Hoofdstuk XII.Gewapend verzet. 1568.Hoe werkzaam en ijverig de winter van 1567 op 1568 door den Prins in Dillenburg moet zijn doorgebracht, kan ook bij gemis van aaneengeschakelde berichten daaromtrent, uit het vervolg worden opgemaakt. Om toch het plan te verwezenlijken, dat in het voorjaar werd uitgevoerd, was inspanning van alle krachten noodig. Niet alleen moest Oranje door middel van dagelijksche briefwisseling de Duitsche vorsten tot hulp en steun opwekken, niet alleen met de hoofden der Hugenoten in Frankrijk en met de Nederlanders, die naar Engeland een goed heenkomen gezocht hadden, zich in verbinding stellen, maar bovenal moesten zijn agenten geheel Nederland doorreizen, om geldelijke hulp voor de aan te werven troepen te verkrijgen. En het plan was meesterlijk ontworpen; het bedoelde van verschillende kanten te gelijk een inval in de Nederlanden te doen.Terwijl een afdeeling van Hugenoten onder de Coqueville een aanval op Artois zou wagen en er van den zeekant hulp verwacht werd van de uitgewekenen naar Engeland, zou Lodewijk van Nassau Groningen binnendringen, terwijl Hoogstraten in Gelre zou vallen en Roermond trachten meester te worden om den weg te banen voor den Prins, die met het grooter leger zou volgen.Ongelukkig waren reeds voor het eind van April twee van die voorgestelde expedities geheel mislukt. De 800 man, die de Coqueville had geworven, werden door den maarschalk de Cossé in St. Valéry gedreven en overwonnen, terwijl de aanvoerder zijn onoverlegde onderneming met het leven boette.De legerafdeeling, die onder Hoogstraten in Gelre zou vallen, doch die wegens ziekte van dien graaf, door den heer de Villers was aangevoerd, werd bij de poging om Roermond te nemen, door d’Avila bij Daelhem verslagen en geheel vernietigd. De gevangen genomen de Villers werd door zijn mededeelingen aan den vijand ook mede de aanleiding dat ’s Prinsen eigen tocht later zoo jammerlijk mislukte. Want Oranje’s zeer geheim gehouden plannen werden toen aan Alva bekend.De derde inval in het Noorden, onder Lodewijk van Nassau, had wel in den aanvang meer succes, maar eindigde toch ook met den totalen ondergang van zijn leger.Daar die tocht met de volgende gebeurtenissen het naast in verband staat, mogen de bijzonderheden daarvan ook in de levensbeschrijving van den Prins niet ontbreken.Op den 6enApril had de Prins de commissiebrieven geteekend, waarbij aan Lodewijk vergunning werd gegeven, om op ’s Prinsen naam troepen te verzamelen. Hij koos het slecht verdedigd Noorden, op het oogenblik dat de stadhouder van Groningen, Aremberg, afwezig was, als het meest geschikte punt van den aanval. Met 4000 man, die zich in korten tijd vol geestdrift onder zijn aanvoering stelden, met het devies: “Nunc aut nunquam, recuperare aut mori,”1trok de dappere veldheer op den 24enApril de grenzen bij Wedde over en verraste Arembergs kasteel aldaar. Vandaar trok hij naar Appingedam, waar hij zich met zijn jongeren broeder Adolf vereenigde, die een kleine ruiterij bij zich had. Te Wedde, Appingedam en Slochteren richtte Lodewijk zijn standaards op en tallooze zwervers en avonturiers voegden zich daarbij.Allereerst had men het op Groningen gemunt. Zijn bedoeling was, die stad in zijn macht te krijgen, dan Friesland in opschudding te brengen en vandaar over zee naar Holland te trekken. Doch niets van dat alles gelukte. Hij eischte van Groningen, zich te scharen onder de vaan van de zaak der vrijheid. Geen ijdel avontuur jaagde hij na, maar de begeerte, om de arme Christenen van het land te redden, had hem daarheen gebracht. Indien de overheid hem niet hielp, dan moest hij ze beschouwen als vijanden van het land en van den koning. Want ook hier maakte hij gebruik van de fictie, dat hij vocht ten behoeve van Filips tegen de tirannie van Alva en de zijnen. De Groningers echter weigerden en ze zonden hem alleen een som gelds, niet zoozeer uit sympathie voor zijn zaak, als wel om een mogelijken aanval op de stad af te koopen.Aremberg, die in het Zuiden was, werd toen het gerucht van Lodewijks inval in Groningen Alva ter oore kwam, met ongeveer 4000 man, waarvan 2500 Spanjaarden, onmiddellijk Lodewijk te gemoet gezonden, terwijl de graaf van Meghen met 1500 volgde. Zeer gering scheen dus de hoop op succes voor de ongeoefende, saamgeraapte troepen van den dapperen aanvoerder, die bovendien zelf geheel ongeoefend was in den krijg.Op den 20enMei kampeerden de Spanjaarden bij een klooster op 2 mijlen afstand van Appingedam. Meghen nam zijn stelling bij Wedde met 8 compagnieën voetvolk en 400 paarden, hopende aldus van twee zijden Lodewijks leger te kunnen aanvallen. Toen deze dit gehoord had, besloot hij aanstonds den vijand te voorkomen. Doch zijn troepen sloegen aan het muiten; ze werden slecht betaald en wilden hem eerst niet helpen. Toch slaagde Lodewijk door smeeken en bidden er in, hen over te halen hem nog eenige dagen te helpen.Op den 23enMei nam hij toen zijn stelling in den omtrek van het klooster van Heiligerlee. Op deze plek was de grond hoog, maar omringd door uitgestrekte moerassen. Voor hen, die onbekend waren met het land, was dit bijzonder gevaarlijk, want op de plaats, waar de turf uit het veen was gesneden, dreef een dik bruin schuim aan de oppervlakte, dat er als aarde uitzag en dus zeer geschikt was, om hen, die daarop niet bedacht waren, te verrassen.Terwijl Lodewijk met zijn broeder Adolf in het klooster aan den maaltijd zat, werd hij door een boer gewaarschuwd, dat Aremberg op den nauwen straatweg, die Heiligerlee alleen met den vasten grond verbond, naderde. Hoewel Aremberg zelf eerst begreep, dat hij daar geen slag kon leveren, werd hij echter, naar men zegt, door zijn soldaten, die den ordeloozen troep van Lodewijk minachtten, daartoe genoodzaakt.Vol moed vloog zijn voorhoede, de Spaansche afdeeling, op de beide carrés van den vijand in en Lodewijks voorposten weken terug. Doch dat terugwijken was een krijgslist; de Spanjaarden, die hen vervolgden, zaten in een oogenblik in het moeras en werden toen zoo van alle kanten bestookt, dat slechts een klein gedeelte den dood ontkwam. Tegelijkertijd werd de achterhoede van Arembergs leger, uit Duitschers samengesteld, plotseling in den rug door het eene carré van Lodewijk, dat achter den heuvel was omgetrokken, aangegrepen en uiteengedreven. Nog trachtte Aremberg de kans te doen keeren. Met zijn kleine ruiterbende en 400 man viel hij aan op de nog nietiger ruiterij van Lodewijk. Op haar beurt werd deze uiteengejaagd, terwijl hun aanvoerder, Adolf van Nassau door Aremberg zelf met een pistoolschot en sabelhouw op het hoofd werd gedood. De overwinning was dus wel groot geweest, maar het geslacht Nassau had zijn eerste menschenoffer aan het Spaansche monster gebracht. Ook Aremberg sneuvelde.Omtrent den dood der beide mannen schrijft Prof. Fruin: “Terwijl het voetvolk op den veengrond handgemeen raakte, begonnen op den weg de ruiters van weerszijden te schermutselen. Adolf van Nassau bereed dien dag een vurig, jong paard, dat zeker nog niet aan het slaggewoel gewend, door het knallen van het geschut en geschal der trompetten verschrikt, niet te regeeren was, en, toen de schermutseling begon, met zijn berijder doorging en hem midden onder den vijand voerde. Tevergeefs zocht Adolf het paard met zweep en sporen te bedwingen om naar de zijnen terug te rijden; het bleef steigeren en voorwaarts dringen. Al dichter werd hij door de vijandelijke ruiters omringd en moedig strijdende viel hij weldra onder hun slagen eer de zijnen hem konden ontzetten. Dat hij niet weerloos was afgemaakt, toonden na den slag de vele lijken van vijanden die om hem lagen. Hij was de eerste Nassau, die strijdende voor de vrijheid van Nederland het leven liet, een jong man van groote verwachting, maar te jong gestorven om te toonen wie hij was. Zijn dood wierp over de vreugde van de overwinning, althans voor den veldheer, een somber floers.Aan den anderen kant was vooral het lot van Aremberg te betreuren. Van de geestdrift en blijde hoop, waarmee hij den slag had aangevangen, was hij in niet veel meer dan een uur tot de diepste wanhoop vervallen. Het leger, dat hem was toevertrouwd, had hij voor zijn oogen, onder zijn bevel, door verachte rebellen zien slaan en vernielen. Terwijl alles rechts en links wegvluchtte, bleef hij nog altijd op het slagveld omdwalen. Eindelijk bezon hij zich en ging de vluchtenden volgen, maar te laat, de onzen waren hem reeds op de hielen. In zijn volle harnas, op zijn afgemat strijdros gezeten, kon hij zoo hard niet voort. Bij het overspringen van een hek miste zijn paard en stortte neer; eer hij het had opgeholpen, had hemreeds een der vervolgers, een balling uit Amsterdam, een kogel tusschen het harnas en het helmet in den nek geschoten. Aan ontkomen viel niet meer te denken, zijn vervolgers omringden hem reeds.“Ik ben de graaf van Aremberg, neem mij gevangen,” riep hij hun toe. Maar zijn naam en rang konden hem niet beveiligen. “Dan zijt gij de man, dien ik zoek,” was het antwoord van den wraakzuchtigen Geus en met het roer, dat hij in de hand hield, bracht hij den weerlooze een slag toe, die hem den helm deed afvallen. In een oogenblik was het dus ontwapende hoofd onder tal van slagen verbrijzeld.In de verwachting op een ruime belooning voor hun heldendaad, brachten de moordenaars de blijde tijding en het paard van den verslagene ten bewijze, aan Lodewijk van Nassau. Maar zij werden teleurgesteld. “Hadt mij den man levend gebracht!” kregen zij ten antwoord, “nu het gebeurd is, kan ik u echter voor uw daad niet straffen.” Aan het lijk bewees de overwinnaar de eer, waarop de doode recht had; hij liet het in de gewijde aarde van Heiligerlee begraven. Zoo eindigde de graaf van Aremberg, die eens met Oranje en Egmond en zoo veel anderen tegen Granvelle had saamgespannen, maar, later van partij veranderd, de regeering vervolgens trouw had bijgestaan. Hij was de eerste der Nederlandsche grooten, die aan de zijde der Spanjaarden tegen de bevrijders van zijn vaderland sneuvelde.”De overwinning was schitterend, maar de machtigste bondgenoot van Lodewijk tegen de Spaansche veteranen was de bedriegelijke grond geweest en daarbij waren hare resultaten zeer teleurstellend. Want al had hij ookhonderdenSpanjaarden gedood, al was dit op zich zelf een groote gebeurtenis—inderdaad had hij geen enkele stad genomen en niet zooveel buit veroverd, om zijn huurlingen tevreden te stellen, terwijl daarbij zijn jongere broeder voor altijd was heengegaan.“Wat moest Lodewijk nu doen? De Prins raadde hem, zich òf in Delfzijl, of in Appingedam te werpen en daar den uitslag van zijn eigen bewegingen in het Zuiden af te wachten, òf zich dwars door Friesland naar Enkhuizen te begeven en dan Holland in opstand te brengen.”Had Lodewijk dien raad gevolgd, waarschijnlijk zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop hebben genomen; maar hij sloeg dien raad in den wind—legerde zich den 10enJuni voor Groningen, een onbezonnen werk bij de zwakheid van zijn leger en den muitzieken geest zijner soldaten. Een memorandum van hem aan den Prins bevat een tamelijk optimistische beschrijving van den toestand in zijn leger. Een groote maand lang bleef Lodewijk in de nabijheid van Groningen gelegerd en brandschatte den omtrek om zijn huurlingen bevriend te houden. Ook trachtte hij de Friezen te overreden, zich onder zijne vanen te rangschikken, maar deze, bevreesd voor de naderende komst van Alva in het Noorden, waren daartoe niet te bewegen.Toen de tijding van de nederlaag der Spaansche troepen bij Heiligerlee in Brussel kwam, was Alva woedend, dat zijn beproefde veteranen door ongeoefende mannen, onder leiding van een aankomeling, zonder eenige ervaring, verslagen waren. Hij vervloekte den ongelukkigen Aremberg, die zijn nederlaag met zijn leven had geboet en onmiddellijk nam hij maatregelen.Hij besloot verder geen ondergeschikten te vertrouwen, maar in persoon te velde te trekken en de onbeschaamde rebellen geheel en al te vernietigen. Maar de zaken moesten in Brussel veilig zijn en er moest geen kans bestaan, dat gevangenen van belang in zijn afwezigheid werden bevrijd. Eerst uitte hij zijn toorn in een wilde proclamatie gedagteekend 28 Mei, waarbij Oranje, Lodewijk, Hoogstraten en anderen op straffe des doods uit het land gebannen werden. Daarop verwoestte hij het paleis van Culemborg in Brussel, waar het merkwaardig feest was gevierd en er werd op die plaats een zuil opgericht, als een herinnering aan de verschrikkelijke samenzwering, die binnen zijn hallen was tot stand gekomen. Hoogstraten zond aan den Prins berichten omtrent een en ander, die een koerier uit Brussel hem zelf had overgebracht.Tallooze executies hadden er in de eerste dagen van Juni plaats; den 1enwerden achttien aanzienlijke gevangenen op de markt te Brussel ter dood gebracht en op den 2enJuni viel het hoofd van graaf de Villers, die na zijn nederlaag bij Daelhem, zelfs niet door zijn bekentenissen en mededeelingen omtrent Oranje’s plannen, zijn leven had kunnen redden.Nu werd ook het lot van Egmond en Hoorne beslist. Zooals wij zagen waren ze reeds spoedig na de komst van Alva gevangen genomen. Dit was op zeer listige wijze geschied. “Op den 9enSeptember (1567),” zoo verhaalt Motley, “gaf de groot-prior Don Ferdinand een prachtig gastmaal, waarop Egmond en Hoorne benevens Noircarmes, de burggraaf van Gent en vele andere edelen, genoodigd waren. Het feest werd verlevendigd door de muziek van Alva’s eigen garde, die hij gezonden had om het gezelschap te vermaken. Om drie uur liet hij de heeren verzoeken na afloop van het maal hem aan zijn woning (het huis van Jauche) met hun gezelschap te vereeren, daar hij hen wenschte te raadplegen over het plan der citadel, die hij voornemens was te Antwerpen te stichten.Op dit oogenblik fluisterde de groot-prior, naast Egmond gezeten, hem in: “verlaat oogenblikkelijk deze plaats, heer graaf; neem het snelste paard uit uw stal en ga op de vlucht, zonder een oogenblik te verzuimen.”Uiterst ontsteld en zich de menigvuldige voorspellingen en waarschuwingen herinnerende, die hij in den wind geslagen had, stond Egmond van tafel op en begaf zich naar het aangrenzend vertrek. Hij werd door Noircarmes en twee andere heeren gevolgd, aan wie zijn ontroering niet ontglipt was en die nieuwsgierig waren, er de oorzaak van te vernemen.De graaf deelde hun de geheimzinnige woorden, die de groot-prior hem zooeven toegefluisterd had mede en voegde er bij, dat hij besloten was, dien raad zonder tijdverlies op te volgen.“Ha! graaf!” riep Noircarmes uit, “stel toch niet zoo losweg zulk een blind vertrouwen in dien vreemdeling, die u ten kwade raadt. Wat zal de hertog van Alva, wat zullen de Spanjaards zeggen van zulk een overhaaste vlucht? Zullen zij niet meenen dat uwe Excellentie als een schuldige gevlucht is? Zal men die vlucht niet houden voor eene bekentenis van hoogverraad?”Indien deze woorden werkelijk door Noircarmes gesproken zijn (en dat zij het werden, daarvoor hebben wij het getuigenis van een Waalsch edelman, die met Egmonds vrienden en met de geheele katholieke partij voortdurend gemeenschap hield), leveren zij een nieuw bewijs van het boosaardig en wreed karakter van den man. Zijne vermaning besliste het lot van den wankelmoedigen Egmond. Van tafel opgestaan met het voornemen om den raad van een edelmoedigen Spanjaard te volgen, die zijn leven op het spel had gezet om zijn vriend te redden, keerde hij nu terug, gehoorzaam den trouweloozen raad opvolgend van een Vlaamsch edelman en de welgemeende waarschuwing van een vreemdeling met onverschilligheid bejegenend, om weder te gaan aanzitten aan het laatste gastmaal, dat hij bijwonen zou.Toen tegen vier uur het middagmaal afgeloopen was, begaven zich Hoorne en Egmond, vergezeld van de andere heeren naar het huis van Jauche, door Alva bewoond, om deel te nemen aan de voorgestelde beraadslagingen. Zij werden door den hertog met groote beleefdheid ontvangen. Een ingenieur Pietro Urbino spreidde over de tafel een perkamenten rol uit, waarop het plan van de te bouwen citadel was aangegeven. Weldra ontspon zich hierover een warme woordenwisseling, waaraan Egmond, Hoorne, Noircarmes, met de ingenieurs Urbino en Pacheco deelnamen. Na een poos verliet de hertog van Alva het vertrek, onder voorgeven van een plotselinge ongesteldheid, het gezelschap verdiept in het onderwerp achterlatend.Toen men omstreeks zeven uur ’s avonds uit elkander ging, verzocht Don Sancho d’Avila, hopman van ’s hertogs lijfwacht, aan Egmond om een oogenblik te blijven, daar hij hem iets had mede te deelen. Na een paar onbeduidende opmerkingen, vroeg de Spaansche hopman, zoo ras als hij met Egmond alleen was, hem zijn degen af. Ontroerd en, niettegenstaande al wat er voorafgegaan was, toch nog verbaasd, wist de graaf nauwelijks wat te antwoorden. Don Sancho verklaarde andermaal, dat hij last gekregen had om den graaf in hechtenis te nemen en eischte opnieuw zijn degen. Tegelijk werden de deuren van het aangrenzend vertrek geopend en zag Egmond zich omringd door een vendel Spaansche musketiers en hellebaardiers. Zoo in den val geraakt, gaf hij zijn degen over, met een bitter verwijt dat die den koning ten minste eenige diensten bewezen had in thans verleden en vergeten dagen.Hij werd nu naar eene kamer op de bovenverdieping van het huis gebracht, voorloopig tot gevangenis voor hem ingericht. De vensters waren versperd, het daglicht buitengesloten, het gansche vertrek met zwart behangen. Hier bleef hij veertien dagen, van den 9entot den 23enSeptember, zonder dat het hem vergund werd, met zijn vrienden eenige gemeenschap te houden. Dag en nacht was zijn kamer met kaarsen verlicht; hij werd onder het diepste zwijgen door Spaansche knechten bediend en door Spaansche soldaten bewaakt; de hopman der wacht trok telkens te middernacht het bedgordijn open en wekte hem uit den slaap, opdat de officier, die hem kwam aflossen, zich van ’s graven tegenwoordigheid overtuigen zou.Graaf Hoorne werd bij dezelfde gelegenheid, toen hij het binnenplein overging, door hopman Salinas in hechtenis genomen. In een andere kamer van het huis opgesloten, onderging hij dezelfde behandeling als Egmond. Op den 23enSeptember zouden beide edelen onder sterke bedekking naar de citadel van Gent vervoerd worden.Hier bleven Egmond en Hoorne maanden in gevangenschap, toen de gebeurtenissen in het Noorden ook het einde dezer droevige tragedie kwamen verhaasten.Den 3enJuni werden de graven van Egmond en Hoorne in een wagen van Gent naar Brussel gevoerd, onder bedekking van tien vendels voetvolk en een kornet ruiterij en op het Broodhuis, recht tegenover het stadhuis op de groote markt van Brussel, gevangen gezet. Den 4enJuni verklaarde Alva plechtig, dat hij alle stukken en documenten in zake Egmond en Hoorne had onderzocht en sprak hij het doodvonnis uit over de gevangenen als medeplichtigen van Oranje, als beschermers der verbonden edelen en als afvalligen van den waren godsdienst.Alva zond de stukken, van handteekening en zegel voorzien, aan den Raad van Beroerten, die het vonnis, reeds voor Alva’s vertrek uit Spanje door Filips geteekend, moest bekrachtigen. Dat de bloedraad het vonnis goedkeurde is te begrijpen, te meer daar het geheele rechtsgeding aan twee der meest beruchte leden Vargas en del Rio was opgedragen geweest. Of er geen behoorlijkgerechtelijkverhoor had plaats gehad en de rechtbank onbevoegd was, het deed er niet toe, evenmin dat de gevangenen geen verdedigers hadden gehad en zij zich al beriepen als Ridders van het Gulden Vlies op het privilege van die orde om volgens hare statuten verhoord te worden, het deed alles niets ter zake; het vonnis was reeds in Madrid gewezen, vóór nog de aangeklaagden te Brussel in hechtenis genomen werden.Toen het bevel tot onmiddellijke terechtstelling van Egmond aan zijn vrouw bekend werd, snelde deze naar den man, die het lot van haar gemaal in handen had en smeekte hem ootmoedig om genade. Naar het verhaal luidt, zou Alva met ongelooflijk kalmen spot de gravin gerust gesteld hebben met de verzekering, dat haar echtgenoot den volgenden dag zeker zou uitgaan! ’t Is wel terecht, dat men om de eer der menschheid dit verhaal gaarne voor verdicht zou houden.Den 5enJuni werd het doodvonnis aan de beide graven voltrokken. “Gedurende den nacht,” zoo verhaalt Motley, “had men op de groote markt te Brussel alles voor het treurspel van den volgenden ochtend in gereedheid gebracht. Het was het doel der regeering om het volk schrik aan te jagen door een indrukwekkend en ontzettend schouwspel: de onbeperkte en van alle verantwoording ontheven macht, die over het land heerschte, zou zich openbaren in het dooden dier beide mannen, zoo verheven in rang, zoo aanzienlijk vermaagschapt en die zulke uitstekende diensten hadden bewezen.De indruk zou nog verhoogd worden door het eigenaardige van de plek, waar dit treurspel plaats had. Treffend was en is nog altijd de groote markt van Brussel. De bouworde der huizen, die haar insluiten, heeft de bewonderende blikken, van vele geslachten tot zich getrokken. Het prachtig stadhuis met zijn trotschen toren en rijk versierden gevel, bekleedt een der zijden van het plein en recht daar tegenover verrees grillig van stijl, maar toch bevallig, het Broodhuis, de laatste verblijfplaats op aarde van de twee aanzienlijke slachtoffers, terwijl tusschen deze hoofdgebouwen de fantastische gildehuizen prijkten der boogschutters, schippers en anderen met hunne gebeeldhouwde muren en trapgevels, zinnebeelden en versierselen. Het plein was het tooneel van menige bloedige terechtstelling geweest. Wakkere ridders hadden hier gekampt, aangevuurd door schoone oogen, die vandie schilderachtige balkons en uit die sierlijke vensters op hen neerzagen. Martelaars voor godsdienstige en staatkundige vrijheid hadden op diezelfde plaats folteringen verduurd, die zelfs de steenen, waarmee zij geplaveid was, tot opstand hadden moeten aanzetten of tot deernis bewegen. Hier had Egmond zelf in gelukkiger dagen den prijs van behendigheid en stoutheid weggedragen en aller oogen tot zich getrokken en hier zou zijn door schitterende daden opgeluisterd leven nog in den bloeitijd afgesneden worden door de hand der dwingelandij.Een·Prince·van·groter·machten / Den·Grave·van·Egmont / Als·een·schaep·ginc·ter·slachten—M·D·L·XIII· V·juniIn den morgen van den 5enJuni schaarden zich drie duizend Spaansche krijgslieden rondom het schavot, dat te midden van het plein was opgericht. Op dat schavot, met zwart laken bekleed, werden twee fluweelen kussens, twee ijzeren spietsen en een tafeltje met een zilveren kruisbeeld geplaatst. De provoost-maarschalk Spelle aan den voet van ’t schavot te paard, met de roode roede in de hand, droomde weinig dat hem een nog vreeselijker lot wachtte, dan hetgeen hij thans hielp volvoeren. De scherprechter was achter de bekleeding van het schavot verborgen.Om elf uur kwamen Juliaan Romero en kapitein Salinas met een compagnie Spaansche krijgsknechten in Egmonds kamer. De graaf stond gereed. Men wilde hem de handen binden, maar hij kwam driftig tegen dien smaad op, sloeg zijn tabbaard open en toonde hun, hoe hij zelf de kragen van zijn kleederen afgesneden en alles voor zijn dood gereed gemaakt had. Nu ging Egmond door den bisschop vergezeld, met vasten stap den korten weg naar de gerechtsplaats over. Juliaan Romero volgde met de wacht. Onderweg las hij overluid den een-en-zestigsten psalm: “O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed!”Hij scheen dit gedeelte uitgekozen te hebben als om te bewijzen hoe, in weerwil van de lagen zijner vijanden en den wreeden dood waartoe zij hem gebracht hadden, de trouw aan zijn vorst bij hem even diep ingeworteld en even heilig was, als de eerbied voor God. “Gij zult dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden.” Ziedaar het opmerkelijk gebed van den man, als een verrader veroordeeld, op zijn weg naar het blok.Toen hij het schavot beklommen had, stapte hij het twee of driemalen in de rondte. Hij droeg een tabbaard van rood damast, waarover een zwart met goud bestikt manteltje hing. Hij had een zwartzijden hoed met zwarte en witte pluimen op en hield een zakdoek in de hand. Terwijl hij zoo op en neerliep, betuigde hij, hoe bitter het hem speet, dat hem niet vergund was, met den degen in de hand, in den strijd voor land en koning te sterven. Hoopvol tot het laatst toe, vroeg hij driftig aan Romero, of het vonnis inderdaad onherroepelijk was en of er niet nog kwijtschelding kon verleend worden. Juliaan haalde de schouders op en mompelde een ontkennend antwoord: Toorniger dan wanhopend knarste Egmond op de tanden; maar hij herstelde zich spoedig, wierp zijn tabbaard en mantel af en nam de orden van het Gulden Vlies van den hals. Toen knielde hij op een der kussens neder, zeide luid het Onze Vader op en verzocht den bisschop die naast hem nederknielde, dit driewerf te herhalen. Nu gaf de kerkvoogd hem het zilveren kruisbeeld te kussen en sprak daarop den zegen over hem uit. Degraaf stond weder op, legde zijn hoed en zakdoek weg, knielde andermaal op het kussen, trok een kapje over zijne oogen, vouwde de handen en riep met luider stem: “Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.” Toen trad plotseling de scherprechter te voorschijn en hieuw het hoofd met een enkelen slag af.Op den slag volgde een oogenblik van huiveringwekkende stilte: de gansche menigte scheen dien in het hart gevoeld te hebben. Tranen vloeiden uit de oogen, zelfs van de Spaansche soldaten, want zij kenden en achtten Egmond als een dapper veldheer. De Fransche gezant Mondoucet, die het schriktooneel uit een verborgen plaats gadesloeg, fluisterde, dat hij nu het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had. Men zag zelfs tranen op de ijzeren wang van Alva, terwijl hij uit een venster van een huis, recht tegenover het schavot gelegen het moordtooneel aanzag.Ras wierp men een zwart laken over het lichaam en het bloed, en na weinige oogenblikken zag men den admiraal naderen. Zijn kale schedel was ongedekt. Zijne handen waren los. Hij groette bedaard de kennissen, die hij onderweg opmerkte. Onder een zwarten mantel, dien hij afwierp zoodra hij het schavot beklommen had, droeg hij een eenvoudig zwart wambuis, maar niet, zooals Egmond, de orde van het Gulden Vlies. Met een blik op het lijk onder het zwarte laken vroeg hij, of dat het lichaam van Egmond was. Toen dit bevestigend beantwoord werd, mompelde hij eenige woorden in het Spaansch. Daarop zag hij zijn eigen omgekeerd wapenschild en hij drukte zijne verontwaardiging uit over deze verguizing van zijn wapen, met de betuiging, dat hij dien hoon niet verdiend had. Toen sprak hij eenige woorden tot de menigte, wenschte ieder heil toe en verzocht voor zijn ziel te bidden. Hij kuste het kruisbeeld niet, maar knielde op het schavot neder om zijn gebed te doen en werd daarin door den bisschop van Yperen bijgestaan. Daarna stond hij weder op, trok een milaneesche kap geheel over het gelaat, uitte in het Latijn dezelfde aanroeping als Egmond en legde den hals op het blok.”Het vonnis was voltrokken.Gansch Europa voelde den schok door die misdaad aan het publiek geweten berokkend. Al had Filips II geen enkele andere onrechtvaardigheid bedreven, die beide doodvonnissen waren voldoende, hem als een wreed tiran te brandmerken.Omtrent vele historische gebeurtenissen is de opinie in den loop der 19eeeuw gewijzigd, maar nooit is er eenige verandering gekomen in de algemeene veroordeeling van de gruwelijke gerechtelijke moorden van den 5enJuni 1568.Kort daarop vertrok Alva zelf naar het Noorden, om den dood van Aremberg op de geuzen te wreken en het leger van Lodewijk van Nassau met zijn veteranen te vernietigen. Deze had met al zijn geestdrift en energie niets kunnen uitwerken gedurende de weken die op zijn overwinning volgden. De buit te Heiligerlee veroverd, had voor een korte wijle zijn soldaten bevredigd, maar toendie was uitgeput, bestonden de eenige inkomsten van zijn leger in hetgeen nolens-volens van de arme bewoners van het land kon worden opgeëischt.Zoo jammerlijk was de toestand, dat de ridderlijke Lodewijk zelf op den 5enJuni eene proclamatie uitvaardigde, waarbij allen, die weigerden hulp te verleenen, bedreigd werden met het verbranden hunner huizen. Door middel van zulke bedreigingen kreeg hij af en toe kleine sommen gelds, zoodat hij eindelijk een 10.000 fl. had verzameld. Het arme volk was er wel ongelukkig aan toe. Alva had reeds te veel bewijzen van zijn krijgsmanskunst gegeven, dan dat men eenige hoop kon voeden, dat Lodewijk zelfs met hun hulp, hem ’t hoofd zou kunnen bieden. Ze wisten dat Alva kwam, om Aremberg te wreken en dat ze van hem geenerlei genade te wachten hadden en hun vrees werd spoedig verdubbeld door de proclamaties, die Alva aan de kerkdeuren liet slaan, waarin hij verbood eenigen onderstand aan de rebellen te geven, onder bedreiging van tweemaal zooveel aan de Spanjaarden te zullen moeten afstaan.Wel zag het er dus slecht met den toestand van Lodewijks leger uit, toen Alva reeds naderde. Dat leger was buitendien zeer moeilijk in bedwang te houden. Alleen door voortdurende persoonlijke opwekkingen van den aanvoerder kon de jonge leider zijn troepen bijeenhouden en tegen muiterij bewaren. De strijdmacht was kort te voren door 800 Walen, 600 ruiters en groote benden uitgewekenen, die de Eems overkwamen versterkt; zoo bedroeg het leger omstreeks 12000 man. Deze legermacht vereenigde hij in zijn kamp voor Groningen, toen de nadering van den Hertog zeker was. Op den 14enJuli bereikte Alva met 17000 man de stad en deed onmiddellijk een aanval op Lodewijks leger. De Duitsche huurlingen hielden slechts een oogenblik stand en togen op de vlucht; ze werden nagejaagd door een gedeelte van Alva’s troepen en 300 man sneuvelden of kwamen in de grachten om.Alva meende, dat reeds het geheele leger was verslagen en schreef dien nacht aan den Raad van State dat hij twijfelde, of hij nog een soldaat zou vinden, als hij hen den volgenden dag verder achterna ging jagen. Den 20enJuli bevond Alva zich aan de Eems, waar hij bij Jemmingen Lodewijk in een zeer ongunstige stelling aantrof. Deze bevond zich namelijk met zijn leger op een schiereiland, door de Eems en de Dollart gevormd; op die ongelukkige plaats begonnen daarbij zijn huurlingen hun loon te eischen. In welsprekende bewoordingen deed Lodewijk hun gevoelen, dat overwinnen hun eenige kans was. Omringd door de Eems, de zee, de Dollart en de Spanjaarden, was het ontkomen aan dien vierdubbelen vijand onmogelijk. Het krijgsvolk liet zich door die onweersprekelijke feiten tot gehoorzaamheid bewegen, maar er was door den woordentwist te veel tijd verloren gegaan. Als de dijken bijtijds waren doorstoken, dan ware redding mogelijk geweest. Nu nam te elfder ure Lodewijk zelf de spade ter hand, om zijn soldaten door zijn voorbeeld te bezielen. Doch het was te laat. De Spaansche voorhoede, 1500 man sterk, te 10 uur op het terrein verschijnende, maakte zich van de dijken meester en het leger van Lodewijk trok in wanorde terug, achtervolgd door de voorhoede des vijands.Nog eenmaal vatten de benden van den graaf moed. Doch plotseling kwam Alva zelf met de hoofdmacht opzetten en al deed Lodewijk persoonlijk wonderenvan dapperheid, er volgde een ijzingwekkende slachting. De aanvoerder kon slechts zijn leven redden, door naakt over de Eems te zwemmen. Meer dan de helft van zijn leger was gedood, slechts enkele honderden volgden Lodewijk naar Duitschland, waar hij nog den zomer in het Noorden bleef, om met hulp eener half toegezegde Engelsche vloot, den vijand uit Emden nadeel te kunnen toebrengen.Men kan zich den schrik voorstellen, die de Dillenburgsche familie verpletterde op het hooren van die tijding. Oranje, die toen een leger van 20.000 man bij elkander had, was op dit oogenblik in Straatsburg, gereed om in het Zuiden een inval te doen, terwijl Alva in het Noorden werd bezig gehouden. Doch er was gebeurd, wat Oranje had voorzien.Hij had zijn broeder gewaarschuwd, niet voor Groningen te blijven, maar zijn raad was door den jongen, onbedachtzamen man in den wind geslagen, die met meer geestdrift dan oordeel had gehandeld. Stap voor stap was Lodewijk, zonder de kosten te berekenen, voorwaarts gegaan en bij zijn jammerlijke nederlaag toonde de oudere broeder een geduld en een zelfbeheersching, die den moed en de drijfkracht van den jongeren evenaarde.Nauwelijks had Lodewijk zich het water van de onvriendelijke Eems van de blonde haren geschud, of hij schreef aan Taffin, een predikant der Hervormde Kerk, die toen juist bezig was, gelden in Engeland voor de bevrijding der Nederlanden te verzamelen. Deze moest vooral hulp vragen aan de Nederlandsche vluchtelingen in Londen, Norwich en Colchester; in de laatste plaats waren ongeveer 2500 gevluchte geloofsgenooten en hij werd verzocht, alles in het werk te stellen, opdat de Engelsche schepen toch spoedig te hulp zouden komen. De volgende brief van Oranje aan Lodewijk geeft een getrouwe schets van den toestand en vergunt ons een blik te werpen in het karakter van den Zwijger.31 JuliMijn Broeder,Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van het jammerlijk ongeval, u op den 21endezer maand overkomen, om verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande, daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen, bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods hulp verder te gaan en hoop op den 8ender maand Augustus op de plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats, die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven, of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen, opdezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd, zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt, waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is, met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is, naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen, dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt, zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke onderneming uit te voeren; want van onzen kant—wij kunnen niet te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken, gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.Uw zeer liefhebbende broedersteeds tot Uw dienst bereid,WILLEM VAN NASSAU.Het postscriptum luidt:Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden, zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten, wat daar plaats heeft.Stelt deze brief ons geheel op de hoogte van den toenmaligen toestand, hij doet ons niet minder een blik werpen in het innerlijke leven van den Prins vanOranje in het jaar 1568. En dan weten we niet, wat meer te bewonderen, zijn ongebroken moed, zijn bedachtzaamheid of zijn uitnemende zachtmoedigheid tegenover Lodewijk. Geen woord van verwijt komt er uit zijn pen tegenover zijn broeder, die ongetwijfeld zeer dapper in het noorden was geweest, maar geheel in strijd met ’s Prinsen raad had gehandeld. In plaats daarvan niets dan krachtige opwekking tot vernieuwde handeling, verlangen naar zijn broederlijke tegenwoordigheid en herhaalde aanmaning tot voorzichtigheid tegenover den vijand.Die stemming is het geweest, waaruit zooveel goeds voor ons land is geboren; een stemming, die daarbij uit innig vertrouwen en geloof ontwaakte, dat hooger macht hem aangordde. Zijn kalme berusting in den wil dier macht, ook al scheen die nog zoo donker en raadselachtig, was niet minder dan zijn vast vertrouwen, voortgekomen uit het geloof, dat als zijn persoonlijk eigendom in hem begon te ontwaken. Welk een kracht lag er besloten in dit korte en fiere zeggen: “Ik ben besloten met Gods hulp voort te gaan.”De beide nederlagen van Daelhem en Jemmingen hadden ten gevolge, dat de lichtingen van den Prins van Oranje in Duitschland niet meer dat succes hadden als in de eerste dagen, toen hij in Dillenburg kwam. De keurvorst van de Paltz toonde nog wel eenige ondersteuning door aan de Nederlandsche ballingen toe te staan, eenige oude kloosters in zijn land te bezetten, doch andere Duitsche vrienden begonnen zich ernstig te verzetten tegen zijn verdere plannen.Augustus van Saksen beval in naam van den keizer den Prins aan, geen verdere vijandige maatregelen tegen den koning te nemen. De keizer zelf, die Oranje’s militaire preperatieven afkeurde en die waarschijnlijk door invloed van Filips was bewerkt, beproefde zelfs formeel de lichtingen van Oranje te verhinderen. Hij schreef op den 12enMei aan den Keurvorst van Saksen, hem te verzoeken de voorbereidende oorlogsmaatregelen van zijn aangehuwden neef te beletten. Hij kon binnen zijn jurisdictie geene vijandige pogingen tegen den koning openlijk toestaan. Zelfs gebood de keizer Oranje in diezelfde maand uitdrukkelijk, op te houden met zijn lichtingen, uit vrees dat de gevoelens van zijn Spaanschen neef zouden worden gekrenkt.Oranje antwoordde daarop in een langen brief en herhaalde de argumenten zijner justificatie, terwijl hij verklaarde wel degelijk in zijn recht te zijn. Ook andere, mindere vorsten van het rijk trachtten den Prins te bewegen, van zijn plannen af te zien. Willem van Hessen schreef riemen papier vol, om Oranje te overtuigen van zijn dwazen strijd en ging eindelijk zoover, dat hij elke hulp weigerde en zelfs geen enkel zijner officieren toestond, den Prins te vergezellen, den Prins, die “machteloos was tegenover zulk een machtig potentaat als Filips, dien we steeds een goeden en milden vorst (!) hebben hooren noemen.”Hoe gelukkig, dat Oranje bij zooveel flauwhartigheid en tegenwerking in zijn eerste vaderland, ergens anders niet tevergeefs naar ondersteuning uitzag. Zijn onderhandelingen met de Fransche protestanten leidden tot een verbond met een hunner erkende leiders, n.l. Coligny.De Fransche burgeroorlogen van die jaren verdienen om een dubbele redenonze volle belangstelling. Ten eerste streden de Hugenoten voor dezelfde zaak als hier te lande de Geuzen. Ook zij wilden godsdienstvrijheid verwerven. En ten andere hebben die godsdienstoorlogen in Frankrijk sedert het begin van onzen opstand een grooten invloed op de toestanden in de Nederlanden uitgeoefend. Dit zagen we reeds vroeger, zelfs tijdens het voorspel van den 80-jarigen oorlog, toen de strijd tegen Granvelle gelijk stond met den strijd der Hugenoten tegen den kardinaal van Lotharingen.Wij zullen van nu af in het leven van den Prins van Oranje steeds weder ontdekken hoe groot de wisselwerking was. Nog altijd streden de Hugenoten in 1568 en 1569 om het verkrijgen van die godsdienstvrijheid, die hun in 1570 werd toegestaan, toen hun als waarborg daarvoor vier veiligheidsplaatsen werden ingeruimd. Onder de dappere leiding van Condé en den admiraal Coligny werd die bange strijd daar gestreden. Welnu, Oranje had daarvoor een wijd geopend oog en zijn onderhandelingen hadden een verbond ten gevolge.In naam van Louis de Bourbon, Prins van Condé, Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk en Willem van Nassau, Prins van Oranje, verscheen er in Augustus 1568 een proclamatie waarin zij verklaarden, “dat ze hunne krachten zouden vereenigen, om de onbillijke inbreuk, die gemaakt werd op de vrijheid van geweten in de Nederlanden en in Frankrijk, te weerstaan.” Het bleef van beide zijden een strijd in naam en ten bate van de vorsten, tegen hunne slechte raadgevers en leiders. “Afin que rien ne se fasse au dommage de nos princes.” De onderlinge hulp, die werd toegezegd, strekte zich zoover uit, dat wanneer het God behaagde, de eene partij niet zou ophouden hulp te geven aan de andere (ne laisseront de secourir l’autre partie, comme si ils étaient en la même peine).Niettegenstaande het verzet tegen den Prins van vriend en vijand, voelde hij zich door dat verbond sterk en we kunnen ons begrijpen, met hoeveel blijden moed hij den 31enAugustus 1568 zijn manschappen, thans ten getale van ongeveer 13 à 14000 monsterde. Hij had de stemming in Brabant door tal van welsprekende vlugschriften laten bewerken. “De scherpe verklaringe ende uutschrift” tegen Alva; de “waarschouwingen des Princen van Orangien en zijn getrouwe vermaninge” vlogen in tallooze exemplaren, in het fransch en in de volkstaal door het land. Zijn manifesten “à tous capitains, hommes d’armes et autres bons et vaillants soldats” en zijn “fidelle exhortation aux inhabitans des Pais-Bas” vonden vele lezers. Half September rukte hij op van den Rijn naar de Maas. Op zijn vanen stond geschreven:Pro lege, rege, greged. i.:Voor de wet, den koning en het volk.Ook voor den koning. Op den dag der wapenschouwing, 31 Augustus, vaardigde hij eene formeele proclamatie, als hoofd van het leger ten behoeve van den koning, uit. Daarin komen o. a. de volgende woorden voor:“Wij roepen alle loyale onderdanen van de Nederlanden op, om tot ons te komen en te helpen. Laat ze de onbehoorlijke strengheid der wetten en het gevaar van zich te onderwerpen aan een schandelijke slavernij en van den ondergang van den Evangelischen godsdienst goed ter harte nemen. Alleen dan, wanneer Alva in zijn loop zal zijn gestuit, kunnen de gewesten hopen, het vrije bestuursrecht en den voorspoed te zullen genieten.”De opwekking tot alle inwoners der Nederlanden bevatte tot motto de woorden uit het boek der Spreuken, hoofdstuk 10 vers 28–30: “De hoop des rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan. De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen.”Aan vertrouwen op de rechtvaardigheid der zaak, die de Prins voorstond, ontbrak het dus niet. Had hij een daaraan geëvenaard vertrouwen op de duurzaamheid van stoffelijke hulp kunnen koesteren, dit ware nog beter geweest. Maar helaas! gering waren de inkomsten, die den Prins ten deel vielen. Beloften waren gemakkelijker te geven dan baar geld, maar zelfs die beloften waren niet warm. Enkele der armste hervormde gemeenten gaven van hunne geringe middelen nog het meest.In September was het geheele leger in de provincie Trier bij het klooster Romersdorf gekampeerd. Ook daar voegden zich nog steeds nieuwe officieren bij hem. De keus dier officieren was niet altijd gemakkelijk in zulk een staat van zaken als waarin de Prins verkeerde. Op zulk een oogenblik moeten de leiders vaak nemen, wat ze krijgen kunnen en krijgen ze niet wat ze noodig hebben. Naar ’s Prinsen smaak waren lang niet alle officieren, die hun diensten kwamen aanbieden, evenmin als Washington in den onafhankelijkheidsoorlog van Amerika tevreden was met al zijn kapiteins, die hij toch noodig had. Onder deze minder aangename bondgenooten behoorde zeker ook Lumey, graaf van der Marck, met een bende onafhankelijke troepen. Een zijner voorouders droeg den bijnaam van het wilde zwijn der Ardennen en hij was een dito exemplaar. Hij had gezworen, zich nimmer te laten scheren noch het haar te laten snijden, voor Egmonds dood was gewroken.Met dit leger, uit zoo verscheiden bestanddeelen saamgesteld en van welks welslagen de geheele zaak scheen af te hangen, trok de Prins eerst naar de buurt van Keulen, met het voornemen Luik voor zich te winnen; maar daar was men te bevreesd voor Alva’s troepen en had men te weinig vertrouwen in ’s Prinsen legermacht; hij gaf dat plan dus op en was spoedig daarop in den omtrek van Maastricht.Het is niet te verwonderen, dat er allerlei verhalen bestaan omtrent dezen tocht van den Prins. Behalve de gewone brieven schreef Alva’s officieele secretaris o. a. eenRélation de l’expédition du Prince d’Orange dans les Pays-Bas.De overtocht bij Stockhem over de Maas is vooral een hoogst merkwaardige gebeurtenis uit dien tocht geweest. Deze had op den 7enOctober plaats; ze wekte de verbazing van Alva op, die aan de overzijde van de Maas gelegerd was. Hij sprak de merkwaardige woorden: “Is dan het leger van den Prins een vlucht wilde ganzen?” Volgens sommigen had de Prins dien wonderlijken overtocht over de Maas daardoor kunnen volbrengen, dat hij een zware massa ruiterij als een dam in de rivier plaatste, waardoor de stroom eenigszins werd gebroken en het voetvolk gelegenheid werd geboden, door de rivier te trekken. Anderen spreken van een brug, waarover de artillerie ging, nadat de ruiterij en voetvolk door de rivier waren getrokken. Doch hoe dan ook volbracht, Oranje trok thans Brabantin tot bij Tongeren en hij hoopte òf Alva tot een slag te bewegen òf in de Brabantsche steden achter zijn rug oproer te kunnen verwekken. Maar in die plannen werd hij door de houding van den Hertog geheel teleurgesteld.’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)Alva’s talent als krijgsaanvoerder lag vooral in zijn bekwaamheid, een gelegenheid, hoe die ook was, aan te grijpen. Door zoogenaamde militaire regels werd hij nooit in de war gebracht. Hij was een aanhanger van de militaire politiek van Fabius Cunctator, den geweldigen bestrijder van Hannibal. In Juli was een slag een besliste noodzakelijkheid geweest. De Geuzen hadden een overwinning behaald, die een grooten indruk op het volk maakte. Zoo die beweging niet met krachtige hand werd gestuit, zou het volk niet meer in toom zijn te houden. Thans was echter de toestand geheel anders. In Alva’s handen was de overwinning. Het was October en de vraag naar winterkwartieren voor een leger, dat tot geen bepaald grondgebied behoorde en dat niet door de schatkist werd ondersteund, werd van ernstig gewicht. Kon de Hertog zijn vijanden slechts ophouden, totdat het weer hen noodzaakte, een schuilplaats te zoeken dan zouden ze gedwongen worden zich te verstrooien en ook de Prins zou dan weer alleen zijn.Aan den anderen kant was een veldslag voor de patriotten van groote beteekenis. Eene overwinning zou de schande van Jemmingen uitwisschen en den zuinigen Nederlandschen kooplieden den moed geven om hun guldens aan de kans van een laatste succes te wagen. Daarom trachtte de Prins den Hertog tot een slag te dwingen. Doch tevergeefs! Een geheele maand hield de Hertog de verbitterde rebellen op de pijnbank. De Prins was verplicht in dien tijd 20 maal van kamp te veranderen en elken keer verscheen de Hertog weer aan zijn zijde, zoodat ze dikwijls binnen elkanders schot waren.Alva zorgde, dat overal de zeilen en de steenen der molens werden weggenomen en er dus geen middel bestond om het koren te malen. Hij verbood niet alleen den boeren eenig proviand in de kampen der rebellen te brengen, maar verwoestte zelfs alle huizen en dorpen, die mogelijkerwijze den patriotten tot schuilplaats konden verstrekken. De soldaten werden ten uiterste verbitterd en ontevreden. Het voetvolk miste schoenen; allen leden honger en kou. Geen lichtstraal van hoop aanschouwden ze; was het wonder, dat zij tot muiterij oversloegen? Eens, terwijl Oranje bezig was een oproer te dempen, werd zijn zwaard van zijn zijde weggeschoten. Zijn drie broeders, Lodewijk, Jan en Hendrik, allen stonden hem van harte ter zijde en waren aan hetzelfde gevaar van vriend en vijand blootgesteld.Ondertusschen was Alva als een dwaallicht van Tongeren naar St. Truyen en van daar naar Jokoigne gegaan. Gaarne had hij den vijand door een moerasstreek geleid en hem alzoo een valstrik gespannen, maar het terrein was goed en Oranje kende het door en door; steeds verder drong hij Alva’s jurisdictie binnen.De Hugenoten waren in dien tijd onder Genlis de Maas bij Charlemont overgetrokken. Op den 21enof 22enOctober vereenigde deze Fransche edelman aan het hoofd van 4 à 5000 voetknechten zich met de troepen van den Prins. Bij het riviertje de Geete had Alva den laatsten op 20 October den overtocht betwist. Hoogstraten, die met 3000 man de achterhoede vormde, werd jammerlijk geslagenen ontving zelf eene wonde, waaraan hij kort daarop overleed. Ook De Hames en andere edelen vonden daar hun graf.Twee dagen daarna vereenigden zich de Hugenoten met den Prins, doch niets was daardoor gewonnen, want ook dit was een bandelooze troep, een woeste bende, die de heilige kerksieraden op hun weg geroofd, ten spot op de hoeden droeg. Hun aankomst berokkende meer schade dan voordeel. De Franschen brachten niets dan nieuwe behoeften mede. “Waar er vroeger één van honger en gebrek omkwam, daar stierven er thans twee.”Slechts op een paar mijlen afstands was Oranje van Brussel, maar geen enkele plaats opende voor hem hare poorten. Zijn leger was geheel en al uitgeput en een week lang dwaalde het rond over het veld, binnen de kleine uitgestrektheid, die de vijand hun openliet. De Prins zag geen ander redmiddel dan in een terugtocht. Bij den reeds naderenden winter verlangden zijn Duitsche benden naar huis. Terug over de Maas bij Luik scheen de eenige overgebleven weg. Doch evenmin als de prins-bisschop van Luik in October, trots alle pogingen van ’s Prinsen vrienden, Oranje had gesteund, wilde hij hem thans helpen. De toegang tot de stad werd hem geweigerd.De poging om Luik in te nemen geschiedde eigenlijk met het doel, dáár de winterkwartieren op te slaan en tegen de vervolging van Alva verschanst te zijn. Oranje’s belofte aan de muitende ruiters, dat zij zich, zoodra hij in de stad was met plundering van kerken en van ’t paleis konden schadeloos stellen, wordt terecht veroordeeld en “zijn brieven aan den bisschop en het kapittel geschreven, waren rauwe weerklanken van de ontstemdheid zijner ziel.”Van een ernstig beleg van Luik kon met het achtervolgend leger van Alva geen sprake zijn. Oranje wist zeer goed, dat zulk een stad als zij haar verdediging voortzette, niet dan door een langdurig en moeitevol beleg kon worden gedwongen. Na drie dagen vechten trokken de troepen van den Prins af. Het eenige dat thans noodzakelijk scheen, was: zooveel mogelijk manschappen bijeen te houden als een kern voor de krijgsverrichtingen der aanstaande lente. Hij besloot zich op Fransch grondgebied terug te trekken en de Hugenoten daar hulp te verschaffen. De Duitschers wilden echter niet de Fransche grenzen over. Met een deel van zijn leger nam Oranje toen zijn weg door Namen en Henegouwen; aan kerkroof, plundering en brandstichting bezondigden zich ook op dezen tocht weer de woeste Hugenoten. Doch met snelle marschen ging het voort—want Alva’s troepen volgden het leger van den Prins op de hielen. Op den 12enNovember had er tusschen de voorhoede van Alva en de achterhoede van den Prins een bloedige schermutseling plaats te Quesnoy, waarbij vooral Alva’s troepen groot verlies leden. “Het was de schitterendste daad van den veldtocht en bij het verlaten van het land een vermaning, wat deze dapperen zouden vermogen als zij te eeniger tijd onder gelukkiger gesternte, terugkeerden.” Volgens Alva werd die overwinning bloedig bij Kamerijk gewroken, kort voor den dag, 17 November, dat het leger van den Prins de Fransche grenzen overtrok.En toen was hij op bekenden grond. Daar had hij tien jaar geleden deFransche grens ten behoeve van zijn ouden en nieuwen meester geruimen tijd bewaakt. En thans bevond hij zich in diezelfde streken in gewapenden, maar hopeloozen toestand tegen dien vorst, wiens regeering zoo uitstekend was begonnen en die onlangs den dappersten aanvoerder van dien krijg, wien hij zijn schitterendste overwinning te danken had, met den dood eens misdadigers had betaald.Treurig, diep treurig zag het er met zijn leger uit. Een brief van Jan van Nassau, die steeds de krijgsmacht zijns broeders had vergezeld en er mede in Frankrijk kwam, is een sprekend getuige van de innerlijke ellende, waaraan het leger ten prooi was. Oranje voerde het leger naar Picardië, ten einde het te vereenigen met de benden, die Condé tegen den koning te velde had gebracht.De koninklijke Fransche troepen onder maarschalk de Cossé hielden het oog op ’s Prinsen leger en volgden dezelfde tactiek daartegenover als Alva gedaan had. De Cossé echter was te zwak om veel nadeel te berokkenen. Hij stelde zich tevreden met formeel tegen de gewapende verschijning van den Prins op Fransch grondgebied te protesteeren. Nog bleef de Prins moed houden bij het denkbeeld, dat hij zich met Condé kon vereenigen; te meer omdat deze aan Oranje’s ruiters dubbele betaling beloofde. Er heerschte echter weerzin tegen de voortzetting van den krijg. De Prins trachtte nog door een pakkende rede den Duitschers den gezamenlijke dienst met de Hugenoten aan te prijzen, maar de meesten, den krijg moede, verlangden naar huis. Driftig antwoordde daarop Oranje, dat ze hem dan den weg naar Duitschland maar moesten wijzen, hij wist er geen.Die weg werd hun echter door de Fransche regeering gebaand. Want in naam van Karel IX gaf maarschalk Gaspar de Schomberg te kennen, dat zij vrijen doortocht door Frankrijk konden verkrijgen, maar dat de koning het zeer vreemd vond, dat de Prins met zulk een groot en machtig leger op zijn grondgebied was gekomen. Oranje antwoordde daarop, dat hij geen kwade bedoelingen had, maar alleen aan Z. Majesteit een goeden dienst wilde bewijzen. Die dienst bestond daarin, dat hij zijn koninklijke onderdanen wilde helpen tegen pauselijke onderdrukking.Die brief is ook daarom merkwaardig, omdat niet alleen het laatste spoor van gehechtheid aan “notre vraie et ancienne religion” er uit is verwijderd, maar ook omdat de Prins daarin van volledige tolerantie tegenover alle Christenen getuigt. Eerlijke overtuigingen moesten zich overal vrij kunnen uiten en daarom meende hij Karel een goeden dienst te bewijzen, door zijn onderdanen te helpen tegen geestelijke onderdrukking. Doch het hooge standpunt, waarop de Prins zich daarin plaatste, baatte hem niet veel. Hij had gehoopt, zich bij Condé en de zijnen aan te sluiten en het gevolg van de komst van den maarschalk van Schomberg was, dat velen zijner ruiters de zijde der Geuzen verlieten, dat anderen zich lieten overhalen, om in het leger des konings over te gaan, terwijl nog anderen te hardnekkiger op hun betaling aandrongen. Er schoot den Prins niets anders over dan den uitweg door Frankrijk, hem aangeboden, aan te nemen; hij voerde zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij het ontbond. Dit zelfs kon hij niet bereiken, zonder zijne muitende soldaten gedeeltelijk met het geld, van zijn tafelzilver gemaakt, te voldoen, gedeeltelijk zich persoonlijk tehunner beschikking te stellen, als hij zonder voldoende sommen van zijn veldtocht in Frankrijk terugkeerde. Die veldtocht werd in het voorjaar van 1569 ondernomen en herstelde zijn goeden naam als krijgsoverste.Door den bevrijdingstocht van 1568 had hij dien naam niet omhoog gehouden. “De tocht over de Maas was wel een der eerste, maar geenszins een der luisterrijkste pogingen ter herwinning der verloren rechten en zij levert een duistere bladzijde in onze geschiedenis. De kansen schenen gekeerd, de rollen gewisseld: de beradenheid en gematigdheid bleven aan de zijde van Alva; de misrekening en radeloosheid aan die van den Prins; dapperheid en tucht zegevierden ditmaal met de Spanjaarden over de teugelloosheid en den moedwil der bevrijders. Hoe aanzienlijk ook de macht was, door den Prins te velde gebracht; hoe ze ook de geringschatting zijner vijanden beschaamde.... toch was het later zichtbaar, dat de toegevloeide hulpmiddelen, nauwelijks genoeg een krijg te beginnen, te kort schoten om dien voort te zetten. Hieruit bleek dat Oranje’s macht verre beneden de maat zijner groote ontwerpen was.”Het was inderdaad een bedroevende tocht geweest. Mocht, kon hij rekenen op het openen van de poorten der Brabantsche steden? Hij heeft het gedaan en was zeer terneergeslagen over die teleurstelling. Maar ook die tegenslag had een schakel moeten zijn van de keten zijner overleggingen. Hij had de krijgskunst van Alva moeten kennen, die hij thans bij ervaring leerde en die, wel verre van zich met hem te willen meten in het open veld, hem met het oog op den aanstaanden winter en het aanstaand gebrek, niets deed dan afmatten. De vreeselijkste maatregelen nam hij tevens tegen allen onderstand van burgers en boeren, waarop de Prins had gerekend.De tocht van 1568 was mislukt, maar met instemming herhalen wij, wat Bakhuizen van den Brink aan het slot van zijn studie over dit tijdstip schrijft: “Voor de glorie van Alva week de zaak der vrijheid in een duistere schaduw terug. Die schaduw breidde zich over haar hoofd, over Willem van Oranje uit. Wij stelden hem voor, zooals wij hem vonden: door misrekening bedrogen, door het ongeluk vervolgd, door zijn noodlot medegesleept, ongeduldig, neerslachtig, wrevelig. En toch is op het jaar 1568 het jaar 1572 gevolgd. Wat verbond beide tijdpunten? Het genie van den man zijner eeuw; het genie, dat geen nevel van ongeluk of zwakheid zóó kon omhullen, of het koesterde nog den goeden moed in het hart zijner aanhangers.”Donkere dagen zouden nog volgen, maar het licht in Oranje’s gemoed nooit gebluscht, zou het licht ook weder ontsteken in ons arm vaderland.1“Nu of nooit, herwinnen of sterven.”
Hoofdstuk XII.Gewapend verzet. 1568.Hoe werkzaam en ijverig de winter van 1567 op 1568 door den Prins in Dillenburg moet zijn doorgebracht, kan ook bij gemis van aaneengeschakelde berichten daaromtrent, uit het vervolg worden opgemaakt. Om toch het plan te verwezenlijken, dat in het voorjaar werd uitgevoerd, was inspanning van alle krachten noodig. Niet alleen moest Oranje door middel van dagelijksche briefwisseling de Duitsche vorsten tot hulp en steun opwekken, niet alleen met de hoofden der Hugenoten in Frankrijk en met de Nederlanders, die naar Engeland een goed heenkomen gezocht hadden, zich in verbinding stellen, maar bovenal moesten zijn agenten geheel Nederland doorreizen, om geldelijke hulp voor de aan te werven troepen te verkrijgen. En het plan was meesterlijk ontworpen; het bedoelde van verschillende kanten te gelijk een inval in de Nederlanden te doen.Terwijl een afdeeling van Hugenoten onder de Coqueville een aanval op Artois zou wagen en er van den zeekant hulp verwacht werd van de uitgewekenen naar Engeland, zou Lodewijk van Nassau Groningen binnendringen, terwijl Hoogstraten in Gelre zou vallen en Roermond trachten meester te worden om den weg te banen voor den Prins, die met het grooter leger zou volgen.Ongelukkig waren reeds voor het eind van April twee van die voorgestelde expedities geheel mislukt. De 800 man, die de Coqueville had geworven, werden door den maarschalk de Cossé in St. Valéry gedreven en overwonnen, terwijl de aanvoerder zijn onoverlegde onderneming met het leven boette.De legerafdeeling, die onder Hoogstraten in Gelre zou vallen, doch die wegens ziekte van dien graaf, door den heer de Villers was aangevoerd, werd bij de poging om Roermond te nemen, door d’Avila bij Daelhem verslagen en geheel vernietigd. De gevangen genomen de Villers werd door zijn mededeelingen aan den vijand ook mede de aanleiding dat ’s Prinsen eigen tocht later zoo jammerlijk mislukte. Want Oranje’s zeer geheim gehouden plannen werden toen aan Alva bekend.De derde inval in het Noorden, onder Lodewijk van Nassau, had wel in den aanvang meer succes, maar eindigde toch ook met den totalen ondergang van zijn leger.Daar die tocht met de volgende gebeurtenissen het naast in verband staat, mogen de bijzonderheden daarvan ook in de levensbeschrijving van den Prins niet ontbreken.Op den 6enApril had de Prins de commissiebrieven geteekend, waarbij aan Lodewijk vergunning werd gegeven, om op ’s Prinsen naam troepen te verzamelen. Hij koos het slecht verdedigd Noorden, op het oogenblik dat de stadhouder van Groningen, Aremberg, afwezig was, als het meest geschikte punt van den aanval. Met 4000 man, die zich in korten tijd vol geestdrift onder zijn aanvoering stelden, met het devies: “Nunc aut nunquam, recuperare aut mori,”1trok de dappere veldheer op den 24enApril de grenzen bij Wedde over en verraste Arembergs kasteel aldaar. Vandaar trok hij naar Appingedam, waar hij zich met zijn jongeren broeder Adolf vereenigde, die een kleine ruiterij bij zich had. Te Wedde, Appingedam en Slochteren richtte Lodewijk zijn standaards op en tallooze zwervers en avonturiers voegden zich daarbij.Allereerst had men het op Groningen gemunt. Zijn bedoeling was, die stad in zijn macht te krijgen, dan Friesland in opschudding te brengen en vandaar over zee naar Holland te trekken. Doch niets van dat alles gelukte. Hij eischte van Groningen, zich te scharen onder de vaan van de zaak der vrijheid. Geen ijdel avontuur jaagde hij na, maar de begeerte, om de arme Christenen van het land te redden, had hem daarheen gebracht. Indien de overheid hem niet hielp, dan moest hij ze beschouwen als vijanden van het land en van den koning. Want ook hier maakte hij gebruik van de fictie, dat hij vocht ten behoeve van Filips tegen de tirannie van Alva en de zijnen. De Groningers echter weigerden en ze zonden hem alleen een som gelds, niet zoozeer uit sympathie voor zijn zaak, als wel om een mogelijken aanval op de stad af te koopen.Aremberg, die in het Zuiden was, werd toen het gerucht van Lodewijks inval in Groningen Alva ter oore kwam, met ongeveer 4000 man, waarvan 2500 Spanjaarden, onmiddellijk Lodewijk te gemoet gezonden, terwijl de graaf van Meghen met 1500 volgde. Zeer gering scheen dus de hoop op succes voor de ongeoefende, saamgeraapte troepen van den dapperen aanvoerder, die bovendien zelf geheel ongeoefend was in den krijg.Op den 20enMei kampeerden de Spanjaarden bij een klooster op 2 mijlen afstand van Appingedam. Meghen nam zijn stelling bij Wedde met 8 compagnieën voetvolk en 400 paarden, hopende aldus van twee zijden Lodewijks leger te kunnen aanvallen. Toen deze dit gehoord had, besloot hij aanstonds den vijand te voorkomen. Doch zijn troepen sloegen aan het muiten; ze werden slecht betaald en wilden hem eerst niet helpen. Toch slaagde Lodewijk door smeeken en bidden er in, hen over te halen hem nog eenige dagen te helpen.Op den 23enMei nam hij toen zijn stelling in den omtrek van het klooster van Heiligerlee. Op deze plek was de grond hoog, maar omringd door uitgestrekte moerassen. Voor hen, die onbekend waren met het land, was dit bijzonder gevaarlijk, want op de plaats, waar de turf uit het veen was gesneden, dreef een dik bruin schuim aan de oppervlakte, dat er als aarde uitzag en dus zeer geschikt was, om hen, die daarop niet bedacht waren, te verrassen.Terwijl Lodewijk met zijn broeder Adolf in het klooster aan den maaltijd zat, werd hij door een boer gewaarschuwd, dat Aremberg op den nauwen straatweg, die Heiligerlee alleen met den vasten grond verbond, naderde. Hoewel Aremberg zelf eerst begreep, dat hij daar geen slag kon leveren, werd hij echter, naar men zegt, door zijn soldaten, die den ordeloozen troep van Lodewijk minachtten, daartoe genoodzaakt.Vol moed vloog zijn voorhoede, de Spaansche afdeeling, op de beide carrés van den vijand in en Lodewijks voorposten weken terug. Doch dat terugwijken was een krijgslist; de Spanjaarden, die hen vervolgden, zaten in een oogenblik in het moeras en werden toen zoo van alle kanten bestookt, dat slechts een klein gedeelte den dood ontkwam. Tegelijkertijd werd de achterhoede van Arembergs leger, uit Duitschers samengesteld, plotseling in den rug door het eene carré van Lodewijk, dat achter den heuvel was omgetrokken, aangegrepen en uiteengedreven. Nog trachtte Aremberg de kans te doen keeren. Met zijn kleine ruiterbende en 400 man viel hij aan op de nog nietiger ruiterij van Lodewijk. Op haar beurt werd deze uiteengejaagd, terwijl hun aanvoerder, Adolf van Nassau door Aremberg zelf met een pistoolschot en sabelhouw op het hoofd werd gedood. De overwinning was dus wel groot geweest, maar het geslacht Nassau had zijn eerste menschenoffer aan het Spaansche monster gebracht. Ook Aremberg sneuvelde.Omtrent den dood der beide mannen schrijft Prof. Fruin: “Terwijl het voetvolk op den veengrond handgemeen raakte, begonnen op den weg de ruiters van weerszijden te schermutselen. Adolf van Nassau bereed dien dag een vurig, jong paard, dat zeker nog niet aan het slaggewoel gewend, door het knallen van het geschut en geschal der trompetten verschrikt, niet te regeeren was, en, toen de schermutseling begon, met zijn berijder doorging en hem midden onder den vijand voerde. Tevergeefs zocht Adolf het paard met zweep en sporen te bedwingen om naar de zijnen terug te rijden; het bleef steigeren en voorwaarts dringen. Al dichter werd hij door de vijandelijke ruiters omringd en moedig strijdende viel hij weldra onder hun slagen eer de zijnen hem konden ontzetten. Dat hij niet weerloos was afgemaakt, toonden na den slag de vele lijken van vijanden die om hem lagen. Hij was de eerste Nassau, die strijdende voor de vrijheid van Nederland het leven liet, een jong man van groote verwachting, maar te jong gestorven om te toonen wie hij was. Zijn dood wierp over de vreugde van de overwinning, althans voor den veldheer, een somber floers.Aan den anderen kant was vooral het lot van Aremberg te betreuren. Van de geestdrift en blijde hoop, waarmee hij den slag had aangevangen, was hij in niet veel meer dan een uur tot de diepste wanhoop vervallen. Het leger, dat hem was toevertrouwd, had hij voor zijn oogen, onder zijn bevel, door verachte rebellen zien slaan en vernielen. Terwijl alles rechts en links wegvluchtte, bleef hij nog altijd op het slagveld omdwalen. Eindelijk bezon hij zich en ging de vluchtenden volgen, maar te laat, de onzen waren hem reeds op de hielen. In zijn volle harnas, op zijn afgemat strijdros gezeten, kon hij zoo hard niet voort. Bij het overspringen van een hek miste zijn paard en stortte neer; eer hij het had opgeholpen, had hemreeds een der vervolgers, een balling uit Amsterdam, een kogel tusschen het harnas en het helmet in den nek geschoten. Aan ontkomen viel niet meer te denken, zijn vervolgers omringden hem reeds.“Ik ben de graaf van Aremberg, neem mij gevangen,” riep hij hun toe. Maar zijn naam en rang konden hem niet beveiligen. “Dan zijt gij de man, dien ik zoek,” was het antwoord van den wraakzuchtigen Geus en met het roer, dat hij in de hand hield, bracht hij den weerlooze een slag toe, die hem den helm deed afvallen. In een oogenblik was het dus ontwapende hoofd onder tal van slagen verbrijzeld.In de verwachting op een ruime belooning voor hun heldendaad, brachten de moordenaars de blijde tijding en het paard van den verslagene ten bewijze, aan Lodewijk van Nassau. Maar zij werden teleurgesteld. “Hadt mij den man levend gebracht!” kregen zij ten antwoord, “nu het gebeurd is, kan ik u echter voor uw daad niet straffen.” Aan het lijk bewees de overwinnaar de eer, waarop de doode recht had; hij liet het in de gewijde aarde van Heiligerlee begraven. Zoo eindigde de graaf van Aremberg, die eens met Oranje en Egmond en zoo veel anderen tegen Granvelle had saamgespannen, maar, later van partij veranderd, de regeering vervolgens trouw had bijgestaan. Hij was de eerste der Nederlandsche grooten, die aan de zijde der Spanjaarden tegen de bevrijders van zijn vaderland sneuvelde.”De overwinning was schitterend, maar de machtigste bondgenoot van Lodewijk tegen de Spaansche veteranen was de bedriegelijke grond geweest en daarbij waren hare resultaten zeer teleurstellend. Want al had hij ookhonderdenSpanjaarden gedood, al was dit op zich zelf een groote gebeurtenis—inderdaad had hij geen enkele stad genomen en niet zooveel buit veroverd, om zijn huurlingen tevreden te stellen, terwijl daarbij zijn jongere broeder voor altijd was heengegaan.“Wat moest Lodewijk nu doen? De Prins raadde hem, zich òf in Delfzijl, of in Appingedam te werpen en daar den uitslag van zijn eigen bewegingen in het Zuiden af te wachten, òf zich dwars door Friesland naar Enkhuizen te begeven en dan Holland in opstand te brengen.”Had Lodewijk dien raad gevolgd, waarschijnlijk zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop hebben genomen; maar hij sloeg dien raad in den wind—legerde zich den 10enJuni voor Groningen, een onbezonnen werk bij de zwakheid van zijn leger en den muitzieken geest zijner soldaten. Een memorandum van hem aan den Prins bevat een tamelijk optimistische beschrijving van den toestand in zijn leger. Een groote maand lang bleef Lodewijk in de nabijheid van Groningen gelegerd en brandschatte den omtrek om zijn huurlingen bevriend te houden. Ook trachtte hij de Friezen te overreden, zich onder zijne vanen te rangschikken, maar deze, bevreesd voor de naderende komst van Alva in het Noorden, waren daartoe niet te bewegen.Toen de tijding van de nederlaag der Spaansche troepen bij Heiligerlee in Brussel kwam, was Alva woedend, dat zijn beproefde veteranen door ongeoefende mannen, onder leiding van een aankomeling, zonder eenige ervaring, verslagen waren. Hij vervloekte den ongelukkigen Aremberg, die zijn nederlaag met zijn leven had geboet en onmiddellijk nam hij maatregelen.Hij besloot verder geen ondergeschikten te vertrouwen, maar in persoon te velde te trekken en de onbeschaamde rebellen geheel en al te vernietigen. Maar de zaken moesten in Brussel veilig zijn en er moest geen kans bestaan, dat gevangenen van belang in zijn afwezigheid werden bevrijd. Eerst uitte hij zijn toorn in een wilde proclamatie gedagteekend 28 Mei, waarbij Oranje, Lodewijk, Hoogstraten en anderen op straffe des doods uit het land gebannen werden. Daarop verwoestte hij het paleis van Culemborg in Brussel, waar het merkwaardig feest was gevierd en er werd op die plaats een zuil opgericht, als een herinnering aan de verschrikkelijke samenzwering, die binnen zijn hallen was tot stand gekomen. Hoogstraten zond aan den Prins berichten omtrent een en ander, die een koerier uit Brussel hem zelf had overgebracht.Tallooze executies hadden er in de eerste dagen van Juni plaats; den 1enwerden achttien aanzienlijke gevangenen op de markt te Brussel ter dood gebracht en op den 2enJuni viel het hoofd van graaf de Villers, die na zijn nederlaag bij Daelhem, zelfs niet door zijn bekentenissen en mededeelingen omtrent Oranje’s plannen, zijn leven had kunnen redden.Nu werd ook het lot van Egmond en Hoorne beslist. Zooals wij zagen waren ze reeds spoedig na de komst van Alva gevangen genomen. Dit was op zeer listige wijze geschied. “Op den 9enSeptember (1567),” zoo verhaalt Motley, “gaf de groot-prior Don Ferdinand een prachtig gastmaal, waarop Egmond en Hoorne benevens Noircarmes, de burggraaf van Gent en vele andere edelen, genoodigd waren. Het feest werd verlevendigd door de muziek van Alva’s eigen garde, die hij gezonden had om het gezelschap te vermaken. Om drie uur liet hij de heeren verzoeken na afloop van het maal hem aan zijn woning (het huis van Jauche) met hun gezelschap te vereeren, daar hij hen wenschte te raadplegen over het plan der citadel, die hij voornemens was te Antwerpen te stichten.Op dit oogenblik fluisterde de groot-prior, naast Egmond gezeten, hem in: “verlaat oogenblikkelijk deze plaats, heer graaf; neem het snelste paard uit uw stal en ga op de vlucht, zonder een oogenblik te verzuimen.”Uiterst ontsteld en zich de menigvuldige voorspellingen en waarschuwingen herinnerende, die hij in den wind geslagen had, stond Egmond van tafel op en begaf zich naar het aangrenzend vertrek. Hij werd door Noircarmes en twee andere heeren gevolgd, aan wie zijn ontroering niet ontglipt was en die nieuwsgierig waren, er de oorzaak van te vernemen.De graaf deelde hun de geheimzinnige woorden, die de groot-prior hem zooeven toegefluisterd had mede en voegde er bij, dat hij besloten was, dien raad zonder tijdverlies op te volgen.“Ha! graaf!” riep Noircarmes uit, “stel toch niet zoo losweg zulk een blind vertrouwen in dien vreemdeling, die u ten kwade raadt. Wat zal de hertog van Alva, wat zullen de Spanjaards zeggen van zulk een overhaaste vlucht? Zullen zij niet meenen dat uwe Excellentie als een schuldige gevlucht is? Zal men die vlucht niet houden voor eene bekentenis van hoogverraad?”Indien deze woorden werkelijk door Noircarmes gesproken zijn (en dat zij het werden, daarvoor hebben wij het getuigenis van een Waalsch edelman, die met Egmonds vrienden en met de geheele katholieke partij voortdurend gemeenschap hield), leveren zij een nieuw bewijs van het boosaardig en wreed karakter van den man. Zijne vermaning besliste het lot van den wankelmoedigen Egmond. Van tafel opgestaan met het voornemen om den raad van een edelmoedigen Spanjaard te volgen, die zijn leven op het spel had gezet om zijn vriend te redden, keerde hij nu terug, gehoorzaam den trouweloozen raad opvolgend van een Vlaamsch edelman en de welgemeende waarschuwing van een vreemdeling met onverschilligheid bejegenend, om weder te gaan aanzitten aan het laatste gastmaal, dat hij bijwonen zou.Toen tegen vier uur het middagmaal afgeloopen was, begaven zich Hoorne en Egmond, vergezeld van de andere heeren naar het huis van Jauche, door Alva bewoond, om deel te nemen aan de voorgestelde beraadslagingen. Zij werden door den hertog met groote beleefdheid ontvangen. Een ingenieur Pietro Urbino spreidde over de tafel een perkamenten rol uit, waarop het plan van de te bouwen citadel was aangegeven. Weldra ontspon zich hierover een warme woordenwisseling, waaraan Egmond, Hoorne, Noircarmes, met de ingenieurs Urbino en Pacheco deelnamen. Na een poos verliet de hertog van Alva het vertrek, onder voorgeven van een plotselinge ongesteldheid, het gezelschap verdiept in het onderwerp achterlatend.Toen men omstreeks zeven uur ’s avonds uit elkander ging, verzocht Don Sancho d’Avila, hopman van ’s hertogs lijfwacht, aan Egmond om een oogenblik te blijven, daar hij hem iets had mede te deelen. Na een paar onbeduidende opmerkingen, vroeg de Spaansche hopman, zoo ras als hij met Egmond alleen was, hem zijn degen af. Ontroerd en, niettegenstaande al wat er voorafgegaan was, toch nog verbaasd, wist de graaf nauwelijks wat te antwoorden. Don Sancho verklaarde andermaal, dat hij last gekregen had om den graaf in hechtenis te nemen en eischte opnieuw zijn degen. Tegelijk werden de deuren van het aangrenzend vertrek geopend en zag Egmond zich omringd door een vendel Spaansche musketiers en hellebaardiers. Zoo in den val geraakt, gaf hij zijn degen over, met een bitter verwijt dat die den koning ten minste eenige diensten bewezen had in thans verleden en vergeten dagen.Hij werd nu naar eene kamer op de bovenverdieping van het huis gebracht, voorloopig tot gevangenis voor hem ingericht. De vensters waren versperd, het daglicht buitengesloten, het gansche vertrek met zwart behangen. Hier bleef hij veertien dagen, van den 9entot den 23enSeptember, zonder dat het hem vergund werd, met zijn vrienden eenige gemeenschap te houden. Dag en nacht was zijn kamer met kaarsen verlicht; hij werd onder het diepste zwijgen door Spaansche knechten bediend en door Spaansche soldaten bewaakt; de hopman der wacht trok telkens te middernacht het bedgordijn open en wekte hem uit den slaap, opdat de officier, die hem kwam aflossen, zich van ’s graven tegenwoordigheid overtuigen zou.Graaf Hoorne werd bij dezelfde gelegenheid, toen hij het binnenplein overging, door hopman Salinas in hechtenis genomen. In een andere kamer van het huis opgesloten, onderging hij dezelfde behandeling als Egmond. Op den 23enSeptember zouden beide edelen onder sterke bedekking naar de citadel van Gent vervoerd worden.Hier bleven Egmond en Hoorne maanden in gevangenschap, toen de gebeurtenissen in het Noorden ook het einde dezer droevige tragedie kwamen verhaasten.Den 3enJuni werden de graven van Egmond en Hoorne in een wagen van Gent naar Brussel gevoerd, onder bedekking van tien vendels voetvolk en een kornet ruiterij en op het Broodhuis, recht tegenover het stadhuis op de groote markt van Brussel, gevangen gezet. Den 4enJuni verklaarde Alva plechtig, dat hij alle stukken en documenten in zake Egmond en Hoorne had onderzocht en sprak hij het doodvonnis uit over de gevangenen als medeplichtigen van Oranje, als beschermers der verbonden edelen en als afvalligen van den waren godsdienst.Alva zond de stukken, van handteekening en zegel voorzien, aan den Raad van Beroerten, die het vonnis, reeds voor Alva’s vertrek uit Spanje door Filips geteekend, moest bekrachtigen. Dat de bloedraad het vonnis goedkeurde is te begrijpen, te meer daar het geheele rechtsgeding aan twee der meest beruchte leden Vargas en del Rio was opgedragen geweest. Of er geen behoorlijkgerechtelijkverhoor had plaats gehad en de rechtbank onbevoegd was, het deed er niet toe, evenmin dat de gevangenen geen verdedigers hadden gehad en zij zich al beriepen als Ridders van het Gulden Vlies op het privilege van die orde om volgens hare statuten verhoord te worden, het deed alles niets ter zake; het vonnis was reeds in Madrid gewezen, vóór nog de aangeklaagden te Brussel in hechtenis genomen werden.Toen het bevel tot onmiddellijke terechtstelling van Egmond aan zijn vrouw bekend werd, snelde deze naar den man, die het lot van haar gemaal in handen had en smeekte hem ootmoedig om genade. Naar het verhaal luidt, zou Alva met ongelooflijk kalmen spot de gravin gerust gesteld hebben met de verzekering, dat haar echtgenoot den volgenden dag zeker zou uitgaan! ’t Is wel terecht, dat men om de eer der menschheid dit verhaal gaarne voor verdicht zou houden.Den 5enJuni werd het doodvonnis aan de beide graven voltrokken. “Gedurende den nacht,” zoo verhaalt Motley, “had men op de groote markt te Brussel alles voor het treurspel van den volgenden ochtend in gereedheid gebracht. Het was het doel der regeering om het volk schrik aan te jagen door een indrukwekkend en ontzettend schouwspel: de onbeperkte en van alle verantwoording ontheven macht, die over het land heerschte, zou zich openbaren in het dooden dier beide mannen, zoo verheven in rang, zoo aanzienlijk vermaagschapt en die zulke uitstekende diensten hadden bewezen.De indruk zou nog verhoogd worden door het eigenaardige van de plek, waar dit treurspel plaats had. Treffend was en is nog altijd de groote markt van Brussel. De bouworde der huizen, die haar insluiten, heeft de bewonderende blikken, van vele geslachten tot zich getrokken. Het prachtig stadhuis met zijn trotschen toren en rijk versierden gevel, bekleedt een der zijden van het plein en recht daar tegenover verrees grillig van stijl, maar toch bevallig, het Broodhuis, de laatste verblijfplaats op aarde van de twee aanzienlijke slachtoffers, terwijl tusschen deze hoofdgebouwen de fantastische gildehuizen prijkten der boogschutters, schippers en anderen met hunne gebeeldhouwde muren en trapgevels, zinnebeelden en versierselen. Het plein was het tooneel van menige bloedige terechtstelling geweest. Wakkere ridders hadden hier gekampt, aangevuurd door schoone oogen, die vandie schilderachtige balkons en uit die sierlijke vensters op hen neerzagen. Martelaars voor godsdienstige en staatkundige vrijheid hadden op diezelfde plaats folteringen verduurd, die zelfs de steenen, waarmee zij geplaveid was, tot opstand hadden moeten aanzetten of tot deernis bewegen. Hier had Egmond zelf in gelukkiger dagen den prijs van behendigheid en stoutheid weggedragen en aller oogen tot zich getrokken en hier zou zijn door schitterende daden opgeluisterd leven nog in den bloeitijd afgesneden worden door de hand der dwingelandij.Een·Prince·van·groter·machten / Den·Grave·van·Egmont / Als·een·schaep·ginc·ter·slachten—M·D·L·XIII· V·juniIn den morgen van den 5enJuni schaarden zich drie duizend Spaansche krijgslieden rondom het schavot, dat te midden van het plein was opgericht. Op dat schavot, met zwart laken bekleed, werden twee fluweelen kussens, twee ijzeren spietsen en een tafeltje met een zilveren kruisbeeld geplaatst. De provoost-maarschalk Spelle aan den voet van ’t schavot te paard, met de roode roede in de hand, droomde weinig dat hem een nog vreeselijker lot wachtte, dan hetgeen hij thans hielp volvoeren. De scherprechter was achter de bekleeding van het schavot verborgen.Om elf uur kwamen Juliaan Romero en kapitein Salinas met een compagnie Spaansche krijgsknechten in Egmonds kamer. De graaf stond gereed. Men wilde hem de handen binden, maar hij kwam driftig tegen dien smaad op, sloeg zijn tabbaard open en toonde hun, hoe hij zelf de kragen van zijn kleederen afgesneden en alles voor zijn dood gereed gemaakt had. Nu ging Egmond door den bisschop vergezeld, met vasten stap den korten weg naar de gerechtsplaats over. Juliaan Romero volgde met de wacht. Onderweg las hij overluid den een-en-zestigsten psalm: “O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed!”Hij scheen dit gedeelte uitgekozen te hebben als om te bewijzen hoe, in weerwil van de lagen zijner vijanden en den wreeden dood waartoe zij hem gebracht hadden, de trouw aan zijn vorst bij hem even diep ingeworteld en even heilig was, als de eerbied voor God. “Gij zult dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden.” Ziedaar het opmerkelijk gebed van den man, als een verrader veroordeeld, op zijn weg naar het blok.Toen hij het schavot beklommen had, stapte hij het twee of driemalen in de rondte. Hij droeg een tabbaard van rood damast, waarover een zwart met goud bestikt manteltje hing. Hij had een zwartzijden hoed met zwarte en witte pluimen op en hield een zakdoek in de hand. Terwijl hij zoo op en neerliep, betuigde hij, hoe bitter het hem speet, dat hem niet vergund was, met den degen in de hand, in den strijd voor land en koning te sterven. Hoopvol tot het laatst toe, vroeg hij driftig aan Romero, of het vonnis inderdaad onherroepelijk was en of er niet nog kwijtschelding kon verleend worden. Juliaan haalde de schouders op en mompelde een ontkennend antwoord: Toorniger dan wanhopend knarste Egmond op de tanden; maar hij herstelde zich spoedig, wierp zijn tabbaard en mantel af en nam de orden van het Gulden Vlies van den hals. Toen knielde hij op een der kussens neder, zeide luid het Onze Vader op en verzocht den bisschop die naast hem nederknielde, dit driewerf te herhalen. Nu gaf de kerkvoogd hem het zilveren kruisbeeld te kussen en sprak daarop den zegen over hem uit. Degraaf stond weder op, legde zijn hoed en zakdoek weg, knielde andermaal op het kussen, trok een kapje over zijne oogen, vouwde de handen en riep met luider stem: “Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.” Toen trad plotseling de scherprechter te voorschijn en hieuw het hoofd met een enkelen slag af.Op den slag volgde een oogenblik van huiveringwekkende stilte: de gansche menigte scheen dien in het hart gevoeld te hebben. Tranen vloeiden uit de oogen, zelfs van de Spaansche soldaten, want zij kenden en achtten Egmond als een dapper veldheer. De Fransche gezant Mondoucet, die het schriktooneel uit een verborgen plaats gadesloeg, fluisterde, dat hij nu het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had. Men zag zelfs tranen op de ijzeren wang van Alva, terwijl hij uit een venster van een huis, recht tegenover het schavot gelegen het moordtooneel aanzag.Ras wierp men een zwart laken over het lichaam en het bloed, en na weinige oogenblikken zag men den admiraal naderen. Zijn kale schedel was ongedekt. Zijne handen waren los. Hij groette bedaard de kennissen, die hij onderweg opmerkte. Onder een zwarten mantel, dien hij afwierp zoodra hij het schavot beklommen had, droeg hij een eenvoudig zwart wambuis, maar niet, zooals Egmond, de orde van het Gulden Vlies. Met een blik op het lijk onder het zwarte laken vroeg hij, of dat het lichaam van Egmond was. Toen dit bevestigend beantwoord werd, mompelde hij eenige woorden in het Spaansch. Daarop zag hij zijn eigen omgekeerd wapenschild en hij drukte zijne verontwaardiging uit over deze verguizing van zijn wapen, met de betuiging, dat hij dien hoon niet verdiend had. Toen sprak hij eenige woorden tot de menigte, wenschte ieder heil toe en verzocht voor zijn ziel te bidden. Hij kuste het kruisbeeld niet, maar knielde op het schavot neder om zijn gebed te doen en werd daarin door den bisschop van Yperen bijgestaan. Daarna stond hij weder op, trok een milaneesche kap geheel over het gelaat, uitte in het Latijn dezelfde aanroeping als Egmond en legde den hals op het blok.”Het vonnis was voltrokken.Gansch Europa voelde den schok door die misdaad aan het publiek geweten berokkend. Al had Filips II geen enkele andere onrechtvaardigheid bedreven, die beide doodvonnissen waren voldoende, hem als een wreed tiran te brandmerken.Omtrent vele historische gebeurtenissen is de opinie in den loop der 19eeeuw gewijzigd, maar nooit is er eenige verandering gekomen in de algemeene veroordeeling van de gruwelijke gerechtelijke moorden van den 5enJuni 1568.Kort daarop vertrok Alva zelf naar het Noorden, om den dood van Aremberg op de geuzen te wreken en het leger van Lodewijk van Nassau met zijn veteranen te vernietigen. Deze had met al zijn geestdrift en energie niets kunnen uitwerken gedurende de weken die op zijn overwinning volgden. De buit te Heiligerlee veroverd, had voor een korte wijle zijn soldaten bevredigd, maar toendie was uitgeput, bestonden de eenige inkomsten van zijn leger in hetgeen nolens-volens van de arme bewoners van het land kon worden opgeëischt.Zoo jammerlijk was de toestand, dat de ridderlijke Lodewijk zelf op den 5enJuni eene proclamatie uitvaardigde, waarbij allen, die weigerden hulp te verleenen, bedreigd werden met het verbranden hunner huizen. Door middel van zulke bedreigingen kreeg hij af en toe kleine sommen gelds, zoodat hij eindelijk een 10.000 fl. had verzameld. Het arme volk was er wel ongelukkig aan toe. Alva had reeds te veel bewijzen van zijn krijgsmanskunst gegeven, dan dat men eenige hoop kon voeden, dat Lodewijk zelfs met hun hulp, hem ’t hoofd zou kunnen bieden. Ze wisten dat Alva kwam, om Aremberg te wreken en dat ze van hem geenerlei genade te wachten hadden en hun vrees werd spoedig verdubbeld door de proclamaties, die Alva aan de kerkdeuren liet slaan, waarin hij verbood eenigen onderstand aan de rebellen te geven, onder bedreiging van tweemaal zooveel aan de Spanjaarden te zullen moeten afstaan.Wel zag het er dus slecht met den toestand van Lodewijks leger uit, toen Alva reeds naderde. Dat leger was buitendien zeer moeilijk in bedwang te houden. Alleen door voortdurende persoonlijke opwekkingen van den aanvoerder kon de jonge leider zijn troepen bijeenhouden en tegen muiterij bewaren. De strijdmacht was kort te voren door 800 Walen, 600 ruiters en groote benden uitgewekenen, die de Eems overkwamen versterkt; zoo bedroeg het leger omstreeks 12000 man. Deze legermacht vereenigde hij in zijn kamp voor Groningen, toen de nadering van den Hertog zeker was. Op den 14enJuli bereikte Alva met 17000 man de stad en deed onmiddellijk een aanval op Lodewijks leger. De Duitsche huurlingen hielden slechts een oogenblik stand en togen op de vlucht; ze werden nagejaagd door een gedeelte van Alva’s troepen en 300 man sneuvelden of kwamen in de grachten om.Alva meende, dat reeds het geheele leger was verslagen en schreef dien nacht aan den Raad van State dat hij twijfelde, of hij nog een soldaat zou vinden, als hij hen den volgenden dag verder achterna ging jagen. Den 20enJuli bevond Alva zich aan de Eems, waar hij bij Jemmingen Lodewijk in een zeer ongunstige stelling aantrof. Deze bevond zich namelijk met zijn leger op een schiereiland, door de Eems en de Dollart gevormd; op die ongelukkige plaats begonnen daarbij zijn huurlingen hun loon te eischen. In welsprekende bewoordingen deed Lodewijk hun gevoelen, dat overwinnen hun eenige kans was. Omringd door de Eems, de zee, de Dollart en de Spanjaarden, was het ontkomen aan dien vierdubbelen vijand onmogelijk. Het krijgsvolk liet zich door die onweersprekelijke feiten tot gehoorzaamheid bewegen, maar er was door den woordentwist te veel tijd verloren gegaan. Als de dijken bijtijds waren doorstoken, dan ware redding mogelijk geweest. Nu nam te elfder ure Lodewijk zelf de spade ter hand, om zijn soldaten door zijn voorbeeld te bezielen. Doch het was te laat. De Spaansche voorhoede, 1500 man sterk, te 10 uur op het terrein verschijnende, maakte zich van de dijken meester en het leger van Lodewijk trok in wanorde terug, achtervolgd door de voorhoede des vijands.Nog eenmaal vatten de benden van den graaf moed. Doch plotseling kwam Alva zelf met de hoofdmacht opzetten en al deed Lodewijk persoonlijk wonderenvan dapperheid, er volgde een ijzingwekkende slachting. De aanvoerder kon slechts zijn leven redden, door naakt over de Eems te zwemmen. Meer dan de helft van zijn leger was gedood, slechts enkele honderden volgden Lodewijk naar Duitschland, waar hij nog den zomer in het Noorden bleef, om met hulp eener half toegezegde Engelsche vloot, den vijand uit Emden nadeel te kunnen toebrengen.Men kan zich den schrik voorstellen, die de Dillenburgsche familie verpletterde op het hooren van die tijding. Oranje, die toen een leger van 20.000 man bij elkander had, was op dit oogenblik in Straatsburg, gereed om in het Zuiden een inval te doen, terwijl Alva in het Noorden werd bezig gehouden. Doch er was gebeurd, wat Oranje had voorzien.Hij had zijn broeder gewaarschuwd, niet voor Groningen te blijven, maar zijn raad was door den jongen, onbedachtzamen man in den wind geslagen, die met meer geestdrift dan oordeel had gehandeld. Stap voor stap was Lodewijk, zonder de kosten te berekenen, voorwaarts gegaan en bij zijn jammerlijke nederlaag toonde de oudere broeder een geduld en een zelfbeheersching, die den moed en de drijfkracht van den jongeren evenaarde.Nauwelijks had Lodewijk zich het water van de onvriendelijke Eems van de blonde haren geschud, of hij schreef aan Taffin, een predikant der Hervormde Kerk, die toen juist bezig was, gelden in Engeland voor de bevrijding der Nederlanden te verzamelen. Deze moest vooral hulp vragen aan de Nederlandsche vluchtelingen in Londen, Norwich en Colchester; in de laatste plaats waren ongeveer 2500 gevluchte geloofsgenooten en hij werd verzocht, alles in het werk te stellen, opdat de Engelsche schepen toch spoedig te hulp zouden komen. De volgende brief van Oranje aan Lodewijk geeft een getrouwe schets van den toestand en vergunt ons een blik te werpen in het karakter van den Zwijger.31 JuliMijn Broeder,Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van het jammerlijk ongeval, u op den 21endezer maand overkomen, om verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande, daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen, bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods hulp verder te gaan en hoop op den 8ender maand Augustus op de plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats, die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven, of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen, opdezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd, zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt, waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is, met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is, naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen, dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt, zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke onderneming uit te voeren; want van onzen kant—wij kunnen niet te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken, gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.Uw zeer liefhebbende broedersteeds tot Uw dienst bereid,WILLEM VAN NASSAU.Het postscriptum luidt:Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden, zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten, wat daar plaats heeft.Stelt deze brief ons geheel op de hoogte van den toenmaligen toestand, hij doet ons niet minder een blik werpen in het innerlijke leven van den Prins vanOranje in het jaar 1568. En dan weten we niet, wat meer te bewonderen, zijn ongebroken moed, zijn bedachtzaamheid of zijn uitnemende zachtmoedigheid tegenover Lodewijk. Geen woord van verwijt komt er uit zijn pen tegenover zijn broeder, die ongetwijfeld zeer dapper in het noorden was geweest, maar geheel in strijd met ’s Prinsen raad had gehandeld. In plaats daarvan niets dan krachtige opwekking tot vernieuwde handeling, verlangen naar zijn broederlijke tegenwoordigheid en herhaalde aanmaning tot voorzichtigheid tegenover den vijand.Die stemming is het geweest, waaruit zooveel goeds voor ons land is geboren; een stemming, die daarbij uit innig vertrouwen en geloof ontwaakte, dat hooger macht hem aangordde. Zijn kalme berusting in den wil dier macht, ook al scheen die nog zoo donker en raadselachtig, was niet minder dan zijn vast vertrouwen, voortgekomen uit het geloof, dat als zijn persoonlijk eigendom in hem begon te ontwaken. Welk een kracht lag er besloten in dit korte en fiere zeggen: “Ik ben besloten met Gods hulp voort te gaan.”De beide nederlagen van Daelhem en Jemmingen hadden ten gevolge, dat de lichtingen van den Prins van Oranje in Duitschland niet meer dat succes hadden als in de eerste dagen, toen hij in Dillenburg kwam. De keurvorst van de Paltz toonde nog wel eenige ondersteuning door aan de Nederlandsche ballingen toe te staan, eenige oude kloosters in zijn land te bezetten, doch andere Duitsche vrienden begonnen zich ernstig te verzetten tegen zijn verdere plannen.Augustus van Saksen beval in naam van den keizer den Prins aan, geen verdere vijandige maatregelen tegen den koning te nemen. De keizer zelf, die Oranje’s militaire preperatieven afkeurde en die waarschijnlijk door invloed van Filips was bewerkt, beproefde zelfs formeel de lichtingen van Oranje te verhinderen. Hij schreef op den 12enMei aan den Keurvorst van Saksen, hem te verzoeken de voorbereidende oorlogsmaatregelen van zijn aangehuwden neef te beletten. Hij kon binnen zijn jurisdictie geene vijandige pogingen tegen den koning openlijk toestaan. Zelfs gebood de keizer Oranje in diezelfde maand uitdrukkelijk, op te houden met zijn lichtingen, uit vrees dat de gevoelens van zijn Spaanschen neef zouden worden gekrenkt.Oranje antwoordde daarop in een langen brief en herhaalde de argumenten zijner justificatie, terwijl hij verklaarde wel degelijk in zijn recht te zijn. Ook andere, mindere vorsten van het rijk trachtten den Prins te bewegen, van zijn plannen af te zien. Willem van Hessen schreef riemen papier vol, om Oranje te overtuigen van zijn dwazen strijd en ging eindelijk zoover, dat hij elke hulp weigerde en zelfs geen enkel zijner officieren toestond, den Prins te vergezellen, den Prins, die “machteloos was tegenover zulk een machtig potentaat als Filips, dien we steeds een goeden en milden vorst (!) hebben hooren noemen.”Hoe gelukkig, dat Oranje bij zooveel flauwhartigheid en tegenwerking in zijn eerste vaderland, ergens anders niet tevergeefs naar ondersteuning uitzag. Zijn onderhandelingen met de Fransche protestanten leidden tot een verbond met een hunner erkende leiders, n.l. Coligny.De Fransche burgeroorlogen van die jaren verdienen om een dubbele redenonze volle belangstelling. Ten eerste streden de Hugenoten voor dezelfde zaak als hier te lande de Geuzen. Ook zij wilden godsdienstvrijheid verwerven. En ten andere hebben die godsdienstoorlogen in Frankrijk sedert het begin van onzen opstand een grooten invloed op de toestanden in de Nederlanden uitgeoefend. Dit zagen we reeds vroeger, zelfs tijdens het voorspel van den 80-jarigen oorlog, toen de strijd tegen Granvelle gelijk stond met den strijd der Hugenoten tegen den kardinaal van Lotharingen.Wij zullen van nu af in het leven van den Prins van Oranje steeds weder ontdekken hoe groot de wisselwerking was. Nog altijd streden de Hugenoten in 1568 en 1569 om het verkrijgen van die godsdienstvrijheid, die hun in 1570 werd toegestaan, toen hun als waarborg daarvoor vier veiligheidsplaatsen werden ingeruimd. Onder de dappere leiding van Condé en den admiraal Coligny werd die bange strijd daar gestreden. Welnu, Oranje had daarvoor een wijd geopend oog en zijn onderhandelingen hadden een verbond ten gevolge.In naam van Louis de Bourbon, Prins van Condé, Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk en Willem van Nassau, Prins van Oranje, verscheen er in Augustus 1568 een proclamatie waarin zij verklaarden, “dat ze hunne krachten zouden vereenigen, om de onbillijke inbreuk, die gemaakt werd op de vrijheid van geweten in de Nederlanden en in Frankrijk, te weerstaan.” Het bleef van beide zijden een strijd in naam en ten bate van de vorsten, tegen hunne slechte raadgevers en leiders. “Afin que rien ne se fasse au dommage de nos princes.” De onderlinge hulp, die werd toegezegd, strekte zich zoover uit, dat wanneer het God behaagde, de eene partij niet zou ophouden hulp te geven aan de andere (ne laisseront de secourir l’autre partie, comme si ils étaient en la même peine).Niettegenstaande het verzet tegen den Prins van vriend en vijand, voelde hij zich door dat verbond sterk en we kunnen ons begrijpen, met hoeveel blijden moed hij den 31enAugustus 1568 zijn manschappen, thans ten getale van ongeveer 13 à 14000 monsterde. Hij had de stemming in Brabant door tal van welsprekende vlugschriften laten bewerken. “De scherpe verklaringe ende uutschrift” tegen Alva; de “waarschouwingen des Princen van Orangien en zijn getrouwe vermaninge” vlogen in tallooze exemplaren, in het fransch en in de volkstaal door het land. Zijn manifesten “à tous capitains, hommes d’armes et autres bons et vaillants soldats” en zijn “fidelle exhortation aux inhabitans des Pais-Bas” vonden vele lezers. Half September rukte hij op van den Rijn naar de Maas. Op zijn vanen stond geschreven:Pro lege, rege, greged. i.:Voor de wet, den koning en het volk.Ook voor den koning. Op den dag der wapenschouwing, 31 Augustus, vaardigde hij eene formeele proclamatie, als hoofd van het leger ten behoeve van den koning, uit. Daarin komen o. a. de volgende woorden voor:“Wij roepen alle loyale onderdanen van de Nederlanden op, om tot ons te komen en te helpen. Laat ze de onbehoorlijke strengheid der wetten en het gevaar van zich te onderwerpen aan een schandelijke slavernij en van den ondergang van den Evangelischen godsdienst goed ter harte nemen. Alleen dan, wanneer Alva in zijn loop zal zijn gestuit, kunnen de gewesten hopen, het vrije bestuursrecht en den voorspoed te zullen genieten.”De opwekking tot alle inwoners der Nederlanden bevatte tot motto de woorden uit het boek der Spreuken, hoofdstuk 10 vers 28–30: “De hoop des rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan. De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen.”Aan vertrouwen op de rechtvaardigheid der zaak, die de Prins voorstond, ontbrak het dus niet. Had hij een daaraan geëvenaard vertrouwen op de duurzaamheid van stoffelijke hulp kunnen koesteren, dit ware nog beter geweest. Maar helaas! gering waren de inkomsten, die den Prins ten deel vielen. Beloften waren gemakkelijker te geven dan baar geld, maar zelfs die beloften waren niet warm. Enkele der armste hervormde gemeenten gaven van hunne geringe middelen nog het meest.In September was het geheele leger in de provincie Trier bij het klooster Romersdorf gekampeerd. Ook daar voegden zich nog steeds nieuwe officieren bij hem. De keus dier officieren was niet altijd gemakkelijk in zulk een staat van zaken als waarin de Prins verkeerde. Op zulk een oogenblik moeten de leiders vaak nemen, wat ze krijgen kunnen en krijgen ze niet wat ze noodig hebben. Naar ’s Prinsen smaak waren lang niet alle officieren, die hun diensten kwamen aanbieden, evenmin als Washington in den onafhankelijkheidsoorlog van Amerika tevreden was met al zijn kapiteins, die hij toch noodig had. Onder deze minder aangename bondgenooten behoorde zeker ook Lumey, graaf van der Marck, met een bende onafhankelijke troepen. Een zijner voorouders droeg den bijnaam van het wilde zwijn der Ardennen en hij was een dito exemplaar. Hij had gezworen, zich nimmer te laten scheren noch het haar te laten snijden, voor Egmonds dood was gewroken.Met dit leger, uit zoo verscheiden bestanddeelen saamgesteld en van welks welslagen de geheele zaak scheen af te hangen, trok de Prins eerst naar de buurt van Keulen, met het voornemen Luik voor zich te winnen; maar daar was men te bevreesd voor Alva’s troepen en had men te weinig vertrouwen in ’s Prinsen legermacht; hij gaf dat plan dus op en was spoedig daarop in den omtrek van Maastricht.Het is niet te verwonderen, dat er allerlei verhalen bestaan omtrent dezen tocht van den Prins. Behalve de gewone brieven schreef Alva’s officieele secretaris o. a. eenRélation de l’expédition du Prince d’Orange dans les Pays-Bas.De overtocht bij Stockhem over de Maas is vooral een hoogst merkwaardige gebeurtenis uit dien tocht geweest. Deze had op den 7enOctober plaats; ze wekte de verbazing van Alva op, die aan de overzijde van de Maas gelegerd was. Hij sprak de merkwaardige woorden: “Is dan het leger van den Prins een vlucht wilde ganzen?” Volgens sommigen had de Prins dien wonderlijken overtocht over de Maas daardoor kunnen volbrengen, dat hij een zware massa ruiterij als een dam in de rivier plaatste, waardoor de stroom eenigszins werd gebroken en het voetvolk gelegenheid werd geboden, door de rivier te trekken. Anderen spreken van een brug, waarover de artillerie ging, nadat de ruiterij en voetvolk door de rivier waren getrokken. Doch hoe dan ook volbracht, Oranje trok thans Brabantin tot bij Tongeren en hij hoopte òf Alva tot een slag te bewegen òf in de Brabantsche steden achter zijn rug oproer te kunnen verwekken. Maar in die plannen werd hij door de houding van den Hertog geheel teleurgesteld.’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)Alva’s talent als krijgsaanvoerder lag vooral in zijn bekwaamheid, een gelegenheid, hoe die ook was, aan te grijpen. Door zoogenaamde militaire regels werd hij nooit in de war gebracht. Hij was een aanhanger van de militaire politiek van Fabius Cunctator, den geweldigen bestrijder van Hannibal. In Juli was een slag een besliste noodzakelijkheid geweest. De Geuzen hadden een overwinning behaald, die een grooten indruk op het volk maakte. Zoo die beweging niet met krachtige hand werd gestuit, zou het volk niet meer in toom zijn te houden. Thans was echter de toestand geheel anders. In Alva’s handen was de overwinning. Het was October en de vraag naar winterkwartieren voor een leger, dat tot geen bepaald grondgebied behoorde en dat niet door de schatkist werd ondersteund, werd van ernstig gewicht. Kon de Hertog zijn vijanden slechts ophouden, totdat het weer hen noodzaakte, een schuilplaats te zoeken dan zouden ze gedwongen worden zich te verstrooien en ook de Prins zou dan weer alleen zijn.Aan den anderen kant was een veldslag voor de patriotten van groote beteekenis. Eene overwinning zou de schande van Jemmingen uitwisschen en den zuinigen Nederlandschen kooplieden den moed geven om hun guldens aan de kans van een laatste succes te wagen. Daarom trachtte de Prins den Hertog tot een slag te dwingen. Doch tevergeefs! Een geheele maand hield de Hertog de verbitterde rebellen op de pijnbank. De Prins was verplicht in dien tijd 20 maal van kamp te veranderen en elken keer verscheen de Hertog weer aan zijn zijde, zoodat ze dikwijls binnen elkanders schot waren.Alva zorgde, dat overal de zeilen en de steenen der molens werden weggenomen en er dus geen middel bestond om het koren te malen. Hij verbood niet alleen den boeren eenig proviand in de kampen der rebellen te brengen, maar verwoestte zelfs alle huizen en dorpen, die mogelijkerwijze den patriotten tot schuilplaats konden verstrekken. De soldaten werden ten uiterste verbitterd en ontevreden. Het voetvolk miste schoenen; allen leden honger en kou. Geen lichtstraal van hoop aanschouwden ze; was het wonder, dat zij tot muiterij oversloegen? Eens, terwijl Oranje bezig was een oproer te dempen, werd zijn zwaard van zijn zijde weggeschoten. Zijn drie broeders, Lodewijk, Jan en Hendrik, allen stonden hem van harte ter zijde en waren aan hetzelfde gevaar van vriend en vijand blootgesteld.Ondertusschen was Alva als een dwaallicht van Tongeren naar St. Truyen en van daar naar Jokoigne gegaan. Gaarne had hij den vijand door een moerasstreek geleid en hem alzoo een valstrik gespannen, maar het terrein was goed en Oranje kende het door en door; steeds verder drong hij Alva’s jurisdictie binnen.De Hugenoten waren in dien tijd onder Genlis de Maas bij Charlemont overgetrokken. Op den 21enof 22enOctober vereenigde deze Fransche edelman aan het hoofd van 4 à 5000 voetknechten zich met de troepen van den Prins. Bij het riviertje de Geete had Alva den laatsten op 20 October den overtocht betwist. Hoogstraten, die met 3000 man de achterhoede vormde, werd jammerlijk geslagenen ontving zelf eene wonde, waaraan hij kort daarop overleed. Ook De Hames en andere edelen vonden daar hun graf.Twee dagen daarna vereenigden zich de Hugenoten met den Prins, doch niets was daardoor gewonnen, want ook dit was een bandelooze troep, een woeste bende, die de heilige kerksieraden op hun weg geroofd, ten spot op de hoeden droeg. Hun aankomst berokkende meer schade dan voordeel. De Franschen brachten niets dan nieuwe behoeften mede. “Waar er vroeger één van honger en gebrek omkwam, daar stierven er thans twee.”Slechts op een paar mijlen afstands was Oranje van Brussel, maar geen enkele plaats opende voor hem hare poorten. Zijn leger was geheel en al uitgeput en een week lang dwaalde het rond over het veld, binnen de kleine uitgestrektheid, die de vijand hun openliet. De Prins zag geen ander redmiddel dan in een terugtocht. Bij den reeds naderenden winter verlangden zijn Duitsche benden naar huis. Terug over de Maas bij Luik scheen de eenige overgebleven weg. Doch evenmin als de prins-bisschop van Luik in October, trots alle pogingen van ’s Prinsen vrienden, Oranje had gesteund, wilde hij hem thans helpen. De toegang tot de stad werd hem geweigerd.De poging om Luik in te nemen geschiedde eigenlijk met het doel, dáár de winterkwartieren op te slaan en tegen de vervolging van Alva verschanst te zijn. Oranje’s belofte aan de muitende ruiters, dat zij zich, zoodra hij in de stad was met plundering van kerken en van ’t paleis konden schadeloos stellen, wordt terecht veroordeeld en “zijn brieven aan den bisschop en het kapittel geschreven, waren rauwe weerklanken van de ontstemdheid zijner ziel.”Van een ernstig beleg van Luik kon met het achtervolgend leger van Alva geen sprake zijn. Oranje wist zeer goed, dat zulk een stad als zij haar verdediging voortzette, niet dan door een langdurig en moeitevol beleg kon worden gedwongen. Na drie dagen vechten trokken de troepen van den Prins af. Het eenige dat thans noodzakelijk scheen, was: zooveel mogelijk manschappen bijeen te houden als een kern voor de krijgsverrichtingen der aanstaande lente. Hij besloot zich op Fransch grondgebied terug te trekken en de Hugenoten daar hulp te verschaffen. De Duitschers wilden echter niet de Fransche grenzen over. Met een deel van zijn leger nam Oranje toen zijn weg door Namen en Henegouwen; aan kerkroof, plundering en brandstichting bezondigden zich ook op dezen tocht weer de woeste Hugenoten. Doch met snelle marschen ging het voort—want Alva’s troepen volgden het leger van den Prins op de hielen. Op den 12enNovember had er tusschen de voorhoede van Alva en de achterhoede van den Prins een bloedige schermutseling plaats te Quesnoy, waarbij vooral Alva’s troepen groot verlies leden. “Het was de schitterendste daad van den veldtocht en bij het verlaten van het land een vermaning, wat deze dapperen zouden vermogen als zij te eeniger tijd onder gelukkiger gesternte, terugkeerden.” Volgens Alva werd die overwinning bloedig bij Kamerijk gewroken, kort voor den dag, 17 November, dat het leger van den Prins de Fransche grenzen overtrok.En toen was hij op bekenden grond. Daar had hij tien jaar geleden deFransche grens ten behoeve van zijn ouden en nieuwen meester geruimen tijd bewaakt. En thans bevond hij zich in diezelfde streken in gewapenden, maar hopeloozen toestand tegen dien vorst, wiens regeering zoo uitstekend was begonnen en die onlangs den dappersten aanvoerder van dien krijg, wien hij zijn schitterendste overwinning te danken had, met den dood eens misdadigers had betaald.Treurig, diep treurig zag het er met zijn leger uit. Een brief van Jan van Nassau, die steeds de krijgsmacht zijns broeders had vergezeld en er mede in Frankrijk kwam, is een sprekend getuige van de innerlijke ellende, waaraan het leger ten prooi was. Oranje voerde het leger naar Picardië, ten einde het te vereenigen met de benden, die Condé tegen den koning te velde had gebracht.De koninklijke Fransche troepen onder maarschalk de Cossé hielden het oog op ’s Prinsen leger en volgden dezelfde tactiek daartegenover als Alva gedaan had. De Cossé echter was te zwak om veel nadeel te berokkenen. Hij stelde zich tevreden met formeel tegen de gewapende verschijning van den Prins op Fransch grondgebied te protesteeren. Nog bleef de Prins moed houden bij het denkbeeld, dat hij zich met Condé kon vereenigen; te meer omdat deze aan Oranje’s ruiters dubbele betaling beloofde. Er heerschte echter weerzin tegen de voortzetting van den krijg. De Prins trachtte nog door een pakkende rede den Duitschers den gezamenlijke dienst met de Hugenoten aan te prijzen, maar de meesten, den krijg moede, verlangden naar huis. Driftig antwoordde daarop Oranje, dat ze hem dan den weg naar Duitschland maar moesten wijzen, hij wist er geen.Die weg werd hun echter door de Fransche regeering gebaand. Want in naam van Karel IX gaf maarschalk Gaspar de Schomberg te kennen, dat zij vrijen doortocht door Frankrijk konden verkrijgen, maar dat de koning het zeer vreemd vond, dat de Prins met zulk een groot en machtig leger op zijn grondgebied was gekomen. Oranje antwoordde daarop, dat hij geen kwade bedoelingen had, maar alleen aan Z. Majesteit een goeden dienst wilde bewijzen. Die dienst bestond daarin, dat hij zijn koninklijke onderdanen wilde helpen tegen pauselijke onderdrukking.Die brief is ook daarom merkwaardig, omdat niet alleen het laatste spoor van gehechtheid aan “notre vraie et ancienne religion” er uit is verwijderd, maar ook omdat de Prins daarin van volledige tolerantie tegenover alle Christenen getuigt. Eerlijke overtuigingen moesten zich overal vrij kunnen uiten en daarom meende hij Karel een goeden dienst te bewijzen, door zijn onderdanen te helpen tegen geestelijke onderdrukking. Doch het hooge standpunt, waarop de Prins zich daarin plaatste, baatte hem niet veel. Hij had gehoopt, zich bij Condé en de zijnen aan te sluiten en het gevolg van de komst van den maarschalk van Schomberg was, dat velen zijner ruiters de zijde der Geuzen verlieten, dat anderen zich lieten overhalen, om in het leger des konings over te gaan, terwijl nog anderen te hardnekkiger op hun betaling aandrongen. Er schoot den Prins niets anders over dan den uitweg door Frankrijk, hem aangeboden, aan te nemen; hij voerde zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij het ontbond. Dit zelfs kon hij niet bereiken, zonder zijne muitende soldaten gedeeltelijk met het geld, van zijn tafelzilver gemaakt, te voldoen, gedeeltelijk zich persoonlijk tehunner beschikking te stellen, als hij zonder voldoende sommen van zijn veldtocht in Frankrijk terugkeerde. Die veldtocht werd in het voorjaar van 1569 ondernomen en herstelde zijn goeden naam als krijgsoverste.Door den bevrijdingstocht van 1568 had hij dien naam niet omhoog gehouden. “De tocht over de Maas was wel een der eerste, maar geenszins een der luisterrijkste pogingen ter herwinning der verloren rechten en zij levert een duistere bladzijde in onze geschiedenis. De kansen schenen gekeerd, de rollen gewisseld: de beradenheid en gematigdheid bleven aan de zijde van Alva; de misrekening en radeloosheid aan die van den Prins; dapperheid en tucht zegevierden ditmaal met de Spanjaarden over de teugelloosheid en den moedwil der bevrijders. Hoe aanzienlijk ook de macht was, door den Prins te velde gebracht; hoe ze ook de geringschatting zijner vijanden beschaamde.... toch was het later zichtbaar, dat de toegevloeide hulpmiddelen, nauwelijks genoeg een krijg te beginnen, te kort schoten om dien voort te zetten. Hieruit bleek dat Oranje’s macht verre beneden de maat zijner groote ontwerpen was.”Het was inderdaad een bedroevende tocht geweest. Mocht, kon hij rekenen op het openen van de poorten der Brabantsche steden? Hij heeft het gedaan en was zeer terneergeslagen over die teleurstelling. Maar ook die tegenslag had een schakel moeten zijn van de keten zijner overleggingen. Hij had de krijgskunst van Alva moeten kennen, die hij thans bij ervaring leerde en die, wel verre van zich met hem te willen meten in het open veld, hem met het oog op den aanstaanden winter en het aanstaand gebrek, niets deed dan afmatten. De vreeselijkste maatregelen nam hij tevens tegen allen onderstand van burgers en boeren, waarop de Prins had gerekend.De tocht van 1568 was mislukt, maar met instemming herhalen wij, wat Bakhuizen van den Brink aan het slot van zijn studie over dit tijdstip schrijft: “Voor de glorie van Alva week de zaak der vrijheid in een duistere schaduw terug. Die schaduw breidde zich over haar hoofd, over Willem van Oranje uit. Wij stelden hem voor, zooals wij hem vonden: door misrekening bedrogen, door het ongeluk vervolgd, door zijn noodlot medegesleept, ongeduldig, neerslachtig, wrevelig. En toch is op het jaar 1568 het jaar 1572 gevolgd. Wat verbond beide tijdpunten? Het genie van den man zijner eeuw; het genie, dat geen nevel van ongeluk of zwakheid zóó kon omhullen, of het koesterde nog den goeden moed in het hart zijner aanhangers.”Donkere dagen zouden nog volgen, maar het licht in Oranje’s gemoed nooit gebluscht, zou het licht ook weder ontsteken in ons arm vaderland.1“Nu of nooit, herwinnen of sterven.”
Hoe werkzaam en ijverig de winter van 1567 op 1568 door den Prins in Dillenburg moet zijn doorgebracht, kan ook bij gemis van aaneengeschakelde berichten daaromtrent, uit het vervolg worden opgemaakt. Om toch het plan te verwezenlijken, dat in het voorjaar werd uitgevoerd, was inspanning van alle krachten noodig. Niet alleen moest Oranje door middel van dagelijksche briefwisseling de Duitsche vorsten tot hulp en steun opwekken, niet alleen met de hoofden der Hugenoten in Frankrijk en met de Nederlanders, die naar Engeland een goed heenkomen gezocht hadden, zich in verbinding stellen, maar bovenal moesten zijn agenten geheel Nederland doorreizen, om geldelijke hulp voor de aan te werven troepen te verkrijgen. En het plan was meesterlijk ontworpen; het bedoelde van verschillende kanten te gelijk een inval in de Nederlanden te doen.
Terwijl een afdeeling van Hugenoten onder de Coqueville een aanval op Artois zou wagen en er van den zeekant hulp verwacht werd van de uitgewekenen naar Engeland, zou Lodewijk van Nassau Groningen binnendringen, terwijl Hoogstraten in Gelre zou vallen en Roermond trachten meester te worden om den weg te banen voor den Prins, die met het grooter leger zou volgen.
Ongelukkig waren reeds voor het eind van April twee van die voorgestelde expedities geheel mislukt. De 800 man, die de Coqueville had geworven, werden door den maarschalk de Cossé in St. Valéry gedreven en overwonnen, terwijl de aanvoerder zijn onoverlegde onderneming met het leven boette.
De legerafdeeling, die onder Hoogstraten in Gelre zou vallen, doch die wegens ziekte van dien graaf, door den heer de Villers was aangevoerd, werd bij de poging om Roermond te nemen, door d’Avila bij Daelhem verslagen en geheel vernietigd. De gevangen genomen de Villers werd door zijn mededeelingen aan den vijand ook mede de aanleiding dat ’s Prinsen eigen tocht later zoo jammerlijk mislukte. Want Oranje’s zeer geheim gehouden plannen werden toen aan Alva bekend.
De derde inval in het Noorden, onder Lodewijk van Nassau, had wel in den aanvang meer succes, maar eindigde toch ook met den totalen ondergang van zijn leger.Daar die tocht met de volgende gebeurtenissen het naast in verband staat, mogen de bijzonderheden daarvan ook in de levensbeschrijving van den Prins niet ontbreken.
Op den 6enApril had de Prins de commissiebrieven geteekend, waarbij aan Lodewijk vergunning werd gegeven, om op ’s Prinsen naam troepen te verzamelen. Hij koos het slecht verdedigd Noorden, op het oogenblik dat de stadhouder van Groningen, Aremberg, afwezig was, als het meest geschikte punt van den aanval. Met 4000 man, die zich in korten tijd vol geestdrift onder zijn aanvoering stelden, met het devies: “Nunc aut nunquam, recuperare aut mori,”1trok de dappere veldheer op den 24enApril de grenzen bij Wedde over en verraste Arembergs kasteel aldaar. Vandaar trok hij naar Appingedam, waar hij zich met zijn jongeren broeder Adolf vereenigde, die een kleine ruiterij bij zich had. Te Wedde, Appingedam en Slochteren richtte Lodewijk zijn standaards op en tallooze zwervers en avonturiers voegden zich daarbij.
Allereerst had men het op Groningen gemunt. Zijn bedoeling was, die stad in zijn macht te krijgen, dan Friesland in opschudding te brengen en vandaar over zee naar Holland te trekken. Doch niets van dat alles gelukte. Hij eischte van Groningen, zich te scharen onder de vaan van de zaak der vrijheid. Geen ijdel avontuur jaagde hij na, maar de begeerte, om de arme Christenen van het land te redden, had hem daarheen gebracht. Indien de overheid hem niet hielp, dan moest hij ze beschouwen als vijanden van het land en van den koning. Want ook hier maakte hij gebruik van de fictie, dat hij vocht ten behoeve van Filips tegen de tirannie van Alva en de zijnen. De Groningers echter weigerden en ze zonden hem alleen een som gelds, niet zoozeer uit sympathie voor zijn zaak, als wel om een mogelijken aanval op de stad af te koopen.
Aremberg, die in het Zuiden was, werd toen het gerucht van Lodewijks inval in Groningen Alva ter oore kwam, met ongeveer 4000 man, waarvan 2500 Spanjaarden, onmiddellijk Lodewijk te gemoet gezonden, terwijl de graaf van Meghen met 1500 volgde. Zeer gering scheen dus de hoop op succes voor de ongeoefende, saamgeraapte troepen van den dapperen aanvoerder, die bovendien zelf geheel ongeoefend was in den krijg.
Op den 20enMei kampeerden de Spanjaarden bij een klooster op 2 mijlen afstand van Appingedam. Meghen nam zijn stelling bij Wedde met 8 compagnieën voetvolk en 400 paarden, hopende aldus van twee zijden Lodewijks leger te kunnen aanvallen. Toen deze dit gehoord had, besloot hij aanstonds den vijand te voorkomen. Doch zijn troepen sloegen aan het muiten; ze werden slecht betaald en wilden hem eerst niet helpen. Toch slaagde Lodewijk door smeeken en bidden er in, hen over te halen hem nog eenige dagen te helpen.
Op den 23enMei nam hij toen zijn stelling in den omtrek van het klooster van Heiligerlee. Op deze plek was de grond hoog, maar omringd door uitgestrekte moerassen. Voor hen, die onbekend waren met het land, was dit bijzonder gevaarlijk, want op de plaats, waar de turf uit het veen was gesneden, dreef een dik bruin schuim aan de oppervlakte, dat er als aarde uitzag en dus zeer geschikt was, om hen, die daarop niet bedacht waren, te verrassen.
Terwijl Lodewijk met zijn broeder Adolf in het klooster aan den maaltijd zat, werd hij door een boer gewaarschuwd, dat Aremberg op den nauwen straatweg, die Heiligerlee alleen met den vasten grond verbond, naderde. Hoewel Aremberg zelf eerst begreep, dat hij daar geen slag kon leveren, werd hij echter, naar men zegt, door zijn soldaten, die den ordeloozen troep van Lodewijk minachtten, daartoe genoodzaakt.
Vol moed vloog zijn voorhoede, de Spaansche afdeeling, op de beide carrés van den vijand in en Lodewijks voorposten weken terug. Doch dat terugwijken was een krijgslist; de Spanjaarden, die hen vervolgden, zaten in een oogenblik in het moeras en werden toen zoo van alle kanten bestookt, dat slechts een klein gedeelte den dood ontkwam. Tegelijkertijd werd de achterhoede van Arembergs leger, uit Duitschers samengesteld, plotseling in den rug door het eene carré van Lodewijk, dat achter den heuvel was omgetrokken, aangegrepen en uiteengedreven. Nog trachtte Aremberg de kans te doen keeren. Met zijn kleine ruiterbende en 400 man viel hij aan op de nog nietiger ruiterij van Lodewijk. Op haar beurt werd deze uiteengejaagd, terwijl hun aanvoerder, Adolf van Nassau door Aremberg zelf met een pistoolschot en sabelhouw op het hoofd werd gedood. De overwinning was dus wel groot geweest, maar het geslacht Nassau had zijn eerste menschenoffer aan het Spaansche monster gebracht. Ook Aremberg sneuvelde.
Omtrent den dood der beide mannen schrijft Prof. Fruin: “Terwijl het voetvolk op den veengrond handgemeen raakte, begonnen op den weg de ruiters van weerszijden te schermutselen. Adolf van Nassau bereed dien dag een vurig, jong paard, dat zeker nog niet aan het slaggewoel gewend, door het knallen van het geschut en geschal der trompetten verschrikt, niet te regeeren was, en, toen de schermutseling begon, met zijn berijder doorging en hem midden onder den vijand voerde. Tevergeefs zocht Adolf het paard met zweep en sporen te bedwingen om naar de zijnen terug te rijden; het bleef steigeren en voorwaarts dringen. Al dichter werd hij door de vijandelijke ruiters omringd en moedig strijdende viel hij weldra onder hun slagen eer de zijnen hem konden ontzetten. Dat hij niet weerloos was afgemaakt, toonden na den slag de vele lijken van vijanden die om hem lagen. Hij was de eerste Nassau, die strijdende voor de vrijheid van Nederland het leven liet, een jong man van groote verwachting, maar te jong gestorven om te toonen wie hij was. Zijn dood wierp over de vreugde van de overwinning, althans voor den veldheer, een somber floers.
Aan den anderen kant was vooral het lot van Aremberg te betreuren. Van de geestdrift en blijde hoop, waarmee hij den slag had aangevangen, was hij in niet veel meer dan een uur tot de diepste wanhoop vervallen. Het leger, dat hem was toevertrouwd, had hij voor zijn oogen, onder zijn bevel, door verachte rebellen zien slaan en vernielen. Terwijl alles rechts en links wegvluchtte, bleef hij nog altijd op het slagveld omdwalen. Eindelijk bezon hij zich en ging de vluchtenden volgen, maar te laat, de onzen waren hem reeds op de hielen. In zijn volle harnas, op zijn afgemat strijdros gezeten, kon hij zoo hard niet voort. Bij het overspringen van een hek miste zijn paard en stortte neer; eer hij het had opgeholpen, had hemreeds een der vervolgers, een balling uit Amsterdam, een kogel tusschen het harnas en het helmet in den nek geschoten. Aan ontkomen viel niet meer te denken, zijn vervolgers omringden hem reeds.
“Ik ben de graaf van Aremberg, neem mij gevangen,” riep hij hun toe. Maar zijn naam en rang konden hem niet beveiligen. “Dan zijt gij de man, dien ik zoek,” was het antwoord van den wraakzuchtigen Geus en met het roer, dat hij in de hand hield, bracht hij den weerlooze een slag toe, die hem den helm deed afvallen. In een oogenblik was het dus ontwapende hoofd onder tal van slagen verbrijzeld.
In de verwachting op een ruime belooning voor hun heldendaad, brachten de moordenaars de blijde tijding en het paard van den verslagene ten bewijze, aan Lodewijk van Nassau. Maar zij werden teleurgesteld. “Hadt mij den man levend gebracht!” kregen zij ten antwoord, “nu het gebeurd is, kan ik u echter voor uw daad niet straffen.” Aan het lijk bewees de overwinnaar de eer, waarop de doode recht had; hij liet het in de gewijde aarde van Heiligerlee begraven. Zoo eindigde de graaf van Aremberg, die eens met Oranje en Egmond en zoo veel anderen tegen Granvelle had saamgespannen, maar, later van partij veranderd, de regeering vervolgens trouw had bijgestaan. Hij was de eerste der Nederlandsche grooten, die aan de zijde der Spanjaarden tegen de bevrijders van zijn vaderland sneuvelde.”
De overwinning was schitterend, maar de machtigste bondgenoot van Lodewijk tegen de Spaansche veteranen was de bedriegelijke grond geweest en daarbij waren hare resultaten zeer teleurstellend. Want al had hij ookhonderdenSpanjaarden gedood, al was dit op zich zelf een groote gebeurtenis—inderdaad had hij geen enkele stad genomen en niet zooveel buit veroverd, om zijn huurlingen tevreden te stellen, terwijl daarbij zijn jongere broeder voor altijd was heengegaan.
“Wat moest Lodewijk nu doen? De Prins raadde hem, zich òf in Delfzijl, of in Appingedam te werpen en daar den uitslag van zijn eigen bewegingen in het Zuiden af te wachten, òf zich dwars door Friesland naar Enkhuizen te begeven en dan Holland in opstand te brengen.”
Had Lodewijk dien raad gevolgd, waarschijnlijk zouden de gebeurtenissen een geheel anderen loop hebben genomen; maar hij sloeg dien raad in den wind—legerde zich den 10enJuni voor Groningen, een onbezonnen werk bij de zwakheid van zijn leger en den muitzieken geest zijner soldaten. Een memorandum van hem aan den Prins bevat een tamelijk optimistische beschrijving van den toestand in zijn leger. Een groote maand lang bleef Lodewijk in de nabijheid van Groningen gelegerd en brandschatte den omtrek om zijn huurlingen bevriend te houden. Ook trachtte hij de Friezen te overreden, zich onder zijne vanen te rangschikken, maar deze, bevreesd voor de naderende komst van Alva in het Noorden, waren daartoe niet te bewegen.
Toen de tijding van de nederlaag der Spaansche troepen bij Heiligerlee in Brussel kwam, was Alva woedend, dat zijn beproefde veteranen door ongeoefende mannen, onder leiding van een aankomeling, zonder eenige ervaring, verslagen waren. Hij vervloekte den ongelukkigen Aremberg, die zijn nederlaag met zijn leven had geboet en onmiddellijk nam hij maatregelen.
Hij besloot verder geen ondergeschikten te vertrouwen, maar in persoon te velde te trekken en de onbeschaamde rebellen geheel en al te vernietigen. Maar de zaken moesten in Brussel veilig zijn en er moest geen kans bestaan, dat gevangenen van belang in zijn afwezigheid werden bevrijd. Eerst uitte hij zijn toorn in een wilde proclamatie gedagteekend 28 Mei, waarbij Oranje, Lodewijk, Hoogstraten en anderen op straffe des doods uit het land gebannen werden. Daarop verwoestte hij het paleis van Culemborg in Brussel, waar het merkwaardig feest was gevierd en er werd op die plaats een zuil opgericht, als een herinnering aan de verschrikkelijke samenzwering, die binnen zijn hallen was tot stand gekomen. Hoogstraten zond aan den Prins berichten omtrent een en ander, die een koerier uit Brussel hem zelf had overgebracht.
Tallooze executies hadden er in de eerste dagen van Juni plaats; den 1enwerden achttien aanzienlijke gevangenen op de markt te Brussel ter dood gebracht en op den 2enJuni viel het hoofd van graaf de Villers, die na zijn nederlaag bij Daelhem, zelfs niet door zijn bekentenissen en mededeelingen omtrent Oranje’s plannen, zijn leven had kunnen redden.
Nu werd ook het lot van Egmond en Hoorne beslist. Zooals wij zagen waren ze reeds spoedig na de komst van Alva gevangen genomen. Dit was op zeer listige wijze geschied. “Op den 9enSeptember (1567),” zoo verhaalt Motley, “gaf de groot-prior Don Ferdinand een prachtig gastmaal, waarop Egmond en Hoorne benevens Noircarmes, de burggraaf van Gent en vele andere edelen, genoodigd waren. Het feest werd verlevendigd door de muziek van Alva’s eigen garde, die hij gezonden had om het gezelschap te vermaken. Om drie uur liet hij de heeren verzoeken na afloop van het maal hem aan zijn woning (het huis van Jauche) met hun gezelschap te vereeren, daar hij hen wenschte te raadplegen over het plan der citadel, die hij voornemens was te Antwerpen te stichten.
Op dit oogenblik fluisterde de groot-prior, naast Egmond gezeten, hem in: “verlaat oogenblikkelijk deze plaats, heer graaf; neem het snelste paard uit uw stal en ga op de vlucht, zonder een oogenblik te verzuimen.”
Uiterst ontsteld en zich de menigvuldige voorspellingen en waarschuwingen herinnerende, die hij in den wind geslagen had, stond Egmond van tafel op en begaf zich naar het aangrenzend vertrek. Hij werd door Noircarmes en twee andere heeren gevolgd, aan wie zijn ontroering niet ontglipt was en die nieuwsgierig waren, er de oorzaak van te vernemen.
De graaf deelde hun de geheimzinnige woorden, die de groot-prior hem zooeven toegefluisterd had mede en voegde er bij, dat hij besloten was, dien raad zonder tijdverlies op te volgen.
“Ha! graaf!” riep Noircarmes uit, “stel toch niet zoo losweg zulk een blind vertrouwen in dien vreemdeling, die u ten kwade raadt. Wat zal de hertog van Alva, wat zullen de Spanjaards zeggen van zulk een overhaaste vlucht? Zullen zij niet meenen dat uwe Excellentie als een schuldige gevlucht is? Zal men die vlucht niet houden voor eene bekentenis van hoogverraad?”
Indien deze woorden werkelijk door Noircarmes gesproken zijn (en dat zij het werden, daarvoor hebben wij het getuigenis van een Waalsch edelman, die met Egmonds vrienden en met de geheele katholieke partij voortdurend gemeenschap hield), leveren zij een nieuw bewijs van het boosaardig en wreed karakter van den man. Zijne vermaning besliste het lot van den wankelmoedigen Egmond. Van tafel opgestaan met het voornemen om den raad van een edelmoedigen Spanjaard te volgen, die zijn leven op het spel had gezet om zijn vriend te redden, keerde hij nu terug, gehoorzaam den trouweloozen raad opvolgend van een Vlaamsch edelman en de welgemeende waarschuwing van een vreemdeling met onverschilligheid bejegenend, om weder te gaan aanzitten aan het laatste gastmaal, dat hij bijwonen zou.
Toen tegen vier uur het middagmaal afgeloopen was, begaven zich Hoorne en Egmond, vergezeld van de andere heeren naar het huis van Jauche, door Alva bewoond, om deel te nemen aan de voorgestelde beraadslagingen. Zij werden door den hertog met groote beleefdheid ontvangen. Een ingenieur Pietro Urbino spreidde over de tafel een perkamenten rol uit, waarop het plan van de te bouwen citadel was aangegeven. Weldra ontspon zich hierover een warme woordenwisseling, waaraan Egmond, Hoorne, Noircarmes, met de ingenieurs Urbino en Pacheco deelnamen. Na een poos verliet de hertog van Alva het vertrek, onder voorgeven van een plotselinge ongesteldheid, het gezelschap verdiept in het onderwerp achterlatend.
Toen men omstreeks zeven uur ’s avonds uit elkander ging, verzocht Don Sancho d’Avila, hopman van ’s hertogs lijfwacht, aan Egmond om een oogenblik te blijven, daar hij hem iets had mede te deelen. Na een paar onbeduidende opmerkingen, vroeg de Spaansche hopman, zoo ras als hij met Egmond alleen was, hem zijn degen af. Ontroerd en, niettegenstaande al wat er voorafgegaan was, toch nog verbaasd, wist de graaf nauwelijks wat te antwoorden. Don Sancho verklaarde andermaal, dat hij last gekregen had om den graaf in hechtenis te nemen en eischte opnieuw zijn degen. Tegelijk werden de deuren van het aangrenzend vertrek geopend en zag Egmond zich omringd door een vendel Spaansche musketiers en hellebaardiers. Zoo in den val geraakt, gaf hij zijn degen over, met een bitter verwijt dat die den koning ten minste eenige diensten bewezen had in thans verleden en vergeten dagen.
Hij werd nu naar eene kamer op de bovenverdieping van het huis gebracht, voorloopig tot gevangenis voor hem ingericht. De vensters waren versperd, het daglicht buitengesloten, het gansche vertrek met zwart behangen. Hier bleef hij veertien dagen, van den 9entot den 23enSeptember, zonder dat het hem vergund werd, met zijn vrienden eenige gemeenschap te houden. Dag en nacht was zijn kamer met kaarsen verlicht; hij werd onder het diepste zwijgen door Spaansche knechten bediend en door Spaansche soldaten bewaakt; de hopman der wacht trok telkens te middernacht het bedgordijn open en wekte hem uit den slaap, opdat de officier, die hem kwam aflossen, zich van ’s graven tegenwoordigheid overtuigen zou.
Graaf Hoorne werd bij dezelfde gelegenheid, toen hij het binnenplein overging, door hopman Salinas in hechtenis genomen. In een andere kamer van het huis opgesloten, onderging hij dezelfde behandeling als Egmond. Op den 23enSeptember zouden beide edelen onder sterke bedekking naar de citadel van Gent vervoerd worden.
Hier bleven Egmond en Hoorne maanden in gevangenschap, toen de gebeurtenissen in het Noorden ook het einde dezer droevige tragedie kwamen verhaasten.
Den 3enJuni werden de graven van Egmond en Hoorne in een wagen van Gent naar Brussel gevoerd, onder bedekking van tien vendels voetvolk en een kornet ruiterij en op het Broodhuis, recht tegenover het stadhuis op de groote markt van Brussel, gevangen gezet. Den 4enJuni verklaarde Alva plechtig, dat hij alle stukken en documenten in zake Egmond en Hoorne had onderzocht en sprak hij het doodvonnis uit over de gevangenen als medeplichtigen van Oranje, als beschermers der verbonden edelen en als afvalligen van den waren godsdienst.
Alva zond de stukken, van handteekening en zegel voorzien, aan den Raad van Beroerten, die het vonnis, reeds voor Alva’s vertrek uit Spanje door Filips geteekend, moest bekrachtigen. Dat de bloedraad het vonnis goedkeurde is te begrijpen, te meer daar het geheele rechtsgeding aan twee der meest beruchte leden Vargas en del Rio was opgedragen geweest. Of er geen behoorlijkgerechtelijkverhoor had plaats gehad en de rechtbank onbevoegd was, het deed er niet toe, evenmin dat de gevangenen geen verdedigers hadden gehad en zij zich al beriepen als Ridders van het Gulden Vlies op het privilege van die orde om volgens hare statuten verhoord te worden, het deed alles niets ter zake; het vonnis was reeds in Madrid gewezen, vóór nog de aangeklaagden te Brussel in hechtenis genomen werden.
Toen het bevel tot onmiddellijke terechtstelling van Egmond aan zijn vrouw bekend werd, snelde deze naar den man, die het lot van haar gemaal in handen had en smeekte hem ootmoedig om genade. Naar het verhaal luidt, zou Alva met ongelooflijk kalmen spot de gravin gerust gesteld hebben met de verzekering, dat haar echtgenoot den volgenden dag zeker zou uitgaan! ’t Is wel terecht, dat men om de eer der menschheid dit verhaal gaarne voor verdicht zou houden.
Den 5enJuni werd het doodvonnis aan de beide graven voltrokken. “Gedurende den nacht,” zoo verhaalt Motley, “had men op de groote markt te Brussel alles voor het treurspel van den volgenden ochtend in gereedheid gebracht. Het was het doel der regeering om het volk schrik aan te jagen door een indrukwekkend en ontzettend schouwspel: de onbeperkte en van alle verantwoording ontheven macht, die over het land heerschte, zou zich openbaren in het dooden dier beide mannen, zoo verheven in rang, zoo aanzienlijk vermaagschapt en die zulke uitstekende diensten hadden bewezen.
De indruk zou nog verhoogd worden door het eigenaardige van de plek, waar dit treurspel plaats had. Treffend was en is nog altijd de groote markt van Brussel. De bouworde der huizen, die haar insluiten, heeft de bewonderende blikken, van vele geslachten tot zich getrokken. Het prachtig stadhuis met zijn trotschen toren en rijk versierden gevel, bekleedt een der zijden van het plein en recht daar tegenover verrees grillig van stijl, maar toch bevallig, het Broodhuis, de laatste verblijfplaats op aarde van de twee aanzienlijke slachtoffers, terwijl tusschen deze hoofdgebouwen de fantastische gildehuizen prijkten der boogschutters, schippers en anderen met hunne gebeeldhouwde muren en trapgevels, zinnebeelden en versierselen. Het plein was het tooneel van menige bloedige terechtstelling geweest. Wakkere ridders hadden hier gekampt, aangevuurd door schoone oogen, die vandie schilderachtige balkons en uit die sierlijke vensters op hen neerzagen. Martelaars voor godsdienstige en staatkundige vrijheid hadden op diezelfde plaats folteringen verduurd, die zelfs de steenen, waarmee zij geplaveid was, tot opstand hadden moeten aanzetten of tot deernis bewegen. Hier had Egmond zelf in gelukkiger dagen den prijs van behendigheid en stoutheid weggedragen en aller oogen tot zich getrokken en hier zou zijn door schitterende daden opgeluisterd leven nog in den bloeitijd afgesneden worden door de hand der dwingelandij.
Een·Prince·van·groter·machten / Den·Grave·van·Egmont / Als·een·schaep·ginc·ter·slachten—M·D·L·XIII· V·juni
Een·Prince·van·groter·machten / Den·Grave·van·Egmont / Als·een·schaep·ginc·ter·slachten—M·D·L·XIII· V·juni
In den morgen van den 5enJuni schaarden zich drie duizend Spaansche krijgslieden rondom het schavot, dat te midden van het plein was opgericht. Op dat schavot, met zwart laken bekleed, werden twee fluweelen kussens, twee ijzeren spietsen en een tafeltje met een zilveren kruisbeeld geplaatst. De provoost-maarschalk Spelle aan den voet van ’t schavot te paard, met de roode roede in de hand, droomde weinig dat hem een nog vreeselijker lot wachtte, dan hetgeen hij thans hielp volvoeren. De scherprechter was achter de bekleeding van het schavot verborgen.
Om elf uur kwamen Juliaan Romero en kapitein Salinas met een compagnie Spaansche krijgsknechten in Egmonds kamer. De graaf stond gereed. Men wilde hem de handen binden, maar hij kwam driftig tegen dien smaad op, sloeg zijn tabbaard open en toonde hun, hoe hij zelf de kragen van zijn kleederen afgesneden en alles voor zijn dood gereed gemaakt had. Nu ging Egmond door den bisschop vergezeld, met vasten stap den korten weg naar de gerechtsplaats over. Juliaan Romero volgde met de wacht. Onderweg las hij overluid den een-en-zestigsten psalm: “O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed!”
Hij scheen dit gedeelte uitgekozen te hebben als om te bewijzen hoe, in weerwil van de lagen zijner vijanden en den wreeden dood waartoe zij hem gebracht hadden, de trouw aan zijn vorst bij hem even diep ingeworteld en even heilig was, als de eerbied voor God. “Gij zult dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden.” Ziedaar het opmerkelijk gebed van den man, als een verrader veroordeeld, op zijn weg naar het blok.
Toen hij het schavot beklommen had, stapte hij het twee of driemalen in de rondte. Hij droeg een tabbaard van rood damast, waarover een zwart met goud bestikt manteltje hing. Hij had een zwartzijden hoed met zwarte en witte pluimen op en hield een zakdoek in de hand. Terwijl hij zoo op en neerliep, betuigde hij, hoe bitter het hem speet, dat hem niet vergund was, met den degen in de hand, in den strijd voor land en koning te sterven. Hoopvol tot het laatst toe, vroeg hij driftig aan Romero, of het vonnis inderdaad onherroepelijk was en of er niet nog kwijtschelding kon verleend worden. Juliaan haalde de schouders op en mompelde een ontkennend antwoord: Toorniger dan wanhopend knarste Egmond op de tanden; maar hij herstelde zich spoedig, wierp zijn tabbaard en mantel af en nam de orden van het Gulden Vlies van den hals. Toen knielde hij op een der kussens neder, zeide luid het Onze Vader op en verzocht den bisschop die naast hem nederknielde, dit driewerf te herhalen. Nu gaf de kerkvoogd hem het zilveren kruisbeeld te kussen en sprak daarop den zegen over hem uit. Degraaf stond weder op, legde zijn hoed en zakdoek weg, knielde andermaal op het kussen, trok een kapje over zijne oogen, vouwde de handen en riep met luider stem: “Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.” Toen trad plotseling de scherprechter te voorschijn en hieuw het hoofd met een enkelen slag af.
Op den slag volgde een oogenblik van huiveringwekkende stilte: de gansche menigte scheen dien in het hart gevoeld te hebben. Tranen vloeiden uit de oogen, zelfs van de Spaansche soldaten, want zij kenden en achtten Egmond als een dapper veldheer. De Fransche gezant Mondoucet, die het schriktooneel uit een verborgen plaats gadesloeg, fluisterde, dat hij nu het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had. Men zag zelfs tranen op de ijzeren wang van Alva, terwijl hij uit een venster van een huis, recht tegenover het schavot gelegen het moordtooneel aanzag.
Ras wierp men een zwart laken over het lichaam en het bloed, en na weinige oogenblikken zag men den admiraal naderen. Zijn kale schedel was ongedekt. Zijne handen waren los. Hij groette bedaard de kennissen, die hij onderweg opmerkte. Onder een zwarten mantel, dien hij afwierp zoodra hij het schavot beklommen had, droeg hij een eenvoudig zwart wambuis, maar niet, zooals Egmond, de orde van het Gulden Vlies. Met een blik op het lijk onder het zwarte laken vroeg hij, of dat het lichaam van Egmond was. Toen dit bevestigend beantwoord werd, mompelde hij eenige woorden in het Spaansch. Daarop zag hij zijn eigen omgekeerd wapenschild en hij drukte zijne verontwaardiging uit over deze verguizing van zijn wapen, met de betuiging, dat hij dien hoon niet verdiend had. Toen sprak hij eenige woorden tot de menigte, wenschte ieder heil toe en verzocht voor zijn ziel te bidden. Hij kuste het kruisbeeld niet, maar knielde op het schavot neder om zijn gebed te doen en werd daarin door den bisschop van Yperen bijgestaan. Daarna stond hij weder op, trok een milaneesche kap geheel over het gelaat, uitte in het Latijn dezelfde aanroeping als Egmond en legde den hals op het blok.”
Het vonnis was voltrokken.
Gansch Europa voelde den schok door die misdaad aan het publiek geweten berokkend. Al had Filips II geen enkele andere onrechtvaardigheid bedreven, die beide doodvonnissen waren voldoende, hem als een wreed tiran te brandmerken.
Omtrent vele historische gebeurtenissen is de opinie in den loop der 19eeeuw gewijzigd, maar nooit is er eenige verandering gekomen in de algemeene veroordeeling van de gruwelijke gerechtelijke moorden van den 5enJuni 1568.
Kort daarop vertrok Alva zelf naar het Noorden, om den dood van Aremberg op de geuzen te wreken en het leger van Lodewijk van Nassau met zijn veteranen te vernietigen. Deze had met al zijn geestdrift en energie niets kunnen uitwerken gedurende de weken die op zijn overwinning volgden. De buit te Heiligerlee veroverd, had voor een korte wijle zijn soldaten bevredigd, maar toendie was uitgeput, bestonden de eenige inkomsten van zijn leger in hetgeen nolens-volens van de arme bewoners van het land kon worden opgeëischt.
Zoo jammerlijk was de toestand, dat de ridderlijke Lodewijk zelf op den 5enJuni eene proclamatie uitvaardigde, waarbij allen, die weigerden hulp te verleenen, bedreigd werden met het verbranden hunner huizen. Door middel van zulke bedreigingen kreeg hij af en toe kleine sommen gelds, zoodat hij eindelijk een 10.000 fl. had verzameld. Het arme volk was er wel ongelukkig aan toe. Alva had reeds te veel bewijzen van zijn krijgsmanskunst gegeven, dan dat men eenige hoop kon voeden, dat Lodewijk zelfs met hun hulp, hem ’t hoofd zou kunnen bieden. Ze wisten dat Alva kwam, om Aremberg te wreken en dat ze van hem geenerlei genade te wachten hadden en hun vrees werd spoedig verdubbeld door de proclamaties, die Alva aan de kerkdeuren liet slaan, waarin hij verbood eenigen onderstand aan de rebellen te geven, onder bedreiging van tweemaal zooveel aan de Spanjaarden te zullen moeten afstaan.
Wel zag het er dus slecht met den toestand van Lodewijks leger uit, toen Alva reeds naderde. Dat leger was buitendien zeer moeilijk in bedwang te houden. Alleen door voortdurende persoonlijke opwekkingen van den aanvoerder kon de jonge leider zijn troepen bijeenhouden en tegen muiterij bewaren. De strijdmacht was kort te voren door 800 Walen, 600 ruiters en groote benden uitgewekenen, die de Eems overkwamen versterkt; zoo bedroeg het leger omstreeks 12000 man. Deze legermacht vereenigde hij in zijn kamp voor Groningen, toen de nadering van den Hertog zeker was. Op den 14enJuli bereikte Alva met 17000 man de stad en deed onmiddellijk een aanval op Lodewijks leger. De Duitsche huurlingen hielden slechts een oogenblik stand en togen op de vlucht; ze werden nagejaagd door een gedeelte van Alva’s troepen en 300 man sneuvelden of kwamen in de grachten om.
Alva meende, dat reeds het geheele leger was verslagen en schreef dien nacht aan den Raad van State dat hij twijfelde, of hij nog een soldaat zou vinden, als hij hen den volgenden dag verder achterna ging jagen. Den 20enJuli bevond Alva zich aan de Eems, waar hij bij Jemmingen Lodewijk in een zeer ongunstige stelling aantrof. Deze bevond zich namelijk met zijn leger op een schiereiland, door de Eems en de Dollart gevormd; op die ongelukkige plaats begonnen daarbij zijn huurlingen hun loon te eischen. In welsprekende bewoordingen deed Lodewijk hun gevoelen, dat overwinnen hun eenige kans was. Omringd door de Eems, de zee, de Dollart en de Spanjaarden, was het ontkomen aan dien vierdubbelen vijand onmogelijk. Het krijgsvolk liet zich door die onweersprekelijke feiten tot gehoorzaamheid bewegen, maar er was door den woordentwist te veel tijd verloren gegaan. Als de dijken bijtijds waren doorstoken, dan ware redding mogelijk geweest. Nu nam te elfder ure Lodewijk zelf de spade ter hand, om zijn soldaten door zijn voorbeeld te bezielen. Doch het was te laat. De Spaansche voorhoede, 1500 man sterk, te 10 uur op het terrein verschijnende, maakte zich van de dijken meester en het leger van Lodewijk trok in wanorde terug, achtervolgd door de voorhoede des vijands.
Nog eenmaal vatten de benden van den graaf moed. Doch plotseling kwam Alva zelf met de hoofdmacht opzetten en al deed Lodewijk persoonlijk wonderenvan dapperheid, er volgde een ijzingwekkende slachting. De aanvoerder kon slechts zijn leven redden, door naakt over de Eems te zwemmen. Meer dan de helft van zijn leger was gedood, slechts enkele honderden volgden Lodewijk naar Duitschland, waar hij nog den zomer in het Noorden bleef, om met hulp eener half toegezegde Engelsche vloot, den vijand uit Emden nadeel te kunnen toebrengen.
Men kan zich den schrik voorstellen, die de Dillenburgsche familie verpletterde op het hooren van die tijding. Oranje, die toen een leger van 20.000 man bij elkander had, was op dit oogenblik in Straatsburg, gereed om in het Zuiden een inval te doen, terwijl Alva in het Noorden werd bezig gehouden. Doch er was gebeurd, wat Oranje had voorzien.
Hij had zijn broeder gewaarschuwd, niet voor Groningen te blijven, maar zijn raad was door den jongen, onbedachtzamen man in den wind geslagen, die met meer geestdrift dan oordeel had gehandeld. Stap voor stap was Lodewijk, zonder de kosten te berekenen, voorwaarts gegaan en bij zijn jammerlijke nederlaag toonde de oudere broeder een geduld en een zelfbeheersching, die den moed en de drijfkracht van den jongeren evenaarde.
Nauwelijks had Lodewijk zich het water van de onvriendelijke Eems van de blonde haren geschud, of hij schreef aan Taffin, een predikant der Hervormde Kerk, die toen juist bezig was, gelden in Engeland voor de bevrijding der Nederlanden te verzamelen. Deze moest vooral hulp vragen aan de Nederlandsche vluchtelingen in Londen, Norwich en Colchester; in de laatste plaats waren ongeveer 2500 gevluchte geloofsgenooten en hij werd verzocht, alles in het werk te stellen, opdat de Engelsche schepen toch spoedig te hulp zouden komen. De volgende brief van Oranje aan Lodewijk geeft een getrouwe schets van den toestand en vergunt ons een blik te werpen in het karakter van den Zwijger.
31 JuliMijn Broeder,Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van het jammerlijk ongeval, u op den 21endezer maand overkomen, om verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande, daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen, bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods hulp verder te gaan en hoop op den 8ender maand Augustus op de plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats, die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven, of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen, opdezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd, zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt, waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is, met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is, naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen, dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt, zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke onderneming uit te voeren; want van onzen kant—wij kunnen niet te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken, gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.Uw zeer liefhebbende broedersteeds tot Uw dienst bereid,WILLEM VAN NASSAU.
31 JuliMijn Broeder,
Ik heb heden uw brief door Godfried ontvangen en buitendien in bijzonderheden gehoord, wat gij hem hadt opgedragen mij te zeggen. Wat het eerste punt aangaat, gij kunt wel verzekerd zijn, dat ik nooit meer getroffen ben dan door de tijding van het jammerlijk ongeval, u op den 21endezer maand overkomen, om verschillende redenen, die gij licht zelf kunt begrijpen. Die nederlaag van U is een groot beletsel voor de lichting, waarmee wij ons bezig hielden en heeft de harten van velen, die anders zeer bereid waren te helpen, verkoeld. Desniettegenstaande, daar het alzoo aan God behaagd heeft, moeten we geduld hebben, den moed niet verliezen en overeenkomstig Gods wil ons gedragen, gelijk ik van mijn kant besloten heb te doen, bij alles wat er moge gebeuren. Daarom ben ik besloten met Gods hulp verder te gaan en hoop op den 8ender maand Augustus op de plaats der wapenschouwing te zijn, d. i. op dezelfde plaats, die ik u door den heer St. Aldegonde heb doen weten. Met dit doel heb ik aan den graaf Joost von Schauenburg geschreven, of hij ook met de 1000 paarden, waarvoor hij zou zorgen, opdezelfde plaats wilde zijn; doch ik weet niet, waar hij tegenwoordig is en ik vrees, dat hij door hetgeen is gebeurd, zich daar niet zoo vroeg zal kunnen bevinden. In geval hij dus bij u is, of indien gij weet, waar hij zich bevindt, waarschuw hem dan bijtijds, opdat hij, als het mogelijk is, met ons denzelfden weg ga, want alle uitstel is schadelijk.
Daar het gerucht gaat, dat de hertog van Alva die wapenschouwing wil beletten, verzoek ik U te zorgen, dat ik verwittigd kan worden, of hij nog in Friesland is, of dat hij van daar is vertrokken en over welke krachten hij nog kan beschikken. En in geval gij hoort, dat hij van plan is, naar die genoemde plaats te gaan, wil daarvan onmiddellijk bericht doen aan Balthazar van Wollfven, die niet ver van de Lippe woont en ook aan Otto von Maulsburch. Waarschuw hen het eerst, want als gij mij er van bericht zondt vóór hen, dan kon de verwittiging wel eens te laat komen.
Wat uw onderneming aangaat, waarin gij om mijn raad vraagt, zou ik niet goed weten, wat daarvan te zeggen, aangezien ik niet weet, over welke middelen en krachten gij kunt beschikken en ook niet welke macht de vijand ter zee kan ontwikkelen. Ook weet ik niet, of gij van geld voorzien zijt, om een dergelijke onderneming uit te voeren; want van onzen kant—wij kunnen niet te veel verwachten, als God geen andere middelen geeft. Daarom kan ik u niets anders zeggen, dan dit, dat indien er eenige redelijke schijn is, dat gij iets goeds zult kunnen uitwerken, gij dit dan doet in naam van God. U echter te raden tot die onderneming, kan ik niet ter wille van uw persoon, want u met onbekende mannen te wagen, zelfs ter zee, acht ik niet aan te raden. Daarom verzoek ik u, mij alles meer in het bijzonder te melden. Houd steeds uwe briefwisseling met mij open, gelijk ik zal doen van mijn kant. Voor alles wensch ik u toe, dat de goede God u in zijn bescherming moge nemen.
Van Dillenburg den laatsten Juli 1568.
Uw zeer liefhebbende broedersteeds tot Uw dienst bereid,WILLEM VAN NASSAU.
Het postscriptum luidt:
Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden, zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten, wat daar plaats heeft.
Mijn broeder. Ik schreef u boven, acht te geven op den hertog van Alva, of hij ook van plan is, onze wapenschouwing te beletten. Gij zult ook goed doen mede acht te slaan op hertog Eric van Brunswijk en op hetgeen in zijn land voorvalt. Ingeval gij u op de genoemde monsteringplaats zult kunnen bevinden, zal mij dat een groot genoegen zijn om alle zaken samen te overleggen. Kunt gij niet komen, dan zou ik wenschen, van dag tot dag tijding van U te ontvangen en dat ge in gestadige briefwisseling blijft met den graaf van Emden, om te weten, wat daar plaats heeft.
Stelt deze brief ons geheel op de hoogte van den toenmaligen toestand, hij doet ons niet minder een blik werpen in het innerlijke leven van den Prins vanOranje in het jaar 1568. En dan weten we niet, wat meer te bewonderen, zijn ongebroken moed, zijn bedachtzaamheid of zijn uitnemende zachtmoedigheid tegenover Lodewijk. Geen woord van verwijt komt er uit zijn pen tegenover zijn broeder, die ongetwijfeld zeer dapper in het noorden was geweest, maar geheel in strijd met ’s Prinsen raad had gehandeld. In plaats daarvan niets dan krachtige opwekking tot vernieuwde handeling, verlangen naar zijn broederlijke tegenwoordigheid en herhaalde aanmaning tot voorzichtigheid tegenover den vijand.
Die stemming is het geweest, waaruit zooveel goeds voor ons land is geboren; een stemming, die daarbij uit innig vertrouwen en geloof ontwaakte, dat hooger macht hem aangordde. Zijn kalme berusting in den wil dier macht, ook al scheen die nog zoo donker en raadselachtig, was niet minder dan zijn vast vertrouwen, voortgekomen uit het geloof, dat als zijn persoonlijk eigendom in hem begon te ontwaken. Welk een kracht lag er besloten in dit korte en fiere zeggen: “Ik ben besloten met Gods hulp voort te gaan.”
De beide nederlagen van Daelhem en Jemmingen hadden ten gevolge, dat de lichtingen van den Prins van Oranje in Duitschland niet meer dat succes hadden als in de eerste dagen, toen hij in Dillenburg kwam. De keurvorst van de Paltz toonde nog wel eenige ondersteuning door aan de Nederlandsche ballingen toe te staan, eenige oude kloosters in zijn land te bezetten, doch andere Duitsche vrienden begonnen zich ernstig te verzetten tegen zijn verdere plannen.
Augustus van Saksen beval in naam van den keizer den Prins aan, geen verdere vijandige maatregelen tegen den koning te nemen. De keizer zelf, die Oranje’s militaire preperatieven afkeurde en die waarschijnlijk door invloed van Filips was bewerkt, beproefde zelfs formeel de lichtingen van Oranje te verhinderen. Hij schreef op den 12enMei aan den Keurvorst van Saksen, hem te verzoeken de voorbereidende oorlogsmaatregelen van zijn aangehuwden neef te beletten. Hij kon binnen zijn jurisdictie geene vijandige pogingen tegen den koning openlijk toestaan. Zelfs gebood de keizer Oranje in diezelfde maand uitdrukkelijk, op te houden met zijn lichtingen, uit vrees dat de gevoelens van zijn Spaanschen neef zouden worden gekrenkt.
Oranje antwoordde daarop in een langen brief en herhaalde de argumenten zijner justificatie, terwijl hij verklaarde wel degelijk in zijn recht te zijn. Ook andere, mindere vorsten van het rijk trachtten den Prins te bewegen, van zijn plannen af te zien. Willem van Hessen schreef riemen papier vol, om Oranje te overtuigen van zijn dwazen strijd en ging eindelijk zoover, dat hij elke hulp weigerde en zelfs geen enkel zijner officieren toestond, den Prins te vergezellen, den Prins, die “machteloos was tegenover zulk een machtig potentaat als Filips, dien we steeds een goeden en milden vorst (!) hebben hooren noemen.”
Hoe gelukkig, dat Oranje bij zooveel flauwhartigheid en tegenwerking in zijn eerste vaderland, ergens anders niet tevergeefs naar ondersteuning uitzag. Zijn onderhandelingen met de Fransche protestanten leidden tot een verbond met een hunner erkende leiders, n.l. Coligny.
De Fransche burgeroorlogen van die jaren verdienen om een dubbele redenonze volle belangstelling. Ten eerste streden de Hugenoten voor dezelfde zaak als hier te lande de Geuzen. Ook zij wilden godsdienstvrijheid verwerven. En ten andere hebben die godsdienstoorlogen in Frankrijk sedert het begin van onzen opstand een grooten invloed op de toestanden in de Nederlanden uitgeoefend. Dit zagen we reeds vroeger, zelfs tijdens het voorspel van den 80-jarigen oorlog, toen de strijd tegen Granvelle gelijk stond met den strijd der Hugenoten tegen den kardinaal van Lotharingen.
Wij zullen van nu af in het leven van den Prins van Oranje steeds weder ontdekken hoe groot de wisselwerking was. Nog altijd streden de Hugenoten in 1568 en 1569 om het verkrijgen van die godsdienstvrijheid, die hun in 1570 werd toegestaan, toen hun als waarborg daarvoor vier veiligheidsplaatsen werden ingeruimd. Onder de dappere leiding van Condé en den admiraal Coligny werd die bange strijd daar gestreden. Welnu, Oranje had daarvoor een wijd geopend oog en zijn onderhandelingen hadden een verbond ten gevolge.
In naam van Louis de Bourbon, Prins van Condé, Gaspar de Coligny, admiraal van Frankrijk en Willem van Nassau, Prins van Oranje, verscheen er in Augustus 1568 een proclamatie waarin zij verklaarden, “dat ze hunne krachten zouden vereenigen, om de onbillijke inbreuk, die gemaakt werd op de vrijheid van geweten in de Nederlanden en in Frankrijk, te weerstaan.” Het bleef van beide zijden een strijd in naam en ten bate van de vorsten, tegen hunne slechte raadgevers en leiders. “Afin que rien ne se fasse au dommage de nos princes.” De onderlinge hulp, die werd toegezegd, strekte zich zoover uit, dat wanneer het God behaagde, de eene partij niet zou ophouden hulp te geven aan de andere (ne laisseront de secourir l’autre partie, comme si ils étaient en la même peine).
Niettegenstaande het verzet tegen den Prins van vriend en vijand, voelde hij zich door dat verbond sterk en we kunnen ons begrijpen, met hoeveel blijden moed hij den 31enAugustus 1568 zijn manschappen, thans ten getale van ongeveer 13 à 14000 monsterde. Hij had de stemming in Brabant door tal van welsprekende vlugschriften laten bewerken. “De scherpe verklaringe ende uutschrift” tegen Alva; de “waarschouwingen des Princen van Orangien en zijn getrouwe vermaninge” vlogen in tallooze exemplaren, in het fransch en in de volkstaal door het land. Zijn manifesten “à tous capitains, hommes d’armes et autres bons et vaillants soldats” en zijn “fidelle exhortation aux inhabitans des Pais-Bas” vonden vele lezers. Half September rukte hij op van den Rijn naar de Maas. Op zijn vanen stond geschreven:Pro lege, rege, greged. i.:Voor de wet, den koning en het volk.
Ook voor den koning. Op den dag der wapenschouwing, 31 Augustus, vaardigde hij eene formeele proclamatie, als hoofd van het leger ten behoeve van den koning, uit. Daarin komen o. a. de volgende woorden voor:
“Wij roepen alle loyale onderdanen van de Nederlanden op, om tot ons te komen en te helpen. Laat ze de onbehoorlijke strengheid der wetten en het gevaar van zich te onderwerpen aan een schandelijke slavernij en van den ondergang van den Evangelischen godsdienst goed ter harte nemen. Alleen dan, wanneer Alva in zijn loop zal zijn gestuit, kunnen de gewesten hopen, het vrije bestuursrecht en den voorspoed te zullen genieten.”
De opwekking tot alle inwoners der Nederlanden bevatte tot motto de woorden uit het boek der Spreuken, hoofdstuk 10 vers 28–30: “De hoop des rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan. De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen.”
Aan vertrouwen op de rechtvaardigheid der zaak, die de Prins voorstond, ontbrak het dus niet. Had hij een daaraan geëvenaard vertrouwen op de duurzaamheid van stoffelijke hulp kunnen koesteren, dit ware nog beter geweest. Maar helaas! gering waren de inkomsten, die den Prins ten deel vielen. Beloften waren gemakkelijker te geven dan baar geld, maar zelfs die beloften waren niet warm. Enkele der armste hervormde gemeenten gaven van hunne geringe middelen nog het meest.
In September was het geheele leger in de provincie Trier bij het klooster Romersdorf gekampeerd. Ook daar voegden zich nog steeds nieuwe officieren bij hem. De keus dier officieren was niet altijd gemakkelijk in zulk een staat van zaken als waarin de Prins verkeerde. Op zulk een oogenblik moeten de leiders vaak nemen, wat ze krijgen kunnen en krijgen ze niet wat ze noodig hebben. Naar ’s Prinsen smaak waren lang niet alle officieren, die hun diensten kwamen aanbieden, evenmin als Washington in den onafhankelijkheidsoorlog van Amerika tevreden was met al zijn kapiteins, die hij toch noodig had. Onder deze minder aangename bondgenooten behoorde zeker ook Lumey, graaf van der Marck, met een bende onafhankelijke troepen. Een zijner voorouders droeg den bijnaam van het wilde zwijn der Ardennen en hij was een dito exemplaar. Hij had gezworen, zich nimmer te laten scheren noch het haar te laten snijden, voor Egmonds dood was gewroken.
Met dit leger, uit zoo verscheiden bestanddeelen saamgesteld en van welks welslagen de geheele zaak scheen af te hangen, trok de Prins eerst naar de buurt van Keulen, met het voornemen Luik voor zich te winnen; maar daar was men te bevreesd voor Alva’s troepen en had men te weinig vertrouwen in ’s Prinsen legermacht; hij gaf dat plan dus op en was spoedig daarop in den omtrek van Maastricht.
Het is niet te verwonderen, dat er allerlei verhalen bestaan omtrent dezen tocht van den Prins. Behalve de gewone brieven schreef Alva’s officieele secretaris o. a. eenRélation de l’expédition du Prince d’Orange dans les Pays-Bas.
De overtocht bij Stockhem over de Maas is vooral een hoogst merkwaardige gebeurtenis uit dien tocht geweest. Deze had op den 7enOctober plaats; ze wekte de verbazing van Alva op, die aan de overzijde van de Maas gelegerd was. Hij sprak de merkwaardige woorden: “Is dan het leger van den Prins een vlucht wilde ganzen?” Volgens sommigen had de Prins dien wonderlijken overtocht over de Maas daardoor kunnen volbrengen, dat hij een zware massa ruiterij als een dam in de rivier plaatste, waardoor de stroom eenigszins werd gebroken en het voetvolk gelegenheid werd geboden, door de rivier te trekken. Anderen spreken van een brug, waarover de artillerie ging, nadat de ruiterij en voetvolk door de rivier waren getrokken. Doch hoe dan ook volbracht, Oranje trok thans Brabantin tot bij Tongeren en hij hoopte òf Alva tot een slag te bewegen òf in de Brabantsche steden achter zijn rug oproer te kunnen verwekken. Maar in die plannen werd hij door de houding van den Hertog geheel teleurgesteld.
’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)
’s Prinsen leger trekt over de Maas bij Stockhem.—October 1568. (Bladz. 176.)
Alva’s talent als krijgsaanvoerder lag vooral in zijn bekwaamheid, een gelegenheid, hoe die ook was, aan te grijpen. Door zoogenaamde militaire regels werd hij nooit in de war gebracht. Hij was een aanhanger van de militaire politiek van Fabius Cunctator, den geweldigen bestrijder van Hannibal. In Juli was een slag een besliste noodzakelijkheid geweest. De Geuzen hadden een overwinning behaald, die een grooten indruk op het volk maakte. Zoo die beweging niet met krachtige hand werd gestuit, zou het volk niet meer in toom zijn te houden. Thans was echter de toestand geheel anders. In Alva’s handen was de overwinning. Het was October en de vraag naar winterkwartieren voor een leger, dat tot geen bepaald grondgebied behoorde en dat niet door de schatkist werd ondersteund, werd van ernstig gewicht. Kon de Hertog zijn vijanden slechts ophouden, totdat het weer hen noodzaakte, een schuilplaats te zoeken dan zouden ze gedwongen worden zich te verstrooien en ook de Prins zou dan weer alleen zijn.
Aan den anderen kant was een veldslag voor de patriotten van groote beteekenis. Eene overwinning zou de schande van Jemmingen uitwisschen en den zuinigen Nederlandschen kooplieden den moed geven om hun guldens aan de kans van een laatste succes te wagen. Daarom trachtte de Prins den Hertog tot een slag te dwingen. Doch tevergeefs! Een geheele maand hield de Hertog de verbitterde rebellen op de pijnbank. De Prins was verplicht in dien tijd 20 maal van kamp te veranderen en elken keer verscheen de Hertog weer aan zijn zijde, zoodat ze dikwijls binnen elkanders schot waren.
Alva zorgde, dat overal de zeilen en de steenen der molens werden weggenomen en er dus geen middel bestond om het koren te malen. Hij verbood niet alleen den boeren eenig proviand in de kampen der rebellen te brengen, maar verwoestte zelfs alle huizen en dorpen, die mogelijkerwijze den patriotten tot schuilplaats konden verstrekken. De soldaten werden ten uiterste verbitterd en ontevreden. Het voetvolk miste schoenen; allen leden honger en kou. Geen lichtstraal van hoop aanschouwden ze; was het wonder, dat zij tot muiterij oversloegen? Eens, terwijl Oranje bezig was een oproer te dempen, werd zijn zwaard van zijn zijde weggeschoten. Zijn drie broeders, Lodewijk, Jan en Hendrik, allen stonden hem van harte ter zijde en waren aan hetzelfde gevaar van vriend en vijand blootgesteld.
Ondertusschen was Alva als een dwaallicht van Tongeren naar St. Truyen en van daar naar Jokoigne gegaan. Gaarne had hij den vijand door een moerasstreek geleid en hem alzoo een valstrik gespannen, maar het terrein was goed en Oranje kende het door en door; steeds verder drong hij Alva’s jurisdictie binnen.
De Hugenoten waren in dien tijd onder Genlis de Maas bij Charlemont overgetrokken. Op den 21enof 22enOctober vereenigde deze Fransche edelman aan het hoofd van 4 à 5000 voetknechten zich met de troepen van den Prins. Bij het riviertje de Geete had Alva den laatsten op 20 October den overtocht betwist. Hoogstraten, die met 3000 man de achterhoede vormde, werd jammerlijk geslagenen ontving zelf eene wonde, waaraan hij kort daarop overleed. Ook De Hames en andere edelen vonden daar hun graf.
Twee dagen daarna vereenigden zich de Hugenoten met den Prins, doch niets was daardoor gewonnen, want ook dit was een bandelooze troep, een woeste bende, die de heilige kerksieraden op hun weg geroofd, ten spot op de hoeden droeg. Hun aankomst berokkende meer schade dan voordeel. De Franschen brachten niets dan nieuwe behoeften mede. “Waar er vroeger één van honger en gebrek omkwam, daar stierven er thans twee.”
Slechts op een paar mijlen afstands was Oranje van Brussel, maar geen enkele plaats opende voor hem hare poorten. Zijn leger was geheel en al uitgeput en een week lang dwaalde het rond over het veld, binnen de kleine uitgestrektheid, die de vijand hun openliet. De Prins zag geen ander redmiddel dan in een terugtocht. Bij den reeds naderenden winter verlangden zijn Duitsche benden naar huis. Terug over de Maas bij Luik scheen de eenige overgebleven weg. Doch evenmin als de prins-bisschop van Luik in October, trots alle pogingen van ’s Prinsen vrienden, Oranje had gesteund, wilde hij hem thans helpen. De toegang tot de stad werd hem geweigerd.
De poging om Luik in te nemen geschiedde eigenlijk met het doel, dáár de winterkwartieren op te slaan en tegen de vervolging van Alva verschanst te zijn. Oranje’s belofte aan de muitende ruiters, dat zij zich, zoodra hij in de stad was met plundering van kerken en van ’t paleis konden schadeloos stellen, wordt terecht veroordeeld en “zijn brieven aan den bisschop en het kapittel geschreven, waren rauwe weerklanken van de ontstemdheid zijner ziel.”
Van een ernstig beleg van Luik kon met het achtervolgend leger van Alva geen sprake zijn. Oranje wist zeer goed, dat zulk een stad als zij haar verdediging voortzette, niet dan door een langdurig en moeitevol beleg kon worden gedwongen. Na drie dagen vechten trokken de troepen van den Prins af. Het eenige dat thans noodzakelijk scheen, was: zooveel mogelijk manschappen bijeen te houden als een kern voor de krijgsverrichtingen der aanstaande lente. Hij besloot zich op Fransch grondgebied terug te trekken en de Hugenoten daar hulp te verschaffen. De Duitschers wilden echter niet de Fransche grenzen over. Met een deel van zijn leger nam Oranje toen zijn weg door Namen en Henegouwen; aan kerkroof, plundering en brandstichting bezondigden zich ook op dezen tocht weer de woeste Hugenoten. Doch met snelle marschen ging het voort—want Alva’s troepen volgden het leger van den Prins op de hielen. Op den 12enNovember had er tusschen de voorhoede van Alva en de achterhoede van den Prins een bloedige schermutseling plaats te Quesnoy, waarbij vooral Alva’s troepen groot verlies leden. “Het was de schitterendste daad van den veldtocht en bij het verlaten van het land een vermaning, wat deze dapperen zouden vermogen als zij te eeniger tijd onder gelukkiger gesternte, terugkeerden.” Volgens Alva werd die overwinning bloedig bij Kamerijk gewroken, kort voor den dag, 17 November, dat het leger van den Prins de Fransche grenzen overtrok.
En toen was hij op bekenden grond. Daar had hij tien jaar geleden deFransche grens ten behoeve van zijn ouden en nieuwen meester geruimen tijd bewaakt. En thans bevond hij zich in diezelfde streken in gewapenden, maar hopeloozen toestand tegen dien vorst, wiens regeering zoo uitstekend was begonnen en die onlangs den dappersten aanvoerder van dien krijg, wien hij zijn schitterendste overwinning te danken had, met den dood eens misdadigers had betaald.
Treurig, diep treurig zag het er met zijn leger uit. Een brief van Jan van Nassau, die steeds de krijgsmacht zijns broeders had vergezeld en er mede in Frankrijk kwam, is een sprekend getuige van de innerlijke ellende, waaraan het leger ten prooi was. Oranje voerde het leger naar Picardië, ten einde het te vereenigen met de benden, die Condé tegen den koning te velde had gebracht.
De koninklijke Fransche troepen onder maarschalk de Cossé hielden het oog op ’s Prinsen leger en volgden dezelfde tactiek daartegenover als Alva gedaan had. De Cossé echter was te zwak om veel nadeel te berokkenen. Hij stelde zich tevreden met formeel tegen de gewapende verschijning van den Prins op Fransch grondgebied te protesteeren. Nog bleef de Prins moed houden bij het denkbeeld, dat hij zich met Condé kon vereenigen; te meer omdat deze aan Oranje’s ruiters dubbele betaling beloofde. Er heerschte echter weerzin tegen de voortzetting van den krijg. De Prins trachtte nog door een pakkende rede den Duitschers den gezamenlijke dienst met de Hugenoten aan te prijzen, maar de meesten, den krijg moede, verlangden naar huis. Driftig antwoordde daarop Oranje, dat ze hem dan den weg naar Duitschland maar moesten wijzen, hij wist er geen.
Die weg werd hun echter door de Fransche regeering gebaand. Want in naam van Karel IX gaf maarschalk Gaspar de Schomberg te kennen, dat zij vrijen doortocht door Frankrijk konden verkrijgen, maar dat de koning het zeer vreemd vond, dat de Prins met zulk een groot en machtig leger op zijn grondgebied was gekomen. Oranje antwoordde daarop, dat hij geen kwade bedoelingen had, maar alleen aan Z. Majesteit een goeden dienst wilde bewijzen. Die dienst bestond daarin, dat hij zijn koninklijke onderdanen wilde helpen tegen pauselijke onderdrukking.
Die brief is ook daarom merkwaardig, omdat niet alleen het laatste spoor van gehechtheid aan “notre vraie et ancienne religion” er uit is verwijderd, maar ook omdat de Prins daarin van volledige tolerantie tegenover alle Christenen getuigt. Eerlijke overtuigingen moesten zich overal vrij kunnen uiten en daarom meende hij Karel een goeden dienst te bewijzen, door zijn onderdanen te helpen tegen geestelijke onderdrukking. Doch het hooge standpunt, waarop de Prins zich daarin plaatste, baatte hem niet veel. Hij had gehoopt, zich bij Condé en de zijnen aan te sluiten en het gevolg van de komst van den maarschalk van Schomberg was, dat velen zijner ruiters de zijde der Geuzen verlieten, dat anderen zich lieten overhalen, om in het leger des konings over te gaan, terwijl nog anderen te hardnekkiger op hun betaling aandrongen. Er schoot den Prins niets anders over dan den uitweg door Frankrijk, hem aangeboden, aan te nemen; hij voerde zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij het ontbond. Dit zelfs kon hij niet bereiken, zonder zijne muitende soldaten gedeeltelijk met het geld, van zijn tafelzilver gemaakt, te voldoen, gedeeltelijk zich persoonlijk tehunner beschikking te stellen, als hij zonder voldoende sommen van zijn veldtocht in Frankrijk terugkeerde. Die veldtocht werd in het voorjaar van 1569 ondernomen en herstelde zijn goeden naam als krijgsoverste.
Door den bevrijdingstocht van 1568 had hij dien naam niet omhoog gehouden. “De tocht over de Maas was wel een der eerste, maar geenszins een der luisterrijkste pogingen ter herwinning der verloren rechten en zij levert een duistere bladzijde in onze geschiedenis. De kansen schenen gekeerd, de rollen gewisseld: de beradenheid en gematigdheid bleven aan de zijde van Alva; de misrekening en radeloosheid aan die van den Prins; dapperheid en tucht zegevierden ditmaal met de Spanjaarden over de teugelloosheid en den moedwil der bevrijders. Hoe aanzienlijk ook de macht was, door den Prins te velde gebracht; hoe ze ook de geringschatting zijner vijanden beschaamde.... toch was het later zichtbaar, dat de toegevloeide hulpmiddelen, nauwelijks genoeg een krijg te beginnen, te kort schoten om dien voort te zetten. Hieruit bleek dat Oranje’s macht verre beneden de maat zijner groote ontwerpen was.”
Het was inderdaad een bedroevende tocht geweest. Mocht, kon hij rekenen op het openen van de poorten der Brabantsche steden? Hij heeft het gedaan en was zeer terneergeslagen over die teleurstelling. Maar ook die tegenslag had een schakel moeten zijn van de keten zijner overleggingen. Hij had de krijgskunst van Alva moeten kennen, die hij thans bij ervaring leerde en die, wel verre van zich met hem te willen meten in het open veld, hem met het oog op den aanstaanden winter en het aanstaand gebrek, niets deed dan afmatten. De vreeselijkste maatregelen nam hij tevens tegen allen onderstand van burgers en boeren, waarop de Prins had gerekend.
De tocht van 1568 was mislukt, maar met instemming herhalen wij, wat Bakhuizen van den Brink aan het slot van zijn studie over dit tijdstip schrijft: “Voor de glorie van Alva week de zaak der vrijheid in een duistere schaduw terug. Die schaduw breidde zich over haar hoofd, over Willem van Oranje uit. Wij stelden hem voor, zooals wij hem vonden: door misrekening bedrogen, door het ongeluk vervolgd, door zijn noodlot medegesleept, ongeduldig, neerslachtig, wrevelig. En toch is op het jaar 1568 het jaar 1572 gevolgd. Wat verbond beide tijdpunten? Het genie van den man zijner eeuw; het genie, dat geen nevel van ongeluk of zwakheid zóó kon omhullen, of het koesterde nog den goeden moed in het hart zijner aanhangers.”
Donkere dagen zouden nog volgen, maar het licht in Oranje’s gemoed nooit gebluscht, zou het licht ook weder ontsteken in ons arm vaderland.
1“Nu of nooit, herwinnen of sterven.”
1“Nu of nooit, herwinnen of sterven.”