Hoofdstuk XVI.

Hoofdstuk XVI.De Prins in Holland. Belegerde steden. 1572–1573De schaduw van succes, door het volk dat zijn gezag trotseerde behaald, verbitterde Alva buitengewoon. Ook andere gebeurtenissen hadden zijn toorn niet bedaard, misschien werkte zelfs de komst van Medina-Coeli, die bestemd was zijn plaats in te nemen, ook mede tot zijn besluit, om thans met krachtige hand op te treden.Nu Bergen heroverd was, had hij de handen vrij, om de afvallige steden en gewesten in het Noorden voor hun ongehoorzaamheid te doen boeten. Aan Don Frederik gaf hij het opperbevel over het leger van 15.000 man, dat de strafoefening in het Noorden zou voltrekken.De tocht ging van Bergen over Mechelen, dat voor de opening van de poorten voor den Prins vreeselijk moest boeten. Drie dagen lang duurde daar een plundering en verwoesting, welke zelfs op koningsgezinden een allerdroevigsten indruk maakte. “Het was, alsof de kerkelijke hoofdstad der Nederlanden een Turksche stad was geworden,” terwijl een Spanjaard uit Brussel schreef: “Nauwelijks had men een spijker in de muren overgelaten.”Van Mechelen ging de tocht van het Spaansche leger noordwaarts; eerst de Maas over bij Maastricht en daarna bij Lobith den Rijn weder over, ten einde de IJselsteden te herwinnen. In die streek had de Graaf van den Bergh, de zwager van den Prins, met Duitsche troepen Zutfen en andere plaatsen bezet. Ook de Prins kwam daar in het midden van October op zijn doorreis naar Holland nog aan en meende, dat de plaats in veiligheid was. Spoedig zou Zutfen de wraak van Alva ondervinden. Hij had bevel gegeven, geen enkel man in de stad te sparen en al de huizen tot den grond toe te verbranden. Het bevel werd bijna letterlijk opgevolgd. Don Frederik rukte Zutfen binnen en deed onmiddellijk de geheele bezetting over de kling jagen; maar niet alleen de bezetting, ook de weerlooze burgers moesten het ontgelden, en de stad, die zoo smadelijk bij de nadering van denvijand door van den Bergh in den steek was gelaten, werd zoo goed als uitgemoord.Na Zutfen kwam Naarden aan de beurt. Don Frederik kreeg n.l. bevel naar Amsterdam op te rukken om van daar de verovering van Holland te beproeven. Op zijn weg daarheen kwam hij langs Naarden, dat genomen werd en waarop een slachting plaats had zoo gruwelijk, dat men zich afvroeg of het wel menschen waren, die daar aan het werk waren geweest. Alva schreef met eenig welbehagen aan den koning, dat “zij burgers en soldaten afgemaakt en geen menschenkind in het leven gespaard hadden.”Don Frederik rukte van Naarden naar Amsterdam, waar Alva destijds verblijf hield, die vol vreugde was over al het goede, dat zijn zoon reeds verricht had. Behalve de vaderlijke goedkeuring ontving hij ook die van zijn koning, die vond dat Don Frederik zich een zoon had betoond zulk een vader volkomen waardig!Een maand te voren echter was de Prins reeds in Holland. Van Zutfen over Zwolle en Kampen en verder over de Zuiderzee, had hij met een zestigtal volgelingen de reis gedaan. Op den 18enOctober had hij uit Zwolle aan zijn broeder Jan een brief geschreven. Deze brief, onder den indruk van de macht der Spaansche wapenen, de overgave van Bergen, de verwoesting van Mechelen en den schrik der bevolking geschreven, gunt ons weder een blik in het gemoed van den schrijver. “Ik vrees,” zoo zegt hij, “dat ik mij waarlijk geheel en al van alle kanten verlaten zal vinden, als God niet wonderdadig er in voorziet.”Hij betreurt ten zeerste de lafhartige vlucht van de benden van zijn zwager. “Zelf ben ik besloten naar Holland en Zeeland te gaan, om zoo mogelijk daar den toestand te behouden en daar mijn graf te vinden.”Twee dagen na het schrijven van dien brief, was de Prins te Kampen en vandaar vertrok hij met de zijnen op enkele galeien, die hem te gemoet waren gezonden naar Enkhuizen, waar hij zonder eenigen tegenspoed aankwam en met groote vreugde werd ontvangen. Zijn aankomst in Holland was dringend noodig, om de inwoners, die den moed hadden verloren, met nieuwen moed te bezielen; zelfs de ijverigsten waren op het punt den ongelijken strijd op te geven of het land voor altijd te verlaten. Zijn tegenwoordigheid was niet minder noodig, om de wettelooze plundering van zijn eigen zeelieden tegen te gaan; voor vriend en vijand waren de Watergeuzen een schrik.Na te Enkhuizen geland te zijn, deed de Prins een reis door Holland en kwam in den loop van November in Dordrecht aan. Op die reis bezocht hij ook Haarlem, dat na Naarden aan de beurt lag, om door Don Frederiks leger belegerd en gestraft te worden. Daar Oranje zich in Zuid-Holland gevestigd had en zijn stadhouder Sonoy zich in het Noorderkwartier bevond, was Haarlem voor Alva van groot belang. De stad lag n.l. op een landstrook daartusschen en bij verovering zou Holland in twee stukken zijn verdeeld, waardoor de strijdkrachten der opstandelingen in tweeën gesplitst konden worden, tengevolge waarvan verdere wederstand onmogelijk zou zijn; althans zoo dacht men in het Spaansche hoofdkwartier. Gedurende den herfst had die stad reeds alle voorbereidselen genomen om een beleg, dat onvermijdelijk scheen, te kunnen volhouden.Het bezoek van den Prins was een bemoediging en waarschuwing voor deburgers. Van daar schreef hij op den 1enNovember aan den burgemeester en de burgers van Amsterdam, de eenige van al de noordelijke steden, die zich niet voor hem verklaard had. Hij vroeg hun, zijn pogingen om Alva te bestrijden, te ondersteunen en gaf te kennen, dat hij bereid was, tot hen te komen, indien ze dat wenschten, maar zijn brief werd door geen antwoord gevolgd. Met het oog op de vreeselijke gebeurtenissen in Zutfen en Naarden was de aarzeling wel begrijpelijk. Ook in Haarlem bestond bij demagistraatdiezelfde kleinmoedigheid; deze zond zelfs een drietal hunner naar Alva, om in geheime onderhandelingen met hem te treden, doch die plannen werden door Ripperda, den heldhaftigen commandant van het garnizoen, verijdeld. Twee overheidspersonen, de pensionaris Assendelft en de schepen Schagen werden onthoofd, nadat ze nog voor den schijn te recht hadden gestaan en onder het bestuur van den Prins benoemde Aldegonde een geheel nieuwe corporatie.Een gelukkige gebeurtenis scheen voor den naderenden strijd om Haarlem een goed voorteeken. Een kleine vloot, aan Holland behoorende, was in de nabijheid van Amsterdam ingevroren geraakt. Don Frederik zond een afdeeling over het ijs om die vloot te bemachtigen, maar het scheepsvolk had een breede bijt rondom de schepen opengehakt, zoodat de vloot in een groot vastgevroren en drijvend kasteel was herschapen. Een sterke bende goed geoefende musketiers ging op de schaats de aanvallers tegemoet. Een kortstondige en glibberige schermutseling volgde, waarin de Hollanders, op het ijs door en door thuis, gemakkelijk de overwinning behaalden en den vijand met achterlating van eenige honderden dooden verjoegen.“Het was iets tot dusver ongehoords” schreef Alva, “een troep haakschutters zoo te zien schermutselen op de bevroren zee.” Gelukkig kwam de vloed en de sterk ingevallen dooi de schepen verlossen, die allen naar Enkhuizen ontkwamen, terwijl de vorst, welke onmiddellijk daarop weder inviel, de vervolging onmogelijk maakte.Spoedig daarna begon het merkwaardige beleg van Haarlem, dat zoo meesterlijk door den geschiedschrijver Motley is meegedeeld en dat we daarom, tevens als voorbeeld van een beleg, hier in haar geheel laten volgen:“De stad Haarlem, over wier puin de Spaansche dwingelandij Holland wilde binnendringen, lag in het smalst gedeelte van de landstrook, die de Noordzee van de Zuiderzee scheidt. De afstand van de eene zee tot de andere is nauwelijks anderhalf uur gaans. Ten westen van de stad vond men een gewezen moeras, destijds vruchtbaar weiland door onvermoeide zorg uit een stormachtige zee boven water gehouden. Tusschen de Noordzee en den uitersten zoom van dat weiland verrezen die wilde, zonderling gevormde duinen, door wind en golven opgehoopt, die nog door het tengerste van alle rietsoorten versterkt, de golven onder de heerschappij van den mensch stellen zouden. Aan de tegenovergestelde of oostelijke zijde had Haarlem het uitzicht op Amsterdam, welke toen reeds bloeiende stad slechts drie uren vandaar verwijderd was. De twee steden, door een binnenwater gescheiden, stonden slechts door een smallen dijk met elkander in gemeenschap. Het Haarlemmermeer, nog geen eeuw vroeger door het samenvloeien van vier kleinere merenontstaan bij een storm, die het gansche schiereiland gedreigd had te verzwelgen, strekte zich ten zuiden en oosten uit, een waterkom vormende van betrekkelijk geringe afmetingen, daar de diepte maar vijftien voet, de oppervlakte niet meer dan zeventig vierkante mijlen bedroeg; maar, blootgesteld aan alle winden, werd het water bij stormweer soms even gevaarlijk als de golven van den oceaan. Aan de overzijde van het meer, ten noorden, stroomde het IJ bijkans over het schiereiland heen. Deze inham der Zuiderzee was van het Haarlemmermeer slechts door een smalle landstrook gescheiden en over die engte liep de dijk, die de twee steden, thans zoo jammerlijk tegen elkander in ’t harnas, verbond.Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).Halverwege was de dijk afgebroken en van sluizen voorzien, waardoor men het meer in het IJ kon laten loopen en zoodoende het omliggende land onder water zetten.Haarlem was een der grootste en schoonste steden in de Nederlanden, doch tevens een der zwakste. De muren waren oud, met torens voorzien, doch niet sterk en de uitgestrektheid der verdedigingswerken maakte eene aanzienlijke bezetting noodig; toch was de bezetting nog zwakker dan de vest. Steun vond de stad alleen in de kloekmoedigheid der bewoners. De straten waren, voor dien tijd, breed en regelmatig; de grachten met lindeboomen en populieren beplant. De oude kerk van St. Bavo, een groot indrukwekkend steenen gebouw, verrees bijna in het midden der stad; mijlen ver was zij zichtbaar zoowel van uit zee, als van de landzijde, terwijl het rustige stadje onder hare heilige en beschermende vleugels scheen te schuilen. Haar rijzige torenspits droeg van boven een reusachtige kroon, die men voor een zinnebeeld zou kunnen houden van de glorierijke martelaarskroon der stad, voor haren heldenmoed en bangen strijd toegereikt.Het water tusschen Haarlem en Amsterdam zou het voornaamste tooneel der aanstaande krijgsverrichtingen moeten opleveren. Spoedig werd met het beleg een aanvang gemaakt; de uit de stad geweken burgemeester Dirk de Vries had de onbeschaamdheid, met goedvinden van Alva, den burgers een brief te doen toekomen, waarin hij hen vermaande, zich onvoorwaardelijk over te geven. De bode werd opgehangen—een wreed, maar krachtig antwoord, dat aan alle verdere verraderlijke gemeenschap met den vijand een einde maakte. Dit geschiedde in de eerste week van December; den 10enzond Don Frederik een aanzienlijke afdeeling om zich van de schans en het dorp Spaarndam meester te maken, als voorbereiding tot het beleg. Een boer wees Zapata, den aanvoerder van de bende, een verborgen pad dwars door de overstroomde en bevroren weilanden en de Spanjaards dreven de bezetting op de vlucht, deden er driehonderd man van sneuvelen en namen de schans en het dorp in bezit.Den volgenden dag verscheen Don Frederik voor Haarlems wallen en begon hij de plaats geregeld in te sluiten. Door het mistige weer hierin begunstigd, versterkte hij intusschen zijn leger, tot er minstens dertigduizend man, waaronder vijftienhonderd ruiters, rondom de stad vereenigd waren. De Duitschers onder graaf Overstein hadden hun kwartier in een fraai en uitgestrekt bosch van linden en beuken, dat tusschen de zuidelijke wallen en de oevers van het Haarlemmermeer verrees; Don Frederik zelf nam met zijne Spanjaards eene stelling in aan deoverzijde, bij het zoogenaamde Huis te Kleef, waarvan nog de bouwvallen over zijn. De Walen en andere regimenten waren op verschillende plaatsen zoo verdeeld, dat de stad volkomen ingesloten was. Aan den hoek van het meer had de Prins een ring van schansen laten opwerpen, waardoor Haarlem vooreerst van de bevroren wateren meester bleef, maar gedurende den loop van het beleg werden er door Don Frederik andere sterkten opgericht, waardoor de toestand veranderde.Tegenover de ontzaglijke vijandelijke macht, in getal bijkans met de geheele bevolking der stad gelijk, telde de bezetting binnen de wallen nooit meer dan vierduizend man. Eerst was zij zelfs nog minder talrijk. Dezelfde omstandigheid evenwel, die de eerste krijgsverrichtingen van Don Frederik begunstigde, kwam ook den Haarlemmers te stade. Een dichte ijsnevel hing voortdurend over het meer; door dat gordijn gedekt, werden er dagelijks gewapende mannen, levensmiddelen en krijgsbehoeften binnen de stad gebracht, in spijt van alle pogingen der belegeraars om het te beletten.Mannen, vrouwen, zelfs kinderen, die zich op hunne schaatsen en met hunne ijssleden zoo snel als de wind repten, kwamen in de donkere korte dagen en lange nachten van December in Haarlem aan. Men telde minstens duizend schansdelvers, drieduizend strijdbare mannen en omtrent driehonderd strijdbare vrouwen. De laatsten, die goede diensten deden, met zwaard, musket en dolk gewapend, stonden onder Kenau Hasselaar, een weduwe van aanzienlijke afkomst en onbevlekten naam, omtrent zevenenveertig jaren oud, die aan het hoofd harer amazonen, aan vele der hevigste gevechten, zoowel buiten als binnen de veste deel nam. Waar zelfs vrouwen met zulk een kloeken geest bezield waren, liet zich verwachten, dat de mannen de stad niet licht zouden overgeven.De Prins had te Leiden een drie- of vierduizend man bijeenverzameld, die hij nog vóór het midden van December onder bevel van den graaf van der Marck naar de stad zond, maar deze troepen werden onderweg door een sterke afdeeling onder Bossu, Noircarmes en Romero aangetast en na een scherp gevecht onder eene hevige sneeuwjacht verslagen. Een duizendtal sneuvelde, anderen werden gevangen genomen en naar de galgen gesleept, die reeds in de Spaansche legerplaats zoo opgericht waren, dat zij van verre in het oog vielen en die gedurende het geheele beleg nooit leeg stonden.Onder de krijgsgevangenen was een wakker bevelhebber, Baptist van Trier, voor wien van der Marck vruchteloos tweeduizend kronen en negentien Spaansche gevangenen aanbood: het voorstel werd minachtend van de hand gewezen, en van Trier bij het ééne been aan de galg gehangen totdat de dood volgde. Uit weerwraak liet van der Marck de negentien Spanjaards onmiddellijk ophangen. Met deze wisseling van wreedheden was het beleg voor goed begonnen.Don Frederik had een stelling ingenomen tegenover de Kruispoort, die niet zeer sterk was, maar door een bolwerk gedekt werd. Van zins om het beleg zoo kort mogelijk te doen duren, liet hij onmiddellijk zijne batterijen oprichten en den 18en, 19enen 20enDecember de Kruispoort, de St. Janspoort en het gordijn tusschen die beide poorten, hevig beschieten. Zes honderd en tachtig schoten werden op den eersten dag en ongeveer evenveel op elk der beide volgende dagen gelost.De wallen werden zeer beschadigd, maar mannen, vrouwen en kinderen arbeidden dag en nacht om de bressen even spoedig te herstellen als zij gemaakt waren: zij brachten zakken met zand, stapels steenen, wagens vol aarde van alle kanten aan en beroofden de kerken van hare beelden om daarmede de breuken te stoppen. Dit wekte afgrijzen onder de belegeraars: zij, die dagelijks menschen slachtten en gevangenen in koelen bloede ophingen, huiverden onder dien gruwelijken hoon, gesneden beelden aangedaan.Na drie dagen de stad beschoten te hebben, gaf Don Frederik bevel tot den storm, om zoo door een verhaast bloedbad de kroon op zijne heldenfeiten van Zutfen en Naarden te zetten. De vest zou, naar zijn meening binnen eene week bezwijken en na nog eene tweede week aan plundering en moord gewijd te hebben, wilde hij naar nieuwe steden trekken, totdat Holland geheel onder den voet zou zijn gebracht.Romero rukte op de bres aan, door een aantal bestormers gevolgd, maar ontmoette een tegenstand, die de Spanjaards verbaasd deed staan. Alom riep het klokgebom de burgerij te wapen, de gansche bevolking stroomde naar de wallen en de belegeraars werden begroet, niet slechts met zwaard en musket, maar met elk voorwerp, dat den burgers voor de hand kwam. Het regende zware steenen, kokende olie, gloeiende kolen op de hoofden der Spanjaards; brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd. Zelfs Spaansche moed en Spaansche woestheid moesten deinzen voor de vastberadenheid eener burgerij, door één zelfden geest bezield. Romero verloor een oog in het gevecht, vele bevelhebbers werden gedood en gekwetst en drie of vierhonderd soldaten lieten in de bres het leven, terwijl slechts drie of vier van de stedelingen sneuvelden.Met weerzin werd het teeken tot den aftocht gegeven en de Spanjaards zagen van den storm af. Don Frederik besefte thans, dat Haarlem hem niet bij het eerste trompetgeschal te voet zou vallen; klaarblijkelijk moest een beleg het bloedbad vooraf gaan, en hij gaf dus bevel om het ravelijn te ondermijnen, niet twijfelende, of na weinige dagen zou de stad toch in zijne handen vallen.Intusschen stelde de Prins van Oranje, uit zijn hoofdkwartier te Sassenheim, aan de zuidelijke grens van het meer gelegen, eene nieuwe poging in het werk om onderstand in de stad te brengen. Twee duizend man met zeven veldstukken en vele wagens vol krijgsbehoeften werden door hem onder Batenburg afgezonden. Deze bevelhebber was in de plaats getreden van den graaf van der Marck, dien de Prins eindelijk van zijn post had ontzet. De vermetele en gewetenlooze vrijbuiter mocht niet langer eene zaak dienen, die door zijne wreedheid meer bezoedeld werd dan zijne wanhopige dapperheid haar bevorderen kon.Batenburgs onderneming viel echter niet voorspoediger uit, dan die van zijn voorganger: reeds in de nabijheid der stad gekomen, geraakten de troepen door den dikken mist, die bijna voortdurend het oorlogstooneel omhulde, den weg bijster. Vruchteloos poogde men hen door kanonschoten, klokkengelui en seinvuren van de wallen terecht te helpen; de kans was verloren. De Spanjaards vielen hen aan, vóór zij den weg naar de stad konden vinden; velen werden overhoop gestoken, anderen namen de vlucht in verschillende richtingen, zeer weinigen gelukte het,binnen de stad te geraken. Batenburg bracht een gering overschot van zijne troepen behouden terug, maar al de zoo hoogst noodige voorraad was verloren gegaan en de kleine macht geheel verstrooid.De Koning, die onder Batenburg het bevel had gevoerd, was onder de gevangenen: de Spanjaards hieuwen hem het hoofd af en wierpen het over de wallen in de stad, met het opschrift: “dit is het hoofd van kapitein Filips de Koning, die met versterking op weg is voor de goede stad Haarlem.” De burgers beantwoordden dit met nog gruwzamer spot: zij deden elf gevangenen ter dood brengen en sloten de hoofden in eene ton, die zij in het Spaansche leger wierpen, met dit briefje er aan bevestigd: “Breng deze hoofden aan den hertog van Alva voor den tienden penning: het elfde hoofd zenden wij hem voor intrest toe, opdat hij zich niet over de trage betaling beklage.”Door zulke afgrijselijke scherts wisselden belegerden en belegeraars de eentonigheid van het winterbeleg af. Daar er dagelijks uitvallen en schermutselingen voorvielen, had men ook aanhoudend gevangenen en konden beide partijen hunne afschuwelijke geestigheden volhouden, terwijl de galgen in legerplaats of stad voortdurend dienst deden.Sedert den storm van den 21enDecember was Don Frederik met den onderaardschen aanval begonnen door regelmatige loopgraven te openen. Even snel als de Spanjaarden, groeven de burgers er loopgraven tegen in. Dagelijks stootten zij op elkander en kampten zij onder den grond. Wanhopig waren die gevechten, in gangen, zóó nauw, dat men zich slechts van dolken bedienen kon, zóó duister, dat de flauwe lantarens ternauwernood bij de doodelijke slagen licht gaven; het scheen een worstelstrijd niet van menschen, maar van booze geesten en met die gevechten, man tegen man, was het niet gedaan: hoofden, armen, beenen, rompen, de deerlijk verminkte overschotten van honderden menschelijke wezens, spoten dikwijls uit de aarde op, als uit een onzichtbaren vulkaan. Toch zwoegden de Spanjaards voort met onverminderden ijver; toch ondergroeven de belegerden zonder zich te laten ontmoedigen, de vijandelijke werken en beletten den voortgang met zwaard en speer en met vreeselijke mijnontploffingen.De Prins van Oranje prikkelde middelerwijl de burgers tot volharding door menigvuldige beloften van hulp. Zijne brieven op zeer kleine reepjes papier geschreven, werden door postduiven in de stad gebracht. Den 28enJanuari zond hij een aanzienlijken voorraad van twee dringende benoodigdheden, buskruit en brood op honderdzeventig sleden over het Haarlemmermeer, begeleid door vierhonderd oudgediende krijgers. De burgers hielden den strijd vol in de loopgraven, tegen het bolwerk van de Kruispoort gericht, doch het lag voor de hand, dat zij dit niet lang meer konden doen: zij hadden dan ook in de lange winternachten aan de binnenzijde van dat bolwerk een halve maan stevig opgemetseld. Burgemeesters, bevelhebbers, burgers, soldaten, vrouwen, kinderen, oud en jong, rijk en arm, allen hadden meegeholpen aan dat werk, waardoor men de stad nog hoopte te behouden, als het bolwerk gevallen was.Op den 31enJanuari gaf Don Frederik na de Kruispoort, de St. Janspoort en de daar tusschen liggende gordijnen twee of drie dagen achtereen te hebbendoen beschieten, last tot eene nachtelijke bestorming. De wallen waren zeer beschadigd; een gedeelte der St. Janspoort lag in puin; de Spanjaarden beklommen de bres; de stad werd bijna overrompeld en de opperbevelhebber, reeds zeker van de overwinning, deed zijne gansche macht onder de wapenen komen om de bevolking, die door plotselingen schrik verbijsterd, de stad zou uitstroomen, den pas af te snijden. Intusschen hadden de veertig of vijftig schildwachten op de wallen toch aan den onverhoedschen aanval weerstand geboden terwijl zij te wapen riepen. De stormklok luidde de verschrikte burgers uit den slaap, en weldra waren de wallen bemand.De dag brak aan, terwijl de strijd op het hevigst was. De belegerden verdedigden zich met musket en rapier, met gesmolten pek, brandende pekkransen, knodsen en steenen. Na de vroegmis werd in het Spaansche kamp de trompet gestoken tot een algemeenen aanval, en het bolwerk bij de Kruispoort eindelijk bemachtigd. De Spanjaards stormden voort om terstond de stad te vuur en te zwaard te verwoesten maar bij het beklimmen van den wal bespeurden zij het nieuwe en nog sterkere bolwerk, dat men van binnen had aangelegd. Duidelijk was het thans, waarom men het bolwerk prijsgegeven had; de halve maan, wier aanwezigheid de Spanjaards niet vermoed hadden, verhief zich, met geschut beplant, voor hen en een hevig vuur werd er uit geopend, terwijl in hetzelfde oogenblik het bolwerk, door de burgers ondermijnd, met een donderend geweld in de lucht sprong en de zoo even zegevierende bestormers vermorzeld werden. Dit was het keerpunt: de aftocht werd geblazen en de Spanjaards keerden haastig naar hun legerkamp, terwijl zij minstens driehonderd dooden onder de wallen achterlieten. Zoo was deze tweede storm, door een geweldige overmacht onder aanvoering der meest ervaren Spaansche krijgsbevelhebbers beproefd, roemrijk door de burgers van Haarlem afgeslagen.Er werd nu besloten om de stad, die noch door het openen van loopgraven, noch door plotselingen aanval te nemen was, door hongersnood tot de overgave te dwingen. Toch had bij het voortgaan van den winter het machtig leger buiten de wallen evenzeer door gebrek te lijden, als de bevolking daarbinnen. De soldaten bezweken aan de ziekten, door de strenge koude en het ontoereikend voedsel ontstaan, en zooals gewoonlijk, overtrof het aantal van hen, op die wijze omgekomen, verreweg dat dergenen, die tegenover den vijand sneuvelden.Het lijden binnen de stad nam, gelijk te verwachten was, toe, daar de gansche bevolking op beperkt rantsoen was gesteld; dagelijks verminderde de voorraad en met de nadering der lente en het invallen van den dooi liepen zij gevaar van allen toevoer afgesneden te worden. Als de vijand meester werd op het water, moesten zij zich overgeven of verhongeren en zij betwijfelden het, of de prins wel in staat zou zijn een vloot uit te rusten. Het dreigende spook van den hongersnood rees voor hen op en voorspelde hun den ondergang. In hun ellende haakten zij naar de bestormingen der Spanjaards; dan althans hadden ze een minder geduchten vijand onder de oogen te zien. Dagelijks trokken zij met slaande trom en vliegende vaandels de wallen rond om de belegeraars tot hernieuwde aanvallen te tarten, en om den godsdiensthaat hunner tegenstanders te doenontvlammen, dosten zij zich uit in de schitterende, met goud bestikte kleederen der priesters, die zij uit de kerk genomen hadden, en bootsten een plechtigen omgang na, waarbij zij opgetooide beelden, reliquiën en andere gewijde voorwerpen omhoog hielden om ze dan verachtelijk van de wallen te slingeren of met luide spotkreten stuk te breken.Op datzelfde tijdstip echter dacht de vijand er ernstig over, of hij het beleg niet zou opbreken. Don Frederik meende, dat men thans voor de eer der Spaansche wapenen genoeg had gedaan; het verdroot hem, zijn krijgsvolk hulpeloos te zien omkomen en hij achtte den prijs te onbeduidend in vergelijking met de offers, dien hij kosten zou. Zijn vader dacht er anders over; misschien kwam de hertog het beleg van Metz voor den geest en den raad, toen door hem aan keizer Karel gegeven en dien de vorst, naar hij geloofde, hem nooit vergeven had.Hoe dit zij, Alva zond Bernardino de Mendoza, door Don Frederik naar Nijmegen afgevaardigd, om zijn vader verlof te vragen tot het opbreken van het beleg, met dit antwoord terug: “zeg aan Don Frederik, dat, zoo hij niet besloten is het beleg voort te zetten tot de stad is genomen, ik hem niet langer voor mijn zoon erkennen wil, hoe ik ook vroeger over hem gedacht heb.Valt hij in het beleg, dan zal ik het zelf voortzetten, en mochten wij beiden vallen, dan zal de hertogin er uit Spanje voor overkomen.”Die taal was niet dubbelzinnig en de vijandelijkheden werden met levendigheid hervat. De belegerden waren erover verheugd en deden dagelijks uitvallen. In een daarvan stormden Haarlemmers onder begunstiging van een dikken mist op de vijandelijke hoofdbatterij los en poogden de stukken te vernagelen. Allen werden zij bij den mond van het geschut gedood, en daar lagen zij in de batterij nog met hamers en spijkers in de verstijfde vuist geklemd. Elke dag werd door dezelfde koelbloedigheid opgeluisterd. In het voorjaar ging het vee dagelijks de poorten uit naar de weide, ondanks het gewoel, dat in den omtrek heerschte, en het was den Spanjaards niet mogelijk één enkel stuk rund te bemachtigen, zonder dat het hun minstens een twaalftal soldaten kostte. “Deze burgers,” schreef Don Frederik, “doen al wat menschelijkerwijze de beste soldaten in de wereld zouden kunnen doen.”Tegen het einde van Februari hield de vorst op. Den graaf van Bossu, die te Amsterdam een vloot van kleine vaartuigen had laten bouwen, gelukte het kort daarop met eenige van geschut voorziene schepen op het Haarlemmermeer te komen door eene opening, die hij had doen maken in den Overtoom, op omtrent een halve mijl afstand van Amsterdam. De vaart op het meer was dus ook niet veilig meer, maar ook de Prins had niet stil gezeten, ook hij was gereed een kleine vloot op het meer te zenden.Intusschen verkeerde het Spaanschgezinde Amsterdam in bijna even hachelijken toestand als het prinsgezinde Haarlem. Gelijk de eene stad over het meer, zoo kreeg de andere toevoer over den dijk: kon men dien grooten, kunstig aangelegden weg, die naar Muiden en Utrecht voerde, doorsteken, dan ware Amsterdam even zeker als Haarlem uitgehongerd. “Sedert ik ter wereld kwam,” schreef Alva, “heb ik nooit in grooter bezorgdheid verkeerd. Indien het hun gelukt de gemeenschaplangs den dijk af te snijden, dan zou ons niets anders overschieten, dan het beleg van Haarlem op te breken en ons met gevouwen handen over te geven, of van honger om te komen.”Oranje besefte volkomen den toestand van beide steden, doch hij had als gewoonlijk, gebrek aan volk en middelen. Hij schreef smeekbrieven aan zijn vrienden in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland en hij verzocht zijn broeder Lodewijk ten dringendste, om zoo het menschelijkerwijs mogelijk was, met eenige soldaten op te dagen. “Het gansche land ziet zoo verlangend naar u uit,” schreef hij aan Lodewijk, “alsof gij de aartsengel Gabriël waart.”En terwijl hij zoo dringend om versche troepen uit Duitschland of Frankrijk bad, deed hij met de vrijwilligers die hij verzamelen kon, al wat in zijn macht was. Hij hield nog steeds zijn verblijf in Sassenheim, ten Zuiden van Haarlem, terwijl Sonoy met zijn onbeduidende macht ten Noorden van die stad gelegerd was. Thans zond hij dien krijgsoverste met een bende, zoo aanzienlijk als hij kon bijeenbrengen, tot een aanval op den Diemerdijk af. Het volk verschanste zich zoo goed mogelijk tusschen het Diemermeer en het IJ, terwijl tegelijk de sluizen opengezet en de dijk doorgestoken werd. Terwijl hun aanvoerder uit Edam versterking was gaan halen, werden zij door een aanzienlijke macht uit Amsterdam aangetast: een hevige strijd volgde te land en te water, deels in booten, deels op den glibberigen dijk, deels in het water, een strijd, waarschijnlijk niet ongelijk aan de gevechten tusschen de oude Batavieren en Romeinen ten tijde van Claudius Civilis.De Hollanders moesten ten laatste voor de overmacht onderdoen. Sonoy, op weg om hen te hulp te komen, werd in zijn plan teleurgesteld door de onverwachte flauwhartigheid der vrijwilligers, die hij in Edam bijeen had gebracht. Duizend gevaren trotseerende zette hij, bijkans geheel alleen gelaten, met zijn broer den tocht voort, maar hij kon slechts met eigen oogen de nederlaag en verstrooiing der zijnen zien. Het was te laat om de wijkende troepen te hereenigen. Wakker hadden zij gestreden, doch voor de overmacht moesten zij zwichten, nadat één hunner wonderen van dapperheid had verricht.Jan Haring uit Hoorn had geheel alleen post gevat op den dijk, die tusschen het IJ en het Diemermeer lag en zoo smal was, dat nauwelijks twee mannen naast elkander konden staan. Daar had hij met zwaard en schild aan een duizendtal vijanden weerstand geboden en hun den weg versperd, lang genoeg om zijn kameraden in staat te stellen, zich weder te verzamelen en den aanval af te slaan. Het was te laat, maar toch handhaafde de wakkere krijgsman zich op zijn post, totdat zijn krijgsmakkers, die nog in de verschansingen waren, veilig hadden kunnen aftrekken: toen sprong hij in het water en ontkwam ongedeerd.Ware hij een Griek of Romein geweest, Horatius of Chabrias, zijn naam zou in de geschiedenis vermaard, zijn standbeeld op het marktplein opgericht zijn, want de koene Hollander had op zijn dijk evenveel dapperheid in een even heilige zaak aan den dag gelegd, als de uitstekendste helden der oudheid.Deze mislukte poging om de gemeenschap tusschen Amsterdam en het land af te snijden, versterkte Alva’s vertrouwen. Eenige honderden Nederlanders waren gedood of gevangen genomen, en onder de gesneuvelden bevond zich de schilderAntonie Olivier, door wiens toedoen Lodewijk van Nassau Bergen overrompeld had; zijn hoofd werd afgehouwen door twee vaandrigs, die er den gestelden prijs, tweeduizend Carolusguldens, voor ontvingen. Nu bevestigde men er een stuk papier aan, waarop de naam van den terdoodgebrachte geschreven stond en wierp het hoofd zoo in de stad Haarlem. Tevens werd in de Spaansche legerplaats vóór de stad, op eene in het oog vallende plek eene nieuwe galg gezet, waaraan men al de gevangenen, eenigen bij den nek, anderen bij de hielen, in het gezicht der hunnen ophing. Zooals gewoonlijk, prikkelde deze wreedheid de burgers tot weerwraak.Twee van de afgezette overheden, die de Spaansche zijde gekozen hadden, zaten nog in Haarlem gevangen, evenals nog zeven andere personen, waaronder een priester en een twaalfjarige knaap. Zij werden nu tot de galg veroordeeld. De vrouw van een der afgezette burgemeesters en zijne dochter, een bagijn, vergezelden hem naar de plaats der terechtstelling met vrome vermaningen om de uitjouwingen van het gepeupel en zijn smadelijk vonnis moedig te dragen. Het grauw, door die koenheid verbitterd, joeg vrouw en dochter in het water, waar zij beiden omkwamen. Het is billijk, deze voorbeelden van wreedheid door de Nederlanders begaan, te vermelden, maar die wreedheid was het bijna onvermijdelijk gevolg der gruwzaamheid van den uitheemschen vijand.Het was een oorlog van wolven; om Mendoza’s woorden te gebruiken: “allen, zoowel binnen als buiten Haarlem, schenen door een geest van persoonlijke wraakzucht gedreven.” Het onschuldig bloed, in Mechelen, Zutfen, Naarden en op duizend schavotten vergoten, had te lang reeds tot God om wraak geschreeuwd; de Hollanders moesten meer of minder dan menschen geweest zijn om zich soms niet te laten verleiden tot daden, die de rechtvaardigheid en de rede moeten afkeuren.De zonderlinge gril van een manhaftig bevelhebber der bezetting, hopman Curey, stelt duidelijk het afgrijzen in het licht, waarmede de edeldenkenden zulke bloedtooneelen beschouwden. Uit den aard zachtmoedig, maar door het zien der Spaansche wreedheid ontvlamd, had hij de wapenen, die hem vroeger tegenstonden, opgevat; dapper tot vermetel toe, voerde hij de zijnen, bij elken uitval, bij elk gevaarvol nachtelijk waagstuk, aan. Slechts met zijn rapier gewapend, ongeharnast, kon men hem steeds zien, waar de strijd het hevigst woedde en talrijk waren de slachtoffers, door zijn staal geveld. Teruggekeerd van zulke tochten, sloot hij zich in zijn huis op en bleef dagen lang te bed liggen, door wroeging gepijnigd, terwijl hij zich bitter al dat bloedvergieten verweet, waarin hij gedeeld had en dat door eene wreede lotsbeschikking noodig scheen. Als die vlaag van verteedering bedaard was, kwam zijn strijdlust gewoonlijk terug en ijlde hij wederom naar het slagveld om nieuwe slachtoffers voor zijn woede te vinden.Bijna dagelijks hadden er gevechten voor de wallen plaats. Op den 25enMaart deden duizend man een schitterenden uitval, verdreven al de vijandelijke buitenposten, staken driehonderd tenten in brand en bemachtigden zeven stukken geschut, negen standaards en vele wagens vol mond- en krijgsbehoeften en dat alles brachten zij veilig in de stad. Na aldus buit behaald te hebben, op eene wijs, niet dikwijls te werk gesteld door de burgers eener belegerde stad, in het aangezicht van dertigduizend oudgediende krijgers—na van den vijand, wiens gansche macht bijnaaan den strijd deelnam, achthonderd man gedood te hebben, terwijl zij zelven slechts vier van de hunnen verloren,—richtten de Haarlemmers een ontzettend maar verheven zegeteeken op. Een zodenheuvel werd, in het gezicht van het vijandelijke leger, in den vorm van een reusachtig graf, op de wallen aangelegd en daarop de zoo heldhaftig veroverde kanonnen en standaards geplant, terwijl midden op den heuvel een banier golfde met het uittartend opschrift: “Haarlem is het kerkhof der Spanjaarden.”Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).Ziedaar de bijzonderheden, waardoor dit vermaard beleg zich gedurende den winter en de vroege lente kenmerkte. Wel mocht Alva aan zijn vorst schrijven, dat “het een beleg was, welks gelijke men tot dusver in geen ander land ooit gezien of gehoord had.” Toch had de hertog bijna zestig jaren van onafgebroken oorlog gekend. Hij meldde aan Filips, dat “geen vest ooit met zooveel beleid en dapperheid verdedigd was als Haarlem,” hetzij door opstandelingen, hetzij door mannen die voor hun wettigen vorst streden.”Zeker had zijn zoon ingezien hoezeer hij zich vergist had, toen hij beweerde, dat de stad zich binnen een week zou overgeven; terwijl de vader na eene ondervinding van zes jaar dit “volk van boter” minder smijdig begon te vinden, dan zelfs die “ijzeren volken,” die hij zich beroemde getemd te hebben. Het was gebleken, dat noch een Grieksche of Italiaansche hemel, noch het verheven Zwitsersche alpenland vereischten waren, om een geest van kloekmoedigen weerstand tegen uitheemsche onderdrukking te doen ontvlammen, een geest, die zich even krachtig gelden liet onder de winternevelen en op de lage weiden van Holland, als hij het ooit onder zonniger luchtstreken en in bekoorlijker oorden gedaan had.Mendoza had zijne zending naar Spanje volbracht en was binnen zes weken met geld teruggekeerd. Op zijne voorstellen en Alva’s herhaald verzoek, had Filips daarenboven aan Requesens, stadhouder van Milaan, last gegeven, drie oude Spaansche regimenten naar de Nederlanden te zenden, die thans voor Haarlem meer noodig waren, dan in Italië. Terwijl de landmacht dus versterkt werd, was de vloot op het Haarlemmermeer ook aanzienlijk vergroot.Van zijn kant had de Prins van Oranje meer dan honderd vaartuigen van verschillende soort verzameld, zoodat de waterplas van schepen wemelde. Bijna dagelijks vielen er thans ter zee gevechten en schermutselingen voor, het bleek duidelijk dat de kamp op leven en dood thans op het water zou gestreden worden. Zoo lang de Hollanders zich daar konden handhaven, was het nog mogelijk aan Haarlem onderstand te doen toekomen, maar zoo de Spanjaarden de prinselijke vlootoverwonnen, moest de stad onvermijdelijk verhongeren.Eindelijk had er op den 28enMei een beslissend gevecht tusschen de beide vloten plaats. Van weerszijden werd er geënterd en lang en hevig man tegen man gevochten. Bossu had honderd schepen onder zijn bevel; Maarten Brand, de Hollandsche admiraal, kommandeerde er omtrent honderdvijftig, maar kleinere. Batenburg stond aan het hoofd van het krijgsvolk op de Hollandsche schepen. Na een hardnekkigen strijd, waarin eenige duizenden omkwamen, werd de overwinning ten gunste der Spanjaarden beslist. Na tweeëntwintig van ’s prinsen schepen bemachtigd en de overigen geheel verslagen te hebben, voer Bossu in zegepraal over het meer.De schansen der Geuzen werden onmiddellijk ingenomen en den Haarlemmers de gemeenschap met hunne vrienden voor goed afgesneden.Dit was het begin van het einde: de wanhoop maakte zich meester van de stad. De bevolking was lang met één pond brood per man en een half pond voor iedere vrouw toegekomen; maar thans was het brood op en na de afsluiting van het meer stond de hongersnood voor de deur. De Haarlemmers deden den Prins dringend verzoeken, nog iets voor hunne redding te beproeven; drie weken bepaalden zij als het uiterste tijdstip, tot wanneer zij het nog konden harden.Oranje liet hun door postduiven weten, dat zij het nog wat moesten volhouden, daar hij een krijgsmacht verzamelde en hoopte hun onderstand te bezorgen.Intusschen nam in den loop van Juni de nood der inwoners van uur tot uur toe; van gewoon voedsel was reeds sedert lang geen sprake; men leefde van lijn- en hennepzaad; toen ook de voorraad daarvan was uitgeput, at men katten, honden, ratten en muizen; waren ook die dieren verbruikt, dan kookte men paarden- en ossenhuiden en schoenleder, men plukte distelen, het gras van de kerkhoven en het onkruid dat tusschen de straatsteenen groeide, om het leven maar te rekken, totdat de beloofde hulp komen zou. Mannen, vrouwen en kinderen vielen van honger dood op de straat, terwijl zij, die hen overleefden, nauwelijks het hart of de kracht hadden om ze van de straat op te nemen en te begraven. De nog levenden schenen als schimmen rond te waren en benijdden hen, aan wier lijden de dood een einde had gemaakt.Zoo verstreek de maand Juni; op den 1enJuli besloten de burgers in onderhandeling te treden. Zij zonden gemachtigden aan de belegeraars, maar de onderhandelingen werden kortweg afgebroken, daar Don Frederik van geen voorwaarden of vergelijk wilde hooren. Op den 3enwerd er weder een stevig vuur tegen de stad geopend: duizend en acht kanonkogels werden er verschoten, meer dan op eenig anderen dag sinds den aanvang van het beleg. De wallen werden zeer beschadigd, maar geen storm geloopen, want de belegeraars waren er zeker van, dat de inwoners het onmogelijk langer konden uithouden.Een laatste brief, met bloed geschreven, ging uit Haarlem naar den prins van Oranje, om hem den wanhopigen toestand te kennen te geven; tegelijk wierp men met den spot der wanhoop de weinige brooden, die er nog binnen de vest over waren, in de vijandelijke legerplaats. Een paar dagen later werd er een tweede vergeefsche poging tot onderhandelen gedaan; toen stak men een zwarte vlag uit, ten teeken, dat men aan vriend en vijand wanhoopte; maar kort daarop vloog er eene duif de stad in met een brief van den prins, waarin hij verzocht, het nog twee dagen uit te houden, daar de hulp ophanden was.De Prins had inderdaad alles gedaan wat mogelijk was: hij had burgers van Delft op het marktplein doen vergaderen en hun zijn voornemen aangekondigd om in persoon Haarlem te hulp te komen, indien men slechts wat krijgsvolk bijeenbrengen kon. Soldaten waren er niet, maar de Hollandsche steden Delft, Rotterdam en Gouda voelden de innigste deernis met Haarlems lot en vele deftige burgers, zelfs personen van aanzien, boden zich als vrijwilligers aan, om tot ontzet op te rukken. De Prins was niet ingenomen met dat gemengde leger, waarvan hij niet metzekerheid voorspellen kon, dat het in het vuur stand houden zou, en als krijgsman wist hij, dat bij zulk eene onderneming geestdrift geenszins het gebrek aan ondervinding vergoeden kon. Daar echter de drang van het oogenblik geen uitstel duldde, stelde hij een volmacht op, waarin hij Paulus Buys benoemde tot gouverneur bij zijne afwezigheid en tot waarnemend stadhouder, zoo hij bij den tocht kwam te sneuvelen. Vierduizend gewapende vrijwilligers met zeshonderd ruiters onder van der Noot van Carlo waren bijeen en de Prins zelf stelde zich aan hun hoofd. Een kreet ging op; overheden en burgers, de troepen zelf wilden niet gedoogen, dat een zoo kostbaar leven, zoo onmisbaar voor Hollands bestaan, in gevaar zou worden gesteld. Van belang was het zeker, Haarlem onderstand te zenden, maar de Prins woog tegen vele steden op. Met weerzin stemde hij er eindelijk in toe, het beleid van den tocht op te dragen aan den baron van Batenburg, des te schoorvoetender omdat hij de troepen niet genoeg vertrouwde. Op den 8enJuli bij het vallen van den avond, brak het leger van Sassenheim op: het bedroeg omstreeks vijfduizend man, die vierhonderd wagens met leeftocht en zeven veldstukken bij zich hadden. Onder de vrijwilligers zag men den later zoo beroemd geworden Oldenbarneveld met het musket op den schouder; het was één voorbeeld voor den geest, die de gansche bevolking bezielde.Batenburg hield halt in het Noordwijkerbosch, aan de zuidzijde van Haarlem en bleef er tot middernacht. Alles scheen stil in ’s vijands leger; nadat er een gebed gedaan was, gaf de Hollandsche bevelhebber last om voort te rukken, in de hoop terwijl het leger sliep, tusschen de schansen door te kunnen sluipen. Hij zou zich bitter teleurgesteld zien: de Spanjaarden waren nauwkeurig bekend met zijne plannen en de sterkte zijner macht, daar twee duiven met brieven, al de bijzonderheden van den voorgenomen tocht behelzende, geschoten en aan Don Frederik gebracht waren. De burgers rukten naar het schijnt, de vest aan den kant van waar men Batenburg verwachtte, uit, om zich met hem te kunnen vereenigen. Men had afgesproken door seinvuren den belegerden kennis te geven van de nadering der hulptroepen; de Spaansche opperbevelhebber liet nu echter een hoop groene takken, pik en stroo in brand steken tegenover de bres in de stadswallen en er vijfduizend uitgelezen mannen bij post vatten; vijfduizend anderen, met een ruiterbende aan de duinzijde geplaatst, moesten de Nederlandsche troepen in de linkerflank aantasten; zes regimenten onder Romero moesten oostwaarts oprukken en den vijand in de rechterflank vallen. De dikke rookwolken verborgen de door Batenburg ontstoken seinvuren voor de burgerij, en de vijfduizend Spanjaards voor de aanrukkende Hollanders; zoodra Batenburg uit het bosch opdaagde, werd hij door een overmacht aangevallen en weinige minuten later van alle kanten omsingeld. Het geheele Spaansche leger was onder de wapenen en had den vijand reeds twee dagen lang verbeid. De Haarlemmers alleen waren onkundig van zijne nadering; het rumoer van het gevecht hielden zij voor een valsch alarm der Spanjaards om hen in het vijandelijke leger te lokken.Batenburg sneuvelde en zijne troepen werden geslagen; het aantal gevallenen werd verschillend opgegeven, van zeshonderd tot twee- en zelfs drieduizend toe. In elk geval werd de gansche macht vernietigd of verstrooid en was de pogingom de stad te hulp te komen, mislukt. Batenburgs dood werd te minder betreurd, omdat men hem, waarschijnlijk ten onrechte, beschuldigde van tijdens het gevecht beschonken geweest te zijn, en bijgevolg onbekwaam om de hem toevertrouwde onderneming te leiden.De Spanjaards sneden nu een gevangene neus en ooren af en zonden hem in de stad om er de tijding van de nederlaag te brengen, terwijl men ter bevestiging van het bericht, eenige hoofden over de wallen wierp. Toen de rampspoedige afloop te Delft bekend werd, zou er een uitbarsting van verontwaardiging tegen Oranje zelf plaats hebben gehad; volgens een bericht van Alva, dat echter niet geheel kan worden vertrouwd, wilden enkelen uit het grauw het verblijf van den Prins plunderen en deden zij hem persoonlijke beleedigingen aan.Indien er eene opschudding plaats vond, dan was de gramschap van het volk wel zeker ongegrond; doch het verhaal berust op een vage verzekering van den hertog en is in strijd met andere berichten. Het was thans evenwel noodzakelijk geworden, de heldhaftige, maar beklagenswaardige stad aan haar lot over te laten; onmogelijk kon iets meer te haren behoeve gedaan worden.Het Haarlemmermeer met de daaraan liggende schansen was in ’s vijands macht; de troepen, die men had kunnen bijeenbrengen om de belegeraars aan te tasten, waren verslagen en met een bezwaard gemoed liet de Prins den burgers thans aanzeggen, dat zij op de best mogelijke voorwaarden met den vijand een verdrag moesten zien aan te gaan.Eene vreeselijke verlegenheid ontstond in de uitgehongerde stad: er was geen heil te vinden in onderwerping, noch in tegenstand; er bleef niets anders over dan vermoord te worden of te verhongeren. Doch zoo er binnen de vest niets meer te hopen viel, daarbuiten wachtte nog een krijgsmansdood: de bezetting besloot met de weerbare burgers in dichtgesloten gelederen de poorten uit te rukken en zich door het vijandelijke leger een weg te banen of te sneuvelen. De hulpeloozen en zieken, die men in de stad achterliet, zouden mogelijk wel door den vijand met verschooning behandeld worden, als de weerbare mannen allen gevallen waren, en dezen konden met in de stad te blijven hen toch niet beschermen. Zoodra echter dit besluit ruchtbaar werd, hieven vrouwen en kinderen zulk een deerlijk gekrijt en gejammer aan, dat het den krijgslieden en burgers door het hart sneed en het eerste plan opgegeven werd. Nu zou men de vrouwen en kinderen, de zieken en ouden in het midden nemen, zoo uittrekken en zich met de wapenen een doortocht banen, door de kracht der wanhoop overwinnen, of althans allen te zamen omkomen.Deze wanhopige ontwerpen werden spoedig in het Spaansche leger bekend, en Don Frederik was na hetgeen hij in de laatste zeven maanden gezien had, overtuigd, dat er niets was, wat de Haarlemmers niet zouden durven bestaan. Hij vreesde, dat zij de stad in brand zouden steken en met hunne huizen, vrouwen en kinderen omkomen, en hij wilde zich de vrucht der zoo duur gekochte overwinning niet ontrukt zien, nu hij tot plukken gereed stond. Op zijn last werd er, uit naam van graaf Overstein, die over de Duitsche troepen in het Spaansche kamp het bevel voerde, een brief gezonden aan de overheid en de aanzienlijksteburgers, om hen uit te noodigen zich onvoorwaardelijk over te geven, doch onder de plechtige verzekering, dat niemand gestraft zou worden, uitgezonderd zij, die dit naar het oordeel der burgers verdiend hadden en met belofte van rijkelijke vergiffenis, indien de stad zich onverwijld overgaf.Op het oogenblik, dat Don Frederik dezen brief afvaardigde, had hij gestrenge bevelen van zijn vader ontvangen om geen man van de bezetting in het leven te sparen, uitgenomen de Duitschers, en bovendien een aanzienlijk getal burgers ter dood te doen brengen: deze bevelen dorst hij niet ongehoorzaam zijn, zelfs al had hij daartoe eenige geneigdheid gevoeld. Intusschen gaf de stad zich, tengevolge van Oversteins half officieelen brief op 12 Juli aan de genade des overwinnaars over.De groote klok werd geluid en er werd bevolen, dat al de wapens, die de bezetting of de burgerij bezat, op het stadhuis zouden uitgeleverd worden; vervolgens werd last gegeven, dat de mannen zich in het klooster te Zijl, de vrouwen in de Groote Kerk, de krijgsknechten in de Bakenesser Kerk zouden verzamelen.Don Frederik, begeleid door den graaf van Bossu en een talrijken staf, reed de stad in; het schouwspel, dat zich aan zijn blik vertoonde, had een hart van steen tot deernis kunnen bewegen. Overal zag men de sporen van ellende, zoo heldhaftig verduwd in het zevenmaandsch beleg; de rookende puinhoopen der huizen, door de gloeiende kogels in brand geraakt, de vergruizelde bolwerken, de gevelde boomstammen, opgebroken straatsteenen, verbrijzelde beelden en andere voorwerpen, die hadden moeten dienen om de bressen te stoppen. Verder de afgeknaagde beenderen van het ongedierte, waarmee men zich had gevoed; de onbegraven lijken van mannen en vrouwen, die op straat gestorven waren—bovenal de spookachtige, uitgemergelde gestalten der nog levenden, die slechts de schaduw van zich zelven geleken: dit alles was wel geschikt om ten minste te doen twijfelen, of het doorgestane lijden niet reeds eene toereikende straf was, zelfs voor zulke zware vergrijpen als ketterij en afval.Don Frederik dacht er evenwel anders over; hij meende in de holle oogen, die hem bij het binnenrukken der stad aanstaarden, zoowel uittartenden moed als wanhoop te lezen en hij bekreunde zich niet om de belofte, die hij wel niet uitdrukkelijk, maar toch niet minder heilig gegeven had.Al de bevelhebbers der bezetting werden in hechtenis genomen. Eenigen hunner hadden hun vonnis door een vrijwilligen dood voorkomen. Kapitein Bordet, een Fransch edelman, dwong gelijk Brutus, zijn dienaar hem den degen voor te houden, waarin hij zich stortte, liever dan zich levend aan de wraak der Spanjaards over te geven. Het ontbrak ook niet aan trekken van edelmoedigheid: in plaats van Pieter Hasselaar, een jongen vaandrig, die zich in het beleg door dapperheid had onderscheiden, namen de Spanjaards bij vergissing zijn broeder Nicolaas gevangen. Deze liet zich zonder tegenkanting wegvoeren, toen Pieter opsprong, op de wacht toesnelde en uitriep: “Zoo gij den vaandrig Hasselaar zoekt, die ben ik. Laat dezen onschuldige los!” Het mocht nog een buitengewoon geluk heeten, dat hem slechts een harde gevangenschap ten deel viel; al de gevangen genomen bevelhebbers toch werden naar het Huis te Kleef vervoerd en daar onmiddellijk terdood gebracht. Hopman Ripperda, die zich zoo heldhaftig tegen den kruipenden zin der overheid had verzet, die door zijn kloeke taal de bezetting en burgerij tot tegenstand ontvlamd en door zijn beleid en moed het beleg zoo lang gerekt had, was een der eersten, aan wien het doodvonnis voltrokken werd. Een natuurlijke zoon van den kardinaal Granvelle, die gemakkelijk zijn leven had kunnen redden door zich op eene afkomst te beroepen, die hij vloekte, en jonker Lancelot van Brederode, een bastaardspruit van dat aanzienlijke Huis, bevonden zich mede onder de slachtoffers.Den dag daarop kwam Alva in het leger; hij reed om de stad heen, en bekeek de bolwerken van den buitenkant, doch keerde naar Amsterdam terug, zonder de stad zelve betreden te hebben. Den volgenden morgen begon het bloedbad.De plundering was voor tweehonderd en veertigduizend gulden afgekocht, welke som de burgers zich verbonden hadden in vier termijnen te betalen; doch de moord, die bij de Spanjaarden een onmisbare toegift tot de overwinning was, kon niet worden afgekocht. Bovendien had Alva tot een algemeen bloedbad besloten.De bezetting was in den loop van het beleg van vierduizend tot op achttienhonderd ingekrompen; op Alva’s last werden de zes honderd Duitschers op vrije voeten gesteld, mits zij zich verbonden niet meer tegen den koning te dienen, en al de overigen met minstens evenveel burgers, onmiddellijk ter dood gebracht. Dagelijks werd er met trommelslag afgekondigd, dat al wie personen herbergde, die vroeger voortvluchtig waren geweest, hen moest uitleveren, op straffe van anders zelf oogenblikkelijk voor de deur opgeknoopt te worden. Het was vooral aan die vluchtelingen en aan het krijgsvolk, dat zich de moordlust des overwinnaars koelde; hoewel men van dag tot dag aanhoudend redenen wist te vinden om iedereen ter dood te brengen, die zich eenigermate door verdiensten, rang, vermogen of vrijheidsliefde onderscheidde, de slachting toch kon niet op eens volbracht worden; ondanks allen ijver kostte het verscheidene dagen. Vijf scherprechters met hun knechts hadden handen vol werk en toen zij eindelijk van vermoeienis uitgeput, of misschien niet langer tot hun afgrijselijk werk in staat waren, werden driehonderd rampzaligen paarsgewijze rug aan rug gebonden en in het Haarlemmermeer verdronken.Eindelijk, na het in koelen bloede vermoorden van drie-en-twintig honderd menschen in een stad, waar vroeger reeds zoovele duizenden door een gewelddadigen of pijnlijk gerekten dood omkwamen, werd er zoogenaamd vergiffenis verleend. Zevenenvijftig der meest bekende burgers werden evenwel van deze amnestie uitgesloten en in verzekerde bewaring genomen, als borgen voor het toekomstig goed gedrag hunner medeburgers. Sommigen dezer gijzelaars werden spoedig ter dood gebracht, anderen stierven in de gevangenis, en allen zouden ten laatste van kant geholpen zijn, indien niet de kort daarop gevolgde nederlaag van den graaf van Bossu op de Zuiderzee, den Prins van Oranje in staat had gesteld, de nog overige gevangenen uitgewisseld te krijgen.Tienduizend tweehonderd zes en vijftig schoten waren er gedurende het beleg op de wallen gericht; twaalfduizend der belegeraars waren aan wonden of ziekten gestorven, gedurende de zeven maanden en twee dagen, die er tusschende eerste insluiting en de overgave verliepen. In de eerste helft van Augustus, nadat het moorden opgehouden had, deed Don Frederik zijne zegevierende intrede in de stad, met wier val Hollands overweldiging thans was aangevangen. Het gedenkwaardige beleg van Haarlem doet ons evenzeer verbaasd staan over de toegebrachte als over de doorgestane ellende.De Spanjaarden vierden feest door in Utrecht ’s Prinsen beeltenis eerst plechtig ten toon te dragen, vervolgens op het rad te leggen en te verbranden. Intusschen was Haarlems verovering een van die zegepralen, die voor de overwinnaars bijna gelijk staan met een nederlaag en zeker was de Spaansche heerschappij niet sterk genoeg om tegen nog vele dergelijke overwinningen bestand te zijn. Indien er dertigduizend uitgelezen manschappen, waaronder drie keurbenden van Alva “de onoverwinnelijken,” “de onsterfelijken” en “de weergaloozen” gedoopt, noodig waren geweest in zeven maanden en met verlies van twaalfduizend man om de zwakste stad van Holland te veroveren, hoeveel soldaten, hoeveel tijd en hoeveel menschenlevens zouden er dan niet worden vereischt, om deze kleine provincie geheel tot onderwerping te brengen? Want, gelijk de plundering en moord van Naarden het tegenovergestelde hadden uitgewerkt van hetgeen er mee beoogd was en het Hollandsch gemoed er eer door tot kloeken wederstand geprikkeld, dan in verslagenheid gedompeld werd, zoo had ook Haarlems standvastige en roemrijke verdediging, ondanks den treurigen afloop slechts gediend om den haat tegen de vreemde onderdrukkers en de vaderlandsche geestdrift van de andere Hollandsche steden ten top te voeren.Zelfs de schatten der nieuwe wereld zouden ontoereikend zijn om de kosten der verovering van die kleine strook land goed te maken. In vijf jaren tijds had men uit Spanje vijfentwintig millioen gulden naar de Nederlanden gezonden, ter bestrijding van de oorlogskosten en toch bleek dit bedrag, ofschoon nog vermeerderd met de aanzienlijke sommen, jaarlijks uit verbeurdverklaringen getrokken, met de vijf millioen, waarop de honderste penning geschat werd en met de twee millioen ’s jaars waarvoor de tiende en twintigste penning afgekocht was, ontoereikend om het krijgsvolk behoorlijk betaald te houden.Desniettemin was de blijdschap voor het oogenblik uitbundig. Filips lag gevaarlijk ziek bij Segovia, toen het heuglijk nieuws van Haarlems verovering en het daarmede gepaard gaande bloedbad aankwam. Het verhaal van al dien jammer hem door Alva uitvoerig medegedeeld, werkte op hem als een toovermiddel. Het bloed van drie-en-twintig honderd zijner natuurgenooten, in koelen bloede, op zijn last, in één enkele stad vermoord, bleek voor den bloeddorstigen Monarch een heulsap: hij dronk en voelde zich verkwikt. “Het voornaamste geneesmiddel, dat Zijne Majesteit geholpen heeft,” meldde de geheimschrijver Çayas uit Madrid aan Alva, “is de vreugde, die hem de door u medegedeeldeblijde tijding van Haarlems overgaafheeft verschaft.”In de uitgelatenheid zijner blijdschap vergat de koning hoe misnoegd hij nog onlangs over den gang van zaken in de Nederlanden geweest was, hoeveel schatten er jaarlijks zonder bevredigende uitkomsten verspild waren. “Bewust, in welk een nood gij u bevindt,” vervolgde Çayas, “heeft Zijne Majesteit op staanden voet doctorVelasco bij zich laten komen en hem last gegeven u geld te verschaffen, al moest hij het hart der aarde opdelven.”Was de blijdschap der Spanjaards zoo groot, de Prins van Oranje verloor toch de hoop en den moed niet: hij sloeg den blik naar boven en stelde zijn vertrouwen op een hoogere macht dan die van menschen. “Ik had gehoopt, u betere tijding te zenden,” schreef hij aan graaf Lodewijk; “met dat al, daar het den Goeden God anders behaagd heeft, behooren wij in Zijn goddelijken wil te berusten. Ik neem denzelfden God tot getuige, dat ik naar mijne middelen alles gedaan heb wat mogelijk was, om de stad te ontzetten.”Eenige dagen later schreef hij in denzelfden geest, terwijl hij zijn broeder meldde, dat het den Zeeuwen gelukt was, het kasteel Rammekens op het eiland Walcheren te veroveren. “Ik hoop,” zeide hij, “dat dit den trots onzer vijanden zal fnuiken, die na Haarlems overgaaf ons levend dachten te verslinden. Ik ben echter verzekerd, dat zij meer werk zullen vinden, dan zij verwachten.”Tot zoover Motley’s beschrijving van dit merkwaardig beleg en den indruk, dien de overgave maakte.

Hoofdstuk XVI.De Prins in Holland. Belegerde steden. 1572–1573De schaduw van succes, door het volk dat zijn gezag trotseerde behaald, verbitterde Alva buitengewoon. Ook andere gebeurtenissen hadden zijn toorn niet bedaard, misschien werkte zelfs de komst van Medina-Coeli, die bestemd was zijn plaats in te nemen, ook mede tot zijn besluit, om thans met krachtige hand op te treden.Nu Bergen heroverd was, had hij de handen vrij, om de afvallige steden en gewesten in het Noorden voor hun ongehoorzaamheid te doen boeten. Aan Don Frederik gaf hij het opperbevel over het leger van 15.000 man, dat de strafoefening in het Noorden zou voltrekken.De tocht ging van Bergen over Mechelen, dat voor de opening van de poorten voor den Prins vreeselijk moest boeten. Drie dagen lang duurde daar een plundering en verwoesting, welke zelfs op koningsgezinden een allerdroevigsten indruk maakte. “Het was, alsof de kerkelijke hoofdstad der Nederlanden een Turksche stad was geworden,” terwijl een Spanjaard uit Brussel schreef: “Nauwelijks had men een spijker in de muren overgelaten.”Van Mechelen ging de tocht van het Spaansche leger noordwaarts; eerst de Maas over bij Maastricht en daarna bij Lobith den Rijn weder over, ten einde de IJselsteden te herwinnen. In die streek had de Graaf van den Bergh, de zwager van den Prins, met Duitsche troepen Zutfen en andere plaatsen bezet. Ook de Prins kwam daar in het midden van October op zijn doorreis naar Holland nog aan en meende, dat de plaats in veiligheid was. Spoedig zou Zutfen de wraak van Alva ondervinden. Hij had bevel gegeven, geen enkel man in de stad te sparen en al de huizen tot den grond toe te verbranden. Het bevel werd bijna letterlijk opgevolgd. Don Frederik rukte Zutfen binnen en deed onmiddellijk de geheele bezetting over de kling jagen; maar niet alleen de bezetting, ook de weerlooze burgers moesten het ontgelden, en de stad, die zoo smadelijk bij de nadering van denvijand door van den Bergh in den steek was gelaten, werd zoo goed als uitgemoord.Na Zutfen kwam Naarden aan de beurt. Don Frederik kreeg n.l. bevel naar Amsterdam op te rukken om van daar de verovering van Holland te beproeven. Op zijn weg daarheen kwam hij langs Naarden, dat genomen werd en waarop een slachting plaats had zoo gruwelijk, dat men zich afvroeg of het wel menschen waren, die daar aan het werk waren geweest. Alva schreef met eenig welbehagen aan den koning, dat “zij burgers en soldaten afgemaakt en geen menschenkind in het leven gespaard hadden.”Don Frederik rukte van Naarden naar Amsterdam, waar Alva destijds verblijf hield, die vol vreugde was over al het goede, dat zijn zoon reeds verricht had. Behalve de vaderlijke goedkeuring ontving hij ook die van zijn koning, die vond dat Don Frederik zich een zoon had betoond zulk een vader volkomen waardig!Een maand te voren echter was de Prins reeds in Holland. Van Zutfen over Zwolle en Kampen en verder over de Zuiderzee, had hij met een zestigtal volgelingen de reis gedaan. Op den 18enOctober had hij uit Zwolle aan zijn broeder Jan een brief geschreven. Deze brief, onder den indruk van de macht der Spaansche wapenen, de overgave van Bergen, de verwoesting van Mechelen en den schrik der bevolking geschreven, gunt ons weder een blik in het gemoed van den schrijver. “Ik vrees,” zoo zegt hij, “dat ik mij waarlijk geheel en al van alle kanten verlaten zal vinden, als God niet wonderdadig er in voorziet.”Hij betreurt ten zeerste de lafhartige vlucht van de benden van zijn zwager. “Zelf ben ik besloten naar Holland en Zeeland te gaan, om zoo mogelijk daar den toestand te behouden en daar mijn graf te vinden.”Twee dagen na het schrijven van dien brief, was de Prins te Kampen en vandaar vertrok hij met de zijnen op enkele galeien, die hem te gemoet waren gezonden naar Enkhuizen, waar hij zonder eenigen tegenspoed aankwam en met groote vreugde werd ontvangen. Zijn aankomst in Holland was dringend noodig, om de inwoners, die den moed hadden verloren, met nieuwen moed te bezielen; zelfs de ijverigsten waren op het punt den ongelijken strijd op te geven of het land voor altijd te verlaten. Zijn tegenwoordigheid was niet minder noodig, om de wettelooze plundering van zijn eigen zeelieden tegen te gaan; voor vriend en vijand waren de Watergeuzen een schrik.Na te Enkhuizen geland te zijn, deed de Prins een reis door Holland en kwam in den loop van November in Dordrecht aan. Op die reis bezocht hij ook Haarlem, dat na Naarden aan de beurt lag, om door Don Frederiks leger belegerd en gestraft te worden. Daar Oranje zich in Zuid-Holland gevestigd had en zijn stadhouder Sonoy zich in het Noorderkwartier bevond, was Haarlem voor Alva van groot belang. De stad lag n.l. op een landstrook daartusschen en bij verovering zou Holland in twee stukken zijn verdeeld, waardoor de strijdkrachten der opstandelingen in tweeën gesplitst konden worden, tengevolge waarvan verdere wederstand onmogelijk zou zijn; althans zoo dacht men in het Spaansche hoofdkwartier. Gedurende den herfst had die stad reeds alle voorbereidselen genomen om een beleg, dat onvermijdelijk scheen, te kunnen volhouden.Het bezoek van den Prins was een bemoediging en waarschuwing voor deburgers. Van daar schreef hij op den 1enNovember aan den burgemeester en de burgers van Amsterdam, de eenige van al de noordelijke steden, die zich niet voor hem verklaard had. Hij vroeg hun, zijn pogingen om Alva te bestrijden, te ondersteunen en gaf te kennen, dat hij bereid was, tot hen te komen, indien ze dat wenschten, maar zijn brief werd door geen antwoord gevolgd. Met het oog op de vreeselijke gebeurtenissen in Zutfen en Naarden was de aarzeling wel begrijpelijk. Ook in Haarlem bestond bij demagistraatdiezelfde kleinmoedigheid; deze zond zelfs een drietal hunner naar Alva, om in geheime onderhandelingen met hem te treden, doch die plannen werden door Ripperda, den heldhaftigen commandant van het garnizoen, verijdeld. Twee overheidspersonen, de pensionaris Assendelft en de schepen Schagen werden onthoofd, nadat ze nog voor den schijn te recht hadden gestaan en onder het bestuur van den Prins benoemde Aldegonde een geheel nieuwe corporatie.Een gelukkige gebeurtenis scheen voor den naderenden strijd om Haarlem een goed voorteeken. Een kleine vloot, aan Holland behoorende, was in de nabijheid van Amsterdam ingevroren geraakt. Don Frederik zond een afdeeling over het ijs om die vloot te bemachtigen, maar het scheepsvolk had een breede bijt rondom de schepen opengehakt, zoodat de vloot in een groot vastgevroren en drijvend kasteel was herschapen. Een sterke bende goed geoefende musketiers ging op de schaats de aanvallers tegemoet. Een kortstondige en glibberige schermutseling volgde, waarin de Hollanders, op het ijs door en door thuis, gemakkelijk de overwinning behaalden en den vijand met achterlating van eenige honderden dooden verjoegen.“Het was iets tot dusver ongehoords” schreef Alva, “een troep haakschutters zoo te zien schermutselen op de bevroren zee.” Gelukkig kwam de vloed en de sterk ingevallen dooi de schepen verlossen, die allen naar Enkhuizen ontkwamen, terwijl de vorst, welke onmiddellijk daarop weder inviel, de vervolging onmogelijk maakte.Spoedig daarna begon het merkwaardige beleg van Haarlem, dat zoo meesterlijk door den geschiedschrijver Motley is meegedeeld en dat we daarom, tevens als voorbeeld van een beleg, hier in haar geheel laten volgen:“De stad Haarlem, over wier puin de Spaansche dwingelandij Holland wilde binnendringen, lag in het smalst gedeelte van de landstrook, die de Noordzee van de Zuiderzee scheidt. De afstand van de eene zee tot de andere is nauwelijks anderhalf uur gaans. Ten westen van de stad vond men een gewezen moeras, destijds vruchtbaar weiland door onvermoeide zorg uit een stormachtige zee boven water gehouden. Tusschen de Noordzee en den uitersten zoom van dat weiland verrezen die wilde, zonderling gevormde duinen, door wind en golven opgehoopt, die nog door het tengerste van alle rietsoorten versterkt, de golven onder de heerschappij van den mensch stellen zouden. Aan de tegenovergestelde of oostelijke zijde had Haarlem het uitzicht op Amsterdam, welke toen reeds bloeiende stad slechts drie uren vandaar verwijderd was. De twee steden, door een binnenwater gescheiden, stonden slechts door een smallen dijk met elkander in gemeenschap. Het Haarlemmermeer, nog geen eeuw vroeger door het samenvloeien van vier kleinere merenontstaan bij een storm, die het gansche schiereiland gedreigd had te verzwelgen, strekte zich ten zuiden en oosten uit, een waterkom vormende van betrekkelijk geringe afmetingen, daar de diepte maar vijftien voet, de oppervlakte niet meer dan zeventig vierkante mijlen bedroeg; maar, blootgesteld aan alle winden, werd het water bij stormweer soms even gevaarlijk als de golven van den oceaan. Aan de overzijde van het meer, ten noorden, stroomde het IJ bijkans over het schiereiland heen. Deze inham der Zuiderzee was van het Haarlemmermeer slechts door een smalle landstrook gescheiden en over die engte liep de dijk, die de twee steden, thans zoo jammerlijk tegen elkander in ’t harnas, verbond.Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).Halverwege was de dijk afgebroken en van sluizen voorzien, waardoor men het meer in het IJ kon laten loopen en zoodoende het omliggende land onder water zetten.Haarlem was een der grootste en schoonste steden in de Nederlanden, doch tevens een der zwakste. De muren waren oud, met torens voorzien, doch niet sterk en de uitgestrektheid der verdedigingswerken maakte eene aanzienlijke bezetting noodig; toch was de bezetting nog zwakker dan de vest. Steun vond de stad alleen in de kloekmoedigheid der bewoners. De straten waren, voor dien tijd, breed en regelmatig; de grachten met lindeboomen en populieren beplant. De oude kerk van St. Bavo, een groot indrukwekkend steenen gebouw, verrees bijna in het midden der stad; mijlen ver was zij zichtbaar zoowel van uit zee, als van de landzijde, terwijl het rustige stadje onder hare heilige en beschermende vleugels scheen te schuilen. Haar rijzige torenspits droeg van boven een reusachtige kroon, die men voor een zinnebeeld zou kunnen houden van de glorierijke martelaarskroon der stad, voor haren heldenmoed en bangen strijd toegereikt.Het water tusschen Haarlem en Amsterdam zou het voornaamste tooneel der aanstaande krijgsverrichtingen moeten opleveren. Spoedig werd met het beleg een aanvang gemaakt; de uit de stad geweken burgemeester Dirk de Vries had de onbeschaamdheid, met goedvinden van Alva, den burgers een brief te doen toekomen, waarin hij hen vermaande, zich onvoorwaardelijk over te geven. De bode werd opgehangen—een wreed, maar krachtig antwoord, dat aan alle verdere verraderlijke gemeenschap met den vijand een einde maakte. Dit geschiedde in de eerste week van December; den 10enzond Don Frederik een aanzienlijke afdeeling om zich van de schans en het dorp Spaarndam meester te maken, als voorbereiding tot het beleg. Een boer wees Zapata, den aanvoerder van de bende, een verborgen pad dwars door de overstroomde en bevroren weilanden en de Spanjaards dreven de bezetting op de vlucht, deden er driehonderd man van sneuvelen en namen de schans en het dorp in bezit.Den volgenden dag verscheen Don Frederik voor Haarlems wallen en begon hij de plaats geregeld in te sluiten. Door het mistige weer hierin begunstigd, versterkte hij intusschen zijn leger, tot er minstens dertigduizend man, waaronder vijftienhonderd ruiters, rondom de stad vereenigd waren. De Duitschers onder graaf Overstein hadden hun kwartier in een fraai en uitgestrekt bosch van linden en beuken, dat tusschen de zuidelijke wallen en de oevers van het Haarlemmermeer verrees; Don Frederik zelf nam met zijne Spanjaards eene stelling in aan deoverzijde, bij het zoogenaamde Huis te Kleef, waarvan nog de bouwvallen over zijn. De Walen en andere regimenten waren op verschillende plaatsen zoo verdeeld, dat de stad volkomen ingesloten was. Aan den hoek van het meer had de Prins een ring van schansen laten opwerpen, waardoor Haarlem vooreerst van de bevroren wateren meester bleef, maar gedurende den loop van het beleg werden er door Don Frederik andere sterkten opgericht, waardoor de toestand veranderde.Tegenover de ontzaglijke vijandelijke macht, in getal bijkans met de geheele bevolking der stad gelijk, telde de bezetting binnen de wallen nooit meer dan vierduizend man. Eerst was zij zelfs nog minder talrijk. Dezelfde omstandigheid evenwel, die de eerste krijgsverrichtingen van Don Frederik begunstigde, kwam ook den Haarlemmers te stade. Een dichte ijsnevel hing voortdurend over het meer; door dat gordijn gedekt, werden er dagelijks gewapende mannen, levensmiddelen en krijgsbehoeften binnen de stad gebracht, in spijt van alle pogingen der belegeraars om het te beletten.Mannen, vrouwen, zelfs kinderen, die zich op hunne schaatsen en met hunne ijssleden zoo snel als de wind repten, kwamen in de donkere korte dagen en lange nachten van December in Haarlem aan. Men telde minstens duizend schansdelvers, drieduizend strijdbare mannen en omtrent driehonderd strijdbare vrouwen. De laatsten, die goede diensten deden, met zwaard, musket en dolk gewapend, stonden onder Kenau Hasselaar, een weduwe van aanzienlijke afkomst en onbevlekten naam, omtrent zevenenveertig jaren oud, die aan het hoofd harer amazonen, aan vele der hevigste gevechten, zoowel buiten als binnen de veste deel nam. Waar zelfs vrouwen met zulk een kloeken geest bezield waren, liet zich verwachten, dat de mannen de stad niet licht zouden overgeven.De Prins had te Leiden een drie- of vierduizend man bijeenverzameld, die hij nog vóór het midden van December onder bevel van den graaf van der Marck naar de stad zond, maar deze troepen werden onderweg door een sterke afdeeling onder Bossu, Noircarmes en Romero aangetast en na een scherp gevecht onder eene hevige sneeuwjacht verslagen. Een duizendtal sneuvelde, anderen werden gevangen genomen en naar de galgen gesleept, die reeds in de Spaansche legerplaats zoo opgericht waren, dat zij van verre in het oog vielen en die gedurende het geheele beleg nooit leeg stonden.Onder de krijgsgevangenen was een wakker bevelhebber, Baptist van Trier, voor wien van der Marck vruchteloos tweeduizend kronen en negentien Spaansche gevangenen aanbood: het voorstel werd minachtend van de hand gewezen, en van Trier bij het ééne been aan de galg gehangen totdat de dood volgde. Uit weerwraak liet van der Marck de negentien Spanjaards onmiddellijk ophangen. Met deze wisseling van wreedheden was het beleg voor goed begonnen.Don Frederik had een stelling ingenomen tegenover de Kruispoort, die niet zeer sterk was, maar door een bolwerk gedekt werd. Van zins om het beleg zoo kort mogelijk te doen duren, liet hij onmiddellijk zijne batterijen oprichten en den 18en, 19enen 20enDecember de Kruispoort, de St. Janspoort en het gordijn tusschen die beide poorten, hevig beschieten. Zes honderd en tachtig schoten werden op den eersten dag en ongeveer evenveel op elk der beide volgende dagen gelost.De wallen werden zeer beschadigd, maar mannen, vrouwen en kinderen arbeidden dag en nacht om de bressen even spoedig te herstellen als zij gemaakt waren: zij brachten zakken met zand, stapels steenen, wagens vol aarde van alle kanten aan en beroofden de kerken van hare beelden om daarmede de breuken te stoppen. Dit wekte afgrijzen onder de belegeraars: zij, die dagelijks menschen slachtten en gevangenen in koelen bloede ophingen, huiverden onder dien gruwelijken hoon, gesneden beelden aangedaan.Na drie dagen de stad beschoten te hebben, gaf Don Frederik bevel tot den storm, om zoo door een verhaast bloedbad de kroon op zijne heldenfeiten van Zutfen en Naarden te zetten. De vest zou, naar zijn meening binnen eene week bezwijken en na nog eene tweede week aan plundering en moord gewijd te hebben, wilde hij naar nieuwe steden trekken, totdat Holland geheel onder den voet zou zijn gebracht.Romero rukte op de bres aan, door een aantal bestormers gevolgd, maar ontmoette een tegenstand, die de Spanjaards verbaasd deed staan. Alom riep het klokgebom de burgerij te wapen, de gansche bevolking stroomde naar de wallen en de belegeraars werden begroet, niet slechts met zwaard en musket, maar met elk voorwerp, dat den burgers voor de hand kwam. Het regende zware steenen, kokende olie, gloeiende kolen op de hoofden der Spanjaards; brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd. Zelfs Spaansche moed en Spaansche woestheid moesten deinzen voor de vastberadenheid eener burgerij, door één zelfden geest bezield. Romero verloor een oog in het gevecht, vele bevelhebbers werden gedood en gekwetst en drie of vierhonderd soldaten lieten in de bres het leven, terwijl slechts drie of vier van de stedelingen sneuvelden.Met weerzin werd het teeken tot den aftocht gegeven en de Spanjaards zagen van den storm af. Don Frederik besefte thans, dat Haarlem hem niet bij het eerste trompetgeschal te voet zou vallen; klaarblijkelijk moest een beleg het bloedbad vooraf gaan, en hij gaf dus bevel om het ravelijn te ondermijnen, niet twijfelende, of na weinige dagen zou de stad toch in zijne handen vallen.Intusschen stelde de Prins van Oranje, uit zijn hoofdkwartier te Sassenheim, aan de zuidelijke grens van het meer gelegen, eene nieuwe poging in het werk om onderstand in de stad te brengen. Twee duizend man met zeven veldstukken en vele wagens vol krijgsbehoeften werden door hem onder Batenburg afgezonden. Deze bevelhebber was in de plaats getreden van den graaf van der Marck, dien de Prins eindelijk van zijn post had ontzet. De vermetele en gewetenlooze vrijbuiter mocht niet langer eene zaak dienen, die door zijne wreedheid meer bezoedeld werd dan zijne wanhopige dapperheid haar bevorderen kon.Batenburgs onderneming viel echter niet voorspoediger uit, dan die van zijn voorganger: reeds in de nabijheid der stad gekomen, geraakten de troepen door den dikken mist, die bijna voortdurend het oorlogstooneel omhulde, den weg bijster. Vruchteloos poogde men hen door kanonschoten, klokkengelui en seinvuren van de wallen terecht te helpen; de kans was verloren. De Spanjaards vielen hen aan, vóór zij den weg naar de stad konden vinden; velen werden overhoop gestoken, anderen namen de vlucht in verschillende richtingen, zeer weinigen gelukte het,binnen de stad te geraken. Batenburg bracht een gering overschot van zijne troepen behouden terug, maar al de zoo hoogst noodige voorraad was verloren gegaan en de kleine macht geheel verstrooid.De Koning, die onder Batenburg het bevel had gevoerd, was onder de gevangenen: de Spanjaards hieuwen hem het hoofd af en wierpen het over de wallen in de stad, met het opschrift: “dit is het hoofd van kapitein Filips de Koning, die met versterking op weg is voor de goede stad Haarlem.” De burgers beantwoordden dit met nog gruwzamer spot: zij deden elf gevangenen ter dood brengen en sloten de hoofden in eene ton, die zij in het Spaansche leger wierpen, met dit briefje er aan bevestigd: “Breng deze hoofden aan den hertog van Alva voor den tienden penning: het elfde hoofd zenden wij hem voor intrest toe, opdat hij zich niet over de trage betaling beklage.”Door zulke afgrijselijke scherts wisselden belegerden en belegeraars de eentonigheid van het winterbeleg af. Daar er dagelijks uitvallen en schermutselingen voorvielen, had men ook aanhoudend gevangenen en konden beide partijen hunne afschuwelijke geestigheden volhouden, terwijl de galgen in legerplaats of stad voortdurend dienst deden.Sedert den storm van den 21enDecember was Don Frederik met den onderaardschen aanval begonnen door regelmatige loopgraven te openen. Even snel als de Spanjaarden, groeven de burgers er loopgraven tegen in. Dagelijks stootten zij op elkander en kampten zij onder den grond. Wanhopig waren die gevechten, in gangen, zóó nauw, dat men zich slechts van dolken bedienen kon, zóó duister, dat de flauwe lantarens ternauwernood bij de doodelijke slagen licht gaven; het scheen een worstelstrijd niet van menschen, maar van booze geesten en met die gevechten, man tegen man, was het niet gedaan: hoofden, armen, beenen, rompen, de deerlijk verminkte overschotten van honderden menschelijke wezens, spoten dikwijls uit de aarde op, als uit een onzichtbaren vulkaan. Toch zwoegden de Spanjaards voort met onverminderden ijver; toch ondergroeven de belegerden zonder zich te laten ontmoedigen, de vijandelijke werken en beletten den voortgang met zwaard en speer en met vreeselijke mijnontploffingen.De Prins van Oranje prikkelde middelerwijl de burgers tot volharding door menigvuldige beloften van hulp. Zijne brieven op zeer kleine reepjes papier geschreven, werden door postduiven in de stad gebracht. Den 28enJanuari zond hij een aanzienlijken voorraad van twee dringende benoodigdheden, buskruit en brood op honderdzeventig sleden over het Haarlemmermeer, begeleid door vierhonderd oudgediende krijgers. De burgers hielden den strijd vol in de loopgraven, tegen het bolwerk van de Kruispoort gericht, doch het lag voor de hand, dat zij dit niet lang meer konden doen: zij hadden dan ook in de lange winternachten aan de binnenzijde van dat bolwerk een halve maan stevig opgemetseld. Burgemeesters, bevelhebbers, burgers, soldaten, vrouwen, kinderen, oud en jong, rijk en arm, allen hadden meegeholpen aan dat werk, waardoor men de stad nog hoopte te behouden, als het bolwerk gevallen was.Op den 31enJanuari gaf Don Frederik na de Kruispoort, de St. Janspoort en de daar tusschen liggende gordijnen twee of drie dagen achtereen te hebbendoen beschieten, last tot eene nachtelijke bestorming. De wallen waren zeer beschadigd; een gedeelte der St. Janspoort lag in puin; de Spanjaarden beklommen de bres; de stad werd bijna overrompeld en de opperbevelhebber, reeds zeker van de overwinning, deed zijne gansche macht onder de wapenen komen om de bevolking, die door plotselingen schrik verbijsterd, de stad zou uitstroomen, den pas af te snijden. Intusschen hadden de veertig of vijftig schildwachten op de wallen toch aan den onverhoedschen aanval weerstand geboden terwijl zij te wapen riepen. De stormklok luidde de verschrikte burgers uit den slaap, en weldra waren de wallen bemand.De dag brak aan, terwijl de strijd op het hevigst was. De belegerden verdedigden zich met musket en rapier, met gesmolten pek, brandende pekkransen, knodsen en steenen. Na de vroegmis werd in het Spaansche kamp de trompet gestoken tot een algemeenen aanval, en het bolwerk bij de Kruispoort eindelijk bemachtigd. De Spanjaards stormden voort om terstond de stad te vuur en te zwaard te verwoesten maar bij het beklimmen van den wal bespeurden zij het nieuwe en nog sterkere bolwerk, dat men van binnen had aangelegd. Duidelijk was het thans, waarom men het bolwerk prijsgegeven had; de halve maan, wier aanwezigheid de Spanjaards niet vermoed hadden, verhief zich, met geschut beplant, voor hen en een hevig vuur werd er uit geopend, terwijl in hetzelfde oogenblik het bolwerk, door de burgers ondermijnd, met een donderend geweld in de lucht sprong en de zoo even zegevierende bestormers vermorzeld werden. Dit was het keerpunt: de aftocht werd geblazen en de Spanjaards keerden haastig naar hun legerkamp, terwijl zij minstens driehonderd dooden onder de wallen achterlieten. Zoo was deze tweede storm, door een geweldige overmacht onder aanvoering der meest ervaren Spaansche krijgsbevelhebbers beproefd, roemrijk door de burgers van Haarlem afgeslagen.Er werd nu besloten om de stad, die noch door het openen van loopgraven, noch door plotselingen aanval te nemen was, door hongersnood tot de overgave te dwingen. Toch had bij het voortgaan van den winter het machtig leger buiten de wallen evenzeer door gebrek te lijden, als de bevolking daarbinnen. De soldaten bezweken aan de ziekten, door de strenge koude en het ontoereikend voedsel ontstaan, en zooals gewoonlijk, overtrof het aantal van hen, op die wijze omgekomen, verreweg dat dergenen, die tegenover den vijand sneuvelden.Het lijden binnen de stad nam, gelijk te verwachten was, toe, daar de gansche bevolking op beperkt rantsoen was gesteld; dagelijks verminderde de voorraad en met de nadering der lente en het invallen van den dooi liepen zij gevaar van allen toevoer afgesneden te worden. Als de vijand meester werd op het water, moesten zij zich overgeven of verhongeren en zij betwijfelden het, of de prins wel in staat zou zijn een vloot uit te rusten. Het dreigende spook van den hongersnood rees voor hen op en voorspelde hun den ondergang. In hun ellende haakten zij naar de bestormingen der Spanjaards; dan althans hadden ze een minder geduchten vijand onder de oogen te zien. Dagelijks trokken zij met slaande trom en vliegende vaandels de wallen rond om de belegeraars tot hernieuwde aanvallen te tarten, en om den godsdiensthaat hunner tegenstanders te doenontvlammen, dosten zij zich uit in de schitterende, met goud bestikte kleederen der priesters, die zij uit de kerk genomen hadden, en bootsten een plechtigen omgang na, waarbij zij opgetooide beelden, reliquiën en andere gewijde voorwerpen omhoog hielden om ze dan verachtelijk van de wallen te slingeren of met luide spotkreten stuk te breken.Op datzelfde tijdstip echter dacht de vijand er ernstig over, of hij het beleg niet zou opbreken. Don Frederik meende, dat men thans voor de eer der Spaansche wapenen genoeg had gedaan; het verdroot hem, zijn krijgsvolk hulpeloos te zien omkomen en hij achtte den prijs te onbeduidend in vergelijking met de offers, dien hij kosten zou. Zijn vader dacht er anders over; misschien kwam de hertog het beleg van Metz voor den geest en den raad, toen door hem aan keizer Karel gegeven en dien de vorst, naar hij geloofde, hem nooit vergeven had.Hoe dit zij, Alva zond Bernardino de Mendoza, door Don Frederik naar Nijmegen afgevaardigd, om zijn vader verlof te vragen tot het opbreken van het beleg, met dit antwoord terug: “zeg aan Don Frederik, dat, zoo hij niet besloten is het beleg voort te zetten tot de stad is genomen, ik hem niet langer voor mijn zoon erkennen wil, hoe ik ook vroeger over hem gedacht heb.Valt hij in het beleg, dan zal ik het zelf voortzetten, en mochten wij beiden vallen, dan zal de hertogin er uit Spanje voor overkomen.”Die taal was niet dubbelzinnig en de vijandelijkheden werden met levendigheid hervat. De belegerden waren erover verheugd en deden dagelijks uitvallen. In een daarvan stormden Haarlemmers onder begunstiging van een dikken mist op de vijandelijke hoofdbatterij los en poogden de stukken te vernagelen. Allen werden zij bij den mond van het geschut gedood, en daar lagen zij in de batterij nog met hamers en spijkers in de verstijfde vuist geklemd. Elke dag werd door dezelfde koelbloedigheid opgeluisterd. In het voorjaar ging het vee dagelijks de poorten uit naar de weide, ondanks het gewoel, dat in den omtrek heerschte, en het was den Spanjaards niet mogelijk één enkel stuk rund te bemachtigen, zonder dat het hun minstens een twaalftal soldaten kostte. “Deze burgers,” schreef Don Frederik, “doen al wat menschelijkerwijze de beste soldaten in de wereld zouden kunnen doen.”Tegen het einde van Februari hield de vorst op. Den graaf van Bossu, die te Amsterdam een vloot van kleine vaartuigen had laten bouwen, gelukte het kort daarop met eenige van geschut voorziene schepen op het Haarlemmermeer te komen door eene opening, die hij had doen maken in den Overtoom, op omtrent een halve mijl afstand van Amsterdam. De vaart op het meer was dus ook niet veilig meer, maar ook de Prins had niet stil gezeten, ook hij was gereed een kleine vloot op het meer te zenden.Intusschen verkeerde het Spaanschgezinde Amsterdam in bijna even hachelijken toestand als het prinsgezinde Haarlem. Gelijk de eene stad over het meer, zoo kreeg de andere toevoer over den dijk: kon men dien grooten, kunstig aangelegden weg, die naar Muiden en Utrecht voerde, doorsteken, dan ware Amsterdam even zeker als Haarlem uitgehongerd. “Sedert ik ter wereld kwam,” schreef Alva, “heb ik nooit in grooter bezorgdheid verkeerd. Indien het hun gelukt de gemeenschaplangs den dijk af te snijden, dan zou ons niets anders overschieten, dan het beleg van Haarlem op te breken en ons met gevouwen handen over te geven, of van honger om te komen.”Oranje besefte volkomen den toestand van beide steden, doch hij had als gewoonlijk, gebrek aan volk en middelen. Hij schreef smeekbrieven aan zijn vrienden in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland en hij verzocht zijn broeder Lodewijk ten dringendste, om zoo het menschelijkerwijs mogelijk was, met eenige soldaten op te dagen. “Het gansche land ziet zoo verlangend naar u uit,” schreef hij aan Lodewijk, “alsof gij de aartsengel Gabriël waart.”En terwijl hij zoo dringend om versche troepen uit Duitschland of Frankrijk bad, deed hij met de vrijwilligers die hij verzamelen kon, al wat in zijn macht was. Hij hield nog steeds zijn verblijf in Sassenheim, ten Zuiden van Haarlem, terwijl Sonoy met zijn onbeduidende macht ten Noorden van die stad gelegerd was. Thans zond hij dien krijgsoverste met een bende, zoo aanzienlijk als hij kon bijeenbrengen, tot een aanval op den Diemerdijk af. Het volk verschanste zich zoo goed mogelijk tusschen het Diemermeer en het IJ, terwijl tegelijk de sluizen opengezet en de dijk doorgestoken werd. Terwijl hun aanvoerder uit Edam versterking was gaan halen, werden zij door een aanzienlijke macht uit Amsterdam aangetast: een hevige strijd volgde te land en te water, deels in booten, deels op den glibberigen dijk, deels in het water, een strijd, waarschijnlijk niet ongelijk aan de gevechten tusschen de oude Batavieren en Romeinen ten tijde van Claudius Civilis.De Hollanders moesten ten laatste voor de overmacht onderdoen. Sonoy, op weg om hen te hulp te komen, werd in zijn plan teleurgesteld door de onverwachte flauwhartigheid der vrijwilligers, die hij in Edam bijeen had gebracht. Duizend gevaren trotseerende zette hij, bijkans geheel alleen gelaten, met zijn broer den tocht voort, maar hij kon slechts met eigen oogen de nederlaag en verstrooiing der zijnen zien. Het was te laat om de wijkende troepen te hereenigen. Wakker hadden zij gestreden, doch voor de overmacht moesten zij zwichten, nadat één hunner wonderen van dapperheid had verricht.Jan Haring uit Hoorn had geheel alleen post gevat op den dijk, die tusschen het IJ en het Diemermeer lag en zoo smal was, dat nauwelijks twee mannen naast elkander konden staan. Daar had hij met zwaard en schild aan een duizendtal vijanden weerstand geboden en hun den weg versperd, lang genoeg om zijn kameraden in staat te stellen, zich weder te verzamelen en den aanval af te slaan. Het was te laat, maar toch handhaafde de wakkere krijgsman zich op zijn post, totdat zijn krijgsmakkers, die nog in de verschansingen waren, veilig hadden kunnen aftrekken: toen sprong hij in het water en ontkwam ongedeerd.Ware hij een Griek of Romein geweest, Horatius of Chabrias, zijn naam zou in de geschiedenis vermaard, zijn standbeeld op het marktplein opgericht zijn, want de koene Hollander had op zijn dijk evenveel dapperheid in een even heilige zaak aan den dag gelegd, als de uitstekendste helden der oudheid.Deze mislukte poging om de gemeenschap tusschen Amsterdam en het land af te snijden, versterkte Alva’s vertrouwen. Eenige honderden Nederlanders waren gedood of gevangen genomen, en onder de gesneuvelden bevond zich de schilderAntonie Olivier, door wiens toedoen Lodewijk van Nassau Bergen overrompeld had; zijn hoofd werd afgehouwen door twee vaandrigs, die er den gestelden prijs, tweeduizend Carolusguldens, voor ontvingen. Nu bevestigde men er een stuk papier aan, waarop de naam van den terdoodgebrachte geschreven stond en wierp het hoofd zoo in de stad Haarlem. Tevens werd in de Spaansche legerplaats vóór de stad, op eene in het oog vallende plek eene nieuwe galg gezet, waaraan men al de gevangenen, eenigen bij den nek, anderen bij de hielen, in het gezicht der hunnen ophing. Zooals gewoonlijk, prikkelde deze wreedheid de burgers tot weerwraak.Twee van de afgezette overheden, die de Spaansche zijde gekozen hadden, zaten nog in Haarlem gevangen, evenals nog zeven andere personen, waaronder een priester en een twaalfjarige knaap. Zij werden nu tot de galg veroordeeld. De vrouw van een der afgezette burgemeesters en zijne dochter, een bagijn, vergezelden hem naar de plaats der terechtstelling met vrome vermaningen om de uitjouwingen van het gepeupel en zijn smadelijk vonnis moedig te dragen. Het grauw, door die koenheid verbitterd, joeg vrouw en dochter in het water, waar zij beiden omkwamen. Het is billijk, deze voorbeelden van wreedheid door de Nederlanders begaan, te vermelden, maar die wreedheid was het bijna onvermijdelijk gevolg der gruwzaamheid van den uitheemschen vijand.Het was een oorlog van wolven; om Mendoza’s woorden te gebruiken: “allen, zoowel binnen als buiten Haarlem, schenen door een geest van persoonlijke wraakzucht gedreven.” Het onschuldig bloed, in Mechelen, Zutfen, Naarden en op duizend schavotten vergoten, had te lang reeds tot God om wraak geschreeuwd; de Hollanders moesten meer of minder dan menschen geweest zijn om zich soms niet te laten verleiden tot daden, die de rechtvaardigheid en de rede moeten afkeuren.De zonderlinge gril van een manhaftig bevelhebber der bezetting, hopman Curey, stelt duidelijk het afgrijzen in het licht, waarmede de edeldenkenden zulke bloedtooneelen beschouwden. Uit den aard zachtmoedig, maar door het zien der Spaansche wreedheid ontvlamd, had hij de wapenen, die hem vroeger tegenstonden, opgevat; dapper tot vermetel toe, voerde hij de zijnen, bij elken uitval, bij elk gevaarvol nachtelijk waagstuk, aan. Slechts met zijn rapier gewapend, ongeharnast, kon men hem steeds zien, waar de strijd het hevigst woedde en talrijk waren de slachtoffers, door zijn staal geveld. Teruggekeerd van zulke tochten, sloot hij zich in zijn huis op en bleef dagen lang te bed liggen, door wroeging gepijnigd, terwijl hij zich bitter al dat bloedvergieten verweet, waarin hij gedeeld had en dat door eene wreede lotsbeschikking noodig scheen. Als die vlaag van verteedering bedaard was, kwam zijn strijdlust gewoonlijk terug en ijlde hij wederom naar het slagveld om nieuwe slachtoffers voor zijn woede te vinden.Bijna dagelijks hadden er gevechten voor de wallen plaats. Op den 25enMaart deden duizend man een schitterenden uitval, verdreven al de vijandelijke buitenposten, staken driehonderd tenten in brand en bemachtigden zeven stukken geschut, negen standaards en vele wagens vol mond- en krijgsbehoeften en dat alles brachten zij veilig in de stad. Na aldus buit behaald te hebben, op eene wijs, niet dikwijls te werk gesteld door de burgers eener belegerde stad, in het aangezicht van dertigduizend oudgediende krijgers—na van den vijand, wiens gansche macht bijnaaan den strijd deelnam, achthonderd man gedood te hebben, terwijl zij zelven slechts vier van de hunnen verloren,—richtten de Haarlemmers een ontzettend maar verheven zegeteeken op. Een zodenheuvel werd, in het gezicht van het vijandelijke leger, in den vorm van een reusachtig graf, op de wallen aangelegd en daarop de zoo heldhaftig veroverde kanonnen en standaards geplant, terwijl midden op den heuvel een banier golfde met het uittartend opschrift: “Haarlem is het kerkhof der Spanjaarden.”Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).Ziedaar de bijzonderheden, waardoor dit vermaard beleg zich gedurende den winter en de vroege lente kenmerkte. Wel mocht Alva aan zijn vorst schrijven, dat “het een beleg was, welks gelijke men tot dusver in geen ander land ooit gezien of gehoord had.” Toch had de hertog bijna zestig jaren van onafgebroken oorlog gekend. Hij meldde aan Filips, dat “geen vest ooit met zooveel beleid en dapperheid verdedigd was als Haarlem,” hetzij door opstandelingen, hetzij door mannen die voor hun wettigen vorst streden.”Zeker had zijn zoon ingezien hoezeer hij zich vergist had, toen hij beweerde, dat de stad zich binnen een week zou overgeven; terwijl de vader na eene ondervinding van zes jaar dit “volk van boter” minder smijdig begon te vinden, dan zelfs die “ijzeren volken,” die hij zich beroemde getemd te hebben. Het was gebleken, dat noch een Grieksche of Italiaansche hemel, noch het verheven Zwitsersche alpenland vereischten waren, om een geest van kloekmoedigen weerstand tegen uitheemsche onderdrukking te doen ontvlammen, een geest, die zich even krachtig gelden liet onder de winternevelen en op de lage weiden van Holland, als hij het ooit onder zonniger luchtstreken en in bekoorlijker oorden gedaan had.Mendoza had zijne zending naar Spanje volbracht en was binnen zes weken met geld teruggekeerd. Op zijne voorstellen en Alva’s herhaald verzoek, had Filips daarenboven aan Requesens, stadhouder van Milaan, last gegeven, drie oude Spaansche regimenten naar de Nederlanden te zenden, die thans voor Haarlem meer noodig waren, dan in Italië. Terwijl de landmacht dus versterkt werd, was de vloot op het Haarlemmermeer ook aanzienlijk vergroot.Van zijn kant had de Prins van Oranje meer dan honderd vaartuigen van verschillende soort verzameld, zoodat de waterplas van schepen wemelde. Bijna dagelijks vielen er thans ter zee gevechten en schermutselingen voor, het bleek duidelijk dat de kamp op leven en dood thans op het water zou gestreden worden. Zoo lang de Hollanders zich daar konden handhaven, was het nog mogelijk aan Haarlem onderstand te doen toekomen, maar zoo de Spanjaarden de prinselijke vlootoverwonnen, moest de stad onvermijdelijk verhongeren.Eindelijk had er op den 28enMei een beslissend gevecht tusschen de beide vloten plaats. Van weerszijden werd er geënterd en lang en hevig man tegen man gevochten. Bossu had honderd schepen onder zijn bevel; Maarten Brand, de Hollandsche admiraal, kommandeerde er omtrent honderdvijftig, maar kleinere. Batenburg stond aan het hoofd van het krijgsvolk op de Hollandsche schepen. Na een hardnekkigen strijd, waarin eenige duizenden omkwamen, werd de overwinning ten gunste der Spanjaarden beslist. Na tweeëntwintig van ’s prinsen schepen bemachtigd en de overigen geheel verslagen te hebben, voer Bossu in zegepraal over het meer.De schansen der Geuzen werden onmiddellijk ingenomen en den Haarlemmers de gemeenschap met hunne vrienden voor goed afgesneden.Dit was het begin van het einde: de wanhoop maakte zich meester van de stad. De bevolking was lang met één pond brood per man en een half pond voor iedere vrouw toegekomen; maar thans was het brood op en na de afsluiting van het meer stond de hongersnood voor de deur. De Haarlemmers deden den Prins dringend verzoeken, nog iets voor hunne redding te beproeven; drie weken bepaalden zij als het uiterste tijdstip, tot wanneer zij het nog konden harden.Oranje liet hun door postduiven weten, dat zij het nog wat moesten volhouden, daar hij een krijgsmacht verzamelde en hoopte hun onderstand te bezorgen.Intusschen nam in den loop van Juni de nood der inwoners van uur tot uur toe; van gewoon voedsel was reeds sedert lang geen sprake; men leefde van lijn- en hennepzaad; toen ook de voorraad daarvan was uitgeput, at men katten, honden, ratten en muizen; waren ook die dieren verbruikt, dan kookte men paarden- en ossenhuiden en schoenleder, men plukte distelen, het gras van de kerkhoven en het onkruid dat tusschen de straatsteenen groeide, om het leven maar te rekken, totdat de beloofde hulp komen zou. Mannen, vrouwen en kinderen vielen van honger dood op de straat, terwijl zij, die hen overleefden, nauwelijks het hart of de kracht hadden om ze van de straat op te nemen en te begraven. De nog levenden schenen als schimmen rond te waren en benijdden hen, aan wier lijden de dood een einde had gemaakt.Zoo verstreek de maand Juni; op den 1enJuli besloten de burgers in onderhandeling te treden. Zij zonden gemachtigden aan de belegeraars, maar de onderhandelingen werden kortweg afgebroken, daar Don Frederik van geen voorwaarden of vergelijk wilde hooren. Op den 3enwerd er weder een stevig vuur tegen de stad geopend: duizend en acht kanonkogels werden er verschoten, meer dan op eenig anderen dag sinds den aanvang van het beleg. De wallen werden zeer beschadigd, maar geen storm geloopen, want de belegeraars waren er zeker van, dat de inwoners het onmogelijk langer konden uithouden.Een laatste brief, met bloed geschreven, ging uit Haarlem naar den prins van Oranje, om hem den wanhopigen toestand te kennen te geven; tegelijk wierp men met den spot der wanhoop de weinige brooden, die er nog binnen de vest over waren, in de vijandelijke legerplaats. Een paar dagen later werd er een tweede vergeefsche poging tot onderhandelen gedaan; toen stak men een zwarte vlag uit, ten teeken, dat men aan vriend en vijand wanhoopte; maar kort daarop vloog er eene duif de stad in met een brief van den prins, waarin hij verzocht, het nog twee dagen uit te houden, daar de hulp ophanden was.De Prins had inderdaad alles gedaan wat mogelijk was: hij had burgers van Delft op het marktplein doen vergaderen en hun zijn voornemen aangekondigd om in persoon Haarlem te hulp te komen, indien men slechts wat krijgsvolk bijeenbrengen kon. Soldaten waren er niet, maar de Hollandsche steden Delft, Rotterdam en Gouda voelden de innigste deernis met Haarlems lot en vele deftige burgers, zelfs personen van aanzien, boden zich als vrijwilligers aan, om tot ontzet op te rukken. De Prins was niet ingenomen met dat gemengde leger, waarvan hij niet metzekerheid voorspellen kon, dat het in het vuur stand houden zou, en als krijgsman wist hij, dat bij zulk eene onderneming geestdrift geenszins het gebrek aan ondervinding vergoeden kon. Daar echter de drang van het oogenblik geen uitstel duldde, stelde hij een volmacht op, waarin hij Paulus Buys benoemde tot gouverneur bij zijne afwezigheid en tot waarnemend stadhouder, zoo hij bij den tocht kwam te sneuvelen. Vierduizend gewapende vrijwilligers met zeshonderd ruiters onder van der Noot van Carlo waren bijeen en de Prins zelf stelde zich aan hun hoofd. Een kreet ging op; overheden en burgers, de troepen zelf wilden niet gedoogen, dat een zoo kostbaar leven, zoo onmisbaar voor Hollands bestaan, in gevaar zou worden gesteld. Van belang was het zeker, Haarlem onderstand te zenden, maar de Prins woog tegen vele steden op. Met weerzin stemde hij er eindelijk in toe, het beleid van den tocht op te dragen aan den baron van Batenburg, des te schoorvoetender omdat hij de troepen niet genoeg vertrouwde. Op den 8enJuli bij het vallen van den avond, brak het leger van Sassenheim op: het bedroeg omstreeks vijfduizend man, die vierhonderd wagens met leeftocht en zeven veldstukken bij zich hadden. Onder de vrijwilligers zag men den later zoo beroemd geworden Oldenbarneveld met het musket op den schouder; het was één voorbeeld voor den geest, die de gansche bevolking bezielde.Batenburg hield halt in het Noordwijkerbosch, aan de zuidzijde van Haarlem en bleef er tot middernacht. Alles scheen stil in ’s vijands leger; nadat er een gebed gedaan was, gaf de Hollandsche bevelhebber last om voort te rukken, in de hoop terwijl het leger sliep, tusschen de schansen door te kunnen sluipen. Hij zou zich bitter teleurgesteld zien: de Spanjaarden waren nauwkeurig bekend met zijne plannen en de sterkte zijner macht, daar twee duiven met brieven, al de bijzonderheden van den voorgenomen tocht behelzende, geschoten en aan Don Frederik gebracht waren. De burgers rukten naar het schijnt, de vest aan den kant van waar men Batenburg verwachtte, uit, om zich met hem te kunnen vereenigen. Men had afgesproken door seinvuren den belegerden kennis te geven van de nadering der hulptroepen; de Spaansche opperbevelhebber liet nu echter een hoop groene takken, pik en stroo in brand steken tegenover de bres in de stadswallen en er vijfduizend uitgelezen mannen bij post vatten; vijfduizend anderen, met een ruiterbende aan de duinzijde geplaatst, moesten de Nederlandsche troepen in de linkerflank aantasten; zes regimenten onder Romero moesten oostwaarts oprukken en den vijand in de rechterflank vallen. De dikke rookwolken verborgen de door Batenburg ontstoken seinvuren voor de burgerij, en de vijfduizend Spanjaards voor de aanrukkende Hollanders; zoodra Batenburg uit het bosch opdaagde, werd hij door een overmacht aangevallen en weinige minuten later van alle kanten omsingeld. Het geheele Spaansche leger was onder de wapenen en had den vijand reeds twee dagen lang verbeid. De Haarlemmers alleen waren onkundig van zijne nadering; het rumoer van het gevecht hielden zij voor een valsch alarm der Spanjaards om hen in het vijandelijke leger te lokken.Batenburg sneuvelde en zijne troepen werden geslagen; het aantal gevallenen werd verschillend opgegeven, van zeshonderd tot twee- en zelfs drieduizend toe. In elk geval werd de gansche macht vernietigd of verstrooid en was de pogingom de stad te hulp te komen, mislukt. Batenburgs dood werd te minder betreurd, omdat men hem, waarschijnlijk ten onrechte, beschuldigde van tijdens het gevecht beschonken geweest te zijn, en bijgevolg onbekwaam om de hem toevertrouwde onderneming te leiden.De Spanjaards sneden nu een gevangene neus en ooren af en zonden hem in de stad om er de tijding van de nederlaag te brengen, terwijl men ter bevestiging van het bericht, eenige hoofden over de wallen wierp. Toen de rampspoedige afloop te Delft bekend werd, zou er een uitbarsting van verontwaardiging tegen Oranje zelf plaats hebben gehad; volgens een bericht van Alva, dat echter niet geheel kan worden vertrouwd, wilden enkelen uit het grauw het verblijf van den Prins plunderen en deden zij hem persoonlijke beleedigingen aan.Indien er eene opschudding plaats vond, dan was de gramschap van het volk wel zeker ongegrond; doch het verhaal berust op een vage verzekering van den hertog en is in strijd met andere berichten. Het was thans evenwel noodzakelijk geworden, de heldhaftige, maar beklagenswaardige stad aan haar lot over te laten; onmogelijk kon iets meer te haren behoeve gedaan worden.Het Haarlemmermeer met de daaraan liggende schansen was in ’s vijands macht; de troepen, die men had kunnen bijeenbrengen om de belegeraars aan te tasten, waren verslagen en met een bezwaard gemoed liet de Prins den burgers thans aanzeggen, dat zij op de best mogelijke voorwaarden met den vijand een verdrag moesten zien aan te gaan.Eene vreeselijke verlegenheid ontstond in de uitgehongerde stad: er was geen heil te vinden in onderwerping, noch in tegenstand; er bleef niets anders over dan vermoord te worden of te verhongeren. Doch zoo er binnen de vest niets meer te hopen viel, daarbuiten wachtte nog een krijgsmansdood: de bezetting besloot met de weerbare burgers in dichtgesloten gelederen de poorten uit te rukken en zich door het vijandelijke leger een weg te banen of te sneuvelen. De hulpeloozen en zieken, die men in de stad achterliet, zouden mogelijk wel door den vijand met verschooning behandeld worden, als de weerbare mannen allen gevallen waren, en dezen konden met in de stad te blijven hen toch niet beschermen. Zoodra echter dit besluit ruchtbaar werd, hieven vrouwen en kinderen zulk een deerlijk gekrijt en gejammer aan, dat het den krijgslieden en burgers door het hart sneed en het eerste plan opgegeven werd. Nu zou men de vrouwen en kinderen, de zieken en ouden in het midden nemen, zoo uittrekken en zich met de wapenen een doortocht banen, door de kracht der wanhoop overwinnen, of althans allen te zamen omkomen.Deze wanhopige ontwerpen werden spoedig in het Spaansche leger bekend, en Don Frederik was na hetgeen hij in de laatste zeven maanden gezien had, overtuigd, dat er niets was, wat de Haarlemmers niet zouden durven bestaan. Hij vreesde, dat zij de stad in brand zouden steken en met hunne huizen, vrouwen en kinderen omkomen, en hij wilde zich de vrucht der zoo duur gekochte overwinning niet ontrukt zien, nu hij tot plukken gereed stond. Op zijn last werd er, uit naam van graaf Overstein, die over de Duitsche troepen in het Spaansche kamp het bevel voerde, een brief gezonden aan de overheid en de aanzienlijksteburgers, om hen uit te noodigen zich onvoorwaardelijk over te geven, doch onder de plechtige verzekering, dat niemand gestraft zou worden, uitgezonderd zij, die dit naar het oordeel der burgers verdiend hadden en met belofte van rijkelijke vergiffenis, indien de stad zich onverwijld overgaf.Op het oogenblik, dat Don Frederik dezen brief afvaardigde, had hij gestrenge bevelen van zijn vader ontvangen om geen man van de bezetting in het leven te sparen, uitgenomen de Duitschers, en bovendien een aanzienlijk getal burgers ter dood te doen brengen: deze bevelen dorst hij niet ongehoorzaam zijn, zelfs al had hij daartoe eenige geneigdheid gevoeld. Intusschen gaf de stad zich, tengevolge van Oversteins half officieelen brief op 12 Juli aan de genade des overwinnaars over.De groote klok werd geluid en er werd bevolen, dat al de wapens, die de bezetting of de burgerij bezat, op het stadhuis zouden uitgeleverd worden; vervolgens werd last gegeven, dat de mannen zich in het klooster te Zijl, de vrouwen in de Groote Kerk, de krijgsknechten in de Bakenesser Kerk zouden verzamelen.Don Frederik, begeleid door den graaf van Bossu en een talrijken staf, reed de stad in; het schouwspel, dat zich aan zijn blik vertoonde, had een hart van steen tot deernis kunnen bewegen. Overal zag men de sporen van ellende, zoo heldhaftig verduwd in het zevenmaandsch beleg; de rookende puinhoopen der huizen, door de gloeiende kogels in brand geraakt, de vergruizelde bolwerken, de gevelde boomstammen, opgebroken straatsteenen, verbrijzelde beelden en andere voorwerpen, die hadden moeten dienen om de bressen te stoppen. Verder de afgeknaagde beenderen van het ongedierte, waarmee men zich had gevoed; de onbegraven lijken van mannen en vrouwen, die op straat gestorven waren—bovenal de spookachtige, uitgemergelde gestalten der nog levenden, die slechts de schaduw van zich zelven geleken: dit alles was wel geschikt om ten minste te doen twijfelen, of het doorgestane lijden niet reeds eene toereikende straf was, zelfs voor zulke zware vergrijpen als ketterij en afval.Don Frederik dacht er evenwel anders over; hij meende in de holle oogen, die hem bij het binnenrukken der stad aanstaarden, zoowel uittartenden moed als wanhoop te lezen en hij bekreunde zich niet om de belofte, die hij wel niet uitdrukkelijk, maar toch niet minder heilig gegeven had.Al de bevelhebbers der bezetting werden in hechtenis genomen. Eenigen hunner hadden hun vonnis door een vrijwilligen dood voorkomen. Kapitein Bordet, een Fransch edelman, dwong gelijk Brutus, zijn dienaar hem den degen voor te houden, waarin hij zich stortte, liever dan zich levend aan de wraak der Spanjaards over te geven. Het ontbrak ook niet aan trekken van edelmoedigheid: in plaats van Pieter Hasselaar, een jongen vaandrig, die zich in het beleg door dapperheid had onderscheiden, namen de Spanjaards bij vergissing zijn broeder Nicolaas gevangen. Deze liet zich zonder tegenkanting wegvoeren, toen Pieter opsprong, op de wacht toesnelde en uitriep: “Zoo gij den vaandrig Hasselaar zoekt, die ben ik. Laat dezen onschuldige los!” Het mocht nog een buitengewoon geluk heeten, dat hem slechts een harde gevangenschap ten deel viel; al de gevangen genomen bevelhebbers toch werden naar het Huis te Kleef vervoerd en daar onmiddellijk terdood gebracht. Hopman Ripperda, die zich zoo heldhaftig tegen den kruipenden zin der overheid had verzet, die door zijn kloeke taal de bezetting en burgerij tot tegenstand ontvlamd en door zijn beleid en moed het beleg zoo lang gerekt had, was een der eersten, aan wien het doodvonnis voltrokken werd. Een natuurlijke zoon van den kardinaal Granvelle, die gemakkelijk zijn leven had kunnen redden door zich op eene afkomst te beroepen, die hij vloekte, en jonker Lancelot van Brederode, een bastaardspruit van dat aanzienlijke Huis, bevonden zich mede onder de slachtoffers.Den dag daarop kwam Alva in het leger; hij reed om de stad heen, en bekeek de bolwerken van den buitenkant, doch keerde naar Amsterdam terug, zonder de stad zelve betreden te hebben. Den volgenden morgen begon het bloedbad.De plundering was voor tweehonderd en veertigduizend gulden afgekocht, welke som de burgers zich verbonden hadden in vier termijnen te betalen; doch de moord, die bij de Spanjaarden een onmisbare toegift tot de overwinning was, kon niet worden afgekocht. Bovendien had Alva tot een algemeen bloedbad besloten.De bezetting was in den loop van het beleg van vierduizend tot op achttienhonderd ingekrompen; op Alva’s last werden de zes honderd Duitschers op vrije voeten gesteld, mits zij zich verbonden niet meer tegen den koning te dienen, en al de overigen met minstens evenveel burgers, onmiddellijk ter dood gebracht. Dagelijks werd er met trommelslag afgekondigd, dat al wie personen herbergde, die vroeger voortvluchtig waren geweest, hen moest uitleveren, op straffe van anders zelf oogenblikkelijk voor de deur opgeknoopt te worden. Het was vooral aan die vluchtelingen en aan het krijgsvolk, dat zich de moordlust des overwinnaars koelde; hoewel men van dag tot dag aanhoudend redenen wist te vinden om iedereen ter dood te brengen, die zich eenigermate door verdiensten, rang, vermogen of vrijheidsliefde onderscheidde, de slachting toch kon niet op eens volbracht worden; ondanks allen ijver kostte het verscheidene dagen. Vijf scherprechters met hun knechts hadden handen vol werk en toen zij eindelijk van vermoeienis uitgeput, of misschien niet langer tot hun afgrijselijk werk in staat waren, werden driehonderd rampzaligen paarsgewijze rug aan rug gebonden en in het Haarlemmermeer verdronken.Eindelijk, na het in koelen bloede vermoorden van drie-en-twintig honderd menschen in een stad, waar vroeger reeds zoovele duizenden door een gewelddadigen of pijnlijk gerekten dood omkwamen, werd er zoogenaamd vergiffenis verleend. Zevenenvijftig der meest bekende burgers werden evenwel van deze amnestie uitgesloten en in verzekerde bewaring genomen, als borgen voor het toekomstig goed gedrag hunner medeburgers. Sommigen dezer gijzelaars werden spoedig ter dood gebracht, anderen stierven in de gevangenis, en allen zouden ten laatste van kant geholpen zijn, indien niet de kort daarop gevolgde nederlaag van den graaf van Bossu op de Zuiderzee, den Prins van Oranje in staat had gesteld, de nog overige gevangenen uitgewisseld te krijgen.Tienduizend tweehonderd zes en vijftig schoten waren er gedurende het beleg op de wallen gericht; twaalfduizend der belegeraars waren aan wonden of ziekten gestorven, gedurende de zeven maanden en twee dagen, die er tusschende eerste insluiting en de overgave verliepen. In de eerste helft van Augustus, nadat het moorden opgehouden had, deed Don Frederik zijne zegevierende intrede in de stad, met wier val Hollands overweldiging thans was aangevangen. Het gedenkwaardige beleg van Haarlem doet ons evenzeer verbaasd staan over de toegebrachte als over de doorgestane ellende.De Spanjaarden vierden feest door in Utrecht ’s Prinsen beeltenis eerst plechtig ten toon te dragen, vervolgens op het rad te leggen en te verbranden. Intusschen was Haarlems verovering een van die zegepralen, die voor de overwinnaars bijna gelijk staan met een nederlaag en zeker was de Spaansche heerschappij niet sterk genoeg om tegen nog vele dergelijke overwinningen bestand te zijn. Indien er dertigduizend uitgelezen manschappen, waaronder drie keurbenden van Alva “de onoverwinnelijken,” “de onsterfelijken” en “de weergaloozen” gedoopt, noodig waren geweest in zeven maanden en met verlies van twaalfduizend man om de zwakste stad van Holland te veroveren, hoeveel soldaten, hoeveel tijd en hoeveel menschenlevens zouden er dan niet worden vereischt, om deze kleine provincie geheel tot onderwerping te brengen? Want, gelijk de plundering en moord van Naarden het tegenovergestelde hadden uitgewerkt van hetgeen er mee beoogd was en het Hollandsch gemoed er eer door tot kloeken wederstand geprikkeld, dan in verslagenheid gedompeld werd, zoo had ook Haarlems standvastige en roemrijke verdediging, ondanks den treurigen afloop slechts gediend om den haat tegen de vreemde onderdrukkers en de vaderlandsche geestdrift van de andere Hollandsche steden ten top te voeren.Zelfs de schatten der nieuwe wereld zouden ontoereikend zijn om de kosten der verovering van die kleine strook land goed te maken. In vijf jaren tijds had men uit Spanje vijfentwintig millioen gulden naar de Nederlanden gezonden, ter bestrijding van de oorlogskosten en toch bleek dit bedrag, ofschoon nog vermeerderd met de aanzienlijke sommen, jaarlijks uit verbeurdverklaringen getrokken, met de vijf millioen, waarop de honderste penning geschat werd en met de twee millioen ’s jaars waarvoor de tiende en twintigste penning afgekocht was, ontoereikend om het krijgsvolk behoorlijk betaald te houden.Desniettemin was de blijdschap voor het oogenblik uitbundig. Filips lag gevaarlijk ziek bij Segovia, toen het heuglijk nieuws van Haarlems verovering en het daarmede gepaard gaande bloedbad aankwam. Het verhaal van al dien jammer hem door Alva uitvoerig medegedeeld, werkte op hem als een toovermiddel. Het bloed van drie-en-twintig honderd zijner natuurgenooten, in koelen bloede, op zijn last, in één enkele stad vermoord, bleek voor den bloeddorstigen Monarch een heulsap: hij dronk en voelde zich verkwikt. “Het voornaamste geneesmiddel, dat Zijne Majesteit geholpen heeft,” meldde de geheimschrijver Çayas uit Madrid aan Alva, “is de vreugde, die hem de door u medegedeeldeblijde tijding van Haarlems overgaafheeft verschaft.”In de uitgelatenheid zijner blijdschap vergat de koning hoe misnoegd hij nog onlangs over den gang van zaken in de Nederlanden geweest was, hoeveel schatten er jaarlijks zonder bevredigende uitkomsten verspild waren. “Bewust, in welk een nood gij u bevindt,” vervolgde Çayas, “heeft Zijne Majesteit op staanden voet doctorVelasco bij zich laten komen en hem last gegeven u geld te verschaffen, al moest hij het hart der aarde opdelven.”Was de blijdschap der Spanjaards zoo groot, de Prins van Oranje verloor toch de hoop en den moed niet: hij sloeg den blik naar boven en stelde zijn vertrouwen op een hoogere macht dan die van menschen. “Ik had gehoopt, u betere tijding te zenden,” schreef hij aan graaf Lodewijk; “met dat al, daar het den Goeden God anders behaagd heeft, behooren wij in Zijn goddelijken wil te berusten. Ik neem denzelfden God tot getuige, dat ik naar mijne middelen alles gedaan heb wat mogelijk was, om de stad te ontzetten.”Eenige dagen later schreef hij in denzelfden geest, terwijl hij zijn broeder meldde, dat het den Zeeuwen gelukt was, het kasteel Rammekens op het eiland Walcheren te veroveren. “Ik hoop,” zeide hij, “dat dit den trots onzer vijanden zal fnuiken, die na Haarlems overgaaf ons levend dachten te verslinden. Ik ben echter verzekerd, dat zij meer werk zullen vinden, dan zij verwachten.”Tot zoover Motley’s beschrijving van dit merkwaardig beleg en den indruk, dien de overgave maakte.

De schaduw van succes, door het volk dat zijn gezag trotseerde behaald, verbitterde Alva buitengewoon. Ook andere gebeurtenissen hadden zijn toorn niet bedaard, misschien werkte zelfs de komst van Medina-Coeli, die bestemd was zijn plaats in te nemen, ook mede tot zijn besluit, om thans met krachtige hand op te treden.

Nu Bergen heroverd was, had hij de handen vrij, om de afvallige steden en gewesten in het Noorden voor hun ongehoorzaamheid te doen boeten. Aan Don Frederik gaf hij het opperbevel over het leger van 15.000 man, dat de strafoefening in het Noorden zou voltrekken.

De tocht ging van Bergen over Mechelen, dat voor de opening van de poorten voor den Prins vreeselijk moest boeten. Drie dagen lang duurde daar een plundering en verwoesting, welke zelfs op koningsgezinden een allerdroevigsten indruk maakte. “Het was, alsof de kerkelijke hoofdstad der Nederlanden een Turksche stad was geworden,” terwijl een Spanjaard uit Brussel schreef: “Nauwelijks had men een spijker in de muren overgelaten.”

Van Mechelen ging de tocht van het Spaansche leger noordwaarts; eerst de Maas over bij Maastricht en daarna bij Lobith den Rijn weder over, ten einde de IJselsteden te herwinnen. In die streek had de Graaf van den Bergh, de zwager van den Prins, met Duitsche troepen Zutfen en andere plaatsen bezet. Ook de Prins kwam daar in het midden van October op zijn doorreis naar Holland nog aan en meende, dat de plaats in veiligheid was. Spoedig zou Zutfen de wraak van Alva ondervinden. Hij had bevel gegeven, geen enkel man in de stad te sparen en al de huizen tot den grond toe te verbranden. Het bevel werd bijna letterlijk opgevolgd. Don Frederik rukte Zutfen binnen en deed onmiddellijk de geheele bezetting over de kling jagen; maar niet alleen de bezetting, ook de weerlooze burgers moesten het ontgelden, en de stad, die zoo smadelijk bij de nadering van denvijand door van den Bergh in den steek was gelaten, werd zoo goed als uitgemoord.

Na Zutfen kwam Naarden aan de beurt. Don Frederik kreeg n.l. bevel naar Amsterdam op te rukken om van daar de verovering van Holland te beproeven. Op zijn weg daarheen kwam hij langs Naarden, dat genomen werd en waarop een slachting plaats had zoo gruwelijk, dat men zich afvroeg of het wel menschen waren, die daar aan het werk waren geweest. Alva schreef met eenig welbehagen aan den koning, dat “zij burgers en soldaten afgemaakt en geen menschenkind in het leven gespaard hadden.”

Don Frederik rukte van Naarden naar Amsterdam, waar Alva destijds verblijf hield, die vol vreugde was over al het goede, dat zijn zoon reeds verricht had. Behalve de vaderlijke goedkeuring ontving hij ook die van zijn koning, die vond dat Don Frederik zich een zoon had betoond zulk een vader volkomen waardig!

Een maand te voren echter was de Prins reeds in Holland. Van Zutfen over Zwolle en Kampen en verder over de Zuiderzee, had hij met een zestigtal volgelingen de reis gedaan. Op den 18enOctober had hij uit Zwolle aan zijn broeder Jan een brief geschreven. Deze brief, onder den indruk van de macht der Spaansche wapenen, de overgave van Bergen, de verwoesting van Mechelen en den schrik der bevolking geschreven, gunt ons weder een blik in het gemoed van den schrijver. “Ik vrees,” zoo zegt hij, “dat ik mij waarlijk geheel en al van alle kanten verlaten zal vinden, als God niet wonderdadig er in voorziet.”

Hij betreurt ten zeerste de lafhartige vlucht van de benden van zijn zwager. “Zelf ben ik besloten naar Holland en Zeeland te gaan, om zoo mogelijk daar den toestand te behouden en daar mijn graf te vinden.”

Twee dagen na het schrijven van dien brief, was de Prins te Kampen en vandaar vertrok hij met de zijnen op enkele galeien, die hem te gemoet waren gezonden naar Enkhuizen, waar hij zonder eenigen tegenspoed aankwam en met groote vreugde werd ontvangen. Zijn aankomst in Holland was dringend noodig, om de inwoners, die den moed hadden verloren, met nieuwen moed te bezielen; zelfs de ijverigsten waren op het punt den ongelijken strijd op te geven of het land voor altijd te verlaten. Zijn tegenwoordigheid was niet minder noodig, om de wettelooze plundering van zijn eigen zeelieden tegen te gaan; voor vriend en vijand waren de Watergeuzen een schrik.

Na te Enkhuizen geland te zijn, deed de Prins een reis door Holland en kwam in den loop van November in Dordrecht aan. Op die reis bezocht hij ook Haarlem, dat na Naarden aan de beurt lag, om door Don Frederiks leger belegerd en gestraft te worden. Daar Oranje zich in Zuid-Holland gevestigd had en zijn stadhouder Sonoy zich in het Noorderkwartier bevond, was Haarlem voor Alva van groot belang. De stad lag n.l. op een landstrook daartusschen en bij verovering zou Holland in twee stukken zijn verdeeld, waardoor de strijdkrachten der opstandelingen in tweeën gesplitst konden worden, tengevolge waarvan verdere wederstand onmogelijk zou zijn; althans zoo dacht men in het Spaansche hoofdkwartier. Gedurende den herfst had die stad reeds alle voorbereidselen genomen om een beleg, dat onvermijdelijk scheen, te kunnen volhouden.

Het bezoek van den Prins was een bemoediging en waarschuwing voor deburgers. Van daar schreef hij op den 1enNovember aan den burgemeester en de burgers van Amsterdam, de eenige van al de noordelijke steden, die zich niet voor hem verklaard had. Hij vroeg hun, zijn pogingen om Alva te bestrijden, te ondersteunen en gaf te kennen, dat hij bereid was, tot hen te komen, indien ze dat wenschten, maar zijn brief werd door geen antwoord gevolgd. Met het oog op de vreeselijke gebeurtenissen in Zutfen en Naarden was de aarzeling wel begrijpelijk. Ook in Haarlem bestond bij demagistraatdiezelfde kleinmoedigheid; deze zond zelfs een drietal hunner naar Alva, om in geheime onderhandelingen met hem te treden, doch die plannen werden door Ripperda, den heldhaftigen commandant van het garnizoen, verijdeld. Twee overheidspersonen, de pensionaris Assendelft en de schepen Schagen werden onthoofd, nadat ze nog voor den schijn te recht hadden gestaan en onder het bestuur van den Prins benoemde Aldegonde een geheel nieuwe corporatie.

Een gelukkige gebeurtenis scheen voor den naderenden strijd om Haarlem een goed voorteeken. Een kleine vloot, aan Holland behoorende, was in de nabijheid van Amsterdam ingevroren geraakt. Don Frederik zond een afdeeling over het ijs om die vloot te bemachtigen, maar het scheepsvolk had een breede bijt rondom de schepen opengehakt, zoodat de vloot in een groot vastgevroren en drijvend kasteel was herschapen. Een sterke bende goed geoefende musketiers ging op de schaats de aanvallers tegemoet. Een kortstondige en glibberige schermutseling volgde, waarin de Hollanders, op het ijs door en door thuis, gemakkelijk de overwinning behaalden en den vijand met achterlating van eenige honderden dooden verjoegen.

“Het was iets tot dusver ongehoords” schreef Alva, “een troep haakschutters zoo te zien schermutselen op de bevroren zee.” Gelukkig kwam de vloed en de sterk ingevallen dooi de schepen verlossen, die allen naar Enkhuizen ontkwamen, terwijl de vorst, welke onmiddellijk daarop weder inviel, de vervolging onmogelijk maakte.

Spoedig daarna begon het merkwaardige beleg van Haarlem, dat zoo meesterlijk door den geschiedschrijver Motley is meegedeeld en dat we daarom, tevens als voorbeeld van een beleg, hier in haar geheel laten volgen:

“De stad Haarlem, over wier puin de Spaansche dwingelandij Holland wilde binnendringen, lag in het smalst gedeelte van de landstrook, die de Noordzee van de Zuiderzee scheidt. De afstand van de eene zee tot de andere is nauwelijks anderhalf uur gaans. Ten westen van de stad vond men een gewezen moeras, destijds vruchtbaar weiland door onvermoeide zorg uit een stormachtige zee boven water gehouden. Tusschen de Noordzee en den uitersten zoom van dat weiland verrezen die wilde, zonderling gevormde duinen, door wind en golven opgehoopt, die nog door het tengerste van alle rietsoorten versterkt, de golven onder de heerschappij van den mensch stellen zouden. Aan de tegenovergestelde of oostelijke zijde had Haarlem het uitzicht op Amsterdam, welke toen reeds bloeiende stad slechts drie uren vandaar verwijderd was. De twee steden, door een binnenwater gescheiden, stonden slechts door een smallen dijk met elkander in gemeenschap. Het Haarlemmermeer, nog geen eeuw vroeger door het samenvloeien van vier kleinere merenontstaan bij een storm, die het gansche schiereiland gedreigd had te verzwelgen, strekte zich ten zuiden en oosten uit, een waterkom vormende van betrekkelijk geringe afmetingen, daar de diepte maar vijftien voet, de oppervlakte niet meer dan zeventig vierkante mijlen bedroeg; maar, blootgesteld aan alle winden, werd het water bij stormweer soms even gevaarlijk als de golven van den oceaan. Aan de overzijde van het meer, ten noorden, stroomde het IJ bijkans over het schiereiland heen. Deze inham der Zuiderzee was van het Haarlemmermeer slechts door een smalle landstrook gescheiden en over die engte liep de dijk, die de twee steden, thans zoo jammerlijk tegen elkander in ’t harnas, verbond.

Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).

Aanval der Spanjaarden op de ingevroren vloot nabij den Diemerdijk.—1572. (Bladz. 224).

Halverwege was de dijk afgebroken en van sluizen voorzien, waardoor men het meer in het IJ kon laten loopen en zoodoende het omliggende land onder water zetten.

Haarlem was een der grootste en schoonste steden in de Nederlanden, doch tevens een der zwakste. De muren waren oud, met torens voorzien, doch niet sterk en de uitgestrektheid der verdedigingswerken maakte eene aanzienlijke bezetting noodig; toch was de bezetting nog zwakker dan de vest. Steun vond de stad alleen in de kloekmoedigheid der bewoners. De straten waren, voor dien tijd, breed en regelmatig; de grachten met lindeboomen en populieren beplant. De oude kerk van St. Bavo, een groot indrukwekkend steenen gebouw, verrees bijna in het midden der stad; mijlen ver was zij zichtbaar zoowel van uit zee, als van de landzijde, terwijl het rustige stadje onder hare heilige en beschermende vleugels scheen te schuilen. Haar rijzige torenspits droeg van boven een reusachtige kroon, die men voor een zinnebeeld zou kunnen houden van de glorierijke martelaarskroon der stad, voor haren heldenmoed en bangen strijd toegereikt.

Het water tusschen Haarlem en Amsterdam zou het voornaamste tooneel der aanstaande krijgsverrichtingen moeten opleveren. Spoedig werd met het beleg een aanvang gemaakt; de uit de stad geweken burgemeester Dirk de Vries had de onbeschaamdheid, met goedvinden van Alva, den burgers een brief te doen toekomen, waarin hij hen vermaande, zich onvoorwaardelijk over te geven. De bode werd opgehangen—een wreed, maar krachtig antwoord, dat aan alle verdere verraderlijke gemeenschap met den vijand een einde maakte. Dit geschiedde in de eerste week van December; den 10enzond Don Frederik een aanzienlijke afdeeling om zich van de schans en het dorp Spaarndam meester te maken, als voorbereiding tot het beleg. Een boer wees Zapata, den aanvoerder van de bende, een verborgen pad dwars door de overstroomde en bevroren weilanden en de Spanjaards dreven de bezetting op de vlucht, deden er driehonderd man van sneuvelen en namen de schans en het dorp in bezit.

Den volgenden dag verscheen Don Frederik voor Haarlems wallen en begon hij de plaats geregeld in te sluiten. Door het mistige weer hierin begunstigd, versterkte hij intusschen zijn leger, tot er minstens dertigduizend man, waaronder vijftienhonderd ruiters, rondom de stad vereenigd waren. De Duitschers onder graaf Overstein hadden hun kwartier in een fraai en uitgestrekt bosch van linden en beuken, dat tusschen de zuidelijke wallen en de oevers van het Haarlemmermeer verrees; Don Frederik zelf nam met zijne Spanjaards eene stelling in aan deoverzijde, bij het zoogenaamde Huis te Kleef, waarvan nog de bouwvallen over zijn. De Walen en andere regimenten waren op verschillende plaatsen zoo verdeeld, dat de stad volkomen ingesloten was. Aan den hoek van het meer had de Prins een ring van schansen laten opwerpen, waardoor Haarlem vooreerst van de bevroren wateren meester bleef, maar gedurende den loop van het beleg werden er door Don Frederik andere sterkten opgericht, waardoor de toestand veranderde.

Tegenover de ontzaglijke vijandelijke macht, in getal bijkans met de geheele bevolking der stad gelijk, telde de bezetting binnen de wallen nooit meer dan vierduizend man. Eerst was zij zelfs nog minder talrijk. Dezelfde omstandigheid evenwel, die de eerste krijgsverrichtingen van Don Frederik begunstigde, kwam ook den Haarlemmers te stade. Een dichte ijsnevel hing voortdurend over het meer; door dat gordijn gedekt, werden er dagelijks gewapende mannen, levensmiddelen en krijgsbehoeften binnen de stad gebracht, in spijt van alle pogingen der belegeraars om het te beletten.

Mannen, vrouwen, zelfs kinderen, die zich op hunne schaatsen en met hunne ijssleden zoo snel als de wind repten, kwamen in de donkere korte dagen en lange nachten van December in Haarlem aan. Men telde minstens duizend schansdelvers, drieduizend strijdbare mannen en omtrent driehonderd strijdbare vrouwen. De laatsten, die goede diensten deden, met zwaard, musket en dolk gewapend, stonden onder Kenau Hasselaar, een weduwe van aanzienlijke afkomst en onbevlekten naam, omtrent zevenenveertig jaren oud, die aan het hoofd harer amazonen, aan vele der hevigste gevechten, zoowel buiten als binnen de veste deel nam. Waar zelfs vrouwen met zulk een kloeken geest bezield waren, liet zich verwachten, dat de mannen de stad niet licht zouden overgeven.

De Prins had te Leiden een drie- of vierduizend man bijeenverzameld, die hij nog vóór het midden van December onder bevel van den graaf van der Marck naar de stad zond, maar deze troepen werden onderweg door een sterke afdeeling onder Bossu, Noircarmes en Romero aangetast en na een scherp gevecht onder eene hevige sneeuwjacht verslagen. Een duizendtal sneuvelde, anderen werden gevangen genomen en naar de galgen gesleept, die reeds in de Spaansche legerplaats zoo opgericht waren, dat zij van verre in het oog vielen en die gedurende het geheele beleg nooit leeg stonden.

Onder de krijgsgevangenen was een wakker bevelhebber, Baptist van Trier, voor wien van der Marck vruchteloos tweeduizend kronen en negentien Spaansche gevangenen aanbood: het voorstel werd minachtend van de hand gewezen, en van Trier bij het ééne been aan de galg gehangen totdat de dood volgde. Uit weerwraak liet van der Marck de negentien Spanjaards onmiddellijk ophangen. Met deze wisseling van wreedheden was het beleg voor goed begonnen.

Don Frederik had een stelling ingenomen tegenover de Kruispoort, die niet zeer sterk was, maar door een bolwerk gedekt werd. Van zins om het beleg zoo kort mogelijk te doen duren, liet hij onmiddellijk zijne batterijen oprichten en den 18en, 19enen 20enDecember de Kruispoort, de St. Janspoort en het gordijn tusschen die beide poorten, hevig beschieten. Zes honderd en tachtig schoten werden op den eersten dag en ongeveer evenveel op elk der beide volgende dagen gelost.De wallen werden zeer beschadigd, maar mannen, vrouwen en kinderen arbeidden dag en nacht om de bressen even spoedig te herstellen als zij gemaakt waren: zij brachten zakken met zand, stapels steenen, wagens vol aarde van alle kanten aan en beroofden de kerken van hare beelden om daarmede de breuken te stoppen. Dit wekte afgrijzen onder de belegeraars: zij, die dagelijks menschen slachtten en gevangenen in koelen bloede ophingen, huiverden onder dien gruwelijken hoon, gesneden beelden aangedaan.

Na drie dagen de stad beschoten te hebben, gaf Don Frederik bevel tot den storm, om zoo door een verhaast bloedbad de kroon op zijne heldenfeiten van Zutfen en Naarden te zetten. De vest zou, naar zijn meening binnen eene week bezwijken en na nog eene tweede week aan plundering en moord gewijd te hebben, wilde hij naar nieuwe steden trekken, totdat Holland geheel onder den voet zou zijn gebracht.

Romero rukte op de bres aan, door een aantal bestormers gevolgd, maar ontmoette een tegenstand, die de Spanjaards verbaasd deed staan. Alom riep het klokgebom de burgerij te wapen, de gansche bevolking stroomde naar de wallen en de belegeraars werden begroet, niet slechts met zwaard en musket, maar met elk voorwerp, dat den burgers voor de hand kwam. Het regende zware steenen, kokende olie, gloeiende kolen op de hoofden der Spanjaards; brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd. Zelfs Spaansche moed en Spaansche woestheid moesten deinzen voor de vastberadenheid eener burgerij, door één zelfden geest bezield. Romero verloor een oog in het gevecht, vele bevelhebbers werden gedood en gekwetst en drie of vierhonderd soldaten lieten in de bres het leven, terwijl slechts drie of vier van de stedelingen sneuvelden.

Met weerzin werd het teeken tot den aftocht gegeven en de Spanjaards zagen van den storm af. Don Frederik besefte thans, dat Haarlem hem niet bij het eerste trompetgeschal te voet zou vallen; klaarblijkelijk moest een beleg het bloedbad vooraf gaan, en hij gaf dus bevel om het ravelijn te ondermijnen, niet twijfelende, of na weinige dagen zou de stad toch in zijne handen vallen.

Intusschen stelde de Prins van Oranje, uit zijn hoofdkwartier te Sassenheim, aan de zuidelijke grens van het meer gelegen, eene nieuwe poging in het werk om onderstand in de stad te brengen. Twee duizend man met zeven veldstukken en vele wagens vol krijgsbehoeften werden door hem onder Batenburg afgezonden. Deze bevelhebber was in de plaats getreden van den graaf van der Marck, dien de Prins eindelijk van zijn post had ontzet. De vermetele en gewetenlooze vrijbuiter mocht niet langer eene zaak dienen, die door zijne wreedheid meer bezoedeld werd dan zijne wanhopige dapperheid haar bevorderen kon.

Batenburgs onderneming viel echter niet voorspoediger uit, dan die van zijn voorganger: reeds in de nabijheid der stad gekomen, geraakten de troepen door den dikken mist, die bijna voortdurend het oorlogstooneel omhulde, den weg bijster. Vruchteloos poogde men hen door kanonschoten, klokkengelui en seinvuren van de wallen terecht te helpen; de kans was verloren. De Spanjaards vielen hen aan, vóór zij den weg naar de stad konden vinden; velen werden overhoop gestoken, anderen namen de vlucht in verschillende richtingen, zeer weinigen gelukte het,binnen de stad te geraken. Batenburg bracht een gering overschot van zijne troepen behouden terug, maar al de zoo hoogst noodige voorraad was verloren gegaan en de kleine macht geheel verstrooid.

De Koning, die onder Batenburg het bevel had gevoerd, was onder de gevangenen: de Spanjaards hieuwen hem het hoofd af en wierpen het over de wallen in de stad, met het opschrift: “dit is het hoofd van kapitein Filips de Koning, die met versterking op weg is voor de goede stad Haarlem.” De burgers beantwoordden dit met nog gruwzamer spot: zij deden elf gevangenen ter dood brengen en sloten de hoofden in eene ton, die zij in het Spaansche leger wierpen, met dit briefje er aan bevestigd: “Breng deze hoofden aan den hertog van Alva voor den tienden penning: het elfde hoofd zenden wij hem voor intrest toe, opdat hij zich niet over de trage betaling beklage.”

Door zulke afgrijselijke scherts wisselden belegerden en belegeraars de eentonigheid van het winterbeleg af. Daar er dagelijks uitvallen en schermutselingen voorvielen, had men ook aanhoudend gevangenen en konden beide partijen hunne afschuwelijke geestigheden volhouden, terwijl de galgen in legerplaats of stad voortdurend dienst deden.

Sedert den storm van den 21enDecember was Don Frederik met den onderaardschen aanval begonnen door regelmatige loopgraven te openen. Even snel als de Spanjaarden, groeven de burgers er loopgraven tegen in. Dagelijks stootten zij op elkander en kampten zij onder den grond. Wanhopig waren die gevechten, in gangen, zóó nauw, dat men zich slechts van dolken bedienen kon, zóó duister, dat de flauwe lantarens ternauwernood bij de doodelijke slagen licht gaven; het scheen een worstelstrijd niet van menschen, maar van booze geesten en met die gevechten, man tegen man, was het niet gedaan: hoofden, armen, beenen, rompen, de deerlijk verminkte overschotten van honderden menschelijke wezens, spoten dikwijls uit de aarde op, als uit een onzichtbaren vulkaan. Toch zwoegden de Spanjaards voort met onverminderden ijver; toch ondergroeven de belegerden zonder zich te laten ontmoedigen, de vijandelijke werken en beletten den voortgang met zwaard en speer en met vreeselijke mijnontploffingen.

De Prins van Oranje prikkelde middelerwijl de burgers tot volharding door menigvuldige beloften van hulp. Zijne brieven op zeer kleine reepjes papier geschreven, werden door postduiven in de stad gebracht. Den 28enJanuari zond hij een aanzienlijken voorraad van twee dringende benoodigdheden, buskruit en brood op honderdzeventig sleden over het Haarlemmermeer, begeleid door vierhonderd oudgediende krijgers. De burgers hielden den strijd vol in de loopgraven, tegen het bolwerk van de Kruispoort gericht, doch het lag voor de hand, dat zij dit niet lang meer konden doen: zij hadden dan ook in de lange winternachten aan de binnenzijde van dat bolwerk een halve maan stevig opgemetseld. Burgemeesters, bevelhebbers, burgers, soldaten, vrouwen, kinderen, oud en jong, rijk en arm, allen hadden meegeholpen aan dat werk, waardoor men de stad nog hoopte te behouden, als het bolwerk gevallen was.

Op den 31enJanuari gaf Don Frederik na de Kruispoort, de St. Janspoort en de daar tusschen liggende gordijnen twee of drie dagen achtereen te hebbendoen beschieten, last tot eene nachtelijke bestorming. De wallen waren zeer beschadigd; een gedeelte der St. Janspoort lag in puin; de Spanjaarden beklommen de bres; de stad werd bijna overrompeld en de opperbevelhebber, reeds zeker van de overwinning, deed zijne gansche macht onder de wapenen komen om de bevolking, die door plotselingen schrik verbijsterd, de stad zou uitstroomen, den pas af te snijden. Intusschen hadden de veertig of vijftig schildwachten op de wallen toch aan den onverhoedschen aanval weerstand geboden terwijl zij te wapen riepen. De stormklok luidde de verschrikte burgers uit den slaap, en weldra waren de wallen bemand.

De dag brak aan, terwijl de strijd op het hevigst was. De belegerden verdedigden zich met musket en rapier, met gesmolten pek, brandende pekkransen, knodsen en steenen. Na de vroegmis werd in het Spaansche kamp de trompet gestoken tot een algemeenen aanval, en het bolwerk bij de Kruispoort eindelijk bemachtigd. De Spanjaards stormden voort om terstond de stad te vuur en te zwaard te verwoesten maar bij het beklimmen van den wal bespeurden zij het nieuwe en nog sterkere bolwerk, dat men van binnen had aangelegd. Duidelijk was het thans, waarom men het bolwerk prijsgegeven had; de halve maan, wier aanwezigheid de Spanjaards niet vermoed hadden, verhief zich, met geschut beplant, voor hen en een hevig vuur werd er uit geopend, terwijl in hetzelfde oogenblik het bolwerk, door de burgers ondermijnd, met een donderend geweld in de lucht sprong en de zoo even zegevierende bestormers vermorzeld werden. Dit was het keerpunt: de aftocht werd geblazen en de Spanjaards keerden haastig naar hun legerkamp, terwijl zij minstens driehonderd dooden onder de wallen achterlieten. Zoo was deze tweede storm, door een geweldige overmacht onder aanvoering der meest ervaren Spaansche krijgsbevelhebbers beproefd, roemrijk door de burgers van Haarlem afgeslagen.

Er werd nu besloten om de stad, die noch door het openen van loopgraven, noch door plotselingen aanval te nemen was, door hongersnood tot de overgave te dwingen. Toch had bij het voortgaan van den winter het machtig leger buiten de wallen evenzeer door gebrek te lijden, als de bevolking daarbinnen. De soldaten bezweken aan de ziekten, door de strenge koude en het ontoereikend voedsel ontstaan, en zooals gewoonlijk, overtrof het aantal van hen, op die wijze omgekomen, verreweg dat dergenen, die tegenover den vijand sneuvelden.

Het lijden binnen de stad nam, gelijk te verwachten was, toe, daar de gansche bevolking op beperkt rantsoen was gesteld; dagelijks verminderde de voorraad en met de nadering der lente en het invallen van den dooi liepen zij gevaar van allen toevoer afgesneden te worden. Als de vijand meester werd op het water, moesten zij zich overgeven of verhongeren en zij betwijfelden het, of de prins wel in staat zou zijn een vloot uit te rusten. Het dreigende spook van den hongersnood rees voor hen op en voorspelde hun den ondergang. In hun ellende haakten zij naar de bestormingen der Spanjaards; dan althans hadden ze een minder geduchten vijand onder de oogen te zien. Dagelijks trokken zij met slaande trom en vliegende vaandels de wallen rond om de belegeraars tot hernieuwde aanvallen te tarten, en om den godsdiensthaat hunner tegenstanders te doenontvlammen, dosten zij zich uit in de schitterende, met goud bestikte kleederen der priesters, die zij uit de kerk genomen hadden, en bootsten een plechtigen omgang na, waarbij zij opgetooide beelden, reliquiën en andere gewijde voorwerpen omhoog hielden om ze dan verachtelijk van de wallen te slingeren of met luide spotkreten stuk te breken.

Op datzelfde tijdstip echter dacht de vijand er ernstig over, of hij het beleg niet zou opbreken. Don Frederik meende, dat men thans voor de eer der Spaansche wapenen genoeg had gedaan; het verdroot hem, zijn krijgsvolk hulpeloos te zien omkomen en hij achtte den prijs te onbeduidend in vergelijking met de offers, dien hij kosten zou. Zijn vader dacht er anders over; misschien kwam de hertog het beleg van Metz voor den geest en den raad, toen door hem aan keizer Karel gegeven en dien de vorst, naar hij geloofde, hem nooit vergeven had.

Hoe dit zij, Alva zond Bernardino de Mendoza, door Don Frederik naar Nijmegen afgevaardigd, om zijn vader verlof te vragen tot het opbreken van het beleg, met dit antwoord terug: “zeg aan Don Frederik, dat, zoo hij niet besloten is het beleg voort te zetten tot de stad is genomen, ik hem niet langer voor mijn zoon erkennen wil, hoe ik ook vroeger over hem gedacht heb.Valt hij in het beleg, dan zal ik het zelf voortzetten, en mochten wij beiden vallen, dan zal de hertogin er uit Spanje voor overkomen.”

Die taal was niet dubbelzinnig en de vijandelijkheden werden met levendigheid hervat. De belegerden waren erover verheugd en deden dagelijks uitvallen. In een daarvan stormden Haarlemmers onder begunstiging van een dikken mist op de vijandelijke hoofdbatterij los en poogden de stukken te vernagelen. Allen werden zij bij den mond van het geschut gedood, en daar lagen zij in de batterij nog met hamers en spijkers in de verstijfde vuist geklemd. Elke dag werd door dezelfde koelbloedigheid opgeluisterd. In het voorjaar ging het vee dagelijks de poorten uit naar de weide, ondanks het gewoel, dat in den omtrek heerschte, en het was den Spanjaards niet mogelijk één enkel stuk rund te bemachtigen, zonder dat het hun minstens een twaalftal soldaten kostte. “Deze burgers,” schreef Don Frederik, “doen al wat menschelijkerwijze de beste soldaten in de wereld zouden kunnen doen.”

Tegen het einde van Februari hield de vorst op. Den graaf van Bossu, die te Amsterdam een vloot van kleine vaartuigen had laten bouwen, gelukte het kort daarop met eenige van geschut voorziene schepen op het Haarlemmermeer te komen door eene opening, die hij had doen maken in den Overtoom, op omtrent een halve mijl afstand van Amsterdam. De vaart op het meer was dus ook niet veilig meer, maar ook de Prins had niet stil gezeten, ook hij was gereed een kleine vloot op het meer te zenden.

Intusschen verkeerde het Spaanschgezinde Amsterdam in bijna even hachelijken toestand als het prinsgezinde Haarlem. Gelijk de eene stad over het meer, zoo kreeg de andere toevoer over den dijk: kon men dien grooten, kunstig aangelegden weg, die naar Muiden en Utrecht voerde, doorsteken, dan ware Amsterdam even zeker als Haarlem uitgehongerd. “Sedert ik ter wereld kwam,” schreef Alva, “heb ik nooit in grooter bezorgdheid verkeerd. Indien het hun gelukt de gemeenschaplangs den dijk af te snijden, dan zou ons niets anders overschieten, dan het beleg van Haarlem op te breken en ons met gevouwen handen over te geven, of van honger om te komen.”

Oranje besefte volkomen den toestand van beide steden, doch hij had als gewoonlijk, gebrek aan volk en middelen. Hij schreef smeekbrieven aan zijn vrienden in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland en hij verzocht zijn broeder Lodewijk ten dringendste, om zoo het menschelijkerwijs mogelijk was, met eenige soldaten op te dagen. “Het gansche land ziet zoo verlangend naar u uit,” schreef hij aan Lodewijk, “alsof gij de aartsengel Gabriël waart.”

En terwijl hij zoo dringend om versche troepen uit Duitschland of Frankrijk bad, deed hij met de vrijwilligers die hij verzamelen kon, al wat in zijn macht was. Hij hield nog steeds zijn verblijf in Sassenheim, ten Zuiden van Haarlem, terwijl Sonoy met zijn onbeduidende macht ten Noorden van die stad gelegerd was. Thans zond hij dien krijgsoverste met een bende, zoo aanzienlijk als hij kon bijeenbrengen, tot een aanval op den Diemerdijk af. Het volk verschanste zich zoo goed mogelijk tusschen het Diemermeer en het IJ, terwijl tegelijk de sluizen opengezet en de dijk doorgestoken werd. Terwijl hun aanvoerder uit Edam versterking was gaan halen, werden zij door een aanzienlijke macht uit Amsterdam aangetast: een hevige strijd volgde te land en te water, deels in booten, deels op den glibberigen dijk, deels in het water, een strijd, waarschijnlijk niet ongelijk aan de gevechten tusschen de oude Batavieren en Romeinen ten tijde van Claudius Civilis.

De Hollanders moesten ten laatste voor de overmacht onderdoen. Sonoy, op weg om hen te hulp te komen, werd in zijn plan teleurgesteld door de onverwachte flauwhartigheid der vrijwilligers, die hij in Edam bijeen had gebracht. Duizend gevaren trotseerende zette hij, bijkans geheel alleen gelaten, met zijn broer den tocht voort, maar hij kon slechts met eigen oogen de nederlaag en verstrooiing der zijnen zien. Het was te laat om de wijkende troepen te hereenigen. Wakker hadden zij gestreden, doch voor de overmacht moesten zij zwichten, nadat één hunner wonderen van dapperheid had verricht.

Jan Haring uit Hoorn had geheel alleen post gevat op den dijk, die tusschen het IJ en het Diemermeer lag en zoo smal was, dat nauwelijks twee mannen naast elkander konden staan. Daar had hij met zwaard en schild aan een duizendtal vijanden weerstand geboden en hun den weg versperd, lang genoeg om zijn kameraden in staat te stellen, zich weder te verzamelen en den aanval af te slaan. Het was te laat, maar toch handhaafde de wakkere krijgsman zich op zijn post, totdat zijn krijgsmakkers, die nog in de verschansingen waren, veilig hadden kunnen aftrekken: toen sprong hij in het water en ontkwam ongedeerd.

Ware hij een Griek of Romein geweest, Horatius of Chabrias, zijn naam zou in de geschiedenis vermaard, zijn standbeeld op het marktplein opgericht zijn, want de koene Hollander had op zijn dijk evenveel dapperheid in een even heilige zaak aan den dag gelegd, als de uitstekendste helden der oudheid.

Deze mislukte poging om de gemeenschap tusschen Amsterdam en het land af te snijden, versterkte Alva’s vertrouwen. Eenige honderden Nederlanders waren gedood of gevangen genomen, en onder de gesneuvelden bevond zich de schilderAntonie Olivier, door wiens toedoen Lodewijk van Nassau Bergen overrompeld had; zijn hoofd werd afgehouwen door twee vaandrigs, die er den gestelden prijs, tweeduizend Carolusguldens, voor ontvingen. Nu bevestigde men er een stuk papier aan, waarop de naam van den terdoodgebrachte geschreven stond en wierp het hoofd zoo in de stad Haarlem. Tevens werd in de Spaansche legerplaats vóór de stad, op eene in het oog vallende plek eene nieuwe galg gezet, waaraan men al de gevangenen, eenigen bij den nek, anderen bij de hielen, in het gezicht der hunnen ophing. Zooals gewoonlijk, prikkelde deze wreedheid de burgers tot weerwraak.

Twee van de afgezette overheden, die de Spaansche zijde gekozen hadden, zaten nog in Haarlem gevangen, evenals nog zeven andere personen, waaronder een priester en een twaalfjarige knaap. Zij werden nu tot de galg veroordeeld. De vrouw van een der afgezette burgemeesters en zijne dochter, een bagijn, vergezelden hem naar de plaats der terechtstelling met vrome vermaningen om de uitjouwingen van het gepeupel en zijn smadelijk vonnis moedig te dragen. Het grauw, door die koenheid verbitterd, joeg vrouw en dochter in het water, waar zij beiden omkwamen. Het is billijk, deze voorbeelden van wreedheid door de Nederlanders begaan, te vermelden, maar die wreedheid was het bijna onvermijdelijk gevolg der gruwzaamheid van den uitheemschen vijand.

Het was een oorlog van wolven; om Mendoza’s woorden te gebruiken: “allen, zoowel binnen als buiten Haarlem, schenen door een geest van persoonlijke wraakzucht gedreven.” Het onschuldig bloed, in Mechelen, Zutfen, Naarden en op duizend schavotten vergoten, had te lang reeds tot God om wraak geschreeuwd; de Hollanders moesten meer of minder dan menschen geweest zijn om zich soms niet te laten verleiden tot daden, die de rechtvaardigheid en de rede moeten afkeuren.

De zonderlinge gril van een manhaftig bevelhebber der bezetting, hopman Curey, stelt duidelijk het afgrijzen in het licht, waarmede de edeldenkenden zulke bloedtooneelen beschouwden. Uit den aard zachtmoedig, maar door het zien der Spaansche wreedheid ontvlamd, had hij de wapenen, die hem vroeger tegenstonden, opgevat; dapper tot vermetel toe, voerde hij de zijnen, bij elken uitval, bij elk gevaarvol nachtelijk waagstuk, aan. Slechts met zijn rapier gewapend, ongeharnast, kon men hem steeds zien, waar de strijd het hevigst woedde en talrijk waren de slachtoffers, door zijn staal geveld. Teruggekeerd van zulke tochten, sloot hij zich in zijn huis op en bleef dagen lang te bed liggen, door wroeging gepijnigd, terwijl hij zich bitter al dat bloedvergieten verweet, waarin hij gedeeld had en dat door eene wreede lotsbeschikking noodig scheen. Als die vlaag van verteedering bedaard was, kwam zijn strijdlust gewoonlijk terug en ijlde hij wederom naar het slagveld om nieuwe slachtoffers voor zijn woede te vinden.

Bijna dagelijks hadden er gevechten voor de wallen plaats. Op den 25enMaart deden duizend man een schitterenden uitval, verdreven al de vijandelijke buitenposten, staken driehonderd tenten in brand en bemachtigden zeven stukken geschut, negen standaards en vele wagens vol mond- en krijgsbehoeften en dat alles brachten zij veilig in de stad. Na aldus buit behaald te hebben, op eene wijs, niet dikwijls te werk gesteld door de burgers eener belegerde stad, in het aangezicht van dertigduizend oudgediende krijgers—na van den vijand, wiens gansche macht bijnaaan den strijd deelnam, achthonderd man gedood te hebben, terwijl zij zelven slechts vier van de hunnen verloren,—richtten de Haarlemmers een ontzettend maar verheven zegeteeken op. Een zodenheuvel werd, in het gezicht van het vijandelijke leger, in den vorm van een reusachtig graf, op de wallen aangelegd en daarop de zoo heldhaftig veroverde kanonnen en standaards geplant, terwijl midden op den heuvel een banier golfde met het uittartend opschrift: “Haarlem is het kerkhof der Spanjaarden.”

Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).

Op den tweeden wal aan de Kruispoort, te Haarlem. 1 Febr. 1573. (Bladz. 229).

Ziedaar de bijzonderheden, waardoor dit vermaard beleg zich gedurende den winter en de vroege lente kenmerkte. Wel mocht Alva aan zijn vorst schrijven, dat “het een beleg was, welks gelijke men tot dusver in geen ander land ooit gezien of gehoord had.” Toch had de hertog bijna zestig jaren van onafgebroken oorlog gekend. Hij meldde aan Filips, dat “geen vest ooit met zooveel beleid en dapperheid verdedigd was als Haarlem,” hetzij door opstandelingen, hetzij door mannen die voor hun wettigen vorst streden.”

Zeker had zijn zoon ingezien hoezeer hij zich vergist had, toen hij beweerde, dat de stad zich binnen een week zou overgeven; terwijl de vader na eene ondervinding van zes jaar dit “volk van boter” minder smijdig begon te vinden, dan zelfs die “ijzeren volken,” die hij zich beroemde getemd te hebben. Het was gebleken, dat noch een Grieksche of Italiaansche hemel, noch het verheven Zwitsersche alpenland vereischten waren, om een geest van kloekmoedigen weerstand tegen uitheemsche onderdrukking te doen ontvlammen, een geest, die zich even krachtig gelden liet onder de winternevelen en op de lage weiden van Holland, als hij het ooit onder zonniger luchtstreken en in bekoorlijker oorden gedaan had.

Mendoza had zijne zending naar Spanje volbracht en was binnen zes weken met geld teruggekeerd. Op zijne voorstellen en Alva’s herhaald verzoek, had Filips daarenboven aan Requesens, stadhouder van Milaan, last gegeven, drie oude Spaansche regimenten naar de Nederlanden te zenden, die thans voor Haarlem meer noodig waren, dan in Italië. Terwijl de landmacht dus versterkt werd, was de vloot op het Haarlemmermeer ook aanzienlijk vergroot.

Van zijn kant had de Prins van Oranje meer dan honderd vaartuigen van verschillende soort verzameld, zoodat de waterplas van schepen wemelde. Bijna dagelijks vielen er thans ter zee gevechten en schermutselingen voor, het bleek duidelijk dat de kamp op leven en dood thans op het water zou gestreden worden. Zoo lang de Hollanders zich daar konden handhaven, was het nog mogelijk aan Haarlem onderstand te doen toekomen, maar zoo de Spanjaarden de prinselijke vlootoverwonnen, moest de stad onvermijdelijk verhongeren.

Eindelijk had er op den 28enMei een beslissend gevecht tusschen de beide vloten plaats. Van weerszijden werd er geënterd en lang en hevig man tegen man gevochten. Bossu had honderd schepen onder zijn bevel; Maarten Brand, de Hollandsche admiraal, kommandeerde er omtrent honderdvijftig, maar kleinere. Batenburg stond aan het hoofd van het krijgsvolk op de Hollandsche schepen. Na een hardnekkigen strijd, waarin eenige duizenden omkwamen, werd de overwinning ten gunste der Spanjaarden beslist. Na tweeëntwintig van ’s prinsen schepen bemachtigd en de overigen geheel verslagen te hebben, voer Bossu in zegepraal over het meer.

De schansen der Geuzen werden onmiddellijk ingenomen en den Haarlemmers de gemeenschap met hunne vrienden voor goed afgesneden.

Dit was het begin van het einde: de wanhoop maakte zich meester van de stad. De bevolking was lang met één pond brood per man en een half pond voor iedere vrouw toegekomen; maar thans was het brood op en na de afsluiting van het meer stond de hongersnood voor de deur. De Haarlemmers deden den Prins dringend verzoeken, nog iets voor hunne redding te beproeven; drie weken bepaalden zij als het uiterste tijdstip, tot wanneer zij het nog konden harden.

Oranje liet hun door postduiven weten, dat zij het nog wat moesten volhouden, daar hij een krijgsmacht verzamelde en hoopte hun onderstand te bezorgen.

Intusschen nam in den loop van Juni de nood der inwoners van uur tot uur toe; van gewoon voedsel was reeds sedert lang geen sprake; men leefde van lijn- en hennepzaad; toen ook de voorraad daarvan was uitgeput, at men katten, honden, ratten en muizen; waren ook die dieren verbruikt, dan kookte men paarden- en ossenhuiden en schoenleder, men plukte distelen, het gras van de kerkhoven en het onkruid dat tusschen de straatsteenen groeide, om het leven maar te rekken, totdat de beloofde hulp komen zou. Mannen, vrouwen en kinderen vielen van honger dood op de straat, terwijl zij, die hen overleefden, nauwelijks het hart of de kracht hadden om ze van de straat op te nemen en te begraven. De nog levenden schenen als schimmen rond te waren en benijdden hen, aan wier lijden de dood een einde had gemaakt.

Zoo verstreek de maand Juni; op den 1enJuli besloten de burgers in onderhandeling te treden. Zij zonden gemachtigden aan de belegeraars, maar de onderhandelingen werden kortweg afgebroken, daar Don Frederik van geen voorwaarden of vergelijk wilde hooren. Op den 3enwerd er weder een stevig vuur tegen de stad geopend: duizend en acht kanonkogels werden er verschoten, meer dan op eenig anderen dag sinds den aanvang van het beleg. De wallen werden zeer beschadigd, maar geen storm geloopen, want de belegeraars waren er zeker van, dat de inwoners het onmogelijk langer konden uithouden.

Een laatste brief, met bloed geschreven, ging uit Haarlem naar den prins van Oranje, om hem den wanhopigen toestand te kennen te geven; tegelijk wierp men met den spot der wanhoop de weinige brooden, die er nog binnen de vest over waren, in de vijandelijke legerplaats. Een paar dagen later werd er een tweede vergeefsche poging tot onderhandelen gedaan; toen stak men een zwarte vlag uit, ten teeken, dat men aan vriend en vijand wanhoopte; maar kort daarop vloog er eene duif de stad in met een brief van den prins, waarin hij verzocht, het nog twee dagen uit te houden, daar de hulp ophanden was.

De Prins had inderdaad alles gedaan wat mogelijk was: hij had burgers van Delft op het marktplein doen vergaderen en hun zijn voornemen aangekondigd om in persoon Haarlem te hulp te komen, indien men slechts wat krijgsvolk bijeenbrengen kon. Soldaten waren er niet, maar de Hollandsche steden Delft, Rotterdam en Gouda voelden de innigste deernis met Haarlems lot en vele deftige burgers, zelfs personen van aanzien, boden zich als vrijwilligers aan, om tot ontzet op te rukken. De Prins was niet ingenomen met dat gemengde leger, waarvan hij niet metzekerheid voorspellen kon, dat het in het vuur stand houden zou, en als krijgsman wist hij, dat bij zulk eene onderneming geestdrift geenszins het gebrek aan ondervinding vergoeden kon. Daar echter de drang van het oogenblik geen uitstel duldde, stelde hij een volmacht op, waarin hij Paulus Buys benoemde tot gouverneur bij zijne afwezigheid en tot waarnemend stadhouder, zoo hij bij den tocht kwam te sneuvelen. Vierduizend gewapende vrijwilligers met zeshonderd ruiters onder van der Noot van Carlo waren bijeen en de Prins zelf stelde zich aan hun hoofd. Een kreet ging op; overheden en burgers, de troepen zelf wilden niet gedoogen, dat een zoo kostbaar leven, zoo onmisbaar voor Hollands bestaan, in gevaar zou worden gesteld. Van belang was het zeker, Haarlem onderstand te zenden, maar de Prins woog tegen vele steden op. Met weerzin stemde hij er eindelijk in toe, het beleid van den tocht op te dragen aan den baron van Batenburg, des te schoorvoetender omdat hij de troepen niet genoeg vertrouwde. Op den 8enJuli bij het vallen van den avond, brak het leger van Sassenheim op: het bedroeg omstreeks vijfduizend man, die vierhonderd wagens met leeftocht en zeven veldstukken bij zich hadden. Onder de vrijwilligers zag men den later zoo beroemd geworden Oldenbarneveld met het musket op den schouder; het was één voorbeeld voor den geest, die de gansche bevolking bezielde.

Batenburg hield halt in het Noordwijkerbosch, aan de zuidzijde van Haarlem en bleef er tot middernacht. Alles scheen stil in ’s vijands leger; nadat er een gebed gedaan was, gaf de Hollandsche bevelhebber last om voort te rukken, in de hoop terwijl het leger sliep, tusschen de schansen door te kunnen sluipen. Hij zou zich bitter teleurgesteld zien: de Spanjaarden waren nauwkeurig bekend met zijne plannen en de sterkte zijner macht, daar twee duiven met brieven, al de bijzonderheden van den voorgenomen tocht behelzende, geschoten en aan Don Frederik gebracht waren. De burgers rukten naar het schijnt, de vest aan den kant van waar men Batenburg verwachtte, uit, om zich met hem te kunnen vereenigen. Men had afgesproken door seinvuren den belegerden kennis te geven van de nadering der hulptroepen; de Spaansche opperbevelhebber liet nu echter een hoop groene takken, pik en stroo in brand steken tegenover de bres in de stadswallen en er vijfduizend uitgelezen mannen bij post vatten; vijfduizend anderen, met een ruiterbende aan de duinzijde geplaatst, moesten de Nederlandsche troepen in de linkerflank aantasten; zes regimenten onder Romero moesten oostwaarts oprukken en den vijand in de rechterflank vallen. De dikke rookwolken verborgen de door Batenburg ontstoken seinvuren voor de burgerij, en de vijfduizend Spanjaards voor de aanrukkende Hollanders; zoodra Batenburg uit het bosch opdaagde, werd hij door een overmacht aangevallen en weinige minuten later van alle kanten omsingeld. Het geheele Spaansche leger was onder de wapenen en had den vijand reeds twee dagen lang verbeid. De Haarlemmers alleen waren onkundig van zijne nadering; het rumoer van het gevecht hielden zij voor een valsch alarm der Spanjaards om hen in het vijandelijke leger te lokken.

Batenburg sneuvelde en zijne troepen werden geslagen; het aantal gevallenen werd verschillend opgegeven, van zeshonderd tot twee- en zelfs drieduizend toe. In elk geval werd de gansche macht vernietigd of verstrooid en was de pogingom de stad te hulp te komen, mislukt. Batenburgs dood werd te minder betreurd, omdat men hem, waarschijnlijk ten onrechte, beschuldigde van tijdens het gevecht beschonken geweest te zijn, en bijgevolg onbekwaam om de hem toevertrouwde onderneming te leiden.

De Spanjaards sneden nu een gevangene neus en ooren af en zonden hem in de stad om er de tijding van de nederlaag te brengen, terwijl men ter bevestiging van het bericht, eenige hoofden over de wallen wierp. Toen de rampspoedige afloop te Delft bekend werd, zou er een uitbarsting van verontwaardiging tegen Oranje zelf plaats hebben gehad; volgens een bericht van Alva, dat echter niet geheel kan worden vertrouwd, wilden enkelen uit het grauw het verblijf van den Prins plunderen en deden zij hem persoonlijke beleedigingen aan.

Indien er eene opschudding plaats vond, dan was de gramschap van het volk wel zeker ongegrond; doch het verhaal berust op een vage verzekering van den hertog en is in strijd met andere berichten. Het was thans evenwel noodzakelijk geworden, de heldhaftige, maar beklagenswaardige stad aan haar lot over te laten; onmogelijk kon iets meer te haren behoeve gedaan worden.

Het Haarlemmermeer met de daaraan liggende schansen was in ’s vijands macht; de troepen, die men had kunnen bijeenbrengen om de belegeraars aan te tasten, waren verslagen en met een bezwaard gemoed liet de Prins den burgers thans aanzeggen, dat zij op de best mogelijke voorwaarden met den vijand een verdrag moesten zien aan te gaan.

Eene vreeselijke verlegenheid ontstond in de uitgehongerde stad: er was geen heil te vinden in onderwerping, noch in tegenstand; er bleef niets anders over dan vermoord te worden of te verhongeren. Doch zoo er binnen de vest niets meer te hopen viel, daarbuiten wachtte nog een krijgsmansdood: de bezetting besloot met de weerbare burgers in dichtgesloten gelederen de poorten uit te rukken en zich door het vijandelijke leger een weg te banen of te sneuvelen. De hulpeloozen en zieken, die men in de stad achterliet, zouden mogelijk wel door den vijand met verschooning behandeld worden, als de weerbare mannen allen gevallen waren, en dezen konden met in de stad te blijven hen toch niet beschermen. Zoodra echter dit besluit ruchtbaar werd, hieven vrouwen en kinderen zulk een deerlijk gekrijt en gejammer aan, dat het den krijgslieden en burgers door het hart sneed en het eerste plan opgegeven werd. Nu zou men de vrouwen en kinderen, de zieken en ouden in het midden nemen, zoo uittrekken en zich met de wapenen een doortocht banen, door de kracht der wanhoop overwinnen, of althans allen te zamen omkomen.

Deze wanhopige ontwerpen werden spoedig in het Spaansche leger bekend, en Don Frederik was na hetgeen hij in de laatste zeven maanden gezien had, overtuigd, dat er niets was, wat de Haarlemmers niet zouden durven bestaan. Hij vreesde, dat zij de stad in brand zouden steken en met hunne huizen, vrouwen en kinderen omkomen, en hij wilde zich de vrucht der zoo duur gekochte overwinning niet ontrukt zien, nu hij tot plukken gereed stond. Op zijn last werd er, uit naam van graaf Overstein, die over de Duitsche troepen in het Spaansche kamp het bevel voerde, een brief gezonden aan de overheid en de aanzienlijksteburgers, om hen uit te noodigen zich onvoorwaardelijk over te geven, doch onder de plechtige verzekering, dat niemand gestraft zou worden, uitgezonderd zij, die dit naar het oordeel der burgers verdiend hadden en met belofte van rijkelijke vergiffenis, indien de stad zich onverwijld overgaf.

Op het oogenblik, dat Don Frederik dezen brief afvaardigde, had hij gestrenge bevelen van zijn vader ontvangen om geen man van de bezetting in het leven te sparen, uitgenomen de Duitschers, en bovendien een aanzienlijk getal burgers ter dood te doen brengen: deze bevelen dorst hij niet ongehoorzaam zijn, zelfs al had hij daartoe eenige geneigdheid gevoeld. Intusschen gaf de stad zich, tengevolge van Oversteins half officieelen brief op 12 Juli aan de genade des overwinnaars over.

De groote klok werd geluid en er werd bevolen, dat al de wapens, die de bezetting of de burgerij bezat, op het stadhuis zouden uitgeleverd worden; vervolgens werd last gegeven, dat de mannen zich in het klooster te Zijl, de vrouwen in de Groote Kerk, de krijgsknechten in de Bakenesser Kerk zouden verzamelen.

Don Frederik, begeleid door den graaf van Bossu en een talrijken staf, reed de stad in; het schouwspel, dat zich aan zijn blik vertoonde, had een hart van steen tot deernis kunnen bewegen. Overal zag men de sporen van ellende, zoo heldhaftig verduwd in het zevenmaandsch beleg; de rookende puinhoopen der huizen, door de gloeiende kogels in brand geraakt, de vergruizelde bolwerken, de gevelde boomstammen, opgebroken straatsteenen, verbrijzelde beelden en andere voorwerpen, die hadden moeten dienen om de bressen te stoppen. Verder de afgeknaagde beenderen van het ongedierte, waarmee men zich had gevoed; de onbegraven lijken van mannen en vrouwen, die op straat gestorven waren—bovenal de spookachtige, uitgemergelde gestalten der nog levenden, die slechts de schaduw van zich zelven geleken: dit alles was wel geschikt om ten minste te doen twijfelen, of het doorgestane lijden niet reeds eene toereikende straf was, zelfs voor zulke zware vergrijpen als ketterij en afval.

Don Frederik dacht er evenwel anders over; hij meende in de holle oogen, die hem bij het binnenrukken der stad aanstaarden, zoowel uittartenden moed als wanhoop te lezen en hij bekreunde zich niet om de belofte, die hij wel niet uitdrukkelijk, maar toch niet minder heilig gegeven had.

Al de bevelhebbers der bezetting werden in hechtenis genomen. Eenigen hunner hadden hun vonnis door een vrijwilligen dood voorkomen. Kapitein Bordet, een Fransch edelman, dwong gelijk Brutus, zijn dienaar hem den degen voor te houden, waarin hij zich stortte, liever dan zich levend aan de wraak der Spanjaards over te geven. Het ontbrak ook niet aan trekken van edelmoedigheid: in plaats van Pieter Hasselaar, een jongen vaandrig, die zich in het beleg door dapperheid had onderscheiden, namen de Spanjaards bij vergissing zijn broeder Nicolaas gevangen. Deze liet zich zonder tegenkanting wegvoeren, toen Pieter opsprong, op de wacht toesnelde en uitriep: “Zoo gij den vaandrig Hasselaar zoekt, die ben ik. Laat dezen onschuldige los!” Het mocht nog een buitengewoon geluk heeten, dat hem slechts een harde gevangenschap ten deel viel; al de gevangen genomen bevelhebbers toch werden naar het Huis te Kleef vervoerd en daar onmiddellijk terdood gebracht. Hopman Ripperda, die zich zoo heldhaftig tegen den kruipenden zin der overheid had verzet, die door zijn kloeke taal de bezetting en burgerij tot tegenstand ontvlamd en door zijn beleid en moed het beleg zoo lang gerekt had, was een der eersten, aan wien het doodvonnis voltrokken werd. Een natuurlijke zoon van den kardinaal Granvelle, die gemakkelijk zijn leven had kunnen redden door zich op eene afkomst te beroepen, die hij vloekte, en jonker Lancelot van Brederode, een bastaardspruit van dat aanzienlijke Huis, bevonden zich mede onder de slachtoffers.

Den dag daarop kwam Alva in het leger; hij reed om de stad heen, en bekeek de bolwerken van den buitenkant, doch keerde naar Amsterdam terug, zonder de stad zelve betreden te hebben. Den volgenden morgen begon het bloedbad.

De plundering was voor tweehonderd en veertigduizend gulden afgekocht, welke som de burgers zich verbonden hadden in vier termijnen te betalen; doch de moord, die bij de Spanjaarden een onmisbare toegift tot de overwinning was, kon niet worden afgekocht. Bovendien had Alva tot een algemeen bloedbad besloten.

De bezetting was in den loop van het beleg van vierduizend tot op achttienhonderd ingekrompen; op Alva’s last werden de zes honderd Duitschers op vrije voeten gesteld, mits zij zich verbonden niet meer tegen den koning te dienen, en al de overigen met minstens evenveel burgers, onmiddellijk ter dood gebracht. Dagelijks werd er met trommelslag afgekondigd, dat al wie personen herbergde, die vroeger voortvluchtig waren geweest, hen moest uitleveren, op straffe van anders zelf oogenblikkelijk voor de deur opgeknoopt te worden. Het was vooral aan die vluchtelingen en aan het krijgsvolk, dat zich de moordlust des overwinnaars koelde; hoewel men van dag tot dag aanhoudend redenen wist te vinden om iedereen ter dood te brengen, die zich eenigermate door verdiensten, rang, vermogen of vrijheidsliefde onderscheidde, de slachting toch kon niet op eens volbracht worden; ondanks allen ijver kostte het verscheidene dagen. Vijf scherprechters met hun knechts hadden handen vol werk en toen zij eindelijk van vermoeienis uitgeput, of misschien niet langer tot hun afgrijselijk werk in staat waren, werden driehonderd rampzaligen paarsgewijze rug aan rug gebonden en in het Haarlemmermeer verdronken.

Eindelijk, na het in koelen bloede vermoorden van drie-en-twintig honderd menschen in een stad, waar vroeger reeds zoovele duizenden door een gewelddadigen of pijnlijk gerekten dood omkwamen, werd er zoogenaamd vergiffenis verleend. Zevenenvijftig der meest bekende burgers werden evenwel van deze amnestie uitgesloten en in verzekerde bewaring genomen, als borgen voor het toekomstig goed gedrag hunner medeburgers. Sommigen dezer gijzelaars werden spoedig ter dood gebracht, anderen stierven in de gevangenis, en allen zouden ten laatste van kant geholpen zijn, indien niet de kort daarop gevolgde nederlaag van den graaf van Bossu op de Zuiderzee, den Prins van Oranje in staat had gesteld, de nog overige gevangenen uitgewisseld te krijgen.

Tienduizend tweehonderd zes en vijftig schoten waren er gedurende het beleg op de wallen gericht; twaalfduizend der belegeraars waren aan wonden of ziekten gestorven, gedurende de zeven maanden en twee dagen, die er tusschende eerste insluiting en de overgave verliepen. In de eerste helft van Augustus, nadat het moorden opgehouden had, deed Don Frederik zijne zegevierende intrede in de stad, met wier val Hollands overweldiging thans was aangevangen. Het gedenkwaardige beleg van Haarlem doet ons evenzeer verbaasd staan over de toegebrachte als over de doorgestane ellende.

De Spanjaarden vierden feest door in Utrecht ’s Prinsen beeltenis eerst plechtig ten toon te dragen, vervolgens op het rad te leggen en te verbranden. Intusschen was Haarlems verovering een van die zegepralen, die voor de overwinnaars bijna gelijk staan met een nederlaag en zeker was de Spaansche heerschappij niet sterk genoeg om tegen nog vele dergelijke overwinningen bestand te zijn. Indien er dertigduizend uitgelezen manschappen, waaronder drie keurbenden van Alva “de onoverwinnelijken,” “de onsterfelijken” en “de weergaloozen” gedoopt, noodig waren geweest in zeven maanden en met verlies van twaalfduizend man om de zwakste stad van Holland te veroveren, hoeveel soldaten, hoeveel tijd en hoeveel menschenlevens zouden er dan niet worden vereischt, om deze kleine provincie geheel tot onderwerping te brengen? Want, gelijk de plundering en moord van Naarden het tegenovergestelde hadden uitgewerkt van hetgeen er mee beoogd was en het Hollandsch gemoed er eer door tot kloeken wederstand geprikkeld, dan in verslagenheid gedompeld werd, zoo had ook Haarlems standvastige en roemrijke verdediging, ondanks den treurigen afloop slechts gediend om den haat tegen de vreemde onderdrukkers en de vaderlandsche geestdrift van de andere Hollandsche steden ten top te voeren.

Zelfs de schatten der nieuwe wereld zouden ontoereikend zijn om de kosten der verovering van die kleine strook land goed te maken. In vijf jaren tijds had men uit Spanje vijfentwintig millioen gulden naar de Nederlanden gezonden, ter bestrijding van de oorlogskosten en toch bleek dit bedrag, ofschoon nog vermeerderd met de aanzienlijke sommen, jaarlijks uit verbeurdverklaringen getrokken, met de vijf millioen, waarop de honderste penning geschat werd en met de twee millioen ’s jaars waarvoor de tiende en twintigste penning afgekocht was, ontoereikend om het krijgsvolk behoorlijk betaald te houden.

Desniettemin was de blijdschap voor het oogenblik uitbundig. Filips lag gevaarlijk ziek bij Segovia, toen het heuglijk nieuws van Haarlems verovering en het daarmede gepaard gaande bloedbad aankwam. Het verhaal van al dien jammer hem door Alva uitvoerig medegedeeld, werkte op hem als een toovermiddel. Het bloed van drie-en-twintig honderd zijner natuurgenooten, in koelen bloede, op zijn last, in één enkele stad vermoord, bleek voor den bloeddorstigen Monarch een heulsap: hij dronk en voelde zich verkwikt. “Het voornaamste geneesmiddel, dat Zijne Majesteit geholpen heeft,” meldde de geheimschrijver Çayas uit Madrid aan Alva, “is de vreugde, die hem de door u medegedeeldeblijde tijding van Haarlems overgaafheeft verschaft.”

In de uitgelatenheid zijner blijdschap vergat de koning hoe misnoegd hij nog onlangs over den gang van zaken in de Nederlanden geweest was, hoeveel schatten er jaarlijks zonder bevredigende uitkomsten verspild waren. “Bewust, in welk een nood gij u bevindt,” vervolgde Çayas, “heeft Zijne Majesteit op staanden voet doctorVelasco bij zich laten komen en hem last gegeven u geld te verschaffen, al moest hij het hart der aarde opdelven.”

Was de blijdschap der Spanjaards zoo groot, de Prins van Oranje verloor toch de hoop en den moed niet: hij sloeg den blik naar boven en stelde zijn vertrouwen op een hoogere macht dan die van menschen. “Ik had gehoopt, u betere tijding te zenden,” schreef hij aan graaf Lodewijk; “met dat al, daar het den Goeden God anders behaagd heeft, behooren wij in Zijn goddelijken wil te berusten. Ik neem denzelfden God tot getuige, dat ik naar mijne middelen alles gedaan heb wat mogelijk was, om de stad te ontzetten.”

Eenige dagen later schreef hij in denzelfden geest, terwijl hij zijn broeder meldde, dat het den Zeeuwen gelukt was, het kasteel Rammekens op het eiland Walcheren te veroveren. “Ik hoop,” zeide hij, “dat dit den trots onzer vijanden zal fnuiken, die na Haarlems overgaaf ons levend dachten te verslinden. Ik ben echter verzekerd, dat zij meer werk zullen vinden, dan zij verwachten.”

Tot zoover Motley’s beschrijving van dit merkwaardig beleg en den indruk, dien de overgave maakte.


Back to IndexNext