaken besloot Margareta den Prins van Oranje, die burggraaf van Antwerpen was, derwaarts te zenden, met volmacht om de rust te herstellen. Op den 13enJuli werd hij met juichkreten in de Scheldestad ingehaald. Volgens de Antwerpsche autoriteiten was de Prins de eenig mogelijke persoon, om de opgewonden gemoederen tot rust te brengen. Aan die roepstem des volks gaf Margareta gehoor, want uit zich zelve zou ze daartoe niet licht besloten hebben. Oranje deelde toch hare gevoelens op het stuk van den godsdienst niet. Hij sprak zelfs nog op den 6enJuli tot haar de woorden: “De godsdienst is de groote zaak van het hart en den wil der menschen, die door geene uitwendige macht ooit gedwongen kunnen worden.”In beginsel stond hij derhalve toen reeds op zijn hoog standpunt van verdraagzaamheid. Maar hoe weinig dit tot het gemoed en verstand van Margareta kon doordringen—één ding wist ze van hem: hij was een man die de orde voorstond.Daar dat optreden van Oranje te Antwerpen van groote beteekenis is geweest en zijne houding aldaar zoo verschillend is beoordeeld, is het noodig, dat we ons nog nader de omstandigheden verlevendigen, waaronder hij derwaarts trok.De stedelijke autoriteit had tevergeefs getracht de samenkomsten bij de openbare prediking in het veld tegen te gaan. Op den 24enJuni was er bij Berchem eene predikatie gehouden, waarbij 4 à 5000 menschen tegenwoordig waren. De Landvoogdes, geraadpleegd, had nog eerst geantwoord, dat die vergaderingen door kracht van wapenen moesten worden uiteengejaagd. Maar daartegen zagen de autoriteiten op, aangezien ze hun eigen zwakheid vreesden. Toen verscheen er met het oog op de menigte ballingen, die terugkeerden en die in den waan verkeerden, dat godsdienstvrijheid was toegestaan, een plakkaat, waarbij de komst van vreemdelingen in de stad en het houden van openbare prediking werden verboden.Op denzelfden dag vroegen de hervormden aan de magistraat de vergunning om die prediking te doen houden en te hooren. En ondertusschen dreigden vele rijke kooplieden, die de hervorming waren toegedaan, de stad te verlaten en aldus den handel van Antwerpen te verplaatsen. De overheid wist, tusschen twee vuren geplaatst, niet wat te doen. Zij vroeg aan de regentes onmiddellijk in de stad te komen en daartoe was zij eerst besloten, gelijk uit een brief van den Prins aan Lodewijk blijkt.De Prins vertelt daarin, dat Madame verzocht had aan hem en Egmond een dag of drie vóór haar naar Antwerpen te gaan en reeds mededeeling te doen aan de burgers, dat het preeken niet naar den zin van de Landvoogdes was. Ook wilde zij weten van de Antwerpsche heeren, welke zekerheid zij gaven voor de persoonlijke veiligheid van Margareta.Oranje had haar meegedeeld daarin weinig lust te hebben, maar wel wilde hij alleen naar Antwerpen gaan en dan met zulk een gezag bekleed als betamelijk was; dan zou hij, zooveel in zijn vermogen was zijn plicht vervullen en trachten te voorkomen, dat er eenig tumult of wanorde in de stad zou plaats hebben.Ook gaf de Prins te kennen, dat indien de Antwerpenaars hem als hun burggraaf verzochten te komen, dit hem meer tot eer zou verstrekken, dan afgezonden te worden als de fourier van de Landvoogdes, die haar logies kwam bestellen. Ook was dit voor de veiligheid van de Landvoogdes beter. Aan Lodewijk vraagt hij ten slotte alles in het werk te stellen, om Brederode te weerhouden, in dien kritieken toestand in Antwerpen te komen.Wij zagen reeds, dat Brederode in spijt van Oranje’s afkeuring, toch met een breeden stoet van ruiters in de Scheldestad aankwam en door zijn aanwezigheid de onrust nog vermeerderde. Zijn komst maakte den weg voor den Prins niet gemakkelijker om zijn doel te bereiken n.l. de oproerige geesten tot rust te brengen. Want daar is geen twijfel aan, of dat doel had hij. Totdat Filips’ antwoord op het smeekschrift komen zou, wilde de Prins voor alle dingen getrouw blijven binnen de grenzen der April-belofte. Vrijheid van godsdienstoefening ging voor zijn bewustzijn op dat oogenblik buiten die grenzen, doch hij zag, al wenschte hij een loyaal dienaar des konings te blijven, reeds op een afstand een donker punt, buiten ’t welk hij vroeg of laat, met opoffering dier loyaliteit, zou moeten gaan.Het hinderde hem zeer, dat het antwoord van Filips zoo lang uitbleef en in het begin van Juli beklaagde de Prins zich daarover in een brief aan Filips van Hessen, den ouden landgraaf, tevens vragende om zijn vaderlijken raad en hulp ingeval van noodzakelijkheid. Hoe moeilijk hij voor zich den toestand vond, blijkt wel uit een schrijven aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, waarin o. a. stond: “Zwijg ik, dan staat de ondergang dezer landen voor de deur; streef ik de regeering tegen, dan wordt dit beschouwd als tekortkoming aan mijn plicht.”Antwerpen was inderdaad de meest kosmopolitische plaats van de Europeesche wereld van dien tijd. Kooplieden van alle andere koopsteden hadden daar hun eigen huizen ten bate van hun stadgenooten, die Antwerpen bezochten met commercieele, financieele of diplomatieke bedoelingen.Deze reizigers waren de groote dragers van nieuwe denkbeelden en door hun bemiddeling waren al de verschillende fasen van godsdienstige gedachten en belangen, die in Europa gistten, tot in de nauwe straten van Antwerpen doorgedrongen. Steden als Valenciennes, in de nabijheid van Frankrijk gelegen, waren bijna geheel Calvinistisch, maar Antwerpen had Duitsche invloeden ondergaan en daar had men ook, behalve Calvinisten, groote Luthersche en Anabaptistische congregaties. Die verschillende secten werden in de eerste helft van 1566 al stoutmoediger en veeleischender.Nu was Oranje erfelijk burggraaf van Antwerpen, gelijk Engelbert, Hendriken Réné van Chalons dat vóór hem geweest waren. Op den 13enJuli verliet hij Brussel. Verschillende geruchten deden de ronde over zijn eerste weigering, daarheen te gaan; we hoorden reeds, dat hij er niet als de lakei van Margareta heen wilde, maar wel als burggraaf der stad, wien alle gezag was opgedragen. Voor zijn vertrek gaf hij aan de Landvoogdes en den Raad van State te kennen, dat het niet in zijn macht, noch in zijn wil lag de prediking te doen ophouden.Hij vond de stad tegen zich zelf verdeeld. De overheid wantrouwde de burgers; de burgers het hof en de overheid; de Protestanten het hof, de overheid en de andere burgers en ten slotte waren de Protestanten onder elkander verdeeld; aan den eenen kant heftige Calvinisten en aan de andere zijde kalme Lutheranen en tegenover beiden weder vijandig, de Anabaptisten.“De heffe van het volk had gezamenlijk Antwerpen in zijn macht.”Welk een taak, die den Prins daar wachtte! Hij voor zich was een burger, die zich bovenal aan de wet hield; hij beschouwde den godsdienst als een deel van de inrichting van den staat, hoewel hij zelf voor zich nog geen godsdienstige gevoelens kende. Hij had behoefte aan vrede en welvaart; het volk was zoo dwaas en Filips zulk een kortzichtige ezel, dat de Prins ontmoedigd werd door de vraag, hoe deze twee te verzoenen.Den 14enJuli meldt Oranje aan de Landvoogdes zijn wedervaren in Antwerpen.Hij vertelt, dat hij pas te 7 uur aan was gekomen, daar hij door verschillende zaken werd opgehouden en eerst laat uit Brussel kon vertrekken. Toen hij in de buurt van Berchem was gekomen, een halve mijl van de stad, kwam Brederode hem met een groot aantal edelen tegemoet, die als groet een salvo uit hunne pistolen gaven. Enkele burgers, die bij dien troep waren, riepen: “Vivent les gueux,” hetgeen zij af en toe op den geheelen weg naar de stad herhaalden. Meer dan 30.000 menschen waren er totaal op de been. Bij de komst in de stad begon de menigte Fransche psalmen te zingen, maar de Prins gebood hun aanstonds stil te zijn. Toen daarentegen de kreten al luider en luider werden en het “Vivent les gueux” ook op de wallen werd gehoord, trachtte de Prins eerst door teekenen hen te bedaren en toen dit niet hielp, werd hij zeer driftig en zwoer bij God, dat zij zeer goed wisten wat ze deden en dat sommigen hunner het zouden betreuren, als zij daarmee voortgingen.De overheid was hem tegemoet gereden en had hem eenige ordonnanties overhandigd om de rust in de stad te herstellen. De Prins beloofde die zorgvuldig te zullen onderzoeken. Wat de predikaties betreft, ze hadden plaats buiten de wallen en de Prins had gehoord, dat velen gewapend naar de vergaderingen gingen om anderen te beschermen, daar ze vernomen hadden, dat de Drost van Brabant in opdracht had, hen uiteen te jagen.Aan het slot van zijn schrijven, spreekt hij wel de hoop uit, dat ze niet zullen trachten de preeken binnen de wallen te houden, maar hij vreest, dat aan zijn verzoek niet te vergaderen, geen gevolg zal worden gegeven.Tusschen de Landvoogdes en den Prins volgde een dagelijksche briefwisseling. Spoedig bleek het Oranje, dat de hervormingsgezinden numeriek te sterkwaren om het mogelijk te maken hun de preek te verbieden. Zeer noodlottig was het daarbij, dat de hervormden het onderling zoo oneens waren, terwijl de Anabaptisten tegen iedereen waren en iedereen tegen hen.Zou de hertogin hen evenals de Lutheranen en de Calvinisten op denzelfden voet willen behandelen—want ze beschouwde hen allen zonder onderscheid als ketters—Oranje kon geen wanordelijke daad van welken aard ook goedkeuren. Niets revolutionairs was er in zijn geest, zoodat het ons niet verwondert, dat hij het ongeregeld optreden van Anabaptisten en Calvinisten niet goed kon verdragen.Terwijl de Prins alzoo naar Antwerpen ging, om, als het kon, hoog boven de vele partijen in naam der regeering de orde te handhaven, zonnen de edelen en de consistoriën op middelen, om meer te erlangen dan het moderatie-plakkaat van April hun schonk. Na een voorloopige bijeenkomst te Lier werd tegen de helft van de maand Juli St. Truyen als het verzameloord vastgesteld, waar de verbonden edelen en de hoofden der gereformeerde partij tot eene overeenkomst zouden trachten te komen. Geldelijk werden namelijk de consistories gesteund door het compromis der kooplieden. Was de aaneensluiting gevonden, dan zou niet alleen de eisch om afschaffing der inquisitie, maar om volkomen godsdienstvrijheid voor de poorten van Margareta’s paleis weerklinken.De vergadering te St. Truyen staat te kwader naam en faam in de geschiedenis bekend. Men heeft niet geaarzeld o. a. te vertellen, dat daar door de edelen de voorslag werd gedaan, om op één nacht in al de 17 Nederlandsche gewesten de Roomsche geestelijken te vermoorden. Wij kunnen gerust zeggen, dat deze bewering als zoodanig lasterlijk was. Doch overigens moet het te St. Truyen wel heet zijn toegegaan en was er misschien meer dan een op de vergadering, die wel zijn hand zou geleend hebben tot zulk moordbedrijf.De Prins heeft door zijn invloed evenals bij het eerste smeekschrift bewerkt, dat men te St. Truyen niet tot daden kwam, maar zich nogmaals alleen tot woorden zou bepalen. We vragen niet, of het misschien heilzamer ware geweest, indien de Prins openlijk de zijde der gematigde edelen te St. Truyen gekozen had. Naar onze zienswijze had hij in 1566 zich meer door de stemming van het volk moeten laten bepalen. Maar ook toen was het weer Egmond, “qui tenait la balance droit; s’il met l’épée sur l’une, elle l’emporte.”Margareta, bevreesd voor ’t geen zij van de samenkomst te St. Truyen vermoedde, droeg den Prins en Egmond op, naar Duffel te gaan, om van daar als onderhandelaars met de verbondenen te St. Truyen op te treden. En zeker is het, dat de Prins daardoor veel moedwil heeft te keer gegaan en nogmaals met goed gevolg de edelen tot een kalme houding bij hun tweede verzoekschrift heeft gebracht. De vraag is echter of hij, die door zijn aanwezigheid te Antwerpen, het brandpunt van de toenmalige volksbeweging, niet voldoende op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de geweldige stroomingen, die niet langer door woorden zouden te keeren zijn en of hij door zijne houding, die de hoofden der Consistories zeer verbitterde, niet mede verantwoordelijk is voor de geweldige uitbarsting van de volkswoede bij den beeldenstorm.Wij kunnen ons uitstekend verplaatsen in de hoogst moeilijke positie van Oranje, maar of thans nog niet het oogenblik was gekomen, om de Hames’ woorden op te volgen:Geen woorden meer, maar daden—wij zouden niet gaarne deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij eerbiedigen ten volle zijne poging om het revolutionair karakter zoolang mogelijk van de volksbeweging vreemd te houden, maar dat hij die volksbeweging in haar diepste oorzaken niet begreep en nog zou moeten leeren begrijpen, kwam hoofdzakelijk daar vandaan, dat het hem persoonlijk aan godsdienstig leven schortte. Eerlang zou de tijd komen, waarin hij begreep, dat alleen daden konden helpen om een volk te verlossen.1Het kwaad, de hel.
Men kan zich begrijpen, dat Margareta niet zonder zorg de stemming van het volk opmerkte. Terwijl men zich van den kant der edelen op de demonstratie voorbereidde en het duidelijk werd, dat de verbondenen weldra tot een openlijke daad zouden overgaan, begon de landvoogdes zich steeds minder op haar gemak te voelen. De meest overdreven geruchten waren tot haar doorgedrongen; de krijgsmacht van het Verbond der Edelen werd zelfs op 30.000 man geschat!
Wat te doen? Haar positie was niet benijdenswaardig en ze voelde zich bovendien erg verlaten. Viglius en Barlaimont vertrouwde zij niet volkomen en had zij van zich vervreemd, terwijl de meeste grooten uit de residentie waren vertrokken en herhaaldelijk verzocht zij hun terug te keeren om haar met raad en daad bij te staan.
Op het einde van Maart riep zij de ridders van de Vliesorde en de leden van den Raad van State bijeen en ook Oranje ontving van haar een dringende uitnoodiging om in Brussel te komen, ten einde haar raad te geven in den dreigenden toestand. Zijn antwoorden waren eerst ontwijkend. Zijn zaken hielden hem bezig, zijn vrouw was ziek en al dergelijke uitvluchten zocht hij om Breda niet te verlaten. De Prins vond echter genoeg tijd om aan een der Duitsche vorsten een brief te schrijven, waarin hij uiteenzette, dat de oorlogstoerustingen van Filips niet alle tegen de Turken bedoeld waren, maar dat het verzamelde krijgsvolk onder den schijn van een Turkentocht wel voor een ander doel bestemd zou zijn. Hij hoopte dan ook, dat de Protestantsche Duitsche rijksvorsten op hun hoede zouden zijn en op den tegenwoordigen Rijksdag veel goeds en heilzaams zouden weten te bewerken in het belang van deze landen.
Op den 27enMaart ging echter de Prins naar Brussel en woonde twee dagenlater een vergadering van den Raad van State bij. Lid voor lid vroeg de regentes de meening der vergadering omtrent de inquisitie. Allen zonder onderscheid, hetzij ze, gelijk de meesten katholiek waren, hetzij ze de hervorming sympathie toedroegen, allen waren van meening, dat de plakkaten moesten worden gematigd en dat de inquisitie hatelijk was en niet in het belang van den godsdienst.
Toen de beurt aan den Prins kwam, zei hij, dat in alle wereldlijke zaken de orde moest worden bewaard, in godsdienstige plichten meer dan in iets anders. De bedoelingen van den koning waren goed, maar zij hadden het resultaat niet voorzien. De godsdienst ging achteruit. “Een mensch voor zijn meeningen te zien verbranden, krenkt het volk; de rechters zullen de plakkaten niet uitvoeren, terwijl de strenge dekreten niets doen om den godsdienst te handhaven.” Hij raadt dus de vergadering aan, een moderatie te ontwerpen en voor alles op de nieuwe plaatsen de inquisitie niet in te voeren, terwijl hij hoopt, dat Hare Hoogheid de bemiddelares zal wezen tusschen den koning en de inquisiteurs.
De regentes was gedurende de vergadering zeer ontrust, doch toen de quaestie van de petitie te berde kwam, vermeerderde nog haar ontroering. Wat zou zij haar broeder zeggen, als zij de Edelen ontving; het was toch een protest tegen zijn wil en wat zou het volk doen, als zij hen eens weigerde te ontvangen? De koning was verre en het volk stond aan haar deur!
Oranje beklaagde zich met Hoorne, dat zij als leden van het verbond werden aangemerkt. Als stadhouder en als ridder van het gulden Vlies moest hij die houding aannemen, ook al had hij persoonlijk zijn goedkeuring aan het verbond gehecht en al vond hij zelfs in het smeekschrift den grond om het verbond te verdedigen. De Prins schaarde zich echter in de discussie geheel aan de zijde der regeering. Op den 1enApril schrijft hij aan Lodewijk, toch vooral niet te veel verbondenen tot den optocht toe te staan, nogmaals bepaald er op aandringende, dat men ongewapend zal verschijnen.
De 5eApril was voor de aanbieding van het smeekschrift vastgesteld.
In den avond van den 3enApril 1566 omstreeks 6 uur kwam een cavalcade, 200 ruiters sterk, Brussel binnen. Een ontelbare menigte uit alle klassen der maatschappij verdrong zich overal waar de stoet zich vertoonde. Aan het hoofd reed Brederode, die met zijn groote gestalte en krijgshaftige houding een geschikt aanvoerder scheen voor dezen troep bataafsche ridders. Onder herhaalde toejuichingen reden ze langzaam de stad door tot het huis van Oranje, waar Lodewijk van Nassau en Brederode afstapten, daar zij de gasten van den Prins waren, terwijl de rest der edellieden in verschillende kwartieren der stad een onderkomen vonden.
Den volgenden dag kwamen de graven Culemborg en Bergen aan, met ongeveer 100 volgers. De geheele troep verzamelde zich op den 5enbij het paleis van Culemborg. Dit huis lag op het plein Petit Sablon, nu versierd met de standbeelden van de voornaamste petitionarissen. De plaats, waar het paleis was, is thans ingenomen door een stedelijke gevangenis.
Wie waren die edelen?
“Het was een mooi gezicht die troep edellieden; de meesten hunner baardeloos,maar even beschaafd en volmaakt als er eenige in Europa zouden te vinden zijn. Velen van hen waren even ervaren in de letteren als in het gebruik van wapenen, maar zeer onkundig in staatszaken, het gevolg van hun jongen leeftijd. De meest uitstekenden waren Floris van Pallandt, graaf Culemborg, graaf Lodewijk van Nassau, broeder van den Prins van Oranje, George de Ligne en andere welbekende edelen.
“Hunne bedoelingen waren zeer verschillend; dientengevolge was hun verbond slechts van korten duur, want er ontstond verdeeldheid, waaruit hun geheele ondergang volgde. Sommigen hadden zich bij het verbond aangesloten uit affectie voor hun land, met geen enkele gedachte van ontrouw aan den katholieken godsdienst en aan den dienst des konings. Anderen hoopten de oproerige leeringen van Calvijn in het land over te planten, doch deze waren niet zeer talrijk. De groote meerderheid wenschte eenvoudig den bestaanden staat van zaken te verwarren om, zooals het spreekwoord zegt, in troebel water te visschen en hun ledige beurzen ten koste van den staat en de geestelijkheid te vullen. Vooral haatten zij de leden van den geheimen raad en de betere dienaren des konings, die ze kardinalisten noemden. Behalve deze drie soorten waren er nog enkele plebejers, die het Compromis geteekend hadden om daardoor hun nakomelingen een merkteeken van adeldom te geven. Deze werden later door den hertog van Alva het strengst vervolgd als de meest schuldigen en zoo kregen ze hun verdiende loon voor hun ijdelheid.”
Deze beschrijving van den katholieken schrijver Pontus Payen bevat veel waarheid, want die 300 edellieden langer te idealiseeren gaat niet aan. Er was meer kaf dan koren onder. De adel van die dagen was niet zoo schitterend en “gaf door zijn onderling verbond het laatste teeken van leven, dat eerlang door een doodelijke kwijning zou worden gevolgd.”
Het Verbond der Edelen bestond bij lange na niet uit louter hervormingsgezinden. Wel kunnen zich een groot aantal bij hen hebben aangesloten uit zuiver geldelijke berekening, maar ook tal van onverdachte katholieke Edelen uitten zich evenzeer als de hervormingsgezinden tegen de inquisitie en de plakkaten. Toch was dit weder oorzaak, dat er spoedig door de volgende gebeurtenissen verdeeldheid onder die edelen kwam, die meer dan de slimheid der Landvoogdes tot de oplossing van het verbond heeft meegewerkt.
Ongeveer ten getale van 300 gingen de edelen te voet naar het koninklijk paleis. Een fraaie, rechte straat leidde vandaar, langs den top van den heuvel naar het prachtig verblijf van de oude hertogen van Brabant, thans bewoond door hertogin Margareta. Het was over twaalven, toen ze het paleis van Culemborg verlieten, waarschijnlijk onmiddellijk na het eten, dat toen omstreeks elf uur plaats had. Een tallooze menigte had zich op de markt tegenover het paleis verzameld om de mannen te begroeten, die geacht werden het land te zullen bevrijden van de Spaansche heerschappij, de aanhangers van den kardinaal en van de inquisitie.
Oranje, Hoorne en Egmond en de andere raadsleden waren reeds ten paleize, om Margareta, die zich van angst nauwelijks kon beheerschen, bij te staan.Ze had haar geest trachten te vermannen door gala-kleeding aan te trekken en in hooge statie in de raadkamer te gaan zitten, die alleen kon bereikt worden door de groote hal, waar haar vader afstand had gedaan van de regeering. Op haar angstig gegeven bevel werden de petitionarissen toegelaten. Brederode trad vooruit, maakte een diepe buiging en las daarop met toestemming van de landvoogdes de petitie voor.
Het verzoekschrift begon met betuigingen van trouw, zoowel jegens den koning als jegens de hertogin. Na deze inleiding echter werd er onbewimpeld in meegedeeld, dat de laatste besluiten van Zijne Majesteit ten aanzien van de inquisitie een algemeenen opstand zouden teweeg brengen. Tevergeefs hadden zij genoopt, dat er een poging zou worden gedaan om het kwaad weg te nemen. Het gevaar nam dagelijks toe en daarom hadden zij zich gedrongen gevoeld niet langer te wachten, maar op te komen en hun plicht te doen. Ze deden dit met te meer gerustheid daar vooral hun landgoederen en huizen het meest waren blootgesteld aan de rampen, welke gewoonlijk het gevolg waren van inwendige beroerten.
Bovendien was er niemand onder hen, van welken rang of stand ook, of hij zag bij de bestaande plakkaten elk oogenblik een doodvonnis boven zijn hoofd hangen op de valsche aanklacht van den eerste den beste, die zich van de goederen van den aangeklaagde wenschte meester te maken en die hem slechts had op te geven bij den kettermeester, aan wiens genade aller leven en bezittingen waren overgeleverd. Zij verzochten daarom de hertogin een gezant te zenden naar den koning, teneinde hem met hun smeekschrift bekend te maken, waarin op afschaffing der inquisitie en wijziging der plakkaten in overleg met de Staten-Generaal werd aangedrongen. Tevens vroegen zij, of de Hertogin de inquisitie en de invoering der plakkaten wilde schorsen, totdat de koning een beslissing had genomen.
Het geschrift eindigde na betuiging van trouw: “Moge Uwe Hoogheid er er naar hooren, voordat er ander kwaad komt; gij zult dan goed doen.”
Margareta werd hoe langer hoe onrustiger onder de voorlezing. Een poos lang bleef zij daarna zonder een woord te spreken, niet in staat om de tranen te bedwingen, die haar langs de wangen vloeiden en die de zekere getuigenis waren van de verslagenheid van haar geest. Zoodra zij de beheersching over zichzelf had herkregen, zei ze kort, dat de petitionarissen haar antwoord zouden erlangen, nadat ze met haar raadslieden overleg had gepleegd.
Die raadpleging begon, zoodra de edelen zich hadden verwijderd. Er ontspon zich een zeer heftige discussie. Oranje trachtte de ontroerde regentes te bedaren, door haar te verzekeren, dat die mannen, die daar voor haar waren verschenen, geen woeste samenzweerders waren, maar waardige, ernstige, welmeenende en welgeboren edellieden, die den geest van het land kenden en wier protest eervolle overweging verdiende. Egmond trok zijn schouders op en zei, dat hij voor genezing van zijn voetgebrek eerstdaags naar Aix moest gaan. Barlaimont, altijd even onaangenaam, had in het geheel geen sympathie met het volk, dat hij eenvoudig voor gepeupel, voor een “beest met vele koppen” hield. Het was op dat oogenblik dat Barlaimont in heftigen toorn de merkwaardige woorden uitsprak, die bestemd waren, den naam der verbonden edelen te veranderen:
“Hoe Mevrouw! kan het zijn, dat Uwe Hoogheid bevreesd is voor deze bedelaars?Bij den levenden God, indien mijn raad werd gevraagd, dan zou hun smeekschrift alleen stokslagen tot antwoord hebben en zij zouden de trappen van het paleis spoediger afdalen, dan dat zij die waren opgestegen.”
Meghen drukte zich even heftig uit. Aremberg meende, dat “hunne hoogeerwaarden, de verbondenen,” op eens de stad moesten worden uitgezet. De raad ging voor een uur ongeveer uiteen. In groepen wandelden de edelen door Brussel, tevreden over hun ochtendarbeid, want zij hadden ongetwijfeld op Margareta indruk gemaakt, hetzij ze dan al of niet succes zouden hebben. Toen een dier groepen Barlaimonts huis voorbijging stond deze toevallig met Aremberg voor het venster: “Kijk,” riep Barlaimont, “onze beminlijke bedelaars! Hoe onbeschaamd om zoo onder onze oogen te komen.”
Op den volgenden dag ging Brederode met enkele der voornaamste mannen naar het paleis en ontving het smeekschrift op plechtige wijze terug. Margareta had hare kantteekeningen in margine op het adres geschreven en zeide daarbij, dat ze de zaak bij den koning zou brengen, doch zij had absoluut geen macht om de plakkaten buiten werking te stellen. Al wat ze kon doen zou zijn: den ambtenaars voorzichtigheid aan te bevelen. Zij drukte daarbij de hoop uit, dat de edelen zich op loyale wijze zouden gedragen en toonen, dat ze geen kwade bedoelingen hadden tegenover den ouden landsgodsdienst.
Twee dagen gingen voorbij en op den 8enverscheen Brederode weder voor de poort van het paleis met een antwoord op Margareta’s aanmerkingen. In dat antwoord, recht vriendelijk gesteld, beklaagden zich de verbondenen, dat de landvoogdes niet uitvoeriger de redenen had omkleed, die haar hadden bewogen. Zij betreurden het, dat zij niet de macht had, de inquisitie buiten werking te stellen, maar vertrouwden, dat zij aan alle gezaghebbende personen de order zou geven, dat de vervolging zou ophouden, totdat ’s konings wil bekend was. Welke regeling Filips ook trof, ze zouden zich daaraan onderwerpen, als de Staten-Generaal er hun goedkeuring aan gaven.
Ze beloofden zich als nederige en gehoorzame dienaren des konings te gedragen, maar verzochten vriendelijk, ten einde alle booze geruchten en lasterpraatjes omtrent hunne vereeniging te bestrijden, dat hunne petitie op de koninklijke drukkerij zou gedrukt worden, woord voor woord, zooals zij door hen was aangeboden. Margareta gaf op die boodschap een vrij bevredigend antwoord. Zij hoopte zulk een order te geven aan de inquisiteuren en magistraten dat er “ni désordre, ni scandale” zou plaats hebben, maar vertrouwde van hare zijde, dat de verbondenen zich ook aan hunne beloften zouden houden en zelfs geene kleine geheime praktijken zouden verrichten, om uitbreiding aan hun bond te geven. Aldus scheen de zaak voorloopig geschikt, tot de boden heen en weer naar Spanje gereisd waren, om den wil van den koning zelf te vernemen.
In de oogen van Brederode, den gezworen vijand van de Spanjaarden en van “klaar water” was er thans niets beters te doen dan aan tafel te gaan. Hij noodigde dus de verbondenen aan een prachtig gastmaal, dat hij in het huis vanCulemborg in gereedheid had doen brengen. Drie honderd gasten namen op den 8enApril deel aan dezen maaltijd, bestemd om in de geschiedenis vermaard te worden.
Barlaimonts verachtelijke fraze was den feestgenooten ter oore gekomen en werd met toenemende vroolijkheid, van mond tot mond herhaald, toen de wijn rondging.
“Vroolijk vulden de gasten de groote gouden en verguld zilveren bekers met kostbaren wijn en ze vergaten niet de gezondheid van den Prins van Oranje en den graaf van Egmond te drinken. Toen de wijn hunne hoofden had verhit, gaf Brederode, een der geestigsten van het gezelschap, een teeken aan de gasten om zich stil te houden.
“Hij begon met luider stemme de opmerkingen te verhalen, die Barlaimont omtrent de verbondenen had gemaakt; hij had den fraaien en eervollen naam van “bedelaars” op hen toegepast. Welnu, zoo ging Brederode voort, sinds wij dan bedelaars zijn, bestaat er een goede reden voor ons om bedelzakken te dragen en uit houten nappen te drinken; op hetzelfde oogenblik bracht een zijner dienaren hem een bedelzak, die hij op de manier van het scapulier van een monnik omdeed en daarop nam hij met beide handen een houten schaal, schonk dien boordevol wijn, ledigde die in een slok, vulde hem weder en gaf hem zijn buurman, luid roepende: “Op de gezondheid der bedelaars! Lang leven zij!” Zijn buurman deed hetzelfde met den zak en de schaal en toen ook hij hem dus ledigde, riep het gansche gezelschap met luider stemme: “Lang leven de bedelaars!”
“Elk der gasten deed hetzelfde op zijn beurt. Zij zwoeren elkander een eed hun verbond te onderhouden, voor elkander te leven en te sterven, onder de dwaaste en ongerijmdste plechtigheden waarvan ik ooit gehoord heb. Want hij die den zak omhad en de houten schaal in de hand, wierp eenige zoutkorrels in den wijn, terzelfder tijd deze rijmelarij herhalende:
“Bij brood, bij zout, bij bedeltasch,De Geuzentroep blijft wat zij was!”
“Bij brood, bij zout, bij bedeltasch,
De Geuzentroep blijft wat zij was!”
“En daarop hadt gij, indien ge er bij tegenwoordig hadt kunnen zijn, tal van houten nappen en schalen op de tafel kunnen zien werpen, in plaats van de gouden en zilveren bekers en terwijl de pages van mijn edellieden zich beijverden om die te vullen, deden hun meesters nog meer hun best, die te ledigen, niet vergetende bij elken dronk te roepen: “Lang leven de bedelaars!” Er bestaat een bekend spreekwoord dat zegt: “Er is geen gehenna1behalve in den wijn,” want die maakt, dat we de meest geheime dingen openbaren; zoo deden sommigen van die verbondenen op dat ongelukkig feest; uit eerbied voor hunne verwanten zal ik hun namen niet noemen.
“Op een zeer gevorderd uur van het souper kwamen de Prins van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, die met den graaf van Mansfelt het avondmaal hadden gebruikt, in het gezelschap. Ook zij dronken de vereeniging een dronk toe en toen weergalmde de kreet: “Lang leve de koning, heil den bedelaars!” zoo luid, dat men een donderslag niet zou hebben gehoord.
“Wat zal ik verder zeggen? Zij gevoelden zich zoo vereerd door den naam van “bedelaars,” een naam, die hen van schaamte moest doen blozen, dat zij oogenblikkelijk daarna een devies verzonnen, luidende: “Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak.”
“Dit devies werd op looden en tinnen medailles gegraveerd, die ze in plaats van juweelen snoeren om den hals hingen. Aan den eenen kant van deze medailles was het beeld des konings met deze woorden daaromheen: “Getrouw aan den koning,” en aan de andere zijde waren twee handen, het geloof beduidende, boven een bedelzak met de rest van het devies: “tot aan den bedelzak,” en ze noemden die medaille: “De orde van de bedelaars.”
Dit is de geschiedenis van het ontstaan van eene uitdrukking, die van zoo groote beteekenis voor de verbeelding gedurende de volgende jaren van den burgeroorlog is gebleven. Geheel spontaan ontstond de naam op een zeer bepaald oogenblik. Van de meeste andere partijnamen ligt de oorsprong in het duister. De naam van “Geuzen” is misschien een eenig geval in de geschiedenis, waarvan men het nauwkeurig oogenblik van zijn ontstaan kent.
Margareta had onder den indruk van het oogenblik eene moderatie van de plakkaten beloofd, totdat de koning zijn wil zou hebben kenbaar gemaakt. Doch die moderatie werd op zoo’n geheimzinnige wijze ontworpen en behandeld, dat de regeering daardoor zelf verraadde, hoe weinig zij er voor de bevrediging van het volk van verwachtte.
De uitroeiing der ketterij bleef ook in de ontworpen moderatie de hoofdgedachte, alleen de middelen werden een weinig verzacht en een ruimer uitvlucht voor berouwhebbenden werd daarin opengesteld. Doch dat was het niet, wat het volk begeerde; het wenschte niet alleen afschaffing der inquisitie, maar vrijheid van de prediking van het nieuwe geloof. Toch werd de moderatie in den Raad van State goedgekeurd. Ook de Prins durfde niet openlijk het stelsel afkeuren, waarop het ontwerp berustte.
Nu wenschte de landvoogdes, dat de Staten der gewesten er eveneens hun zegel aan hechtten, want de Staten-Generaal bijeen te roepen, hetgeen de edelen en het volk begeerden, zou te zeer tegen den wil des konings hebben ingedruischt. Zij richtte op den 9enApril aan alle stadhouders en provinciale raden een schrijven over de ontworpen moderatie.
Artois hield zijn vergadering het eerst. Verscheidene leden waren besliste geuzen, maar ook Egmond was natuurlijk als stadhouder aanwezig. Diens houding was, gelijk een ooggetuige zegt, zeer zwak. “De graaf,” beweert deze, “sprak geen woord, hield voortdurend den blik ter aarde gewend en gedroeg zich als iemand die de kluts kwijt was, niet wetende, waartoe te besluiten.” Het gevolg was, dat de geestelijkheid, die in sterke mate in de Staten vertegenwoordigd was, den slag won en dat trots het protest van de enkele edelen van het verbond, het moderatieplakkaat, dat in den grond der zaak niets beduidde, werd aangenomen en goedgekeurd.
Wij leggen den nadruk op die houding van Egmond, omdat zij, evenals vroeger te Hoogstraten, den Prins ook maar al te zeer ten jare 1566 heeft doen terugdeinzen. Was de eertijds zoo door het volk gevierde Egmond een man gebleven, ook Oranje zou in dat gewichtig jaar meer aan de zijde van het volk dan aan die van de regeering gestaan hebben. Want de prins plaatste zich in die dagen geheel aan de zijde der regeering, was de rechterhand van Margareta en woonde tallooze vergaderingen van den Raad van State bij. Algemeen werd in die vergaderingen aangedrongen op de overkomst van den koning zelf. Ook Oranje drong daarop met kracht aan en gaf zelfs als zijne meening te kennen, dat het beste zijn zou, als de koning naar Italië reisde, om daar nadere berichten uit de Nederlanden af te wachten en dan te besluiten, met of zonder leger te komen. In hoever het waarheid was, dat de Prins in dien tijd zijne spionnen in Spanje had, die hem dagelijks alles van ’t Escuriaal vertelden, is niet met zekerheid te zeggen, maar men noemt o. a. een van Filips’ secretarissen, Van den Esse, die de geheimen van den koning aan Oranje overbriefde.
Deze dubbelzinnige houding van den Prins, waarop we nog nader terugkomen, heeft zeker ook veroorzaakt, dat de volksbeweging hem in 1566 te machtig werd. Want er mag niet vergeten worden, dat het compromis der edelen vooral de oorzaak is geworden, dat er onder hetvolkvoor het eerst groote beweging ontstond. Tot dien tijd hadden de hervormingsgezinden zich zooveel mogelijk schuil gehouden. Nu het Verbond der Edelen zich hunner had aangetrokken en men in den waan verkeerde, dat het verbond groot succes had gehad, nu kwamen ze bij menigte uit hun schuilhoeken te voorschijn, keerden ballingen terug uit den vreemde en was het volk uitgelaten van vreugde over de plotselinge verlossing en in den waan verkeerend, dat godsdienstvrijheid werd toegestaan, snelde men bij duizendtallen hier en ginds naar de openbare preek, die op de grazige velden, tusschen bosschages verscholen, werd gehouden.
Eene fatale rol speelde echter in die spontane godsdienstige beweging het geloofsverschil der Protestanten. De grootste toevloed der hervormingsgezinden bestond uit Calvinisten en hoewel Oranje in die dagen nog voor het uiterlijke Katholiek was, had toch het Lutheranisme vooral door zijn omgang en briefwisseling met de Duitsche vorsten meer zijn sympathie weten te verwerven. Voor de geloofsbelijdenis der Lutheranen zou hij te winnen zijn geweest, maar tegen Calvinisten gevoelde de man, die de orde op den hoogsten prijs stelde, een heftige antipathie. Dit was te meer te bejammeren, omdat de ontwaakte volksbeweging, door de consistories geleid en door de vurigste predikers opgewekt, een zeer sterk Calvinistisch karakter had. Wel had men in 1565 gestreefd naar een verbroedering aller Protestanten, waarvoor Lodewijk van Nassau zeer had geijverd, maar op raad van den beroemden Geneefschen leeraar Beza was er van die vereeniging niets gekomen.
Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)
Gastmaal bij Brederode. (Bladz. 110.)
Antwerpen vooral was een middelpunt van beroering. Daar was het allerminst een schamele gemeente, die de hervorming voorstond. De rijkste koopmansstand telde menigen grooten vriend van het Calvinisme. De komst van Meghen, een der afvalligen van het Verbond en de vrees voor de komst van Aremberg meteen leger bracht in Antwerpen groote ontroering te weeg, omdat men eene bezetting der regeering vreesde. Daartegenover verscheen Brederode insgelijks met een grooten sleep in de stad. Gelijk we begrijpen kunnen, was dit alles de oorzaak van groote beweging te midden der volksmassa, die reeds stormenderhand de vrijheid der openbare prediking vroeg.
In dien verontrustenden staat van zaken besloot Margareta den Prins van Oranje, die burggraaf van Antwerpen was, derwaarts te zenden, met volmacht om de rust te herstellen. Op den 13enJuli werd hij met juichkreten in de Scheldestad ingehaald. Volgens de Antwerpsche autoriteiten was de Prins de eenig mogelijke persoon, om de opgewonden gemoederen tot rust te brengen. Aan die roepstem des volks gaf Margareta gehoor, want uit zich zelve zou ze daartoe niet licht besloten hebben. Oranje deelde toch hare gevoelens op het stuk van den godsdienst niet. Hij sprak zelfs nog op den 6enJuli tot haar de woorden: “De godsdienst is de groote zaak van het hart en den wil der menschen, die door geene uitwendige macht ooit gedwongen kunnen worden.”
In beginsel stond hij derhalve toen reeds op zijn hoog standpunt van verdraagzaamheid. Maar hoe weinig dit tot het gemoed en verstand van Margareta kon doordringen—één ding wist ze van hem: hij was een man die de orde voorstond.
Daar dat optreden van Oranje te Antwerpen van groote beteekenis is geweest en zijne houding aldaar zoo verschillend is beoordeeld, is het noodig, dat we ons nog nader de omstandigheden verlevendigen, waaronder hij derwaarts trok.
De stedelijke autoriteit had tevergeefs getracht de samenkomsten bij de openbare prediking in het veld tegen te gaan. Op den 24enJuni was er bij Berchem eene predikatie gehouden, waarbij 4 à 5000 menschen tegenwoordig waren. De Landvoogdes, geraadpleegd, had nog eerst geantwoord, dat die vergaderingen door kracht van wapenen moesten worden uiteengejaagd. Maar daartegen zagen de autoriteiten op, aangezien ze hun eigen zwakheid vreesden. Toen verscheen er met het oog op de menigte ballingen, die terugkeerden en die in den waan verkeerden, dat godsdienstvrijheid was toegestaan, een plakkaat, waarbij de komst van vreemdelingen in de stad en het houden van openbare prediking werden verboden.
Op denzelfden dag vroegen de hervormden aan de magistraat de vergunning om die prediking te doen houden en te hooren. En ondertusschen dreigden vele rijke kooplieden, die de hervorming waren toegedaan, de stad te verlaten en aldus den handel van Antwerpen te verplaatsen. De overheid wist, tusschen twee vuren geplaatst, niet wat te doen. Zij vroeg aan de regentes onmiddellijk in de stad te komen en daartoe was zij eerst besloten, gelijk uit een brief van den Prins aan Lodewijk blijkt.
De Prins vertelt daarin, dat Madame verzocht had aan hem en Egmond een dag of drie vóór haar naar Antwerpen te gaan en reeds mededeeling te doen aan de burgers, dat het preeken niet naar den zin van de Landvoogdes was. Ook wilde zij weten van de Antwerpsche heeren, welke zekerheid zij gaven voor de persoonlijke veiligheid van Margareta.
Oranje had haar meegedeeld daarin weinig lust te hebben, maar wel wilde hij alleen naar Antwerpen gaan en dan met zulk een gezag bekleed als betamelijk was; dan zou hij, zooveel in zijn vermogen was zijn plicht vervullen en trachten te voorkomen, dat er eenig tumult of wanorde in de stad zou plaats hebben.
Ook gaf de Prins te kennen, dat indien de Antwerpenaars hem als hun burggraaf verzochten te komen, dit hem meer tot eer zou verstrekken, dan afgezonden te worden als de fourier van de Landvoogdes, die haar logies kwam bestellen. Ook was dit voor de veiligheid van de Landvoogdes beter. Aan Lodewijk vraagt hij ten slotte alles in het werk te stellen, om Brederode te weerhouden, in dien kritieken toestand in Antwerpen te komen.
Wij zagen reeds, dat Brederode in spijt van Oranje’s afkeuring, toch met een breeden stoet van ruiters in de Scheldestad aankwam en door zijn aanwezigheid de onrust nog vermeerderde. Zijn komst maakte den weg voor den Prins niet gemakkelijker om zijn doel te bereiken n.l. de oproerige geesten tot rust te brengen. Want daar is geen twijfel aan, of dat doel had hij. Totdat Filips’ antwoord op het smeekschrift komen zou, wilde de Prins voor alle dingen getrouw blijven binnen de grenzen der April-belofte. Vrijheid van godsdienstoefening ging voor zijn bewustzijn op dat oogenblik buiten die grenzen, doch hij zag, al wenschte hij een loyaal dienaar des konings te blijven, reeds op een afstand een donker punt, buiten ’t welk hij vroeg of laat, met opoffering dier loyaliteit, zou moeten gaan.
Het hinderde hem zeer, dat het antwoord van Filips zoo lang uitbleef en in het begin van Juli beklaagde de Prins zich daarover in een brief aan Filips van Hessen, den ouden landgraaf, tevens vragende om zijn vaderlijken raad en hulp ingeval van noodzakelijkheid. Hoe moeilijk hij voor zich den toestand vond, blijkt wel uit een schrijven aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, waarin o. a. stond: “Zwijg ik, dan staat de ondergang dezer landen voor de deur; streef ik de regeering tegen, dan wordt dit beschouwd als tekortkoming aan mijn plicht.”
Antwerpen was inderdaad de meest kosmopolitische plaats van de Europeesche wereld van dien tijd. Kooplieden van alle andere koopsteden hadden daar hun eigen huizen ten bate van hun stadgenooten, die Antwerpen bezochten met commercieele, financieele of diplomatieke bedoelingen.
Deze reizigers waren de groote dragers van nieuwe denkbeelden en door hun bemiddeling waren al de verschillende fasen van godsdienstige gedachten en belangen, die in Europa gistten, tot in de nauwe straten van Antwerpen doorgedrongen. Steden als Valenciennes, in de nabijheid van Frankrijk gelegen, waren bijna geheel Calvinistisch, maar Antwerpen had Duitsche invloeden ondergaan en daar had men ook, behalve Calvinisten, groote Luthersche en Anabaptistische congregaties. Die verschillende secten werden in de eerste helft van 1566 al stoutmoediger en veeleischender.
Nu was Oranje erfelijk burggraaf van Antwerpen, gelijk Engelbert, Hendriken Réné van Chalons dat vóór hem geweest waren. Op den 13enJuli verliet hij Brussel. Verschillende geruchten deden de ronde over zijn eerste weigering, daarheen te gaan; we hoorden reeds, dat hij er niet als de lakei van Margareta heen wilde, maar wel als burggraaf der stad, wien alle gezag was opgedragen. Voor zijn vertrek gaf hij aan de Landvoogdes en den Raad van State te kennen, dat het niet in zijn macht, noch in zijn wil lag de prediking te doen ophouden.
Hij vond de stad tegen zich zelf verdeeld. De overheid wantrouwde de burgers; de burgers het hof en de overheid; de Protestanten het hof, de overheid en de andere burgers en ten slotte waren de Protestanten onder elkander verdeeld; aan den eenen kant heftige Calvinisten en aan de andere zijde kalme Lutheranen en tegenover beiden weder vijandig, de Anabaptisten.
“De heffe van het volk had gezamenlijk Antwerpen in zijn macht.”
Welk een taak, die den Prins daar wachtte! Hij voor zich was een burger, die zich bovenal aan de wet hield; hij beschouwde den godsdienst als een deel van de inrichting van den staat, hoewel hij zelf voor zich nog geen godsdienstige gevoelens kende. Hij had behoefte aan vrede en welvaart; het volk was zoo dwaas en Filips zulk een kortzichtige ezel, dat de Prins ontmoedigd werd door de vraag, hoe deze twee te verzoenen.
Den 14enJuli meldt Oranje aan de Landvoogdes zijn wedervaren in Antwerpen.
Hij vertelt, dat hij pas te 7 uur aan was gekomen, daar hij door verschillende zaken werd opgehouden en eerst laat uit Brussel kon vertrekken. Toen hij in de buurt van Berchem was gekomen, een halve mijl van de stad, kwam Brederode hem met een groot aantal edelen tegemoet, die als groet een salvo uit hunne pistolen gaven. Enkele burgers, die bij dien troep waren, riepen: “Vivent les gueux,” hetgeen zij af en toe op den geheelen weg naar de stad herhaalden. Meer dan 30.000 menschen waren er totaal op de been. Bij de komst in de stad begon de menigte Fransche psalmen te zingen, maar de Prins gebood hun aanstonds stil te zijn. Toen daarentegen de kreten al luider en luider werden en het “Vivent les gueux” ook op de wallen werd gehoord, trachtte de Prins eerst door teekenen hen te bedaren en toen dit niet hielp, werd hij zeer driftig en zwoer bij God, dat zij zeer goed wisten wat ze deden en dat sommigen hunner het zouden betreuren, als zij daarmee voortgingen.
De overheid was hem tegemoet gereden en had hem eenige ordonnanties overhandigd om de rust in de stad te herstellen. De Prins beloofde die zorgvuldig te zullen onderzoeken. Wat de predikaties betreft, ze hadden plaats buiten de wallen en de Prins had gehoord, dat velen gewapend naar de vergaderingen gingen om anderen te beschermen, daar ze vernomen hadden, dat de Drost van Brabant in opdracht had, hen uiteen te jagen.
Aan het slot van zijn schrijven, spreekt hij wel de hoop uit, dat ze niet zullen trachten de preeken binnen de wallen te houden, maar hij vreest, dat aan zijn verzoek niet te vergaderen, geen gevolg zal worden gegeven.
Tusschen de Landvoogdes en den Prins volgde een dagelijksche briefwisseling. Spoedig bleek het Oranje, dat de hervormingsgezinden numeriek te sterkwaren om het mogelijk te maken hun de preek te verbieden. Zeer noodlottig was het daarbij, dat de hervormden het onderling zoo oneens waren, terwijl de Anabaptisten tegen iedereen waren en iedereen tegen hen.
Zou de hertogin hen evenals de Lutheranen en de Calvinisten op denzelfden voet willen behandelen—want ze beschouwde hen allen zonder onderscheid als ketters—Oranje kon geen wanordelijke daad van welken aard ook goedkeuren. Niets revolutionairs was er in zijn geest, zoodat het ons niet verwondert, dat hij het ongeregeld optreden van Anabaptisten en Calvinisten niet goed kon verdragen.
Terwijl de Prins alzoo naar Antwerpen ging, om, als het kon, hoog boven de vele partijen in naam der regeering de orde te handhaven, zonnen de edelen en de consistoriën op middelen, om meer te erlangen dan het moderatie-plakkaat van April hun schonk. Na een voorloopige bijeenkomst te Lier werd tegen de helft van de maand Juli St. Truyen als het verzameloord vastgesteld, waar de verbonden edelen en de hoofden der gereformeerde partij tot eene overeenkomst zouden trachten te komen. Geldelijk werden namelijk de consistories gesteund door het compromis der kooplieden. Was de aaneensluiting gevonden, dan zou niet alleen de eisch om afschaffing der inquisitie, maar om volkomen godsdienstvrijheid voor de poorten van Margareta’s paleis weerklinken.
De vergadering te St. Truyen staat te kwader naam en faam in de geschiedenis bekend. Men heeft niet geaarzeld o. a. te vertellen, dat daar door de edelen de voorslag werd gedaan, om op één nacht in al de 17 Nederlandsche gewesten de Roomsche geestelijken te vermoorden. Wij kunnen gerust zeggen, dat deze bewering als zoodanig lasterlijk was. Doch overigens moet het te St. Truyen wel heet zijn toegegaan en was er misschien meer dan een op de vergadering, die wel zijn hand zou geleend hebben tot zulk moordbedrijf.
De Prins heeft door zijn invloed evenals bij het eerste smeekschrift bewerkt, dat men te St. Truyen niet tot daden kwam, maar zich nogmaals alleen tot woorden zou bepalen. We vragen niet, of het misschien heilzamer ware geweest, indien de Prins openlijk de zijde der gematigde edelen te St. Truyen gekozen had. Naar onze zienswijze had hij in 1566 zich meer door de stemming van het volk moeten laten bepalen. Maar ook toen was het weer Egmond, “qui tenait la balance droit; s’il met l’épée sur l’une, elle l’emporte.”
Margareta, bevreesd voor ’t geen zij van de samenkomst te St. Truyen vermoedde, droeg den Prins en Egmond op, naar Duffel te gaan, om van daar als onderhandelaars met de verbondenen te St. Truyen op te treden. En zeker is het, dat de Prins daardoor veel moedwil heeft te keer gegaan en nogmaals met goed gevolg de edelen tot een kalme houding bij hun tweede verzoekschrift heeft gebracht. De vraag is echter of hij, die door zijn aanwezigheid te Antwerpen, het brandpunt van de toenmalige volksbeweging, niet voldoende op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de geweldige stroomingen, die niet langer door woorden zouden te keeren zijn en of hij door zijne houding, die de hoofden der Consistories zeer verbitterde, niet mede verantwoordelijk is voor de geweldige uitbarsting van de volkswoede bij den beeldenstorm.
Wij kunnen ons uitstekend verplaatsen in de hoogst moeilijke positie van Oranje, maar of thans nog niet het oogenblik was gekomen, om de Hames’ woorden op te volgen:Geen woorden meer, maar daden—wij zouden niet gaarne deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij eerbiedigen ten volle zijne poging om het revolutionair karakter zoolang mogelijk van de volksbeweging vreemd te houden, maar dat hij die volksbeweging in haar diepste oorzaken niet begreep en nog zou moeten leeren begrijpen, kwam hoofdzakelijk daar vandaan, dat het hem persoonlijk aan godsdienstig leven schortte. Eerlang zou de tijd komen, waarin hij begreep, dat alleen daden konden helpen om een volk te verlossen.
1Het kwaad, de hel.
1Het kwaad, de hel.