Hoofdstuk XIII.

Hoofdstuk XIII.Donkere dagen. 1569–1571.Onder hen, die den Prins op zijn tocht in het jaar 1568 vergezeld hadden, behoorden vele zeer besliste Calvinisten. Katholieken waren nietuitgesloten, zooals het voorbeeld van Hoogstraten bewijst, maar de bondgenooten van den Prins waren vooral de vurige hervormers. Daar hij den oorlog tegen Alva bovenal tot een heiligen krijg wilde verheffen, waren vooral de hervormde predikers hem welkom; zijn veldprediker, Adriaan Savary, schreef zijn “hartgrondige begeerte van den edelen, lankmoedigen, hooggeboren Prins van Oranje,” waarin de geloofsgenooten tot een plechtige voorbede werden opgewekt om den wonderdadigen arm Gods over den krijg in te roepen. Al was Oranje nog niet bepaald overgegaan tot het Calvinisme, toch wenschte hij, dat men in hem reeds den held van het hervormde geloof aanschouwde. Zijn voornaamste volgelingen, als Culemborg, Leefdael, van der Noot en Sonoy hadden reeds openlijk den ouden godsdienst vaarwel gezegd en blaakten van ijver voor het nieuwe geloof.Tot dezen behoorde in de eerste plaats Filips Marnix van St. Aldegonde, de edele broeder van den te Austruweel gesneuvelden Toulouse. Reeds had deze een eerste rol in het Verbond der Edelen vervuld en behoorde hij in Antwerpen tot die Calvinisten, die van ter zijde uit geloofsijver den beeldenstorm in de hand werkten. Daardoor stond hij zelfs in de moeilijke dagen die Antwerpen in Maart 1567 doorleefde, niet aan de zijde van den Prins, doch had zich onmiddellijk in 1568 onder zijne vanen geschaard, toen hij met een leger voor gewetensvrijheid de Nederlanden betrad. Als dichter en schrijver is hij bovenal bekend en naar alle waarschijnlijkheid was het tijdens de donkere dagen, na den treurigen afloop van den eersten bevrijdingstocht zijn dichttalent, dat het aanzijn gaf aan ons “Wilhelmus van Nassouwe.” Op de wijs van een bekend Fransch lied geeft het uitnemend de stemming weer, waarin de Prins en zijn vrienden toen verkeerden. Het luidt in zijn geheel aldus:Muziekschrift met de eerste twee strofen van het Wilhelmus.Wilhelmus van NassouweBen ik, van Duitschen bloed;Den vaderland getrouweBlijf ik tot in den dood.Een prince van OrangiënBen ik vrij onverveerd;Den koning van HispangiënHeb ik altijd geëerd.In Godes vrees te levenHeb ik altijd betracht;Daarom ben ik verdreven,Om land, om luid’ gebracht:Maar God zal mij regeerenAls een goed instrument,Dat ik zal wederkeerenIn mijnen regiment.Lijdt u mijn onderzaten,Die oprecht zijt van aard:God zal u niet verlaten,Al zijt gij nu bezwaard;Die vroom begeert te leven,Bidt God nacht ende dag,Dat Hij mij kracht wil geven,Dat ik u helpen mag.Lijf en goed al te zamenHeb ik u niet verschoond;Mijn broeders, hoog van namen,Hebben ’t u ook vertoond;Graaf Adolf is geblevenIn Friesland in den slag:Zijn ziel in ’t eeuwig levenVerwacht den jongsten dag.Edel- en hooggeboren,Van Keizerlijken stam,Een Vorst des Rijks verkoren,Als een vroom Christen-manVoor Godes Woord geprezenHeb ik vrij onversaagd,Als een held zonder vreezen,Mijn edel bloed gewaagd.Mijn schild ende betrouwenZijt Gij, o God, mijn Heer!Op U zoo wil ik bouwen.Verlaat mij nimmermeer!Dat ik toch vroom mag blijven,Uw dienaar t’ aller stond,De tirannie verdrijven,Die mij mijn hert doorwondt.Van al, die mij bezwarenEn mijn vervolgers zijn,Mijn God! wil toch bewarenDen trouwen dienaar dijn;Dat zij mij niet verrassenIn haren boozen moed,Haar handen niet en wasschenIn mijn onschuldig bloed.Als David moeste vluchtenVoor Saul den tiran,Zoo heb ik moeten zuchtenMet menig edelman;Maar God heeft hem verheven,Verlost uit aller nood,Een koninkrijk gegevenIn Israël, zeer groot.Na ’t zuur zal ik ontvangenVan God, mijn Heer, dat zoet,Daarnaar zoo doet verlangenMijn vorstelijk gemoed;Dat is, dat ik mag stervenMet eere in het veld,Een eeuwig rijk verwerven,Als een getrouwe held.Niets doet mij meer erbarmenIn mijnen wederspoed,Dan dat men ziet verarmenDes konings Landen goed.Dat u de Spanjaards krenken,O edel Neerland zoet!Als ik daaraan gedenke,Mijn edel hert dat bloedt.Als een prins, opgezetenMet mijnes heires kracht,Van den tiran vermetenHeb ik den slag verwacht,Die, bij Maastricht begraven,Bevreesde mijn geweld.Mijn ruiters zag men dravenZeer moedig door het veld.Soo het de wil des HeerenOp dien tijd was geweest,Had ik geern willen keerenVan u dit zwaar tempeest;Maar de Heer van hier boven,Die alle ding regeert,Die men altijd moet loven,En heeft het niet begeerd.Seer christelijk was gedreven.Mijn prinselijk gemoed;Standvastig is geblevenMijn hert in tegenspoed;Den Heer heb ik gebedenVan mijnes herten grond,Dat Hij mijn zaak wil reden,Mijn onschuld doen oorkond.Oorlof! mijne arme schapen,Die zijt in grooten nood;Uw herder zal niet slapen,Al zijt gij nu verstrooid.Tot God wilt u begeven,Zijn heilzaam woord neemt aan,Als vrome Christen leven,’t Zal hier haast zijn gedaan.Voor God wil ik belijden,En Zijner grooter macht,Dat ik tot geenen tijdenDen koning heb veracht,Dan dat ik God den Heere,Der hoogster Majesteit,Heb moeten obediëerenIn der gerechtigheid.Terecht is van dien zang gezegd, dat die uit de ziel des volks is gegrepen en ook oogenblikkelijk daartoe weer zijn terugweg vond; dat die “het Souterlied van Nederland, de nationale psalm der vaderen” is geworden. Van 1568 ruischt en bruist het met vollen toongalm door onze geheele geschiedenis, het is er als de muzikale adem van. In alle wereldoorden, waar de Prinsevlag Neêrlands kleuren toont, klinkt ook het Prinselied onder de meest wisselende toestanden.... Als elegie1van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe2van het triomfeerend Nederland is het “Wilhelmus van Nassouwe” een historisch volkslied, zooals geen enkele andere natie er een bezit.” Nu het in onze dagen in de oude toonzetting wordt ten gehoore gebracht, is het als het ware bij vernieuwing een stuk volksleven geworden.Brengt men zich daarbij te binnen, hoe dat lied tallooze malen neerslachtigheid heeft opgeheven tot vertrouwen, verslagenheid heeft getroost en bemoedigd, hoe het heeft geprikkeld en aangevuurd tot den felsten kamp; hoe het de machtige wapenkreet is geweest in de 16eeeuw tegen Spanje, in de 17etegen Lodewijk XIV, in den aanvang onzer eeuw tegen Napoleons onderdrukking, dan kunnen we den dichter, uit wiens aderen het vloeide en den held, wien het een eerzuil stichtte, niet dankbaar genoeg herdenken.Voor dien held en de zijnen werd het in de donkere dagen, die nog volgden, voor het licht aan de kim verrees, een der krachtigste prikkels om te volhardenen trots allen tegenspoed, alle tegenkanting, alle teleurstelling te vertrouwen op de toekomst, te vertrouwen op Hem, die daarin wordt genoemd:Mijn schild en mijn betrouwen,Zijt gij, o God mijn Heer.Met hoeveel opgewektheid en hoop was de tocht van 1568 door Oranje aangevangen, al was hij aanstonds door de nederlaag van de Villers te Daelhem, van de Hugenoten in het Zuiden, van Lodewijk bij Jemmingen, in zijn schoon en veelomvattend plan gestuit.De overwinning bij Heiligerlee, de betrekkelijke grootheid van zijn eigen leger en de vaste hoop, dat de poorten der steden zich van zelf voor hem zouden openen, hadden hem weder moed gegeven. En thans was die veldtocht geheel vruchteloos gebleken en de geheele onderneming van den Prins was mislukt. Wat bleef er over, dan te wanhopen aan de toekomst en de Nederlanden slechts over te geven aan de willekeur en tirannie van een Alva, die daarmede nu scheen te kunnen doen, wat zijn hart begeerde? De ontbinding van zijn huurleger te Straatsburg scheen het eind te zijn van Oranje’s Nederlandsche roeping. Wat kon hij thans beter doen dan onder den eeuwenouden lindeboom van Dillenburgs kasteel, die nog steeds zijn kruin verheft, te gaan droomen over het verloren verleden, te gaan peinzen over het “transeat gloria mundi?” Zoo scheen het den oppervlakkigen tijdgenoot. Languet, de beroemde diplomaat en publicist dier dagen, de groote vriend der Hervorming, de redder van vele slachtoffers van den Bartholomeusnacht, verkeerde zoo onder den indruk van ’s Prinsen jammerlijken staat op het eind van 1568, dat hij schreef: “De Prins is een dood man. Niet alleen dat zijn soldaten deserteeren, maar ze bedreigen hem zelfs te wurgen en Nassau te verwoesten.” En Alva schreef hetzelfde aan Filips: “De Prins kan beschouwd worden als een dood man. Hij is thans zonder eenigen invloed of crediet.”Inderdaad laat het zich volmaakt begrijpen, hoe beide partijen dien indruk van het oogenblik ontvingen. Reeds zijn terugtrekken over de Fransche grenzen, m. a. w. zijn vlucht voor Alva, was een diepe vernedering. Catharina de Medicis, waarschijnlijk onder den invloed der gewone Fransche politiek dier dagen, die steeds wankelde in haar houding tegenover het hervormd geloof en tegenover Spanje, ondersteunde nog eenige weken met geheime hulp het leger van den Prins. Toen die houding niet langer kon worden volgehouden en Alva verontwaardigd daarover sprak, werd het feit met de gewone dubbelzinnigheid der koningin eenvoudig geheel ontkend. Er ging zelfs een gerucht, dat een Hugenoot, die Schomberg vergezelde, een gelegenheid vond, om in het geheim tot den Prins te zeggen: “Luister niet naar Schomberg. De koning is niet gereed om U te bestrijden. Gij kunt uw eigen voorwaarden stellen.”Het schijnt dan ook, dat de Prins nog minder om dadelijk verzet van de Fransche regeering, dan wel om den onwil zijner soldaten het Fransche grondgebied verliet en te Straatsburg zijn leger ontbond. Was het wonder, dat hij toen voor een dood man werd gehouden, dat men meende, dat het voor goed gedaan was met al zijn plannen om Spanje te bestrijden en de Nederlanden te bevrijden?Er kwam nog meer bij, dat dien indruk versterkte. In het laatst van het jaar1568 scheen het werkelijk een poos, alsof keizer Maximiliaan ten gunste van de Nederlanden zou tusschenbeide komen. De Duitsche keurvorsten hadden namelijk 28 September van dat jaar den keizer een memorie aangeboden, waarin zij Alva’s wreedheden tegenover alle hoog- en laaggeboren Nederlanders beschreven. De keurvorsten beweerden dat de Nederlanden, als afzonderlijke kreits nog immer aan het Duitsche Rijk verbonden, recht hadden op de voorrechten van den godsdienstvrede van Augsburg. Maximiliaan werd daarom verzocht niet toe te staan, dat de koning van Spanje langer door middel van de inquisitie en de edicten van het concilie van Trente, die voorrechten der Nederlanders gewelddadig schond. En inderdaad! die aandrang van de keurvorsten hielp. Maximiliaan zond zijn eigen broeder, den aartshertog Karel, naar Spanje, om aan Filips te zeggen, dat hij aan den aandrang der publieke meening geen weerstand bieden mocht. Op den 21enOctober reeds was de brief met instructiën van den aartshertog gereed en op den 10enDecember kwam deze in Madrid aan.Toen Filips de boodschap van den aartshertog ontving, drukte hij de grootste bevreemding uit, dat iemand het durfde wagen, hem te beoordeelen in zijnzachtmoedigbestuur van zijn eigen rijk. Natuurlijk had hij in de zaak van den godsdienst alles gedaan, om het belang der kerk te bevorderen, gelijk de plicht was van elken geloovigen zoon, maar verandering in de regeering der gewesten had hij niet gemaakt, enz.Hij zond twee brieven aan zijn neef den keizer, een openbaren en een bijzonderen brief, beide met de bedoeling hem te doen weten, dat de koning met zijn eigen land kon doen, wat hem behaagde en dat zijn neef het best zou doen, zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Op den 23enJanuari, drie dagen na de ontvangst van die documenten, beantwoordde de aartshertog den openbaren brief op een stoutmoedigen, onafhankelijken toon, en verdedigde hij de zaak der Nederlanden en van den Prins van Oranje, terwijl hij verklaarde, dat de keizer vrije Vlaamsche en Hollandsche burgers niet kon noch wilde behandeld zien als de inwoners van Sicilië en Spanje. Hij bedreigde zelfs den koning, dat een groot aantal Duitsche vorsten en niet alleen Protestantsche, den Prins zouden steunen. Inderdaad, dit klonk zeer goed in de ooren van Europa; ongelukkig echter dat tegelijkertijd een andere onderhandeling tusschen Spanje en Oostenrijk die hooge keizerlijke gevoelens geheel in duigen wierp.In de Spaansche koninklijke familie waren in het laatste jaar twee sterfgevallen voorgekomen. De ongelukkige Don Carlos, de lichamelijk en geestelijk zwakke eenige zoon van Filips II, overleed in Juli 1568. Zijn dood liet den koning zonder mannelijken erfgenaam. En korten tijd daarna stierf ook Elisabeth van Valois en liet haar Spaanschen gemaal voor den derden keer als weduwnaar achter, die daardoor vrij werd, weder een andere vorstelijke dochter te huwen. Die dubbele dood werd de oorzaak, dat Maximiliaan een zachter toon tegenover Filips begon aan te slaan en in zijne aanvankelijk krachtige verdediging van de Nederlanden niet volhardde. Want Maximiliaan had zes dochters en ook Filips thans alleen vrouwelijke erfgenamen, zoodat de kans niet mocht verloopen, dat òf een zijner zonen met een van Filips’ dochters huwde, die dan later den Spaanschentroon kon beklimmen, òf dat Filips zelf vroeg om de hand van een van de dochters des keizers. Dit laatste had werkelijk plaats. Filips deed het voorstel, de aartshertogin Anna te huwen. Dit werd met beide handen aangenomen en de aartshertog Karel, die begonnen was in Madrid zoo krachtig en stout voor de Nederlanden in naam des keizers op te treden, verliet op den 4enMaart 1569 de Spaansche hoofdstad met een geschenk van 100.000 kronen, terwijl alle verdere onderhandelingen over de arme, slecht behandelde Christenen in Filips’ noordelijke gewesten werden gestaakt en de keizer zich voortaan bepaalde tot enkele zwakke onbeteekenende vermaningen. Dus ook de steun van den Duitschen keizer was voor den Prins verloren, op het oogenblik dat zijn veldtocht geheel mislukt was en te Straatsburg zijn leger werd ontbonden. Hadden Alva en Languet dan geen gelijk met te zeggen: “De Prins is een dood man!”Dood! dat zou Oranje, wiens gemoed steeds meer levend werd en wiens vertrouwen op de toekomst verdubbelde, naarmate zijn ervaringen somberder en zijn dagen donkerder werden, dat zou Oranje anders leeren. Daartoe was echter op dat oogenblik voor alle dingen noodig, dat hij zijn verloren krijgsroem herstelde; daarom besloot hij, zich met 1200 ruiters, die hem getrouw bleven, bij het leger te voegen, dat onder Wolfgang von Zweibrücken het leger der Hugenoten onder Condé zou te hulp komen. Zijne broeders Lodewijk en Hendrik bleven bij hem en verleenden, evenals Oranje, hunne persoonlijke diensten aan de Fransche Protestanten. De hertog van Anjou werd met het opperbevel over het leger van de regeering belast en won op den 10enMaart 1569 den bloedigen slag bij Jarnac, waar Condé den dood vond. Bij dien slag was Oranje met zijn legerafdeeling niet tegenwoordig, daar hij tevergeefs op de komst van Wolfgang gewacht had.Eerst den 30enMaart kon de Prins zich met het leger van Wolfgang vereenigen en trokken zij gezamenlijk door den Elzas naar de Fransche grenzen in Lotharingen. Nu was het natuurlijk hun plan het leger der Hugenoten, dat na den slag bij Jarnac, zich onder Coligny had hersteld en dat zich aan de Loire bevond, te gemoet te trekken. Daartoe moest het geheele vijandige land worden doorkruist. Die bange tocht werd ondernomen, ook al werden ze onmiddellijk door het Fransche leger gevolgd. De onderneming werd met de grootste stoutheid volvoerd; doch al waren zij bij het stadje la Charité ook bij de Loire gekomen, nog konden ze zich niet met Coligny vereenigen, daar nog steeds de hertog van Anjou tusschen den admiraal en zijne bondgenooten stond. Die vereeniging gelukte pas op den 10enJuni te Saint IJriex, in de nabijheid van Limoges. Een paar dagen later had de slag bij La Roche-Abeille plaats, waar Anjou werd verslagen en in welken slag Lodewijk zoowel als Oranje grooten roem behaalden.Gedurende den zomer bezocht Oranje in gezelschap van verschillende Hugenootsche hoofden het kasteel van den beroemden Brantôme, den schrijver van verscheidene belangrijke werken, die zijn loopbaan als militair in den dienst der regeering, o.a. tegen de Hugenoten, begonnen was. Deze Brantôme geeft in zijn Grands Capitaines étrangers de volgende beschrijving van dat bezoek.“Verscheidene Fransche bondgenooten van den hertog von Zweibrücken zoowel als de Prins van Oranje, graaf Lodewijk en hun jongere broeder, kwamen na den dood van dien hertog (deze was nog voor de vereeniging der beide legers overleden) op het kasteel Brantôme, waar ik mij teruggetrokken had wegens een ernstige vierdaagsche koorts, die mij zoo kwaadaardig had vergiftigd, dat ik er in maanden niet van kon bevrijd worden. Zoo zag ik al die edellieden, Franschen en vreemdelingen, in mijn huis. Om strijd bewezen ze mij elke mogelijke eer, zonder eenige schade aan mijn huis toe te brengen. Geen enkel beeldje werd er vernield, geen enkele glasruit gebroken. Ik onthaalde hen uitstekend, daar de koning van Navarre en de admiraal beiden zeer op mij gesteld waren. Aan den laatstgenoemde was ik door zijn vrouw zelfs verwant. In het kort, ik had reden, over hen allen zeer voldaan te zijn.Daar zag ik de vreemde prinsen en had in een laan van mijn tuin lange gesprekken met den Prins van Oranje. Ik vond hem een gedistingeerd persoon, geheel naar mijn smaak. Uitstekend redeneerde hij over de zaken. Hij vertelde mij, hoe krachteloos zijn leger was; hij weet dit aan zijn armoede en aan de vreemden, die hem geen liefde toedroegen. Maar hij was niet van plan, in het midden van den weg te blijven staan en heel spoedig zou hij den verloren grond terugwinnen. Hij had een zeer aangename manier van omgang en maakte ook uitwendig een goed figuur. Graaf Lodewijk was kleiner. Den Prins vond ik verdrietig gestemd; hij was terneergeslagen door zijn rampspoed. Maar graaf Lodewijk was openhartiger in zijn houding en scheen blijmoediger te zijn. Hij werd voor meer vermetel en meer ondernemend dan de Prins gehouden, maar deze was wijzer, rijper en voorzichtiger.”In den slag van La Roche-Abeille deelde de Prins het commando met graaf de la Rochefoucauld. Toen volgde de belegering van Poitiers, dat dapper verdedigd werd en ook niet werd ingenomen. Bij die belegering was de Prins ook aanwezig; doch kort nadat het beleg door de Hugenoten was opgegeven, verliet Oranje hen, om naar Duitschland terug te keeren.Lodewijk en Hendrik bleven bij het leger der Hugenoten en namen deel aan den ongelukkigen veldslag van Montoncour, waar Lodewijk, trots den jammervollen uitslag, vele lauweren behaalde. Terwijl deze Coligny op zijn verdere tochten vergezelde, in het Prinsdom Oranje de orde herstelde en met den admiraal werkzaam was, toen de belangrijke vrede van St. Germain werd gesloten, om daarna uit La Rochelle voor de belangen van den Prins te werken en met hem nieuwe plannen tot bevrijding der Nederlanden te maken, was de Prins zelf diep in het geheim naar Duitschland teruggegaan. Dat vertrek had zelfs zoo in stilte plaats gehad, dat het niet behoeft te bevreemden, dat er allerlei geruchten, het een al dwazer dan het andere, aan werden vastgeknoopt.De Spaansche gezant te Parijs, Alava, schreef, dat het Hugenootsche leger met verachting van den Prins sprak, toen het hoorde van zijn plotseling vertrek en dat hij beschouwd werd als een man, wiens reputatie verloren was. Ook werd deze vlucht, drie dagen voor den slag van Montoncour, als een daad van gebrekaan moed aangemerkt. Anderen dachten, dat Oranje in het geheim naar Engeland ging om hulp van Elisabeth te vragen en zelfs om een huwelijk voor te bereiden tusschen Hendrik van Navarre en Elisabeth. Nog anderen meenden, dat het doel zijner geheimzinnige reis was, La Rochelle in de handen der Engelschen te spelen, terwijl de koninklijke troepen zich in het Oosten van Frankrijk ophielden.Het meeste geloof echter verdient de meening, dat de Prins zich haastte naar Duitschland te komen, omdat hij bij vernieuwing eenige kans zag, de Nederlandsche vluchtelingen tot vereenigd handelen te brengen.Zelfs wordt verteld, dat Oranje als boer verkleed met enkele volgelingen het kamp in Frankrijk verliet en met groot gevaar voor zijn leven den Rijn bereikte, ten einde in Duitschland nieuwe versterkingen te gaan zoeken.In November bereikte hij Dillenburg, maar hij scheen het onveilig te vinden lang op ééne plaats te blijven en reisde daarom het land op en neer. Omtrent Kerstmis bereikte hij Arnstadt, vanwaar hij aan zijne broeder Jan te Dillenburg schreef. Uit dien brief blijkt, hoe de Prins tot zijn droefheid, in Duitschland reizende, bij vernieuwing van den haat der Lutheranen tegen de Calvinisten had gehoord. De predikanten der eerstgenoemden ontzagen zich niet de Calvinisten in Frankrijk en in de Nederlanden van den kansel voor muiters, rebellen, heiligschenners en beeldstormers te schelden. En daaraan wijt hij het ook, dat zijn arbeid in Duitschland zoo vruchteloos blijft en dat zelfs een Alva nog door lichtingen uit Duitschland (Eric van Brunswijk) wordt versterkt. Weemoedig roept hij uit:“Terwijl onze tegenstanders werken en wij alles moesten doen, om hunne ondernemingen te vernietigen, slapen wij.... De zaken zijn zoover gekomen, dat, als God niet wonderlijk helpt, de godsdienst gevaar loopt, voor langen tijd uitgeroeid te worden; want niemand zal dien durven steunen, ziende de weekheid en het gebrek aan moed bij hen, die zedelijk verplicht waren, dien te bevorderen en te onderhouden....”Van welke zijde hulp te wachten zou zijn, was in dien tijd moeilijk te ontdekken; toch ging Oranje voort en vond al zoekende, overal met gevaar voor zijn eigen leven, hier en daar een weinig hulp. Hij was gedwongen zich zoo geheim te houden, dat men meende, dat hij dood was. Toen dit gerucht ter oore van Viglius kwam, zeide deze: “Als het hoofd is weggenomen, dan hebben wij de rebellen niet meer te vreezen.” Wel scheen het op het einde van 1569 alsof de troebelen geheel waren bedaard en Alva vrij naar zijn wil kon handelen maar de Prins rustte niet, doch werkte dag en nacht om aan alle kanten vrienden en te gelegener tijd volk te bekomen.Behalve het geheim beroep, dat hij in persoon op talloozen deed, zond hij een menigte adressen om hulp overal heen. Brief op brief richtte hij tot de gevluchte edelen en tot de hervormde congregaties in Engeland, in Kleef, Emden, Hamburg, Bremen en elders. Ook met verscheiden invloedrijke personen in de Nederlanden onderhield Oranje geheime briefwisseling, met Sonoy, van Swieten, van Calslagen, Cant en Wesenbeke.De toenmalige Leidsche pensionaris Mr. Paulus Buys, die in 1572 advocaat van den lande werd en later in menig opzicht de rechterhand van den Prins was,wijdde zich reeds in 1569 met grooten ijver aan de nationale zaak. Hij was het, die op het eind van dat jaar, terugkeerende van de Algemeene Statenvergadering te Brussel, die over den eisen van den 10enpenning van Alva beraadslagen moest, diep in het geheim een reis naar Dillenburg waagde en 24 uren vertoefde bij den Prins, wien hij alle inlichtingen omtrent den toestand in de Nederlanden geven kon.Hoofddoel van de geheime correspondentie, welke van die reis van Buys het gevolg was, werd een opwekking van de Nederlanders, toch te bedenken, dat de welvaart van het vaderland van hen eischte als eerste plicht, gelden bijeen te zamelen. Eene proclamatie van den Prins van 22 April 1570 bevatte o. a. het volgende:“Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden, voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel ter harte neemt ’t gemeen welvaren van het vaderland in ’t algemeen als van elk van U in ’t bijzonder....“Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt getoond....“In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor de welvaart van het land en voor de vrijheid” enz.In dien toon waren de brieven en de proclamaties van den Prins gesteld. Er werd zelfs een geheel stelsel van geheime correspondentie uitgedacht, om door verdichte namen de regeering op een dwaalspoor te brengen, als de brieven soms werden opgevangen. De steden, die men wilde verrassen, werden met godennamen uit de Romeinsche en Grieksche mythologie aangeduid; de personen met voorletters of pseudoniemen, enz. Om de verzameling van gelden was het allereerst te doen en dan verder om de verrassing van steden.Hoe konden echter Oranje en de zijnen gegronde hoop koesteren, na de mislukking van den aanval van 1568, op een réveil van het volk? Was toen niet de poging afgestuit op den onwil van de Nederlandsche burgers om zijn poorten voor den Prins te openen? Zagen we niet, dat Alva in het eind van dat jaar als de geduchte overwinnaar werd gevreesd, dat alles voor hem had gebukt?Het was natuurlijk reactie, die hier de zaak van den Prins heeft geholpen. Alva’s overwinningen hadden hem overmoediger dan ooit gemaakt; hij dacht thans met het Nederlandsche volk te kunnen doen, wat ook zijn hart begeerde. De oprichting van het standbeeld, dat hem als overwinnaar voorstelde, met den voet op den nek van een tweehoofdig monster, adel en volk, was de sprekende profetie,wat men thans van hem had te wachten. Zijne plannen waren zoo veelomvattend, dat niet alleen de Bourgondische Nederlanden, maar ook de aangrenzende gewesten in het Duitsche Rijk onder Spaanschen invloed moesten komen. Al de maatregelen, die dienen moesten om dit groote doel te bereiken, waren van dien aard, dat ze van zelf het in slaap gezonken volk tot nieuw verzet prikkelden.Alsof er al niet genoeg ellende over het land was gebracht! Het schrikbewind van Alva had haar uitwerking niet gemist en de Raad van Beroerten hield niet op over schuldigen en onschuldigen een vonnis uit te spreken.Al is het te sterk gekleurd toch wordt die toestand van ons land, reeds eenige maanden na Alva’s komst, treffend weergegeven door de beschrijving van Motley: “Het gansche land werd een knekelhuis; de doodsklok luidde ieder uur in alle dorpen; aan geen enkele familie werd de rouw gespaard over haar dierbaarste betrekkingen, terwijl de overlevenden onverschillig rondzwierven, de schimmen van wat zij vroeger waren, tusschen de puinhoopen van wat eens hun woning was. De energie van het volk scheen binnen weinige maanden na de komst van Alva hopeloos gebroken. Het bloed van de besten en dappersten onder hen had reeds het schavot bevlekt; de mannen, tot wie zij gewoon waren geweest uit te zien om leiding en bescherming, waren dood, gevangen of in ballingschap. Onderwerping had geen nut meer, ontvluchting was onmogelijk en wraakzucht woedde aan elken haard. Dagelijks liepen rouwdragenden langs de straten, want er was bijna geen huis, waar de dood niet gewoed had. De schavotten, de galgen, de brandstapels, in gewone tijden voldoende, leverden nu een volkomen ontoereikend materiaal voor de steeds elkaar opvolgende terechtstellingen. Palen, stokken in iedere straat, deurposten van particuliere huizen, schuttingen op het veld torschten geraamten van menschen, die geworgd, verbrand of onthoofd waren. De boomgaarden op het land droegen aan menigen tak, afzichtelijke vrucht, lichamen van menschen. Zoo werden de Nederlanden vernietigd en ware het niet dat de scherpe dwingelandij nu hare poorten gesloten had, ze zouden ontvolkt zijn geworden. Het gras begon te groeien in de straten van die steden, die nog kort geleden zoo vele werklieden gevoed hadden. In al die groote nijverheids- en handelsplaatsen, waar de polsslag van het leven zoo sterk geklopt had, heerschte nu stilte en middernachtelijke duisternis.”Onder die nieuwe maatregelen nu, welke Alva nam, was een der voornaamste, de invoering vanvaste rechtstreeksche belastingen, een stelsel, dat in Spanje reeds langen tijd bestond onder den naam van alcabala. Van Spaansch standpunt uit was het streven naar zulk een vaste regeling zeer begrijpelijk. Maar de Staten vonden tot heden hunne eenige kracht in de contrôle, die ze om een zeker aantal jaren door de goedkeuring der beden op de regeering konden uitoefenen. De Staten hadden feitelijk de koorden van de beurs in handen. Een vaste regeling zou, bij gemis van elke andere contrôle, totale slavernij van het volk ten gevolge gehad hebben.Bovendien waren de voorgestelde belastingen zeer drukkend, want bij verkoop van roerende goederen zou 10 % (tiende penning), van onroerend goed 5 % (twintigste penning) betaald worden, terwijl dan nog 1 % (honderdstepenning)zou geheven worden van de waarde van alle goederen, zoowel roerende als onroerende. Dat de kooplieden in hun handel ten zeerste bedreigd werden door deze voorstellen laat zich begrijpen.Geen wonder daarom, dat dit plan een storm in het land verwekte, veel grooter dan al de godsdienstige vervolgingen en onrechtvaardige daden gedurende de laatste twee jaren. En die storm was zoo geweldig, dat zelfs een Alva daarvoor bukken moest. Na eindelooze nieuwe voorstellen van den kant des landvoogds en nieuwe uitvluchten en bezwaren van de vergaderingen der Staten, werd Alva’s voorstel, om in plaats van den tienden en den twintigsten penning een heffing van 2 millioen ’s jaars te doen voor twee jaar, aangenomen, doch de Landvoogd was vast besloten, zoodra mogelijk, op de zaak terug te komen en de financiën behoorlijker te regelen.Deze en andere maatregelen, die alleen dienen moesten, om alle privileges der bevolking te ontrooven, deden echter de ontevredenheid van dag tot dag toenemen. Daarbij begon de indruk van de strafoefeningen en de krijgstochten van 1568 allengs te verminderen en het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de geheime invloed van Oranje door middel zijner agenten in Holland hoe langer hoe meer van beteekenis werd en dat men reeds weder kon beginnen te denken aan overmeestering of verrassing van steden.Een zware last bleef echter hevig op den Prins drukken, die hem zeer in zijn plannen belemmerde. Dat waren de schulden, die hij had aangegaan bij de expeditie van 1568. De Nassau’s hadden bijna elke bezitting, alles wat van eenige waarde was, verpand, om de eischen der huursoldaten te bevredigen. Uit de brieven van Oranje aan zijn broeder Jan blijkt duidelijk, in welk een verlegenheid hij zich vaak bevond en tot welk een bezuiniging hij de toevlucht nam. Hij had, gelijk we vroeger zagen, aan de huurtroepen beloofd, dat als hij binnen een bepaalden tijd niet kon betalen, hij zich dan zelf als gijzelaar in hun handen zou stellen.Op 1 Januari 1570 schrijft hij nu aan zijn broeder Jan en verzoekt hem een zekeren Tieman van Hort naar een vergadering van de onbetaalde troepen te zenden, om dezen aan het verstand te brengen, hoe onzinnig het zou zijn, als hij die belofte vervulde. Indien hij onder den rijksban kwam, of in handen van den keizer, dan was alle hoop verloren, dat hij ooit het verschuldigde kon betalen. Bleef hij vrij, dan bestond altijd de kans, dat de zaken een voordeeligen keer namen. Ook draagt hij zijn broeder in den brief op, een kleinen beker ter waarde van 100 florijnen aan Hartman Wolf, een kapitein van een zijner troepen, die in het huwelijk was getreden, te zenden. Wat de 10.000 florijnen van den hertog van Saksen betrof, de Prins had gedaan wat hij kon, maar had niets gekregen. Dit schreef hij uit Sondershausen en op den 17enJanuari richtte hij weder tot denzelfden broeder uit Arnstadt een brief, die ons nog meer in bijzonderheden teekent, in welk een benauwden toestand Oranje was gekomen. Na zijn vruchtelooze onderhandelingen te hebben vermeld, zegt hij:“Ik ben bevreesd, dat mijne brieven soms door den vijand zullen gelezen worden, want zij zouden er uit kunnen zien, hoe weinig vooruitzicht er voor mij op hulp van de vorsten bestaat. Terzelfdertijd durf ik niet nalaten om Coligny enanderen omtrent den toestand inlichting te geven.... Schwarzburg is teruggekeerd, maar heeft niets bereikt. Hij en George von Holl rieden mij aan, naar U te gaan, maar om verschillende redenen acht ik dit ongeschikt. Ik zou niet geheim genoeg kunnen reizen, om ontdekking te ontgaan en ik heb te weinig paarden, om openlijk te komen.... Alle vrienden van de partij van den koning zijn op middelen bedacht om mij te verschalken en mijne soldaten zouden mij ter zake van het geld, dat ik hun nog schuldig ben, wel kwade parten kunnen spelen. Daarbij is Dillenburg een versterkte plaats en daarom kan men licht denken, dat, als ik daar heen ging, er dan ook van alle kanten vreemdelingen zouden heenvluchten en dan kon de hertog gemakkelijk iemand zenden, om de plaats te bespieden, of zelfs om mij te vergiftigen. En behalve dat, zouden uwe uitgaven zoozeer door die vreemdelingen vermeerderd worden en als er krijgsvolk in de buurt was, dan konden ze licht een aanval op de plaats doen.... De Landgraaf is het hiermede eens.... Graaf Gunther, Hans Gunther en graaf Albert verzoeken mij bij hen te blijven en bewijzen mij tal van beleefdheden, die ik ten hoogste waardeer....”De Prins eindigt dien brief met de mededeeling aan zijn broeder, dat hij den raad, om nog eenigen tijd te blijven waar hij was, zou opvolgen, tenzij zijn vrouw in Dillenburg kwam, in welk geval hij zoo geheim mogelijk een reis daarheen wilde doen, om dan met zijn broeder Jan en zijn moeder een besluit te nemen, wat er verder moest gedaan worden.Op den 20enJanuari schreef de Prins weder aan Jan, om hem te danken voor zijn mededeeling, maar vooral om hem in te prenten, te Dillenburg op zijn hoede te zijn. Hij gaf hem allerlei raadgevingen ten opzichte van de versterking der plaats. O. a. schreef hij:“Het komt mij voor, dat uwe buren u moesten helpen, want ook in hun belang is het, dat Dillenburg goed versterkt is. Zou het niet zeer van pas zijn, dat gij aan de landgraven Lodewijk en Willem en aan andere graven in de buurt schreef, om ten minste zeker te zijn, hoeveel gewapende mannen zij u in geval van nood zouden kunnen leveren. Ook was het te wenschen, dat gij uw geschut terug hadt, dat thans hertog Casimir van u heeft en dat het weer in Dillenburg werd geplaatst. Ook moeten er menschen aan het werk gesteld worden om salpeter te zoeken; ik twijfel niet, of er is in uw gronden een voldoende hoeveelheid te vinden om uw huis van kruit te voorzien....”De rest van dezen brief is gewijd aan kleine bijzonderheden, die bewijzen, hoe de Prins zich genoodzaakt zag, zich met de minste zaken (b.v. zijn kousen) te bemoeien. Ook vermeldt hij nog aan zijn broeder, dat Gunther naar Dresden is vertrokken, om den keurvorst te zien voor zijn reis naar den keizer. “Ik droeg hem op, bij den keizer van de zaak der arme Christenen nog eens gewag te maken, maar vrees, dat het vergeefsche moeite zijn zal.”Niettegenstaande al de bezwaren tegen het vertoeven van den Prins te Dillenburg, vinden we hem toch op den 15enMaart op het kasteel terug en wel in briefwisseling met zijn broeder Jan, die zich toen eenigen tijd in Frankfort ophield. Van daar begon hij toen die belangrijke briefwisseling met Wesenbeke; van daargaf hij zijne proclamaties en commissiebrieven in het belang der Nederlanden. Tot de laatste behoorde ook de opdracht, die door Oranje aan de Watergeuzen gegeven werd.De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)Reeds in September 1569 had de beruchte Zuid-Nederlandsche edelman Adriaan de Bergues, heer van Dolhain, zulk een commissie van den Prins ontvangen. Hij deed dat krachtens zijn recht als onafhankelijk souverein van het vorstendom Oranje. De Watergeuzen waren niets anders dan piraten, maar het waren voor het grootste deel martelaren van het Spaansche schrikbewind. Dat was dan ook zeker de eerste reden, waarom de Prins zich met hen in betrekking stelde—een tweede, niet minder van belang was, dat Oranje hoopte door een deel van hun buit in zijn geldnood te kunnen voorzien. Door zijne onbetwistbare verhouding tot hen heeft de Prins van de zijde zijner vijanden, van zijne dagen af tot heden, den grootsten smaad ondervonden.Omdat de Watergeuzen eene van hem afkomstige aanstelling bij zich droegen en de Prins den band vormde, die eenheid gaf aan hun vrijbuiten, is hij aansprakelijk gesteld voor al de bandeloosheden en gruwelen door dien wilden hoop bedreven. Toch is dit hoogst onbillijk. De Prins liet niet na, in zijn commissiebrieven de hoofdleiders en de matrozen aan te sporen tot het inachtnemen van orde en goede manieren. “Ils ayent surtout à user de toute la discrétion et pourvoyance que leur sera possible.” Was de Prins er dan verantwoordelijk voor, dat dergelijke raadgevingen niet hielpen? Hij kon niet anders doen dan hij deed. De mannen, die het vertrouwen onwaardig bleken, afzetten en nieuwe commissiebrieven aan anderen geven. Aldus handelde hij ook.De beruchte Dolhain, die het talent geheel miste, zich te doen eerbiedigen door zijn roofzieke schepelingen en die, in Dillenburg ter verantwoording geroepen, den Prins niets ter hand stelde dan alleen een onbetaalde rekening, werd vervangen door den Heer de Lumbres, ook een Zuid-Nederlandsch edelman, een man van meer geestkracht. En toch gelukte het ook dezen niet, met zijn onderbevelhebbers Lancelot van Brederode en Guillaume de Lumey, uit het huis van La Marck, orde en tucht te handhaven onder de verwilderde zeeroovers.In ’s Prinsen kas vloeide na de benoeming van Lumbres wel iets meer, maar toch nog zeer weinig. De afzetting van Dolhain en de aanstelling van zijn opvolger was mede het gevolg van eene briefwisseling van den Prins met den Kardinaal de Châtillon, broeder van Coligny, die hem den raad gaf, zijn commissiebrieven terug te nemen, daar de handelingen der Watergeuzen zijn zaak in discrediet brachten.Van toen af werd bepaald, dat op elk schip een evangelie-dienaar aanwezig zou zijn, geen vreemdeling mocht scheepscommandant worden; misdadigers moesten niet meer op de rol worden gezet, terwijl alle muiterij en wangedrag streng zou worden gestraft.Deze verscherpte orders waren ook meestal een doode letter en de Watergeuzen bleven als vroeger de schrik van de kust.Het bleven dus in 1570 donkere dagen voor het land en voor den man, die in Dillenburg onophoudelijk bezig was, om op maatregelen tot redding bedachtte zijn. Ook van Spanje’s zijde werd de toestand voor de Nederlanden niet gunstiger. Wel hoopte men in dat jaar, dat een nieuwe opstand van de Mooren eenige afleiding zou geven en misschien de oorzaak zou worden, dat de Spaansche troepen het land zouden verlaten. Maar de jongere broeder van Filips, Don Juan, toonde zich krachtig genoeg, met de Spaansche macht alleen den opstand te bedwingen. Alva werd niet op het tooneel geroepen; zijn soldaten bleven in de Nederlanden, die buitendien geld naar Spanje moesten zenden. Ook aan een andere hoop, waarmee men zich in 1570 korten tijd vleide, werd de bodem ingeslagen.Op den 16enJuli kondigde Alva een pardon af, dat naar hij hoopte, het volk zou bevredigen. Filips had hem er drie gezonden, om naar omstandigheden van een daarvan gebruik te maken. Alva koos de mildste en op genoemden datum werd dat pardon op de groote Plaats te Brussel aan de verzamelde menigte voorgelezen en ook naar andere steden gezonden. De toehoorders echter waren even wijs bij het slot als bij het begin. Wel werden er publieke vermakelijkheden, door Alva bevolen, gevierd, die de uiting der blijdschap over dat pardon moesten zijn, maar de Nederlanders ontwaakten ras tot het besef, dat dit pardon gelijk aan al de andere was, die Filips reeds vroeger had uitgevaardigd, daar aan niemand iets werd gegeven, behalve aan hen, die niet tegen de kerk en tegen den koning hadden gezondigd. En alsof al die teleurstellingen niet wreed genoeg waren, op den eersten November van dat jaar werd Nederland door een vreeselijken watervloed geteisterd, die in alle zeegewesten de grootste verwoestingen aanrichtte, doch vooral in Friesland en Groningen onbeschrijfelijke ellende na zich sleepte. Duizenden verloren het leven en duizenden werden tot den bedelstaf gebracht.Een groote aanwinst voor den Prins was, dat in den winter van 1570 op 1571 Filips Marnix van St. Aldegonde voor goed in zijn dienst kwam en sedert Oranje’s getrouwe dienaar en medestander is gebleven. Dit feit is daarom te merkwaardiger, omdat die vriendschap den nauwen band heeft gevormd tusschen hem en de Nederlandsche Calvinisten. We herinneren ons, hoe weinig de Calvinisten hem eigenlijk genegen waren, hoe hij zelfs in Antwerpen in 1567 met de Lutherschen en de Katholieken tegenover hen stond. Nog steeds bleef men in Nederland den Prins verdenken van de poging, om de Augsburgsche Confessie aan Nederland op te dringen. Die vrees werd door de thans voor goed gesloten vriendschap met Marnix geheel beschaamd, doch deze had nu ook weder dit nadeelige gevolg, dat de Luthersche vorsten nog minder tot hulp geneigd waren, afkeerig als ze waren van alle Calvinisten. Van alle plannen, die met Wesenbeke en anderen waren besproken of beschreven, kwam in het jaar 1570 niets dan de verrassing van Loevestein door Herman de Ruyter, die door het ontbreken van andere pogingen en door den dood van den aanvoerder op enkel teleurstelling uitliep.Hoe ook het een en ander den Prins zelf ontmoedigde, den moed verliezen deed Oranje niet. Mochten al de Duitsche vorsten hem hunne hulp weigeren, mochten de beurzen der Nederlanders te veel gesloten blijven, mochten de Watergeuzen door hun gedrag zijn zaak in discrediet brengen, mochten Alva’s geheime zendelingen in Nassau zelf hem met den dood bedreigen, Oranje’s hoop en moed werden daardoor niet uitgebluscht. De man, die eertijds gestaan had in het middenvan diplomatieke onderhandelingen, die reeds toen had leeren begrijpen, van welk hoog gewicht voor het nationale leven van één volk de inwerking was van de volken in den omtrek; de man, die reeds in 1559 doorzien had, hoe de draden van het diplomatiek beleid van Engeland, Frankrijk en Spanje door elkander liepen, en die daarbij later door zijn verhouding tot de Hugenoten en tot Coligny geheel op de hoogte was gekomen van de inwendige Fransche politiek; die man begreep, dat de verlossing der Nederlanden ten deele ook van diplomatieke combinatiën afhing. En nu wilde het geluk, dat het hem niet moeilijk kon vallen, op dat oogenblik den draad daarvan, al was hij persoonlijk ver van het tooneel verwijderd, in handen te krijgen.Zijn broeder Lodewijkwas tochin Frankrijk achtergebleven, toen de Prins zelf op het eind van 1569 naar Duitschland was teruggekeerd. Hij was daar na den slag van Moncontour de rechterhand van Coligny gebleven. Al waren in dien slag de Hugenoten verslagen, de Katholieken hoopten tevergeefs, dat de tegenstand hunner vijanden nu voor goed was gebroken. Coligny herstelde zich en stond in Juni 1570, met een klein, maar goed georganiseerd leger in Bourgogne. Karel IX verlangende naar den vrede, sloot op den 8enAugustus van dat jaar den vrede van St. Germain, waarbij vier steden den Hugenoten werden ingeruimd en de Prins zijn vorstendom Oranje terugkreeg.Ook daarna bleef Lodewijk in Frankrijk, zoowel om als regent van het Prinsdom Oranje daar alles te regelen, maar ook om de diplomatieke taak te vervullen, die de Prins voor de verlossing der Nederlanden op het oog had. Daartoe stelde zich Lodewijk met den Engelschen gezant Walsingham in betrekking en wist dezen te winnen voor het groote plan, om Karel IX over te halen tot een openlijken oorlog met Spanje. De Nederlanden zouden allereerst worden aangevallen en behalve op Engelands hulp zou men dan op de vrienden van den Prins in de Nederlanden kunnen rekenen, om de Spaansche heerschappij aldaar omver te werpen. “Van den zomer van 1570 dagteekent dan ook de later te midden van alle bezwaren en gevaren vastgehouden politiek van den Prins, om Frankrijks koningen—zoo mogelijk met Engeland verbonden—met Spanje in oorlog te brengen, ten einde dan in den strijd tusschen de mogendheden, de Nederlanden te bevrijden.” Wel was Lodewijk de man, die op dit oogenblik in Frankrijk die politiek uitvoerde, maar de Prins was de eigenlijke drijfveer van al zijne bewegingen.Het gevolg hiervan was, dat in 1571 de plannen tot den gemeenschappelijken aanval op Spanje en de Nederlanden werden uitgewerkt en dat de samenwerking van de Hugenoten en het Fransche koningshuis zou bezegeld worden door een huwelijk tusschen Hendrik van Navarre en Margareta van Valois. Zooals we later zullen zien liep dit uit op een jammerlijke mislukking.Hier moet nog een woord in het midden gebracht worden over een zaak, die den Prins persoonlijk betrof namelijk over zijn goederen en bezittingen in de Nederlanden. Het was Alva niet onbekend gebleven, dat de Prins, in plaats van dood te zijn, naar alle zijden zijn werkzaamheden uitbreidde, om de bevrijding van het land voor te bereiden. Van dat nieuwe leven opgeschrikt, wilde hij een poging te meer aanwenden, om zijn naam in vergetelheid te brengen. Daartoetrachtte hij den koning van Spanje te bewegen, al de bezittingen van de Nassau’s in de Nederlanden te verkoopen en voor den graaf van Buren, den naar Spanje opgelichten zoon van den Prins, aequivalente goederen in Spanje aan te koopen.In die dagen stelde Alva ook aan Filips voor, den Prins in den vorm van een stroopop te doen executeeren, zijn wapenschild aan de staart van een paard door het vuilnis te sleepen en dan in stukken te breken, zijn kinderen te ontadelen en ze onbekwaam te verklaren, goederen in des konings rijken te bezitten.Mogelijk hing het eerste voorstel van Alva wel samen met den hoogen prijs dien de Prins op die goederen en bezittingen zelf toonde te stellen. Was het wonder dat hij zulks deed? Was het wonder, dat er in diezelfde dagen onderhandelingen door den Prins en door Lodewijk met Spanje zijn gevoerd over de teruggave dier bezittingen? Zeer onbillijke verwijten zijn daaromtrent den Prins gedaan. Doch allereerst moet gezegd worden, dat het volkomen ontbreekt aan uitvoerige berichten omtrent die onderhandelingen; hoever de Prins zich geneigd toonde, zich buiten de Nederlanden te houden, indien hij zijn goederen terug ontving, is onbekend. Doch aangenomen, dat er dienaangaande onderhandelingen gevoerd zijn, moeten we dan niet toegeven, dat het toch recht natuurlijk was, dat Oranje ook zich zelf niet vergat?Waarlijk, wat hij tot op dat oogenblik van den goeden wil der Nederlanders had ondervonden, was tamelijk ontmoedigend. Zou het dan zoo vreemd zijn geweest, dat hij, zoo de Nederlanders niet zich zelf wilden helpen, toch op zijn eigen belangen bedacht was? Was het niet onnatuurlijk, indien hij zich daaromtrent onverschillig betoond had? Doch wij herhalen, al wat hem dienaangaande wordt ten laste gelegd, grondt zich op enkele aanduidingen, op geen bewezen feiten en vloeit daarbij voort uit den haat tegen den zoogenaamden geloofsheld, dien men daardoor in de schatting der menigte wil doen dalen. In elk geval voerden de onderhandelingen tot geen resultaat en bleef de Prins zijn eigen belangen aan die van de Nederlanden paren, bleef hij in de donkere dagen, die hij doorleefde, werkzaam voor de toekomst.Over die donkere dagen viel nog een andere sluier, dien wij genoodzaakt zijn, hoe droevig ook, in een volgend hoofdstuk op te lichten.1Klaagzang.2Lofzang.

Hoofdstuk XIII.Donkere dagen. 1569–1571.Onder hen, die den Prins op zijn tocht in het jaar 1568 vergezeld hadden, behoorden vele zeer besliste Calvinisten. Katholieken waren nietuitgesloten, zooals het voorbeeld van Hoogstraten bewijst, maar de bondgenooten van den Prins waren vooral de vurige hervormers. Daar hij den oorlog tegen Alva bovenal tot een heiligen krijg wilde verheffen, waren vooral de hervormde predikers hem welkom; zijn veldprediker, Adriaan Savary, schreef zijn “hartgrondige begeerte van den edelen, lankmoedigen, hooggeboren Prins van Oranje,” waarin de geloofsgenooten tot een plechtige voorbede werden opgewekt om den wonderdadigen arm Gods over den krijg in te roepen. Al was Oranje nog niet bepaald overgegaan tot het Calvinisme, toch wenschte hij, dat men in hem reeds den held van het hervormde geloof aanschouwde. Zijn voornaamste volgelingen, als Culemborg, Leefdael, van der Noot en Sonoy hadden reeds openlijk den ouden godsdienst vaarwel gezegd en blaakten van ijver voor het nieuwe geloof.Tot dezen behoorde in de eerste plaats Filips Marnix van St. Aldegonde, de edele broeder van den te Austruweel gesneuvelden Toulouse. Reeds had deze een eerste rol in het Verbond der Edelen vervuld en behoorde hij in Antwerpen tot die Calvinisten, die van ter zijde uit geloofsijver den beeldenstorm in de hand werkten. Daardoor stond hij zelfs in de moeilijke dagen die Antwerpen in Maart 1567 doorleefde, niet aan de zijde van den Prins, doch had zich onmiddellijk in 1568 onder zijne vanen geschaard, toen hij met een leger voor gewetensvrijheid de Nederlanden betrad. Als dichter en schrijver is hij bovenal bekend en naar alle waarschijnlijkheid was het tijdens de donkere dagen, na den treurigen afloop van den eersten bevrijdingstocht zijn dichttalent, dat het aanzijn gaf aan ons “Wilhelmus van Nassouwe.” Op de wijs van een bekend Fransch lied geeft het uitnemend de stemming weer, waarin de Prins en zijn vrienden toen verkeerden. Het luidt in zijn geheel aldus:Muziekschrift met de eerste twee strofen van het Wilhelmus.Wilhelmus van NassouweBen ik, van Duitschen bloed;Den vaderland getrouweBlijf ik tot in den dood.Een prince van OrangiënBen ik vrij onverveerd;Den koning van HispangiënHeb ik altijd geëerd.In Godes vrees te levenHeb ik altijd betracht;Daarom ben ik verdreven,Om land, om luid’ gebracht:Maar God zal mij regeerenAls een goed instrument,Dat ik zal wederkeerenIn mijnen regiment.Lijdt u mijn onderzaten,Die oprecht zijt van aard:God zal u niet verlaten,Al zijt gij nu bezwaard;Die vroom begeert te leven,Bidt God nacht ende dag,Dat Hij mij kracht wil geven,Dat ik u helpen mag.Lijf en goed al te zamenHeb ik u niet verschoond;Mijn broeders, hoog van namen,Hebben ’t u ook vertoond;Graaf Adolf is geblevenIn Friesland in den slag:Zijn ziel in ’t eeuwig levenVerwacht den jongsten dag.Edel- en hooggeboren,Van Keizerlijken stam,Een Vorst des Rijks verkoren,Als een vroom Christen-manVoor Godes Woord geprezenHeb ik vrij onversaagd,Als een held zonder vreezen,Mijn edel bloed gewaagd.Mijn schild ende betrouwenZijt Gij, o God, mijn Heer!Op U zoo wil ik bouwen.Verlaat mij nimmermeer!Dat ik toch vroom mag blijven,Uw dienaar t’ aller stond,De tirannie verdrijven,Die mij mijn hert doorwondt.Van al, die mij bezwarenEn mijn vervolgers zijn,Mijn God! wil toch bewarenDen trouwen dienaar dijn;Dat zij mij niet verrassenIn haren boozen moed,Haar handen niet en wasschenIn mijn onschuldig bloed.Als David moeste vluchtenVoor Saul den tiran,Zoo heb ik moeten zuchtenMet menig edelman;Maar God heeft hem verheven,Verlost uit aller nood,Een koninkrijk gegevenIn Israël, zeer groot.Na ’t zuur zal ik ontvangenVan God, mijn Heer, dat zoet,Daarnaar zoo doet verlangenMijn vorstelijk gemoed;Dat is, dat ik mag stervenMet eere in het veld,Een eeuwig rijk verwerven,Als een getrouwe held.Niets doet mij meer erbarmenIn mijnen wederspoed,Dan dat men ziet verarmenDes konings Landen goed.Dat u de Spanjaards krenken,O edel Neerland zoet!Als ik daaraan gedenke,Mijn edel hert dat bloedt.Als een prins, opgezetenMet mijnes heires kracht,Van den tiran vermetenHeb ik den slag verwacht,Die, bij Maastricht begraven,Bevreesde mijn geweld.Mijn ruiters zag men dravenZeer moedig door het veld.Soo het de wil des HeerenOp dien tijd was geweest,Had ik geern willen keerenVan u dit zwaar tempeest;Maar de Heer van hier boven,Die alle ding regeert,Die men altijd moet loven,En heeft het niet begeerd.Seer christelijk was gedreven.Mijn prinselijk gemoed;Standvastig is geblevenMijn hert in tegenspoed;Den Heer heb ik gebedenVan mijnes herten grond,Dat Hij mijn zaak wil reden,Mijn onschuld doen oorkond.Oorlof! mijne arme schapen,Die zijt in grooten nood;Uw herder zal niet slapen,Al zijt gij nu verstrooid.Tot God wilt u begeven,Zijn heilzaam woord neemt aan,Als vrome Christen leven,’t Zal hier haast zijn gedaan.Voor God wil ik belijden,En Zijner grooter macht,Dat ik tot geenen tijdenDen koning heb veracht,Dan dat ik God den Heere,Der hoogster Majesteit,Heb moeten obediëerenIn der gerechtigheid.Terecht is van dien zang gezegd, dat die uit de ziel des volks is gegrepen en ook oogenblikkelijk daartoe weer zijn terugweg vond; dat die “het Souterlied van Nederland, de nationale psalm der vaderen” is geworden. Van 1568 ruischt en bruist het met vollen toongalm door onze geheele geschiedenis, het is er als de muzikale adem van. In alle wereldoorden, waar de Prinsevlag Neêrlands kleuren toont, klinkt ook het Prinselied onder de meest wisselende toestanden.... Als elegie1van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe2van het triomfeerend Nederland is het “Wilhelmus van Nassouwe” een historisch volkslied, zooals geen enkele andere natie er een bezit.” Nu het in onze dagen in de oude toonzetting wordt ten gehoore gebracht, is het als het ware bij vernieuwing een stuk volksleven geworden.Brengt men zich daarbij te binnen, hoe dat lied tallooze malen neerslachtigheid heeft opgeheven tot vertrouwen, verslagenheid heeft getroost en bemoedigd, hoe het heeft geprikkeld en aangevuurd tot den felsten kamp; hoe het de machtige wapenkreet is geweest in de 16eeeuw tegen Spanje, in de 17etegen Lodewijk XIV, in den aanvang onzer eeuw tegen Napoleons onderdrukking, dan kunnen we den dichter, uit wiens aderen het vloeide en den held, wien het een eerzuil stichtte, niet dankbaar genoeg herdenken.Voor dien held en de zijnen werd het in de donkere dagen, die nog volgden, voor het licht aan de kim verrees, een der krachtigste prikkels om te volhardenen trots allen tegenspoed, alle tegenkanting, alle teleurstelling te vertrouwen op de toekomst, te vertrouwen op Hem, die daarin wordt genoemd:Mijn schild en mijn betrouwen,Zijt gij, o God mijn Heer.Met hoeveel opgewektheid en hoop was de tocht van 1568 door Oranje aangevangen, al was hij aanstonds door de nederlaag van de Villers te Daelhem, van de Hugenoten in het Zuiden, van Lodewijk bij Jemmingen, in zijn schoon en veelomvattend plan gestuit.De overwinning bij Heiligerlee, de betrekkelijke grootheid van zijn eigen leger en de vaste hoop, dat de poorten der steden zich van zelf voor hem zouden openen, hadden hem weder moed gegeven. En thans was die veldtocht geheel vruchteloos gebleken en de geheele onderneming van den Prins was mislukt. Wat bleef er over, dan te wanhopen aan de toekomst en de Nederlanden slechts over te geven aan de willekeur en tirannie van een Alva, die daarmede nu scheen te kunnen doen, wat zijn hart begeerde? De ontbinding van zijn huurleger te Straatsburg scheen het eind te zijn van Oranje’s Nederlandsche roeping. Wat kon hij thans beter doen dan onder den eeuwenouden lindeboom van Dillenburgs kasteel, die nog steeds zijn kruin verheft, te gaan droomen over het verloren verleden, te gaan peinzen over het “transeat gloria mundi?” Zoo scheen het den oppervlakkigen tijdgenoot. Languet, de beroemde diplomaat en publicist dier dagen, de groote vriend der Hervorming, de redder van vele slachtoffers van den Bartholomeusnacht, verkeerde zoo onder den indruk van ’s Prinsen jammerlijken staat op het eind van 1568, dat hij schreef: “De Prins is een dood man. Niet alleen dat zijn soldaten deserteeren, maar ze bedreigen hem zelfs te wurgen en Nassau te verwoesten.” En Alva schreef hetzelfde aan Filips: “De Prins kan beschouwd worden als een dood man. Hij is thans zonder eenigen invloed of crediet.”Inderdaad laat het zich volmaakt begrijpen, hoe beide partijen dien indruk van het oogenblik ontvingen. Reeds zijn terugtrekken over de Fransche grenzen, m. a. w. zijn vlucht voor Alva, was een diepe vernedering. Catharina de Medicis, waarschijnlijk onder den invloed der gewone Fransche politiek dier dagen, die steeds wankelde in haar houding tegenover het hervormd geloof en tegenover Spanje, ondersteunde nog eenige weken met geheime hulp het leger van den Prins. Toen die houding niet langer kon worden volgehouden en Alva verontwaardigd daarover sprak, werd het feit met de gewone dubbelzinnigheid der koningin eenvoudig geheel ontkend. Er ging zelfs een gerucht, dat een Hugenoot, die Schomberg vergezelde, een gelegenheid vond, om in het geheim tot den Prins te zeggen: “Luister niet naar Schomberg. De koning is niet gereed om U te bestrijden. Gij kunt uw eigen voorwaarden stellen.”Het schijnt dan ook, dat de Prins nog minder om dadelijk verzet van de Fransche regeering, dan wel om den onwil zijner soldaten het Fransche grondgebied verliet en te Straatsburg zijn leger ontbond. Was het wonder, dat hij toen voor een dood man werd gehouden, dat men meende, dat het voor goed gedaan was met al zijn plannen om Spanje te bestrijden en de Nederlanden te bevrijden?Er kwam nog meer bij, dat dien indruk versterkte. In het laatst van het jaar1568 scheen het werkelijk een poos, alsof keizer Maximiliaan ten gunste van de Nederlanden zou tusschenbeide komen. De Duitsche keurvorsten hadden namelijk 28 September van dat jaar den keizer een memorie aangeboden, waarin zij Alva’s wreedheden tegenover alle hoog- en laaggeboren Nederlanders beschreven. De keurvorsten beweerden dat de Nederlanden, als afzonderlijke kreits nog immer aan het Duitsche Rijk verbonden, recht hadden op de voorrechten van den godsdienstvrede van Augsburg. Maximiliaan werd daarom verzocht niet toe te staan, dat de koning van Spanje langer door middel van de inquisitie en de edicten van het concilie van Trente, die voorrechten der Nederlanders gewelddadig schond. En inderdaad! die aandrang van de keurvorsten hielp. Maximiliaan zond zijn eigen broeder, den aartshertog Karel, naar Spanje, om aan Filips te zeggen, dat hij aan den aandrang der publieke meening geen weerstand bieden mocht. Op den 21enOctober reeds was de brief met instructiën van den aartshertog gereed en op den 10enDecember kwam deze in Madrid aan.Toen Filips de boodschap van den aartshertog ontving, drukte hij de grootste bevreemding uit, dat iemand het durfde wagen, hem te beoordeelen in zijnzachtmoedigbestuur van zijn eigen rijk. Natuurlijk had hij in de zaak van den godsdienst alles gedaan, om het belang der kerk te bevorderen, gelijk de plicht was van elken geloovigen zoon, maar verandering in de regeering der gewesten had hij niet gemaakt, enz.Hij zond twee brieven aan zijn neef den keizer, een openbaren en een bijzonderen brief, beide met de bedoeling hem te doen weten, dat de koning met zijn eigen land kon doen, wat hem behaagde en dat zijn neef het best zou doen, zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Op den 23enJanuari, drie dagen na de ontvangst van die documenten, beantwoordde de aartshertog den openbaren brief op een stoutmoedigen, onafhankelijken toon, en verdedigde hij de zaak der Nederlanden en van den Prins van Oranje, terwijl hij verklaarde, dat de keizer vrije Vlaamsche en Hollandsche burgers niet kon noch wilde behandeld zien als de inwoners van Sicilië en Spanje. Hij bedreigde zelfs den koning, dat een groot aantal Duitsche vorsten en niet alleen Protestantsche, den Prins zouden steunen. Inderdaad, dit klonk zeer goed in de ooren van Europa; ongelukkig echter dat tegelijkertijd een andere onderhandeling tusschen Spanje en Oostenrijk die hooge keizerlijke gevoelens geheel in duigen wierp.In de Spaansche koninklijke familie waren in het laatste jaar twee sterfgevallen voorgekomen. De ongelukkige Don Carlos, de lichamelijk en geestelijk zwakke eenige zoon van Filips II, overleed in Juli 1568. Zijn dood liet den koning zonder mannelijken erfgenaam. En korten tijd daarna stierf ook Elisabeth van Valois en liet haar Spaanschen gemaal voor den derden keer als weduwnaar achter, die daardoor vrij werd, weder een andere vorstelijke dochter te huwen. Die dubbele dood werd de oorzaak, dat Maximiliaan een zachter toon tegenover Filips begon aan te slaan en in zijne aanvankelijk krachtige verdediging van de Nederlanden niet volhardde. Want Maximiliaan had zes dochters en ook Filips thans alleen vrouwelijke erfgenamen, zoodat de kans niet mocht verloopen, dat òf een zijner zonen met een van Filips’ dochters huwde, die dan later den Spaanschentroon kon beklimmen, òf dat Filips zelf vroeg om de hand van een van de dochters des keizers. Dit laatste had werkelijk plaats. Filips deed het voorstel, de aartshertogin Anna te huwen. Dit werd met beide handen aangenomen en de aartshertog Karel, die begonnen was in Madrid zoo krachtig en stout voor de Nederlanden in naam des keizers op te treden, verliet op den 4enMaart 1569 de Spaansche hoofdstad met een geschenk van 100.000 kronen, terwijl alle verdere onderhandelingen over de arme, slecht behandelde Christenen in Filips’ noordelijke gewesten werden gestaakt en de keizer zich voortaan bepaalde tot enkele zwakke onbeteekenende vermaningen. Dus ook de steun van den Duitschen keizer was voor den Prins verloren, op het oogenblik dat zijn veldtocht geheel mislukt was en te Straatsburg zijn leger werd ontbonden. Hadden Alva en Languet dan geen gelijk met te zeggen: “De Prins is een dood man!”Dood! dat zou Oranje, wiens gemoed steeds meer levend werd en wiens vertrouwen op de toekomst verdubbelde, naarmate zijn ervaringen somberder en zijn dagen donkerder werden, dat zou Oranje anders leeren. Daartoe was echter op dat oogenblik voor alle dingen noodig, dat hij zijn verloren krijgsroem herstelde; daarom besloot hij, zich met 1200 ruiters, die hem getrouw bleven, bij het leger te voegen, dat onder Wolfgang von Zweibrücken het leger der Hugenoten onder Condé zou te hulp komen. Zijne broeders Lodewijk en Hendrik bleven bij hem en verleenden, evenals Oranje, hunne persoonlijke diensten aan de Fransche Protestanten. De hertog van Anjou werd met het opperbevel over het leger van de regeering belast en won op den 10enMaart 1569 den bloedigen slag bij Jarnac, waar Condé den dood vond. Bij dien slag was Oranje met zijn legerafdeeling niet tegenwoordig, daar hij tevergeefs op de komst van Wolfgang gewacht had.Eerst den 30enMaart kon de Prins zich met het leger van Wolfgang vereenigen en trokken zij gezamenlijk door den Elzas naar de Fransche grenzen in Lotharingen. Nu was het natuurlijk hun plan het leger der Hugenoten, dat na den slag bij Jarnac, zich onder Coligny had hersteld en dat zich aan de Loire bevond, te gemoet te trekken. Daartoe moest het geheele vijandige land worden doorkruist. Die bange tocht werd ondernomen, ook al werden ze onmiddellijk door het Fransche leger gevolgd. De onderneming werd met de grootste stoutheid volvoerd; doch al waren zij bij het stadje la Charité ook bij de Loire gekomen, nog konden ze zich niet met Coligny vereenigen, daar nog steeds de hertog van Anjou tusschen den admiraal en zijne bondgenooten stond. Die vereeniging gelukte pas op den 10enJuni te Saint IJriex, in de nabijheid van Limoges. Een paar dagen later had de slag bij La Roche-Abeille plaats, waar Anjou werd verslagen en in welken slag Lodewijk zoowel als Oranje grooten roem behaalden.Gedurende den zomer bezocht Oranje in gezelschap van verschillende Hugenootsche hoofden het kasteel van den beroemden Brantôme, den schrijver van verscheidene belangrijke werken, die zijn loopbaan als militair in den dienst der regeering, o.a. tegen de Hugenoten, begonnen was. Deze Brantôme geeft in zijn Grands Capitaines étrangers de volgende beschrijving van dat bezoek.“Verscheidene Fransche bondgenooten van den hertog von Zweibrücken zoowel als de Prins van Oranje, graaf Lodewijk en hun jongere broeder, kwamen na den dood van dien hertog (deze was nog voor de vereeniging der beide legers overleden) op het kasteel Brantôme, waar ik mij teruggetrokken had wegens een ernstige vierdaagsche koorts, die mij zoo kwaadaardig had vergiftigd, dat ik er in maanden niet van kon bevrijd worden. Zoo zag ik al die edellieden, Franschen en vreemdelingen, in mijn huis. Om strijd bewezen ze mij elke mogelijke eer, zonder eenige schade aan mijn huis toe te brengen. Geen enkel beeldje werd er vernield, geen enkele glasruit gebroken. Ik onthaalde hen uitstekend, daar de koning van Navarre en de admiraal beiden zeer op mij gesteld waren. Aan den laatstgenoemde was ik door zijn vrouw zelfs verwant. In het kort, ik had reden, over hen allen zeer voldaan te zijn.Daar zag ik de vreemde prinsen en had in een laan van mijn tuin lange gesprekken met den Prins van Oranje. Ik vond hem een gedistingeerd persoon, geheel naar mijn smaak. Uitstekend redeneerde hij over de zaken. Hij vertelde mij, hoe krachteloos zijn leger was; hij weet dit aan zijn armoede en aan de vreemden, die hem geen liefde toedroegen. Maar hij was niet van plan, in het midden van den weg te blijven staan en heel spoedig zou hij den verloren grond terugwinnen. Hij had een zeer aangename manier van omgang en maakte ook uitwendig een goed figuur. Graaf Lodewijk was kleiner. Den Prins vond ik verdrietig gestemd; hij was terneergeslagen door zijn rampspoed. Maar graaf Lodewijk was openhartiger in zijn houding en scheen blijmoediger te zijn. Hij werd voor meer vermetel en meer ondernemend dan de Prins gehouden, maar deze was wijzer, rijper en voorzichtiger.”In den slag van La Roche-Abeille deelde de Prins het commando met graaf de la Rochefoucauld. Toen volgde de belegering van Poitiers, dat dapper verdedigd werd en ook niet werd ingenomen. Bij die belegering was de Prins ook aanwezig; doch kort nadat het beleg door de Hugenoten was opgegeven, verliet Oranje hen, om naar Duitschland terug te keeren.Lodewijk en Hendrik bleven bij het leger der Hugenoten en namen deel aan den ongelukkigen veldslag van Montoncour, waar Lodewijk, trots den jammervollen uitslag, vele lauweren behaalde. Terwijl deze Coligny op zijn verdere tochten vergezelde, in het Prinsdom Oranje de orde herstelde en met den admiraal werkzaam was, toen de belangrijke vrede van St. Germain werd gesloten, om daarna uit La Rochelle voor de belangen van den Prins te werken en met hem nieuwe plannen tot bevrijding der Nederlanden te maken, was de Prins zelf diep in het geheim naar Duitschland teruggegaan. Dat vertrek had zelfs zoo in stilte plaats gehad, dat het niet behoeft te bevreemden, dat er allerlei geruchten, het een al dwazer dan het andere, aan werden vastgeknoopt.De Spaansche gezant te Parijs, Alava, schreef, dat het Hugenootsche leger met verachting van den Prins sprak, toen het hoorde van zijn plotseling vertrek en dat hij beschouwd werd als een man, wiens reputatie verloren was. Ook werd deze vlucht, drie dagen voor den slag van Montoncour, als een daad van gebrekaan moed aangemerkt. Anderen dachten, dat Oranje in het geheim naar Engeland ging om hulp van Elisabeth te vragen en zelfs om een huwelijk voor te bereiden tusschen Hendrik van Navarre en Elisabeth. Nog anderen meenden, dat het doel zijner geheimzinnige reis was, La Rochelle in de handen der Engelschen te spelen, terwijl de koninklijke troepen zich in het Oosten van Frankrijk ophielden.Het meeste geloof echter verdient de meening, dat de Prins zich haastte naar Duitschland te komen, omdat hij bij vernieuwing eenige kans zag, de Nederlandsche vluchtelingen tot vereenigd handelen te brengen.Zelfs wordt verteld, dat Oranje als boer verkleed met enkele volgelingen het kamp in Frankrijk verliet en met groot gevaar voor zijn leven den Rijn bereikte, ten einde in Duitschland nieuwe versterkingen te gaan zoeken.In November bereikte hij Dillenburg, maar hij scheen het onveilig te vinden lang op ééne plaats te blijven en reisde daarom het land op en neer. Omtrent Kerstmis bereikte hij Arnstadt, vanwaar hij aan zijne broeder Jan te Dillenburg schreef. Uit dien brief blijkt, hoe de Prins tot zijn droefheid, in Duitschland reizende, bij vernieuwing van den haat der Lutheranen tegen de Calvinisten had gehoord. De predikanten der eerstgenoemden ontzagen zich niet de Calvinisten in Frankrijk en in de Nederlanden van den kansel voor muiters, rebellen, heiligschenners en beeldstormers te schelden. En daaraan wijt hij het ook, dat zijn arbeid in Duitschland zoo vruchteloos blijft en dat zelfs een Alva nog door lichtingen uit Duitschland (Eric van Brunswijk) wordt versterkt. Weemoedig roept hij uit:“Terwijl onze tegenstanders werken en wij alles moesten doen, om hunne ondernemingen te vernietigen, slapen wij.... De zaken zijn zoover gekomen, dat, als God niet wonderlijk helpt, de godsdienst gevaar loopt, voor langen tijd uitgeroeid te worden; want niemand zal dien durven steunen, ziende de weekheid en het gebrek aan moed bij hen, die zedelijk verplicht waren, dien te bevorderen en te onderhouden....”Van welke zijde hulp te wachten zou zijn, was in dien tijd moeilijk te ontdekken; toch ging Oranje voort en vond al zoekende, overal met gevaar voor zijn eigen leven, hier en daar een weinig hulp. Hij was gedwongen zich zoo geheim te houden, dat men meende, dat hij dood was. Toen dit gerucht ter oore van Viglius kwam, zeide deze: “Als het hoofd is weggenomen, dan hebben wij de rebellen niet meer te vreezen.” Wel scheen het op het einde van 1569 alsof de troebelen geheel waren bedaard en Alva vrij naar zijn wil kon handelen maar de Prins rustte niet, doch werkte dag en nacht om aan alle kanten vrienden en te gelegener tijd volk te bekomen.Behalve het geheim beroep, dat hij in persoon op talloozen deed, zond hij een menigte adressen om hulp overal heen. Brief op brief richtte hij tot de gevluchte edelen en tot de hervormde congregaties in Engeland, in Kleef, Emden, Hamburg, Bremen en elders. Ook met verscheiden invloedrijke personen in de Nederlanden onderhield Oranje geheime briefwisseling, met Sonoy, van Swieten, van Calslagen, Cant en Wesenbeke.De toenmalige Leidsche pensionaris Mr. Paulus Buys, die in 1572 advocaat van den lande werd en later in menig opzicht de rechterhand van den Prins was,wijdde zich reeds in 1569 met grooten ijver aan de nationale zaak. Hij was het, die op het eind van dat jaar, terugkeerende van de Algemeene Statenvergadering te Brussel, die over den eisen van den 10enpenning van Alva beraadslagen moest, diep in het geheim een reis naar Dillenburg waagde en 24 uren vertoefde bij den Prins, wien hij alle inlichtingen omtrent den toestand in de Nederlanden geven kon.Hoofddoel van de geheime correspondentie, welke van die reis van Buys het gevolg was, werd een opwekking van de Nederlanders, toch te bedenken, dat de welvaart van het vaderland van hen eischte als eerste plicht, gelden bijeen te zamelen. Eene proclamatie van den Prins van 22 April 1570 bevatte o. a. het volgende:“Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden, voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel ter harte neemt ’t gemeen welvaren van het vaderland in ’t algemeen als van elk van U in ’t bijzonder....“Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt getoond....“In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor de welvaart van het land en voor de vrijheid” enz.In dien toon waren de brieven en de proclamaties van den Prins gesteld. Er werd zelfs een geheel stelsel van geheime correspondentie uitgedacht, om door verdichte namen de regeering op een dwaalspoor te brengen, als de brieven soms werden opgevangen. De steden, die men wilde verrassen, werden met godennamen uit de Romeinsche en Grieksche mythologie aangeduid; de personen met voorletters of pseudoniemen, enz. Om de verzameling van gelden was het allereerst te doen en dan verder om de verrassing van steden.Hoe konden echter Oranje en de zijnen gegronde hoop koesteren, na de mislukking van den aanval van 1568, op een réveil van het volk? Was toen niet de poging afgestuit op den onwil van de Nederlandsche burgers om zijn poorten voor den Prins te openen? Zagen we niet, dat Alva in het eind van dat jaar als de geduchte overwinnaar werd gevreesd, dat alles voor hem had gebukt?Het was natuurlijk reactie, die hier de zaak van den Prins heeft geholpen. Alva’s overwinningen hadden hem overmoediger dan ooit gemaakt; hij dacht thans met het Nederlandsche volk te kunnen doen, wat ook zijn hart begeerde. De oprichting van het standbeeld, dat hem als overwinnaar voorstelde, met den voet op den nek van een tweehoofdig monster, adel en volk, was de sprekende profetie,wat men thans van hem had te wachten. Zijne plannen waren zoo veelomvattend, dat niet alleen de Bourgondische Nederlanden, maar ook de aangrenzende gewesten in het Duitsche Rijk onder Spaanschen invloed moesten komen. Al de maatregelen, die dienen moesten om dit groote doel te bereiken, waren van dien aard, dat ze van zelf het in slaap gezonken volk tot nieuw verzet prikkelden.Alsof er al niet genoeg ellende over het land was gebracht! Het schrikbewind van Alva had haar uitwerking niet gemist en de Raad van Beroerten hield niet op over schuldigen en onschuldigen een vonnis uit te spreken.Al is het te sterk gekleurd toch wordt die toestand van ons land, reeds eenige maanden na Alva’s komst, treffend weergegeven door de beschrijving van Motley: “Het gansche land werd een knekelhuis; de doodsklok luidde ieder uur in alle dorpen; aan geen enkele familie werd de rouw gespaard over haar dierbaarste betrekkingen, terwijl de overlevenden onverschillig rondzwierven, de schimmen van wat zij vroeger waren, tusschen de puinhoopen van wat eens hun woning was. De energie van het volk scheen binnen weinige maanden na de komst van Alva hopeloos gebroken. Het bloed van de besten en dappersten onder hen had reeds het schavot bevlekt; de mannen, tot wie zij gewoon waren geweest uit te zien om leiding en bescherming, waren dood, gevangen of in ballingschap. Onderwerping had geen nut meer, ontvluchting was onmogelijk en wraakzucht woedde aan elken haard. Dagelijks liepen rouwdragenden langs de straten, want er was bijna geen huis, waar de dood niet gewoed had. De schavotten, de galgen, de brandstapels, in gewone tijden voldoende, leverden nu een volkomen ontoereikend materiaal voor de steeds elkaar opvolgende terechtstellingen. Palen, stokken in iedere straat, deurposten van particuliere huizen, schuttingen op het veld torschten geraamten van menschen, die geworgd, verbrand of onthoofd waren. De boomgaarden op het land droegen aan menigen tak, afzichtelijke vrucht, lichamen van menschen. Zoo werden de Nederlanden vernietigd en ware het niet dat de scherpe dwingelandij nu hare poorten gesloten had, ze zouden ontvolkt zijn geworden. Het gras begon te groeien in de straten van die steden, die nog kort geleden zoo vele werklieden gevoed hadden. In al die groote nijverheids- en handelsplaatsen, waar de polsslag van het leven zoo sterk geklopt had, heerschte nu stilte en middernachtelijke duisternis.”Onder die nieuwe maatregelen nu, welke Alva nam, was een der voornaamste, de invoering vanvaste rechtstreeksche belastingen, een stelsel, dat in Spanje reeds langen tijd bestond onder den naam van alcabala. Van Spaansch standpunt uit was het streven naar zulk een vaste regeling zeer begrijpelijk. Maar de Staten vonden tot heden hunne eenige kracht in de contrôle, die ze om een zeker aantal jaren door de goedkeuring der beden op de regeering konden uitoefenen. De Staten hadden feitelijk de koorden van de beurs in handen. Een vaste regeling zou, bij gemis van elke andere contrôle, totale slavernij van het volk ten gevolge gehad hebben.Bovendien waren de voorgestelde belastingen zeer drukkend, want bij verkoop van roerende goederen zou 10 % (tiende penning), van onroerend goed 5 % (twintigste penning) betaald worden, terwijl dan nog 1 % (honderdstepenning)zou geheven worden van de waarde van alle goederen, zoowel roerende als onroerende. Dat de kooplieden in hun handel ten zeerste bedreigd werden door deze voorstellen laat zich begrijpen.Geen wonder daarom, dat dit plan een storm in het land verwekte, veel grooter dan al de godsdienstige vervolgingen en onrechtvaardige daden gedurende de laatste twee jaren. En die storm was zoo geweldig, dat zelfs een Alva daarvoor bukken moest. Na eindelooze nieuwe voorstellen van den kant des landvoogds en nieuwe uitvluchten en bezwaren van de vergaderingen der Staten, werd Alva’s voorstel, om in plaats van den tienden en den twintigsten penning een heffing van 2 millioen ’s jaars te doen voor twee jaar, aangenomen, doch de Landvoogd was vast besloten, zoodra mogelijk, op de zaak terug te komen en de financiën behoorlijker te regelen.Deze en andere maatregelen, die alleen dienen moesten, om alle privileges der bevolking te ontrooven, deden echter de ontevredenheid van dag tot dag toenemen. Daarbij begon de indruk van de strafoefeningen en de krijgstochten van 1568 allengs te verminderen en het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de geheime invloed van Oranje door middel zijner agenten in Holland hoe langer hoe meer van beteekenis werd en dat men reeds weder kon beginnen te denken aan overmeestering of verrassing van steden.Een zware last bleef echter hevig op den Prins drukken, die hem zeer in zijn plannen belemmerde. Dat waren de schulden, die hij had aangegaan bij de expeditie van 1568. De Nassau’s hadden bijna elke bezitting, alles wat van eenige waarde was, verpand, om de eischen der huursoldaten te bevredigen. Uit de brieven van Oranje aan zijn broeder Jan blijkt duidelijk, in welk een verlegenheid hij zich vaak bevond en tot welk een bezuiniging hij de toevlucht nam. Hij had, gelijk we vroeger zagen, aan de huurtroepen beloofd, dat als hij binnen een bepaalden tijd niet kon betalen, hij zich dan zelf als gijzelaar in hun handen zou stellen.Op 1 Januari 1570 schrijft hij nu aan zijn broeder Jan en verzoekt hem een zekeren Tieman van Hort naar een vergadering van de onbetaalde troepen te zenden, om dezen aan het verstand te brengen, hoe onzinnig het zou zijn, als hij die belofte vervulde. Indien hij onder den rijksban kwam, of in handen van den keizer, dan was alle hoop verloren, dat hij ooit het verschuldigde kon betalen. Bleef hij vrij, dan bestond altijd de kans, dat de zaken een voordeeligen keer namen. Ook draagt hij zijn broeder in den brief op, een kleinen beker ter waarde van 100 florijnen aan Hartman Wolf, een kapitein van een zijner troepen, die in het huwelijk was getreden, te zenden. Wat de 10.000 florijnen van den hertog van Saksen betrof, de Prins had gedaan wat hij kon, maar had niets gekregen. Dit schreef hij uit Sondershausen en op den 17enJanuari richtte hij weder tot denzelfden broeder uit Arnstadt een brief, die ons nog meer in bijzonderheden teekent, in welk een benauwden toestand Oranje was gekomen. Na zijn vruchtelooze onderhandelingen te hebben vermeld, zegt hij:“Ik ben bevreesd, dat mijne brieven soms door den vijand zullen gelezen worden, want zij zouden er uit kunnen zien, hoe weinig vooruitzicht er voor mij op hulp van de vorsten bestaat. Terzelfdertijd durf ik niet nalaten om Coligny enanderen omtrent den toestand inlichting te geven.... Schwarzburg is teruggekeerd, maar heeft niets bereikt. Hij en George von Holl rieden mij aan, naar U te gaan, maar om verschillende redenen acht ik dit ongeschikt. Ik zou niet geheim genoeg kunnen reizen, om ontdekking te ontgaan en ik heb te weinig paarden, om openlijk te komen.... Alle vrienden van de partij van den koning zijn op middelen bedacht om mij te verschalken en mijne soldaten zouden mij ter zake van het geld, dat ik hun nog schuldig ben, wel kwade parten kunnen spelen. Daarbij is Dillenburg een versterkte plaats en daarom kan men licht denken, dat, als ik daar heen ging, er dan ook van alle kanten vreemdelingen zouden heenvluchten en dan kon de hertog gemakkelijk iemand zenden, om de plaats te bespieden, of zelfs om mij te vergiftigen. En behalve dat, zouden uwe uitgaven zoozeer door die vreemdelingen vermeerderd worden en als er krijgsvolk in de buurt was, dan konden ze licht een aanval op de plaats doen.... De Landgraaf is het hiermede eens.... Graaf Gunther, Hans Gunther en graaf Albert verzoeken mij bij hen te blijven en bewijzen mij tal van beleefdheden, die ik ten hoogste waardeer....”De Prins eindigt dien brief met de mededeeling aan zijn broeder, dat hij den raad, om nog eenigen tijd te blijven waar hij was, zou opvolgen, tenzij zijn vrouw in Dillenburg kwam, in welk geval hij zoo geheim mogelijk een reis daarheen wilde doen, om dan met zijn broeder Jan en zijn moeder een besluit te nemen, wat er verder moest gedaan worden.Op den 20enJanuari schreef de Prins weder aan Jan, om hem te danken voor zijn mededeeling, maar vooral om hem in te prenten, te Dillenburg op zijn hoede te zijn. Hij gaf hem allerlei raadgevingen ten opzichte van de versterking der plaats. O. a. schreef hij:“Het komt mij voor, dat uwe buren u moesten helpen, want ook in hun belang is het, dat Dillenburg goed versterkt is. Zou het niet zeer van pas zijn, dat gij aan de landgraven Lodewijk en Willem en aan andere graven in de buurt schreef, om ten minste zeker te zijn, hoeveel gewapende mannen zij u in geval van nood zouden kunnen leveren. Ook was het te wenschen, dat gij uw geschut terug hadt, dat thans hertog Casimir van u heeft en dat het weer in Dillenburg werd geplaatst. Ook moeten er menschen aan het werk gesteld worden om salpeter te zoeken; ik twijfel niet, of er is in uw gronden een voldoende hoeveelheid te vinden om uw huis van kruit te voorzien....”De rest van dezen brief is gewijd aan kleine bijzonderheden, die bewijzen, hoe de Prins zich genoodzaakt zag, zich met de minste zaken (b.v. zijn kousen) te bemoeien. Ook vermeldt hij nog aan zijn broeder, dat Gunther naar Dresden is vertrokken, om den keurvorst te zien voor zijn reis naar den keizer. “Ik droeg hem op, bij den keizer van de zaak der arme Christenen nog eens gewag te maken, maar vrees, dat het vergeefsche moeite zijn zal.”Niettegenstaande al de bezwaren tegen het vertoeven van den Prins te Dillenburg, vinden we hem toch op den 15enMaart op het kasteel terug en wel in briefwisseling met zijn broeder Jan, die zich toen eenigen tijd in Frankfort ophield. Van daar begon hij toen die belangrijke briefwisseling met Wesenbeke; van daargaf hij zijne proclamaties en commissiebrieven in het belang der Nederlanden. Tot de laatste behoorde ook de opdracht, die door Oranje aan de Watergeuzen gegeven werd.De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)Reeds in September 1569 had de beruchte Zuid-Nederlandsche edelman Adriaan de Bergues, heer van Dolhain, zulk een commissie van den Prins ontvangen. Hij deed dat krachtens zijn recht als onafhankelijk souverein van het vorstendom Oranje. De Watergeuzen waren niets anders dan piraten, maar het waren voor het grootste deel martelaren van het Spaansche schrikbewind. Dat was dan ook zeker de eerste reden, waarom de Prins zich met hen in betrekking stelde—een tweede, niet minder van belang was, dat Oranje hoopte door een deel van hun buit in zijn geldnood te kunnen voorzien. Door zijne onbetwistbare verhouding tot hen heeft de Prins van de zijde zijner vijanden, van zijne dagen af tot heden, den grootsten smaad ondervonden.Omdat de Watergeuzen eene van hem afkomstige aanstelling bij zich droegen en de Prins den band vormde, die eenheid gaf aan hun vrijbuiten, is hij aansprakelijk gesteld voor al de bandeloosheden en gruwelen door dien wilden hoop bedreven. Toch is dit hoogst onbillijk. De Prins liet niet na, in zijn commissiebrieven de hoofdleiders en de matrozen aan te sporen tot het inachtnemen van orde en goede manieren. “Ils ayent surtout à user de toute la discrétion et pourvoyance que leur sera possible.” Was de Prins er dan verantwoordelijk voor, dat dergelijke raadgevingen niet hielpen? Hij kon niet anders doen dan hij deed. De mannen, die het vertrouwen onwaardig bleken, afzetten en nieuwe commissiebrieven aan anderen geven. Aldus handelde hij ook.De beruchte Dolhain, die het talent geheel miste, zich te doen eerbiedigen door zijn roofzieke schepelingen en die, in Dillenburg ter verantwoording geroepen, den Prins niets ter hand stelde dan alleen een onbetaalde rekening, werd vervangen door den Heer de Lumbres, ook een Zuid-Nederlandsch edelman, een man van meer geestkracht. En toch gelukte het ook dezen niet, met zijn onderbevelhebbers Lancelot van Brederode en Guillaume de Lumey, uit het huis van La Marck, orde en tucht te handhaven onder de verwilderde zeeroovers.In ’s Prinsen kas vloeide na de benoeming van Lumbres wel iets meer, maar toch nog zeer weinig. De afzetting van Dolhain en de aanstelling van zijn opvolger was mede het gevolg van eene briefwisseling van den Prins met den Kardinaal de Châtillon, broeder van Coligny, die hem den raad gaf, zijn commissiebrieven terug te nemen, daar de handelingen der Watergeuzen zijn zaak in discrediet brachten.Van toen af werd bepaald, dat op elk schip een evangelie-dienaar aanwezig zou zijn, geen vreemdeling mocht scheepscommandant worden; misdadigers moesten niet meer op de rol worden gezet, terwijl alle muiterij en wangedrag streng zou worden gestraft.Deze verscherpte orders waren ook meestal een doode letter en de Watergeuzen bleven als vroeger de schrik van de kust.Het bleven dus in 1570 donkere dagen voor het land en voor den man, die in Dillenburg onophoudelijk bezig was, om op maatregelen tot redding bedachtte zijn. Ook van Spanje’s zijde werd de toestand voor de Nederlanden niet gunstiger. Wel hoopte men in dat jaar, dat een nieuwe opstand van de Mooren eenige afleiding zou geven en misschien de oorzaak zou worden, dat de Spaansche troepen het land zouden verlaten. Maar de jongere broeder van Filips, Don Juan, toonde zich krachtig genoeg, met de Spaansche macht alleen den opstand te bedwingen. Alva werd niet op het tooneel geroepen; zijn soldaten bleven in de Nederlanden, die buitendien geld naar Spanje moesten zenden. Ook aan een andere hoop, waarmee men zich in 1570 korten tijd vleide, werd de bodem ingeslagen.Op den 16enJuli kondigde Alva een pardon af, dat naar hij hoopte, het volk zou bevredigen. Filips had hem er drie gezonden, om naar omstandigheden van een daarvan gebruik te maken. Alva koos de mildste en op genoemden datum werd dat pardon op de groote Plaats te Brussel aan de verzamelde menigte voorgelezen en ook naar andere steden gezonden. De toehoorders echter waren even wijs bij het slot als bij het begin. Wel werden er publieke vermakelijkheden, door Alva bevolen, gevierd, die de uiting der blijdschap over dat pardon moesten zijn, maar de Nederlanders ontwaakten ras tot het besef, dat dit pardon gelijk aan al de andere was, die Filips reeds vroeger had uitgevaardigd, daar aan niemand iets werd gegeven, behalve aan hen, die niet tegen de kerk en tegen den koning hadden gezondigd. En alsof al die teleurstellingen niet wreed genoeg waren, op den eersten November van dat jaar werd Nederland door een vreeselijken watervloed geteisterd, die in alle zeegewesten de grootste verwoestingen aanrichtte, doch vooral in Friesland en Groningen onbeschrijfelijke ellende na zich sleepte. Duizenden verloren het leven en duizenden werden tot den bedelstaf gebracht.Een groote aanwinst voor den Prins was, dat in den winter van 1570 op 1571 Filips Marnix van St. Aldegonde voor goed in zijn dienst kwam en sedert Oranje’s getrouwe dienaar en medestander is gebleven. Dit feit is daarom te merkwaardiger, omdat die vriendschap den nauwen band heeft gevormd tusschen hem en de Nederlandsche Calvinisten. We herinneren ons, hoe weinig de Calvinisten hem eigenlijk genegen waren, hoe hij zelfs in Antwerpen in 1567 met de Lutherschen en de Katholieken tegenover hen stond. Nog steeds bleef men in Nederland den Prins verdenken van de poging, om de Augsburgsche Confessie aan Nederland op te dringen. Die vrees werd door de thans voor goed gesloten vriendschap met Marnix geheel beschaamd, doch deze had nu ook weder dit nadeelige gevolg, dat de Luthersche vorsten nog minder tot hulp geneigd waren, afkeerig als ze waren van alle Calvinisten. Van alle plannen, die met Wesenbeke en anderen waren besproken of beschreven, kwam in het jaar 1570 niets dan de verrassing van Loevestein door Herman de Ruyter, die door het ontbreken van andere pogingen en door den dood van den aanvoerder op enkel teleurstelling uitliep.Hoe ook het een en ander den Prins zelf ontmoedigde, den moed verliezen deed Oranje niet. Mochten al de Duitsche vorsten hem hunne hulp weigeren, mochten de beurzen der Nederlanders te veel gesloten blijven, mochten de Watergeuzen door hun gedrag zijn zaak in discrediet brengen, mochten Alva’s geheime zendelingen in Nassau zelf hem met den dood bedreigen, Oranje’s hoop en moed werden daardoor niet uitgebluscht. De man, die eertijds gestaan had in het middenvan diplomatieke onderhandelingen, die reeds toen had leeren begrijpen, van welk hoog gewicht voor het nationale leven van één volk de inwerking was van de volken in den omtrek; de man, die reeds in 1559 doorzien had, hoe de draden van het diplomatiek beleid van Engeland, Frankrijk en Spanje door elkander liepen, en die daarbij later door zijn verhouding tot de Hugenoten en tot Coligny geheel op de hoogte was gekomen van de inwendige Fransche politiek; die man begreep, dat de verlossing der Nederlanden ten deele ook van diplomatieke combinatiën afhing. En nu wilde het geluk, dat het hem niet moeilijk kon vallen, op dat oogenblik den draad daarvan, al was hij persoonlijk ver van het tooneel verwijderd, in handen te krijgen.Zijn broeder Lodewijkwas tochin Frankrijk achtergebleven, toen de Prins zelf op het eind van 1569 naar Duitschland was teruggekeerd. Hij was daar na den slag van Moncontour de rechterhand van Coligny gebleven. Al waren in dien slag de Hugenoten verslagen, de Katholieken hoopten tevergeefs, dat de tegenstand hunner vijanden nu voor goed was gebroken. Coligny herstelde zich en stond in Juni 1570, met een klein, maar goed georganiseerd leger in Bourgogne. Karel IX verlangende naar den vrede, sloot op den 8enAugustus van dat jaar den vrede van St. Germain, waarbij vier steden den Hugenoten werden ingeruimd en de Prins zijn vorstendom Oranje terugkreeg.Ook daarna bleef Lodewijk in Frankrijk, zoowel om als regent van het Prinsdom Oranje daar alles te regelen, maar ook om de diplomatieke taak te vervullen, die de Prins voor de verlossing der Nederlanden op het oog had. Daartoe stelde zich Lodewijk met den Engelschen gezant Walsingham in betrekking en wist dezen te winnen voor het groote plan, om Karel IX over te halen tot een openlijken oorlog met Spanje. De Nederlanden zouden allereerst worden aangevallen en behalve op Engelands hulp zou men dan op de vrienden van den Prins in de Nederlanden kunnen rekenen, om de Spaansche heerschappij aldaar omver te werpen. “Van den zomer van 1570 dagteekent dan ook de later te midden van alle bezwaren en gevaren vastgehouden politiek van den Prins, om Frankrijks koningen—zoo mogelijk met Engeland verbonden—met Spanje in oorlog te brengen, ten einde dan in den strijd tusschen de mogendheden, de Nederlanden te bevrijden.” Wel was Lodewijk de man, die op dit oogenblik in Frankrijk die politiek uitvoerde, maar de Prins was de eigenlijke drijfveer van al zijne bewegingen.Het gevolg hiervan was, dat in 1571 de plannen tot den gemeenschappelijken aanval op Spanje en de Nederlanden werden uitgewerkt en dat de samenwerking van de Hugenoten en het Fransche koningshuis zou bezegeld worden door een huwelijk tusschen Hendrik van Navarre en Margareta van Valois. Zooals we later zullen zien liep dit uit op een jammerlijke mislukking.Hier moet nog een woord in het midden gebracht worden over een zaak, die den Prins persoonlijk betrof namelijk over zijn goederen en bezittingen in de Nederlanden. Het was Alva niet onbekend gebleven, dat de Prins, in plaats van dood te zijn, naar alle zijden zijn werkzaamheden uitbreidde, om de bevrijding van het land voor te bereiden. Van dat nieuwe leven opgeschrikt, wilde hij een poging te meer aanwenden, om zijn naam in vergetelheid te brengen. Daartoetrachtte hij den koning van Spanje te bewegen, al de bezittingen van de Nassau’s in de Nederlanden te verkoopen en voor den graaf van Buren, den naar Spanje opgelichten zoon van den Prins, aequivalente goederen in Spanje aan te koopen.In die dagen stelde Alva ook aan Filips voor, den Prins in den vorm van een stroopop te doen executeeren, zijn wapenschild aan de staart van een paard door het vuilnis te sleepen en dan in stukken te breken, zijn kinderen te ontadelen en ze onbekwaam te verklaren, goederen in des konings rijken te bezitten.Mogelijk hing het eerste voorstel van Alva wel samen met den hoogen prijs dien de Prins op die goederen en bezittingen zelf toonde te stellen. Was het wonder dat hij zulks deed? Was het wonder, dat er in diezelfde dagen onderhandelingen door den Prins en door Lodewijk met Spanje zijn gevoerd over de teruggave dier bezittingen? Zeer onbillijke verwijten zijn daaromtrent den Prins gedaan. Doch allereerst moet gezegd worden, dat het volkomen ontbreekt aan uitvoerige berichten omtrent die onderhandelingen; hoever de Prins zich geneigd toonde, zich buiten de Nederlanden te houden, indien hij zijn goederen terug ontving, is onbekend. Doch aangenomen, dat er dienaangaande onderhandelingen gevoerd zijn, moeten we dan niet toegeven, dat het toch recht natuurlijk was, dat Oranje ook zich zelf niet vergat?Waarlijk, wat hij tot op dat oogenblik van den goeden wil der Nederlanders had ondervonden, was tamelijk ontmoedigend. Zou het dan zoo vreemd zijn geweest, dat hij, zoo de Nederlanders niet zich zelf wilden helpen, toch op zijn eigen belangen bedacht was? Was het niet onnatuurlijk, indien hij zich daaromtrent onverschillig betoond had? Doch wij herhalen, al wat hem dienaangaande wordt ten laste gelegd, grondt zich op enkele aanduidingen, op geen bewezen feiten en vloeit daarbij voort uit den haat tegen den zoogenaamden geloofsheld, dien men daardoor in de schatting der menigte wil doen dalen. In elk geval voerden de onderhandelingen tot geen resultaat en bleef de Prins zijn eigen belangen aan die van de Nederlanden paren, bleef hij in de donkere dagen, die hij doorleefde, werkzaam voor de toekomst.Over die donkere dagen viel nog een andere sluier, dien wij genoodzaakt zijn, hoe droevig ook, in een volgend hoofdstuk op te lichten.1Klaagzang.2Lofzang.

Onder hen, die den Prins op zijn tocht in het jaar 1568 vergezeld hadden, behoorden vele zeer besliste Calvinisten. Katholieken waren nietuitgesloten, zooals het voorbeeld van Hoogstraten bewijst, maar de bondgenooten van den Prins waren vooral de vurige hervormers. Daar hij den oorlog tegen Alva bovenal tot een heiligen krijg wilde verheffen, waren vooral de hervormde predikers hem welkom; zijn veldprediker, Adriaan Savary, schreef zijn “hartgrondige begeerte van den edelen, lankmoedigen, hooggeboren Prins van Oranje,” waarin de geloofsgenooten tot een plechtige voorbede werden opgewekt om den wonderdadigen arm Gods over den krijg in te roepen. Al was Oranje nog niet bepaald overgegaan tot het Calvinisme, toch wenschte hij, dat men in hem reeds den held van het hervormde geloof aanschouwde. Zijn voornaamste volgelingen, als Culemborg, Leefdael, van der Noot en Sonoy hadden reeds openlijk den ouden godsdienst vaarwel gezegd en blaakten van ijver voor het nieuwe geloof.

Tot dezen behoorde in de eerste plaats Filips Marnix van St. Aldegonde, de edele broeder van den te Austruweel gesneuvelden Toulouse. Reeds had deze een eerste rol in het Verbond der Edelen vervuld en behoorde hij in Antwerpen tot die Calvinisten, die van ter zijde uit geloofsijver den beeldenstorm in de hand werkten. Daardoor stond hij zelfs in de moeilijke dagen die Antwerpen in Maart 1567 doorleefde, niet aan de zijde van den Prins, doch had zich onmiddellijk in 1568 onder zijne vanen geschaard, toen hij met een leger voor gewetensvrijheid de Nederlanden betrad. Als dichter en schrijver is hij bovenal bekend en naar alle waarschijnlijkheid was het tijdens de donkere dagen, na den treurigen afloop van den eersten bevrijdingstocht zijn dichttalent, dat het aanzijn gaf aan ons “Wilhelmus van Nassouwe.” Op de wijs van een bekend Fransch lied geeft het uitnemend de stemming weer, waarin de Prins en zijn vrienden toen verkeerden. Het luidt in zijn geheel aldus:

Muziekschrift met de eerste twee strofen van het Wilhelmus.

Wilhelmus van NassouweBen ik, van Duitschen bloed;Den vaderland getrouweBlijf ik tot in den dood.Een prince van OrangiënBen ik vrij onverveerd;Den koning van HispangiënHeb ik altijd geëerd.

Wilhelmus van Nassouwe

Ben ik, van Duitschen bloed;

Den vaderland getrouwe

Blijf ik tot in den dood.

Een prince van Orangiën

Ben ik vrij onverveerd;

Den koning van Hispangiën

Heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te levenHeb ik altijd betracht;Daarom ben ik verdreven,Om land, om luid’ gebracht:Maar God zal mij regeerenAls een goed instrument,Dat ik zal wederkeerenIn mijnen regiment.

In Godes vrees te leven

Heb ik altijd betracht;

Daarom ben ik verdreven,

Om land, om luid’ gebracht:

Maar God zal mij regeeren

Als een goed instrument,

Dat ik zal wederkeeren

In mijnen regiment.

Lijdt u mijn onderzaten,Die oprecht zijt van aard:God zal u niet verlaten,Al zijt gij nu bezwaard;Die vroom begeert te leven,Bidt God nacht ende dag,Dat Hij mij kracht wil geven,Dat ik u helpen mag.

Lijdt u mijn onderzaten,

Die oprecht zijt van aard:

God zal u niet verlaten,

Al zijt gij nu bezwaard;

Die vroom begeert te leven,

Bidt God nacht ende dag,

Dat Hij mij kracht wil geven,

Dat ik u helpen mag.

Lijf en goed al te zamenHeb ik u niet verschoond;Mijn broeders, hoog van namen,Hebben ’t u ook vertoond;Graaf Adolf is geblevenIn Friesland in den slag:Zijn ziel in ’t eeuwig levenVerwacht den jongsten dag.

Lijf en goed al te zamen

Heb ik u niet verschoond;

Mijn broeders, hoog van namen,

Hebben ’t u ook vertoond;

Graaf Adolf is gebleven

In Friesland in den slag:

Zijn ziel in ’t eeuwig leven

Verwacht den jongsten dag.

Edel- en hooggeboren,Van Keizerlijken stam,Een Vorst des Rijks verkoren,Als een vroom Christen-manVoor Godes Woord geprezenHeb ik vrij onversaagd,Als een held zonder vreezen,Mijn edel bloed gewaagd.

Edel- en hooggeboren,

Van Keizerlijken stam,

Een Vorst des Rijks verkoren,

Als een vroom Christen-man

Voor Godes Woord geprezen

Heb ik vrij onversaagd,

Als een held zonder vreezen,

Mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwenZijt Gij, o God, mijn Heer!Op U zoo wil ik bouwen.Verlaat mij nimmermeer!Dat ik toch vroom mag blijven,Uw dienaar t’ aller stond,De tirannie verdrijven,Die mij mijn hert doorwondt.

Mijn schild ende betrouwen

Zijt Gij, o God, mijn Heer!

Op U zoo wil ik bouwen.

Verlaat mij nimmermeer!

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar t’ aller stond,

De tirannie verdrijven,

Die mij mijn hert doorwondt.

Van al, die mij bezwarenEn mijn vervolgers zijn,Mijn God! wil toch bewarenDen trouwen dienaar dijn;Dat zij mij niet verrassenIn haren boozen moed,Haar handen niet en wasschenIn mijn onschuldig bloed.

Van al, die mij bezwaren

En mijn vervolgers zijn,

Mijn God! wil toch bewaren

Den trouwen dienaar dijn;

Dat zij mij niet verrassen

In haren boozen moed,

Haar handen niet en wasschen

In mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchtenVoor Saul den tiran,Zoo heb ik moeten zuchtenMet menig edelman;Maar God heeft hem verheven,Verlost uit aller nood,Een koninkrijk gegevenIn Israël, zeer groot.

Als David moeste vluchten

Voor Saul den tiran,

Zoo heb ik moeten zuchten

Met menig edelman;

Maar God heeft hem verheven,

Verlost uit aller nood,

Een koninkrijk gegeven

In Israël, zeer groot.

Na ’t zuur zal ik ontvangenVan God, mijn Heer, dat zoet,Daarnaar zoo doet verlangenMijn vorstelijk gemoed;Dat is, dat ik mag stervenMet eere in het veld,Een eeuwig rijk verwerven,Als een getrouwe held.

Na ’t zuur zal ik ontvangen

Van God, mijn Heer, dat zoet,

Daarnaar zoo doet verlangen

Mijn vorstelijk gemoed;

Dat is, dat ik mag sterven

Met eere in het veld,

Een eeuwig rijk verwerven,

Als een getrouwe held.

Niets doet mij meer erbarmenIn mijnen wederspoed,Dan dat men ziet verarmenDes konings Landen goed.Dat u de Spanjaards krenken,O edel Neerland zoet!Als ik daaraan gedenke,Mijn edel hert dat bloedt.

Niets doet mij meer erbarmen

In mijnen wederspoed,

Dan dat men ziet verarmen

Des konings Landen goed.

Dat u de Spanjaards krenken,

O edel Neerland zoet!

Als ik daaraan gedenke,

Mijn edel hert dat bloedt.

Als een prins, opgezetenMet mijnes heires kracht,Van den tiran vermetenHeb ik den slag verwacht,Die, bij Maastricht begraven,Bevreesde mijn geweld.Mijn ruiters zag men dravenZeer moedig door het veld.

Als een prins, opgezeten

Met mijnes heires kracht,

Van den tiran vermeten

Heb ik den slag verwacht,

Die, bij Maastricht begraven,

Bevreesde mijn geweld.

Mijn ruiters zag men draven

Zeer moedig door het veld.

Soo het de wil des HeerenOp dien tijd was geweest,Had ik geern willen keerenVan u dit zwaar tempeest;Maar de Heer van hier boven,Die alle ding regeert,Die men altijd moet loven,En heeft het niet begeerd.

Soo het de wil des Heeren

Op dien tijd was geweest,

Had ik geern willen keeren

Van u dit zwaar tempeest;

Maar de Heer van hier boven,

Die alle ding regeert,

Die men altijd moet loven,

En heeft het niet begeerd.

Seer christelijk was gedreven.Mijn prinselijk gemoed;Standvastig is geblevenMijn hert in tegenspoed;Den Heer heb ik gebedenVan mijnes herten grond,Dat Hij mijn zaak wil reden,Mijn onschuld doen oorkond.

Seer christelijk was gedreven.

Mijn prinselijk gemoed;

Standvastig is gebleven

Mijn hert in tegenspoed;

Den Heer heb ik gebeden

Van mijnes herten grond,

Dat Hij mijn zaak wil reden,

Mijn onschuld doen oorkond.

Oorlof! mijne arme schapen,Die zijt in grooten nood;Uw herder zal niet slapen,Al zijt gij nu verstrooid.Tot God wilt u begeven,Zijn heilzaam woord neemt aan,Als vrome Christen leven,’t Zal hier haast zijn gedaan.

Oorlof! mijne arme schapen,

Die zijt in grooten nood;

Uw herder zal niet slapen,

Al zijt gij nu verstrooid.

Tot God wilt u begeven,

Zijn heilzaam woord neemt aan,

Als vrome Christen leven,

’t Zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden,En Zijner grooter macht,Dat ik tot geenen tijdenDen koning heb veracht,Dan dat ik God den Heere,Der hoogster Majesteit,Heb moeten obediëerenIn der gerechtigheid.

Voor God wil ik belijden,

En Zijner grooter macht,

Dat ik tot geenen tijden

Den koning heb veracht,

Dan dat ik God den Heere,

Der hoogster Majesteit,

Heb moeten obediëeren

In der gerechtigheid.

Terecht is van dien zang gezegd, dat die uit de ziel des volks is gegrepen en ook oogenblikkelijk daartoe weer zijn terugweg vond; dat die “het Souterlied van Nederland, de nationale psalm der vaderen” is geworden. Van 1568 ruischt en bruist het met vollen toongalm door onze geheele geschiedenis, het is er als de muzikale adem van. In alle wereldoorden, waar de Prinsevlag Neêrlands kleuren toont, klinkt ook het Prinselied onder de meest wisselende toestanden.... Als elegie1van het lijdend, als krijgszang van het strijdend, als dithyrambe2van het triomfeerend Nederland is het “Wilhelmus van Nassouwe” een historisch volkslied, zooals geen enkele andere natie er een bezit.” Nu het in onze dagen in de oude toonzetting wordt ten gehoore gebracht, is het als het ware bij vernieuwing een stuk volksleven geworden.

Brengt men zich daarbij te binnen, hoe dat lied tallooze malen neerslachtigheid heeft opgeheven tot vertrouwen, verslagenheid heeft getroost en bemoedigd, hoe het heeft geprikkeld en aangevuurd tot den felsten kamp; hoe het de machtige wapenkreet is geweest in de 16eeeuw tegen Spanje, in de 17etegen Lodewijk XIV, in den aanvang onzer eeuw tegen Napoleons onderdrukking, dan kunnen we den dichter, uit wiens aderen het vloeide en den held, wien het een eerzuil stichtte, niet dankbaar genoeg herdenken.

Voor dien held en de zijnen werd het in de donkere dagen, die nog volgden, voor het licht aan de kim verrees, een der krachtigste prikkels om te volhardenen trots allen tegenspoed, alle tegenkanting, alle teleurstelling te vertrouwen op de toekomst, te vertrouwen op Hem, die daarin wordt genoemd:

Mijn schild en mijn betrouwen,Zijt gij, o God mijn Heer.

Mijn schild en mijn betrouwen,

Zijt gij, o God mijn Heer.

Met hoeveel opgewektheid en hoop was de tocht van 1568 door Oranje aangevangen, al was hij aanstonds door de nederlaag van de Villers te Daelhem, van de Hugenoten in het Zuiden, van Lodewijk bij Jemmingen, in zijn schoon en veelomvattend plan gestuit.

De overwinning bij Heiligerlee, de betrekkelijke grootheid van zijn eigen leger en de vaste hoop, dat de poorten der steden zich van zelf voor hem zouden openen, hadden hem weder moed gegeven. En thans was die veldtocht geheel vruchteloos gebleken en de geheele onderneming van den Prins was mislukt. Wat bleef er over, dan te wanhopen aan de toekomst en de Nederlanden slechts over te geven aan de willekeur en tirannie van een Alva, die daarmede nu scheen te kunnen doen, wat zijn hart begeerde? De ontbinding van zijn huurleger te Straatsburg scheen het eind te zijn van Oranje’s Nederlandsche roeping. Wat kon hij thans beter doen dan onder den eeuwenouden lindeboom van Dillenburgs kasteel, die nog steeds zijn kruin verheft, te gaan droomen over het verloren verleden, te gaan peinzen over het “transeat gloria mundi?” Zoo scheen het den oppervlakkigen tijdgenoot. Languet, de beroemde diplomaat en publicist dier dagen, de groote vriend der Hervorming, de redder van vele slachtoffers van den Bartholomeusnacht, verkeerde zoo onder den indruk van ’s Prinsen jammerlijken staat op het eind van 1568, dat hij schreef: “De Prins is een dood man. Niet alleen dat zijn soldaten deserteeren, maar ze bedreigen hem zelfs te wurgen en Nassau te verwoesten.” En Alva schreef hetzelfde aan Filips: “De Prins kan beschouwd worden als een dood man. Hij is thans zonder eenigen invloed of crediet.”

Inderdaad laat het zich volmaakt begrijpen, hoe beide partijen dien indruk van het oogenblik ontvingen. Reeds zijn terugtrekken over de Fransche grenzen, m. a. w. zijn vlucht voor Alva, was een diepe vernedering. Catharina de Medicis, waarschijnlijk onder den invloed der gewone Fransche politiek dier dagen, die steeds wankelde in haar houding tegenover het hervormd geloof en tegenover Spanje, ondersteunde nog eenige weken met geheime hulp het leger van den Prins. Toen die houding niet langer kon worden volgehouden en Alva verontwaardigd daarover sprak, werd het feit met de gewone dubbelzinnigheid der koningin eenvoudig geheel ontkend. Er ging zelfs een gerucht, dat een Hugenoot, die Schomberg vergezelde, een gelegenheid vond, om in het geheim tot den Prins te zeggen: “Luister niet naar Schomberg. De koning is niet gereed om U te bestrijden. Gij kunt uw eigen voorwaarden stellen.”

Het schijnt dan ook, dat de Prins nog minder om dadelijk verzet van de Fransche regeering, dan wel om den onwil zijner soldaten het Fransche grondgebied verliet en te Straatsburg zijn leger ontbond. Was het wonder, dat hij toen voor een dood man werd gehouden, dat men meende, dat het voor goed gedaan was met al zijn plannen om Spanje te bestrijden en de Nederlanden te bevrijden?

Er kwam nog meer bij, dat dien indruk versterkte. In het laatst van het jaar1568 scheen het werkelijk een poos, alsof keizer Maximiliaan ten gunste van de Nederlanden zou tusschenbeide komen. De Duitsche keurvorsten hadden namelijk 28 September van dat jaar den keizer een memorie aangeboden, waarin zij Alva’s wreedheden tegenover alle hoog- en laaggeboren Nederlanders beschreven. De keurvorsten beweerden dat de Nederlanden, als afzonderlijke kreits nog immer aan het Duitsche Rijk verbonden, recht hadden op de voorrechten van den godsdienstvrede van Augsburg. Maximiliaan werd daarom verzocht niet toe te staan, dat de koning van Spanje langer door middel van de inquisitie en de edicten van het concilie van Trente, die voorrechten der Nederlanders gewelddadig schond. En inderdaad! die aandrang van de keurvorsten hielp. Maximiliaan zond zijn eigen broeder, den aartshertog Karel, naar Spanje, om aan Filips te zeggen, dat hij aan den aandrang der publieke meening geen weerstand bieden mocht. Op den 21enOctober reeds was de brief met instructiën van den aartshertog gereed en op den 10enDecember kwam deze in Madrid aan.

Toen Filips de boodschap van den aartshertog ontving, drukte hij de grootste bevreemding uit, dat iemand het durfde wagen, hem te beoordeelen in zijnzachtmoedigbestuur van zijn eigen rijk. Natuurlijk had hij in de zaak van den godsdienst alles gedaan, om het belang der kerk te bevorderen, gelijk de plicht was van elken geloovigen zoon, maar verandering in de regeering der gewesten had hij niet gemaakt, enz.

Hij zond twee brieven aan zijn neef den keizer, een openbaren en een bijzonderen brief, beide met de bedoeling hem te doen weten, dat de koning met zijn eigen land kon doen, wat hem behaagde en dat zijn neef het best zou doen, zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Op den 23enJanuari, drie dagen na de ontvangst van die documenten, beantwoordde de aartshertog den openbaren brief op een stoutmoedigen, onafhankelijken toon, en verdedigde hij de zaak der Nederlanden en van den Prins van Oranje, terwijl hij verklaarde, dat de keizer vrije Vlaamsche en Hollandsche burgers niet kon noch wilde behandeld zien als de inwoners van Sicilië en Spanje. Hij bedreigde zelfs den koning, dat een groot aantal Duitsche vorsten en niet alleen Protestantsche, den Prins zouden steunen. Inderdaad, dit klonk zeer goed in de ooren van Europa; ongelukkig echter dat tegelijkertijd een andere onderhandeling tusschen Spanje en Oostenrijk die hooge keizerlijke gevoelens geheel in duigen wierp.

In de Spaansche koninklijke familie waren in het laatste jaar twee sterfgevallen voorgekomen. De ongelukkige Don Carlos, de lichamelijk en geestelijk zwakke eenige zoon van Filips II, overleed in Juli 1568. Zijn dood liet den koning zonder mannelijken erfgenaam. En korten tijd daarna stierf ook Elisabeth van Valois en liet haar Spaanschen gemaal voor den derden keer als weduwnaar achter, die daardoor vrij werd, weder een andere vorstelijke dochter te huwen. Die dubbele dood werd de oorzaak, dat Maximiliaan een zachter toon tegenover Filips begon aan te slaan en in zijne aanvankelijk krachtige verdediging van de Nederlanden niet volhardde. Want Maximiliaan had zes dochters en ook Filips thans alleen vrouwelijke erfgenamen, zoodat de kans niet mocht verloopen, dat òf een zijner zonen met een van Filips’ dochters huwde, die dan later den Spaanschentroon kon beklimmen, òf dat Filips zelf vroeg om de hand van een van de dochters des keizers. Dit laatste had werkelijk plaats. Filips deed het voorstel, de aartshertogin Anna te huwen. Dit werd met beide handen aangenomen en de aartshertog Karel, die begonnen was in Madrid zoo krachtig en stout voor de Nederlanden in naam des keizers op te treden, verliet op den 4enMaart 1569 de Spaansche hoofdstad met een geschenk van 100.000 kronen, terwijl alle verdere onderhandelingen over de arme, slecht behandelde Christenen in Filips’ noordelijke gewesten werden gestaakt en de keizer zich voortaan bepaalde tot enkele zwakke onbeteekenende vermaningen. Dus ook de steun van den Duitschen keizer was voor den Prins verloren, op het oogenblik dat zijn veldtocht geheel mislukt was en te Straatsburg zijn leger werd ontbonden. Hadden Alva en Languet dan geen gelijk met te zeggen: “De Prins is een dood man!”

Dood! dat zou Oranje, wiens gemoed steeds meer levend werd en wiens vertrouwen op de toekomst verdubbelde, naarmate zijn ervaringen somberder en zijn dagen donkerder werden, dat zou Oranje anders leeren. Daartoe was echter op dat oogenblik voor alle dingen noodig, dat hij zijn verloren krijgsroem herstelde; daarom besloot hij, zich met 1200 ruiters, die hem getrouw bleven, bij het leger te voegen, dat onder Wolfgang von Zweibrücken het leger der Hugenoten onder Condé zou te hulp komen. Zijne broeders Lodewijk en Hendrik bleven bij hem en verleenden, evenals Oranje, hunne persoonlijke diensten aan de Fransche Protestanten. De hertog van Anjou werd met het opperbevel over het leger van de regeering belast en won op den 10enMaart 1569 den bloedigen slag bij Jarnac, waar Condé den dood vond. Bij dien slag was Oranje met zijn legerafdeeling niet tegenwoordig, daar hij tevergeefs op de komst van Wolfgang gewacht had.

Eerst den 30enMaart kon de Prins zich met het leger van Wolfgang vereenigen en trokken zij gezamenlijk door den Elzas naar de Fransche grenzen in Lotharingen. Nu was het natuurlijk hun plan het leger der Hugenoten, dat na den slag bij Jarnac, zich onder Coligny had hersteld en dat zich aan de Loire bevond, te gemoet te trekken. Daartoe moest het geheele vijandige land worden doorkruist. Die bange tocht werd ondernomen, ook al werden ze onmiddellijk door het Fransche leger gevolgd. De onderneming werd met de grootste stoutheid volvoerd; doch al waren zij bij het stadje la Charité ook bij de Loire gekomen, nog konden ze zich niet met Coligny vereenigen, daar nog steeds de hertog van Anjou tusschen den admiraal en zijne bondgenooten stond. Die vereeniging gelukte pas op den 10enJuni te Saint IJriex, in de nabijheid van Limoges. Een paar dagen later had de slag bij La Roche-Abeille plaats, waar Anjou werd verslagen en in welken slag Lodewijk zoowel als Oranje grooten roem behaalden.

Gedurende den zomer bezocht Oranje in gezelschap van verschillende Hugenootsche hoofden het kasteel van den beroemden Brantôme, den schrijver van verscheidene belangrijke werken, die zijn loopbaan als militair in den dienst der regeering, o.a. tegen de Hugenoten, begonnen was. Deze Brantôme geeft in zijn Grands Capitaines étrangers de volgende beschrijving van dat bezoek.

“Verscheidene Fransche bondgenooten van den hertog von Zweibrücken zoowel als de Prins van Oranje, graaf Lodewijk en hun jongere broeder, kwamen na den dood van dien hertog (deze was nog voor de vereeniging der beide legers overleden) op het kasteel Brantôme, waar ik mij teruggetrokken had wegens een ernstige vierdaagsche koorts, die mij zoo kwaadaardig had vergiftigd, dat ik er in maanden niet van kon bevrijd worden. Zoo zag ik al die edellieden, Franschen en vreemdelingen, in mijn huis. Om strijd bewezen ze mij elke mogelijke eer, zonder eenige schade aan mijn huis toe te brengen. Geen enkel beeldje werd er vernield, geen enkele glasruit gebroken. Ik onthaalde hen uitstekend, daar de koning van Navarre en de admiraal beiden zeer op mij gesteld waren. Aan den laatstgenoemde was ik door zijn vrouw zelfs verwant. In het kort, ik had reden, over hen allen zeer voldaan te zijn.

Daar zag ik de vreemde prinsen en had in een laan van mijn tuin lange gesprekken met den Prins van Oranje. Ik vond hem een gedistingeerd persoon, geheel naar mijn smaak. Uitstekend redeneerde hij over de zaken. Hij vertelde mij, hoe krachteloos zijn leger was; hij weet dit aan zijn armoede en aan de vreemden, die hem geen liefde toedroegen. Maar hij was niet van plan, in het midden van den weg te blijven staan en heel spoedig zou hij den verloren grond terugwinnen. Hij had een zeer aangename manier van omgang en maakte ook uitwendig een goed figuur. Graaf Lodewijk was kleiner. Den Prins vond ik verdrietig gestemd; hij was terneergeslagen door zijn rampspoed. Maar graaf Lodewijk was openhartiger in zijn houding en scheen blijmoediger te zijn. Hij werd voor meer vermetel en meer ondernemend dan de Prins gehouden, maar deze was wijzer, rijper en voorzichtiger.”

In den slag van La Roche-Abeille deelde de Prins het commando met graaf de la Rochefoucauld. Toen volgde de belegering van Poitiers, dat dapper verdedigd werd en ook niet werd ingenomen. Bij die belegering was de Prins ook aanwezig; doch kort nadat het beleg door de Hugenoten was opgegeven, verliet Oranje hen, om naar Duitschland terug te keeren.

Lodewijk en Hendrik bleven bij het leger der Hugenoten en namen deel aan den ongelukkigen veldslag van Montoncour, waar Lodewijk, trots den jammervollen uitslag, vele lauweren behaalde. Terwijl deze Coligny op zijn verdere tochten vergezelde, in het Prinsdom Oranje de orde herstelde en met den admiraal werkzaam was, toen de belangrijke vrede van St. Germain werd gesloten, om daarna uit La Rochelle voor de belangen van den Prins te werken en met hem nieuwe plannen tot bevrijding der Nederlanden te maken, was de Prins zelf diep in het geheim naar Duitschland teruggegaan. Dat vertrek had zelfs zoo in stilte plaats gehad, dat het niet behoeft te bevreemden, dat er allerlei geruchten, het een al dwazer dan het andere, aan werden vastgeknoopt.

De Spaansche gezant te Parijs, Alava, schreef, dat het Hugenootsche leger met verachting van den Prins sprak, toen het hoorde van zijn plotseling vertrek en dat hij beschouwd werd als een man, wiens reputatie verloren was. Ook werd deze vlucht, drie dagen voor den slag van Montoncour, als een daad van gebrekaan moed aangemerkt. Anderen dachten, dat Oranje in het geheim naar Engeland ging om hulp van Elisabeth te vragen en zelfs om een huwelijk voor te bereiden tusschen Hendrik van Navarre en Elisabeth. Nog anderen meenden, dat het doel zijner geheimzinnige reis was, La Rochelle in de handen der Engelschen te spelen, terwijl de koninklijke troepen zich in het Oosten van Frankrijk ophielden.

Het meeste geloof echter verdient de meening, dat de Prins zich haastte naar Duitschland te komen, omdat hij bij vernieuwing eenige kans zag, de Nederlandsche vluchtelingen tot vereenigd handelen te brengen.

Zelfs wordt verteld, dat Oranje als boer verkleed met enkele volgelingen het kamp in Frankrijk verliet en met groot gevaar voor zijn leven den Rijn bereikte, ten einde in Duitschland nieuwe versterkingen te gaan zoeken.

In November bereikte hij Dillenburg, maar hij scheen het onveilig te vinden lang op ééne plaats te blijven en reisde daarom het land op en neer. Omtrent Kerstmis bereikte hij Arnstadt, vanwaar hij aan zijne broeder Jan te Dillenburg schreef. Uit dien brief blijkt, hoe de Prins tot zijn droefheid, in Duitschland reizende, bij vernieuwing van den haat der Lutheranen tegen de Calvinisten had gehoord. De predikanten der eerstgenoemden ontzagen zich niet de Calvinisten in Frankrijk en in de Nederlanden van den kansel voor muiters, rebellen, heiligschenners en beeldstormers te schelden. En daaraan wijt hij het ook, dat zijn arbeid in Duitschland zoo vruchteloos blijft en dat zelfs een Alva nog door lichtingen uit Duitschland (Eric van Brunswijk) wordt versterkt. Weemoedig roept hij uit:

“Terwijl onze tegenstanders werken en wij alles moesten doen, om hunne ondernemingen te vernietigen, slapen wij.... De zaken zijn zoover gekomen, dat, als God niet wonderlijk helpt, de godsdienst gevaar loopt, voor langen tijd uitgeroeid te worden; want niemand zal dien durven steunen, ziende de weekheid en het gebrek aan moed bij hen, die zedelijk verplicht waren, dien te bevorderen en te onderhouden....”

Van welke zijde hulp te wachten zou zijn, was in dien tijd moeilijk te ontdekken; toch ging Oranje voort en vond al zoekende, overal met gevaar voor zijn eigen leven, hier en daar een weinig hulp. Hij was gedwongen zich zoo geheim te houden, dat men meende, dat hij dood was. Toen dit gerucht ter oore van Viglius kwam, zeide deze: “Als het hoofd is weggenomen, dan hebben wij de rebellen niet meer te vreezen.” Wel scheen het op het einde van 1569 alsof de troebelen geheel waren bedaard en Alva vrij naar zijn wil kon handelen maar de Prins rustte niet, doch werkte dag en nacht om aan alle kanten vrienden en te gelegener tijd volk te bekomen.

Behalve het geheim beroep, dat hij in persoon op talloozen deed, zond hij een menigte adressen om hulp overal heen. Brief op brief richtte hij tot de gevluchte edelen en tot de hervormde congregaties in Engeland, in Kleef, Emden, Hamburg, Bremen en elders. Ook met verscheiden invloedrijke personen in de Nederlanden onderhield Oranje geheime briefwisseling, met Sonoy, van Swieten, van Calslagen, Cant en Wesenbeke.

De toenmalige Leidsche pensionaris Mr. Paulus Buys, die in 1572 advocaat van den lande werd en later in menig opzicht de rechterhand van den Prins was,wijdde zich reeds in 1569 met grooten ijver aan de nationale zaak. Hij was het, die op het eind van dat jaar, terugkeerende van de Algemeene Statenvergadering te Brussel, die over den eisen van den 10enpenning van Alva beraadslagen moest, diep in het geheim een reis naar Dillenburg waagde en 24 uren vertoefde bij den Prins, wien hij alle inlichtingen omtrent den toestand in de Nederlanden geven kon.

Hoofddoel van de geheime correspondentie, welke van die reis van Buys het gevolg was, werd een opwekking van de Nederlanders, toch te bedenken, dat de welvaart van het vaderland van hen eischte als eerste plicht, gelden bijeen te zamelen. Eene proclamatie van den Prins van 22 April 1570 bevatte o. a. het volgende:

“Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden, voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel ter harte neemt ’t gemeen welvaren van het vaderland in ’t algemeen als van elk van U in ’t bijzonder....“Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt getoond....“In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor de welvaart van het land en voor de vrijheid” enz.

“Wij twijfelen niet, of gijlieden en elk van U gedenkt wel den eed en de verbintenis, die gij schuldig zijt uwen lieven vaderlande en tot onderhouding der rechten, vrijheden, voordeelen en voorspoed van hetzelve, waardoor we ons verzekerd houden, dat gijlieden als vrome, verstandige lieden, wel ter harte neemt ’t gemeen welvaren van het vaderland in ’t algemeen als van elk van U in ’t bijzonder....

“Wij overdenken de verdrukking, de tirannie en de gewelddadigheden, die men tegen eed, geloof en recht en zonder eenige reden of misdaad nu zoolang U heeft aangedaan en aandoende is en met meerdere verdrukking U dagelijks bedreigt. Wij hebben niet kunnen laten ons dikwijls te verwonderen, hoe het mogelijk is, dat gijlieden zoo lang daartoe hebt kunnen stilzwijgen en daartegen U niet hebt getoond....

“In hoop en goed vertrouwen dat gij niet zult verzuimen.... hebben wij u willen aanzeggen, dat wij gewillig zijn en niet zullen ontzien goed en bloed op te zetten voor de welvaart van het land en voor de vrijheid” enz.

In dien toon waren de brieven en de proclamaties van den Prins gesteld. Er werd zelfs een geheel stelsel van geheime correspondentie uitgedacht, om door verdichte namen de regeering op een dwaalspoor te brengen, als de brieven soms werden opgevangen. De steden, die men wilde verrassen, werden met godennamen uit de Romeinsche en Grieksche mythologie aangeduid; de personen met voorletters of pseudoniemen, enz. Om de verzameling van gelden was het allereerst te doen en dan verder om de verrassing van steden.

Hoe konden echter Oranje en de zijnen gegronde hoop koesteren, na de mislukking van den aanval van 1568, op een réveil van het volk? Was toen niet de poging afgestuit op den onwil van de Nederlandsche burgers om zijn poorten voor den Prins te openen? Zagen we niet, dat Alva in het eind van dat jaar als de geduchte overwinnaar werd gevreesd, dat alles voor hem had gebukt?

Het was natuurlijk reactie, die hier de zaak van den Prins heeft geholpen. Alva’s overwinningen hadden hem overmoediger dan ooit gemaakt; hij dacht thans met het Nederlandsche volk te kunnen doen, wat ook zijn hart begeerde. De oprichting van het standbeeld, dat hem als overwinnaar voorstelde, met den voet op den nek van een tweehoofdig monster, adel en volk, was de sprekende profetie,wat men thans van hem had te wachten. Zijne plannen waren zoo veelomvattend, dat niet alleen de Bourgondische Nederlanden, maar ook de aangrenzende gewesten in het Duitsche Rijk onder Spaanschen invloed moesten komen. Al de maatregelen, die dienen moesten om dit groote doel te bereiken, waren van dien aard, dat ze van zelf het in slaap gezonken volk tot nieuw verzet prikkelden.

Alsof er al niet genoeg ellende over het land was gebracht! Het schrikbewind van Alva had haar uitwerking niet gemist en de Raad van Beroerten hield niet op over schuldigen en onschuldigen een vonnis uit te spreken.

Al is het te sterk gekleurd toch wordt die toestand van ons land, reeds eenige maanden na Alva’s komst, treffend weergegeven door de beschrijving van Motley: “Het gansche land werd een knekelhuis; de doodsklok luidde ieder uur in alle dorpen; aan geen enkele familie werd de rouw gespaard over haar dierbaarste betrekkingen, terwijl de overlevenden onverschillig rondzwierven, de schimmen van wat zij vroeger waren, tusschen de puinhoopen van wat eens hun woning was. De energie van het volk scheen binnen weinige maanden na de komst van Alva hopeloos gebroken. Het bloed van de besten en dappersten onder hen had reeds het schavot bevlekt; de mannen, tot wie zij gewoon waren geweest uit te zien om leiding en bescherming, waren dood, gevangen of in ballingschap. Onderwerping had geen nut meer, ontvluchting was onmogelijk en wraakzucht woedde aan elken haard. Dagelijks liepen rouwdragenden langs de straten, want er was bijna geen huis, waar de dood niet gewoed had. De schavotten, de galgen, de brandstapels, in gewone tijden voldoende, leverden nu een volkomen ontoereikend materiaal voor de steeds elkaar opvolgende terechtstellingen. Palen, stokken in iedere straat, deurposten van particuliere huizen, schuttingen op het veld torschten geraamten van menschen, die geworgd, verbrand of onthoofd waren. De boomgaarden op het land droegen aan menigen tak, afzichtelijke vrucht, lichamen van menschen. Zoo werden de Nederlanden vernietigd en ware het niet dat de scherpe dwingelandij nu hare poorten gesloten had, ze zouden ontvolkt zijn geworden. Het gras begon te groeien in de straten van die steden, die nog kort geleden zoo vele werklieden gevoed hadden. In al die groote nijverheids- en handelsplaatsen, waar de polsslag van het leven zoo sterk geklopt had, heerschte nu stilte en middernachtelijke duisternis.”

Onder die nieuwe maatregelen nu, welke Alva nam, was een der voornaamste, de invoering vanvaste rechtstreeksche belastingen, een stelsel, dat in Spanje reeds langen tijd bestond onder den naam van alcabala. Van Spaansch standpunt uit was het streven naar zulk een vaste regeling zeer begrijpelijk. Maar de Staten vonden tot heden hunne eenige kracht in de contrôle, die ze om een zeker aantal jaren door de goedkeuring der beden op de regeering konden uitoefenen. De Staten hadden feitelijk de koorden van de beurs in handen. Een vaste regeling zou, bij gemis van elke andere contrôle, totale slavernij van het volk ten gevolge gehad hebben.

Bovendien waren de voorgestelde belastingen zeer drukkend, want bij verkoop van roerende goederen zou 10 % (tiende penning), van onroerend goed 5 % (twintigste penning) betaald worden, terwijl dan nog 1 % (honderdstepenning)zou geheven worden van de waarde van alle goederen, zoowel roerende als onroerende. Dat de kooplieden in hun handel ten zeerste bedreigd werden door deze voorstellen laat zich begrijpen.

Geen wonder daarom, dat dit plan een storm in het land verwekte, veel grooter dan al de godsdienstige vervolgingen en onrechtvaardige daden gedurende de laatste twee jaren. En die storm was zoo geweldig, dat zelfs een Alva daarvoor bukken moest. Na eindelooze nieuwe voorstellen van den kant des landvoogds en nieuwe uitvluchten en bezwaren van de vergaderingen der Staten, werd Alva’s voorstel, om in plaats van den tienden en den twintigsten penning een heffing van 2 millioen ’s jaars te doen voor twee jaar, aangenomen, doch de Landvoogd was vast besloten, zoodra mogelijk, op de zaak terug te komen en de financiën behoorlijker te regelen.

Deze en andere maatregelen, die alleen dienen moesten, om alle privileges der bevolking te ontrooven, deden echter de ontevredenheid van dag tot dag toenemen. Daarbij begon de indruk van de strafoefeningen en de krijgstochten van 1568 allengs te verminderen en het natuurlijk gevolg daarvan was, dat de geheime invloed van Oranje door middel zijner agenten in Holland hoe langer hoe meer van beteekenis werd en dat men reeds weder kon beginnen te denken aan overmeestering of verrassing van steden.

Een zware last bleef echter hevig op den Prins drukken, die hem zeer in zijn plannen belemmerde. Dat waren de schulden, die hij had aangegaan bij de expeditie van 1568. De Nassau’s hadden bijna elke bezitting, alles wat van eenige waarde was, verpand, om de eischen der huursoldaten te bevredigen. Uit de brieven van Oranje aan zijn broeder Jan blijkt duidelijk, in welk een verlegenheid hij zich vaak bevond en tot welk een bezuiniging hij de toevlucht nam. Hij had, gelijk we vroeger zagen, aan de huurtroepen beloofd, dat als hij binnen een bepaalden tijd niet kon betalen, hij zich dan zelf als gijzelaar in hun handen zou stellen.

Op 1 Januari 1570 schrijft hij nu aan zijn broeder Jan en verzoekt hem een zekeren Tieman van Hort naar een vergadering van de onbetaalde troepen te zenden, om dezen aan het verstand te brengen, hoe onzinnig het zou zijn, als hij die belofte vervulde. Indien hij onder den rijksban kwam, of in handen van den keizer, dan was alle hoop verloren, dat hij ooit het verschuldigde kon betalen. Bleef hij vrij, dan bestond altijd de kans, dat de zaken een voordeeligen keer namen. Ook draagt hij zijn broeder in den brief op, een kleinen beker ter waarde van 100 florijnen aan Hartman Wolf, een kapitein van een zijner troepen, die in het huwelijk was getreden, te zenden. Wat de 10.000 florijnen van den hertog van Saksen betrof, de Prins had gedaan wat hij kon, maar had niets gekregen. Dit schreef hij uit Sondershausen en op den 17enJanuari richtte hij weder tot denzelfden broeder uit Arnstadt een brief, die ons nog meer in bijzonderheden teekent, in welk een benauwden toestand Oranje was gekomen. Na zijn vruchtelooze onderhandelingen te hebben vermeld, zegt hij:

“Ik ben bevreesd, dat mijne brieven soms door den vijand zullen gelezen worden, want zij zouden er uit kunnen zien, hoe weinig vooruitzicht er voor mij op hulp van de vorsten bestaat. Terzelfdertijd durf ik niet nalaten om Coligny enanderen omtrent den toestand inlichting te geven.... Schwarzburg is teruggekeerd, maar heeft niets bereikt. Hij en George von Holl rieden mij aan, naar U te gaan, maar om verschillende redenen acht ik dit ongeschikt. Ik zou niet geheim genoeg kunnen reizen, om ontdekking te ontgaan en ik heb te weinig paarden, om openlijk te komen.... Alle vrienden van de partij van den koning zijn op middelen bedacht om mij te verschalken en mijne soldaten zouden mij ter zake van het geld, dat ik hun nog schuldig ben, wel kwade parten kunnen spelen. Daarbij is Dillenburg een versterkte plaats en daarom kan men licht denken, dat, als ik daar heen ging, er dan ook van alle kanten vreemdelingen zouden heenvluchten en dan kon de hertog gemakkelijk iemand zenden, om de plaats te bespieden, of zelfs om mij te vergiftigen. En behalve dat, zouden uwe uitgaven zoozeer door die vreemdelingen vermeerderd worden en als er krijgsvolk in de buurt was, dan konden ze licht een aanval op de plaats doen.... De Landgraaf is het hiermede eens.... Graaf Gunther, Hans Gunther en graaf Albert verzoeken mij bij hen te blijven en bewijzen mij tal van beleefdheden, die ik ten hoogste waardeer....”

De Prins eindigt dien brief met de mededeeling aan zijn broeder, dat hij den raad, om nog eenigen tijd te blijven waar hij was, zou opvolgen, tenzij zijn vrouw in Dillenburg kwam, in welk geval hij zoo geheim mogelijk een reis daarheen wilde doen, om dan met zijn broeder Jan en zijn moeder een besluit te nemen, wat er verder moest gedaan worden.

Op den 20enJanuari schreef de Prins weder aan Jan, om hem te danken voor zijn mededeeling, maar vooral om hem in te prenten, te Dillenburg op zijn hoede te zijn. Hij gaf hem allerlei raadgevingen ten opzichte van de versterking der plaats. O. a. schreef hij:

“Het komt mij voor, dat uwe buren u moesten helpen, want ook in hun belang is het, dat Dillenburg goed versterkt is. Zou het niet zeer van pas zijn, dat gij aan de landgraven Lodewijk en Willem en aan andere graven in de buurt schreef, om ten minste zeker te zijn, hoeveel gewapende mannen zij u in geval van nood zouden kunnen leveren. Ook was het te wenschen, dat gij uw geschut terug hadt, dat thans hertog Casimir van u heeft en dat het weer in Dillenburg werd geplaatst. Ook moeten er menschen aan het werk gesteld worden om salpeter te zoeken; ik twijfel niet, of er is in uw gronden een voldoende hoeveelheid te vinden om uw huis van kruit te voorzien....”

De rest van dezen brief is gewijd aan kleine bijzonderheden, die bewijzen, hoe de Prins zich genoodzaakt zag, zich met de minste zaken (b.v. zijn kousen) te bemoeien. Ook vermeldt hij nog aan zijn broeder, dat Gunther naar Dresden is vertrokken, om den keurvorst te zien voor zijn reis naar den keizer. “Ik droeg hem op, bij den keizer van de zaak der arme Christenen nog eens gewag te maken, maar vrees, dat het vergeefsche moeite zijn zal.”

Niettegenstaande al de bezwaren tegen het vertoeven van den Prins te Dillenburg, vinden we hem toch op den 15enMaart op het kasteel terug en wel in briefwisseling met zijn broeder Jan, die zich toen eenigen tijd in Frankfort ophield. Van daar begon hij toen die belangrijke briefwisseling met Wesenbeke; van daargaf hij zijne proclamaties en commissiebrieven in het belang der Nederlanden. Tot de laatste behoorde ook de opdracht, die door Oranje aan de Watergeuzen gegeven werd.

De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)

De Watergeuzen voor den Briel.—Koppelstok begeeft zich naar de stad.—1 April 1572. (Bladz. 211.)

Reeds in September 1569 had de beruchte Zuid-Nederlandsche edelman Adriaan de Bergues, heer van Dolhain, zulk een commissie van den Prins ontvangen. Hij deed dat krachtens zijn recht als onafhankelijk souverein van het vorstendom Oranje. De Watergeuzen waren niets anders dan piraten, maar het waren voor het grootste deel martelaren van het Spaansche schrikbewind. Dat was dan ook zeker de eerste reden, waarom de Prins zich met hen in betrekking stelde—een tweede, niet minder van belang was, dat Oranje hoopte door een deel van hun buit in zijn geldnood te kunnen voorzien. Door zijne onbetwistbare verhouding tot hen heeft de Prins van de zijde zijner vijanden, van zijne dagen af tot heden, den grootsten smaad ondervonden.

Omdat de Watergeuzen eene van hem afkomstige aanstelling bij zich droegen en de Prins den band vormde, die eenheid gaf aan hun vrijbuiten, is hij aansprakelijk gesteld voor al de bandeloosheden en gruwelen door dien wilden hoop bedreven. Toch is dit hoogst onbillijk. De Prins liet niet na, in zijn commissiebrieven de hoofdleiders en de matrozen aan te sporen tot het inachtnemen van orde en goede manieren. “Ils ayent surtout à user de toute la discrétion et pourvoyance que leur sera possible.” Was de Prins er dan verantwoordelijk voor, dat dergelijke raadgevingen niet hielpen? Hij kon niet anders doen dan hij deed. De mannen, die het vertrouwen onwaardig bleken, afzetten en nieuwe commissiebrieven aan anderen geven. Aldus handelde hij ook.

De beruchte Dolhain, die het talent geheel miste, zich te doen eerbiedigen door zijn roofzieke schepelingen en die, in Dillenburg ter verantwoording geroepen, den Prins niets ter hand stelde dan alleen een onbetaalde rekening, werd vervangen door den Heer de Lumbres, ook een Zuid-Nederlandsch edelman, een man van meer geestkracht. En toch gelukte het ook dezen niet, met zijn onderbevelhebbers Lancelot van Brederode en Guillaume de Lumey, uit het huis van La Marck, orde en tucht te handhaven onder de verwilderde zeeroovers.

In ’s Prinsen kas vloeide na de benoeming van Lumbres wel iets meer, maar toch nog zeer weinig. De afzetting van Dolhain en de aanstelling van zijn opvolger was mede het gevolg van eene briefwisseling van den Prins met den Kardinaal de Châtillon, broeder van Coligny, die hem den raad gaf, zijn commissiebrieven terug te nemen, daar de handelingen der Watergeuzen zijn zaak in discrediet brachten.

Van toen af werd bepaald, dat op elk schip een evangelie-dienaar aanwezig zou zijn, geen vreemdeling mocht scheepscommandant worden; misdadigers moesten niet meer op de rol worden gezet, terwijl alle muiterij en wangedrag streng zou worden gestraft.

Deze verscherpte orders waren ook meestal een doode letter en de Watergeuzen bleven als vroeger de schrik van de kust.

Het bleven dus in 1570 donkere dagen voor het land en voor den man, die in Dillenburg onophoudelijk bezig was, om op maatregelen tot redding bedachtte zijn. Ook van Spanje’s zijde werd de toestand voor de Nederlanden niet gunstiger. Wel hoopte men in dat jaar, dat een nieuwe opstand van de Mooren eenige afleiding zou geven en misschien de oorzaak zou worden, dat de Spaansche troepen het land zouden verlaten. Maar de jongere broeder van Filips, Don Juan, toonde zich krachtig genoeg, met de Spaansche macht alleen den opstand te bedwingen. Alva werd niet op het tooneel geroepen; zijn soldaten bleven in de Nederlanden, die buitendien geld naar Spanje moesten zenden. Ook aan een andere hoop, waarmee men zich in 1570 korten tijd vleide, werd de bodem ingeslagen.

Op den 16enJuli kondigde Alva een pardon af, dat naar hij hoopte, het volk zou bevredigen. Filips had hem er drie gezonden, om naar omstandigheden van een daarvan gebruik te maken. Alva koos de mildste en op genoemden datum werd dat pardon op de groote Plaats te Brussel aan de verzamelde menigte voorgelezen en ook naar andere steden gezonden. De toehoorders echter waren even wijs bij het slot als bij het begin. Wel werden er publieke vermakelijkheden, door Alva bevolen, gevierd, die de uiting der blijdschap over dat pardon moesten zijn, maar de Nederlanders ontwaakten ras tot het besef, dat dit pardon gelijk aan al de andere was, die Filips reeds vroeger had uitgevaardigd, daar aan niemand iets werd gegeven, behalve aan hen, die niet tegen de kerk en tegen den koning hadden gezondigd. En alsof al die teleurstellingen niet wreed genoeg waren, op den eersten November van dat jaar werd Nederland door een vreeselijken watervloed geteisterd, die in alle zeegewesten de grootste verwoestingen aanrichtte, doch vooral in Friesland en Groningen onbeschrijfelijke ellende na zich sleepte. Duizenden verloren het leven en duizenden werden tot den bedelstaf gebracht.

Een groote aanwinst voor den Prins was, dat in den winter van 1570 op 1571 Filips Marnix van St. Aldegonde voor goed in zijn dienst kwam en sedert Oranje’s getrouwe dienaar en medestander is gebleven. Dit feit is daarom te merkwaardiger, omdat die vriendschap den nauwen band heeft gevormd tusschen hem en de Nederlandsche Calvinisten. We herinneren ons, hoe weinig de Calvinisten hem eigenlijk genegen waren, hoe hij zelfs in Antwerpen in 1567 met de Lutherschen en de Katholieken tegenover hen stond. Nog steeds bleef men in Nederland den Prins verdenken van de poging, om de Augsburgsche Confessie aan Nederland op te dringen. Die vrees werd door de thans voor goed gesloten vriendschap met Marnix geheel beschaamd, doch deze had nu ook weder dit nadeelige gevolg, dat de Luthersche vorsten nog minder tot hulp geneigd waren, afkeerig als ze waren van alle Calvinisten. Van alle plannen, die met Wesenbeke en anderen waren besproken of beschreven, kwam in het jaar 1570 niets dan de verrassing van Loevestein door Herman de Ruyter, die door het ontbreken van andere pogingen en door den dood van den aanvoerder op enkel teleurstelling uitliep.

Hoe ook het een en ander den Prins zelf ontmoedigde, den moed verliezen deed Oranje niet. Mochten al de Duitsche vorsten hem hunne hulp weigeren, mochten de beurzen der Nederlanders te veel gesloten blijven, mochten de Watergeuzen door hun gedrag zijn zaak in discrediet brengen, mochten Alva’s geheime zendelingen in Nassau zelf hem met den dood bedreigen, Oranje’s hoop en moed werden daardoor niet uitgebluscht. De man, die eertijds gestaan had in het middenvan diplomatieke onderhandelingen, die reeds toen had leeren begrijpen, van welk hoog gewicht voor het nationale leven van één volk de inwerking was van de volken in den omtrek; de man, die reeds in 1559 doorzien had, hoe de draden van het diplomatiek beleid van Engeland, Frankrijk en Spanje door elkander liepen, en die daarbij later door zijn verhouding tot de Hugenoten en tot Coligny geheel op de hoogte was gekomen van de inwendige Fransche politiek; die man begreep, dat de verlossing der Nederlanden ten deele ook van diplomatieke combinatiën afhing. En nu wilde het geluk, dat het hem niet moeilijk kon vallen, op dat oogenblik den draad daarvan, al was hij persoonlijk ver van het tooneel verwijderd, in handen te krijgen.

Zijn broeder Lodewijkwas tochin Frankrijk achtergebleven, toen de Prins zelf op het eind van 1569 naar Duitschland was teruggekeerd. Hij was daar na den slag van Moncontour de rechterhand van Coligny gebleven. Al waren in dien slag de Hugenoten verslagen, de Katholieken hoopten tevergeefs, dat de tegenstand hunner vijanden nu voor goed was gebroken. Coligny herstelde zich en stond in Juni 1570, met een klein, maar goed georganiseerd leger in Bourgogne. Karel IX verlangende naar den vrede, sloot op den 8enAugustus van dat jaar den vrede van St. Germain, waarbij vier steden den Hugenoten werden ingeruimd en de Prins zijn vorstendom Oranje terugkreeg.

Ook daarna bleef Lodewijk in Frankrijk, zoowel om als regent van het Prinsdom Oranje daar alles te regelen, maar ook om de diplomatieke taak te vervullen, die de Prins voor de verlossing der Nederlanden op het oog had. Daartoe stelde zich Lodewijk met den Engelschen gezant Walsingham in betrekking en wist dezen te winnen voor het groote plan, om Karel IX over te halen tot een openlijken oorlog met Spanje. De Nederlanden zouden allereerst worden aangevallen en behalve op Engelands hulp zou men dan op de vrienden van den Prins in de Nederlanden kunnen rekenen, om de Spaansche heerschappij aldaar omver te werpen. “Van den zomer van 1570 dagteekent dan ook de later te midden van alle bezwaren en gevaren vastgehouden politiek van den Prins, om Frankrijks koningen—zoo mogelijk met Engeland verbonden—met Spanje in oorlog te brengen, ten einde dan in den strijd tusschen de mogendheden, de Nederlanden te bevrijden.” Wel was Lodewijk de man, die op dit oogenblik in Frankrijk die politiek uitvoerde, maar de Prins was de eigenlijke drijfveer van al zijne bewegingen.

Het gevolg hiervan was, dat in 1571 de plannen tot den gemeenschappelijken aanval op Spanje en de Nederlanden werden uitgewerkt en dat de samenwerking van de Hugenoten en het Fransche koningshuis zou bezegeld worden door een huwelijk tusschen Hendrik van Navarre en Margareta van Valois. Zooals we later zullen zien liep dit uit op een jammerlijke mislukking.

Hier moet nog een woord in het midden gebracht worden over een zaak, die den Prins persoonlijk betrof namelijk over zijn goederen en bezittingen in de Nederlanden. Het was Alva niet onbekend gebleven, dat de Prins, in plaats van dood te zijn, naar alle zijden zijn werkzaamheden uitbreidde, om de bevrijding van het land voor te bereiden. Van dat nieuwe leven opgeschrikt, wilde hij een poging te meer aanwenden, om zijn naam in vergetelheid te brengen. Daartoetrachtte hij den koning van Spanje te bewegen, al de bezittingen van de Nassau’s in de Nederlanden te verkoopen en voor den graaf van Buren, den naar Spanje opgelichten zoon van den Prins, aequivalente goederen in Spanje aan te koopen.

In die dagen stelde Alva ook aan Filips voor, den Prins in den vorm van een stroopop te doen executeeren, zijn wapenschild aan de staart van een paard door het vuilnis te sleepen en dan in stukken te breken, zijn kinderen te ontadelen en ze onbekwaam te verklaren, goederen in des konings rijken te bezitten.

Mogelijk hing het eerste voorstel van Alva wel samen met den hoogen prijs dien de Prins op die goederen en bezittingen zelf toonde te stellen. Was het wonder dat hij zulks deed? Was het wonder, dat er in diezelfde dagen onderhandelingen door den Prins en door Lodewijk met Spanje zijn gevoerd over de teruggave dier bezittingen? Zeer onbillijke verwijten zijn daaromtrent den Prins gedaan. Doch allereerst moet gezegd worden, dat het volkomen ontbreekt aan uitvoerige berichten omtrent die onderhandelingen; hoever de Prins zich geneigd toonde, zich buiten de Nederlanden te houden, indien hij zijn goederen terug ontving, is onbekend. Doch aangenomen, dat er dienaangaande onderhandelingen gevoerd zijn, moeten we dan niet toegeven, dat het toch recht natuurlijk was, dat Oranje ook zich zelf niet vergat?

Waarlijk, wat hij tot op dat oogenblik van den goeden wil der Nederlanders had ondervonden, was tamelijk ontmoedigend. Zou het dan zoo vreemd zijn geweest, dat hij, zoo de Nederlanders niet zich zelf wilden helpen, toch op zijn eigen belangen bedacht was? Was het niet onnatuurlijk, indien hij zich daaromtrent onverschillig betoond had? Doch wij herhalen, al wat hem dienaangaande wordt ten laste gelegd, grondt zich op enkele aanduidingen, op geen bewezen feiten en vloeit daarbij voort uit den haat tegen den zoogenaamden geloofsheld, dien men daardoor in de schatting der menigte wil doen dalen. In elk geval voerden de onderhandelingen tot geen resultaat en bleef de Prins zijn eigen belangen aan die van de Nederlanden paren, bleef hij in de donkere dagen, die hij doorleefde, werkzaam voor de toekomst.

Over die donkere dagen viel nog een andere sluier, dien wij genoodzaakt zijn, hoe droevig ook, in een volgend hoofdstuk op te lichten.

1Klaagzang.2Lofzang.

1Klaagzang.

2Lofzang.


Back to IndexNext