Hoofdstuk XIV.Huiselijk verdriet.De ernstige verliezen en hinderlijke tegenstand, die Oranje gedurende den zomer van 1568 en in de volgende jaren leed en ondervond, het jammerlijk gebrek aan geld, dat hij noodig had, om zijn plannen ten uitvoer te brengen, waren niet de eenige hardheden, die hij had te dragen. Er was nog een andere kwelling en marteling, die hem overal volgde, waar slechts brieven hem konden bereiken.Toen hij zijne familie veilig op het kasteel Dillenburg had gehuisvest, had hij mogen verwachten, dat zijn vrouw zich volkomen gelukkig en tevreden met haar schoonzusters in de groote vrouwelijke huishouding aldaar zou gevoeld hebben. Maar zelfs voor de meest onzelfzuchtige vrouw was het verblijf niet gemakkelijk en aangenaam. Alleen een vrouw, die zoo vurig belangstelde in al de plannen van haar echtgenoot, dat elke overweging daaraan ondergeschikt gemaakt werd, zou het met geduld hebben kunnen dragen. Anna van Saksen was zoodanige vrouw niet en ze deed zelfs geen poging, haar ontevredenheid over haar verblijf te Dillenburg en haar vrees voor toekomstige bezwaren te verbergen.In 1567 was haar wensch, naar de Nederlanden terug te keeren, door de vereenigde weigering van haar echtgenoot en bloedverwanten verijdeld. Gedwongen had zij van haar voorkeur afgezien en Maurits was in het voorouderlijk huis geboren. Gedurende de volgende lente en zomer was Oranje met bezigheden overladen en kwam hij slechts met zeldzame tusschenpoozen in Dillenburg. Het leven binnen de wallen was somber en het nieuws, dat de angstig verwachte boden brachten, ontmoedigend.Na haar echtgenoot verzocht te hebben, elders heen te mogen gaan, wat hij haar geweigerd had, maakte Anna van zijn afwezigheid gebruik, trachtte in het wild overal geld op te nemen en ging naar Keulen. Van daar schreef ze aan haar oom en verzocht hem haar een vertrouweling te zenden. Tegen het eind van 1568zond Augustus overeenkomstig haar wensch Volmar von Berlepsch, een kolonel, uit Thüringen. De inhoud van het rapport, dat deze gezant aan den keurvorst zond uit Langensalza, was hoofdzakelijk het volgende:Anna beklaagde zich tegenover hem bitter over haar harde positie en zeide, dat haar oom naast God haar eenige hoop was. Altijd had zij haar gemaal gewaarschuwd tegen oorlog met Spanje, maar hij was steeds doof voor haar geweest, en nu was hij in het net gevangen, dat over hem door anderen was geweven, in het bijzonder door Lodewijk, dien zij niet kon uitstaan. Haar echtgenoot en al zijn broeders hadden al hun gereed geld verteerd, ze hadden hun zilver en juweelen opgeofferd voor het onderhoud hunner soldaten, die nimmer konden verwachten iets te zullen volbrengen. Bijgevolg was al haar geld denzelfden weg gegaan; ze had er zich niet tegen verzet, maar alles was nutteloos geweest, juist zooals ze voorzien had.De onbetaalde soldaten eischten nu hun loon, ze dreigden zelfs den Prins met mishandeling of hem als gijzelaar gevangen te nemen, totdat zijn vrienden hem zouden kunnen loskoopen. Oranje had haar in bijna twee jaren slechts 250 kronen gegeven. Kon haar oom hen niet helpen om haar eigendom, dat zij zoo tegen wil en dank had verpand, terug te krijgen? Ze zou blij genoeg zijn, als zij met haar echtgenoot als graaf, of als edele, of als eenvoudig burger kon leven, maar het was werkelijk onverdragelijk niets in de wereld te bezitten, van den wind te moeten leven en zijn eigen handen en voeten op te eten.Daarom smeekte zij den keurvorst, een bedreigde naasting van haar eigendom te voorkomen. Binnen vijf of zes dagen wachtte zij weder eene bevalling en dat was een andere reden, waarom zij naar Keulen was gegaan. Haar schoonmoeder en al de andere vrouwen in Dillenburg waren zeer onaangenaam tegenover haar; dikwijls kon ze niet eens een glas wijn of bier krijgen en sommige dagen gingen geheel voorbij, zonder dat zij haar in haar vertrekken bezochten. Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn, daar een ziekte van zes weken te doorstaan, dan zou zij gebrek aan alles hebben. En nog was dat niet de werkelijke reden van haar plotselinge reis.Er was in Dillenburg een epidemische ziekte uitgebroken en in het geheele Westerwald was geen geneesheer te vinden. Hoe kon zij dan daar blijven wonen? Te Keulen waren een honderdvijftig Nederlandsche dames, met wie zij kon praten en zich aangenaam bezig houden, om de verveling van haar kraamdagen te breken. Ze had er voor gezorgd, een geleerden, vromen predikant mee te nemen, die uit de Nederlanden was gebannen en van Spaansche tusschenkomst had zij niets te vreezen. Ze hoopte zoo in Keulen te leven, dat er geen enkel kwaad gerucht van haar in omloop kon komen. Haar toestand was anders moeilijk genoeg, want ze had geen stuiver.Gerhard Koch, een Antwerpsche koopman die nu in Keulen woonde, had haar een groote som gelds geleend, maar daar de Prins hem ook al 30.000 florijnen schuldig was, zou hij haar niet verder helpen. Haar juweelen en tafelzilver waren reeds in pand. Diep in de schuld zat ze bij haar dienaars voor vleesch, brood en wijn. Graaf Jan had haar geschreven, dat het tafelzilver, waarop zezeer weinig gekregen hadden, verbeurd was verklaard, daar het niet op den datum was ingelost. Doodarmoedig als ze was, wilde zij niet zonder haar echtgenoot naar Dillenburg terugkeeren; liever wilde ze sterven. Waarom konden ze niet de Nassau-woning te Dietz herstellen?Berlepsch getuigde, dat inderdaad haar tafel sober was, doch dat er nog 43 personen aan gevoed werden. Hij had haar aangeraden niet stijfhoofdig te zijn, maar den raad van haar echtgenoot op te volgen. Na uit Langensalza aan Augustus geschreven te hebben, ging Berlepsch naar Dillenburg en besprak daar Anna’s zaken met Jan van Nassau, de groote kosten van de huishouding te Keulen, het herstellen van de woning te Dietz enz.Jan zeide, dat Berlepsch in gebreke was gebleven, bij Augustus en den landgraaf te klagen over Anna’s voortdurende aanmerkingen en gemor. Wat haar levenswijze te Dillenburg aanging, de Dillenburgers waren geen vorsten en als Anna niet kreeg wat zij wenschte, dan moest ze nemen, wat ze kon krijgen. Indien ze zich zelf niet schikken wilde naar hunne levensmanier en zich niet aangenaam wist te maken, dan kon ze naar Keulen gaan of waarheen zij wilde, maar verdere hulp van hem had ze niet te verwachten. Hij had reeds veel meer voor haar gedaan, dan rechtens van hem kon verwacht worden.Eerst had hij den Prins 50.000 florijnen geleend; daarop hem in het tweede jaar met zijn vrouw en zijn hofhouding onderhouden, met 150 tot 200 personen, zonder een woord te spreken van betaling. Het laatste doopfeest van Maurits was op zijn kosten gevierd. Daarop had hij nog aan Zijne Excellentie twaalf goede stukken geschut gegeven en hem voor het grootste deel voorzien van zijn uitrusting, waarvan de wagens alleen 5000 florijnen gekost hadden. Hij had 170.000 florijnen op het crediet van Dillenburg geleend enz., enz.“Het was hem absoluut onmogelijk, de schuldbekentenis van 12.500 daalders aan de Prinses verschuldigd, te voldoen, of het huis te Dietz te herbouwen. Ter wille van haar gemaal zouden ze Anna met 10 of 12 personen te Dillenburg ontvangen en met haar deelen, wat de Heer hun gaf. Beviel haar dit niet, dan kon ze het huis te Freudenberg krijgen. Het tafelzilver, dat aan de Prinses, aan haar echtgenoot en aan hem zelf toebehoorde, was verpand voor 22,000 zilveren marken en de juweelen voor 20.000 marken. Konden de keurvorst en de landgraaf die niet inlossen? Hij zelf had voor zijn deel meer gedaan dan van hem verwacht kon worden.”Berlepsch zeide toen verder, dat Anna in Keulen drie maanden zonder betaling geleefd had in het huis van Jan Molon, den penningmeester van den Prins. De vrome weduwe Brederode, in wie de Prinses veel vertrouwen stelde en die juist wist, hoe met haar om te gaan, was bij haar. Een jong Nederlander met name Hauff, was haar rentmeester. Het huishouden, verschrikkelijk duur, werd niet met overleg bestuurd. Gerhard Koch had Berlepsch verteld, dat de Prinses niemand had, die verstand had van beheer, al had ze ook een troep nuttelooze dienaars. Haar stallen waren teruggebracht tot twee koetspaarden en twee ezels. Aan Koch was zij 60.000 florijnen schuldig en inderdaad, de Prinses had geen stuiver buiten hetgeen hij haar gaf. Slagers, bakkers en wijnkoopers plaagden haar om betaling enz.Toen Augustus dit rapport ontving, schreef hij Anna, dat ze naar Dillenburg moest terugkeeren, berispte haar eveneens over haar stijfhoofdig karakter en deelde haar nog eens mede, wat Graaf Jan al had ten offer gebracht. Maar de wijze, waarop haar schoonbroeder zich over haar had uitgelaten, was niet van dien aard, om Anna te overtuigen, dat zij in Dillenburg zou worden behandeld, zooals ze dat begeerde. Ze wees dan ook die uitnoodiging geheel van de hand, hetgeen zeker de bewoners van Dillenburg niet erg betreurden.Daarop deed ze een stap, die den Prins zeer moest verbitteren. Zij besloot de zaak zelf in handen te nemen en te zien, wat ze doen kon, om haar verbeurd verklaarde goederen terug te krijgen. Weder schreef ze aan den keurvorst, met het verzoek haar te helpen, om “maatregelen te nemen voor mij zelf en mijne drie arme kinderen, opdat we niemand verder tot last zijn. Er is niemand anders die mij in de wereld helpt.”Dit beroep op Augustus en den landgraaf had tot gevolg, dat zij voldoende geld van hen ontving, om haar procureur, een zekeren Dr. Betz, naar Maximiliaan te Weenen te zenden, ten einde den keizer te verzoeken, haar zaak ter harte te nemen en haar request in Spanje te ondersteunen.Haar pleidooi was meer vernuftig, dan vrouwelijk. Zij beweerde, dat de Prins van Oranje door zijn weigering om de dagvaardingen van zijn leenheer te beantwoorden en de voortdurende proclamatiën tegen hem, burgerlijk dood was. In de oogen van de Nederlandsche wet was hij een dood man; ergo was zij op Nederlandschen bodem weduwe; ergo waren de Nederlandsche goederen de hare, daar zij een gerucht had gehoord, dat Alva geen enkele vrouw van rang van haar eigendom wilde berooven. Korten tijd later schreef zij aan haar “dierbare vriendelijke tante,” de keurvorstin, dat ze vreesde, dat dit gerucht valsch was en ze verzocht haar om nader nieuws daaromtrent.Het antwoord, haar door Spanje gegeven, was natuurlijk, dat ze geen weduwe was. Al was ze zelf geen rebel, ze had toch rebellen geholpen en opgestookt. Ze had haar zilver, 200.000 florijnen waard, verkocht, om den opstand van haar echtgenoot te steunen. In 1568 was zij zelfs op den koninklijken troep te Kerpen aangevallen en had verschillende zaken mee naar Keulen genomen, hetgeen haar van zelf medeplichtig maakte. Anna’s Duitsche procureur antwoordde op naïeven toon, dat onmogelijk de Prinses bedoeld kon zijn met “la gueusesse,” want dat haar naam was Anna, dochter van Maurits van Saksen. Haar reis naar Duitschland in den vroegen winter van 1567 had alleen tot doel gehad, haar stervenden grootvader, Filips van Hessen, nog levend te zien. Haar echtgenoot was ze gevolgd om drie goede en voldoende redenen: 1. Het was haar vrouwelijke plicht. 2. Ze was geen onderdane van Spanje. 3. Men had haar niets gelaten, zelfs niet iets zoo groot als eens mans hand. Al haar zilver was eenvoudig bij dat van haar man gevoegd; haar juweelen had ze zoolang mogelijk onder zich gehouden. Toen Kerpen was geplunderd, was zij in Heidelberg geweest en in ’t geheel niet in Keulen. Zij wilde de zaak voor het keizerlijk hof te Spiers brengen, of Alva overreden, haar klachten te doen gelden, maar haar schoonbroeder Jan hield het tegen. Niets was krachtens de wet gedaan.Dr. Betz bereikte Weenen, maar ging niet naar Spanje, om de zaak voor Filips te brengen. Het oogenblik, bij den koning te komen, was anders goed gekozen, namelijk bij gelegenheid van zijn huwelijk met Anna van Oostenrijk, daar ’s konings hart dan misschien medelijdend gestemd zou zijn. Tegen 15 Juni was Dr. Betz in Heidelberg terug, van waar hij zich zelf verontschuldigde, dat hij zijn zending niet had uitgevoerd.Anna overstroomde haar verwanten met brieven om hulp. De onderpanden van haar huwelijksgoed waren verpand en ze wenschte vurig ze in te lossen. Ze verlangde in Siegen een huishouden op te zetten. Zij beklaagde zich, dat de keurvorst haar wedde niet geregeld betaalde, waarop hij antwoordde, dat ze niemand naar de markt te Leipzig gezonden had, om die te innen. Daarop schreef ze weer, om te weten te komen, wat haar kansen waren om de som van 30.000 daalders te verkrijgen, die men haar bij den dood van haar stiefvader verschuldigd was, en waarvoor zij een hypotheek had op Dornberg, Kamberg en Sachsenburg.Jammerend herinnerde zij den Keurvorst, dat hij het was geweest, die haar huwelijk had doen sluiten en daarom moest hij haar helpen,in plaatsvan koel aan te zien, dat zij aan elken kant van haar rechten beroofd werd. Eindelijk loste hij haar verpande juweelen ten getale van 385 in.Dat het Anna niet ontbrak aan een zekere hofhouding, bewijst de lijst van hare volgelingen in Juli 1569:“Twee jonge dames, een jong edelman, een hofmeester, twee assistenten en een meid. Twee kamermeisjes, een min, twee kindermeisjes, een waschvrouw, een page, een keukenschrijver (?), een kleermaker, een bottelier, een kok, een lakei, een portier, een hofmeestersjongen, een predikant, zuiver in de leer, die H. Excellentie troostte en met haar bad.”Deze bijzonderheden over de Prinses kunnen dienen, om den gemoedstoestand van den Prins, die in den volgenden brief (geschreven uit Dillenburg in Nov. 1569) uitkomt, des te beter te begrijpen.Mijne vrouw,Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowelomdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek nietvan u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz.”Merkwaardige, eenvoudige en treffende brief. Oranje overdrijft er niet zijn affectie tot zijn vrouw in; hij zegt ronduit, wat haar plicht was geweest en toch doet hij haar gevoelen, van hoeveel waarde het bijzijn zijner vrouw had kunnen zijn en hij tracht zelfs nu nog met Anna weder in goede verstandhouding te komen. Of zij zulk een brief waard was, we zouden het bijna betwijfelen, want hoewel het zeker is, dat ze in geen aangename verhoudingen was gekomen, vergeleken bij haar vorstelijken staat in de Nederlanden, ze had in het minst geen besef van hetgeen de tijd van haar echtgenoot eischte en van hetgeen zij dus met onderwerping had moeten dragen. In een brief van den 7enFebr. 1570 schreef Oranje aan zijn broeder Jan, dat het beter was dat zijn vrouw bleef waar ze was en dat ze niet moest gedwongen worden te komen, daar zij het niet verlangde. Hoe treurig steekt bij Oranje’s zachtmoedigen toon het bitter woord af, dat Anna’s pen op den 8enFebr. nederschreef:Goedgunstige waarde Heer,De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hemopdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt.”Met al de halsstarrigheid, haar klein karakter eigen, had Anna een besluit genomen, waarvan ze niet wilde afwijken. Het was dezelfde geest, dien zij in haar 17ejaar getoond had, toen ze tegenover iedereen, die het afraadde, besloten had den Prins te huwen. Wat toen echter nog als behagelijke beslistheid van karakter kon worden aangemerkt, was thans onbehagelijke eigenzinnigheid geworden.Op den 6enApril schrijft zij weder:Goedgunstige waarde Heer,Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in ’t geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ikgenoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij.”Verwondert het ons, dat de Prins op het ontvangen van zulke brieven zijn geduld verloor? Hij gevoelde zich gedrongen, aan een van Anna’s verwanten, Willem van Hessen, verslag te doen van de houding zijner vrouw tegenover hem. Hij begreep toch wel, dat Anna niet zou nalaten, hare bloedverwanten op haar manier in te lichten. Daarom wilde de Prins zich verantwoorden en deed hij Willem van Hessen gevoelen, dat het hem eenvoudig onmogelijk was, die soort van dingen langer van zijn vrouw te verdragen. Toen hij haar eenige maanden geleden een hartelijken vriendelijken brief had geschreven, liet zij hem twee maanden zonder antwoord. Allerlei voorstellen had hij haar gedaan, om elkander te ontmoeten, maar die waren alle afgestuit op den onwil van zijn vrouw en nu schreef ze hem zulk een hoogst onaangenamen brief, waarvan Oranje aan Willem van Hessen de copie zond. Geduld had hij genoeg gehad, maar zulke impertinente, dwaze brieven deden het hem verliezen. Alsof hij nog niet genoeg andere hoofdbrekende zorgen had, kwam zijn vrouw die nog vermeerderen door haar gedrag te zijnen opzichte. Toch schijnt Willem van Hessen medelijden met Anna’s geldelijke verlegenheid gehad te hebben. Hij zond haar althans geld, een oude hofmeesteres en eenig ander vrouwelijk gezelschap. Of dat vriendelijk ontvangen werd, is niet waarschijnlijk.Nog eens in Mei deed de Prins een poging, om Anna goeden raad te geven en betitelde hij haar zelfs met de oude geliefde benaming “Ma mie.” In haar boezem was echter de liefde tot Oranje geheel gestorven. In haar brieven uit die jaren vinden we geen enkel spoor van sympathie met de teleurstelling en ontberingen van haar echtgenoot. Trouwens geen wonder—want de hartstochtelijke, trotsche, eigenzinnige Anna van Saksen was reeds in 1570 tot nog diepere zedelijke afdwaling gevallen, die ons bij het noemen van haar naam met weerzin vervult. Het schetsen van haar verderen levensloop kan ons dan ook niet behagen, en toch mogen in het leven van den Prins de droevige feiten niet geheel onvermeld blijven.In de afwezigheid van den reeds genoemden rechterlijken raadsman van de Prinses, Dr. J. Betz, werd een ander rechtsgeleerde, die eveneens uit Antwerpen had moeten vluchten, bij Anna van Saksen geroepen, ten einde ook de aangelegenheid van haar huwelijksgoed te behartigen. Deze tweede rechtsgeleerde was de vader van den Vlaamschen schilder Rubens en met dezen leefde Anna te Keulen in overspel. Zelfs toen ze in den aanvang van 1571 zich te Siegen had gevestigd, ontving zij ook daar bezoek van Rubens. Men schijnt in den familiekring van de Nassau’s dienaangaande eenig kwaad vermoeden gehad te hebben. Althans in Maart 1571 werd Rubens op een reis naar Siegen opgelicht en op last van den Prins en van graaf Jan van Nassau gevankelijk naar Dillenburg gebracht. Daar bekende hij zijn misdaad. Overeenkomstig de landswetten hadden de Nassau’s volkomen recht gehad, Rubens ter dood te doen brengen. Want twijfel aan de zaak bestond niet.Anna zelve schreef wel aan Oranje een brief vol betuigingen van haar onschuld,ja zelfs achtte ze zich ten hoogste beleedigd, dat men haar zulk een ontrouw durfde ten laste leggen. Doch het ongeluk voor haar wilde, dat een briefje van haar aan Rubens, den Prins in handen viel, dat haar misdaad ontwijfelbaar bewees.Rubens werd te Dillenburg in de gevangenis geworpen en was zoo zeker dat hij zijn misdadige liefde met den dood moest boeten, dat hij alleen nog de genade vroeg onthoofd te worden. En toch, het leven werd hem gespaard. Aan den eenen kant begreep men in Nassau, dat de voornaamste schuldige Anna was, overeenkomstig Rubens’ confessie; aan den anderen kant was het Rubens’ beleedigde echtgenoote, Maria Pepeling, die niet ophield, voor haar man bij de Nassau’s tusschenbeide te treden. Reeds in 1573 mochten zij weder in Siegen samenwonen; in 1577 ontving het echtpaar verlof zich elders te vestigen, mits niet in de erflanden van den Prins of in zijn nabijheid.En wat den Prins aangaat, het was natuurlijk, dat Oranje liefst zooveel mogelijk de zaak geheim gehouden had. Opmerkenswaard is zeker, dat de brief, dien de Prins er over schreef aan zijn broeder Jan, veel meer over de oneer, die de zaak hem zou kunnen berokkenen loopt, dan over de daad zelf, die zich “leider had zugetragen.” Doch dit behoeft ons, na al wat Oranje reeds van Anna verdragen had, niet zoo zeer te bevreemden. In Mei schreef deze nog eens een brief aan haar schoonbroeder Jan en verzocht ze hem in haar belang bij den Prins tusschenbeide te komen. Uit dien brief blijkt wel, dat haar berouw niet diep was. “Ze had den raad van den landgraaf moeten volgen en nimmer met een Nassau moeten huwen. Zij verlangt naar den dood enz.” Drie jaren bleef ze nog in Nassau en was in dien tijd woonachtig te Beilstein, maar een voortdurende lastpost voor de bloedverwanten van haar echtgenoot. Hare kinderen waren van haar weggenomen; die werden door graaf Jan met meer dan vaderlijke zorg opgevoed. Vele brieven werden er over haar gewisseld tusschen Jan van Nassau en Anna’s bloedverwanten. Zoo schreef Willem van Hessen op 20 Februari 1572 in eene instructie omtrent haar het volgende:“Wanneer men God den Heer vergeet, in alles het vleesch naleeft en aan den Duivel zooveel macht over zich toestaat, dan kan het niet anders afloopen, zooals de geschiedenissen des O. en N. T. zoowel als die der Heidenen en de dagelijksche ondervinding dat bevestigen. Mijne nicht weet, hoe wij niet alleen als een neef, maar als een vader meermalen vermaand en gebeden hebben, van God niet met zooveel minachting te spreken, vlijtig aan te houden in het gebed en het lezen der H. S. Ook haren heer en gemaal, die haar niet is opgedrongen, maar dien zij naar willekeur, ja zelfs tegen den wil en het verbod van onzen vader, hoogloffelijker gedachtenisse, genomen heeft, moet zij behoorlijken eerbied en achting bewijzen en zich voor ’t overige eerbaar en onbesproken gedragen, zooals het eene eerbare vorstin naar oud Duitsch gebruik past. De lichtvaardige zeden der Walen, hun ijdelen pronk dient zij vaarwel te zeggen en de loffelijke Duitsche manieren te volgen, door slechts zeldzaam of liever in het geheel niet, vreemde manspersonen tot haar onderhoud en in hare kamer toe te laten. Had zij dien raad opgevolgd, zij zou thans niet onder een zoo zware schuld gebukt gaan.”Uit deze woorden blijkt voldoende, hoe Willem van Hessen Anna van Saksengeheel de schuld gaf. De keurvorst daarentegen zette die op ’s Prinsen rekening. Hij zeide, dat dit nu de gevolgen waren, als men zijn vrouw liever Amadis de Gaule dan den Bijbel liet lezen; dat Oranje haar veel te veel had toegelaten, haar zin en lust op te volgen; dat alles zou voorkomen zijn, als de Prins bijtijds haar moedwilligheid had gebroken en haar in tucht en gehoorzaamheid had gehouden, enz. Tegen die beschuldigingen verdedigde Oranje zich op de volgende wijze:“Wat hij destijds van Amadis de Gaule aan de keurvorstin had gezegd, was alleen spotternij geweest en gesproken op een tijd, toen hij zelf nog niet was gekomen tot de kennis der waarheid.“Anna zelf had booze “mores” onder de leden, voor zij in de Nederlanden kwam. Ze had die reeds op weg naar hare woonplaats Breda getoond en daarbij steeds volhard.“De Prins had niet nagelaten, haar daarover ernstig te onderhouden en zelfs nu en dan had hij lichtzinnige lieden, die zij om en bij zich had, met slagen uit zijn huis moeten doen jagen.“Bij booze vrouwen zijn tranen en gramschap even vruchteloos; waar de inborst boos is, daar moeten zich booze daden openbaren.”Kortom, hoe ook de diepe val zijner tweede vrouw Oranje getroffen moet hebben en onder al de bekommernissen van die jaren zijne zorgen verdubbeld, hij kon er zich boven verheffen, overtuigd, dat niet aan hem de schuld lag van al het kwaad, dat Anna van Saksen hem en den zijnen berokkend had.Het is treurig te zien, hoe ellendig de overspelige vrouw haar leven geëindigd heeft. Na nog drie jaren in Nassau te zijn geweest, werd zij in 1575 naar Saksen gebracht. Er was geen huis met haar te houden. Men kon eindelijk geen dienaren, zelfs tegen hooge belooning vinden, om bij haar te wonen. Haar gedrag was zoo heftig, dat de omstanders dikwijls in levensgevaar verkeerden. In rustige oogenblikken verlangde ze slechts naar haar dood, een wensch, die zeker ook haar bloedverwanten deelden. Toch zou ze daarna nog twee jaren in Dresden leven. Daar werd ze opgesloten in een gevangenis; haar voedsel werd haar door een opening toegereikt, terwijl een predikant belast werd met de zorg voor haar ziel. Daar haar geest reeds geheel was ondergegaan, zullen dit wel ijdele woorden geweest zijn. Eindelijk stierf ze 18 December 1577, razend krankzinnig in haar 33ejaar. Den volgenden dag werd de booze “dochter van den grooten keurvorst” te Meiszen begraven, en wel in het graf harer voorouders. Een groote stoet van “schoolkinderen, predikanten, overheidspersonen, edellieden en burgers” volgde de lijkbaar.Voor den Prins was ze al lang dood geweest.Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)Hoofdstuk XV.Eerste voordeelen 1572.Zooals wij vroeger zagen, was in 1569 Alva’s voorstel aangenomen, om voor den tijd van twee jaren in plaats van den tienden penning een heffing van twee millioen te doen. Die termijn zou in Augustus 1571 verstrijken, zoodat reeds in het voorjaar beraadslagingen werden gehouden over de invoering van de nieuwe belasting, welke den koning, volgens Alva millioenen zou opbrengen. Dat dit niet zoo gemakkelijk zou gaan, bleek reeds uit het verzet, waarmede Alva te kampen had, toen hij de financieële voorstellen in den Raad van State bracht. Zelfs de president Viglius, lang een buigzaam werktuig van den landvoogd, kwam met groote kracht tegen Alva’s plannen op en beweerde, dat de belasting het volk beleedigde. Alva stoorde zich echter weinig aan het gevoelen van Viglius en zijn ambtgenooten en bij plakkaat van 31 Juli kondigde de landvoogd aan, dat thans onverbiddelijk de tiende penning zou worden geheven. Alva schatte, dat deze belasting jaarlijks een 50 millioen zou opbrengen.Een nieuwe storm stak tegen die poging op onder de burgers van het handeldrijvend volk, die niet weinig vermeerderde, toen het bericht uit Spanje kwam, dat thans de heffing moest plaats hebben. Onder alle klassen en standen van de bevolking ontstond zulk een beweging tegen dien maatregel, dat al het verzet van vroeger dagen, daarbij vergeleken, bijna kinderspel was.De Staten der provinciën, de vroedschappen der steden, de gilden, ja de adel en de geestelijkheid, allen zonden protesten in. Drie bisschoppen zelfs van Vlaanderen vereenigden zich met de wenschen van het volk en drongen evenzeer op de intrekking van de nieuwe belasting aan, omdat ze vooral de lagere klassen zou drukken en den handel zou vernietigen. Als protest schorsten de kooplieden alle zaken, de winkeliers sloten hun winkels. Zoo voelden zij zich in hun nering bedreigd, dat zij liever niet meer wilden verkoopen, ten einde niet gedwongen te zijn, het leeuwendeel hunner winst aan de regeering te geven. Het volk liep tehoop en verklaarde de onwettige en drukkende belasting niet te zullen gedoogen.De z.g. “zevenstuiverslieden,” spionnen der regeering, die zich voor die karige belooning lieten gebruiken om overal af te luisteren, wat naar verraad zweemde, waren thans niet meer in staat al de verwenschingen aan te brengen, die zij over den landvoogd te hooren kregen.“Hadden we slechts gereed geld,” schreef Oranje in het begin van 1572, “dan zouden we met Gods hulp wel wat goeds kunnen uitrichten, want na de tijding, die we van alle oorden bekomen, zou het nu tijd zijn en zou men thans met geringe sommen meer kunnen doen, dan op andere tijden met groote.”Gewoon als de Prins was, de publieke meening te polsen en van zijn veilig standpunt uit de wacht te houden, met tallooze oogen tot zijn dienst, doorzag Oranje dat die tot wet verheven aanval op de beurzen van een handeldrijvend volk een geest van verzet zou wakker roepen, zooals geen enkel ander onrecht zou hebben kunnen doen.Alva zelf toonde zich tot matiging bereid; ook hij wilde eenige verlichting van den tienden penning aan handel en zeevaart toestaan, de stedelijke belastingen op eet- en drinkwaren tot verlichting der armen verminderen enz. Doch met dat al bleef die belasting uiterst drukkend voor den kleinhandel en de lagere klassen. De verbittering nam van dag tot dag toe, toen plotseling de gebeurtenissen een wending namen, noch door Alva, noch door den Prins verwacht.Gedurende den winter van 1571 hadden 24 kleine schepen onder het bevel van Lumey, graaf van der Marck, bij de Engelsche kust gekruist. Het had niet ontbroken aan pogingen om de Watergeuzen te overmeesteren, doch de ervaren zeelieden hadden steeds weten te ontkomen en vonden daarbij vooral steun in twee plaatsen n.l. Dover en Emden.In Maart echter werd hun door den invloed van Alva door Elisabeth het verblijf in Engeland verboden en moesten zij een goed heenkomen zoeken. Tengevolge van het verbod de Geuzen van vleesch, brood of bier te voorzien, verlangden zij natuurlijk levensmiddelen op te doen en besloten ze daarom een inval te wagen op de kust van Noord-Holland.Ze zetten koers, waarschijnlijk van uit Dover, naar de monden van de Schelde en wilden in de richting van het Vlie, maar door den wind werden ze genoodzaakt voor den breeden Maasmond het anker te laten vallen. Tusschen den Briel op den zuidelijken uithoek van die monding en Maaslandsluis aan de overzijde, kwam de vloot, tot groote verbazing van de bewoners, opdagen.De inwoners van den Briel, geheel van alle garnizoen ontbloot, zonden in hun schrik over de verschijning van die vloot voor hunne stad een veerman, Pieter Koppelstok genaamd, op hen af, ten einde te weten te komen, wat zij in hun schild voerden.Het eerste vaartuig, dat Koppelstok ontmoette, stond onder bevel vanWillem van Bloys van Treslong. Deze edelman, wiens broeder door den hertog van Alva in 1568 ter dood was gebracht, behoorde tot een der weinige overgeblevenen uit den slag bij Jemmingen. Zijn vader was baljuw op Voorne geweest, zoodat hij met de gansche streek goed vertrouwd was. Nadat de veerman aan boord van den admiraal was gebracht, werd met goedkeuring van Lumey, Koppelstok naar den Briel teruggezonden met den formeelen eisch, de stad aan de Geuzen over te geven. Die boodschap behaagde den veerman, die met de rebellen sympathiseerde; hij keerde naar het stadhuis terug, waar de overheidspersonen bijeen waren om op zijn terugkomst te wachten. Hij deelde hun mede, dat de admiraal en Treslong wenschten, dat er twee van hen zouden worden afgevaardigd naar de patriotten en hun doel was, den tienden penning af te schaffen en het land te bevrijden van Alva’s bestuur. De overheidspersonen vroegen, over welke macht Lumey beschikte en Koppelstok antwoordde daarop: “Ongeveer 5000 man,” terwijl hun werkelijk aantal slechts een goede 400 bedroeg.Die mededeeling deed de magistraat zoo ontstellen, dat zij aanstonds een samenkomst goedkeurde, doch zelf onmiddellijk lafhartig uit de stad vluchtte, gevolgd door de meest aanzienlijke burgers.De geuzenmacht werd in tweeën gesplitst en terwijl de eene helft onder Treslong de Zuiderpoort aantastte, rukte de andere onder den admiraal op de Noorderpoort aan. Het gelukte Treslong binnen te komen; van der Marck legde bij de Noorderpoort een vuur aan, waarna de half verbrande deur met een ouden mast opengeloopen werd. Tegen zonsondergang waren de Geuzen ten getale van ongeveer 200 man binnen de stad. Verzet vonden ze niet, menschenlevens werden dan ook gespaard, maar een plundering volgde.Lumey was van plan zich doodeenvoudig met den buit tevreden te stellen, maar gelukkig werd de raad van Treslong gevolgd. Op zijn aandrang nam de admiraal bezit van de bemachtigde plaats,in naam van den Prins van Oranje als zijn lastgever en als de wettige stadhouder. Kort daarop keerden de gevluchte burgers in den Briel terug, die door een eed van trouw aan den Prins van Oranje, zich met de Watergeuzen verbonden.De tijding van het gewichtig feit van de inneming van den Briel verspreidde zich met groote snelheid. Alva begreep niet aanstonds den vollen omvang van deze gebeurtenis, zoodat de caricatuur ten volle verdiend was, die hem voorstelde op het oogenblik dat Lumey hem den bril van den neus trok en uit zijn mond de woorden voortkwamen: “no es nada,” “het is niets,” zijn gewone opmerking bij het ontvangen van nieuwstijdingen.Spotvogels van Brussel zorgden wel deze gunstige gelegenheid niet te laten ontsnappen, want de naam der stad gaf aanleiding tot een woordspeling en de gebeurtenis had plaats gegrepen op Allernarrendag. Het rijmpje:“Den eersten dag van AprilVerloor Duc d’Alva zijn bril”werd een volksdeun en deze toespeling leeft thans nog in de herinnering voort.Wel zond Alva troepen naar Vlissingen om Walcheren te beschermen en gaf hij Bossu, den koninklijken stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht bevel, om den Briel te hernemen, maar het een, noch het ander gelukte.Vlissingen weigerde Alva’s troepen te herbergen, maar opende zijn poorten voor de Geuzen, wier aantal spoedig vermeerderd werd door terugkeerende ballingen uit Engeland met Tseraerts aan het hoofd en tal van Engelsche edellieden, die een groot deel van Walcheren bezetten.Bossu stak van Maaslandsluis naar het eiland Voorne over en deed den Briel opeischen. Door het kranig optreden van Rochus Meeuwisz., die naar de Nieuwlandsche sluis zwom en deze openhakte, werd het den vijand onmogelijk gemaakt, van de Noordzijde te naderen. Daarop trok Bossu met zijn troepen naar de Zuiderpoort, maar hier werd hij zoo krachtig met grof geschut begroet, dat hij moest terugtrekken. Uit vrees voor het steeds wassende water werd Bossu genoodzaakt naar Rotterdam de wijk te nemen; deze stad verklaarde zich wel voor Oranje, maar zij werd door gemis aan verdediging door Bossu veroverd en geplunderd.Het voorbeeld echter van den Briel werkte op menige stad aanstekelijk. Enkhuizen, Leiden, Haarlem en tal van andere plaatsen vereenigden zich om den standaard van den Prins van Oranje, die de belichaming werd van den weerstand tegen den tienden penning en tegen alle tirannie.Welken indruk maakten deze belangrijke gebeurtenissen op den Prins?Niet minder dan Alva werd Oranje door den stouten greep der Watergeuzen verrast. Hij was er niet in het minst op voorbereid, dat van dien kant de verlossing der Nederlanden beginnen zou, verdiept als hij was in de plannen om met Lodewijk onder bescherming van Frankrijk, den strijd bij vernieuwing in het Zuiden aan te vangen. Toen Lodewijk de inneming van den Briel hoorde, riep hij uit: “Ah, les sots! ils se sont trop hâtés et ne m’ont pas voulu croire.” Hij had den Watergeuzen n.l. Fransche hulp voor hun onderneming beloofd.De Prins liet zich niet in zulk een afkeurenden zin uit. Hij schreef op den 25enApril uit Dillenburg een opgewekten brief aan Wesenbeke, waarin hij, hoorende dat de beweging in Holland en Zeeland, die hij blijkbaar eerst niet had vertrouwd, aanhield, God dankte voor de genade, aan de inwoners bewezen. Hij vond het heerlijk, dat zij eindelijk hadden bemerkt, waartoe al de praktijken van hun vijanden strekten.“Ik bid God,” zoo gaat hij daarin voort, “dat, nu het ijs eenmaal gebroken is, zij met standvastigheid zullen voortgaan, om zich geheel te ontlasten van de onrechtvaardige onderdrukking, tirannie en onverdragelijke slavernij, waarin men ze hield. En wat mij aangaat, zij kunnen zich verzekerd houden, dat ik niet zal te kort schieten, met denzelfden ijver en affectie die ik altijd heb gehad, die in niets is verminderd en nooit in mij verminderen zal, hen te secundeeren, te helpen en bij te staan in al wat mij mogelijk zijn zal.... Wel zou ik gewenscht hebben, dat gezegde Lumey niet buiten mijn weten en zonder eenige opdracht van mijnentwege, de zaak had ondernomen of ten minste mij daarvan eerst had verwittigd; danzouden we in onderlinge verstandhouding des te beter de zaak hebben kunnen leiden.”Doch die opmerking omtrent het eigenmachtig optreden van Lumey had in het minst niet zijn sympathie met de zaak verminderd. Het verheugde den Prins namelijk zeer, dat Lumey van Wesenbeke en anderen ondersteuning ontving; ja, hij wekte hen op, allen mogelijken bijstand te verleenen.Uit deze en andere particuliere brieven van den Prins zoowel als uit de openbare brieven aan de burgemeesters, schepenen en inwoners van Gouda, Middelburg, Enkhuizen, Harderwijk en Vlissingen blijkt, met welken ijver de Prins ook de zaken voor Holland behartigde. Toch gaf hij, zeer begrijpelijk zijn lang beraamd plan met Lodewijk gevormd niet op, een tweeden inval in het Zuiden te doen.Eerst de herhaling van de teleurstelling van het jaar 1568 zou hem, gelijk wij zien zullen, persoonlijk naar Holland doen komen.In den winter van 1571–1572 waren langzamerhand de plannen tot vastheid gekomen, waarover we vroeger spraken en die niets meer of minder bedoelden dan een gezamenlijken aanval van Frankrijk en Engeland op Spanje, d.w.z. op de Zuidelijke Nederlanden. De Prins van Oranje zou deze onderneming steunen.Na lange aarzeling werd vooral door toedoen van Lodewijk van Nassau op den 29enApril 1572 een verbond tusschen Engeland en Frankrijk gesloten, dat als hoeksteen gold van het gebouw voor de bevrijding der Nederlanden van het Spaansche juk. Op 15 Mei verliet Lodewijk Parijs teneinde Bergen te overmeesteren, terwijl Coligny met 25.000 man koninklijke troepen zou volgen en de Prins met de door hem aan den Rijn en in Zwitserland verzamelde regimenten in de Zuidelijke Nederlanden zou verschijnen. Hoogst gedenkwaardig is en blijft de verrassing en de inneming van Bergen.Zekere Antoine Olivier, een schilder, tevens een handig teekenaar van kaarten, uit Bergen afkomstig, had het vertrouwen van Alva weten te verwerven. Daar Olivier een reis naar Frankrijk te doen had, droeg Alva hem op de handelingen van Lodewijk van Nassau na te sporen en hem verslag te zenden van den voortgang der geheime onderhandelingen tusschen den graaf en het Fransche hof. De schilder was evenwel slechts een spion in schijn, want hij was de zaak der vrijheid toegedaan en stond met Oranje en zijn broers in briefwisseling. Zijn omgang met graaf Lodewijk te Parijs had dan ook een geheel ander gevolg, dan Alva verwacht had. Met verschillende aanvoerders der Hugenoten werd een plan beraamd, dat met behulp van Olivier zou ten uitvoer gebracht worden.In den avond van den 27enMei 1572 kwamen er eenige als kooplieden verkleede mannen in Bergen, die de wegbereiders voor Lodewijk en zijn leger waren. Vroeg in den morgen van den volgenden dag wist Olivier den portier over te halen, zijn wagens (die zoogenaamd met wijnvaten, maar eigenlijk met wapensgevuld waren) door de poort te brengen. De portier liet haar open en ging weer te bed, weinig vermoedende, wat er gebeuren zou. Kort daarop stormde Lodewijk van Nassau met 60 voetknechten en 80 ruiters de stad binnen onder de kreten: “Frankrijk! Vrijheid! De stad is ons! De Prins komt! Weg met den tienden penning! Weg met den bloeddorstigen Alva!”De kleine bende maakte zooveel lawaai en hun optreden was zoo stoutmoedig, dat de nog in slaap gezonken bewoners meenden, dat er wel 1000 man in de stad gekomen waren. Haar met zoo’n kleine bende binnen te komen was nog niet zoo moeilijk, doch zich er staande te houden was veel bezwaarlijker, vooral daar de magistraat Lodewijk niet wilde ontvangen en ook het volk verdeeld was. De graaf werd ongeduldig, ging met de zijnen de stad weder uit, om echter spoedig met 2000 man daarin terug te keeren.Terstond werd de burgerij door klokgelui op de markt bijeengeroepen, waar de geestelijkheid, de overheid en de Raad zich vervoegden. Lodewijk hield een toespraak tot de aanwezigen en verklaarde geen strijd te voeren tegen den koning, doch tegen Alva en zijn wreedheden. De overheid gaf wel niet dadelijk toe, maar het meerendeel der burgers was op de hand van Lodewijk en hiermede was ook Bergen aan de zijde van den Prins. Wel werden de kerkelijke eigendommen verbeurd verklaard, maar de katholieken werd geen overlast aangedaan.Alva wilde aanvankelijk geen geloof slaan aan het bericht omtrent de verrassing van Bergen te meer, omdat hij Lodewijk nog altijd in Parijs waande, maar het duurde niet lang of hij moest de waarheid van het onwelkome nieuws erkennen.Reeds woedend op het hooren van de tijding uit het Noorden, zond Alva zoo spoedig mogelijk zijn zoon Don Frederik naar het Zuiden en deze sloeg den 3enJuni reeds met 20.000 man het beleg voor Bergen.Alva’s ster was echter in die dagen reeds belangrijk aan het dalen. In Spanje bestond namelijk ontevredenheid over zijn bestuur in de Nederlanden. Vooral de machtige Gomez en zijn partij lieten niet na, den koning tegen den Nederlandschen landvoogd op te zetten.Dit viel bovendien samen met klachten van den landvoogd zelven, die o. a. aan Filips schreef: “De haat, dien het volk mij toedraagt, om de tuchtiging, die ik het, hoewel met de grootste gematigdheid der wereld heb moeten doen ondergaan, verijdelt al mijn pogingen; mijn opvolger zal meer meegaandheid vinden en meer nut doen.” Hij verzocht om ontslag en Filips zond als zijn opvolger den hertog van Medina-Coeli naar de Nederlanden.Reeds den 11enJuni was deze te Sluis aangekomen, begeleid door veertig schepen en twee duizend Spanjaarden onder Juliaan Romero. Deze had echter niet gerekend op verzet, maar de Watergeuzen deden op de Schelde zulke heftige aanvallen op het eskader, dat Medina zelf met moeite kon ontsnappen en in de hoofdstad, in plaats van een statige intree te doen, slechts door enkelen begeleid, binnenkwam. Nog slechter kwam er een rijke koopvaardijvloot af, die onder zijn bescherming was meegevaren. De Watergeuzen maakten zich van alle schepenmeester en van zooveel geld, juweelen en koopwaren, dat ze alleen daarvan verscheidene maanden den oorlog en hun crediet konden gaande houden. Op den aangewezen opvolger van Alva, den zachtmoedigen Medina, van wien een verzoenende politiek verwacht werd, maakten die gebeurtenissen zulk een diepen indruk, dat hij zelf weinig genegen was den post te aanvaarden en inzag, dat Alva eerst met zoo sterk mogelijke hand den opstand moest bedwingen. Hij heeft zich dan ook later teruggetrokken.Al deze onheilen van de Spaansche regeering verlevendigden den moed van den Prins, dien hij dubbel noodig had, om zijn in Bergen opgesloten broeder te hulp te komen. Al zijn uiterste krachten spande hij in, om een leger te verzamelen; geldelijke hulp ontving hij thans van vele kanten, van Engeland, Frankrijk en uit andere bronnen en toch werd zijn wachten nog steeds door geldgebrek veroorzaakt. Nog altijd gedrukt door zijn vroegere schulden, zag hij zich vaak in groote geldverlegenheid. Uit Frankfort, waar hij 24 Juni was heengegaan om geld te verkrijgen, schreef hij o. a. onder het aangenomen pseudoniem George Certain, aan zijn broeder Lodewijk over zijn nijpend geldgebrek. De Duitsche vorsten hadden eerst wel neiging getoond hem te helpen, maar zich teruggetrokken, toen Maximiliaan, nu Filips’ schoonvader, een proclamatie had uitgevaardigd, die verbood Oranje te steunen. Ook schreef de Prins in den voorzomer van 1572 menigen brief aan de Hollandsche steden. In een dezer komt o. a. de volgende opwekking voor:“Hecht U toch niet zoo aan een somme gelds, dat gij haar zoudt stellen boven uw eigen leven, boven dat van uwe vrouwen, uwe kinderen en uw nakomelingschap.... op het oogenblik, dat wij met een genegenheid, die uit het hart voortkomt, ons inspannen, U te helpen en te bevrijden. Denkt aan Gods toorn en aan de minachting der vreemde volkeren en vorsten, die gij op U laadt, denkt aan het wreede juk, dat gij zoudt laten drukken op U en uwe kinderen, als gij het geld weigert, dat wij noodig hebben, om met ons leger bij U te komen.”Ook liet de Prins weder proclamatiën en vlugschriften drukken, die het volk tot opstand tegen de onderdrukkers zijner vrijheden aanzetten. Alva gold daarin als de belichaming der meest satanische tirannie en als een weergalm op die in tallooze exemplaren verspreide opwekkingen, klonken ras op pleinen en straten van de Hollandsche steden de geweldigste geuzenliederen.”Een zeer belangrijke gebeurtenis, welke den Prins betrof, had tegelijkertijd in Holland plaats. De overgang van steden en gewesten ging met zulk een spoed voorwaarts, dat reeds in de maand Julidie hoogst merkwaardige vergadering kon worden gehouden, waar de grondslagen van de toekomstige staatsinrichting gelegd zijn. De mannen, door wier invloed die vergadering belegd werd, begrepen, dat de “ordeloosheid die zich dreigend in de geuzerij” verhief, moest worden bezworen en dat men naar rechtsvormen moest omzien, ten einde aan den volksgeest vastheid te geven. Die vergadering werd bijeengeroepen te Dordrecht en bijgewoond door gedeputeerden van verreweg de meeste Hollandsche steden. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft, Woerden en Schoonhoven, die nog in Spaansche handen waren, ontbraken.Oranje zelf werd er vertegenwoordigd door Filips Marnix van St. Aldegonde,die in een welsprekende rede aandrong op de inwilliging van de noodzakelijke gelden (100.000 kronen voor de eerste maand) tot onderhoud van zijn leger. In dien zelfden tijd had Bossu, de wettige stadhouder, in den Haag een vergadering belegd, doch deze liep op niets uit. De afgevaardigden in Dordrecht namen krachtdadige besluiten tot hulp van den Prins, tot erkenning van hem als generalen gouverneur, luitenant des konings over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. De gelden zouden gevonden worden uit de belastingen en loopende beden, uit een gedwongen leening bij de rijke burgers en uit den verkoop van kerkelijk goud en zilver, daar dit meer tot sieraad diende, dan dat het noodzakelijk was. Gilden en fraterniteiten kwamen edelmoedig met voorschotten, op welker terugbetaling niet veel te rekenen viel en ook vele burgers voegden hun zilver bij het kerkzilver, om versmolten te worden. Bij monde van Marnix deed de Prins verklaren, dat hij geen enkele gewichtige daad zou doen, zonder de Staten te raadplegen en tevens werd ook zijn beginsel vanvolkomen verdraagzaamheid tegenover alle belijdenissendoor de vergadering aangenomen.Over het min of meer revolutionair karakter dezer vergadering te redetwisten, valt buiten het bestek van ons plan. Zonder twijfel waren noch de samenkomst noch hare besluiten wettig. Maar binnen de wettige bepalingen was niets dan ellende te wachten. In het leven van een volk breken er oogenblikken aan, dat het vrij over zich zelf beschikken kan en moet. Holland vond in Oranje den man, die stadhouder geweest zijnde, alleen door nood gedrongen, dat ambt had opgegeven. Wie zou, nu de gebeurtenissen voor de zaak der vrijheid zulk een gunstigen loop genomen hadden, wie zou dan in naam eener wet zijn eigenmachtig optreden kunnen veroordeelen? Na vier jaren geduldig wachten en strijden hadden de gebeurtenissen een nog sneller loop genomen, dan iemand kon hebben gedroomd.In dezelfde maand, dat deze belangrijke gebeurtenis in de afwezigheid van den Prins had plaats gehad, schreef Oranje een brief aan Lodewijk, waarin de Prins hem waarschuwt vooral op zijn hoede te zijn tegen eene verrassing of overvalling van den vijand, want Oranje had gehoord, dat Alva hem dood of levend in handen wilde hebben. Ook meldt de Prins, dat zijn volk in het land van Meurs ligt en de meest geschikte plaats wordt gezocht om over den Rijn te trekken. Verder houdt de brief de hoopvolle tijding in omtrent het overgaan van Dordrecht, Tergou, Gorcum en andere plaatsen, terwijl hij tevens de inname van Loevestein aan zijn broeder bericht. Aan het slot vraagt Oranje tal van inlichtingen omtrent de legersterkte van Lodewijk, de hulp die hij verwacht en al hetgeen er van den vijand bekend is, opdat de Prins zich daarnaar zal kunnen gedragen.Nog dienzelfden dag, den 8enJuli 1572 trok de Prins met 24.000 man over den Rijn. Vier jaar te voren had hij ook zijn aangenomen vaderland met een leger bereikt, maar nauwelijks had er één stem weerklonken om hem te verwelkomen en geen stad opende voor hem hare poorten. Ontmoedigd had hij zich teruggetrokken, maar niet hopeloos. In zijn afzondering had hij het web gesponnen, dat het heuvelkasteel van Dillenburg met de Hollandsche steden verbond. Nu keerde hij terug, weliswaar nog niet als overwinnaar, maar toch ondersteund en erkend.Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).Ondertusschen bleef Lodewijk in Bergen opgesloten, belegerd door DonFrederik, die niet van die plaats zou wijken, voor hij de stad had genomen. Niettegenstaande zijne insluiting had de graaf toch den Franschen edelman Genlis naar Frankrijk kunnen zenden, om hulptroepen van daar mede te brengen, die hem in vereeniging met het leger van den Prins, waarop hij ook zeker rekende, zou kunnen verlossen. Nog steeds stond Coligny toch in hooge gunst bij den koning en Karel IX had zelfs een brief aan Lodewijk geschreven, om hem van zijn sympathie te verzekeren. En inderdaad, spoedig verscheen er een klein leger Hugenoten in Henegouwen, dat echter door de troepen van Don Frederik geheel werd verslagen. Genlis zelf werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, vernam men, evenals eertijds van de Villers in 1568, uit zijne papieren en bekentenissen de plannen der Hugenoten en die van den Prins. Dit had op den 19enJuli plaats. Vier dagen later maakte de Prins zich van Roermond meester en den 25enJuli schreef Oranje aan zijn broeder Jan over die inneming. Niettegenstaande zijn gedurige waarschuwingen tegen alle woestheid en plundering, niettegenstaande hij, waar hij slechts kon, de instructie herhaalde: “Doe alles om de harten zoowel van Katholieken als van Hervormden te winnen; bescherm beide godsdiensten,” toch had de verovering van Roermond met moord en plundering plaats. Priesters en monniken, kerken en kloosters werden daar helaas niet gespaard.Dit feit, dat zich telkens herhaalde kan niet worden aangemerkt als een bewijs van ’s Prinsen onverdraagzaamheid, waarvan het tegendeel door al zijn uitlatingen wordt bewezen. Wel is het een bewijs van gemis aan krijgstucht in zijn leger en tevens van den woesten volksgeest dier tijden, bij katholieken en hervormden, die door de hoogste en beste uitingen van Oranje toch niet kon worden bedwongen. Hij drukt zijn innigen spijt uit over de plunderingen, waaraan zijn soldaten zich tegen zijn wil hadden schuldig gemaakt.Uit brieven van den Prins bleek, dat hij nog altijd geldgebrek had; hij wachtte nog steeds afgevaardigden van de Staten te Dordrecht, die de middelen nog niet bezaten, hem van gereed geld te voorzien. Ook had hij gehoord van de nederlaag van Genlis en toen de bevestiging daarvan kwam, werd zijn teleurstelling daarover verminderd door de hoop op spoedige aankomst van verdere hulp uit Frankrijk. Dat er troepen op weg waren uit dit land om Alva te helpen, kon Oranje niet gelooven, vooral niet, omdat de verstandhouding tusschen Karel IX en Lodewijk te goed was en de kapiteins bovendien meest allen Hugenoten waren.Langer dan een maand bleef Oranje in het kamp van Hellenrade bij Roermond, in afwachting van tijding van Coligny, die beloofd had met een groot leger in het Zuiden de Nederlanden binnen te dringen en die had aangeraden te wachten, tot hij zou zijn aangekomen, om met vereende krachten den vijand aan te vallen.Natuurlijk was de vertraging van den Prins, ook nog veroorzaakt door geldgebrek, voor Lodewijk een groote teleurstelling, want deze had in Bergen een zwaren post. Dat dit oponthoud zijn oorzaak vond in de jaloezie van Oranje op Lodewijk wordt volkomen weerlegd door de natuurlijke redenen, welke de Prins ervoor opgaf. Toch vonden enkelen dat praatje geloofwaardig en gaf het aanleiding om den Prins te belasteren. Eerst in het laatst van Augustus gaven de Staten vanHolland hem een waarborg voor drie maanden betaling van zijn leger en toen trok hij over de Maas.Weer had Oranje gerekend, gelijk in 1568 op de hulp der steden van Brabant en Vlaanderen en op de opening der poorten voor zijn leger. Onder den indruk van den gehaten tienden penning had hij daarop vertrouwd, maar hoe bitter werd hij teleurgesteld! Thienen en Diest ontvingen hem, maar grooter plaatsen als Leuven en Brussel openden de poorten niet voor hem. Vrees voor Alva, maar ook vrees voor het plunderzieke leger van den Prins zelf, hield de harten der bewoners gesloten. Verscheidene plaatsen kochten zijn binnenkomst met groote sommen af en Mechelen, waar hij werd ontvangen, moest later vreeselijk daarvoor bloeden.Oranje was evenwel niet terneergeslagen, integendeel hoopvol gestemd, zooals uit zijn brief van den 11enAugustus aan zijn broer Jan blijkt. De steden zonden hem geld en niettegenstaande de nederlaag van Genlis, was het vooruitzicht schitterend, want Coligny had 12000 man voetvolk en 3000 ruiters verzameld en hoopte spoedig zelf te komen. Die hoop werd helaas kort daarop geheel in duigen geworpen, want de dagen van den admiraal waren geteld. Terwijl Lodewijk in pijnlijke afwachting van de versterking der Hugenoten verkeerde, terwijl Oranje langzaam tot hem naderde, werd de vreeselijkste tragedie der gansche eeuw in Parijs voorbereid en afgespeeld.Hendrik van Navarre zou in het huwelijk treden met Margareta van Valois en met deze echtverbintenis waren de Hugenoten zeer ingenomen, daar die hun den toegang tot het hof scheen te openen.Op den 24enAugustus was de bruiloft gevierd en in den volgenden nacht werden alle Hugenoten in Parijs meedoogenloos in bed of op straat vermoord. Het schijnt werkelijk ongelooflijk, dat eenig menschelijk wezen met zulk een dubbelhartigheid zou hebben kunnen handelen, indien het waar is, dat Karel IX maandenlang zoo vertrouwelijk met Coligny en Lodewijk van Nassau heeft omgegaan, terwijl hij tegelijkertijd een algemeenen moordaanslag op de Fransche Protestanten beraamde. Waarschijnlijker is, dat Karel op het laatste oogenblik door zijn moeder op het denkbeeld gebracht is, dat er een samenzwering tegen hem bestond en dat zijn eenige veiligheid gelegen was in het met wortel en tak uitroeien van het hervormd geloof.Volgens de meest gematigde berekening bedroeg het aantal slachtoffers alleen in Parijs meer dan tienduizend.Geheel het protestantsch Europa was ontsteld over dit afgrijselijk voorval. De koningin van Engeland trok rouwgewaad aan en weigerde met verachting gehoor aan wat de Fransche gezant tot verdediging aanvoerde. Hoe Lodewijk het hoorde verhaalt zijn secretaris Michel de la Huguerye: “Juist begonnen wij het ongeval van Genlis te vergeten, toen we op zekeren nacht, het was de 28eAugustus, een hevige kanonade hoorden, die ons deed vermoeden, dat er een nieuwe aanval op de stad begon. Anderen meenden, dat die kanonade plaats had ter eere van Alva persoonlijk, die op den 27enin het kamp der belegeraars was gekomen.“Den volgenden ochtend vonden we eenige arme vluchtelingen van het leger van Genlis, die ons de tijding brachten van den dood van den admiraal, die vijf dagen te voren, in den Bartholomeusnacht vermoord was. Ook vertelden die mannen, dat er een groot getal arme Christenen was omgebracht, zoodat we niet langer hulp konden verwachten, maar beter deden te capituleeren.”Men weigerde eerst geloof te slaan aan dat ontzettend bericht, maar helaas! twee hervormde predikanten, d’Amours en de la Porte, kwamen een paar dagen later aan en vertelden de geheele historie van de vreeselijke tragedie. De arme Lodewijk trok zich den moord zijner vrienden zoo aan, dat hij door een zenuwziekte werd aangetast, die drie maanden duurde. Gedurende het laatste jaar was hij zoolang in Frankrijk geweest en had hij in zulk een intieme verstandhouding niet alleen met Coligny en zijn Protestantsche vrienden gestaan, maar ook met den koning en de katholieke edelen, dat het hem meer dan pijnlijk aandeed, nu ze zoo wreed en verraderlijk waren geweest. Voor het warm, sympathiek gemoed van Lodewijk was het inderdaad een bittere ontgoocheling te ontdekken, dat zijn vertrouwen zoo misplaatst was. Toch schreef hij aan den Prins, dat hij Bergen tot het uiterste zou blijven verdedigen en gaf hij hem den raad, thans bij de Engelsche koningin hulp te zoeken. Hij meende, dat verontwaardiging over den gruwel van den Bartholomeusnacht als de hefboom moest gebruikt worden, om de Protestanten van alle zijden op te wekken en dat Elisabeth nu wel aanstonds gereed zou zijn, als kampioen voor hun zaak in ’t veld te treden.Volgens la Huguerye toonde Alva grooten afschuw van den moord te Parijs en zeide hij, liever zijn rechterhand af te snijden dan medeplichtig te zijn aan zulk een slag. Hij bood zelfs onder dien indruk aan Lodewijk billijke voorwaarden van overgave aan. Doch de graaf was daartoe nog niet bereid. Nog steeds hopende op de komst van Oranje, haalde hij zijn troepen, die dreigden hem te ontvallen, door zijn welsprekendheid over, ten minste te blijven, totdat de Prins van Oranje zou gekomen zijn.Nog drie weken hield Lodewijk het vol en op den zevenden September verscheen werkelijk Oranje in de nabijheid van Bergen. Zijn gedeeltelijk succes in Mechelen, Dendermonde en Oudenaarde, die hun poorten voor hem hadden geopend, had hem nieuwen moed gegeven. Waar hij was, toen de tijding van den Bartholomeusnacht hem bereikte, is onbekend. Later schreef hij aan Jan, dat niet alleen hij, maar iedereen in Europa geheel onvoorbereid was op zulk een gebeurtenis. “Het was een donderslag bij klaren hemel. Niet alleen is het nu uit met alle hoop op hulp van Frankrijk, maar zelfs Karel moet Alva met geld ondersteunen. Alle vertrouwen op menschen is daardoor vernietigd.”Vroeg in September kwam alzoo Oranje in de buurt van Bergen en sloeg hij zijn kamp op te Hermigny, een halve mijl van de stad, terwijl Don Frederik met zijn leger bij het dorp St. Florian lag. In den nacht van 11 September, ging Juliaan Romero met 600 man naar Hermigny. De nacht was donker en de soldaten hadden hunne hemden over hun wapenrusting getrokken, om elkander in de duisternis goed te herkennen. Het gelukte hun, de schildwachten te verrassen en nadat ze deze hadden neergesabeld, baanden ze zich een weg naar het in slaap gezonkenkamp. Oranje hoorde geen rumoer, maar sliep rustig door, totdat hij door zijn hondje, dat aan zijn voeten sliep, werd gewekt. Niet tevreden met blaffen, likte het beestje zijn meesters gelaat. De Prins sprong uit zijn bed, nam een paard, dat gezadeld stond en reed in de duisternis weg. Zijn mannen waren minder gelukkig. Zeshonderd kwamen er om, gedeeltelijk door het zwaard, gedeeltelijk verdronken ze in een nabijzijnden stroom. Het verlies der Spanjaarden was gering, het werd op 60 geschat.Volgens la Huguerye wist Aldegonde in Bergen te komen, om aan Lodewijk te vertellen, hoe de Prins was verdreven en hoe hij besloten had, naar Mechelen terug te gaan, om zijn krijgsvolk bijeen te houden. Lodewijk zag toen weinig hoop meer op verlossing en stemde eindelijk toe in een onderhandeling met Don Frederik. Hij zond La Noue met drie andere Fransche edellieden naar het vijandelijk kamp, waar Noircarmes, een der onderhandelaars van Spaansche zijde was. Op den 19enSeptember werd de capitulatie van Bergen op de volgende voorwaarden geteekend: Lodewijk zou met zijn troepen de stad verlaten met behoud hunner wapenen. Hij zou met zijn volgers, door vier compagnieën begeleid, naar Roermond gebracht worden, om van daar naar Duitschland terug te gaan. Zijne Fransche troepen zouden òf hem kunnen volgen òf naar Frankrijk worden geleid tot aan de grens bij Avesnes. Die laatste bepaling was niet naar den zin van Karel IX, die begeerd had, dat Alva alle manschappen, als zijnde Hugenoten, had laten ombrengen. Doch Alva wilde met een politieke bedoeling den koning niet van alle vrees voor de Hugenoten bevrijden.Lodewijks ziekte werd de laatste dagen, die hij in Bergen doorbracht, steeds ernstiger; hij was genoodzaakt een aderlating te ondergaan. Toch gaf hij onmiddellijk order, alles in gereedheid te brengen voor zijn vertrek. Inzonderheid was hij angstig over het lot zijner Fransche soldaten, voor wie hij niet veel goeds verwachtte, als ze over de grenzen van hun vaderland waren gekomen. Hij deed dus nog alle moeite, hen bij zich te houden. De meesten echter weigerden dit en namen het aanbod aan, om tot de grens te worden geëscorteerd. Het was een slechte keus. Want nauwelijks waren ze over de grenzen gekomen, of ze werden door de soldaten van Karel IX gruwelijk vermoord. Slechts een deel kon zich nog redden, geholpen door den hertog van Longueville, gouverneur van Picardië.De graaf kon niet te paard zitten; hij moest in een wagen Bergen verlaten. Even daarbuiten werd hij door een officier in naam van Alva begroet. Zes mijlen buiten Bergen, in een dorp waar men halt hield, viel Lodewijk, bij het uitstijgen uit den wagen in zwijm en moest, te bed liggende, worden bijgebracht. Daarop trok men onder begeleiding van het Spaansche escorte voort en kwam men te Roermond aan, waar een ontmoeting tusschen de beide broeders plaats had. Zij overlegden, wat hun thans te doen stond. Vier dagen bleven ze samen en het resultaat van hun besprekingen was, dat Lodewijk tot herstel zijner gezondheid naar Duitschland zou teruggaan, terwijl de Prins zijn leger ontbinden en naar Holland gaan zou. Van de volvoering van dat plan zullen we in een volgend hoofdstuk getuige zijn.Lodewijk kon, ziek naar lichaam en ziel, zijn reis naar Dillenburg slechtsuiterst langzaam voortzetten. In het begin van October was hij pas in Meurs. Van daar reisde hij naar Keulen, waar de magistraat uit vrees hem niet eens toestond het Nassau-huis te betrekken en waar hij toen verplicht was in Deutz, in het Joden-kwartier, tijdelijk zijn intrek te nemen. Eerst tegen het eind der maand kwam hij op het voorvaderlijk kasteel, waar zijn moeder Juliana, die hem zoo teeder liefhad, de grootste zorg aan hem wijdde. Hij was toch zoo ziek, dat men algemeen dacht, dat hij zonder Gods hulp niet langer leven zou. Gelukkig echter werd de uitnemende zorg der moeder beloond. Langzaam herstelde Lodewijk en kon hij zich weer met de goede zaak der Nederlanders bezig houden. Als wij hem weder terugvinden, zullen we hem met nieuwe kracht zien aangegord, om mede te werken tot bevrijding van ons vaderland.
Hoofdstuk XIV.Huiselijk verdriet.De ernstige verliezen en hinderlijke tegenstand, die Oranje gedurende den zomer van 1568 en in de volgende jaren leed en ondervond, het jammerlijk gebrek aan geld, dat hij noodig had, om zijn plannen ten uitvoer te brengen, waren niet de eenige hardheden, die hij had te dragen. Er was nog een andere kwelling en marteling, die hem overal volgde, waar slechts brieven hem konden bereiken.Toen hij zijne familie veilig op het kasteel Dillenburg had gehuisvest, had hij mogen verwachten, dat zijn vrouw zich volkomen gelukkig en tevreden met haar schoonzusters in de groote vrouwelijke huishouding aldaar zou gevoeld hebben. Maar zelfs voor de meest onzelfzuchtige vrouw was het verblijf niet gemakkelijk en aangenaam. Alleen een vrouw, die zoo vurig belangstelde in al de plannen van haar echtgenoot, dat elke overweging daaraan ondergeschikt gemaakt werd, zou het met geduld hebben kunnen dragen. Anna van Saksen was zoodanige vrouw niet en ze deed zelfs geen poging, haar ontevredenheid over haar verblijf te Dillenburg en haar vrees voor toekomstige bezwaren te verbergen.In 1567 was haar wensch, naar de Nederlanden terug te keeren, door de vereenigde weigering van haar echtgenoot en bloedverwanten verijdeld. Gedwongen had zij van haar voorkeur afgezien en Maurits was in het voorouderlijk huis geboren. Gedurende de volgende lente en zomer was Oranje met bezigheden overladen en kwam hij slechts met zeldzame tusschenpoozen in Dillenburg. Het leven binnen de wallen was somber en het nieuws, dat de angstig verwachte boden brachten, ontmoedigend.Na haar echtgenoot verzocht te hebben, elders heen te mogen gaan, wat hij haar geweigerd had, maakte Anna van zijn afwezigheid gebruik, trachtte in het wild overal geld op te nemen en ging naar Keulen. Van daar schreef ze aan haar oom en verzocht hem haar een vertrouweling te zenden. Tegen het eind van 1568zond Augustus overeenkomstig haar wensch Volmar von Berlepsch, een kolonel, uit Thüringen. De inhoud van het rapport, dat deze gezant aan den keurvorst zond uit Langensalza, was hoofdzakelijk het volgende:Anna beklaagde zich tegenover hem bitter over haar harde positie en zeide, dat haar oom naast God haar eenige hoop was. Altijd had zij haar gemaal gewaarschuwd tegen oorlog met Spanje, maar hij was steeds doof voor haar geweest, en nu was hij in het net gevangen, dat over hem door anderen was geweven, in het bijzonder door Lodewijk, dien zij niet kon uitstaan. Haar echtgenoot en al zijn broeders hadden al hun gereed geld verteerd, ze hadden hun zilver en juweelen opgeofferd voor het onderhoud hunner soldaten, die nimmer konden verwachten iets te zullen volbrengen. Bijgevolg was al haar geld denzelfden weg gegaan; ze had er zich niet tegen verzet, maar alles was nutteloos geweest, juist zooals ze voorzien had.De onbetaalde soldaten eischten nu hun loon, ze dreigden zelfs den Prins met mishandeling of hem als gijzelaar gevangen te nemen, totdat zijn vrienden hem zouden kunnen loskoopen. Oranje had haar in bijna twee jaren slechts 250 kronen gegeven. Kon haar oom hen niet helpen om haar eigendom, dat zij zoo tegen wil en dank had verpand, terug te krijgen? Ze zou blij genoeg zijn, als zij met haar echtgenoot als graaf, of als edele, of als eenvoudig burger kon leven, maar het was werkelijk onverdragelijk niets in de wereld te bezitten, van den wind te moeten leven en zijn eigen handen en voeten op te eten.Daarom smeekte zij den keurvorst, een bedreigde naasting van haar eigendom te voorkomen. Binnen vijf of zes dagen wachtte zij weder eene bevalling en dat was een andere reden, waarom zij naar Keulen was gegaan. Haar schoonmoeder en al de andere vrouwen in Dillenburg waren zeer onaangenaam tegenover haar; dikwijls kon ze niet eens een glas wijn of bier krijgen en sommige dagen gingen geheel voorbij, zonder dat zij haar in haar vertrekken bezochten. Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn, daar een ziekte van zes weken te doorstaan, dan zou zij gebrek aan alles hebben. En nog was dat niet de werkelijke reden van haar plotselinge reis.Er was in Dillenburg een epidemische ziekte uitgebroken en in het geheele Westerwald was geen geneesheer te vinden. Hoe kon zij dan daar blijven wonen? Te Keulen waren een honderdvijftig Nederlandsche dames, met wie zij kon praten en zich aangenaam bezig houden, om de verveling van haar kraamdagen te breken. Ze had er voor gezorgd, een geleerden, vromen predikant mee te nemen, die uit de Nederlanden was gebannen en van Spaansche tusschenkomst had zij niets te vreezen. Ze hoopte zoo in Keulen te leven, dat er geen enkel kwaad gerucht van haar in omloop kon komen. Haar toestand was anders moeilijk genoeg, want ze had geen stuiver.Gerhard Koch, een Antwerpsche koopman die nu in Keulen woonde, had haar een groote som gelds geleend, maar daar de Prins hem ook al 30.000 florijnen schuldig was, zou hij haar niet verder helpen. Haar juweelen en tafelzilver waren reeds in pand. Diep in de schuld zat ze bij haar dienaars voor vleesch, brood en wijn. Graaf Jan had haar geschreven, dat het tafelzilver, waarop zezeer weinig gekregen hadden, verbeurd was verklaard, daar het niet op den datum was ingelost. Doodarmoedig als ze was, wilde zij niet zonder haar echtgenoot naar Dillenburg terugkeeren; liever wilde ze sterven. Waarom konden ze niet de Nassau-woning te Dietz herstellen?Berlepsch getuigde, dat inderdaad haar tafel sober was, doch dat er nog 43 personen aan gevoed werden. Hij had haar aangeraden niet stijfhoofdig te zijn, maar den raad van haar echtgenoot op te volgen. Na uit Langensalza aan Augustus geschreven te hebben, ging Berlepsch naar Dillenburg en besprak daar Anna’s zaken met Jan van Nassau, de groote kosten van de huishouding te Keulen, het herstellen van de woning te Dietz enz.Jan zeide, dat Berlepsch in gebreke was gebleven, bij Augustus en den landgraaf te klagen over Anna’s voortdurende aanmerkingen en gemor. Wat haar levenswijze te Dillenburg aanging, de Dillenburgers waren geen vorsten en als Anna niet kreeg wat zij wenschte, dan moest ze nemen, wat ze kon krijgen. Indien ze zich zelf niet schikken wilde naar hunne levensmanier en zich niet aangenaam wist te maken, dan kon ze naar Keulen gaan of waarheen zij wilde, maar verdere hulp van hem had ze niet te verwachten. Hij had reeds veel meer voor haar gedaan, dan rechtens van hem kon verwacht worden.Eerst had hij den Prins 50.000 florijnen geleend; daarop hem in het tweede jaar met zijn vrouw en zijn hofhouding onderhouden, met 150 tot 200 personen, zonder een woord te spreken van betaling. Het laatste doopfeest van Maurits was op zijn kosten gevierd. Daarop had hij nog aan Zijne Excellentie twaalf goede stukken geschut gegeven en hem voor het grootste deel voorzien van zijn uitrusting, waarvan de wagens alleen 5000 florijnen gekost hadden. Hij had 170.000 florijnen op het crediet van Dillenburg geleend enz., enz.“Het was hem absoluut onmogelijk, de schuldbekentenis van 12.500 daalders aan de Prinses verschuldigd, te voldoen, of het huis te Dietz te herbouwen. Ter wille van haar gemaal zouden ze Anna met 10 of 12 personen te Dillenburg ontvangen en met haar deelen, wat de Heer hun gaf. Beviel haar dit niet, dan kon ze het huis te Freudenberg krijgen. Het tafelzilver, dat aan de Prinses, aan haar echtgenoot en aan hem zelf toebehoorde, was verpand voor 22,000 zilveren marken en de juweelen voor 20.000 marken. Konden de keurvorst en de landgraaf die niet inlossen? Hij zelf had voor zijn deel meer gedaan dan van hem verwacht kon worden.”Berlepsch zeide toen verder, dat Anna in Keulen drie maanden zonder betaling geleefd had in het huis van Jan Molon, den penningmeester van den Prins. De vrome weduwe Brederode, in wie de Prinses veel vertrouwen stelde en die juist wist, hoe met haar om te gaan, was bij haar. Een jong Nederlander met name Hauff, was haar rentmeester. Het huishouden, verschrikkelijk duur, werd niet met overleg bestuurd. Gerhard Koch had Berlepsch verteld, dat de Prinses niemand had, die verstand had van beheer, al had ze ook een troep nuttelooze dienaars. Haar stallen waren teruggebracht tot twee koetspaarden en twee ezels. Aan Koch was zij 60.000 florijnen schuldig en inderdaad, de Prinses had geen stuiver buiten hetgeen hij haar gaf. Slagers, bakkers en wijnkoopers plaagden haar om betaling enz.Toen Augustus dit rapport ontving, schreef hij Anna, dat ze naar Dillenburg moest terugkeeren, berispte haar eveneens over haar stijfhoofdig karakter en deelde haar nog eens mede, wat Graaf Jan al had ten offer gebracht. Maar de wijze, waarop haar schoonbroeder zich over haar had uitgelaten, was niet van dien aard, om Anna te overtuigen, dat zij in Dillenburg zou worden behandeld, zooals ze dat begeerde. Ze wees dan ook die uitnoodiging geheel van de hand, hetgeen zeker de bewoners van Dillenburg niet erg betreurden.Daarop deed ze een stap, die den Prins zeer moest verbitteren. Zij besloot de zaak zelf in handen te nemen en te zien, wat ze doen kon, om haar verbeurd verklaarde goederen terug te krijgen. Weder schreef ze aan den keurvorst, met het verzoek haar te helpen, om “maatregelen te nemen voor mij zelf en mijne drie arme kinderen, opdat we niemand verder tot last zijn. Er is niemand anders die mij in de wereld helpt.”Dit beroep op Augustus en den landgraaf had tot gevolg, dat zij voldoende geld van hen ontving, om haar procureur, een zekeren Dr. Betz, naar Maximiliaan te Weenen te zenden, ten einde den keizer te verzoeken, haar zaak ter harte te nemen en haar request in Spanje te ondersteunen.Haar pleidooi was meer vernuftig, dan vrouwelijk. Zij beweerde, dat de Prins van Oranje door zijn weigering om de dagvaardingen van zijn leenheer te beantwoorden en de voortdurende proclamatiën tegen hem, burgerlijk dood was. In de oogen van de Nederlandsche wet was hij een dood man; ergo was zij op Nederlandschen bodem weduwe; ergo waren de Nederlandsche goederen de hare, daar zij een gerucht had gehoord, dat Alva geen enkele vrouw van rang van haar eigendom wilde berooven. Korten tijd later schreef zij aan haar “dierbare vriendelijke tante,” de keurvorstin, dat ze vreesde, dat dit gerucht valsch was en ze verzocht haar om nader nieuws daaromtrent.Het antwoord, haar door Spanje gegeven, was natuurlijk, dat ze geen weduwe was. Al was ze zelf geen rebel, ze had toch rebellen geholpen en opgestookt. Ze had haar zilver, 200.000 florijnen waard, verkocht, om den opstand van haar echtgenoot te steunen. In 1568 was zij zelfs op den koninklijken troep te Kerpen aangevallen en had verschillende zaken mee naar Keulen genomen, hetgeen haar van zelf medeplichtig maakte. Anna’s Duitsche procureur antwoordde op naïeven toon, dat onmogelijk de Prinses bedoeld kon zijn met “la gueusesse,” want dat haar naam was Anna, dochter van Maurits van Saksen. Haar reis naar Duitschland in den vroegen winter van 1567 had alleen tot doel gehad, haar stervenden grootvader, Filips van Hessen, nog levend te zien. Haar echtgenoot was ze gevolgd om drie goede en voldoende redenen: 1. Het was haar vrouwelijke plicht. 2. Ze was geen onderdane van Spanje. 3. Men had haar niets gelaten, zelfs niet iets zoo groot als eens mans hand. Al haar zilver was eenvoudig bij dat van haar man gevoegd; haar juweelen had ze zoolang mogelijk onder zich gehouden. Toen Kerpen was geplunderd, was zij in Heidelberg geweest en in ’t geheel niet in Keulen. Zij wilde de zaak voor het keizerlijk hof te Spiers brengen, of Alva overreden, haar klachten te doen gelden, maar haar schoonbroeder Jan hield het tegen. Niets was krachtens de wet gedaan.Dr. Betz bereikte Weenen, maar ging niet naar Spanje, om de zaak voor Filips te brengen. Het oogenblik, bij den koning te komen, was anders goed gekozen, namelijk bij gelegenheid van zijn huwelijk met Anna van Oostenrijk, daar ’s konings hart dan misschien medelijdend gestemd zou zijn. Tegen 15 Juni was Dr. Betz in Heidelberg terug, van waar hij zich zelf verontschuldigde, dat hij zijn zending niet had uitgevoerd.Anna overstroomde haar verwanten met brieven om hulp. De onderpanden van haar huwelijksgoed waren verpand en ze wenschte vurig ze in te lossen. Ze verlangde in Siegen een huishouden op te zetten. Zij beklaagde zich, dat de keurvorst haar wedde niet geregeld betaalde, waarop hij antwoordde, dat ze niemand naar de markt te Leipzig gezonden had, om die te innen. Daarop schreef ze weer, om te weten te komen, wat haar kansen waren om de som van 30.000 daalders te verkrijgen, die men haar bij den dood van haar stiefvader verschuldigd was, en waarvoor zij een hypotheek had op Dornberg, Kamberg en Sachsenburg.Jammerend herinnerde zij den Keurvorst, dat hij het was geweest, die haar huwelijk had doen sluiten en daarom moest hij haar helpen,in plaatsvan koel aan te zien, dat zij aan elken kant van haar rechten beroofd werd. Eindelijk loste hij haar verpande juweelen ten getale van 385 in.Dat het Anna niet ontbrak aan een zekere hofhouding, bewijst de lijst van hare volgelingen in Juli 1569:“Twee jonge dames, een jong edelman, een hofmeester, twee assistenten en een meid. Twee kamermeisjes, een min, twee kindermeisjes, een waschvrouw, een page, een keukenschrijver (?), een kleermaker, een bottelier, een kok, een lakei, een portier, een hofmeestersjongen, een predikant, zuiver in de leer, die H. Excellentie troostte en met haar bad.”Deze bijzonderheden over de Prinses kunnen dienen, om den gemoedstoestand van den Prins, die in den volgenden brief (geschreven uit Dillenburg in Nov. 1569) uitkomt, des te beter te begrijpen.Mijne vrouw,Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowelomdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek nietvan u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz.”Merkwaardige, eenvoudige en treffende brief. Oranje overdrijft er niet zijn affectie tot zijn vrouw in; hij zegt ronduit, wat haar plicht was geweest en toch doet hij haar gevoelen, van hoeveel waarde het bijzijn zijner vrouw had kunnen zijn en hij tracht zelfs nu nog met Anna weder in goede verstandhouding te komen. Of zij zulk een brief waard was, we zouden het bijna betwijfelen, want hoewel het zeker is, dat ze in geen aangename verhoudingen was gekomen, vergeleken bij haar vorstelijken staat in de Nederlanden, ze had in het minst geen besef van hetgeen de tijd van haar echtgenoot eischte en van hetgeen zij dus met onderwerping had moeten dragen. In een brief van den 7enFebr. 1570 schreef Oranje aan zijn broeder Jan, dat het beter was dat zijn vrouw bleef waar ze was en dat ze niet moest gedwongen worden te komen, daar zij het niet verlangde. Hoe treurig steekt bij Oranje’s zachtmoedigen toon het bitter woord af, dat Anna’s pen op den 8enFebr. nederschreef:Goedgunstige waarde Heer,De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hemopdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt.”Met al de halsstarrigheid, haar klein karakter eigen, had Anna een besluit genomen, waarvan ze niet wilde afwijken. Het was dezelfde geest, dien zij in haar 17ejaar getoond had, toen ze tegenover iedereen, die het afraadde, besloten had den Prins te huwen. Wat toen echter nog als behagelijke beslistheid van karakter kon worden aangemerkt, was thans onbehagelijke eigenzinnigheid geworden.Op den 6enApril schrijft zij weder:Goedgunstige waarde Heer,Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in ’t geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ikgenoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij.”Verwondert het ons, dat de Prins op het ontvangen van zulke brieven zijn geduld verloor? Hij gevoelde zich gedrongen, aan een van Anna’s verwanten, Willem van Hessen, verslag te doen van de houding zijner vrouw tegenover hem. Hij begreep toch wel, dat Anna niet zou nalaten, hare bloedverwanten op haar manier in te lichten. Daarom wilde de Prins zich verantwoorden en deed hij Willem van Hessen gevoelen, dat het hem eenvoudig onmogelijk was, die soort van dingen langer van zijn vrouw te verdragen. Toen hij haar eenige maanden geleden een hartelijken vriendelijken brief had geschreven, liet zij hem twee maanden zonder antwoord. Allerlei voorstellen had hij haar gedaan, om elkander te ontmoeten, maar die waren alle afgestuit op den onwil van zijn vrouw en nu schreef ze hem zulk een hoogst onaangenamen brief, waarvan Oranje aan Willem van Hessen de copie zond. Geduld had hij genoeg gehad, maar zulke impertinente, dwaze brieven deden het hem verliezen. Alsof hij nog niet genoeg andere hoofdbrekende zorgen had, kwam zijn vrouw die nog vermeerderen door haar gedrag te zijnen opzichte. Toch schijnt Willem van Hessen medelijden met Anna’s geldelijke verlegenheid gehad te hebben. Hij zond haar althans geld, een oude hofmeesteres en eenig ander vrouwelijk gezelschap. Of dat vriendelijk ontvangen werd, is niet waarschijnlijk.Nog eens in Mei deed de Prins een poging, om Anna goeden raad te geven en betitelde hij haar zelfs met de oude geliefde benaming “Ma mie.” In haar boezem was echter de liefde tot Oranje geheel gestorven. In haar brieven uit die jaren vinden we geen enkel spoor van sympathie met de teleurstelling en ontberingen van haar echtgenoot. Trouwens geen wonder—want de hartstochtelijke, trotsche, eigenzinnige Anna van Saksen was reeds in 1570 tot nog diepere zedelijke afdwaling gevallen, die ons bij het noemen van haar naam met weerzin vervult. Het schetsen van haar verderen levensloop kan ons dan ook niet behagen, en toch mogen in het leven van den Prins de droevige feiten niet geheel onvermeld blijven.In de afwezigheid van den reeds genoemden rechterlijken raadsman van de Prinses, Dr. J. Betz, werd een ander rechtsgeleerde, die eveneens uit Antwerpen had moeten vluchten, bij Anna van Saksen geroepen, ten einde ook de aangelegenheid van haar huwelijksgoed te behartigen. Deze tweede rechtsgeleerde was de vader van den Vlaamschen schilder Rubens en met dezen leefde Anna te Keulen in overspel. Zelfs toen ze in den aanvang van 1571 zich te Siegen had gevestigd, ontving zij ook daar bezoek van Rubens. Men schijnt in den familiekring van de Nassau’s dienaangaande eenig kwaad vermoeden gehad te hebben. Althans in Maart 1571 werd Rubens op een reis naar Siegen opgelicht en op last van den Prins en van graaf Jan van Nassau gevankelijk naar Dillenburg gebracht. Daar bekende hij zijn misdaad. Overeenkomstig de landswetten hadden de Nassau’s volkomen recht gehad, Rubens ter dood te doen brengen. Want twijfel aan de zaak bestond niet.Anna zelve schreef wel aan Oranje een brief vol betuigingen van haar onschuld,ja zelfs achtte ze zich ten hoogste beleedigd, dat men haar zulk een ontrouw durfde ten laste leggen. Doch het ongeluk voor haar wilde, dat een briefje van haar aan Rubens, den Prins in handen viel, dat haar misdaad ontwijfelbaar bewees.Rubens werd te Dillenburg in de gevangenis geworpen en was zoo zeker dat hij zijn misdadige liefde met den dood moest boeten, dat hij alleen nog de genade vroeg onthoofd te worden. En toch, het leven werd hem gespaard. Aan den eenen kant begreep men in Nassau, dat de voornaamste schuldige Anna was, overeenkomstig Rubens’ confessie; aan den anderen kant was het Rubens’ beleedigde echtgenoote, Maria Pepeling, die niet ophield, voor haar man bij de Nassau’s tusschenbeide te treden. Reeds in 1573 mochten zij weder in Siegen samenwonen; in 1577 ontving het echtpaar verlof zich elders te vestigen, mits niet in de erflanden van den Prins of in zijn nabijheid.En wat den Prins aangaat, het was natuurlijk, dat Oranje liefst zooveel mogelijk de zaak geheim gehouden had. Opmerkenswaard is zeker, dat de brief, dien de Prins er over schreef aan zijn broeder Jan, veel meer over de oneer, die de zaak hem zou kunnen berokkenen loopt, dan over de daad zelf, die zich “leider had zugetragen.” Doch dit behoeft ons, na al wat Oranje reeds van Anna verdragen had, niet zoo zeer te bevreemden. In Mei schreef deze nog eens een brief aan haar schoonbroeder Jan en verzocht ze hem in haar belang bij den Prins tusschenbeide te komen. Uit dien brief blijkt wel, dat haar berouw niet diep was. “Ze had den raad van den landgraaf moeten volgen en nimmer met een Nassau moeten huwen. Zij verlangt naar den dood enz.” Drie jaren bleef ze nog in Nassau en was in dien tijd woonachtig te Beilstein, maar een voortdurende lastpost voor de bloedverwanten van haar echtgenoot. Hare kinderen waren van haar weggenomen; die werden door graaf Jan met meer dan vaderlijke zorg opgevoed. Vele brieven werden er over haar gewisseld tusschen Jan van Nassau en Anna’s bloedverwanten. Zoo schreef Willem van Hessen op 20 Februari 1572 in eene instructie omtrent haar het volgende:“Wanneer men God den Heer vergeet, in alles het vleesch naleeft en aan den Duivel zooveel macht over zich toestaat, dan kan het niet anders afloopen, zooals de geschiedenissen des O. en N. T. zoowel als die der Heidenen en de dagelijksche ondervinding dat bevestigen. Mijne nicht weet, hoe wij niet alleen als een neef, maar als een vader meermalen vermaand en gebeden hebben, van God niet met zooveel minachting te spreken, vlijtig aan te houden in het gebed en het lezen der H. S. Ook haren heer en gemaal, die haar niet is opgedrongen, maar dien zij naar willekeur, ja zelfs tegen den wil en het verbod van onzen vader, hoogloffelijker gedachtenisse, genomen heeft, moet zij behoorlijken eerbied en achting bewijzen en zich voor ’t overige eerbaar en onbesproken gedragen, zooals het eene eerbare vorstin naar oud Duitsch gebruik past. De lichtvaardige zeden der Walen, hun ijdelen pronk dient zij vaarwel te zeggen en de loffelijke Duitsche manieren te volgen, door slechts zeldzaam of liever in het geheel niet, vreemde manspersonen tot haar onderhoud en in hare kamer toe te laten. Had zij dien raad opgevolgd, zij zou thans niet onder een zoo zware schuld gebukt gaan.”Uit deze woorden blijkt voldoende, hoe Willem van Hessen Anna van Saksengeheel de schuld gaf. De keurvorst daarentegen zette die op ’s Prinsen rekening. Hij zeide, dat dit nu de gevolgen waren, als men zijn vrouw liever Amadis de Gaule dan den Bijbel liet lezen; dat Oranje haar veel te veel had toegelaten, haar zin en lust op te volgen; dat alles zou voorkomen zijn, als de Prins bijtijds haar moedwilligheid had gebroken en haar in tucht en gehoorzaamheid had gehouden, enz. Tegen die beschuldigingen verdedigde Oranje zich op de volgende wijze:“Wat hij destijds van Amadis de Gaule aan de keurvorstin had gezegd, was alleen spotternij geweest en gesproken op een tijd, toen hij zelf nog niet was gekomen tot de kennis der waarheid.“Anna zelf had booze “mores” onder de leden, voor zij in de Nederlanden kwam. Ze had die reeds op weg naar hare woonplaats Breda getoond en daarbij steeds volhard.“De Prins had niet nagelaten, haar daarover ernstig te onderhouden en zelfs nu en dan had hij lichtzinnige lieden, die zij om en bij zich had, met slagen uit zijn huis moeten doen jagen.“Bij booze vrouwen zijn tranen en gramschap even vruchteloos; waar de inborst boos is, daar moeten zich booze daden openbaren.”Kortom, hoe ook de diepe val zijner tweede vrouw Oranje getroffen moet hebben en onder al de bekommernissen van die jaren zijne zorgen verdubbeld, hij kon er zich boven verheffen, overtuigd, dat niet aan hem de schuld lag van al het kwaad, dat Anna van Saksen hem en den zijnen berokkend had.Het is treurig te zien, hoe ellendig de overspelige vrouw haar leven geëindigd heeft. Na nog drie jaren in Nassau te zijn geweest, werd zij in 1575 naar Saksen gebracht. Er was geen huis met haar te houden. Men kon eindelijk geen dienaren, zelfs tegen hooge belooning vinden, om bij haar te wonen. Haar gedrag was zoo heftig, dat de omstanders dikwijls in levensgevaar verkeerden. In rustige oogenblikken verlangde ze slechts naar haar dood, een wensch, die zeker ook haar bloedverwanten deelden. Toch zou ze daarna nog twee jaren in Dresden leven. Daar werd ze opgesloten in een gevangenis; haar voedsel werd haar door een opening toegereikt, terwijl een predikant belast werd met de zorg voor haar ziel. Daar haar geest reeds geheel was ondergegaan, zullen dit wel ijdele woorden geweest zijn. Eindelijk stierf ze 18 December 1577, razend krankzinnig in haar 33ejaar. Den volgenden dag werd de booze “dochter van den grooten keurvorst” te Meiszen begraven, en wel in het graf harer voorouders. Een groote stoet van “schoolkinderen, predikanten, overheidspersonen, edellieden en burgers” volgde de lijkbaar.Voor den Prins was ze al lang dood geweest.Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)
De ernstige verliezen en hinderlijke tegenstand, die Oranje gedurende den zomer van 1568 en in de volgende jaren leed en ondervond, het jammerlijk gebrek aan geld, dat hij noodig had, om zijn plannen ten uitvoer te brengen, waren niet de eenige hardheden, die hij had te dragen. Er was nog een andere kwelling en marteling, die hem overal volgde, waar slechts brieven hem konden bereiken.
Toen hij zijne familie veilig op het kasteel Dillenburg had gehuisvest, had hij mogen verwachten, dat zijn vrouw zich volkomen gelukkig en tevreden met haar schoonzusters in de groote vrouwelijke huishouding aldaar zou gevoeld hebben. Maar zelfs voor de meest onzelfzuchtige vrouw was het verblijf niet gemakkelijk en aangenaam. Alleen een vrouw, die zoo vurig belangstelde in al de plannen van haar echtgenoot, dat elke overweging daaraan ondergeschikt gemaakt werd, zou het met geduld hebben kunnen dragen. Anna van Saksen was zoodanige vrouw niet en ze deed zelfs geen poging, haar ontevredenheid over haar verblijf te Dillenburg en haar vrees voor toekomstige bezwaren te verbergen.
In 1567 was haar wensch, naar de Nederlanden terug te keeren, door de vereenigde weigering van haar echtgenoot en bloedverwanten verijdeld. Gedwongen had zij van haar voorkeur afgezien en Maurits was in het voorouderlijk huis geboren. Gedurende de volgende lente en zomer was Oranje met bezigheden overladen en kwam hij slechts met zeldzame tusschenpoozen in Dillenburg. Het leven binnen de wallen was somber en het nieuws, dat de angstig verwachte boden brachten, ontmoedigend.
Na haar echtgenoot verzocht te hebben, elders heen te mogen gaan, wat hij haar geweigerd had, maakte Anna van zijn afwezigheid gebruik, trachtte in het wild overal geld op te nemen en ging naar Keulen. Van daar schreef ze aan haar oom en verzocht hem haar een vertrouweling te zenden. Tegen het eind van 1568zond Augustus overeenkomstig haar wensch Volmar von Berlepsch, een kolonel, uit Thüringen. De inhoud van het rapport, dat deze gezant aan den keurvorst zond uit Langensalza, was hoofdzakelijk het volgende:
Anna beklaagde zich tegenover hem bitter over haar harde positie en zeide, dat haar oom naast God haar eenige hoop was. Altijd had zij haar gemaal gewaarschuwd tegen oorlog met Spanje, maar hij was steeds doof voor haar geweest, en nu was hij in het net gevangen, dat over hem door anderen was geweven, in het bijzonder door Lodewijk, dien zij niet kon uitstaan. Haar echtgenoot en al zijn broeders hadden al hun gereed geld verteerd, ze hadden hun zilver en juweelen opgeofferd voor het onderhoud hunner soldaten, die nimmer konden verwachten iets te zullen volbrengen. Bijgevolg was al haar geld denzelfden weg gegaan; ze had er zich niet tegen verzet, maar alles was nutteloos geweest, juist zooals ze voorzien had.
De onbetaalde soldaten eischten nu hun loon, ze dreigden zelfs den Prins met mishandeling of hem als gijzelaar gevangen te nemen, totdat zijn vrienden hem zouden kunnen loskoopen. Oranje had haar in bijna twee jaren slechts 250 kronen gegeven. Kon haar oom hen niet helpen om haar eigendom, dat zij zoo tegen wil en dank had verpand, terug te krijgen? Ze zou blij genoeg zijn, als zij met haar echtgenoot als graaf, of als edele, of als eenvoudig burger kon leven, maar het was werkelijk onverdragelijk niets in de wereld te bezitten, van den wind te moeten leven en zijn eigen handen en voeten op te eten.
Daarom smeekte zij den keurvorst, een bedreigde naasting van haar eigendom te voorkomen. Binnen vijf of zes dagen wachtte zij weder eene bevalling en dat was een andere reden, waarom zij naar Keulen was gegaan. Haar schoonmoeder en al de andere vrouwen in Dillenburg waren zeer onaangenaam tegenover haar; dikwijls kon ze niet eens een glas wijn of bier krijgen en sommige dagen gingen geheel voorbij, zonder dat zij haar in haar vertrekken bezochten. Het zou eenvoudig verschrikkelijk zijn, daar een ziekte van zes weken te doorstaan, dan zou zij gebrek aan alles hebben. En nog was dat niet de werkelijke reden van haar plotselinge reis.
Er was in Dillenburg een epidemische ziekte uitgebroken en in het geheele Westerwald was geen geneesheer te vinden. Hoe kon zij dan daar blijven wonen? Te Keulen waren een honderdvijftig Nederlandsche dames, met wie zij kon praten en zich aangenaam bezig houden, om de verveling van haar kraamdagen te breken. Ze had er voor gezorgd, een geleerden, vromen predikant mee te nemen, die uit de Nederlanden was gebannen en van Spaansche tusschenkomst had zij niets te vreezen. Ze hoopte zoo in Keulen te leven, dat er geen enkel kwaad gerucht van haar in omloop kon komen. Haar toestand was anders moeilijk genoeg, want ze had geen stuiver.
Gerhard Koch, een Antwerpsche koopman die nu in Keulen woonde, had haar een groote som gelds geleend, maar daar de Prins hem ook al 30.000 florijnen schuldig was, zou hij haar niet verder helpen. Haar juweelen en tafelzilver waren reeds in pand. Diep in de schuld zat ze bij haar dienaars voor vleesch, brood en wijn. Graaf Jan had haar geschreven, dat het tafelzilver, waarop zezeer weinig gekregen hadden, verbeurd was verklaard, daar het niet op den datum was ingelost. Doodarmoedig als ze was, wilde zij niet zonder haar echtgenoot naar Dillenburg terugkeeren; liever wilde ze sterven. Waarom konden ze niet de Nassau-woning te Dietz herstellen?
Berlepsch getuigde, dat inderdaad haar tafel sober was, doch dat er nog 43 personen aan gevoed werden. Hij had haar aangeraden niet stijfhoofdig te zijn, maar den raad van haar echtgenoot op te volgen. Na uit Langensalza aan Augustus geschreven te hebben, ging Berlepsch naar Dillenburg en besprak daar Anna’s zaken met Jan van Nassau, de groote kosten van de huishouding te Keulen, het herstellen van de woning te Dietz enz.
Jan zeide, dat Berlepsch in gebreke was gebleven, bij Augustus en den landgraaf te klagen over Anna’s voortdurende aanmerkingen en gemor. Wat haar levenswijze te Dillenburg aanging, de Dillenburgers waren geen vorsten en als Anna niet kreeg wat zij wenschte, dan moest ze nemen, wat ze kon krijgen. Indien ze zich zelf niet schikken wilde naar hunne levensmanier en zich niet aangenaam wist te maken, dan kon ze naar Keulen gaan of waarheen zij wilde, maar verdere hulp van hem had ze niet te verwachten. Hij had reeds veel meer voor haar gedaan, dan rechtens van hem kon verwacht worden.
Eerst had hij den Prins 50.000 florijnen geleend; daarop hem in het tweede jaar met zijn vrouw en zijn hofhouding onderhouden, met 150 tot 200 personen, zonder een woord te spreken van betaling. Het laatste doopfeest van Maurits was op zijn kosten gevierd. Daarop had hij nog aan Zijne Excellentie twaalf goede stukken geschut gegeven en hem voor het grootste deel voorzien van zijn uitrusting, waarvan de wagens alleen 5000 florijnen gekost hadden. Hij had 170.000 florijnen op het crediet van Dillenburg geleend enz., enz.
“Het was hem absoluut onmogelijk, de schuldbekentenis van 12.500 daalders aan de Prinses verschuldigd, te voldoen, of het huis te Dietz te herbouwen. Ter wille van haar gemaal zouden ze Anna met 10 of 12 personen te Dillenburg ontvangen en met haar deelen, wat de Heer hun gaf. Beviel haar dit niet, dan kon ze het huis te Freudenberg krijgen. Het tafelzilver, dat aan de Prinses, aan haar echtgenoot en aan hem zelf toebehoorde, was verpand voor 22,000 zilveren marken en de juweelen voor 20.000 marken. Konden de keurvorst en de landgraaf die niet inlossen? Hij zelf had voor zijn deel meer gedaan dan van hem verwacht kon worden.”
Berlepsch zeide toen verder, dat Anna in Keulen drie maanden zonder betaling geleefd had in het huis van Jan Molon, den penningmeester van den Prins. De vrome weduwe Brederode, in wie de Prinses veel vertrouwen stelde en die juist wist, hoe met haar om te gaan, was bij haar. Een jong Nederlander met name Hauff, was haar rentmeester. Het huishouden, verschrikkelijk duur, werd niet met overleg bestuurd. Gerhard Koch had Berlepsch verteld, dat de Prinses niemand had, die verstand had van beheer, al had ze ook een troep nuttelooze dienaars. Haar stallen waren teruggebracht tot twee koetspaarden en twee ezels. Aan Koch was zij 60.000 florijnen schuldig en inderdaad, de Prinses had geen stuiver buiten hetgeen hij haar gaf. Slagers, bakkers en wijnkoopers plaagden haar om betaling enz.
Toen Augustus dit rapport ontving, schreef hij Anna, dat ze naar Dillenburg moest terugkeeren, berispte haar eveneens over haar stijfhoofdig karakter en deelde haar nog eens mede, wat Graaf Jan al had ten offer gebracht. Maar de wijze, waarop haar schoonbroeder zich over haar had uitgelaten, was niet van dien aard, om Anna te overtuigen, dat zij in Dillenburg zou worden behandeld, zooals ze dat begeerde. Ze wees dan ook die uitnoodiging geheel van de hand, hetgeen zeker de bewoners van Dillenburg niet erg betreurden.
Daarop deed ze een stap, die den Prins zeer moest verbitteren. Zij besloot de zaak zelf in handen te nemen en te zien, wat ze doen kon, om haar verbeurd verklaarde goederen terug te krijgen. Weder schreef ze aan den keurvorst, met het verzoek haar te helpen, om “maatregelen te nemen voor mij zelf en mijne drie arme kinderen, opdat we niemand verder tot last zijn. Er is niemand anders die mij in de wereld helpt.”
Dit beroep op Augustus en den landgraaf had tot gevolg, dat zij voldoende geld van hen ontving, om haar procureur, een zekeren Dr. Betz, naar Maximiliaan te Weenen te zenden, ten einde den keizer te verzoeken, haar zaak ter harte te nemen en haar request in Spanje te ondersteunen.
Haar pleidooi was meer vernuftig, dan vrouwelijk. Zij beweerde, dat de Prins van Oranje door zijn weigering om de dagvaardingen van zijn leenheer te beantwoorden en de voortdurende proclamatiën tegen hem, burgerlijk dood was. In de oogen van de Nederlandsche wet was hij een dood man; ergo was zij op Nederlandschen bodem weduwe; ergo waren de Nederlandsche goederen de hare, daar zij een gerucht had gehoord, dat Alva geen enkele vrouw van rang van haar eigendom wilde berooven. Korten tijd later schreef zij aan haar “dierbare vriendelijke tante,” de keurvorstin, dat ze vreesde, dat dit gerucht valsch was en ze verzocht haar om nader nieuws daaromtrent.
Het antwoord, haar door Spanje gegeven, was natuurlijk, dat ze geen weduwe was. Al was ze zelf geen rebel, ze had toch rebellen geholpen en opgestookt. Ze had haar zilver, 200.000 florijnen waard, verkocht, om den opstand van haar echtgenoot te steunen. In 1568 was zij zelfs op den koninklijken troep te Kerpen aangevallen en had verschillende zaken mee naar Keulen genomen, hetgeen haar van zelf medeplichtig maakte. Anna’s Duitsche procureur antwoordde op naïeven toon, dat onmogelijk de Prinses bedoeld kon zijn met “la gueusesse,” want dat haar naam was Anna, dochter van Maurits van Saksen. Haar reis naar Duitschland in den vroegen winter van 1567 had alleen tot doel gehad, haar stervenden grootvader, Filips van Hessen, nog levend te zien. Haar echtgenoot was ze gevolgd om drie goede en voldoende redenen: 1. Het was haar vrouwelijke plicht. 2. Ze was geen onderdane van Spanje. 3. Men had haar niets gelaten, zelfs niet iets zoo groot als eens mans hand. Al haar zilver was eenvoudig bij dat van haar man gevoegd; haar juweelen had ze zoolang mogelijk onder zich gehouden. Toen Kerpen was geplunderd, was zij in Heidelberg geweest en in ’t geheel niet in Keulen. Zij wilde de zaak voor het keizerlijk hof te Spiers brengen, of Alva overreden, haar klachten te doen gelden, maar haar schoonbroeder Jan hield het tegen. Niets was krachtens de wet gedaan.
Dr. Betz bereikte Weenen, maar ging niet naar Spanje, om de zaak voor Filips te brengen. Het oogenblik, bij den koning te komen, was anders goed gekozen, namelijk bij gelegenheid van zijn huwelijk met Anna van Oostenrijk, daar ’s konings hart dan misschien medelijdend gestemd zou zijn. Tegen 15 Juni was Dr. Betz in Heidelberg terug, van waar hij zich zelf verontschuldigde, dat hij zijn zending niet had uitgevoerd.
Anna overstroomde haar verwanten met brieven om hulp. De onderpanden van haar huwelijksgoed waren verpand en ze wenschte vurig ze in te lossen. Ze verlangde in Siegen een huishouden op te zetten. Zij beklaagde zich, dat de keurvorst haar wedde niet geregeld betaalde, waarop hij antwoordde, dat ze niemand naar de markt te Leipzig gezonden had, om die te innen. Daarop schreef ze weer, om te weten te komen, wat haar kansen waren om de som van 30.000 daalders te verkrijgen, die men haar bij den dood van haar stiefvader verschuldigd was, en waarvoor zij een hypotheek had op Dornberg, Kamberg en Sachsenburg.
Jammerend herinnerde zij den Keurvorst, dat hij het was geweest, die haar huwelijk had doen sluiten en daarom moest hij haar helpen,in plaatsvan koel aan te zien, dat zij aan elken kant van haar rechten beroofd werd. Eindelijk loste hij haar verpande juweelen ten getale van 385 in.
Dat het Anna niet ontbrak aan een zekere hofhouding, bewijst de lijst van hare volgelingen in Juli 1569:
“Twee jonge dames, een jong edelman, een hofmeester, twee assistenten en een meid. Twee kamermeisjes, een min, twee kindermeisjes, een waschvrouw, een page, een keukenschrijver (?), een kleermaker, een bottelier, een kok, een lakei, een portier, een hofmeestersjongen, een predikant, zuiver in de leer, die H. Excellentie troostte en met haar bad.”
Deze bijzonderheden over de Prinses kunnen dienen, om den gemoedstoestand van den Prins, die in den volgenden brief (geschreven uit Dillenburg in Nov. 1569) uitkomt, des te beter te begrijpen.
Mijne vrouw,Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowelomdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek nietvan u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz.”
Mijne vrouw,
Uit uw brieven heb ik gezien en van onzen secretaris gehoord de reden en de oorzaak, die u bewogen hebben, om niet tot mij te komen, welke redenen ik volstrekt niet voldoende vind uit het oogpunt van den plicht, die eene vrouw aan haar man verschuldigd is, in geval zij hem eenige liefde toedraagt. Want gij zegt wel dat gij beloofd hebt nooit meer in dit land te komen, maar dan moet gij ook bedenken, dat gij van te voren voor God en Zijne kerk beloofd hebt, alle dingen ter wereld te verlaten, om uw man te volgen, hetgeen mij toeschijnt, dat u meer ter harte moest gaan dan alle kleine beuzelingen, indien gij althans eenigszins aan uwe verplichting denkt te voldoen.
Ik zeg dit niet, om u te willen overhalen hier te komen, want daar dit u zoo tegen de borst stuit, laat ik het aan u over, maar wel zeg ik het u, om u aan uw verplichting te herinneren, zooals ik moet doen, zoowelomdat God het beveelt, als uit vriendschap voor u, dan kan er morgen of daarna komen wat wil, ik heb aan mijn geweten voldaan en u aangewezen, wat gij voor God en de wereld verplicht zijt. Vooral in dezen tijd meer dan in eenigen anderen, nu ik in zulke moeilijkheden ben, zooals gij zelf weet, is er niets in de wereld, dat meer troost geeft dan zich getroost te zien door zijn vrouw en te weten, dat zij met geduld het kruis wil dragen, dat de Almachtige haren man zendt, vooral als deze lijdt ten gevolge van pogingen om de eer van God te bevorderen en de vrijheid van zijn vaderland te bereiken.
Dan is er nog een andere reden die u moest overreden tot mij te komen, namelijk, dat er zoovele zaken zijn, die ik u moet mededeelen, die zich niet laten beschrijven en waarvan thans mijn eer en leven afhangen. Indien gij mij althans eenige vriendschap toedraagt, dan moest u dat meer ter harte gaan, dan allerlei frivole affecties en bedenkingen.
Ik wil niet eens op het feit drukken, dat ieder thans gelegenheid heeft, over ons te praten en verschillend te redeneeren en ieder onze zaken naar zijn eigen lust en karakter kan beoordeelen. Ik kan u verzekeren, dat, indien gij mij geschreven hadt dat gij mij in Frankfort, in plaats van in Siburg, te midden mijner grootste vijanden, wildet ontmoeten, ik voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, met u daar samen te komen, omdat ik groot verlangen heb u te zien, niettegenstaande al mijn vrienden, die ik over de zaak sprak, mij om het gevaar, waaraan ik mij zou blootstellen, afraadden naar welke stad ook te gaan.
Ik laat het aan uw gedachten over, om te bedenken, wat het voor mij zegt, dat gij die mijne echtgenoote zijt, bezwaar maakt mij te komen zien en dat ik mij in mijne ellende moet laten troosten door anderen, die mij niet zoo na zijn.
Wat uw raad aangaat, om naar Engeland en Frankrijk te gaan: ik zou wel wenschen, dat de zaken in Frankrijk van dien aard waren, dat wij er gerust heen konden gaan, maar de toestand der arme Christenen was er vroeger beter dan thans en ik kan u verzekeren, dat, als God in zijn barmhartigheid geen geneesmiddel aanbrengt, de arme Christenen daar er erger aan toe zullen zijn, dan in de Nederlanden. Als de Koning van Frankrijk zijn eigen onderdanen zoo hard behandelt, wat zal hij dan met vreemdelingen doen? Gij kunt dus wel denken, wat er te wachten zou zijn, indien we ons daarheen begaven.
Wat Engeland aangaat, er zijn redenen voor, die ik niet kan schrijven, maar ik verzeker u, als gij ze gehoord hadt, dan zou uw verlangen, om daar heen te gaan, wel vervliegen. Buitendien zijn onze zaken in zulk een toestand gekomen, dat het niet meer de vraag is, te besluiten waar wij heen zullen gaan, maar wel, waar men ons zal willen ontvangen. In de meeste steden en staten zou men zich wel meer dan tweemaal bedenken, voordat men ons ontving. De koningin van Engeland, de koning van Denemarken en van Polen en vele Duitsche vorsten zouden hetzelfde doen. Ik spreek nietvan u, maar van mij, omdat ik in ongenade bij den keizer ben. Hierover en over vele andere zaken hadden we samen kunnen spreken, als wij elkander in het geheim hadden kunnen zien. Want al mijn vrienden zijn van meening, daar mijn vertrek uit de Nederlanden aan iedereen bekend begint te worden, dat ik mij niet op ééne plaats kan ophouden, maar heden hier en morgen daar moet vertoeven.
Daar het God behaagd heeft, dat ik in deze ellende ben, had ik zoo gaarne het geluk gehad, u althans eenige dagen te zien; het komt me voor, dat ik dan des te blijmoediger alle ongelukken, die de goede God mij heeft toegezonden en mij nog zal toezenden, zou hebben kunnen dragen. Nu vertrek ik morgen; van mijn terugkomst, of wanneer ik u nu zal kunnen zien, kan ik u op mijn eer niets zekers melden, want ik ben besloten, mij te stellen in de hand van den Almachtige, opdat Hij mij geleide, waar Hij wil. Ook zie ik wel, dat ik dit leven verder in ellende en arbeid zal moeten doorbrengen, waaraan ik mij wil onderwerpen, omdat het alzoo behaagt aan den Almachtige, want ik weet, dat ik grooter kastijding verdiend heb. Ik bid u alleen, mij de gunst te bewijzen, alles geduldig te dragen, gelijk ik tot heden gedaan heb. Ik ben zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaak, die gij thans in de Nederlanden tracht te bereiken, goed staat en dat Hovelmans zijn plicht doet. Gij kunt verzekerd zijn, dat uw zaken nimmer zoo goed zullen gaan, of ik wenschte, dat ze nog beter gingen en dat mij niets aangenamer kan overkomen, dan te hooren, dat gij tevreden zijt.
Ik bid den Almachtige, U te verlichten door Zijn Heiligen Geest en ons allen voor hetgeen ons het heilzaamst is, opdat wij, voor Hem op den dag des oordeels verschijnende, Hem dan beter rekenschap kunnen geven van al onze daden. Ik beveel mij enz.”
Merkwaardige, eenvoudige en treffende brief. Oranje overdrijft er niet zijn affectie tot zijn vrouw in; hij zegt ronduit, wat haar plicht was geweest en toch doet hij haar gevoelen, van hoeveel waarde het bijzijn zijner vrouw had kunnen zijn en hij tracht zelfs nu nog met Anna weder in goede verstandhouding te komen. Of zij zulk een brief waard was, we zouden het bijna betwijfelen, want hoewel het zeker is, dat ze in geen aangename verhoudingen was gekomen, vergeleken bij haar vorstelijken staat in de Nederlanden, ze had in het minst geen besef van hetgeen de tijd van haar echtgenoot eischte en van hetgeen zij dus met onderwerping had moeten dragen. In een brief van den 7enFebr. 1570 schreef Oranje aan zijn broeder Jan, dat het beter was dat zijn vrouw bleef waar ze was en dat ze niet moest gedwongen worden te komen, daar zij het niet verlangde. Hoe treurig steekt bij Oranje’s zachtmoedigen toon het bitter woord af, dat Anna’s pen op den 8enFebr. nederschreef:
Goedgunstige waarde Heer,De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hemopdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt.”
Goedgunstige waarde Heer,
De reden, waarom ik den uwen van 14 Dec. niet beantwoordde, zal uw secretaris u wel mededeelen, tegelijk met andere dingen, die ik hemopdroeg, u te rapporteeren. In antwoord op uw vraag, dat ik een plaats zou aanwijzen, waar we elkander konden ontmoeten en daar gij niet wenscht te komen in de nabijheid der Nederlanden, weet ik geen betere plaats dan Leipzig. Ik denk toch binnenkort den keurvorst een bezoek te brengen, daar ik hem in negen jaar tijds niet gezien heb. Dan zal ik mijn weg over Leipzig nemen, welke plaats u wel schikken zal, daar ik hoor, dat gij daarvan niet ver verwijderd zijt. Of indien het u beter voorkomt, kom dan in Braubach, in het rijk van Landgraaf Filips gelegen. Ik weet geen beter en geschikter plaatsen aan te wijzen dan in de landen van mijn beide neven, waar gij ook wel veilig zult zijn. Doe me weten, welke van de beide plaatsen gij verkiest, dan kan ik aan Landgraaf Filips schrijven en hem zijn huis voor ons ter leen vragen, want nooit ga ik weer naar een uwer vrienden. Indien gij mij daartoe zoudt willen dwingen, dan zou ik dat als een bewijs aanmerken, dat gij mijn dood wilt.”
Met al de halsstarrigheid, haar klein karakter eigen, had Anna een besluit genomen, waarvan ze niet wilde afwijken. Het was dezelfde geest, dien zij in haar 17ejaar getoond had, toen ze tegenover iedereen, die het afraadde, besloten had den Prins te huwen. Wat toen echter nog als behagelijke beslistheid van karakter kon worden aangemerkt, was thans onbehagelijke eigenzinnigheid geworden.
Op den 6enApril schrijft zij weder:
Goedgunstige waarde Heer,Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in ’t geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ikgenoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij.”
Goedgunstige waarde Heer,
Uw brief en uw boodschap heb ik van Tseraerts ontvangen. Ik kan niet gelooven wat gij schrijft omtrent uw verlangen mij te zien, want uw daden waren niet in overeenstemming met uw woorden. Wat de plaats aangaat, waar gij wenscht dat ik komen zou, die is in ’t geheel niet geschikt voor mij en ook weet ik niet, hoe ik aan reisgeld zou komen, om u en mijn betrekkingen te zien.
Facsimile van een brief van Anna van Saksen.Facsimile van een brief van Anna van Saksen.
Facsimile van een brief van Anna van Saksen.
Gij schrijft, dat gij niet in staat zijt, mij geld te zenden, maar ik heb tot nu toe wel ondervonden, dat gij nooit bijzonder bereid zijt om mij te helpen. Gij weet beter dan ik, of het u wezenlijk aan macht, mij bij te staan, heeft ontbroken. Daar ik echter van u noch van de uwen krijgen kan, wat mij van rechtswege toekomt, moet ik mij wel op mijn vrienden beroepen, om hulp te erlangen. Ik zie wel, van u heb ik niets goeds meer te wachten, wat gij mij ook beloofd hebt. Maar ik wensch niet meer genoemd te worden een schade en verderf van het huis Nassau, hoewel dit terecht mijn schade en verderf kan heeten. Wat uw schrijven aangaat, dat ik, als ik bij u kom, mijn toorn maar te Keulen moet laten: nooit ben ik toornig tegenover u of de uwen geweest, dan om goede redenen. Onze samenkomst zou waarschijnlijk de oorzaak zijn, dat mijn rechtmatige toorn niet verminderd, maar vermeerderd werd, als ik van u dingen moest hooren naar uwe oude gewoonte. Daar het u niet behaagt, te komen op de vier plaatsen, die ikgenoemd heb, moet ik dat geduldig dragen. Wat mij aangaat, ik kan niet komen op de plaats, die gij aangeeft. Ik beveel u in Gods bescherming en ik bid, dat Hij u beter mag behandelen, dan gij mij.”
Verwondert het ons, dat de Prins op het ontvangen van zulke brieven zijn geduld verloor? Hij gevoelde zich gedrongen, aan een van Anna’s verwanten, Willem van Hessen, verslag te doen van de houding zijner vrouw tegenover hem. Hij begreep toch wel, dat Anna niet zou nalaten, hare bloedverwanten op haar manier in te lichten. Daarom wilde de Prins zich verantwoorden en deed hij Willem van Hessen gevoelen, dat het hem eenvoudig onmogelijk was, die soort van dingen langer van zijn vrouw te verdragen. Toen hij haar eenige maanden geleden een hartelijken vriendelijken brief had geschreven, liet zij hem twee maanden zonder antwoord. Allerlei voorstellen had hij haar gedaan, om elkander te ontmoeten, maar die waren alle afgestuit op den onwil van zijn vrouw en nu schreef ze hem zulk een hoogst onaangenamen brief, waarvan Oranje aan Willem van Hessen de copie zond. Geduld had hij genoeg gehad, maar zulke impertinente, dwaze brieven deden het hem verliezen. Alsof hij nog niet genoeg andere hoofdbrekende zorgen had, kwam zijn vrouw die nog vermeerderen door haar gedrag te zijnen opzichte. Toch schijnt Willem van Hessen medelijden met Anna’s geldelijke verlegenheid gehad te hebben. Hij zond haar althans geld, een oude hofmeesteres en eenig ander vrouwelijk gezelschap. Of dat vriendelijk ontvangen werd, is niet waarschijnlijk.
Nog eens in Mei deed de Prins een poging, om Anna goeden raad te geven en betitelde hij haar zelfs met de oude geliefde benaming “Ma mie.” In haar boezem was echter de liefde tot Oranje geheel gestorven. In haar brieven uit die jaren vinden we geen enkel spoor van sympathie met de teleurstelling en ontberingen van haar echtgenoot. Trouwens geen wonder—want de hartstochtelijke, trotsche, eigenzinnige Anna van Saksen was reeds in 1570 tot nog diepere zedelijke afdwaling gevallen, die ons bij het noemen van haar naam met weerzin vervult. Het schetsen van haar verderen levensloop kan ons dan ook niet behagen, en toch mogen in het leven van den Prins de droevige feiten niet geheel onvermeld blijven.
In de afwezigheid van den reeds genoemden rechterlijken raadsman van de Prinses, Dr. J. Betz, werd een ander rechtsgeleerde, die eveneens uit Antwerpen had moeten vluchten, bij Anna van Saksen geroepen, ten einde ook de aangelegenheid van haar huwelijksgoed te behartigen. Deze tweede rechtsgeleerde was de vader van den Vlaamschen schilder Rubens en met dezen leefde Anna te Keulen in overspel. Zelfs toen ze in den aanvang van 1571 zich te Siegen had gevestigd, ontving zij ook daar bezoek van Rubens. Men schijnt in den familiekring van de Nassau’s dienaangaande eenig kwaad vermoeden gehad te hebben. Althans in Maart 1571 werd Rubens op een reis naar Siegen opgelicht en op last van den Prins en van graaf Jan van Nassau gevankelijk naar Dillenburg gebracht. Daar bekende hij zijn misdaad. Overeenkomstig de landswetten hadden de Nassau’s volkomen recht gehad, Rubens ter dood te doen brengen. Want twijfel aan de zaak bestond niet.
Anna zelve schreef wel aan Oranje een brief vol betuigingen van haar onschuld,ja zelfs achtte ze zich ten hoogste beleedigd, dat men haar zulk een ontrouw durfde ten laste leggen. Doch het ongeluk voor haar wilde, dat een briefje van haar aan Rubens, den Prins in handen viel, dat haar misdaad ontwijfelbaar bewees.
Rubens werd te Dillenburg in de gevangenis geworpen en was zoo zeker dat hij zijn misdadige liefde met den dood moest boeten, dat hij alleen nog de genade vroeg onthoofd te worden. En toch, het leven werd hem gespaard. Aan den eenen kant begreep men in Nassau, dat de voornaamste schuldige Anna was, overeenkomstig Rubens’ confessie; aan den anderen kant was het Rubens’ beleedigde echtgenoote, Maria Pepeling, die niet ophield, voor haar man bij de Nassau’s tusschenbeide te treden. Reeds in 1573 mochten zij weder in Siegen samenwonen; in 1577 ontving het echtpaar verlof zich elders te vestigen, mits niet in de erflanden van den Prins of in zijn nabijheid.
En wat den Prins aangaat, het was natuurlijk, dat Oranje liefst zooveel mogelijk de zaak geheim gehouden had. Opmerkenswaard is zeker, dat de brief, dien de Prins er over schreef aan zijn broeder Jan, veel meer over de oneer, die de zaak hem zou kunnen berokkenen loopt, dan over de daad zelf, die zich “leider had zugetragen.” Doch dit behoeft ons, na al wat Oranje reeds van Anna verdragen had, niet zoo zeer te bevreemden. In Mei schreef deze nog eens een brief aan haar schoonbroeder Jan en verzocht ze hem in haar belang bij den Prins tusschenbeide te komen. Uit dien brief blijkt wel, dat haar berouw niet diep was. “Ze had den raad van den landgraaf moeten volgen en nimmer met een Nassau moeten huwen. Zij verlangt naar den dood enz.” Drie jaren bleef ze nog in Nassau en was in dien tijd woonachtig te Beilstein, maar een voortdurende lastpost voor de bloedverwanten van haar echtgenoot. Hare kinderen waren van haar weggenomen; die werden door graaf Jan met meer dan vaderlijke zorg opgevoed. Vele brieven werden er over haar gewisseld tusschen Jan van Nassau en Anna’s bloedverwanten. Zoo schreef Willem van Hessen op 20 Februari 1572 in eene instructie omtrent haar het volgende:
“Wanneer men God den Heer vergeet, in alles het vleesch naleeft en aan den Duivel zooveel macht over zich toestaat, dan kan het niet anders afloopen, zooals de geschiedenissen des O. en N. T. zoowel als die der Heidenen en de dagelijksche ondervinding dat bevestigen. Mijne nicht weet, hoe wij niet alleen als een neef, maar als een vader meermalen vermaand en gebeden hebben, van God niet met zooveel minachting te spreken, vlijtig aan te houden in het gebed en het lezen der H. S. Ook haren heer en gemaal, die haar niet is opgedrongen, maar dien zij naar willekeur, ja zelfs tegen den wil en het verbod van onzen vader, hoogloffelijker gedachtenisse, genomen heeft, moet zij behoorlijken eerbied en achting bewijzen en zich voor ’t overige eerbaar en onbesproken gedragen, zooals het eene eerbare vorstin naar oud Duitsch gebruik past. De lichtvaardige zeden der Walen, hun ijdelen pronk dient zij vaarwel te zeggen en de loffelijke Duitsche manieren te volgen, door slechts zeldzaam of liever in het geheel niet, vreemde manspersonen tot haar onderhoud en in hare kamer toe te laten. Had zij dien raad opgevolgd, zij zou thans niet onder een zoo zware schuld gebukt gaan.”
Uit deze woorden blijkt voldoende, hoe Willem van Hessen Anna van Saksengeheel de schuld gaf. De keurvorst daarentegen zette die op ’s Prinsen rekening. Hij zeide, dat dit nu de gevolgen waren, als men zijn vrouw liever Amadis de Gaule dan den Bijbel liet lezen; dat Oranje haar veel te veel had toegelaten, haar zin en lust op te volgen; dat alles zou voorkomen zijn, als de Prins bijtijds haar moedwilligheid had gebroken en haar in tucht en gehoorzaamheid had gehouden, enz. Tegen die beschuldigingen verdedigde Oranje zich op de volgende wijze:
“Wat hij destijds van Amadis de Gaule aan de keurvorstin had gezegd, was alleen spotternij geweest en gesproken op een tijd, toen hij zelf nog niet was gekomen tot de kennis der waarheid.
“Anna zelf had booze “mores” onder de leden, voor zij in de Nederlanden kwam. Ze had die reeds op weg naar hare woonplaats Breda getoond en daarbij steeds volhard.
“De Prins had niet nagelaten, haar daarover ernstig te onderhouden en zelfs nu en dan had hij lichtzinnige lieden, die zij om en bij zich had, met slagen uit zijn huis moeten doen jagen.
“Bij booze vrouwen zijn tranen en gramschap even vruchteloos; waar de inborst boos is, daar moeten zich booze daden openbaren.”
Kortom, hoe ook de diepe val zijner tweede vrouw Oranje getroffen moet hebben en onder al de bekommernissen van die jaren zijne zorgen verdubbeld, hij kon er zich boven verheffen, overtuigd, dat niet aan hem de schuld lag van al het kwaad, dat Anna van Saksen hem en den zijnen berokkend had.
Het is treurig te zien, hoe ellendig de overspelige vrouw haar leven geëindigd heeft. Na nog drie jaren in Nassau te zijn geweest, werd zij in 1575 naar Saksen gebracht. Er was geen huis met haar te houden. Men kon eindelijk geen dienaren, zelfs tegen hooge belooning vinden, om bij haar te wonen. Haar gedrag was zoo heftig, dat de omstanders dikwijls in levensgevaar verkeerden. In rustige oogenblikken verlangde ze slechts naar haar dood, een wensch, die zeker ook haar bloedverwanten deelden. Toch zou ze daarna nog twee jaren in Dresden leven. Daar werd ze opgesloten in een gevangenis; haar voedsel werd haar door een opening toegereikt, terwijl een predikant belast werd met de zorg voor haar ziel. Daar haar geest reeds geheel was ondergegaan, zullen dit wel ijdele woorden geweest zijn. Eindelijk stierf ze 18 December 1577, razend krankzinnig in haar 33ejaar. Den volgenden dag werd de booze “dochter van den grooten keurvorst” te Meiszen begraven, en wel in het graf harer voorouders. Een groote stoet van “schoolkinderen, predikanten, overheidspersonen, edellieden en burgers” volgde de lijkbaar.
Voor den Prins was ze al lang dood geweest.
Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)
Rede van Marnix van St. Aldegonde, tot de Staten-vergadering in Dordrecht.—Juli 1572. (Bladz. 216.)
Hoofdstuk XV.Eerste voordeelen 1572.Zooals wij vroeger zagen, was in 1569 Alva’s voorstel aangenomen, om voor den tijd van twee jaren in plaats van den tienden penning een heffing van twee millioen te doen. Die termijn zou in Augustus 1571 verstrijken, zoodat reeds in het voorjaar beraadslagingen werden gehouden over de invoering van de nieuwe belasting, welke den koning, volgens Alva millioenen zou opbrengen. Dat dit niet zoo gemakkelijk zou gaan, bleek reeds uit het verzet, waarmede Alva te kampen had, toen hij de financieële voorstellen in den Raad van State bracht. Zelfs de president Viglius, lang een buigzaam werktuig van den landvoogd, kwam met groote kracht tegen Alva’s plannen op en beweerde, dat de belasting het volk beleedigde. Alva stoorde zich echter weinig aan het gevoelen van Viglius en zijn ambtgenooten en bij plakkaat van 31 Juli kondigde de landvoogd aan, dat thans onverbiddelijk de tiende penning zou worden geheven. Alva schatte, dat deze belasting jaarlijks een 50 millioen zou opbrengen.Een nieuwe storm stak tegen die poging op onder de burgers van het handeldrijvend volk, die niet weinig vermeerderde, toen het bericht uit Spanje kwam, dat thans de heffing moest plaats hebben. Onder alle klassen en standen van de bevolking ontstond zulk een beweging tegen dien maatregel, dat al het verzet van vroeger dagen, daarbij vergeleken, bijna kinderspel was.De Staten der provinciën, de vroedschappen der steden, de gilden, ja de adel en de geestelijkheid, allen zonden protesten in. Drie bisschoppen zelfs van Vlaanderen vereenigden zich met de wenschen van het volk en drongen evenzeer op de intrekking van de nieuwe belasting aan, omdat ze vooral de lagere klassen zou drukken en den handel zou vernietigen. Als protest schorsten de kooplieden alle zaken, de winkeliers sloten hun winkels. Zoo voelden zij zich in hun nering bedreigd, dat zij liever niet meer wilden verkoopen, ten einde niet gedwongen te zijn, het leeuwendeel hunner winst aan de regeering te geven. Het volk liep tehoop en verklaarde de onwettige en drukkende belasting niet te zullen gedoogen.De z.g. “zevenstuiverslieden,” spionnen der regeering, die zich voor die karige belooning lieten gebruiken om overal af te luisteren, wat naar verraad zweemde, waren thans niet meer in staat al de verwenschingen aan te brengen, die zij over den landvoogd te hooren kregen.“Hadden we slechts gereed geld,” schreef Oranje in het begin van 1572, “dan zouden we met Gods hulp wel wat goeds kunnen uitrichten, want na de tijding, die we van alle oorden bekomen, zou het nu tijd zijn en zou men thans met geringe sommen meer kunnen doen, dan op andere tijden met groote.”Gewoon als de Prins was, de publieke meening te polsen en van zijn veilig standpunt uit de wacht te houden, met tallooze oogen tot zijn dienst, doorzag Oranje dat die tot wet verheven aanval op de beurzen van een handeldrijvend volk een geest van verzet zou wakker roepen, zooals geen enkel ander onrecht zou hebben kunnen doen.Alva zelf toonde zich tot matiging bereid; ook hij wilde eenige verlichting van den tienden penning aan handel en zeevaart toestaan, de stedelijke belastingen op eet- en drinkwaren tot verlichting der armen verminderen enz. Doch met dat al bleef die belasting uiterst drukkend voor den kleinhandel en de lagere klassen. De verbittering nam van dag tot dag toe, toen plotseling de gebeurtenissen een wending namen, noch door Alva, noch door den Prins verwacht.Gedurende den winter van 1571 hadden 24 kleine schepen onder het bevel van Lumey, graaf van der Marck, bij de Engelsche kust gekruist. Het had niet ontbroken aan pogingen om de Watergeuzen te overmeesteren, doch de ervaren zeelieden hadden steeds weten te ontkomen en vonden daarbij vooral steun in twee plaatsen n.l. Dover en Emden.In Maart echter werd hun door den invloed van Alva door Elisabeth het verblijf in Engeland verboden en moesten zij een goed heenkomen zoeken. Tengevolge van het verbod de Geuzen van vleesch, brood of bier te voorzien, verlangden zij natuurlijk levensmiddelen op te doen en besloten ze daarom een inval te wagen op de kust van Noord-Holland.Ze zetten koers, waarschijnlijk van uit Dover, naar de monden van de Schelde en wilden in de richting van het Vlie, maar door den wind werden ze genoodzaakt voor den breeden Maasmond het anker te laten vallen. Tusschen den Briel op den zuidelijken uithoek van die monding en Maaslandsluis aan de overzijde, kwam de vloot, tot groote verbazing van de bewoners, opdagen.De inwoners van den Briel, geheel van alle garnizoen ontbloot, zonden in hun schrik over de verschijning van die vloot voor hunne stad een veerman, Pieter Koppelstok genaamd, op hen af, ten einde te weten te komen, wat zij in hun schild voerden.Het eerste vaartuig, dat Koppelstok ontmoette, stond onder bevel vanWillem van Bloys van Treslong. Deze edelman, wiens broeder door den hertog van Alva in 1568 ter dood was gebracht, behoorde tot een der weinige overgeblevenen uit den slag bij Jemmingen. Zijn vader was baljuw op Voorne geweest, zoodat hij met de gansche streek goed vertrouwd was. Nadat de veerman aan boord van den admiraal was gebracht, werd met goedkeuring van Lumey, Koppelstok naar den Briel teruggezonden met den formeelen eisch, de stad aan de Geuzen over te geven. Die boodschap behaagde den veerman, die met de rebellen sympathiseerde; hij keerde naar het stadhuis terug, waar de overheidspersonen bijeen waren om op zijn terugkomst te wachten. Hij deelde hun mede, dat de admiraal en Treslong wenschten, dat er twee van hen zouden worden afgevaardigd naar de patriotten en hun doel was, den tienden penning af te schaffen en het land te bevrijden van Alva’s bestuur. De overheidspersonen vroegen, over welke macht Lumey beschikte en Koppelstok antwoordde daarop: “Ongeveer 5000 man,” terwijl hun werkelijk aantal slechts een goede 400 bedroeg.Die mededeeling deed de magistraat zoo ontstellen, dat zij aanstonds een samenkomst goedkeurde, doch zelf onmiddellijk lafhartig uit de stad vluchtte, gevolgd door de meest aanzienlijke burgers.De geuzenmacht werd in tweeën gesplitst en terwijl de eene helft onder Treslong de Zuiderpoort aantastte, rukte de andere onder den admiraal op de Noorderpoort aan. Het gelukte Treslong binnen te komen; van der Marck legde bij de Noorderpoort een vuur aan, waarna de half verbrande deur met een ouden mast opengeloopen werd. Tegen zonsondergang waren de Geuzen ten getale van ongeveer 200 man binnen de stad. Verzet vonden ze niet, menschenlevens werden dan ook gespaard, maar een plundering volgde.Lumey was van plan zich doodeenvoudig met den buit tevreden te stellen, maar gelukkig werd de raad van Treslong gevolgd. Op zijn aandrang nam de admiraal bezit van de bemachtigde plaats,in naam van den Prins van Oranje als zijn lastgever en als de wettige stadhouder. Kort daarop keerden de gevluchte burgers in den Briel terug, die door een eed van trouw aan den Prins van Oranje, zich met de Watergeuzen verbonden.De tijding van het gewichtig feit van de inneming van den Briel verspreidde zich met groote snelheid. Alva begreep niet aanstonds den vollen omvang van deze gebeurtenis, zoodat de caricatuur ten volle verdiend was, die hem voorstelde op het oogenblik dat Lumey hem den bril van den neus trok en uit zijn mond de woorden voortkwamen: “no es nada,” “het is niets,” zijn gewone opmerking bij het ontvangen van nieuwstijdingen.Spotvogels van Brussel zorgden wel deze gunstige gelegenheid niet te laten ontsnappen, want de naam der stad gaf aanleiding tot een woordspeling en de gebeurtenis had plaats gegrepen op Allernarrendag. Het rijmpje:“Den eersten dag van AprilVerloor Duc d’Alva zijn bril”werd een volksdeun en deze toespeling leeft thans nog in de herinnering voort.Wel zond Alva troepen naar Vlissingen om Walcheren te beschermen en gaf hij Bossu, den koninklijken stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht bevel, om den Briel te hernemen, maar het een, noch het ander gelukte.Vlissingen weigerde Alva’s troepen te herbergen, maar opende zijn poorten voor de Geuzen, wier aantal spoedig vermeerderd werd door terugkeerende ballingen uit Engeland met Tseraerts aan het hoofd en tal van Engelsche edellieden, die een groot deel van Walcheren bezetten.Bossu stak van Maaslandsluis naar het eiland Voorne over en deed den Briel opeischen. Door het kranig optreden van Rochus Meeuwisz., die naar de Nieuwlandsche sluis zwom en deze openhakte, werd het den vijand onmogelijk gemaakt, van de Noordzijde te naderen. Daarop trok Bossu met zijn troepen naar de Zuiderpoort, maar hier werd hij zoo krachtig met grof geschut begroet, dat hij moest terugtrekken. Uit vrees voor het steeds wassende water werd Bossu genoodzaakt naar Rotterdam de wijk te nemen; deze stad verklaarde zich wel voor Oranje, maar zij werd door gemis aan verdediging door Bossu veroverd en geplunderd.Het voorbeeld echter van den Briel werkte op menige stad aanstekelijk. Enkhuizen, Leiden, Haarlem en tal van andere plaatsen vereenigden zich om den standaard van den Prins van Oranje, die de belichaming werd van den weerstand tegen den tienden penning en tegen alle tirannie.Welken indruk maakten deze belangrijke gebeurtenissen op den Prins?Niet minder dan Alva werd Oranje door den stouten greep der Watergeuzen verrast. Hij was er niet in het minst op voorbereid, dat van dien kant de verlossing der Nederlanden beginnen zou, verdiept als hij was in de plannen om met Lodewijk onder bescherming van Frankrijk, den strijd bij vernieuwing in het Zuiden aan te vangen. Toen Lodewijk de inneming van den Briel hoorde, riep hij uit: “Ah, les sots! ils se sont trop hâtés et ne m’ont pas voulu croire.” Hij had den Watergeuzen n.l. Fransche hulp voor hun onderneming beloofd.De Prins liet zich niet in zulk een afkeurenden zin uit. Hij schreef op den 25enApril uit Dillenburg een opgewekten brief aan Wesenbeke, waarin hij, hoorende dat de beweging in Holland en Zeeland, die hij blijkbaar eerst niet had vertrouwd, aanhield, God dankte voor de genade, aan de inwoners bewezen. Hij vond het heerlijk, dat zij eindelijk hadden bemerkt, waartoe al de praktijken van hun vijanden strekten.“Ik bid God,” zoo gaat hij daarin voort, “dat, nu het ijs eenmaal gebroken is, zij met standvastigheid zullen voortgaan, om zich geheel te ontlasten van de onrechtvaardige onderdrukking, tirannie en onverdragelijke slavernij, waarin men ze hield. En wat mij aangaat, zij kunnen zich verzekerd houden, dat ik niet zal te kort schieten, met denzelfden ijver en affectie die ik altijd heb gehad, die in niets is verminderd en nooit in mij verminderen zal, hen te secundeeren, te helpen en bij te staan in al wat mij mogelijk zijn zal.... Wel zou ik gewenscht hebben, dat gezegde Lumey niet buiten mijn weten en zonder eenige opdracht van mijnentwege, de zaak had ondernomen of ten minste mij daarvan eerst had verwittigd; danzouden we in onderlinge verstandhouding des te beter de zaak hebben kunnen leiden.”Doch die opmerking omtrent het eigenmachtig optreden van Lumey had in het minst niet zijn sympathie met de zaak verminderd. Het verheugde den Prins namelijk zeer, dat Lumey van Wesenbeke en anderen ondersteuning ontving; ja, hij wekte hen op, allen mogelijken bijstand te verleenen.Uit deze en andere particuliere brieven van den Prins zoowel als uit de openbare brieven aan de burgemeesters, schepenen en inwoners van Gouda, Middelburg, Enkhuizen, Harderwijk en Vlissingen blijkt, met welken ijver de Prins ook de zaken voor Holland behartigde. Toch gaf hij, zeer begrijpelijk zijn lang beraamd plan met Lodewijk gevormd niet op, een tweeden inval in het Zuiden te doen.Eerst de herhaling van de teleurstelling van het jaar 1568 zou hem, gelijk wij zien zullen, persoonlijk naar Holland doen komen.In den winter van 1571–1572 waren langzamerhand de plannen tot vastheid gekomen, waarover we vroeger spraken en die niets meer of minder bedoelden dan een gezamenlijken aanval van Frankrijk en Engeland op Spanje, d.w.z. op de Zuidelijke Nederlanden. De Prins van Oranje zou deze onderneming steunen.Na lange aarzeling werd vooral door toedoen van Lodewijk van Nassau op den 29enApril 1572 een verbond tusschen Engeland en Frankrijk gesloten, dat als hoeksteen gold van het gebouw voor de bevrijding der Nederlanden van het Spaansche juk. Op 15 Mei verliet Lodewijk Parijs teneinde Bergen te overmeesteren, terwijl Coligny met 25.000 man koninklijke troepen zou volgen en de Prins met de door hem aan den Rijn en in Zwitserland verzamelde regimenten in de Zuidelijke Nederlanden zou verschijnen. Hoogst gedenkwaardig is en blijft de verrassing en de inneming van Bergen.Zekere Antoine Olivier, een schilder, tevens een handig teekenaar van kaarten, uit Bergen afkomstig, had het vertrouwen van Alva weten te verwerven. Daar Olivier een reis naar Frankrijk te doen had, droeg Alva hem op de handelingen van Lodewijk van Nassau na te sporen en hem verslag te zenden van den voortgang der geheime onderhandelingen tusschen den graaf en het Fransche hof. De schilder was evenwel slechts een spion in schijn, want hij was de zaak der vrijheid toegedaan en stond met Oranje en zijn broers in briefwisseling. Zijn omgang met graaf Lodewijk te Parijs had dan ook een geheel ander gevolg, dan Alva verwacht had. Met verschillende aanvoerders der Hugenoten werd een plan beraamd, dat met behulp van Olivier zou ten uitvoer gebracht worden.In den avond van den 27enMei 1572 kwamen er eenige als kooplieden verkleede mannen in Bergen, die de wegbereiders voor Lodewijk en zijn leger waren. Vroeg in den morgen van den volgenden dag wist Olivier den portier over te halen, zijn wagens (die zoogenaamd met wijnvaten, maar eigenlijk met wapensgevuld waren) door de poort te brengen. De portier liet haar open en ging weer te bed, weinig vermoedende, wat er gebeuren zou. Kort daarop stormde Lodewijk van Nassau met 60 voetknechten en 80 ruiters de stad binnen onder de kreten: “Frankrijk! Vrijheid! De stad is ons! De Prins komt! Weg met den tienden penning! Weg met den bloeddorstigen Alva!”De kleine bende maakte zooveel lawaai en hun optreden was zoo stoutmoedig, dat de nog in slaap gezonken bewoners meenden, dat er wel 1000 man in de stad gekomen waren. Haar met zoo’n kleine bende binnen te komen was nog niet zoo moeilijk, doch zich er staande te houden was veel bezwaarlijker, vooral daar de magistraat Lodewijk niet wilde ontvangen en ook het volk verdeeld was. De graaf werd ongeduldig, ging met de zijnen de stad weder uit, om echter spoedig met 2000 man daarin terug te keeren.Terstond werd de burgerij door klokgelui op de markt bijeengeroepen, waar de geestelijkheid, de overheid en de Raad zich vervoegden. Lodewijk hield een toespraak tot de aanwezigen en verklaarde geen strijd te voeren tegen den koning, doch tegen Alva en zijn wreedheden. De overheid gaf wel niet dadelijk toe, maar het meerendeel der burgers was op de hand van Lodewijk en hiermede was ook Bergen aan de zijde van den Prins. Wel werden de kerkelijke eigendommen verbeurd verklaard, maar de katholieken werd geen overlast aangedaan.Alva wilde aanvankelijk geen geloof slaan aan het bericht omtrent de verrassing van Bergen te meer, omdat hij Lodewijk nog altijd in Parijs waande, maar het duurde niet lang of hij moest de waarheid van het onwelkome nieuws erkennen.Reeds woedend op het hooren van de tijding uit het Noorden, zond Alva zoo spoedig mogelijk zijn zoon Don Frederik naar het Zuiden en deze sloeg den 3enJuni reeds met 20.000 man het beleg voor Bergen.Alva’s ster was echter in die dagen reeds belangrijk aan het dalen. In Spanje bestond namelijk ontevredenheid over zijn bestuur in de Nederlanden. Vooral de machtige Gomez en zijn partij lieten niet na, den koning tegen den Nederlandschen landvoogd op te zetten.Dit viel bovendien samen met klachten van den landvoogd zelven, die o. a. aan Filips schreef: “De haat, dien het volk mij toedraagt, om de tuchtiging, die ik het, hoewel met de grootste gematigdheid der wereld heb moeten doen ondergaan, verijdelt al mijn pogingen; mijn opvolger zal meer meegaandheid vinden en meer nut doen.” Hij verzocht om ontslag en Filips zond als zijn opvolger den hertog van Medina-Coeli naar de Nederlanden.Reeds den 11enJuni was deze te Sluis aangekomen, begeleid door veertig schepen en twee duizend Spanjaarden onder Juliaan Romero. Deze had echter niet gerekend op verzet, maar de Watergeuzen deden op de Schelde zulke heftige aanvallen op het eskader, dat Medina zelf met moeite kon ontsnappen en in de hoofdstad, in plaats van een statige intree te doen, slechts door enkelen begeleid, binnenkwam. Nog slechter kwam er een rijke koopvaardijvloot af, die onder zijn bescherming was meegevaren. De Watergeuzen maakten zich van alle schepenmeester en van zooveel geld, juweelen en koopwaren, dat ze alleen daarvan verscheidene maanden den oorlog en hun crediet konden gaande houden. Op den aangewezen opvolger van Alva, den zachtmoedigen Medina, van wien een verzoenende politiek verwacht werd, maakten die gebeurtenissen zulk een diepen indruk, dat hij zelf weinig genegen was den post te aanvaarden en inzag, dat Alva eerst met zoo sterk mogelijke hand den opstand moest bedwingen. Hij heeft zich dan ook later teruggetrokken.Al deze onheilen van de Spaansche regeering verlevendigden den moed van den Prins, dien hij dubbel noodig had, om zijn in Bergen opgesloten broeder te hulp te komen. Al zijn uiterste krachten spande hij in, om een leger te verzamelen; geldelijke hulp ontving hij thans van vele kanten, van Engeland, Frankrijk en uit andere bronnen en toch werd zijn wachten nog steeds door geldgebrek veroorzaakt. Nog altijd gedrukt door zijn vroegere schulden, zag hij zich vaak in groote geldverlegenheid. Uit Frankfort, waar hij 24 Juni was heengegaan om geld te verkrijgen, schreef hij o. a. onder het aangenomen pseudoniem George Certain, aan zijn broeder Lodewijk over zijn nijpend geldgebrek. De Duitsche vorsten hadden eerst wel neiging getoond hem te helpen, maar zich teruggetrokken, toen Maximiliaan, nu Filips’ schoonvader, een proclamatie had uitgevaardigd, die verbood Oranje te steunen. Ook schreef de Prins in den voorzomer van 1572 menigen brief aan de Hollandsche steden. In een dezer komt o. a. de volgende opwekking voor:“Hecht U toch niet zoo aan een somme gelds, dat gij haar zoudt stellen boven uw eigen leven, boven dat van uwe vrouwen, uwe kinderen en uw nakomelingschap.... op het oogenblik, dat wij met een genegenheid, die uit het hart voortkomt, ons inspannen, U te helpen en te bevrijden. Denkt aan Gods toorn en aan de minachting der vreemde volkeren en vorsten, die gij op U laadt, denkt aan het wreede juk, dat gij zoudt laten drukken op U en uwe kinderen, als gij het geld weigert, dat wij noodig hebben, om met ons leger bij U te komen.”Ook liet de Prins weder proclamatiën en vlugschriften drukken, die het volk tot opstand tegen de onderdrukkers zijner vrijheden aanzetten. Alva gold daarin als de belichaming der meest satanische tirannie en als een weergalm op die in tallooze exemplaren verspreide opwekkingen, klonken ras op pleinen en straten van de Hollandsche steden de geweldigste geuzenliederen.”Een zeer belangrijke gebeurtenis, welke den Prins betrof, had tegelijkertijd in Holland plaats. De overgang van steden en gewesten ging met zulk een spoed voorwaarts, dat reeds in de maand Julidie hoogst merkwaardige vergadering kon worden gehouden, waar de grondslagen van de toekomstige staatsinrichting gelegd zijn. De mannen, door wier invloed die vergadering belegd werd, begrepen, dat de “ordeloosheid die zich dreigend in de geuzerij” verhief, moest worden bezworen en dat men naar rechtsvormen moest omzien, ten einde aan den volksgeest vastheid te geven. Die vergadering werd bijeengeroepen te Dordrecht en bijgewoond door gedeputeerden van verreweg de meeste Hollandsche steden. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft, Woerden en Schoonhoven, die nog in Spaansche handen waren, ontbraken.Oranje zelf werd er vertegenwoordigd door Filips Marnix van St. Aldegonde,die in een welsprekende rede aandrong op de inwilliging van de noodzakelijke gelden (100.000 kronen voor de eerste maand) tot onderhoud van zijn leger. In dien zelfden tijd had Bossu, de wettige stadhouder, in den Haag een vergadering belegd, doch deze liep op niets uit. De afgevaardigden in Dordrecht namen krachtdadige besluiten tot hulp van den Prins, tot erkenning van hem als generalen gouverneur, luitenant des konings over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. De gelden zouden gevonden worden uit de belastingen en loopende beden, uit een gedwongen leening bij de rijke burgers en uit den verkoop van kerkelijk goud en zilver, daar dit meer tot sieraad diende, dan dat het noodzakelijk was. Gilden en fraterniteiten kwamen edelmoedig met voorschotten, op welker terugbetaling niet veel te rekenen viel en ook vele burgers voegden hun zilver bij het kerkzilver, om versmolten te worden. Bij monde van Marnix deed de Prins verklaren, dat hij geen enkele gewichtige daad zou doen, zonder de Staten te raadplegen en tevens werd ook zijn beginsel vanvolkomen verdraagzaamheid tegenover alle belijdenissendoor de vergadering aangenomen.Over het min of meer revolutionair karakter dezer vergadering te redetwisten, valt buiten het bestek van ons plan. Zonder twijfel waren noch de samenkomst noch hare besluiten wettig. Maar binnen de wettige bepalingen was niets dan ellende te wachten. In het leven van een volk breken er oogenblikken aan, dat het vrij over zich zelf beschikken kan en moet. Holland vond in Oranje den man, die stadhouder geweest zijnde, alleen door nood gedrongen, dat ambt had opgegeven. Wie zou, nu de gebeurtenissen voor de zaak der vrijheid zulk een gunstigen loop genomen hadden, wie zou dan in naam eener wet zijn eigenmachtig optreden kunnen veroordeelen? Na vier jaren geduldig wachten en strijden hadden de gebeurtenissen een nog sneller loop genomen, dan iemand kon hebben gedroomd.In dezelfde maand, dat deze belangrijke gebeurtenis in de afwezigheid van den Prins had plaats gehad, schreef Oranje een brief aan Lodewijk, waarin de Prins hem waarschuwt vooral op zijn hoede te zijn tegen eene verrassing of overvalling van den vijand, want Oranje had gehoord, dat Alva hem dood of levend in handen wilde hebben. Ook meldt de Prins, dat zijn volk in het land van Meurs ligt en de meest geschikte plaats wordt gezocht om over den Rijn te trekken. Verder houdt de brief de hoopvolle tijding in omtrent het overgaan van Dordrecht, Tergou, Gorcum en andere plaatsen, terwijl hij tevens de inname van Loevestein aan zijn broeder bericht. Aan het slot vraagt Oranje tal van inlichtingen omtrent de legersterkte van Lodewijk, de hulp die hij verwacht en al hetgeen er van den vijand bekend is, opdat de Prins zich daarnaar zal kunnen gedragen.Nog dienzelfden dag, den 8enJuli 1572 trok de Prins met 24.000 man over den Rijn. Vier jaar te voren had hij ook zijn aangenomen vaderland met een leger bereikt, maar nauwelijks had er één stem weerklonken om hem te verwelkomen en geen stad opende voor hem hare poorten. Ontmoedigd had hij zich teruggetrokken, maar niet hopeloos. In zijn afzondering had hij het web gesponnen, dat het heuvelkasteel van Dillenburg met de Hollandsche steden verbond. Nu keerde hij terug, weliswaar nog niet als overwinnaar, maar toch ondersteund en erkend.Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).Ondertusschen bleef Lodewijk in Bergen opgesloten, belegerd door DonFrederik, die niet van die plaats zou wijken, voor hij de stad had genomen. Niettegenstaande zijne insluiting had de graaf toch den Franschen edelman Genlis naar Frankrijk kunnen zenden, om hulptroepen van daar mede te brengen, die hem in vereeniging met het leger van den Prins, waarop hij ook zeker rekende, zou kunnen verlossen. Nog steeds stond Coligny toch in hooge gunst bij den koning en Karel IX had zelfs een brief aan Lodewijk geschreven, om hem van zijn sympathie te verzekeren. En inderdaad, spoedig verscheen er een klein leger Hugenoten in Henegouwen, dat echter door de troepen van Don Frederik geheel werd verslagen. Genlis zelf werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, vernam men, evenals eertijds van de Villers in 1568, uit zijne papieren en bekentenissen de plannen der Hugenoten en die van den Prins. Dit had op den 19enJuli plaats. Vier dagen later maakte de Prins zich van Roermond meester en den 25enJuli schreef Oranje aan zijn broeder Jan over die inneming. Niettegenstaande zijn gedurige waarschuwingen tegen alle woestheid en plundering, niettegenstaande hij, waar hij slechts kon, de instructie herhaalde: “Doe alles om de harten zoowel van Katholieken als van Hervormden te winnen; bescherm beide godsdiensten,” toch had de verovering van Roermond met moord en plundering plaats. Priesters en monniken, kerken en kloosters werden daar helaas niet gespaard.Dit feit, dat zich telkens herhaalde kan niet worden aangemerkt als een bewijs van ’s Prinsen onverdraagzaamheid, waarvan het tegendeel door al zijn uitlatingen wordt bewezen. Wel is het een bewijs van gemis aan krijgstucht in zijn leger en tevens van den woesten volksgeest dier tijden, bij katholieken en hervormden, die door de hoogste en beste uitingen van Oranje toch niet kon worden bedwongen. Hij drukt zijn innigen spijt uit over de plunderingen, waaraan zijn soldaten zich tegen zijn wil hadden schuldig gemaakt.Uit brieven van den Prins bleek, dat hij nog altijd geldgebrek had; hij wachtte nog steeds afgevaardigden van de Staten te Dordrecht, die de middelen nog niet bezaten, hem van gereed geld te voorzien. Ook had hij gehoord van de nederlaag van Genlis en toen de bevestiging daarvan kwam, werd zijn teleurstelling daarover verminderd door de hoop op spoedige aankomst van verdere hulp uit Frankrijk. Dat er troepen op weg waren uit dit land om Alva te helpen, kon Oranje niet gelooven, vooral niet, omdat de verstandhouding tusschen Karel IX en Lodewijk te goed was en de kapiteins bovendien meest allen Hugenoten waren.Langer dan een maand bleef Oranje in het kamp van Hellenrade bij Roermond, in afwachting van tijding van Coligny, die beloofd had met een groot leger in het Zuiden de Nederlanden binnen te dringen en die had aangeraden te wachten, tot hij zou zijn aangekomen, om met vereende krachten den vijand aan te vallen.Natuurlijk was de vertraging van den Prins, ook nog veroorzaakt door geldgebrek, voor Lodewijk een groote teleurstelling, want deze had in Bergen een zwaren post. Dat dit oponthoud zijn oorzaak vond in de jaloezie van Oranje op Lodewijk wordt volkomen weerlegd door de natuurlijke redenen, welke de Prins ervoor opgaf. Toch vonden enkelen dat praatje geloofwaardig en gaf het aanleiding om den Prins te belasteren. Eerst in het laatst van Augustus gaven de Staten vanHolland hem een waarborg voor drie maanden betaling van zijn leger en toen trok hij over de Maas.Weer had Oranje gerekend, gelijk in 1568 op de hulp der steden van Brabant en Vlaanderen en op de opening der poorten voor zijn leger. Onder den indruk van den gehaten tienden penning had hij daarop vertrouwd, maar hoe bitter werd hij teleurgesteld! Thienen en Diest ontvingen hem, maar grooter plaatsen als Leuven en Brussel openden de poorten niet voor hem. Vrees voor Alva, maar ook vrees voor het plunderzieke leger van den Prins zelf, hield de harten der bewoners gesloten. Verscheidene plaatsen kochten zijn binnenkomst met groote sommen af en Mechelen, waar hij werd ontvangen, moest later vreeselijk daarvoor bloeden.Oranje was evenwel niet terneergeslagen, integendeel hoopvol gestemd, zooals uit zijn brief van den 11enAugustus aan zijn broer Jan blijkt. De steden zonden hem geld en niettegenstaande de nederlaag van Genlis, was het vooruitzicht schitterend, want Coligny had 12000 man voetvolk en 3000 ruiters verzameld en hoopte spoedig zelf te komen. Die hoop werd helaas kort daarop geheel in duigen geworpen, want de dagen van den admiraal waren geteld. Terwijl Lodewijk in pijnlijke afwachting van de versterking der Hugenoten verkeerde, terwijl Oranje langzaam tot hem naderde, werd de vreeselijkste tragedie der gansche eeuw in Parijs voorbereid en afgespeeld.Hendrik van Navarre zou in het huwelijk treden met Margareta van Valois en met deze echtverbintenis waren de Hugenoten zeer ingenomen, daar die hun den toegang tot het hof scheen te openen.Op den 24enAugustus was de bruiloft gevierd en in den volgenden nacht werden alle Hugenoten in Parijs meedoogenloos in bed of op straat vermoord. Het schijnt werkelijk ongelooflijk, dat eenig menschelijk wezen met zulk een dubbelhartigheid zou hebben kunnen handelen, indien het waar is, dat Karel IX maandenlang zoo vertrouwelijk met Coligny en Lodewijk van Nassau heeft omgegaan, terwijl hij tegelijkertijd een algemeenen moordaanslag op de Fransche Protestanten beraamde. Waarschijnlijker is, dat Karel op het laatste oogenblik door zijn moeder op het denkbeeld gebracht is, dat er een samenzwering tegen hem bestond en dat zijn eenige veiligheid gelegen was in het met wortel en tak uitroeien van het hervormd geloof.Volgens de meest gematigde berekening bedroeg het aantal slachtoffers alleen in Parijs meer dan tienduizend.Geheel het protestantsch Europa was ontsteld over dit afgrijselijk voorval. De koningin van Engeland trok rouwgewaad aan en weigerde met verachting gehoor aan wat de Fransche gezant tot verdediging aanvoerde. Hoe Lodewijk het hoorde verhaalt zijn secretaris Michel de la Huguerye: “Juist begonnen wij het ongeval van Genlis te vergeten, toen we op zekeren nacht, het was de 28eAugustus, een hevige kanonade hoorden, die ons deed vermoeden, dat er een nieuwe aanval op de stad begon. Anderen meenden, dat die kanonade plaats had ter eere van Alva persoonlijk, die op den 27enin het kamp der belegeraars was gekomen.“Den volgenden ochtend vonden we eenige arme vluchtelingen van het leger van Genlis, die ons de tijding brachten van den dood van den admiraal, die vijf dagen te voren, in den Bartholomeusnacht vermoord was. Ook vertelden die mannen, dat er een groot getal arme Christenen was omgebracht, zoodat we niet langer hulp konden verwachten, maar beter deden te capituleeren.”Men weigerde eerst geloof te slaan aan dat ontzettend bericht, maar helaas! twee hervormde predikanten, d’Amours en de la Porte, kwamen een paar dagen later aan en vertelden de geheele historie van de vreeselijke tragedie. De arme Lodewijk trok zich den moord zijner vrienden zoo aan, dat hij door een zenuwziekte werd aangetast, die drie maanden duurde. Gedurende het laatste jaar was hij zoolang in Frankrijk geweest en had hij in zulk een intieme verstandhouding niet alleen met Coligny en zijn Protestantsche vrienden gestaan, maar ook met den koning en de katholieke edelen, dat het hem meer dan pijnlijk aandeed, nu ze zoo wreed en verraderlijk waren geweest. Voor het warm, sympathiek gemoed van Lodewijk was het inderdaad een bittere ontgoocheling te ontdekken, dat zijn vertrouwen zoo misplaatst was. Toch schreef hij aan den Prins, dat hij Bergen tot het uiterste zou blijven verdedigen en gaf hij hem den raad, thans bij de Engelsche koningin hulp te zoeken. Hij meende, dat verontwaardiging over den gruwel van den Bartholomeusnacht als de hefboom moest gebruikt worden, om de Protestanten van alle zijden op te wekken en dat Elisabeth nu wel aanstonds gereed zou zijn, als kampioen voor hun zaak in ’t veld te treden.Volgens la Huguerye toonde Alva grooten afschuw van den moord te Parijs en zeide hij, liever zijn rechterhand af te snijden dan medeplichtig te zijn aan zulk een slag. Hij bood zelfs onder dien indruk aan Lodewijk billijke voorwaarden van overgave aan. Doch de graaf was daartoe nog niet bereid. Nog steeds hopende op de komst van Oranje, haalde hij zijn troepen, die dreigden hem te ontvallen, door zijn welsprekendheid over, ten minste te blijven, totdat de Prins van Oranje zou gekomen zijn.Nog drie weken hield Lodewijk het vol en op den zevenden September verscheen werkelijk Oranje in de nabijheid van Bergen. Zijn gedeeltelijk succes in Mechelen, Dendermonde en Oudenaarde, die hun poorten voor hem hadden geopend, had hem nieuwen moed gegeven. Waar hij was, toen de tijding van den Bartholomeusnacht hem bereikte, is onbekend. Later schreef hij aan Jan, dat niet alleen hij, maar iedereen in Europa geheel onvoorbereid was op zulk een gebeurtenis. “Het was een donderslag bij klaren hemel. Niet alleen is het nu uit met alle hoop op hulp van Frankrijk, maar zelfs Karel moet Alva met geld ondersteunen. Alle vertrouwen op menschen is daardoor vernietigd.”Vroeg in September kwam alzoo Oranje in de buurt van Bergen en sloeg hij zijn kamp op te Hermigny, een halve mijl van de stad, terwijl Don Frederik met zijn leger bij het dorp St. Florian lag. In den nacht van 11 September, ging Juliaan Romero met 600 man naar Hermigny. De nacht was donker en de soldaten hadden hunne hemden over hun wapenrusting getrokken, om elkander in de duisternis goed te herkennen. Het gelukte hun, de schildwachten te verrassen en nadat ze deze hadden neergesabeld, baanden ze zich een weg naar het in slaap gezonkenkamp. Oranje hoorde geen rumoer, maar sliep rustig door, totdat hij door zijn hondje, dat aan zijn voeten sliep, werd gewekt. Niet tevreden met blaffen, likte het beestje zijn meesters gelaat. De Prins sprong uit zijn bed, nam een paard, dat gezadeld stond en reed in de duisternis weg. Zijn mannen waren minder gelukkig. Zeshonderd kwamen er om, gedeeltelijk door het zwaard, gedeeltelijk verdronken ze in een nabijzijnden stroom. Het verlies der Spanjaarden was gering, het werd op 60 geschat.Volgens la Huguerye wist Aldegonde in Bergen te komen, om aan Lodewijk te vertellen, hoe de Prins was verdreven en hoe hij besloten had, naar Mechelen terug te gaan, om zijn krijgsvolk bijeen te houden. Lodewijk zag toen weinig hoop meer op verlossing en stemde eindelijk toe in een onderhandeling met Don Frederik. Hij zond La Noue met drie andere Fransche edellieden naar het vijandelijk kamp, waar Noircarmes, een der onderhandelaars van Spaansche zijde was. Op den 19enSeptember werd de capitulatie van Bergen op de volgende voorwaarden geteekend: Lodewijk zou met zijn troepen de stad verlaten met behoud hunner wapenen. Hij zou met zijn volgers, door vier compagnieën begeleid, naar Roermond gebracht worden, om van daar naar Duitschland terug te gaan. Zijne Fransche troepen zouden òf hem kunnen volgen òf naar Frankrijk worden geleid tot aan de grens bij Avesnes. Die laatste bepaling was niet naar den zin van Karel IX, die begeerd had, dat Alva alle manschappen, als zijnde Hugenoten, had laten ombrengen. Doch Alva wilde met een politieke bedoeling den koning niet van alle vrees voor de Hugenoten bevrijden.Lodewijks ziekte werd de laatste dagen, die hij in Bergen doorbracht, steeds ernstiger; hij was genoodzaakt een aderlating te ondergaan. Toch gaf hij onmiddellijk order, alles in gereedheid te brengen voor zijn vertrek. Inzonderheid was hij angstig over het lot zijner Fransche soldaten, voor wie hij niet veel goeds verwachtte, als ze over de grenzen van hun vaderland waren gekomen. Hij deed dus nog alle moeite, hen bij zich te houden. De meesten echter weigerden dit en namen het aanbod aan, om tot de grens te worden geëscorteerd. Het was een slechte keus. Want nauwelijks waren ze over de grenzen gekomen, of ze werden door de soldaten van Karel IX gruwelijk vermoord. Slechts een deel kon zich nog redden, geholpen door den hertog van Longueville, gouverneur van Picardië.De graaf kon niet te paard zitten; hij moest in een wagen Bergen verlaten. Even daarbuiten werd hij door een officier in naam van Alva begroet. Zes mijlen buiten Bergen, in een dorp waar men halt hield, viel Lodewijk, bij het uitstijgen uit den wagen in zwijm en moest, te bed liggende, worden bijgebracht. Daarop trok men onder begeleiding van het Spaansche escorte voort en kwam men te Roermond aan, waar een ontmoeting tusschen de beide broeders plaats had. Zij overlegden, wat hun thans te doen stond. Vier dagen bleven ze samen en het resultaat van hun besprekingen was, dat Lodewijk tot herstel zijner gezondheid naar Duitschland zou teruggaan, terwijl de Prins zijn leger ontbinden en naar Holland gaan zou. Van de volvoering van dat plan zullen we in een volgend hoofdstuk getuige zijn.Lodewijk kon, ziek naar lichaam en ziel, zijn reis naar Dillenburg slechtsuiterst langzaam voortzetten. In het begin van October was hij pas in Meurs. Van daar reisde hij naar Keulen, waar de magistraat uit vrees hem niet eens toestond het Nassau-huis te betrekken en waar hij toen verplicht was in Deutz, in het Joden-kwartier, tijdelijk zijn intrek te nemen. Eerst tegen het eind der maand kwam hij op het voorvaderlijk kasteel, waar zijn moeder Juliana, die hem zoo teeder liefhad, de grootste zorg aan hem wijdde. Hij was toch zoo ziek, dat men algemeen dacht, dat hij zonder Gods hulp niet langer leven zou. Gelukkig echter werd de uitnemende zorg der moeder beloond. Langzaam herstelde Lodewijk en kon hij zich weer met de goede zaak der Nederlanders bezig houden. Als wij hem weder terugvinden, zullen we hem met nieuwe kracht zien aangegord, om mede te werken tot bevrijding van ons vaderland.
Zooals wij vroeger zagen, was in 1569 Alva’s voorstel aangenomen, om voor den tijd van twee jaren in plaats van den tienden penning een heffing van twee millioen te doen. Die termijn zou in Augustus 1571 verstrijken, zoodat reeds in het voorjaar beraadslagingen werden gehouden over de invoering van de nieuwe belasting, welke den koning, volgens Alva millioenen zou opbrengen. Dat dit niet zoo gemakkelijk zou gaan, bleek reeds uit het verzet, waarmede Alva te kampen had, toen hij de financieële voorstellen in den Raad van State bracht. Zelfs de president Viglius, lang een buigzaam werktuig van den landvoogd, kwam met groote kracht tegen Alva’s plannen op en beweerde, dat de belasting het volk beleedigde. Alva stoorde zich echter weinig aan het gevoelen van Viglius en zijn ambtgenooten en bij plakkaat van 31 Juli kondigde de landvoogd aan, dat thans onverbiddelijk de tiende penning zou worden geheven. Alva schatte, dat deze belasting jaarlijks een 50 millioen zou opbrengen.
Een nieuwe storm stak tegen die poging op onder de burgers van het handeldrijvend volk, die niet weinig vermeerderde, toen het bericht uit Spanje kwam, dat thans de heffing moest plaats hebben. Onder alle klassen en standen van de bevolking ontstond zulk een beweging tegen dien maatregel, dat al het verzet van vroeger dagen, daarbij vergeleken, bijna kinderspel was.
De Staten der provinciën, de vroedschappen der steden, de gilden, ja de adel en de geestelijkheid, allen zonden protesten in. Drie bisschoppen zelfs van Vlaanderen vereenigden zich met de wenschen van het volk en drongen evenzeer op de intrekking van de nieuwe belasting aan, omdat ze vooral de lagere klassen zou drukken en den handel zou vernietigen. Als protest schorsten de kooplieden alle zaken, de winkeliers sloten hun winkels. Zoo voelden zij zich in hun nering bedreigd, dat zij liever niet meer wilden verkoopen, ten einde niet gedwongen te zijn, het leeuwendeel hunner winst aan de regeering te geven. Het volk liep tehoop en verklaarde de onwettige en drukkende belasting niet te zullen gedoogen.
De z.g. “zevenstuiverslieden,” spionnen der regeering, die zich voor die karige belooning lieten gebruiken om overal af te luisteren, wat naar verraad zweemde, waren thans niet meer in staat al de verwenschingen aan te brengen, die zij over den landvoogd te hooren kregen.
“Hadden we slechts gereed geld,” schreef Oranje in het begin van 1572, “dan zouden we met Gods hulp wel wat goeds kunnen uitrichten, want na de tijding, die we van alle oorden bekomen, zou het nu tijd zijn en zou men thans met geringe sommen meer kunnen doen, dan op andere tijden met groote.”
Gewoon als de Prins was, de publieke meening te polsen en van zijn veilig standpunt uit de wacht te houden, met tallooze oogen tot zijn dienst, doorzag Oranje dat die tot wet verheven aanval op de beurzen van een handeldrijvend volk een geest van verzet zou wakker roepen, zooals geen enkel ander onrecht zou hebben kunnen doen.
Alva zelf toonde zich tot matiging bereid; ook hij wilde eenige verlichting van den tienden penning aan handel en zeevaart toestaan, de stedelijke belastingen op eet- en drinkwaren tot verlichting der armen verminderen enz. Doch met dat al bleef die belasting uiterst drukkend voor den kleinhandel en de lagere klassen. De verbittering nam van dag tot dag toe, toen plotseling de gebeurtenissen een wending namen, noch door Alva, noch door den Prins verwacht.
Gedurende den winter van 1571 hadden 24 kleine schepen onder het bevel van Lumey, graaf van der Marck, bij de Engelsche kust gekruist. Het had niet ontbroken aan pogingen om de Watergeuzen te overmeesteren, doch de ervaren zeelieden hadden steeds weten te ontkomen en vonden daarbij vooral steun in twee plaatsen n.l. Dover en Emden.
In Maart echter werd hun door den invloed van Alva door Elisabeth het verblijf in Engeland verboden en moesten zij een goed heenkomen zoeken. Tengevolge van het verbod de Geuzen van vleesch, brood of bier te voorzien, verlangden zij natuurlijk levensmiddelen op te doen en besloten ze daarom een inval te wagen op de kust van Noord-Holland.
Ze zetten koers, waarschijnlijk van uit Dover, naar de monden van de Schelde en wilden in de richting van het Vlie, maar door den wind werden ze genoodzaakt voor den breeden Maasmond het anker te laten vallen. Tusschen den Briel op den zuidelijken uithoek van die monding en Maaslandsluis aan de overzijde, kwam de vloot, tot groote verbazing van de bewoners, opdagen.
De inwoners van den Briel, geheel van alle garnizoen ontbloot, zonden in hun schrik over de verschijning van die vloot voor hunne stad een veerman, Pieter Koppelstok genaamd, op hen af, ten einde te weten te komen, wat zij in hun schild voerden.
Het eerste vaartuig, dat Koppelstok ontmoette, stond onder bevel vanWillem van Bloys van Treslong. Deze edelman, wiens broeder door den hertog van Alva in 1568 ter dood was gebracht, behoorde tot een der weinige overgeblevenen uit den slag bij Jemmingen. Zijn vader was baljuw op Voorne geweest, zoodat hij met de gansche streek goed vertrouwd was. Nadat de veerman aan boord van den admiraal was gebracht, werd met goedkeuring van Lumey, Koppelstok naar den Briel teruggezonden met den formeelen eisch, de stad aan de Geuzen over te geven. Die boodschap behaagde den veerman, die met de rebellen sympathiseerde; hij keerde naar het stadhuis terug, waar de overheidspersonen bijeen waren om op zijn terugkomst te wachten. Hij deelde hun mede, dat de admiraal en Treslong wenschten, dat er twee van hen zouden worden afgevaardigd naar de patriotten en hun doel was, den tienden penning af te schaffen en het land te bevrijden van Alva’s bestuur. De overheidspersonen vroegen, over welke macht Lumey beschikte en Koppelstok antwoordde daarop: “Ongeveer 5000 man,” terwijl hun werkelijk aantal slechts een goede 400 bedroeg.
Die mededeeling deed de magistraat zoo ontstellen, dat zij aanstonds een samenkomst goedkeurde, doch zelf onmiddellijk lafhartig uit de stad vluchtte, gevolgd door de meest aanzienlijke burgers.
De geuzenmacht werd in tweeën gesplitst en terwijl de eene helft onder Treslong de Zuiderpoort aantastte, rukte de andere onder den admiraal op de Noorderpoort aan. Het gelukte Treslong binnen te komen; van der Marck legde bij de Noorderpoort een vuur aan, waarna de half verbrande deur met een ouden mast opengeloopen werd. Tegen zonsondergang waren de Geuzen ten getale van ongeveer 200 man binnen de stad. Verzet vonden ze niet, menschenlevens werden dan ook gespaard, maar een plundering volgde.
Lumey was van plan zich doodeenvoudig met den buit tevreden te stellen, maar gelukkig werd de raad van Treslong gevolgd. Op zijn aandrang nam de admiraal bezit van de bemachtigde plaats,in naam van den Prins van Oranje als zijn lastgever en als de wettige stadhouder. Kort daarop keerden de gevluchte burgers in den Briel terug, die door een eed van trouw aan den Prins van Oranje, zich met de Watergeuzen verbonden.
De tijding van het gewichtig feit van de inneming van den Briel verspreidde zich met groote snelheid. Alva begreep niet aanstonds den vollen omvang van deze gebeurtenis, zoodat de caricatuur ten volle verdiend was, die hem voorstelde op het oogenblik dat Lumey hem den bril van den neus trok en uit zijn mond de woorden voortkwamen: “no es nada,” “het is niets,” zijn gewone opmerking bij het ontvangen van nieuwstijdingen.
Spotvogels van Brussel zorgden wel deze gunstige gelegenheid niet te laten ontsnappen, want de naam der stad gaf aanleiding tot een woordspeling en de gebeurtenis had plaats gegrepen op Allernarrendag. Het rijmpje:
“Den eersten dag van AprilVerloor Duc d’Alva zijn bril”
“Den eersten dag van April
Verloor Duc d’Alva zijn bril”
werd een volksdeun en deze toespeling leeft thans nog in de herinnering voort.
Wel zond Alva troepen naar Vlissingen om Walcheren te beschermen en gaf hij Bossu, den koninklijken stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht bevel, om den Briel te hernemen, maar het een, noch het ander gelukte.
Vlissingen weigerde Alva’s troepen te herbergen, maar opende zijn poorten voor de Geuzen, wier aantal spoedig vermeerderd werd door terugkeerende ballingen uit Engeland met Tseraerts aan het hoofd en tal van Engelsche edellieden, die een groot deel van Walcheren bezetten.
Bossu stak van Maaslandsluis naar het eiland Voorne over en deed den Briel opeischen. Door het kranig optreden van Rochus Meeuwisz., die naar de Nieuwlandsche sluis zwom en deze openhakte, werd het den vijand onmogelijk gemaakt, van de Noordzijde te naderen. Daarop trok Bossu met zijn troepen naar de Zuiderpoort, maar hier werd hij zoo krachtig met grof geschut begroet, dat hij moest terugtrekken. Uit vrees voor het steeds wassende water werd Bossu genoodzaakt naar Rotterdam de wijk te nemen; deze stad verklaarde zich wel voor Oranje, maar zij werd door gemis aan verdediging door Bossu veroverd en geplunderd.
Het voorbeeld echter van den Briel werkte op menige stad aanstekelijk. Enkhuizen, Leiden, Haarlem en tal van andere plaatsen vereenigden zich om den standaard van den Prins van Oranje, die de belichaming werd van den weerstand tegen den tienden penning en tegen alle tirannie.
Welken indruk maakten deze belangrijke gebeurtenissen op den Prins?
Niet minder dan Alva werd Oranje door den stouten greep der Watergeuzen verrast. Hij was er niet in het minst op voorbereid, dat van dien kant de verlossing der Nederlanden beginnen zou, verdiept als hij was in de plannen om met Lodewijk onder bescherming van Frankrijk, den strijd bij vernieuwing in het Zuiden aan te vangen. Toen Lodewijk de inneming van den Briel hoorde, riep hij uit: “Ah, les sots! ils se sont trop hâtés et ne m’ont pas voulu croire.” Hij had den Watergeuzen n.l. Fransche hulp voor hun onderneming beloofd.
De Prins liet zich niet in zulk een afkeurenden zin uit. Hij schreef op den 25enApril uit Dillenburg een opgewekten brief aan Wesenbeke, waarin hij, hoorende dat de beweging in Holland en Zeeland, die hij blijkbaar eerst niet had vertrouwd, aanhield, God dankte voor de genade, aan de inwoners bewezen. Hij vond het heerlijk, dat zij eindelijk hadden bemerkt, waartoe al de praktijken van hun vijanden strekten.
“Ik bid God,” zoo gaat hij daarin voort, “dat, nu het ijs eenmaal gebroken is, zij met standvastigheid zullen voortgaan, om zich geheel te ontlasten van de onrechtvaardige onderdrukking, tirannie en onverdragelijke slavernij, waarin men ze hield. En wat mij aangaat, zij kunnen zich verzekerd houden, dat ik niet zal te kort schieten, met denzelfden ijver en affectie die ik altijd heb gehad, die in niets is verminderd en nooit in mij verminderen zal, hen te secundeeren, te helpen en bij te staan in al wat mij mogelijk zijn zal.... Wel zou ik gewenscht hebben, dat gezegde Lumey niet buiten mijn weten en zonder eenige opdracht van mijnentwege, de zaak had ondernomen of ten minste mij daarvan eerst had verwittigd; danzouden we in onderlinge verstandhouding des te beter de zaak hebben kunnen leiden.”
Doch die opmerking omtrent het eigenmachtig optreden van Lumey had in het minst niet zijn sympathie met de zaak verminderd. Het verheugde den Prins namelijk zeer, dat Lumey van Wesenbeke en anderen ondersteuning ontving; ja, hij wekte hen op, allen mogelijken bijstand te verleenen.
Uit deze en andere particuliere brieven van den Prins zoowel als uit de openbare brieven aan de burgemeesters, schepenen en inwoners van Gouda, Middelburg, Enkhuizen, Harderwijk en Vlissingen blijkt, met welken ijver de Prins ook de zaken voor Holland behartigde. Toch gaf hij, zeer begrijpelijk zijn lang beraamd plan met Lodewijk gevormd niet op, een tweeden inval in het Zuiden te doen.
Eerst de herhaling van de teleurstelling van het jaar 1568 zou hem, gelijk wij zien zullen, persoonlijk naar Holland doen komen.
In den winter van 1571–1572 waren langzamerhand de plannen tot vastheid gekomen, waarover we vroeger spraken en die niets meer of minder bedoelden dan een gezamenlijken aanval van Frankrijk en Engeland op Spanje, d.w.z. op de Zuidelijke Nederlanden. De Prins van Oranje zou deze onderneming steunen.
Na lange aarzeling werd vooral door toedoen van Lodewijk van Nassau op den 29enApril 1572 een verbond tusschen Engeland en Frankrijk gesloten, dat als hoeksteen gold van het gebouw voor de bevrijding der Nederlanden van het Spaansche juk. Op 15 Mei verliet Lodewijk Parijs teneinde Bergen te overmeesteren, terwijl Coligny met 25.000 man koninklijke troepen zou volgen en de Prins met de door hem aan den Rijn en in Zwitserland verzamelde regimenten in de Zuidelijke Nederlanden zou verschijnen. Hoogst gedenkwaardig is en blijft de verrassing en de inneming van Bergen.
Zekere Antoine Olivier, een schilder, tevens een handig teekenaar van kaarten, uit Bergen afkomstig, had het vertrouwen van Alva weten te verwerven. Daar Olivier een reis naar Frankrijk te doen had, droeg Alva hem op de handelingen van Lodewijk van Nassau na te sporen en hem verslag te zenden van den voortgang der geheime onderhandelingen tusschen den graaf en het Fransche hof. De schilder was evenwel slechts een spion in schijn, want hij was de zaak der vrijheid toegedaan en stond met Oranje en zijn broers in briefwisseling. Zijn omgang met graaf Lodewijk te Parijs had dan ook een geheel ander gevolg, dan Alva verwacht had. Met verschillende aanvoerders der Hugenoten werd een plan beraamd, dat met behulp van Olivier zou ten uitvoer gebracht worden.
In den avond van den 27enMei 1572 kwamen er eenige als kooplieden verkleede mannen in Bergen, die de wegbereiders voor Lodewijk en zijn leger waren. Vroeg in den morgen van den volgenden dag wist Olivier den portier over te halen, zijn wagens (die zoogenaamd met wijnvaten, maar eigenlijk met wapensgevuld waren) door de poort te brengen. De portier liet haar open en ging weer te bed, weinig vermoedende, wat er gebeuren zou. Kort daarop stormde Lodewijk van Nassau met 60 voetknechten en 80 ruiters de stad binnen onder de kreten: “Frankrijk! Vrijheid! De stad is ons! De Prins komt! Weg met den tienden penning! Weg met den bloeddorstigen Alva!”De kleine bende maakte zooveel lawaai en hun optreden was zoo stoutmoedig, dat de nog in slaap gezonken bewoners meenden, dat er wel 1000 man in de stad gekomen waren. Haar met zoo’n kleine bende binnen te komen was nog niet zoo moeilijk, doch zich er staande te houden was veel bezwaarlijker, vooral daar de magistraat Lodewijk niet wilde ontvangen en ook het volk verdeeld was. De graaf werd ongeduldig, ging met de zijnen de stad weder uit, om echter spoedig met 2000 man daarin terug te keeren.
Terstond werd de burgerij door klokgelui op de markt bijeengeroepen, waar de geestelijkheid, de overheid en de Raad zich vervoegden. Lodewijk hield een toespraak tot de aanwezigen en verklaarde geen strijd te voeren tegen den koning, doch tegen Alva en zijn wreedheden. De overheid gaf wel niet dadelijk toe, maar het meerendeel der burgers was op de hand van Lodewijk en hiermede was ook Bergen aan de zijde van den Prins. Wel werden de kerkelijke eigendommen verbeurd verklaard, maar de katholieken werd geen overlast aangedaan.
Alva wilde aanvankelijk geen geloof slaan aan het bericht omtrent de verrassing van Bergen te meer, omdat hij Lodewijk nog altijd in Parijs waande, maar het duurde niet lang of hij moest de waarheid van het onwelkome nieuws erkennen.
Reeds woedend op het hooren van de tijding uit het Noorden, zond Alva zoo spoedig mogelijk zijn zoon Don Frederik naar het Zuiden en deze sloeg den 3enJuni reeds met 20.000 man het beleg voor Bergen.
Alva’s ster was echter in die dagen reeds belangrijk aan het dalen. In Spanje bestond namelijk ontevredenheid over zijn bestuur in de Nederlanden. Vooral de machtige Gomez en zijn partij lieten niet na, den koning tegen den Nederlandschen landvoogd op te zetten.
Dit viel bovendien samen met klachten van den landvoogd zelven, die o. a. aan Filips schreef: “De haat, dien het volk mij toedraagt, om de tuchtiging, die ik het, hoewel met de grootste gematigdheid der wereld heb moeten doen ondergaan, verijdelt al mijn pogingen; mijn opvolger zal meer meegaandheid vinden en meer nut doen.” Hij verzocht om ontslag en Filips zond als zijn opvolger den hertog van Medina-Coeli naar de Nederlanden.
Reeds den 11enJuni was deze te Sluis aangekomen, begeleid door veertig schepen en twee duizend Spanjaarden onder Juliaan Romero. Deze had echter niet gerekend op verzet, maar de Watergeuzen deden op de Schelde zulke heftige aanvallen op het eskader, dat Medina zelf met moeite kon ontsnappen en in de hoofdstad, in plaats van een statige intree te doen, slechts door enkelen begeleid, binnenkwam. Nog slechter kwam er een rijke koopvaardijvloot af, die onder zijn bescherming was meegevaren. De Watergeuzen maakten zich van alle schepenmeester en van zooveel geld, juweelen en koopwaren, dat ze alleen daarvan verscheidene maanden den oorlog en hun crediet konden gaande houden. Op den aangewezen opvolger van Alva, den zachtmoedigen Medina, van wien een verzoenende politiek verwacht werd, maakten die gebeurtenissen zulk een diepen indruk, dat hij zelf weinig genegen was den post te aanvaarden en inzag, dat Alva eerst met zoo sterk mogelijke hand den opstand moest bedwingen. Hij heeft zich dan ook later teruggetrokken.
Al deze onheilen van de Spaansche regeering verlevendigden den moed van den Prins, dien hij dubbel noodig had, om zijn in Bergen opgesloten broeder te hulp te komen. Al zijn uiterste krachten spande hij in, om een leger te verzamelen; geldelijke hulp ontving hij thans van vele kanten, van Engeland, Frankrijk en uit andere bronnen en toch werd zijn wachten nog steeds door geldgebrek veroorzaakt. Nog altijd gedrukt door zijn vroegere schulden, zag hij zich vaak in groote geldverlegenheid. Uit Frankfort, waar hij 24 Juni was heengegaan om geld te verkrijgen, schreef hij o. a. onder het aangenomen pseudoniem George Certain, aan zijn broeder Lodewijk over zijn nijpend geldgebrek. De Duitsche vorsten hadden eerst wel neiging getoond hem te helpen, maar zich teruggetrokken, toen Maximiliaan, nu Filips’ schoonvader, een proclamatie had uitgevaardigd, die verbood Oranje te steunen. Ook schreef de Prins in den voorzomer van 1572 menigen brief aan de Hollandsche steden. In een dezer komt o. a. de volgende opwekking voor:
“Hecht U toch niet zoo aan een somme gelds, dat gij haar zoudt stellen boven uw eigen leven, boven dat van uwe vrouwen, uwe kinderen en uw nakomelingschap.... op het oogenblik, dat wij met een genegenheid, die uit het hart voortkomt, ons inspannen, U te helpen en te bevrijden. Denkt aan Gods toorn en aan de minachting der vreemde volkeren en vorsten, die gij op U laadt, denkt aan het wreede juk, dat gij zoudt laten drukken op U en uwe kinderen, als gij het geld weigert, dat wij noodig hebben, om met ons leger bij U te komen.”
Ook liet de Prins weder proclamatiën en vlugschriften drukken, die het volk tot opstand tegen de onderdrukkers zijner vrijheden aanzetten. Alva gold daarin als de belichaming der meest satanische tirannie en als een weergalm op die in tallooze exemplaren verspreide opwekkingen, klonken ras op pleinen en straten van de Hollandsche steden de geweldigste geuzenliederen.”
Een zeer belangrijke gebeurtenis, welke den Prins betrof, had tegelijkertijd in Holland plaats. De overgang van steden en gewesten ging met zulk een spoed voorwaarts, dat reeds in de maand Julidie hoogst merkwaardige vergadering kon worden gehouden, waar de grondslagen van de toekomstige staatsinrichting gelegd zijn. De mannen, door wier invloed die vergadering belegd werd, begrepen, dat de “ordeloosheid die zich dreigend in de geuzerij” verhief, moest worden bezworen en dat men naar rechtsvormen moest omzien, ten einde aan den volksgeest vastheid te geven. Die vergadering werd bijeengeroepen te Dordrecht en bijgewoond door gedeputeerden van verreweg de meeste Hollandsche steden. Alleen Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Delft, Woerden en Schoonhoven, die nog in Spaansche handen waren, ontbraken.
Oranje zelf werd er vertegenwoordigd door Filips Marnix van St. Aldegonde,die in een welsprekende rede aandrong op de inwilliging van de noodzakelijke gelden (100.000 kronen voor de eerste maand) tot onderhoud van zijn leger. In dien zelfden tijd had Bossu, de wettige stadhouder, in den Haag een vergadering belegd, doch deze liep op niets uit. De afgevaardigden in Dordrecht namen krachtdadige besluiten tot hulp van den Prins, tot erkenning van hem als generalen gouverneur, luitenant des konings over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. De gelden zouden gevonden worden uit de belastingen en loopende beden, uit een gedwongen leening bij de rijke burgers en uit den verkoop van kerkelijk goud en zilver, daar dit meer tot sieraad diende, dan dat het noodzakelijk was. Gilden en fraterniteiten kwamen edelmoedig met voorschotten, op welker terugbetaling niet veel te rekenen viel en ook vele burgers voegden hun zilver bij het kerkzilver, om versmolten te worden. Bij monde van Marnix deed de Prins verklaren, dat hij geen enkele gewichtige daad zou doen, zonder de Staten te raadplegen en tevens werd ook zijn beginsel vanvolkomen verdraagzaamheid tegenover alle belijdenissendoor de vergadering aangenomen.
Over het min of meer revolutionair karakter dezer vergadering te redetwisten, valt buiten het bestek van ons plan. Zonder twijfel waren noch de samenkomst noch hare besluiten wettig. Maar binnen de wettige bepalingen was niets dan ellende te wachten. In het leven van een volk breken er oogenblikken aan, dat het vrij over zich zelf beschikken kan en moet. Holland vond in Oranje den man, die stadhouder geweest zijnde, alleen door nood gedrongen, dat ambt had opgegeven. Wie zou, nu de gebeurtenissen voor de zaak der vrijheid zulk een gunstigen loop genomen hadden, wie zou dan in naam eener wet zijn eigenmachtig optreden kunnen veroordeelen? Na vier jaren geduldig wachten en strijden hadden de gebeurtenissen een nog sneller loop genomen, dan iemand kon hebben gedroomd.
In dezelfde maand, dat deze belangrijke gebeurtenis in de afwezigheid van den Prins had plaats gehad, schreef Oranje een brief aan Lodewijk, waarin de Prins hem waarschuwt vooral op zijn hoede te zijn tegen eene verrassing of overvalling van den vijand, want Oranje had gehoord, dat Alva hem dood of levend in handen wilde hebben. Ook meldt de Prins, dat zijn volk in het land van Meurs ligt en de meest geschikte plaats wordt gezocht om over den Rijn te trekken. Verder houdt de brief de hoopvolle tijding in omtrent het overgaan van Dordrecht, Tergou, Gorcum en andere plaatsen, terwijl hij tevens de inname van Loevestein aan zijn broeder bericht. Aan het slot vraagt Oranje tal van inlichtingen omtrent de legersterkte van Lodewijk, de hulp die hij verwacht en al hetgeen er van den vijand bekend is, opdat de Prins zich daarnaar zal kunnen gedragen.
Nog dienzelfden dag, den 8enJuli 1572 trok de Prins met 24.000 man over den Rijn. Vier jaar te voren had hij ook zijn aangenomen vaderland met een leger bereikt, maar nauwelijks had er één stem weerklonken om hem te verwelkomen en geen stad opende voor hem hare poorten. Ontmoedigd had hij zich teruggetrokken, maar niet hopeloos. In zijn afzondering had hij het web gesponnen, dat het heuvelkasteel van Dillenburg met de Hollandsche steden verbond. Nu keerde hij terug, weliswaar nog niet als overwinnaar, maar toch ondersteund en erkend.
Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).
Lodewijk van Nassau trekt uit Bergen (Henegouwen).—20 Sept. 1572. (Bladz. 220).
Ondertusschen bleef Lodewijk in Bergen opgesloten, belegerd door DonFrederik, die niet van die plaats zou wijken, voor hij de stad had genomen. Niettegenstaande zijne insluiting had de graaf toch den Franschen edelman Genlis naar Frankrijk kunnen zenden, om hulptroepen van daar mede te brengen, die hem in vereeniging met het leger van den Prins, waarop hij ook zeker rekende, zou kunnen verlossen. Nog steeds stond Coligny toch in hooge gunst bij den koning en Karel IX had zelfs een brief aan Lodewijk geschreven, om hem van zijn sympathie te verzekeren. En inderdaad, spoedig verscheen er een klein leger Hugenoten in Henegouwen, dat echter door de troepen van Don Frederik geheel werd verslagen. Genlis zelf werd gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Voordat het vonnis werd uitgevoerd, vernam men, evenals eertijds van de Villers in 1568, uit zijne papieren en bekentenissen de plannen der Hugenoten en die van den Prins. Dit had op den 19enJuli plaats. Vier dagen later maakte de Prins zich van Roermond meester en den 25enJuli schreef Oranje aan zijn broeder Jan over die inneming. Niettegenstaande zijn gedurige waarschuwingen tegen alle woestheid en plundering, niettegenstaande hij, waar hij slechts kon, de instructie herhaalde: “Doe alles om de harten zoowel van Katholieken als van Hervormden te winnen; bescherm beide godsdiensten,” toch had de verovering van Roermond met moord en plundering plaats. Priesters en monniken, kerken en kloosters werden daar helaas niet gespaard.
Dit feit, dat zich telkens herhaalde kan niet worden aangemerkt als een bewijs van ’s Prinsen onverdraagzaamheid, waarvan het tegendeel door al zijn uitlatingen wordt bewezen. Wel is het een bewijs van gemis aan krijgstucht in zijn leger en tevens van den woesten volksgeest dier tijden, bij katholieken en hervormden, die door de hoogste en beste uitingen van Oranje toch niet kon worden bedwongen. Hij drukt zijn innigen spijt uit over de plunderingen, waaraan zijn soldaten zich tegen zijn wil hadden schuldig gemaakt.
Uit brieven van den Prins bleek, dat hij nog altijd geldgebrek had; hij wachtte nog steeds afgevaardigden van de Staten te Dordrecht, die de middelen nog niet bezaten, hem van gereed geld te voorzien. Ook had hij gehoord van de nederlaag van Genlis en toen de bevestiging daarvan kwam, werd zijn teleurstelling daarover verminderd door de hoop op spoedige aankomst van verdere hulp uit Frankrijk. Dat er troepen op weg waren uit dit land om Alva te helpen, kon Oranje niet gelooven, vooral niet, omdat de verstandhouding tusschen Karel IX en Lodewijk te goed was en de kapiteins bovendien meest allen Hugenoten waren.
Langer dan een maand bleef Oranje in het kamp van Hellenrade bij Roermond, in afwachting van tijding van Coligny, die beloofd had met een groot leger in het Zuiden de Nederlanden binnen te dringen en die had aangeraden te wachten, tot hij zou zijn aangekomen, om met vereende krachten den vijand aan te vallen.
Natuurlijk was de vertraging van den Prins, ook nog veroorzaakt door geldgebrek, voor Lodewijk een groote teleurstelling, want deze had in Bergen een zwaren post. Dat dit oponthoud zijn oorzaak vond in de jaloezie van Oranje op Lodewijk wordt volkomen weerlegd door de natuurlijke redenen, welke de Prins ervoor opgaf. Toch vonden enkelen dat praatje geloofwaardig en gaf het aanleiding om den Prins te belasteren. Eerst in het laatst van Augustus gaven de Staten vanHolland hem een waarborg voor drie maanden betaling van zijn leger en toen trok hij over de Maas.
Weer had Oranje gerekend, gelijk in 1568 op de hulp der steden van Brabant en Vlaanderen en op de opening der poorten voor zijn leger. Onder den indruk van den gehaten tienden penning had hij daarop vertrouwd, maar hoe bitter werd hij teleurgesteld! Thienen en Diest ontvingen hem, maar grooter plaatsen als Leuven en Brussel openden de poorten niet voor hem. Vrees voor Alva, maar ook vrees voor het plunderzieke leger van den Prins zelf, hield de harten der bewoners gesloten. Verscheidene plaatsen kochten zijn binnenkomst met groote sommen af en Mechelen, waar hij werd ontvangen, moest later vreeselijk daarvoor bloeden.
Oranje was evenwel niet terneergeslagen, integendeel hoopvol gestemd, zooals uit zijn brief van den 11enAugustus aan zijn broer Jan blijkt. De steden zonden hem geld en niettegenstaande de nederlaag van Genlis, was het vooruitzicht schitterend, want Coligny had 12000 man voetvolk en 3000 ruiters verzameld en hoopte spoedig zelf te komen. Die hoop werd helaas kort daarop geheel in duigen geworpen, want de dagen van den admiraal waren geteld. Terwijl Lodewijk in pijnlijke afwachting van de versterking der Hugenoten verkeerde, terwijl Oranje langzaam tot hem naderde, werd de vreeselijkste tragedie der gansche eeuw in Parijs voorbereid en afgespeeld.
Hendrik van Navarre zou in het huwelijk treden met Margareta van Valois en met deze echtverbintenis waren de Hugenoten zeer ingenomen, daar die hun den toegang tot het hof scheen te openen.
Op den 24enAugustus was de bruiloft gevierd en in den volgenden nacht werden alle Hugenoten in Parijs meedoogenloos in bed of op straat vermoord. Het schijnt werkelijk ongelooflijk, dat eenig menschelijk wezen met zulk een dubbelhartigheid zou hebben kunnen handelen, indien het waar is, dat Karel IX maandenlang zoo vertrouwelijk met Coligny en Lodewijk van Nassau heeft omgegaan, terwijl hij tegelijkertijd een algemeenen moordaanslag op de Fransche Protestanten beraamde. Waarschijnlijker is, dat Karel op het laatste oogenblik door zijn moeder op het denkbeeld gebracht is, dat er een samenzwering tegen hem bestond en dat zijn eenige veiligheid gelegen was in het met wortel en tak uitroeien van het hervormd geloof.
Volgens de meest gematigde berekening bedroeg het aantal slachtoffers alleen in Parijs meer dan tienduizend.
Geheel het protestantsch Europa was ontsteld over dit afgrijselijk voorval. De koningin van Engeland trok rouwgewaad aan en weigerde met verachting gehoor aan wat de Fransche gezant tot verdediging aanvoerde. Hoe Lodewijk het hoorde verhaalt zijn secretaris Michel de la Huguerye: “Juist begonnen wij het ongeval van Genlis te vergeten, toen we op zekeren nacht, het was de 28eAugustus, een hevige kanonade hoorden, die ons deed vermoeden, dat er een nieuwe aanval op de stad begon. Anderen meenden, dat die kanonade plaats had ter eere van Alva persoonlijk, die op den 27enin het kamp der belegeraars was gekomen.
“Den volgenden ochtend vonden we eenige arme vluchtelingen van het leger van Genlis, die ons de tijding brachten van den dood van den admiraal, die vijf dagen te voren, in den Bartholomeusnacht vermoord was. Ook vertelden die mannen, dat er een groot getal arme Christenen was omgebracht, zoodat we niet langer hulp konden verwachten, maar beter deden te capituleeren.”
Men weigerde eerst geloof te slaan aan dat ontzettend bericht, maar helaas! twee hervormde predikanten, d’Amours en de la Porte, kwamen een paar dagen later aan en vertelden de geheele historie van de vreeselijke tragedie. De arme Lodewijk trok zich den moord zijner vrienden zoo aan, dat hij door een zenuwziekte werd aangetast, die drie maanden duurde. Gedurende het laatste jaar was hij zoolang in Frankrijk geweest en had hij in zulk een intieme verstandhouding niet alleen met Coligny en zijn Protestantsche vrienden gestaan, maar ook met den koning en de katholieke edelen, dat het hem meer dan pijnlijk aandeed, nu ze zoo wreed en verraderlijk waren geweest. Voor het warm, sympathiek gemoed van Lodewijk was het inderdaad een bittere ontgoocheling te ontdekken, dat zijn vertrouwen zoo misplaatst was. Toch schreef hij aan den Prins, dat hij Bergen tot het uiterste zou blijven verdedigen en gaf hij hem den raad, thans bij de Engelsche koningin hulp te zoeken. Hij meende, dat verontwaardiging over den gruwel van den Bartholomeusnacht als de hefboom moest gebruikt worden, om de Protestanten van alle zijden op te wekken en dat Elisabeth nu wel aanstonds gereed zou zijn, als kampioen voor hun zaak in ’t veld te treden.
Volgens la Huguerye toonde Alva grooten afschuw van den moord te Parijs en zeide hij, liever zijn rechterhand af te snijden dan medeplichtig te zijn aan zulk een slag. Hij bood zelfs onder dien indruk aan Lodewijk billijke voorwaarden van overgave aan. Doch de graaf was daartoe nog niet bereid. Nog steeds hopende op de komst van Oranje, haalde hij zijn troepen, die dreigden hem te ontvallen, door zijn welsprekendheid over, ten minste te blijven, totdat de Prins van Oranje zou gekomen zijn.
Nog drie weken hield Lodewijk het vol en op den zevenden September verscheen werkelijk Oranje in de nabijheid van Bergen. Zijn gedeeltelijk succes in Mechelen, Dendermonde en Oudenaarde, die hun poorten voor hem hadden geopend, had hem nieuwen moed gegeven. Waar hij was, toen de tijding van den Bartholomeusnacht hem bereikte, is onbekend. Later schreef hij aan Jan, dat niet alleen hij, maar iedereen in Europa geheel onvoorbereid was op zulk een gebeurtenis. “Het was een donderslag bij klaren hemel. Niet alleen is het nu uit met alle hoop op hulp van Frankrijk, maar zelfs Karel moet Alva met geld ondersteunen. Alle vertrouwen op menschen is daardoor vernietigd.”
Vroeg in September kwam alzoo Oranje in de buurt van Bergen en sloeg hij zijn kamp op te Hermigny, een halve mijl van de stad, terwijl Don Frederik met zijn leger bij het dorp St. Florian lag. In den nacht van 11 September, ging Juliaan Romero met 600 man naar Hermigny. De nacht was donker en de soldaten hadden hunne hemden over hun wapenrusting getrokken, om elkander in de duisternis goed te herkennen. Het gelukte hun, de schildwachten te verrassen en nadat ze deze hadden neergesabeld, baanden ze zich een weg naar het in slaap gezonkenkamp. Oranje hoorde geen rumoer, maar sliep rustig door, totdat hij door zijn hondje, dat aan zijn voeten sliep, werd gewekt. Niet tevreden met blaffen, likte het beestje zijn meesters gelaat. De Prins sprong uit zijn bed, nam een paard, dat gezadeld stond en reed in de duisternis weg. Zijn mannen waren minder gelukkig. Zeshonderd kwamen er om, gedeeltelijk door het zwaard, gedeeltelijk verdronken ze in een nabijzijnden stroom. Het verlies der Spanjaarden was gering, het werd op 60 geschat.
Volgens la Huguerye wist Aldegonde in Bergen te komen, om aan Lodewijk te vertellen, hoe de Prins was verdreven en hoe hij besloten had, naar Mechelen terug te gaan, om zijn krijgsvolk bijeen te houden. Lodewijk zag toen weinig hoop meer op verlossing en stemde eindelijk toe in een onderhandeling met Don Frederik. Hij zond La Noue met drie andere Fransche edellieden naar het vijandelijk kamp, waar Noircarmes, een der onderhandelaars van Spaansche zijde was. Op den 19enSeptember werd de capitulatie van Bergen op de volgende voorwaarden geteekend: Lodewijk zou met zijn troepen de stad verlaten met behoud hunner wapenen. Hij zou met zijn volgers, door vier compagnieën begeleid, naar Roermond gebracht worden, om van daar naar Duitschland terug te gaan. Zijne Fransche troepen zouden òf hem kunnen volgen òf naar Frankrijk worden geleid tot aan de grens bij Avesnes. Die laatste bepaling was niet naar den zin van Karel IX, die begeerd had, dat Alva alle manschappen, als zijnde Hugenoten, had laten ombrengen. Doch Alva wilde met een politieke bedoeling den koning niet van alle vrees voor de Hugenoten bevrijden.
Lodewijks ziekte werd de laatste dagen, die hij in Bergen doorbracht, steeds ernstiger; hij was genoodzaakt een aderlating te ondergaan. Toch gaf hij onmiddellijk order, alles in gereedheid te brengen voor zijn vertrek. Inzonderheid was hij angstig over het lot zijner Fransche soldaten, voor wie hij niet veel goeds verwachtte, als ze over de grenzen van hun vaderland waren gekomen. Hij deed dus nog alle moeite, hen bij zich te houden. De meesten echter weigerden dit en namen het aanbod aan, om tot de grens te worden geëscorteerd. Het was een slechte keus. Want nauwelijks waren ze over de grenzen gekomen, of ze werden door de soldaten van Karel IX gruwelijk vermoord. Slechts een deel kon zich nog redden, geholpen door den hertog van Longueville, gouverneur van Picardië.
De graaf kon niet te paard zitten; hij moest in een wagen Bergen verlaten. Even daarbuiten werd hij door een officier in naam van Alva begroet. Zes mijlen buiten Bergen, in een dorp waar men halt hield, viel Lodewijk, bij het uitstijgen uit den wagen in zwijm en moest, te bed liggende, worden bijgebracht. Daarop trok men onder begeleiding van het Spaansche escorte voort en kwam men te Roermond aan, waar een ontmoeting tusschen de beide broeders plaats had. Zij overlegden, wat hun thans te doen stond. Vier dagen bleven ze samen en het resultaat van hun besprekingen was, dat Lodewijk tot herstel zijner gezondheid naar Duitschland zou teruggaan, terwijl de Prins zijn leger ontbinden en naar Holland gaan zou. Van de volvoering van dat plan zullen we in een volgend hoofdstuk getuige zijn.
Lodewijk kon, ziek naar lichaam en ziel, zijn reis naar Dillenburg slechtsuiterst langzaam voortzetten. In het begin van October was hij pas in Meurs. Van daar reisde hij naar Keulen, waar de magistraat uit vrees hem niet eens toestond het Nassau-huis te betrekken en waar hij toen verplicht was in Deutz, in het Joden-kwartier, tijdelijk zijn intrek te nemen. Eerst tegen het eind der maand kwam hij op het voorvaderlijk kasteel, waar zijn moeder Juliana, die hem zoo teeder liefhad, de grootste zorg aan hem wijdde. Hij was toch zoo ziek, dat men algemeen dacht, dat hij zonder Gods hulp niet langer leven zou. Gelukkig echter werd de uitnemende zorg der moeder beloond. Langzaam herstelde Lodewijk en kon hij zich weer met de goede zaak der Nederlanders bezig houden. Als wij hem weder terugvinden, zullen we hem met nieuwe kracht zien aangegord, om mede te werken tot bevrijding van ons vaderland.