Hoofdstuk XXI.

Hoofdstuk XXI.Unie van Delft. Oranje en het Zuiden. 1575–1576.Indien iemand tegenover de opgestane gewesten en Oranje een leelijke rol heeft vervuld, dan was het wel Koningin Elisabeth, van wie, als hoofd der Anglicaansche kerk, de Geuzen recht hadden ondersteuning te verwachten, doch die uitsluitend en alleen haar belang tot richtsnoer van haar gedrag tegenover de Nederlanden gemaakt heeft.Het is bekend, hoe zij in 1572 de Watergeuzen een langer verblijf in Engeland verbood, hetgeen de aanleiding werd tot de inneming van den Briel. Daarna had zij niet opgehouden, met Spanje, ter wille van het handelsbelang van haar volk, op een goeden voet te blijven, zoodat er in 1573 tusschen Alva en haar te Nijmegen een verdrag werd gesloten, dat pas in 1575 door de koningin bekrachtigd werd, maar toen ook vergezeld ging van een proclamatie, waarbij Oranje en de zijnen tot rebellen verklaard werden.Trok daarom Elisabeth eene lijn met Filips II? Verre vandaar; zij bestreed toch de staatkunde van den Spaanschen koning, om de Nederlanden tot een onderdeel der Spaansche monarchie te maken, maar van aansluiting bij Frankrijk wilde zij ook niets weten. De koningin was daarom nu en dan voorkomend tegen de Nederlandsche gewesten, maar dreigde ze, zich geheel bij Spanje te voegen, indien de Nederlanden zich bij Frankrijk aansloten.Zoo iemand haar doorzag, dan was het wel de Prins; hij begreep zeer goed, wat Elisabeth tot zulk een dubbelzinnige handelwijze dreef en van haar verwachtte hij ook werkelijk geen steun.Evenals in de groote kwestie van Schotland en Maria Stuart, haar staatkunde beheerscht werd door argwaan en ijverzucht, zoodat Elisabeth zich niet bekommerde om het arme Schotland, indien zij Maria Stuart maar in haar macht kreeg, zoo was haar politiek tegenover de Nederlanden even gewetenloos als huichelachtig.Schonk zij eens hulp aan de gewesten, dan was er steeds zooveel eigenbelangbij in het spel, dat voor Oranje, die den toestand goed kon doorzien, die hulp geenerlei waarde had.Wat gebeurde er nu in Juni 1575? Toen kwam er vanwege Koningin Elisabeth een gezant namelijk Daniel Rogers, tot Oranje, niettegenstaande hij en de zijnen in de maand April door de koningin tot rebellen waren verklaard. Wat kwam die gezant bij den rebel Oranje doen? Elisabeth had van de komst van een Fransch edelman in Nederland gehoord en tevens, dat daarop iemand naar Parijs was gezonden. Hierdoor ontstond bij Elisabeth vrees voor aansluiting bij Frankrijk en het doel van Rogers was dan ook, den Prins door bedreiging en overreding te doen afschrikken van een nadere verbintenis met Frankrijk. Dat Holland zich bij Frankrijk zou aansluiten en dit land daarvan de voordelen zou genieten, kon de koningin niet dulden. Hoewel Rogers bij vele Engelschgezinde vrienden van Oranje wel succes had, bij den Prins zelf niet, die er den gezant nadrukkelijk op wees, dat de handelwijze van zijn koningin Holland dwong, naar Frankrijks zijde te neigen.Kort daarop werd tengevolge van de vroeger vermelde overwinningen van den vijand in den zomer van 1575, zoowel in het hart van Holland als van Zeeland, de toestand zoo benauwd, dat de Prins tegen den 4enOctober de Staten te Rotterdam bijeenriep. Hier wilde hij met hen overleggen of men niet aan eenigen vorst en zoo ja, aan welken, de souvereiniteit dezer landen zou opdragen. De Prins meende, dat een souverein protector onmisbaar was voor de gewesten. Onder de Staten bestond groot verschil van gevoelen, maar het slot was toch, na de vroedschappen te hebben gehoord, dat men onder zekere voorwaarden de souvereiniteit aan Elisabeth zou opdragen. Terwijl de koningin een gezant naar de gewesten had gezonden, om weder op de gevaren van een Fransch bondgenootschap te wijzen, waardoor ook invloed op het besluit was uitgeoefend, zond de trouwelooze vorstin tevens gezanten naar Spanje en Brussel, teneinde hulptegenHolland aan te bieden.Toen nu Spanje te kennen gaf daarvan niet gediend te zijn ging Elisabeth in op onze voorstellen, althans zij gaf te kennen, dat de gezanten uit de gewesten haar welkom zouden zijn. Maar tot het verleenen van hulp kwam het niet; Spanje en Frankrijk moesten niet in het bezit der Nederlandsche kusten komen, doch Holland helpen, dáár dacht de baatzuchtige vrouw niet over, zelfs niet onder afstand van Walcheren. De onderhandelingen liepen op niets uit en het bleek maar al te zeer, dat Oranje’s twijfel aan Elisabeth niet zonder grond was geweest.Ondertusschen was de toestand zelf minder dreigend; wel bleef Zierikzee ingesloten en zou die stad eindelijk moeten vallen, doch onder de Spaansche soldaten in Zuid en Noord, steeg de verbittering met den dag. Bovendien had Filips algemeene ontstemming gewekt onder de bankiers van Antwerpen en elders door het besluit, waarbij alle geldcontracten verbroken, de onderpanden vervallen verklaard en de renten gereduceerd werden.Requesens verkeerde meer dan ooit in geldelijke verlegenheid en het kostte hem steeds meer moeite, geld van de gewesten los te krijgen. Toen hij nog op Duiveland was, ontving hij van de Staten-Generaal antwoord op zijn verzoekom geldelijke ondersteuning. Het hield echter alleen een uitvoerige klacht in over het wangedrag van het krijgsvolk en dit schrijven vol verwijten, in plaats van beloften van geld, deed den groot-kommandeur in wanhoop uitroepen : “O die Staten, die Staten! Heer verlos ons van die Staten.”Zijn plotselinge dood verloste hem ook werkelijk ervan, want den 5enMaart 1576 overleed hij, zonder eenige schikking voor zijn opvolger gemaakt te hebben.Geen wonder, dat Oranje, zoo somber gestemd in het najaar van 1575, in het begin van het volgende jaar de zaken weer veel lichter inzag. Dat hij zeer ontmoedigd was geweest blijkt wel uit hetgeen men omtrent het plan van den Prins vertelt, kort voor den dood van Requesens. Hij zou met de gedachte hebben rondgeloopen, al de sloepen, die hij in Holland en Zeeland kon vinden, te verzamelen, de inwoners, mannen, vrouwen en kinderen aan boord te nemen, tegelijk met alle eigendommen en dan de zee over te steken en een nieuwe republiek te stichten. Voor men afreisde, zouden eerst alle molens verbrand worden en alle dijken doorstoken, zoodat de vijand niets anders dan overstroomd land kon bemachtigen. Het kan wezen dat Oranje in dagen van ontmoediging daar wel eens over gedacht heeft, maar onwaarschijnlijk is het, dat het ooit een plan is geweest. Aan zijn broer Jan heeft hij er nooit over geschreven en zeker is het, dat bij den dood van Requesens dat plan, mocht er ooit over gedacht zijn, onmiddellijk terzijde werd gelegd.Het tijdelijke gemis van een opvolger en de verwarring, welke daardoor ontstond, werden door den Prins ten nutte gemaakt, zich meer met het Zuiden te bemoeien en daardoor tevens zijn plaats in het Noorden te verbeteren.Oranje begreep, dat de vereeniging van Holland en Zeeland doorgedreven moest worden, anders zou men altijd blijven stuiten op strijd van belangen en wat een vorig jaar was mislukt, kon hij thans door den nood van 1576 tot een goed einde brengen.Door deUnie van Delftop den 25enApril gesloten, werd de eenheid in de regeering der beide gewesten aangenomen. Deze gebeurtenis was van groot belang, daar het document als de oorspronkelijke stichtingsacte van de Vereenigde Nederlanden werd aangemerkt en als een model voor vele latere confederaties diende.Voor den duur van den oorlog was aan den Prins de souvereiniteit opgedragen in vereeniging met de Staten en hunne gecommitteerden. Hij werd gemachtigd met den koning van Frankrijk, zijn broeder, of eenig ander vorst te onderhandelen, die Holland en Zeeland onder zijn bescherming zou willen nemen. De Prins was bevelhebber te land en ter zee en had het recht alle officieren te benoemen. De gedeputeerden van de Staten mocht hij oproepen en zij waren op straffe van geldboete verplicht, op te komen. Van elke stad of elk dorp mocht hij garnizoenen zenden zonder raadpleging van de Staten of de stedelijke magistraat. De uitoefening van den hervormden godsdienst moest hij handhaven en eveneens de uitoefening van allen godsdienst in strijd met het Evangelie, verbieden.De gezamenlijke uitgaven zouden naar evenredigheid tusschen gewesten worden verdeeld, terwijl negen commissarissen door den Prins op voordracht der Staten benoemd, permanent zouden zitting houden als zijn raadgevers, als assessoren encollecteurs van de belastingen. De geconfedereerden beloofden elkander wederkeerig bij te staan, om alle onrecht, kwaad en geweld te voorkomen.Inquisitie mocht niet worden toegepast op iemands geloof of geweten en niemand mocht tengevolge daarvan moeite, onrecht of hindernis lijden.In dit verbond handelde elke gemeente als een kleine souverein, zond gezanten naar de vergadering der Staten om als gevolmachtigden te stemmen en te teekenen. De edelen vertegenwoordigden niet alleen hunne eigen belangen, maar werden ook ondersteld de boeren op het land te representeeren. Het doel van de staatsinrichting volgens de Unie van Delft was,representatie van het volkin zijn volle breedte. Eerst later hebben de colleges het volkselement onderdrukt, maakten ze misbruik van eigen verkiezing en werd het beginsel aristocratisch. Plaatselijk genomen was de confederatie republikeinsch, maar de algemeene regeering, die gevestigd werd, monarchaal. Oranje werd inderdaad souverein ad interim en terwijl ’s konings gezag tijdelijk buiten werking was gesteld, werd de Prins niet alleen met uitvoerende macht bekleed maar ook had hij een groot aandeel in de wetgevende functiën van den Staat.De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werden door den Prins niet zoo gescheiden gehouden als volgens de staatsrechterlijke theorie veroorloofd was. Het lag geheel in zijn eigen macht om zijn voorloopige autoriteit te doen voortduren.Oranje was op het hoogtepunt van zijn populariteiten inderdaad de eenige man, dien men werkelijk vertrouwde. De uitdrukking “Vader Willem” werd reeds toen gebruikt al was hij nog maar 43 jaar. Toch wilde hij niet alleen den last dragen. Hij was het vooral, die met kracht aandrong op de noodzakelijkheid, vreemde bescherming te zoeken. Zeer goed zag hij de moeilijkheden in om de eenige stuurman op het nieuwe schip van staat te zijn, dat hij trachtte van de koninklijke dokken te lichten. Vandaar de nieuwe pogingen om zich door vreemde hulp te versterken.Twee dagen slechts na de Unie van Delft, had er in Frankrijk een gebeurtenis plaats, die ook voor de Nederlanden van groot belang scheen te worden.In 1574 was Karel IX gestorven en weder moest een broer zijn opvolger worden, evenals Karel zelf in 1560 Frans II had vervangen. Nu was de derde zoon van Catharina de Medicis de aangewezen opvolger van Karel als koning van Frankrijk, maar deze was in 1573 koning van Polen geworden. Doch er was nog een vierde zoon van Catharina de Medicis, de hertog van Alençon, die eerzuchtig in de hoogste mate en ontevreden over zijn lot als jongere broeder, zich in allerlei samenzweringen stak om macht en invloed te krijgen. De Hugenoten, die onder Condé e. a. zich weder hadden vereenigd, wilden zelfs bewerken dat de hertog van Alençon, bij ons bekend onder den naam van hertog van Anjou, als koning van Frankrijk Karel IX zou opvolgen, terwijl zijn oudere broer dan koning van Polen zou blijven. Ook Oranje trachtte dit plan in de hand te werken, zooals uit een brief van hem aan zijn broer Jan bleek. Toch kon de terugkeer van Hendrik uit Polen niet belet worden, daar Catharina de Medicis hem en niet Anjou totopvolger van Karel wilde. Polen werd in den steek gelaten en hij keerde na een kort regentschap van zijn moeder, als koning naar Frankrijk terug. Ook Anjou huldigde voor het uiterlijk zijn broeder als koning, doch zijn eerzucht zette hem aan tot het smeden van allerlei complotten en toen het mislukt was, hem in Polen gekroond te krijgen of hem in Italië een souvereiniteit te scheppen, bood hij, geprikkeld door jaloezie op zijn broer, Condé zijn hulp aan. Deze wilde hem gaarne verheffen tot het hoofd der Hugenoten, zoodat Anjou in stilte het hof ontvluchtte om zich naar Condé te begeven, waarvan een algemeene beweging onder de Hugenoten, vooral te la Rochelle, Nîmes en Montauban het gevolg was.De vijfde burgeroorlog begon. Ook Hendrik van Navarre zwoer bij vernieuwing trouw aan de zaak der Protestanten. De beweging had zooveel succes, dat deze oorlog eindigde met zeer gunstige voorwaarden voor de Hugenoten; de vrede kreeg naar den hertog van Anjou den naam van “Paix de Monsieur.” Hij zelf ontving daarbij een machtige, bijna onafhankelijke positie. De Hugenoten kregen niet alleen het recht hun godsdienst in het rijk vrij uit te oefenen, maar ze werden ook verkiesbaar gesteld voor alle ambten en betrekkingen, terwijl aan de gerechtshoven volkomen onpartijdigheid werd voorgeschreven.Geen wonder, dat na het herstel van de rust in Frankrijk (nu de toestand der Hugenoten zoo gunstig was geworden), Oranje weer een blik naar Frankrijk sloeg, te meer daar de Prins nog zoo kort geleden van de baatzucht van Engelands vorstin overtuigd was geworden.Van de meerdere macht hem door de Unie van Delft verleend, maakte hij dan ook gebruik, met de Staten de voorwaarden op te stellen, waarop men den hertog van Anjou, die thans gold als beschermer der Hugenoten, de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland zou kunnen aanbieden.Dit voorstel was echter vergeefsch; de onderhandelingen werden lang slepende gehouden; Elisabeth was verontwaardigd op Anjou en verzette zich heftig tegen de ondersteuning der Nederlanden.De onderhandelingen leidden voor het oogenblik tot geen goed resultaat en het zou nog twee jaar duren, eer de Prins tot Anjou terugkeerde. Misnoegd schreef hij aan zijn broer Jan:“Wij hadden altijd gehoopt, dat de Fransche vrede tenminste hun welwillendheid tegenover ons zou vermeerderen, maar het komt mij voor, dat ieder zich tevreden stelt met zijn eigen bijzondere zaken, zonder zich om het lot van anderen te bekommeren.” De vraag echter dringt zich vanzelf aan ons op: Hoe kon de Prins aan zulk een onwaardige, als de laatste Valois was, niet alleen de bescherming van het land, maar zelfs de souvereiniteit aanbieden?In de eerste plaats moet men niet vergeten, dat het duidelijk gebleken was, dat Koningin Elisabeth er niet over dacht een protectoraat te aanvaarden; dit was afgestuit op haar onwil om met Spanje te breken. De zaak der Nederlandsche rebellen stond bovendien in April 1576 vrij hopeloos. Alleen uit Frankrijk was nog kans op hulp en niemand anders dan Anjou kon die brengen. Ook zou men hem gemakkelijker dan den koning voorwaarden kunnen stellen en het was Oranje nog niet zoozeer om den persoon van Anjou te doen, dan wel om Fransche hulp.De Prins zou toch het gezag hebben behouden, terwijl alleen de titel eigenlijk werd aangeboden.Ofschoon de zaak ten slotte op niets uitliep, was het in zoover belangrijk, dat er voor het eerst een vorm werd gegeven aan de vorige plannen omtrent de aansluiting bij Frankrijk, die reeds lang in veler hoofden en harten hadden geleefd.Was de toestand van Holland en Zeeland in het voorjaar van 1576 zeer hachelijk, de redding kwam van een anderen kant, dan de Prins had vermoed. De muiterij der Spaansche soldaten en de verwarde toestand in de regeering van het Zuiden, na den dood van Requesens, werden voor het Noorden de redding. De hulp, die Elisabeth noch Anjou met een protectoraat of souvereiniteit hadden kunnen geven, werd door een reeks van omstandigheden van zelf aan de benarde gewesten geschonken. Die omstandigheden waren de gevolgen van de overgave van Zierikzee en van den dood van Requesens.Reeds maanden lang werd die Zeeuwsche stad, de hoofdstad van Schouwen en de sleutel tot half Zeeland, door Spanje belegerd; de eerst zoo goed geslaagde tocht naar Schouwen onder Mondragon, vond in het verzet van de stad Zierikzee een keerpunt. Zoowel van Spaansche als van Nederlandsche zijde bleef men in den strijd volharden.De Prins van Oranje stelde alles in het werk, om de stad te hulp te komen. Den 16enMei schreef hij aan Jan van Nassau, dat Zierikzee het nog uithield, en, liet hij er op volgen: “ik moet zeggen, dat allen, die ons moesten helpen, al te bedachtzaam zijn.”Niettegenstaande de drukke bezigheden van Oranje, zoodat hij volgens zijn secretaris “nauwelijks tijd heeft om adem te scheppen,” beraamde de Prins in het voorjaar van 1576 een poging tot ontzet van Zierikzee. De wakkere admiraal Boisot, de held van het gedenkwaardig ontzet van Leiden, was belast met de onderneming. Van de zeezijde probeerde Boisot op den 25enMei Zierikzee te naderen, maar Mondragon had in de nauwe haven gladde palen doen aanbrengen, waartegen Boisot te gronde ging. Hij kon onmogelijk zijn schip, de roode Leeuw, bevrijden en bevreesd, als de eb kwam, een gemakkelijke prooi van den vijand te worden, sprong hij in zee om naar de naastbijzijnde schuilplaats te zwemmen. Driehonderd man volgden zijn voorbeeld, maar Boisots krachten ontschoten hem; zijn volgers konden in de groote duisternis hun leider niet helpen en hij kwam jammerlijk in het water om.Voor den Prins was de dood van Boisot een groot verlies en Charlotte van Bourbon, dat beseffende, schreef den volgenden hartelijken brief aan haar man, welk schrijven ons in staat stelt een blik te slaan in de verhouding van den Prins en zijne vrouw.Monseigneur.Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen overeenkomstig onsaller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd over het ongeval, het groote schip overkomen en over het verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden, want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid, wien gij in zijne plaats zult stellen.“Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd, als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten, uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af, alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet, waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen.”Delft, 2 Juni ’s avonds 7 uur.Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,C. DE BOURBON.Wat moeten zulke liefkoozende woorden van Charlotte na al de egoïstische uitlatingen van Anna van Saksen, een verkwikking geweest zijn voor het gemoed van den Prins, dat aan sympathie zooveel behoefte had!Alle pogingen om de stoutmoedige Zierikzeesche burgers te helpen, bleken vergeefsch. Negen maanden hadden ze het uitgehouden, maar het verlies van Boisot was zoo ernstig, dat alle verdere verzet hopeloos scheen. Den 21enJuni had, overeenkomstig de instructies van den Prins, de overgave van Zierikzee plaats. Mondragon, wiens soldaten zich in een ellendigen toestand bevonden en op het punt waren aan het muiten te slaan, was bijzonder verheugd een eerlijk verdrag te kunnen toestaan.In een brief van Oranje aan zijn broeder Jan, meldt hij de noodzakelijkheid, dat de stad zich heeft overgegeven, maar schrijft hij: “indien ons van eenige zijde hulp was geboden, of wij allen van het begin af onzen plicht hadden gedaan, zou de arme stad nooit in ’s vijands handen zijn gevallen, te meer omdat we gehoord hebben, dat de zaken van den vijand zoo slecht stonden, dat ze het beleg niet lang zouden kunnen volhouden.”Blijkens denzelfden brief, liet Oranje ook nu den moed niet zinken, maar werkte met grooten ijver om het verder voortgaan van den vijand te beletten.De val van Zierikzee, schijnbaar de grootste ramp voor het Noorden, werd door zijn gevolgen eene groote uitkomst. Wel werden de burgers tot een schadevergoeding van 200.000 gulden genoodzaakt, doch daar deze som grootendeels naar de hoofdkwartieren ging, achtten de Spaansche soldaten zich schromelijk door die schikking benadeeld. Een opstand van die soldaten, beter georganiseerd dan een der voorgaande, werd de aanleiding tot onze redding uit den meest benarden toestand.Gedurende 23 maanden hadden de Spaansche krijgslieden geen betaling ontvangen. De soldaten beschouwden de Nederlanden als een mijn, die zij slechts met hunne hoofden gemeenschappelijk hadden te exploiteeren en zij meenden, dat een schikking met een stad, die door hun dapperheid tot onderwerping gebracht was, hen van hun wettig deel aan den buit beroofde. Zij vroegen niet om hun loon, toen ze het vooruitzicht hadden op buit, maar toen de vredelievende schikking met Zierikzee werd afgekondigd, barstte hun ontevredenheid uit en een geregelde muiterij in al haar gewone vormen werd er georganiseerd. Tevergeefs trachtten de hoofden hun compagnieën met beloften en spoedige betaling te paaien. De mooie woorden werden niet door klinkende munt gevolgd; de muitende soldaten gingen voort met hun organisatie en spoedig heerschte de Eletto met het hoogste gezag over het leger in Schouwen. Men weigerde Mondragon te gehoorzamen. De muitende soldaten vereenigden zich uit verschillende posten met elkander; ze verlieten de Zeeuwsche eilanden en sloegen den weg in naar Vlaanderen.De regeering in Brussel, die zich eerst gouden bergen beloofd had van dien tocht naar Zeeland, zag zich erg in het nauw gebracht, want niet alleen werd door die muiterij de gansche onderneming ijdel, maar ’s konings gezag zou daardoor ook in het Zuiden aan het wankelen gebracht worden.In Vlaanderen was men reeds lang de Spaansche soldaten moede; doch nu sloeg de inwoners der Vlaamsche steden de schrik zoo om het hart, dat de burgers zelf naar de wapenen grepen en de poorten sloten voor het onheil dat hen wachtte. Reeds gevoelde zich Brussel onveilig op de nadering der benden. Wel trachtte nog de Raad van State (voorloopig het hoogste regeeringslichaam na den dood van Requesens) zijn gezag te handhaven, door Mansfelt, den commandant der stad, af te zenden om met de oproerige soldaten te onderhandelen, maar dit was geheel vergeefsch en steeds stouter en stouter traden de muiters op. Onverwachts maakten deze zich van Aalst meester en eischten ze daar onderwerping aan hunne bevelen, op straffe van vermoord te worden; zelfs een honderdtal plaatsen in de buurt werden door hen schatplichtig gemaakt.Dit veroorzaakte, gelijk te begrijpen is, hevige opschudding en beroering in de hoofdstad. Het volk eischte thans van den Raad van State, dat hij de Spaansche oproerige soldaten buiten de wet zou stellen en openlijk tot rebellen verklaren. De Raad van State waagde het niet, dien eisch te weerstreven en gaf daarbij aan het verzoek der Staten van Brabant gehoor, tot het lichten van troepen over te gaan om de rebellen te bestrijden.Aan het hoofd der troepen werd als kolonel gesteld Willem van Hoorn, Heer van Heze, een jong, eerzuchtig edelman, die, gesteund door de burgerij,spoedig een voldoend aantal troepen onder zijn bevelen had, om de Spaansche soldaten angst in te boezemen, Brussel te bewaken en den Raad van State, die niet wist wat te doen, naar zijn hand te zetten.In dien Raad was nog een Spanjaard: Jerome de Roda; doch deze moest zich, evenals Romero, geruimen tijd voor de woede der bevolking verborgen houden. Oogenschijnlijk alleen gericht tegen de muitende troepen, was de geheele volksbeweging eigenlijk tegen alle Spaansche troepen bedoeld en zelfs geen Spanjaard gevoelde zich meer veilig. Wel trachtte d’Avila nog uit Antwerpen tusschenbeide te komen, maar de Nederlandsche leden van den Raad van State bedankten hem voor zijn tusschenkomst, daar zij elke Spaansche bescherming wantrouwden.De Prins van Oranje volgde natuurlijk deze gebeurtenissen met de hoogste belangstelling. Van Middelburg uit, waar hij tijdens en na het beleg van Zierikzee vaak toefde, zocht hij bij vernieuwing de oude betrekking in het Zuiden aan te knoopen en trachtte hij onder de leden der Brabantsche Staten en aanzienlijke burgers eene partij te vormen. Allerbelangrijkst is o. a. de brief, door den Prins uit Middelburg aan den Heer van Heze geschreven op den 1enAugustus 1576. Deze brief luidt als volgt:Mijnheer en Neef,Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken, zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste verplichting zal hebben.Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten, om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid, zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen, willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen helpen en assisteeren tothet doel hierboven genoemd. Want wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige jammeren van het land veranderd te zien in een goede en wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën, als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.Uw toegen. neef,WILLEM VAN NASSAU.Middelburg, 1 Aug. 1576.Deze brief is uit Middelburg gedateerd. Daar was de Prins sedert den 6enJuli, dus kort na de overgave van Zierikzee, gevestigd, terwijl ook afgevaardigden van de Hollandsche en Zeeuwsche Staten zich daar met hem bevonden, o.a. Paulus Buys, Arend van Dorp en Peter de Rycke.Behalve tot Heze, richt zich de Prins ook tot anderen in het Zuiden en wel door bemiddeling van den Zuid-Franschen edelman en hugenoot Jean Théron, die onberekenbaar groote diensten aan de zaak der Nederlanden in dat tijdperk bewees. Hij was dan ook de tusschenpersoon, die onophoudelijk van Middelburg naar Brussel reisde, om brieven van den Prins aan zijne geestverwanten in de hoofdstad over te brengen. Merkwaardig is bovenal de briefwisseling door den Prins gevoerd met den burgemeester van Brussel, Henri de Bloyere. Anderen, als Liesfelt, de abten van St. Geertrui en du Parc, misschien ook Aerschot werden voor de plannen gewonnen en zoo kwamen de Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent tot stand.Hoofdstuk XXII.De Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent. 1576.Op de 11enAugustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was, afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken, om de nationale wenschen te doen zegevieren.Op den 23enAugustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt, gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State geen gehoor geven.Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van September—zoo luidden de geruchten—zou de nieuwe regent in het land zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag, dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den 4enSeptember de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht, terwijlde anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.Welk aandeel had Oranje in dezen Staatsgreep? Hoogstwaarschijnlijk had hij tot dezen maatregel den raad gegeven, daar ook de Prins begreep, dat de Staten van Brabant niets konden doen, zonder dat de Raad van State tot hun instrument was geworden. Zoolang dit niet was geschied, zou dat Regeeringslichaam, dat thans het hoogste gezag vertegenwoordigde, alle maatregelen tegenhouden. Wij kunnen dus wel aannemen, dat het feit gepleegd werd op aandrijven van Oranje en zijn raadslieden.Die gevangenneming van den Raad van State was een ongehoorde gebeurtenis, waarvan wel de noodzakelijkheid door talloozen werd erkend, doch waarvoor men de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen. Toch werd het voornaamste doel erdoor bereikt, namelijk de bijeenroeping der Staten-Generaal, waartoe de Raad van State zelf, zoo hij onaangetast was gebleven, nooit de vergunning zou gegeven hebben. Eenmaal echter in de macht van het volk gekomen, kon die Raad van State, die spoedig weer werd losgelaten, niet anders dan den volkswensch inwilligen. Ook dit was weder het geheime werk van den Prins, die met de Staten van Brabant er op aandrong, dat de herleefde Raad van State tegen 22 September de Staten-Generaal bijeenriep zou roepen.Het stond Oranje helder voor den geest wat er moest gedaan worden, om tot bevrediging te komen. Zoo ooit de Prins staatkundig beleid heeft getoond, om dat doel te bereiken, dan was het wel in die dagen. Onverpoosd bleef hij in Middelburg ook al wist hij dat een groot deel van het volk in het Zuiden naar zijn persoonlijke tegenwoordigheid verlangend uitzag. Hij wierp zich niet onstuimig op, om als redder daar op te treden. Trouwens hij had voldoende ervaring van het karakter der Vlamingen en Brabanders opgedaan, om zich zelf en de zaak, die hij wilde bereiken, niet door roekeloosheid te benadeelen. Verre was het dus van hem, zich op te dringen; hij wilde het daarheen leiden, dat hij gezocht werd. Ook moest hij voorzichtig zijn, dat er geen aanleiding tot naijver en wantrouwen ontstond. Hij kende de goede gezindheid van Aerschot op dit oogenblik; maar hij wist ook, hoe naijverig deze reeds in de dagen van Granvelle op hem, Oranje, was geweest.Aerschot was het hoofd der familie Croy en zijn woord had vroeger vaak geluid: “Les Croy valent bien les Nassau; je ne veux pas avoir pour maître le prince d’Orange.” Dat de Prins dien naijver thans ontzag, is niet anders dan een bewijs zijner hooge wijsheid en menschenkennis. Hij begreep wel, dat de tijd nabij was, dat men zijn hulp vanzelf zou inroepen en ondertusschen bleef hij met tal van invloedrijke personen, als Jan van Hembyse, schepen van Gent, Filips van Egmond, den graaf van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, met de Lalaings, den Markies van Havré, broeder van den hertog van Aerschot, in briefwisseling of verbinding. Vooral de brief aan Hembyse is merkwaardig.Mons. d’Hembyse,“Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van de tirannie te verlossen,waardoor het sedert lang door de onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over—van achteren kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant, die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben, waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen, òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld, dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen, van u af te stooten.”Met een beroep op zijn deugd en goeden naam en de aanzienlijke plaats, die hij in Vlaanderen bekleedt, eindigt de Prins dezen brief aan Hembyse, die gedagteekend is van 17 September. In dien geest schreef hij brief op brief in die dagen aan velerlei personen, ten einde het groote werk der bevrijding te bespoedigen. Want spoed was noodig, aangezien Don Juans komst aanstaande was en het dan verwacht kon worden, dat tal van wankelmoedigen en halven zich weer geheel aan de zijde der regeering zouden scharen.Wat de Prins gehoopt had, namelijk dat men, om hulp zou vragen, gebeurde reeds vrij spoedig. De Spaansche soldaten toch, die na de overgave van Zierikzee hun tocht naar Vlaanderen met tal van gruwelen hadden bezoedeld, trokken zich terwijl de bevolking bezig was zichzelf te wapenen, in de kasteelen terug, om vandaar uit, de steden in bedwang te houden. Aalst, Gent en Antwerpen werden op die manier door hen bedreigd. In dien nood nam men de toevlucht tot Oranje, die dan ook aanstonds een achttal vendelen naar Gent zond, om hulp te bieden, als dit vereischt werd.Door dit verzoek om bijstand, kwam hij vanzelf met de Staten van Brabant en de Staten-Generaal in aanraking. Eigenaardig, dat uit de briefwisseling blijkt, hoe bevreesd men nog was zich met hem te verbinden. De Prins toont daarover geen geraaktheid, maar tracht hun vrees te overwinnen door volstrekt geen begeerte naar inmenging te toonen. Hij is volkomen bereid zijn landgenooten te helpen, maar niet minder zijn troepen tegenbevel te geven, als hun bijstand niet wordt noodig geacht. Het hoofddoel blijft voor Oranje, de vredesonderhandelingen, die in October tusschen de Generale Staten en de gevolmachtigden van de Staten van Holland en Zeeland zullen geopend worden, te bevorderen en de gewenschte verbinding met Frankrijk voor te bereiden.Waarschijnlijk in den aanvang van October, schreef Oranje dien merkwaardigenbrief aan de Staten-Generaal, waarin hij hen tot eendrachtig handelen opwekt en hun tevens voor oogen stelt, hoe alle verschil de goede zaken tegenhoudt en doet vertragen, wat tot de ruïne van het land moet voeren. “Wettige gehoorzaamheid is men den koning verschuldigd,” zegt Oranje, “maar indien men uit vrees hem te beleedigen, in plaats van bij recht en waarheid, alleen bij den wil van een slecht ingelichten vorst zweert, dan vergeet men jammerlijk zijn plicht en hiertoe is men door God en de wetten geroepen.”“En,” laat de Prins hierop volgen “de geschiedenis van ons eigen land is vol van bewijzen voor die stelling, doch opdat ik niet weer die versche wonden openrijte, die wij in eeuwige vergetelheid wenschten te begraven en u de onheilen van de heeren Egmond en Hoorne en van de schoonste bloem van den adel en de burgerij dezer landen niet weder te binnenbrenge, herinner ik u aan Frankrijk, Italië, Duitschland, aan Hongarije, Africa en Barbarijë, waar al de ellende en onheilen, die er geschied zijn, het gevolg zijn geweest van die vervloekte tweedracht, die gewoonlijk in één oogenblik de sterkste en bloeiendste staten der wereld omverwerpt.”Verder geeft de Prins den raad: “aan den koning, door middel van een koerier, in een expressen brief, uw vast besluit te melden, dat gij uw vaderland in zijn rechten, vrijheden en gewoonten wilt handhaven, en het goed- of kwaadschiks wilt verlossen van de onverdragelijke tirannie der Spanjaarden. Dit alles natuurlijk onder de wettige en verschuldigde gehoorzaamheid aan Z. M., zooals gij beloofd en bezworen hebt, evenals hij u beloofd en gezworen heeft, u te handhaven in al uwe rechten en genoemde vrijheden, bij welke gij beslist denkt te blijven, wat er ook moge gebeuren en dat gij, wilde de koning u door geweld van wapenen dwingen, tot den laatsten man van uw land aan de verlossing daarvan zult wagen.... Deze brief moet geteekend worden door al de Staten van het land, door de voornaamste kloosterorden en al degenen, die eenige waardigheid in het land bekleeden, eenig krediet hebben bij den koning of verplichting gevoelen, tot het algemeen belang mee te werken.”“Door dit middel zult gij, als gij duidelijk uw besluit aan Z. M. hebt verklaard, ook u zelven een krachtigen spoorslag geven, om grootmoedig uw heilige en lofwaardige onderneming te vervolgen, zonder iets te bemantelen en ook zult gij er al de valsche maskers van de aangezichten van hen mede afrukken, die, onder den schijn van niet aan den koning te willen mishagen, tusschen twee wateren zwemmen en den loop van alle goede beraadslagingen beletten .... De ongelijkheid van wil, die de ware pest is van al uw beraadslagingen, zult gij er door uit uw midden verjagen en er een ferme eendracht en algemeene eensgezindheid door bewerken, die toch het eenig middel zijn, om uw zaken tot een goed einde te brengen, gelijk de voorbeelden van alle confederaties door alle tijden heen u kunnen bevestigen. Want evenals het onmogelijk is een kar recht te laten rijden, als de wielen slecht en ongelijkmatig zijn geproportioneerd, zoo moet ook elke bond breken en tot een slecht einde voeren, wanneer er geen gelijke verplichting bestaat, om een gemeenschappelijk en algemeen doel te bereiken....”Daarop volgt een beroep op de geschiedenis en worden door den Prins deconfederaties tusschen verschillende steden uit de jaren 1261, 1339, 1368, 1371, 1372, 1412 en 1514 herdacht. “Deze alleen zijn oorzaak, dat wij ons kunnen beroemen, het eenige volk onder den hemel te zijn, dat met de meest loyale getrouwheid en de goede diensten aan de vorsten bewezen, het best een franke en onschendbare vrijheid hebben verworven, die wij alleen langs denzelfden weg kunnen handhaven.”Ook daarom zal zulk een generale eendrachtige handelwijze, als de Prins aanraadt in dien brief aan den koning, zoo goed zijn, omdat Filips steeds gedacht heeft, dat het alleen een troep rebellen, muiters en Luthersche ketters waren, die tegen hem waren opgestaan. “Nu daarentegen zal de koning zien, dat het een algemeene stem van het geheele volk is, van kleinen en grooten, van grooten en kleinen, zoowel als van prelaten, abten, monniken en religieuzen, als van heeren, edellieden, burgers en boeren; kortom, dat er geen ouderdom, noch sekse, noch positie, noch qualiteit van personen bestaat, die het niet met een en dezelfde stem uitroept en met een en denzelfden wil verlangt. Daartegen zal de koning zich niet durven verzetten, want als hij dat deed zou hij aan de geheele wereld zijn groot onrecht en uw groot recht, om u tegen zulk een tirannie te verzetten, openlijk te kennen geven.”Nadat hij zich op nog meer argumenten uit de geschiedenis beroepen heeft, zegt de Prins: “Laat den koning vooral ook zien, dat ge u met ons vereenigd hebt en dat gij u eerder in de armen van den ouden vijand van het Huis van Oostenrijk zoudt werpen, dan verdere beleedigingen te verdragen. Een bundel uit losse takjes bestaande kan gemakkelijk worden gebroken, maar is hij saamgebonden en vereenigd, dan is geen arm sterk genoeg, dien te verscheuren. Zoo ook gij—indien gij ferm vereenigd zijt, dan zijn Spanje en Italië niet bij machte, u kwaad te doen.“Zie wat Holland en Zeeland in vijf jaar tijds gedaan hebben. En wat is dit handjevol steden bij al de Nederlanden?.... Alles is gereed. Er is alleen een toetssteen noodig en die kan zijn de onderteekening van een duidelijke verklaring uwer rechten. Met de publicatie van zulk een verklaring, zullen vrienden aan elken kant voor u oprijzen. Nu denken nog de Duitsche vorsten, de Fransche edellieden, de koningin van Engeland en alle andere Christelijke potentaten, dat gij geen hulp noodig hebt, omdat gij u zelf niet helpt. Volgt gij mijn raad, dan zal u van alle zijden hulp toestroomen en gij zult buitendien den naam verwerven, een voorbeeld te zijn voor alle vrije volken en een schrik voor alle tirannen en onderdrukkers van staten, enz.”Natuurlijk bleef de Prins onder al zijne staatkundige zorgen in Middelburg met de zijnen in voortdurende briefwisseling; allereerst met zijne echtgenoote te Delft, maar ook bewijst een briefje van den 15enOctober 1576, hoe ook zijne kinderen hem niet vergaten. Zijne oudste dochter Marie, ’s Prinsen eerste gemalin Anna van Egmond ten volle waardig, later met graaf Filips von Hohenlohe gehuwd, zond hem uit Otweiler, waar ze gelogeerd was, een hartelijk schrijven als antwoord op een brief van haar vader. Veel bijzonders vertelt ze daarin niet, maar haar toon is zoo deelnemend en innig, dat het de moeite loont, een paar harer gedachten uit haar gebroken Fransch in onze taal weder te geven.“Ik ben”—zoo schrijft zij—“zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaken in Brabant zoo goed gaan; ik hoop, dat ze alle dagen beter zullen worden en God door deze gelegenheid ons de genade zal verleenen, dat alles tot een vasten vrede komt, hetgeen ik uit geheel mijn hart wensch,opdat ik u en Madame nog eens tot rust mag zien komen.”En zeker, de zaken in Brabant gingen goed. Wel vond de aansporing, om desnoods met wapengeweld de tirannie te verdrijven, geen ingang in het Zuiden. Daarvoor was men te bevreesd voor den koning en de naderende komst van zijn nieuwen landvoogd. Maar dit resultaat bereikte de Prins toch door al zijn schrijven aan de gewesten en aanzienlijke personen, dat de Staten-Generaal met toestemming van den Raad van State, met Oranje besprekingen over den vrede openden. Die besprekingen, die reeds onder Requesens in 1575 in Breda waren aangevangen, maar toen tot geen resultaat geleid hadden, moesten thans weer opgevat worden. Vrede toch was het algemeen onweerstaanbaar verlangen van de natie. Natuurlijk lag in het uitspreken van dien wensch ook tevens de verdrijving der Spaansche soldaten. De Staten-Generaal en de Raad van State meenden binnen de perken van hun trouw aan den koning wèl over den vrede met Holland en Zeeland te kunnen onderhandelen; maar Oranje’s vollen raad op te volgen, was naar hun meening daarmede in strijd. En de Prins stelde zich voorloopig met dat resultaat tevreden, want hij wist, gelijk de gevolgen ook geleerd hebben, dat die eerste stap hen ook tevens zou moeten voeren tot bestrijding der Spaansche macht.Voordat de onderhandelingen begonnen, vroegen de Staten-Generaal uitdrukkelijk van den Prins de verzekering, dat hij geen nieuwigheid zou invoeren omtrent den R.-Katholieken godsdienst en de verschuldigde gehoorzaamheid aan den koning. De Prins maakte geen bezwaar, die verzekering te geven. “Nooit had hij in den zin gehad eigendunkelijk in de religie verandering te brengen; ook thans konden ze daarop gerust zijn. Hij nam er genoegen mee, dat alles in den toestand zou blijven, waarin het was, totdat, na het vertrek der Spanjaarden, een vrije en wettige vergadering der Staten-Generaal alle geschillen zou beslechten. Evenmin lag het in zijn bedoeling, de landen aan de wettige gehoorzaamheid des konings te onttrekken; zijn eenig oogmerk was steeds geweest, hen te bevrijden van de onverdragelijke tirannie, die hun den voet op den nek wilde zetten. Dit antwoord bevredigde de Staten-Generaal en ze stemden er in toe, dat er afgevaardigden van hen met vertegenwoordigers zoowel van Holland en Zeeland als van den Prins zouden samenkomen.Gent werd daarvoor gekozen, al was ook de citadel dier plaats, gelijk de meeste kasteelen, in de macht der Spanjaarden en al stond eerst de van ouds onrustige stad den Staten-Generaal niet al te best aan. Ook zij begrepen, dat er haast moest gemaakt worden, daar Don Juan reeds op weg naar de Nederlanden was en deze nieuwe landvoogd moest staan voor een fait accompli.Op den 11enOctober werden door den Raad van State aan de afgevaardigden uit het Noorden brieven van vrijgeleide gezonden en op den 19enbegonnen de beraadslagingen. Van beide zijden waren er negen afgevaardigden; van die der Zuidelijken waren Dr. Leoninus en de abt van St. Geertrui; van die derNoordelijken Marnix van St. Aldegonde en Paulus Buys de voornaamsten.Oranje zelf ging niet naar Gent, maar ontving te Middelburg dagelijks rapporten van de onderhandelingen, terwijl hij van daaruit den toestand beheerschte. De Prins moest zelfs uit Middelburg nog in de eerste dagen der samenkomst tot voortvarendheid aansporen. Er bleef van beide zijden in den aanvang wantrouwen heerschen. Men vreesde, dat de Prins misschien volksbewegingen te Gent en te Brussel in de hand zou werken en ook omtrent zijne eischen, den godsdienst betreffende, was men niet gerust. Oranje van zijn kant was beducht, dat misschien de spoedige komst van Don Juan alles weer in duigen zou werpen, en de flauwhartigen door zijn beloften zouden worden overreed; daarom drong hij terecht op groote haast aan.Over twee punten was men het geheel eens. Noord en Zuid beide wildende Spaansche soldaten verwijderd zienende privilegiën handhaven. De godsdienstvraag was moeilijker op te lossen. Herinneren we ons, dat tegen den wil van Oranje in de Unie van Delft het Calvinisme als eenige godsdienst van Staat was erkend en dat de katholieke leer in het Noorden was uitgesloten. Drong men dus van het Zuiden aan op vrijheid van den katholieken godsdienst in Holland en Zeeland, dan stond het te vreezen, dat de godsdienstquaestie de geheele pacificatie in duigen zou werpen. Men besloot haar daarom in statu quo te laten en hare oplossing uit te stellen tot een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal na den vrede.Overigens herstelden de vredesartikelen de vriendschap en het verkeer tusschen de partijen; alle wederzijdsche gevangenen, alle onroerende verbeurdverklaarde goederen zouden worden teruggegeven. Oranje werd erkend in zijn waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland en ook aan hem werden zijn verbeurd verklaarde goederen teruggeschonken. Hij schreef daarover terecht aan den Abt van St.Geertrui: “Ik bid u niet vreemd te vinden, dat ik, die zoo in schulden zit en zoo lang van mijne goederen ben beroofd geweest, daarvan eenig gewag heb willen maken, het kan in de toekomst te pas komen.”Wat de enkele steden in Holland en Zeeland, die Oranje’s gezag nog niet erkenden, aangaat en die zich toch bij dit verdrag aansloten, zij zouden een satisfactie ontvangen, als ze zich voegden onder zijn bewind; o. a. op het punt van den godsdienst zouden zij eenige meerdere vrijheid erlangen. De geheele Pacificatie bestond uit 25 artikelen; deze waren op den 28enOctober vastgesteld, doch hadden toen nog de bekrachtiging noodig van de Staten-Generaal.Het was dringend noodzakelijk, dat dit lichaam niet te lang wachtte met de goedkeuring, want Don Juan was op weg en als die zich aan het hoofd der Spanjaarden plaatste, zou hij alles wat de Raad van State had gedaan, van nul en geener waarde verklaren. Uit een onderschepten brief van Roda, het eenige Spaansche lid uit den Raad en vóór 4 September uit Brussel ontsnapt, was gebleken, dat hij Don Juan zou adviseeren den Raad van State en zijn gezag te vernietigen. Voor de komst van een nieuwen landvoogd moest dus gehandeld worden, maar de Staten-Generaal bleven aarzelen het verdrag goed te keuren. Oranje, ook van bevriende zijde gewaarschuwd, begreep maar al te goed, dat er tot het laatste toe gevaarvan tallooze Zuid-Nederlanders te vreezen was. “Men handelt niet met ons op zijn Vlaamsch, maar op zijn Italiaansch en Spaansch,” had hij gezegd.Misschien zouden de Staten-Generaal nog zijn blijven talmen, zoo niet een onvoorziene gebeurtenis hen tot goedkeuring van het verdrag had gedwongen.Die gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als deSpaansche furie. Wij zagen, hoe de muitende soldaten, na de overgave van Zierikzee en na plunderend en brandstichtend het land te zijn doorgetrokken, zich vooral op de kasteelen in de buurt der steden hadden genesteld, om ze van daaruit in bedwang te houden. De eerste stad, die door hen verwoest werd, was Maastricht en wel op den 20enOctober, een dag na de opening der onderhandelingen te Gent. Die plundering scheen het sein van een algemeenen aanval der Spanjaarden te wezen. De citadel van Antwerpen was hun hoofdkwartier. Daar stonden ongeveer 4000 Spaansche troepen onder de bevelen van d’Avila, Romero, Valdez e. a., die zich eerst wel niet met de muiters hadden verbonden, maar vooral door invloed van Roda zich toch met dezen vereenigden tot een algemeenen aanval op Antwerpen. Roda had zich tot de komst van Don Juan het volle gezag des konings toegekend.De stad zelf stond onder Champagny, den broeder van Granvelle, die met alle Nederlanders den haat tegen de Spanjaarden deelde en zelfs op dat oogenblik met Oranje in betrekking stond. Bij hen voegden zich de markies van Havré met Heze en Filips van Egmond, zoodat Antwerpen zelf een bezetting had van ongeveer 8000 soldaten, die zich gereed maakten, de citadel waarin de Spanjaarden waren, te belegeren. Doch die Antwerpsche bezetting, m. a. w. de Nederlandsche soldaten van de Staten-Generaal, waren niet vertrouwbaar. Ook de troepen onder kolonel van den Ende en graaf von Eberstein waren evenzeer als de Spaansche soldaten ontevreden. De overwinning van dezen was dan ook zeker, zoodra d’Avila, ondertusschen nog versterkt door de Spaansche soldaten van Aalst, besloot, in de stad te trekken. Het waren vooral de troepen van Aalst, die de aanleiding waren van den aanval op de stad. Deze toch werden alleen door het vooruitzicht van plundering bezield; ze hadden op den 4enNovember de 24 mijlen tusschen Aalst en Antwerpen in zeven uur tijds afgelegd en zij weigerden de ververschingen, die d’Avila aanbood met te zeggen, dat ze rekenden op een goed avondmaal in de andere wereld of binnen Antwerpen. In een uur had de geheele Spaansche bende, tot de tanden gewapend, de citadel verlaten en ze waren zóó zeker van hun welslagen, dat ze nauwelijks één man op de wacht achterlieten.Na een hevig straatgevecht werden de troepen der Staten teruggedreven. Men nam o. a. Egmond gevangen; Champagny en Havré konden zich nauwelijks redden, maar vonden nog op de schepen van den Prins van Oranje, die op de Schelde lagen, een wijkplaats.“Op den ochtend van den 5enNovember,” schrijft Motley, “bood Antwerpen een akelig schouwspel aan: het prachtige stadhuis, als een wonder der wereld beroemd, zelfs in die eeuw en in dat land, waarin men aan stadsgebouwen zooveel schatten ten koste legde, stond daar als een zwartgeblakerde bouwval; alles was vernield, behalve de muren, terwijl oorkonden, registers en andere voorwerpen van waarde verloren waren gegaan. Het luisterrijkst gedeelte van de stad was inde asch gelegd; minstens vijfhonderd paleizen, grootendeels van marmer of gehouwen steen, waren een smeulende puinhoop geworden. Lijken van hen, die in het bloedbad gevallen waren, lagen aan alle kanten, maar het meest op het plein de Meir tusschen de gotische zuilen der Beurs en in de straten dicht bij het Stadhuis. De Duitsche soldaten lagen er in hunne wapenrusting; van sommigen was het hoofd van den romp afgebrand, bij anderen had de vlam armen en beenen verteerd.... Nog twee dagen lang waarde de verdelging door de stad. Van alle misdaden, die de mensch met koelbloedige berekening of razenden hartstocht begaan kan, bleef er nauwelijks een ongepleegd.Met onuitdelgbare letters heeft de geschiedenis op hare koperen tafels de rekening gegrift, die alleen voor den Rechterstoel hierboven vereffend worden kan. Van al de gruweldaden in de Nederlanden begaan, was dit de ergste. Men noemde haar deSpaansche furie, onder welken verschrikkelijken naam zij sedert eeuwen bekend bleef.De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt.”Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over “pour prévenir et éviter de plus grands inconvénients.”Op den 8enNovember werd met toestemming van de Staten-Generaal de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene bevrediging, maar ook een verbond.Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was een quaestie, die, volgens Oranje, in ’t verre verschiet lag. Bovendien zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de Pacificatie op het verschil daaromtrentnog afgestuit. Holland en Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel, doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden, eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van Gent in stand te houden.Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag had gewild, namen de Staten echter dit besluit.Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste ingenomen. “Onze afgevaardigden,” schrijft hij aan Jan, “hebben zoo goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28ender laatste maand vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten.” Hij spreekt in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk, dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden uit zich zelf het land zullen verlaten.Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming van Anjou’s voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik vanNavarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het huwelijk van zijn zuster was verzoend.De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds aan als “Hooggeboren Vorst,” doch in het midden van haar vormelijke frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22enOctober wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.

Hoofdstuk XXI.Unie van Delft. Oranje en het Zuiden. 1575–1576.Indien iemand tegenover de opgestane gewesten en Oranje een leelijke rol heeft vervuld, dan was het wel Koningin Elisabeth, van wie, als hoofd der Anglicaansche kerk, de Geuzen recht hadden ondersteuning te verwachten, doch die uitsluitend en alleen haar belang tot richtsnoer van haar gedrag tegenover de Nederlanden gemaakt heeft.Het is bekend, hoe zij in 1572 de Watergeuzen een langer verblijf in Engeland verbood, hetgeen de aanleiding werd tot de inneming van den Briel. Daarna had zij niet opgehouden, met Spanje, ter wille van het handelsbelang van haar volk, op een goeden voet te blijven, zoodat er in 1573 tusschen Alva en haar te Nijmegen een verdrag werd gesloten, dat pas in 1575 door de koningin bekrachtigd werd, maar toen ook vergezeld ging van een proclamatie, waarbij Oranje en de zijnen tot rebellen verklaard werden.Trok daarom Elisabeth eene lijn met Filips II? Verre vandaar; zij bestreed toch de staatkunde van den Spaanschen koning, om de Nederlanden tot een onderdeel der Spaansche monarchie te maken, maar van aansluiting bij Frankrijk wilde zij ook niets weten. De koningin was daarom nu en dan voorkomend tegen de Nederlandsche gewesten, maar dreigde ze, zich geheel bij Spanje te voegen, indien de Nederlanden zich bij Frankrijk aansloten.Zoo iemand haar doorzag, dan was het wel de Prins; hij begreep zeer goed, wat Elisabeth tot zulk een dubbelzinnige handelwijze dreef en van haar verwachtte hij ook werkelijk geen steun.Evenals in de groote kwestie van Schotland en Maria Stuart, haar staatkunde beheerscht werd door argwaan en ijverzucht, zoodat Elisabeth zich niet bekommerde om het arme Schotland, indien zij Maria Stuart maar in haar macht kreeg, zoo was haar politiek tegenover de Nederlanden even gewetenloos als huichelachtig.Schonk zij eens hulp aan de gewesten, dan was er steeds zooveel eigenbelangbij in het spel, dat voor Oranje, die den toestand goed kon doorzien, die hulp geenerlei waarde had.Wat gebeurde er nu in Juni 1575? Toen kwam er vanwege Koningin Elisabeth een gezant namelijk Daniel Rogers, tot Oranje, niettegenstaande hij en de zijnen in de maand April door de koningin tot rebellen waren verklaard. Wat kwam die gezant bij den rebel Oranje doen? Elisabeth had van de komst van een Fransch edelman in Nederland gehoord en tevens, dat daarop iemand naar Parijs was gezonden. Hierdoor ontstond bij Elisabeth vrees voor aansluiting bij Frankrijk en het doel van Rogers was dan ook, den Prins door bedreiging en overreding te doen afschrikken van een nadere verbintenis met Frankrijk. Dat Holland zich bij Frankrijk zou aansluiten en dit land daarvan de voordelen zou genieten, kon de koningin niet dulden. Hoewel Rogers bij vele Engelschgezinde vrienden van Oranje wel succes had, bij den Prins zelf niet, die er den gezant nadrukkelijk op wees, dat de handelwijze van zijn koningin Holland dwong, naar Frankrijks zijde te neigen.Kort daarop werd tengevolge van de vroeger vermelde overwinningen van den vijand in den zomer van 1575, zoowel in het hart van Holland als van Zeeland, de toestand zoo benauwd, dat de Prins tegen den 4enOctober de Staten te Rotterdam bijeenriep. Hier wilde hij met hen overleggen of men niet aan eenigen vorst en zoo ja, aan welken, de souvereiniteit dezer landen zou opdragen. De Prins meende, dat een souverein protector onmisbaar was voor de gewesten. Onder de Staten bestond groot verschil van gevoelen, maar het slot was toch, na de vroedschappen te hebben gehoord, dat men onder zekere voorwaarden de souvereiniteit aan Elisabeth zou opdragen. Terwijl de koningin een gezant naar de gewesten had gezonden, om weder op de gevaren van een Fransch bondgenootschap te wijzen, waardoor ook invloed op het besluit was uitgeoefend, zond de trouwelooze vorstin tevens gezanten naar Spanje en Brussel, teneinde hulptegenHolland aan te bieden.Toen nu Spanje te kennen gaf daarvan niet gediend te zijn ging Elisabeth in op onze voorstellen, althans zij gaf te kennen, dat de gezanten uit de gewesten haar welkom zouden zijn. Maar tot het verleenen van hulp kwam het niet; Spanje en Frankrijk moesten niet in het bezit der Nederlandsche kusten komen, doch Holland helpen, dáár dacht de baatzuchtige vrouw niet over, zelfs niet onder afstand van Walcheren. De onderhandelingen liepen op niets uit en het bleek maar al te zeer, dat Oranje’s twijfel aan Elisabeth niet zonder grond was geweest.Ondertusschen was de toestand zelf minder dreigend; wel bleef Zierikzee ingesloten en zou die stad eindelijk moeten vallen, doch onder de Spaansche soldaten in Zuid en Noord, steeg de verbittering met den dag. Bovendien had Filips algemeene ontstemming gewekt onder de bankiers van Antwerpen en elders door het besluit, waarbij alle geldcontracten verbroken, de onderpanden vervallen verklaard en de renten gereduceerd werden.Requesens verkeerde meer dan ooit in geldelijke verlegenheid en het kostte hem steeds meer moeite, geld van de gewesten los te krijgen. Toen hij nog op Duiveland was, ontving hij van de Staten-Generaal antwoord op zijn verzoekom geldelijke ondersteuning. Het hield echter alleen een uitvoerige klacht in over het wangedrag van het krijgsvolk en dit schrijven vol verwijten, in plaats van beloften van geld, deed den groot-kommandeur in wanhoop uitroepen : “O die Staten, die Staten! Heer verlos ons van die Staten.”Zijn plotselinge dood verloste hem ook werkelijk ervan, want den 5enMaart 1576 overleed hij, zonder eenige schikking voor zijn opvolger gemaakt te hebben.Geen wonder, dat Oranje, zoo somber gestemd in het najaar van 1575, in het begin van het volgende jaar de zaken weer veel lichter inzag. Dat hij zeer ontmoedigd was geweest blijkt wel uit hetgeen men omtrent het plan van den Prins vertelt, kort voor den dood van Requesens. Hij zou met de gedachte hebben rondgeloopen, al de sloepen, die hij in Holland en Zeeland kon vinden, te verzamelen, de inwoners, mannen, vrouwen en kinderen aan boord te nemen, tegelijk met alle eigendommen en dan de zee over te steken en een nieuwe republiek te stichten. Voor men afreisde, zouden eerst alle molens verbrand worden en alle dijken doorstoken, zoodat de vijand niets anders dan overstroomd land kon bemachtigen. Het kan wezen dat Oranje in dagen van ontmoediging daar wel eens over gedacht heeft, maar onwaarschijnlijk is het, dat het ooit een plan is geweest. Aan zijn broer Jan heeft hij er nooit over geschreven en zeker is het, dat bij den dood van Requesens dat plan, mocht er ooit over gedacht zijn, onmiddellijk terzijde werd gelegd.Het tijdelijke gemis van een opvolger en de verwarring, welke daardoor ontstond, werden door den Prins ten nutte gemaakt, zich meer met het Zuiden te bemoeien en daardoor tevens zijn plaats in het Noorden te verbeteren.Oranje begreep, dat de vereeniging van Holland en Zeeland doorgedreven moest worden, anders zou men altijd blijven stuiten op strijd van belangen en wat een vorig jaar was mislukt, kon hij thans door den nood van 1576 tot een goed einde brengen.Door deUnie van Delftop den 25enApril gesloten, werd de eenheid in de regeering der beide gewesten aangenomen. Deze gebeurtenis was van groot belang, daar het document als de oorspronkelijke stichtingsacte van de Vereenigde Nederlanden werd aangemerkt en als een model voor vele latere confederaties diende.Voor den duur van den oorlog was aan den Prins de souvereiniteit opgedragen in vereeniging met de Staten en hunne gecommitteerden. Hij werd gemachtigd met den koning van Frankrijk, zijn broeder, of eenig ander vorst te onderhandelen, die Holland en Zeeland onder zijn bescherming zou willen nemen. De Prins was bevelhebber te land en ter zee en had het recht alle officieren te benoemen. De gedeputeerden van de Staten mocht hij oproepen en zij waren op straffe van geldboete verplicht, op te komen. Van elke stad of elk dorp mocht hij garnizoenen zenden zonder raadpleging van de Staten of de stedelijke magistraat. De uitoefening van den hervormden godsdienst moest hij handhaven en eveneens de uitoefening van allen godsdienst in strijd met het Evangelie, verbieden.De gezamenlijke uitgaven zouden naar evenredigheid tusschen gewesten worden verdeeld, terwijl negen commissarissen door den Prins op voordracht der Staten benoemd, permanent zouden zitting houden als zijn raadgevers, als assessoren encollecteurs van de belastingen. De geconfedereerden beloofden elkander wederkeerig bij te staan, om alle onrecht, kwaad en geweld te voorkomen.Inquisitie mocht niet worden toegepast op iemands geloof of geweten en niemand mocht tengevolge daarvan moeite, onrecht of hindernis lijden.In dit verbond handelde elke gemeente als een kleine souverein, zond gezanten naar de vergadering der Staten om als gevolmachtigden te stemmen en te teekenen. De edelen vertegenwoordigden niet alleen hunne eigen belangen, maar werden ook ondersteld de boeren op het land te representeeren. Het doel van de staatsinrichting volgens de Unie van Delft was,representatie van het volkin zijn volle breedte. Eerst later hebben de colleges het volkselement onderdrukt, maakten ze misbruik van eigen verkiezing en werd het beginsel aristocratisch. Plaatselijk genomen was de confederatie republikeinsch, maar de algemeene regeering, die gevestigd werd, monarchaal. Oranje werd inderdaad souverein ad interim en terwijl ’s konings gezag tijdelijk buiten werking was gesteld, werd de Prins niet alleen met uitvoerende macht bekleed maar ook had hij een groot aandeel in de wetgevende functiën van den Staat.De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werden door den Prins niet zoo gescheiden gehouden als volgens de staatsrechterlijke theorie veroorloofd was. Het lag geheel in zijn eigen macht om zijn voorloopige autoriteit te doen voortduren.Oranje was op het hoogtepunt van zijn populariteiten inderdaad de eenige man, dien men werkelijk vertrouwde. De uitdrukking “Vader Willem” werd reeds toen gebruikt al was hij nog maar 43 jaar. Toch wilde hij niet alleen den last dragen. Hij was het vooral, die met kracht aandrong op de noodzakelijkheid, vreemde bescherming te zoeken. Zeer goed zag hij de moeilijkheden in om de eenige stuurman op het nieuwe schip van staat te zijn, dat hij trachtte van de koninklijke dokken te lichten. Vandaar de nieuwe pogingen om zich door vreemde hulp te versterken.Twee dagen slechts na de Unie van Delft, had er in Frankrijk een gebeurtenis plaats, die ook voor de Nederlanden van groot belang scheen te worden.In 1574 was Karel IX gestorven en weder moest een broer zijn opvolger worden, evenals Karel zelf in 1560 Frans II had vervangen. Nu was de derde zoon van Catharina de Medicis de aangewezen opvolger van Karel als koning van Frankrijk, maar deze was in 1573 koning van Polen geworden. Doch er was nog een vierde zoon van Catharina de Medicis, de hertog van Alençon, die eerzuchtig in de hoogste mate en ontevreden over zijn lot als jongere broeder, zich in allerlei samenzweringen stak om macht en invloed te krijgen. De Hugenoten, die onder Condé e. a. zich weder hadden vereenigd, wilden zelfs bewerken dat de hertog van Alençon, bij ons bekend onder den naam van hertog van Anjou, als koning van Frankrijk Karel IX zou opvolgen, terwijl zijn oudere broer dan koning van Polen zou blijven. Ook Oranje trachtte dit plan in de hand te werken, zooals uit een brief van hem aan zijn broer Jan bleek. Toch kon de terugkeer van Hendrik uit Polen niet belet worden, daar Catharina de Medicis hem en niet Anjou totopvolger van Karel wilde. Polen werd in den steek gelaten en hij keerde na een kort regentschap van zijn moeder, als koning naar Frankrijk terug. Ook Anjou huldigde voor het uiterlijk zijn broeder als koning, doch zijn eerzucht zette hem aan tot het smeden van allerlei complotten en toen het mislukt was, hem in Polen gekroond te krijgen of hem in Italië een souvereiniteit te scheppen, bood hij, geprikkeld door jaloezie op zijn broer, Condé zijn hulp aan. Deze wilde hem gaarne verheffen tot het hoofd der Hugenoten, zoodat Anjou in stilte het hof ontvluchtte om zich naar Condé te begeven, waarvan een algemeene beweging onder de Hugenoten, vooral te la Rochelle, Nîmes en Montauban het gevolg was.De vijfde burgeroorlog begon. Ook Hendrik van Navarre zwoer bij vernieuwing trouw aan de zaak der Protestanten. De beweging had zooveel succes, dat deze oorlog eindigde met zeer gunstige voorwaarden voor de Hugenoten; de vrede kreeg naar den hertog van Anjou den naam van “Paix de Monsieur.” Hij zelf ontving daarbij een machtige, bijna onafhankelijke positie. De Hugenoten kregen niet alleen het recht hun godsdienst in het rijk vrij uit te oefenen, maar ze werden ook verkiesbaar gesteld voor alle ambten en betrekkingen, terwijl aan de gerechtshoven volkomen onpartijdigheid werd voorgeschreven.Geen wonder, dat na het herstel van de rust in Frankrijk (nu de toestand der Hugenoten zoo gunstig was geworden), Oranje weer een blik naar Frankrijk sloeg, te meer daar de Prins nog zoo kort geleden van de baatzucht van Engelands vorstin overtuigd was geworden.Van de meerdere macht hem door de Unie van Delft verleend, maakte hij dan ook gebruik, met de Staten de voorwaarden op te stellen, waarop men den hertog van Anjou, die thans gold als beschermer der Hugenoten, de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland zou kunnen aanbieden.Dit voorstel was echter vergeefsch; de onderhandelingen werden lang slepende gehouden; Elisabeth was verontwaardigd op Anjou en verzette zich heftig tegen de ondersteuning der Nederlanden.De onderhandelingen leidden voor het oogenblik tot geen goed resultaat en het zou nog twee jaar duren, eer de Prins tot Anjou terugkeerde. Misnoegd schreef hij aan zijn broer Jan:“Wij hadden altijd gehoopt, dat de Fransche vrede tenminste hun welwillendheid tegenover ons zou vermeerderen, maar het komt mij voor, dat ieder zich tevreden stelt met zijn eigen bijzondere zaken, zonder zich om het lot van anderen te bekommeren.” De vraag echter dringt zich vanzelf aan ons op: Hoe kon de Prins aan zulk een onwaardige, als de laatste Valois was, niet alleen de bescherming van het land, maar zelfs de souvereiniteit aanbieden?In de eerste plaats moet men niet vergeten, dat het duidelijk gebleken was, dat Koningin Elisabeth er niet over dacht een protectoraat te aanvaarden; dit was afgestuit op haar onwil om met Spanje te breken. De zaak der Nederlandsche rebellen stond bovendien in April 1576 vrij hopeloos. Alleen uit Frankrijk was nog kans op hulp en niemand anders dan Anjou kon die brengen. Ook zou men hem gemakkelijker dan den koning voorwaarden kunnen stellen en het was Oranje nog niet zoozeer om den persoon van Anjou te doen, dan wel om Fransche hulp.De Prins zou toch het gezag hebben behouden, terwijl alleen de titel eigenlijk werd aangeboden.Ofschoon de zaak ten slotte op niets uitliep, was het in zoover belangrijk, dat er voor het eerst een vorm werd gegeven aan de vorige plannen omtrent de aansluiting bij Frankrijk, die reeds lang in veler hoofden en harten hadden geleefd.Was de toestand van Holland en Zeeland in het voorjaar van 1576 zeer hachelijk, de redding kwam van een anderen kant, dan de Prins had vermoed. De muiterij der Spaansche soldaten en de verwarde toestand in de regeering van het Zuiden, na den dood van Requesens, werden voor het Noorden de redding. De hulp, die Elisabeth noch Anjou met een protectoraat of souvereiniteit hadden kunnen geven, werd door een reeks van omstandigheden van zelf aan de benarde gewesten geschonken. Die omstandigheden waren de gevolgen van de overgave van Zierikzee en van den dood van Requesens.Reeds maanden lang werd die Zeeuwsche stad, de hoofdstad van Schouwen en de sleutel tot half Zeeland, door Spanje belegerd; de eerst zoo goed geslaagde tocht naar Schouwen onder Mondragon, vond in het verzet van de stad Zierikzee een keerpunt. Zoowel van Spaansche als van Nederlandsche zijde bleef men in den strijd volharden.De Prins van Oranje stelde alles in het werk, om de stad te hulp te komen. Den 16enMei schreef hij aan Jan van Nassau, dat Zierikzee het nog uithield, en, liet hij er op volgen: “ik moet zeggen, dat allen, die ons moesten helpen, al te bedachtzaam zijn.”Niettegenstaande de drukke bezigheden van Oranje, zoodat hij volgens zijn secretaris “nauwelijks tijd heeft om adem te scheppen,” beraamde de Prins in het voorjaar van 1576 een poging tot ontzet van Zierikzee. De wakkere admiraal Boisot, de held van het gedenkwaardig ontzet van Leiden, was belast met de onderneming. Van de zeezijde probeerde Boisot op den 25enMei Zierikzee te naderen, maar Mondragon had in de nauwe haven gladde palen doen aanbrengen, waartegen Boisot te gronde ging. Hij kon onmogelijk zijn schip, de roode Leeuw, bevrijden en bevreesd, als de eb kwam, een gemakkelijke prooi van den vijand te worden, sprong hij in zee om naar de naastbijzijnde schuilplaats te zwemmen. Driehonderd man volgden zijn voorbeeld, maar Boisots krachten ontschoten hem; zijn volgers konden in de groote duisternis hun leider niet helpen en hij kwam jammerlijk in het water om.Voor den Prins was de dood van Boisot een groot verlies en Charlotte van Bourbon, dat beseffende, schreef den volgenden hartelijken brief aan haar man, welk schrijven ons in staat stelt een blik te slaan in de verhouding van den Prins en zijne vrouw.Monseigneur.Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen overeenkomstig onsaller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd over het ongeval, het groote schip overkomen en over het verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden, want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid, wien gij in zijne plaats zult stellen.“Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd, als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten, uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af, alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet, waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen.”Delft, 2 Juni ’s avonds 7 uur.Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,C. DE BOURBON.Wat moeten zulke liefkoozende woorden van Charlotte na al de egoïstische uitlatingen van Anna van Saksen, een verkwikking geweest zijn voor het gemoed van den Prins, dat aan sympathie zooveel behoefte had!Alle pogingen om de stoutmoedige Zierikzeesche burgers te helpen, bleken vergeefsch. Negen maanden hadden ze het uitgehouden, maar het verlies van Boisot was zoo ernstig, dat alle verdere verzet hopeloos scheen. Den 21enJuni had, overeenkomstig de instructies van den Prins, de overgave van Zierikzee plaats. Mondragon, wiens soldaten zich in een ellendigen toestand bevonden en op het punt waren aan het muiten te slaan, was bijzonder verheugd een eerlijk verdrag te kunnen toestaan.In een brief van Oranje aan zijn broeder Jan, meldt hij de noodzakelijkheid, dat de stad zich heeft overgegeven, maar schrijft hij: “indien ons van eenige zijde hulp was geboden, of wij allen van het begin af onzen plicht hadden gedaan, zou de arme stad nooit in ’s vijands handen zijn gevallen, te meer omdat we gehoord hebben, dat de zaken van den vijand zoo slecht stonden, dat ze het beleg niet lang zouden kunnen volhouden.”Blijkens denzelfden brief, liet Oranje ook nu den moed niet zinken, maar werkte met grooten ijver om het verder voortgaan van den vijand te beletten.De val van Zierikzee, schijnbaar de grootste ramp voor het Noorden, werd door zijn gevolgen eene groote uitkomst. Wel werden de burgers tot een schadevergoeding van 200.000 gulden genoodzaakt, doch daar deze som grootendeels naar de hoofdkwartieren ging, achtten de Spaansche soldaten zich schromelijk door die schikking benadeeld. Een opstand van die soldaten, beter georganiseerd dan een der voorgaande, werd de aanleiding tot onze redding uit den meest benarden toestand.Gedurende 23 maanden hadden de Spaansche krijgslieden geen betaling ontvangen. De soldaten beschouwden de Nederlanden als een mijn, die zij slechts met hunne hoofden gemeenschappelijk hadden te exploiteeren en zij meenden, dat een schikking met een stad, die door hun dapperheid tot onderwerping gebracht was, hen van hun wettig deel aan den buit beroofde. Zij vroegen niet om hun loon, toen ze het vooruitzicht hadden op buit, maar toen de vredelievende schikking met Zierikzee werd afgekondigd, barstte hun ontevredenheid uit en een geregelde muiterij in al haar gewone vormen werd er georganiseerd. Tevergeefs trachtten de hoofden hun compagnieën met beloften en spoedige betaling te paaien. De mooie woorden werden niet door klinkende munt gevolgd; de muitende soldaten gingen voort met hun organisatie en spoedig heerschte de Eletto met het hoogste gezag over het leger in Schouwen. Men weigerde Mondragon te gehoorzamen. De muitende soldaten vereenigden zich uit verschillende posten met elkander; ze verlieten de Zeeuwsche eilanden en sloegen den weg in naar Vlaanderen.De regeering in Brussel, die zich eerst gouden bergen beloofd had van dien tocht naar Zeeland, zag zich erg in het nauw gebracht, want niet alleen werd door die muiterij de gansche onderneming ijdel, maar ’s konings gezag zou daardoor ook in het Zuiden aan het wankelen gebracht worden.In Vlaanderen was men reeds lang de Spaansche soldaten moede; doch nu sloeg de inwoners der Vlaamsche steden de schrik zoo om het hart, dat de burgers zelf naar de wapenen grepen en de poorten sloten voor het onheil dat hen wachtte. Reeds gevoelde zich Brussel onveilig op de nadering der benden. Wel trachtte nog de Raad van State (voorloopig het hoogste regeeringslichaam na den dood van Requesens) zijn gezag te handhaven, door Mansfelt, den commandant der stad, af te zenden om met de oproerige soldaten te onderhandelen, maar dit was geheel vergeefsch en steeds stouter en stouter traden de muiters op. Onverwachts maakten deze zich van Aalst meester en eischten ze daar onderwerping aan hunne bevelen, op straffe van vermoord te worden; zelfs een honderdtal plaatsen in de buurt werden door hen schatplichtig gemaakt.Dit veroorzaakte, gelijk te begrijpen is, hevige opschudding en beroering in de hoofdstad. Het volk eischte thans van den Raad van State, dat hij de Spaansche oproerige soldaten buiten de wet zou stellen en openlijk tot rebellen verklaren. De Raad van State waagde het niet, dien eisch te weerstreven en gaf daarbij aan het verzoek der Staten van Brabant gehoor, tot het lichten van troepen over te gaan om de rebellen te bestrijden.Aan het hoofd der troepen werd als kolonel gesteld Willem van Hoorn, Heer van Heze, een jong, eerzuchtig edelman, die, gesteund door de burgerij,spoedig een voldoend aantal troepen onder zijn bevelen had, om de Spaansche soldaten angst in te boezemen, Brussel te bewaken en den Raad van State, die niet wist wat te doen, naar zijn hand te zetten.In dien Raad was nog een Spanjaard: Jerome de Roda; doch deze moest zich, evenals Romero, geruimen tijd voor de woede der bevolking verborgen houden. Oogenschijnlijk alleen gericht tegen de muitende troepen, was de geheele volksbeweging eigenlijk tegen alle Spaansche troepen bedoeld en zelfs geen Spanjaard gevoelde zich meer veilig. Wel trachtte d’Avila nog uit Antwerpen tusschenbeide te komen, maar de Nederlandsche leden van den Raad van State bedankten hem voor zijn tusschenkomst, daar zij elke Spaansche bescherming wantrouwden.De Prins van Oranje volgde natuurlijk deze gebeurtenissen met de hoogste belangstelling. Van Middelburg uit, waar hij tijdens en na het beleg van Zierikzee vaak toefde, zocht hij bij vernieuwing de oude betrekking in het Zuiden aan te knoopen en trachtte hij onder de leden der Brabantsche Staten en aanzienlijke burgers eene partij te vormen. Allerbelangrijkst is o. a. de brief, door den Prins uit Middelburg aan den Heer van Heze geschreven op den 1enAugustus 1576. Deze brief luidt als volgt:Mijnheer en Neef,Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken, zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste verplichting zal hebben.Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten, om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid, zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen, willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen helpen en assisteeren tothet doel hierboven genoemd. Want wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige jammeren van het land veranderd te zien in een goede en wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën, als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.Uw toegen. neef,WILLEM VAN NASSAU.Middelburg, 1 Aug. 1576.Deze brief is uit Middelburg gedateerd. Daar was de Prins sedert den 6enJuli, dus kort na de overgave van Zierikzee, gevestigd, terwijl ook afgevaardigden van de Hollandsche en Zeeuwsche Staten zich daar met hem bevonden, o.a. Paulus Buys, Arend van Dorp en Peter de Rycke.Behalve tot Heze, richt zich de Prins ook tot anderen in het Zuiden en wel door bemiddeling van den Zuid-Franschen edelman en hugenoot Jean Théron, die onberekenbaar groote diensten aan de zaak der Nederlanden in dat tijdperk bewees. Hij was dan ook de tusschenpersoon, die onophoudelijk van Middelburg naar Brussel reisde, om brieven van den Prins aan zijne geestverwanten in de hoofdstad over te brengen. Merkwaardig is bovenal de briefwisseling door den Prins gevoerd met den burgemeester van Brussel, Henri de Bloyere. Anderen, als Liesfelt, de abten van St. Geertrui en du Parc, misschien ook Aerschot werden voor de plannen gewonnen en zoo kwamen de Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent tot stand.

Indien iemand tegenover de opgestane gewesten en Oranje een leelijke rol heeft vervuld, dan was het wel Koningin Elisabeth, van wie, als hoofd der Anglicaansche kerk, de Geuzen recht hadden ondersteuning te verwachten, doch die uitsluitend en alleen haar belang tot richtsnoer van haar gedrag tegenover de Nederlanden gemaakt heeft.

Het is bekend, hoe zij in 1572 de Watergeuzen een langer verblijf in Engeland verbood, hetgeen de aanleiding werd tot de inneming van den Briel. Daarna had zij niet opgehouden, met Spanje, ter wille van het handelsbelang van haar volk, op een goeden voet te blijven, zoodat er in 1573 tusschen Alva en haar te Nijmegen een verdrag werd gesloten, dat pas in 1575 door de koningin bekrachtigd werd, maar toen ook vergezeld ging van een proclamatie, waarbij Oranje en de zijnen tot rebellen verklaard werden.

Trok daarom Elisabeth eene lijn met Filips II? Verre vandaar; zij bestreed toch de staatkunde van den Spaanschen koning, om de Nederlanden tot een onderdeel der Spaansche monarchie te maken, maar van aansluiting bij Frankrijk wilde zij ook niets weten. De koningin was daarom nu en dan voorkomend tegen de Nederlandsche gewesten, maar dreigde ze, zich geheel bij Spanje te voegen, indien de Nederlanden zich bij Frankrijk aansloten.

Zoo iemand haar doorzag, dan was het wel de Prins; hij begreep zeer goed, wat Elisabeth tot zulk een dubbelzinnige handelwijze dreef en van haar verwachtte hij ook werkelijk geen steun.

Evenals in de groote kwestie van Schotland en Maria Stuart, haar staatkunde beheerscht werd door argwaan en ijverzucht, zoodat Elisabeth zich niet bekommerde om het arme Schotland, indien zij Maria Stuart maar in haar macht kreeg, zoo was haar politiek tegenover de Nederlanden even gewetenloos als huichelachtig.

Schonk zij eens hulp aan de gewesten, dan was er steeds zooveel eigenbelangbij in het spel, dat voor Oranje, die den toestand goed kon doorzien, die hulp geenerlei waarde had.

Wat gebeurde er nu in Juni 1575? Toen kwam er vanwege Koningin Elisabeth een gezant namelijk Daniel Rogers, tot Oranje, niettegenstaande hij en de zijnen in de maand April door de koningin tot rebellen waren verklaard. Wat kwam die gezant bij den rebel Oranje doen? Elisabeth had van de komst van een Fransch edelman in Nederland gehoord en tevens, dat daarop iemand naar Parijs was gezonden. Hierdoor ontstond bij Elisabeth vrees voor aansluiting bij Frankrijk en het doel van Rogers was dan ook, den Prins door bedreiging en overreding te doen afschrikken van een nadere verbintenis met Frankrijk. Dat Holland zich bij Frankrijk zou aansluiten en dit land daarvan de voordelen zou genieten, kon de koningin niet dulden. Hoewel Rogers bij vele Engelschgezinde vrienden van Oranje wel succes had, bij den Prins zelf niet, die er den gezant nadrukkelijk op wees, dat de handelwijze van zijn koningin Holland dwong, naar Frankrijks zijde te neigen.

Kort daarop werd tengevolge van de vroeger vermelde overwinningen van den vijand in den zomer van 1575, zoowel in het hart van Holland als van Zeeland, de toestand zoo benauwd, dat de Prins tegen den 4enOctober de Staten te Rotterdam bijeenriep. Hier wilde hij met hen overleggen of men niet aan eenigen vorst en zoo ja, aan welken, de souvereiniteit dezer landen zou opdragen. De Prins meende, dat een souverein protector onmisbaar was voor de gewesten. Onder de Staten bestond groot verschil van gevoelen, maar het slot was toch, na de vroedschappen te hebben gehoord, dat men onder zekere voorwaarden de souvereiniteit aan Elisabeth zou opdragen. Terwijl de koningin een gezant naar de gewesten had gezonden, om weder op de gevaren van een Fransch bondgenootschap te wijzen, waardoor ook invloed op het besluit was uitgeoefend, zond de trouwelooze vorstin tevens gezanten naar Spanje en Brussel, teneinde hulptegenHolland aan te bieden.

Toen nu Spanje te kennen gaf daarvan niet gediend te zijn ging Elisabeth in op onze voorstellen, althans zij gaf te kennen, dat de gezanten uit de gewesten haar welkom zouden zijn. Maar tot het verleenen van hulp kwam het niet; Spanje en Frankrijk moesten niet in het bezit der Nederlandsche kusten komen, doch Holland helpen, dáár dacht de baatzuchtige vrouw niet over, zelfs niet onder afstand van Walcheren. De onderhandelingen liepen op niets uit en het bleek maar al te zeer, dat Oranje’s twijfel aan Elisabeth niet zonder grond was geweest.

Ondertusschen was de toestand zelf minder dreigend; wel bleef Zierikzee ingesloten en zou die stad eindelijk moeten vallen, doch onder de Spaansche soldaten in Zuid en Noord, steeg de verbittering met den dag. Bovendien had Filips algemeene ontstemming gewekt onder de bankiers van Antwerpen en elders door het besluit, waarbij alle geldcontracten verbroken, de onderpanden vervallen verklaard en de renten gereduceerd werden.

Requesens verkeerde meer dan ooit in geldelijke verlegenheid en het kostte hem steeds meer moeite, geld van de gewesten los te krijgen. Toen hij nog op Duiveland was, ontving hij van de Staten-Generaal antwoord op zijn verzoekom geldelijke ondersteuning. Het hield echter alleen een uitvoerige klacht in over het wangedrag van het krijgsvolk en dit schrijven vol verwijten, in plaats van beloften van geld, deed den groot-kommandeur in wanhoop uitroepen : “O die Staten, die Staten! Heer verlos ons van die Staten.”

Zijn plotselinge dood verloste hem ook werkelijk ervan, want den 5enMaart 1576 overleed hij, zonder eenige schikking voor zijn opvolger gemaakt te hebben.

Geen wonder, dat Oranje, zoo somber gestemd in het najaar van 1575, in het begin van het volgende jaar de zaken weer veel lichter inzag. Dat hij zeer ontmoedigd was geweest blijkt wel uit hetgeen men omtrent het plan van den Prins vertelt, kort voor den dood van Requesens. Hij zou met de gedachte hebben rondgeloopen, al de sloepen, die hij in Holland en Zeeland kon vinden, te verzamelen, de inwoners, mannen, vrouwen en kinderen aan boord te nemen, tegelijk met alle eigendommen en dan de zee over te steken en een nieuwe republiek te stichten. Voor men afreisde, zouden eerst alle molens verbrand worden en alle dijken doorstoken, zoodat de vijand niets anders dan overstroomd land kon bemachtigen. Het kan wezen dat Oranje in dagen van ontmoediging daar wel eens over gedacht heeft, maar onwaarschijnlijk is het, dat het ooit een plan is geweest. Aan zijn broer Jan heeft hij er nooit over geschreven en zeker is het, dat bij den dood van Requesens dat plan, mocht er ooit over gedacht zijn, onmiddellijk terzijde werd gelegd.

Het tijdelijke gemis van een opvolger en de verwarring, welke daardoor ontstond, werden door den Prins ten nutte gemaakt, zich meer met het Zuiden te bemoeien en daardoor tevens zijn plaats in het Noorden te verbeteren.

Oranje begreep, dat de vereeniging van Holland en Zeeland doorgedreven moest worden, anders zou men altijd blijven stuiten op strijd van belangen en wat een vorig jaar was mislukt, kon hij thans door den nood van 1576 tot een goed einde brengen.

Door deUnie van Delftop den 25enApril gesloten, werd de eenheid in de regeering der beide gewesten aangenomen. Deze gebeurtenis was van groot belang, daar het document als de oorspronkelijke stichtingsacte van de Vereenigde Nederlanden werd aangemerkt en als een model voor vele latere confederaties diende.

Voor den duur van den oorlog was aan den Prins de souvereiniteit opgedragen in vereeniging met de Staten en hunne gecommitteerden. Hij werd gemachtigd met den koning van Frankrijk, zijn broeder, of eenig ander vorst te onderhandelen, die Holland en Zeeland onder zijn bescherming zou willen nemen. De Prins was bevelhebber te land en ter zee en had het recht alle officieren te benoemen. De gedeputeerden van de Staten mocht hij oproepen en zij waren op straffe van geldboete verplicht, op te komen. Van elke stad of elk dorp mocht hij garnizoenen zenden zonder raadpleging van de Staten of de stedelijke magistraat. De uitoefening van den hervormden godsdienst moest hij handhaven en eveneens de uitoefening van allen godsdienst in strijd met het Evangelie, verbieden.

De gezamenlijke uitgaven zouden naar evenredigheid tusschen gewesten worden verdeeld, terwijl negen commissarissen door den Prins op voordracht der Staten benoemd, permanent zouden zitting houden als zijn raadgevers, als assessoren encollecteurs van de belastingen. De geconfedereerden beloofden elkander wederkeerig bij te staan, om alle onrecht, kwaad en geweld te voorkomen.

Inquisitie mocht niet worden toegepast op iemands geloof of geweten en niemand mocht tengevolge daarvan moeite, onrecht of hindernis lijden.

In dit verbond handelde elke gemeente als een kleine souverein, zond gezanten naar de vergadering der Staten om als gevolmachtigden te stemmen en te teekenen. De edelen vertegenwoordigden niet alleen hunne eigen belangen, maar werden ook ondersteld de boeren op het land te representeeren. Het doel van de staatsinrichting volgens de Unie van Delft was,representatie van het volkin zijn volle breedte. Eerst later hebben de colleges het volkselement onderdrukt, maakten ze misbruik van eigen verkiezing en werd het beginsel aristocratisch. Plaatselijk genomen was de confederatie republikeinsch, maar de algemeene regeering, die gevestigd werd, monarchaal. Oranje werd inderdaad souverein ad interim en terwijl ’s konings gezag tijdelijk buiten werking was gesteld, werd de Prins niet alleen met uitvoerende macht bekleed maar ook had hij een groot aandeel in de wetgevende functiën van den Staat.

De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werden door den Prins niet zoo gescheiden gehouden als volgens de staatsrechterlijke theorie veroorloofd was. Het lag geheel in zijn eigen macht om zijn voorloopige autoriteit te doen voortduren.

Oranje was op het hoogtepunt van zijn populariteiten inderdaad de eenige man, dien men werkelijk vertrouwde. De uitdrukking “Vader Willem” werd reeds toen gebruikt al was hij nog maar 43 jaar. Toch wilde hij niet alleen den last dragen. Hij was het vooral, die met kracht aandrong op de noodzakelijkheid, vreemde bescherming te zoeken. Zeer goed zag hij de moeilijkheden in om de eenige stuurman op het nieuwe schip van staat te zijn, dat hij trachtte van de koninklijke dokken te lichten. Vandaar de nieuwe pogingen om zich door vreemde hulp te versterken.

Twee dagen slechts na de Unie van Delft, had er in Frankrijk een gebeurtenis plaats, die ook voor de Nederlanden van groot belang scheen te worden.

In 1574 was Karel IX gestorven en weder moest een broer zijn opvolger worden, evenals Karel zelf in 1560 Frans II had vervangen. Nu was de derde zoon van Catharina de Medicis de aangewezen opvolger van Karel als koning van Frankrijk, maar deze was in 1573 koning van Polen geworden. Doch er was nog een vierde zoon van Catharina de Medicis, de hertog van Alençon, die eerzuchtig in de hoogste mate en ontevreden over zijn lot als jongere broeder, zich in allerlei samenzweringen stak om macht en invloed te krijgen. De Hugenoten, die onder Condé e. a. zich weder hadden vereenigd, wilden zelfs bewerken dat de hertog van Alençon, bij ons bekend onder den naam van hertog van Anjou, als koning van Frankrijk Karel IX zou opvolgen, terwijl zijn oudere broer dan koning van Polen zou blijven. Ook Oranje trachtte dit plan in de hand te werken, zooals uit een brief van hem aan zijn broer Jan bleek. Toch kon de terugkeer van Hendrik uit Polen niet belet worden, daar Catharina de Medicis hem en niet Anjou totopvolger van Karel wilde. Polen werd in den steek gelaten en hij keerde na een kort regentschap van zijn moeder, als koning naar Frankrijk terug. Ook Anjou huldigde voor het uiterlijk zijn broeder als koning, doch zijn eerzucht zette hem aan tot het smeden van allerlei complotten en toen het mislukt was, hem in Polen gekroond te krijgen of hem in Italië een souvereiniteit te scheppen, bood hij, geprikkeld door jaloezie op zijn broer, Condé zijn hulp aan. Deze wilde hem gaarne verheffen tot het hoofd der Hugenoten, zoodat Anjou in stilte het hof ontvluchtte om zich naar Condé te begeven, waarvan een algemeene beweging onder de Hugenoten, vooral te la Rochelle, Nîmes en Montauban het gevolg was.

De vijfde burgeroorlog begon. Ook Hendrik van Navarre zwoer bij vernieuwing trouw aan de zaak der Protestanten. De beweging had zooveel succes, dat deze oorlog eindigde met zeer gunstige voorwaarden voor de Hugenoten; de vrede kreeg naar den hertog van Anjou den naam van “Paix de Monsieur.” Hij zelf ontving daarbij een machtige, bijna onafhankelijke positie. De Hugenoten kregen niet alleen het recht hun godsdienst in het rijk vrij uit te oefenen, maar ze werden ook verkiesbaar gesteld voor alle ambten en betrekkingen, terwijl aan de gerechtshoven volkomen onpartijdigheid werd voorgeschreven.

Geen wonder, dat na het herstel van de rust in Frankrijk (nu de toestand der Hugenoten zoo gunstig was geworden), Oranje weer een blik naar Frankrijk sloeg, te meer daar de Prins nog zoo kort geleden van de baatzucht van Engelands vorstin overtuigd was geworden.

Van de meerdere macht hem door de Unie van Delft verleend, maakte hij dan ook gebruik, met de Staten de voorwaarden op te stellen, waarop men den hertog van Anjou, die thans gold als beschermer der Hugenoten, de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland zou kunnen aanbieden.

Dit voorstel was echter vergeefsch; de onderhandelingen werden lang slepende gehouden; Elisabeth was verontwaardigd op Anjou en verzette zich heftig tegen de ondersteuning der Nederlanden.

De onderhandelingen leidden voor het oogenblik tot geen goed resultaat en het zou nog twee jaar duren, eer de Prins tot Anjou terugkeerde. Misnoegd schreef hij aan zijn broer Jan:

“Wij hadden altijd gehoopt, dat de Fransche vrede tenminste hun welwillendheid tegenover ons zou vermeerderen, maar het komt mij voor, dat ieder zich tevreden stelt met zijn eigen bijzondere zaken, zonder zich om het lot van anderen te bekommeren.” De vraag echter dringt zich vanzelf aan ons op: Hoe kon de Prins aan zulk een onwaardige, als de laatste Valois was, niet alleen de bescherming van het land, maar zelfs de souvereiniteit aanbieden?

In de eerste plaats moet men niet vergeten, dat het duidelijk gebleken was, dat Koningin Elisabeth er niet over dacht een protectoraat te aanvaarden; dit was afgestuit op haar onwil om met Spanje te breken. De zaak der Nederlandsche rebellen stond bovendien in April 1576 vrij hopeloos. Alleen uit Frankrijk was nog kans op hulp en niemand anders dan Anjou kon die brengen. Ook zou men hem gemakkelijker dan den koning voorwaarden kunnen stellen en het was Oranje nog niet zoozeer om den persoon van Anjou te doen, dan wel om Fransche hulp.De Prins zou toch het gezag hebben behouden, terwijl alleen de titel eigenlijk werd aangeboden.

Ofschoon de zaak ten slotte op niets uitliep, was het in zoover belangrijk, dat er voor het eerst een vorm werd gegeven aan de vorige plannen omtrent de aansluiting bij Frankrijk, die reeds lang in veler hoofden en harten hadden geleefd.

Was de toestand van Holland en Zeeland in het voorjaar van 1576 zeer hachelijk, de redding kwam van een anderen kant, dan de Prins had vermoed. De muiterij der Spaansche soldaten en de verwarde toestand in de regeering van het Zuiden, na den dood van Requesens, werden voor het Noorden de redding. De hulp, die Elisabeth noch Anjou met een protectoraat of souvereiniteit hadden kunnen geven, werd door een reeks van omstandigheden van zelf aan de benarde gewesten geschonken. Die omstandigheden waren de gevolgen van de overgave van Zierikzee en van den dood van Requesens.

Reeds maanden lang werd die Zeeuwsche stad, de hoofdstad van Schouwen en de sleutel tot half Zeeland, door Spanje belegerd; de eerst zoo goed geslaagde tocht naar Schouwen onder Mondragon, vond in het verzet van de stad Zierikzee een keerpunt. Zoowel van Spaansche als van Nederlandsche zijde bleef men in den strijd volharden.

De Prins van Oranje stelde alles in het werk, om de stad te hulp te komen. Den 16enMei schreef hij aan Jan van Nassau, dat Zierikzee het nog uithield, en, liet hij er op volgen: “ik moet zeggen, dat allen, die ons moesten helpen, al te bedachtzaam zijn.”

Niettegenstaande de drukke bezigheden van Oranje, zoodat hij volgens zijn secretaris “nauwelijks tijd heeft om adem te scheppen,” beraamde de Prins in het voorjaar van 1576 een poging tot ontzet van Zierikzee. De wakkere admiraal Boisot, de held van het gedenkwaardig ontzet van Leiden, was belast met de onderneming. Van de zeezijde probeerde Boisot op den 25enMei Zierikzee te naderen, maar Mondragon had in de nauwe haven gladde palen doen aanbrengen, waartegen Boisot te gronde ging. Hij kon onmogelijk zijn schip, de roode Leeuw, bevrijden en bevreesd, als de eb kwam, een gemakkelijke prooi van den vijand te worden, sprong hij in zee om naar de naastbijzijnde schuilplaats te zwemmen. Driehonderd man volgden zijn voorbeeld, maar Boisots krachten ontschoten hem; zijn volgers konden in de groote duisternis hun leider niet helpen en hij kwam jammerlijk in het water om.

Voor den Prins was de dood van Boisot een groot verlies en Charlotte van Bourbon, dat beseffende, schreef den volgenden hartelijken brief aan haar man, welk schrijven ons in staat stelt een blik te slaan in de verhouding van den Prins en zijne vrouw.

Monseigneur.Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen overeenkomstig onsaller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd over het ongeval, het groote schip overkomen en over het verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden, want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid, wien gij in zijne plaats zult stellen.“Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd, als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten, uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af, alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet, waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen.”Delft, 2 Juni ’s avonds 7 uur.Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,C. DE BOURBON.

Monseigneur.

Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen overeenkomstig onsaller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd over het ongeval, het groote schip overkomen en over het verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden, want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid, wien gij in zijne plaats zult stellen.

“Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd, als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten, uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.

God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af, alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet, waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen.”

Delft, 2 Juni ’s avonds 7 uur.

Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,

C. DE BOURBON.

Wat moeten zulke liefkoozende woorden van Charlotte na al de egoïstische uitlatingen van Anna van Saksen, een verkwikking geweest zijn voor het gemoed van den Prins, dat aan sympathie zooveel behoefte had!

Alle pogingen om de stoutmoedige Zierikzeesche burgers te helpen, bleken vergeefsch. Negen maanden hadden ze het uitgehouden, maar het verlies van Boisot was zoo ernstig, dat alle verdere verzet hopeloos scheen. Den 21enJuni had, overeenkomstig de instructies van den Prins, de overgave van Zierikzee plaats. Mondragon, wiens soldaten zich in een ellendigen toestand bevonden en op het punt waren aan het muiten te slaan, was bijzonder verheugd een eerlijk verdrag te kunnen toestaan.

In een brief van Oranje aan zijn broeder Jan, meldt hij de noodzakelijkheid, dat de stad zich heeft overgegeven, maar schrijft hij: “indien ons van eenige zijde hulp was geboden, of wij allen van het begin af onzen plicht hadden gedaan, zou de arme stad nooit in ’s vijands handen zijn gevallen, te meer omdat we gehoord hebben, dat de zaken van den vijand zoo slecht stonden, dat ze het beleg niet lang zouden kunnen volhouden.”

Blijkens denzelfden brief, liet Oranje ook nu den moed niet zinken, maar werkte met grooten ijver om het verder voortgaan van den vijand te beletten.

De val van Zierikzee, schijnbaar de grootste ramp voor het Noorden, werd door zijn gevolgen eene groote uitkomst. Wel werden de burgers tot een schadevergoeding van 200.000 gulden genoodzaakt, doch daar deze som grootendeels naar de hoofdkwartieren ging, achtten de Spaansche soldaten zich schromelijk door die schikking benadeeld. Een opstand van die soldaten, beter georganiseerd dan een der voorgaande, werd de aanleiding tot onze redding uit den meest benarden toestand.

Gedurende 23 maanden hadden de Spaansche krijgslieden geen betaling ontvangen. De soldaten beschouwden de Nederlanden als een mijn, die zij slechts met hunne hoofden gemeenschappelijk hadden te exploiteeren en zij meenden, dat een schikking met een stad, die door hun dapperheid tot onderwerping gebracht was, hen van hun wettig deel aan den buit beroofde. Zij vroegen niet om hun loon, toen ze het vooruitzicht hadden op buit, maar toen de vredelievende schikking met Zierikzee werd afgekondigd, barstte hun ontevredenheid uit en een geregelde muiterij in al haar gewone vormen werd er georganiseerd. Tevergeefs trachtten de hoofden hun compagnieën met beloften en spoedige betaling te paaien. De mooie woorden werden niet door klinkende munt gevolgd; de muitende soldaten gingen voort met hun organisatie en spoedig heerschte de Eletto met het hoogste gezag over het leger in Schouwen. Men weigerde Mondragon te gehoorzamen. De muitende soldaten vereenigden zich uit verschillende posten met elkander; ze verlieten de Zeeuwsche eilanden en sloegen den weg in naar Vlaanderen.

De regeering in Brussel, die zich eerst gouden bergen beloofd had van dien tocht naar Zeeland, zag zich erg in het nauw gebracht, want niet alleen werd door die muiterij de gansche onderneming ijdel, maar ’s konings gezag zou daardoor ook in het Zuiden aan het wankelen gebracht worden.

In Vlaanderen was men reeds lang de Spaansche soldaten moede; doch nu sloeg de inwoners der Vlaamsche steden de schrik zoo om het hart, dat de burgers zelf naar de wapenen grepen en de poorten sloten voor het onheil dat hen wachtte. Reeds gevoelde zich Brussel onveilig op de nadering der benden. Wel trachtte nog de Raad van State (voorloopig het hoogste regeeringslichaam na den dood van Requesens) zijn gezag te handhaven, door Mansfelt, den commandant der stad, af te zenden om met de oproerige soldaten te onderhandelen, maar dit was geheel vergeefsch en steeds stouter en stouter traden de muiters op. Onverwachts maakten deze zich van Aalst meester en eischten ze daar onderwerping aan hunne bevelen, op straffe van vermoord te worden; zelfs een honderdtal plaatsen in de buurt werden door hen schatplichtig gemaakt.

Dit veroorzaakte, gelijk te begrijpen is, hevige opschudding en beroering in de hoofdstad. Het volk eischte thans van den Raad van State, dat hij de Spaansche oproerige soldaten buiten de wet zou stellen en openlijk tot rebellen verklaren. De Raad van State waagde het niet, dien eisch te weerstreven en gaf daarbij aan het verzoek der Staten van Brabant gehoor, tot het lichten van troepen over te gaan om de rebellen te bestrijden.

Aan het hoofd der troepen werd als kolonel gesteld Willem van Hoorn, Heer van Heze, een jong, eerzuchtig edelman, die, gesteund door de burgerij,spoedig een voldoend aantal troepen onder zijn bevelen had, om de Spaansche soldaten angst in te boezemen, Brussel te bewaken en den Raad van State, die niet wist wat te doen, naar zijn hand te zetten.

In dien Raad was nog een Spanjaard: Jerome de Roda; doch deze moest zich, evenals Romero, geruimen tijd voor de woede der bevolking verborgen houden. Oogenschijnlijk alleen gericht tegen de muitende troepen, was de geheele volksbeweging eigenlijk tegen alle Spaansche troepen bedoeld en zelfs geen Spanjaard gevoelde zich meer veilig. Wel trachtte d’Avila nog uit Antwerpen tusschenbeide te komen, maar de Nederlandsche leden van den Raad van State bedankten hem voor zijn tusschenkomst, daar zij elke Spaansche bescherming wantrouwden.

De Prins van Oranje volgde natuurlijk deze gebeurtenissen met de hoogste belangstelling. Van Middelburg uit, waar hij tijdens en na het beleg van Zierikzee vaak toefde, zocht hij bij vernieuwing de oude betrekking in het Zuiden aan te knoopen en trachtte hij onder de leden der Brabantsche Staten en aanzienlijke burgers eene partij te vormen. Allerbelangrijkst is o. a. de brief, door den Prins uit Middelburg aan den Heer van Heze geschreven op den 1enAugustus 1576. Deze brief luidt als volgt:

Mijnheer en Neef,Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken, zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste verplichting zal hebben.Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten, om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid, zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen, willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen helpen en assisteeren tothet doel hierboven genoemd. Want wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige jammeren van het land veranderd te zien in een goede en wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën, als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.Uw toegen. neef,WILLEM VAN NASSAU.Middelburg, 1 Aug. 1576.

Mijnheer en Neef,

Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken, zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste verplichting zal hebben.

Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten, om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid, zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen, willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen helpen en assisteeren tothet doel hierboven genoemd. Want wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige jammeren van het land veranderd te zien in een goede en wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën, als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.

Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.

Uw toegen. neef,WILLEM VAN NASSAU.

Middelburg, 1 Aug. 1576.

Deze brief is uit Middelburg gedateerd. Daar was de Prins sedert den 6enJuli, dus kort na de overgave van Zierikzee, gevestigd, terwijl ook afgevaardigden van de Hollandsche en Zeeuwsche Staten zich daar met hem bevonden, o.a. Paulus Buys, Arend van Dorp en Peter de Rycke.

Behalve tot Heze, richt zich de Prins ook tot anderen in het Zuiden en wel door bemiddeling van den Zuid-Franschen edelman en hugenoot Jean Théron, die onberekenbaar groote diensten aan de zaak der Nederlanden in dat tijdperk bewees. Hij was dan ook de tusschenpersoon, die onophoudelijk van Middelburg naar Brussel reisde, om brieven van den Prins aan zijne geestverwanten in de hoofdstad over te brengen. Merkwaardig is bovenal de briefwisseling door den Prins gevoerd met den burgemeester van Brussel, Henri de Bloyere. Anderen, als Liesfelt, de abten van St. Geertrui en du Parc, misschien ook Aerschot werden voor de plannen gewonnen en zoo kwamen de Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent tot stand.

Hoofdstuk XXII.De Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie van Gent. 1576.Op de 11enAugustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was, afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken, om de nationale wenschen te doen zegevieren.Op den 23enAugustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt, gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State geen gehoor geven.Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van September—zoo luidden de geruchten—zou de nieuwe regent in het land zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag, dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den 4enSeptember de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht, terwijlde anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.Welk aandeel had Oranje in dezen Staatsgreep? Hoogstwaarschijnlijk had hij tot dezen maatregel den raad gegeven, daar ook de Prins begreep, dat de Staten van Brabant niets konden doen, zonder dat de Raad van State tot hun instrument was geworden. Zoolang dit niet was geschied, zou dat Regeeringslichaam, dat thans het hoogste gezag vertegenwoordigde, alle maatregelen tegenhouden. Wij kunnen dus wel aannemen, dat het feit gepleegd werd op aandrijven van Oranje en zijn raadslieden.Die gevangenneming van den Raad van State was een ongehoorde gebeurtenis, waarvan wel de noodzakelijkheid door talloozen werd erkend, doch waarvoor men de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen. Toch werd het voornaamste doel erdoor bereikt, namelijk de bijeenroeping der Staten-Generaal, waartoe de Raad van State zelf, zoo hij onaangetast was gebleven, nooit de vergunning zou gegeven hebben. Eenmaal echter in de macht van het volk gekomen, kon die Raad van State, die spoedig weer werd losgelaten, niet anders dan den volkswensch inwilligen. Ook dit was weder het geheime werk van den Prins, die met de Staten van Brabant er op aandrong, dat de herleefde Raad van State tegen 22 September de Staten-Generaal bijeenriep zou roepen.Het stond Oranje helder voor den geest wat er moest gedaan worden, om tot bevrediging te komen. Zoo ooit de Prins staatkundig beleid heeft getoond, om dat doel te bereiken, dan was het wel in die dagen. Onverpoosd bleef hij in Middelburg ook al wist hij dat een groot deel van het volk in het Zuiden naar zijn persoonlijke tegenwoordigheid verlangend uitzag. Hij wierp zich niet onstuimig op, om als redder daar op te treden. Trouwens hij had voldoende ervaring van het karakter der Vlamingen en Brabanders opgedaan, om zich zelf en de zaak, die hij wilde bereiken, niet door roekeloosheid te benadeelen. Verre was het dus van hem, zich op te dringen; hij wilde het daarheen leiden, dat hij gezocht werd. Ook moest hij voorzichtig zijn, dat er geen aanleiding tot naijver en wantrouwen ontstond. Hij kende de goede gezindheid van Aerschot op dit oogenblik; maar hij wist ook, hoe naijverig deze reeds in de dagen van Granvelle op hem, Oranje, was geweest.Aerschot was het hoofd der familie Croy en zijn woord had vroeger vaak geluid: “Les Croy valent bien les Nassau; je ne veux pas avoir pour maître le prince d’Orange.” Dat de Prins dien naijver thans ontzag, is niet anders dan een bewijs zijner hooge wijsheid en menschenkennis. Hij begreep wel, dat de tijd nabij was, dat men zijn hulp vanzelf zou inroepen en ondertusschen bleef hij met tal van invloedrijke personen, als Jan van Hembyse, schepen van Gent, Filips van Egmond, den graaf van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, met de Lalaings, den Markies van Havré, broeder van den hertog van Aerschot, in briefwisseling of verbinding. Vooral de brief aan Hembyse is merkwaardig.Mons. d’Hembyse,“Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van de tirannie te verlossen,waardoor het sedert lang door de onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over—van achteren kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant, die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben, waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen, òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld, dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen, van u af te stooten.”Met een beroep op zijn deugd en goeden naam en de aanzienlijke plaats, die hij in Vlaanderen bekleedt, eindigt de Prins dezen brief aan Hembyse, die gedagteekend is van 17 September. In dien geest schreef hij brief op brief in die dagen aan velerlei personen, ten einde het groote werk der bevrijding te bespoedigen. Want spoed was noodig, aangezien Don Juans komst aanstaande was en het dan verwacht kon worden, dat tal van wankelmoedigen en halven zich weer geheel aan de zijde der regeering zouden scharen.Wat de Prins gehoopt had, namelijk dat men, om hulp zou vragen, gebeurde reeds vrij spoedig. De Spaansche soldaten toch, die na de overgave van Zierikzee hun tocht naar Vlaanderen met tal van gruwelen hadden bezoedeld, trokken zich terwijl de bevolking bezig was zichzelf te wapenen, in de kasteelen terug, om vandaar uit, de steden in bedwang te houden. Aalst, Gent en Antwerpen werden op die manier door hen bedreigd. In dien nood nam men de toevlucht tot Oranje, die dan ook aanstonds een achttal vendelen naar Gent zond, om hulp te bieden, als dit vereischt werd.Door dit verzoek om bijstand, kwam hij vanzelf met de Staten van Brabant en de Staten-Generaal in aanraking. Eigenaardig, dat uit de briefwisseling blijkt, hoe bevreesd men nog was zich met hem te verbinden. De Prins toont daarover geen geraaktheid, maar tracht hun vrees te overwinnen door volstrekt geen begeerte naar inmenging te toonen. Hij is volkomen bereid zijn landgenooten te helpen, maar niet minder zijn troepen tegenbevel te geven, als hun bijstand niet wordt noodig geacht. Het hoofddoel blijft voor Oranje, de vredesonderhandelingen, die in October tusschen de Generale Staten en de gevolmachtigden van de Staten van Holland en Zeeland zullen geopend worden, te bevorderen en de gewenschte verbinding met Frankrijk voor te bereiden.Waarschijnlijk in den aanvang van October, schreef Oranje dien merkwaardigenbrief aan de Staten-Generaal, waarin hij hen tot eendrachtig handelen opwekt en hun tevens voor oogen stelt, hoe alle verschil de goede zaken tegenhoudt en doet vertragen, wat tot de ruïne van het land moet voeren. “Wettige gehoorzaamheid is men den koning verschuldigd,” zegt Oranje, “maar indien men uit vrees hem te beleedigen, in plaats van bij recht en waarheid, alleen bij den wil van een slecht ingelichten vorst zweert, dan vergeet men jammerlijk zijn plicht en hiertoe is men door God en de wetten geroepen.”“En,” laat de Prins hierop volgen “de geschiedenis van ons eigen land is vol van bewijzen voor die stelling, doch opdat ik niet weer die versche wonden openrijte, die wij in eeuwige vergetelheid wenschten te begraven en u de onheilen van de heeren Egmond en Hoorne en van de schoonste bloem van den adel en de burgerij dezer landen niet weder te binnenbrenge, herinner ik u aan Frankrijk, Italië, Duitschland, aan Hongarije, Africa en Barbarijë, waar al de ellende en onheilen, die er geschied zijn, het gevolg zijn geweest van die vervloekte tweedracht, die gewoonlijk in één oogenblik de sterkste en bloeiendste staten der wereld omverwerpt.”Verder geeft de Prins den raad: “aan den koning, door middel van een koerier, in een expressen brief, uw vast besluit te melden, dat gij uw vaderland in zijn rechten, vrijheden en gewoonten wilt handhaven, en het goed- of kwaadschiks wilt verlossen van de onverdragelijke tirannie der Spanjaarden. Dit alles natuurlijk onder de wettige en verschuldigde gehoorzaamheid aan Z. M., zooals gij beloofd en bezworen hebt, evenals hij u beloofd en gezworen heeft, u te handhaven in al uwe rechten en genoemde vrijheden, bij welke gij beslist denkt te blijven, wat er ook moge gebeuren en dat gij, wilde de koning u door geweld van wapenen dwingen, tot den laatsten man van uw land aan de verlossing daarvan zult wagen.... Deze brief moet geteekend worden door al de Staten van het land, door de voornaamste kloosterorden en al degenen, die eenige waardigheid in het land bekleeden, eenig krediet hebben bij den koning of verplichting gevoelen, tot het algemeen belang mee te werken.”“Door dit middel zult gij, als gij duidelijk uw besluit aan Z. M. hebt verklaard, ook u zelven een krachtigen spoorslag geven, om grootmoedig uw heilige en lofwaardige onderneming te vervolgen, zonder iets te bemantelen en ook zult gij er al de valsche maskers van de aangezichten van hen mede afrukken, die, onder den schijn van niet aan den koning te willen mishagen, tusschen twee wateren zwemmen en den loop van alle goede beraadslagingen beletten .... De ongelijkheid van wil, die de ware pest is van al uw beraadslagingen, zult gij er door uit uw midden verjagen en er een ferme eendracht en algemeene eensgezindheid door bewerken, die toch het eenig middel zijn, om uw zaken tot een goed einde te brengen, gelijk de voorbeelden van alle confederaties door alle tijden heen u kunnen bevestigen. Want evenals het onmogelijk is een kar recht te laten rijden, als de wielen slecht en ongelijkmatig zijn geproportioneerd, zoo moet ook elke bond breken en tot een slecht einde voeren, wanneer er geen gelijke verplichting bestaat, om een gemeenschappelijk en algemeen doel te bereiken....”Daarop volgt een beroep op de geschiedenis en worden door den Prins deconfederaties tusschen verschillende steden uit de jaren 1261, 1339, 1368, 1371, 1372, 1412 en 1514 herdacht. “Deze alleen zijn oorzaak, dat wij ons kunnen beroemen, het eenige volk onder den hemel te zijn, dat met de meest loyale getrouwheid en de goede diensten aan de vorsten bewezen, het best een franke en onschendbare vrijheid hebben verworven, die wij alleen langs denzelfden weg kunnen handhaven.”Ook daarom zal zulk een generale eendrachtige handelwijze, als de Prins aanraadt in dien brief aan den koning, zoo goed zijn, omdat Filips steeds gedacht heeft, dat het alleen een troep rebellen, muiters en Luthersche ketters waren, die tegen hem waren opgestaan. “Nu daarentegen zal de koning zien, dat het een algemeene stem van het geheele volk is, van kleinen en grooten, van grooten en kleinen, zoowel als van prelaten, abten, monniken en religieuzen, als van heeren, edellieden, burgers en boeren; kortom, dat er geen ouderdom, noch sekse, noch positie, noch qualiteit van personen bestaat, die het niet met een en dezelfde stem uitroept en met een en denzelfden wil verlangt. Daartegen zal de koning zich niet durven verzetten, want als hij dat deed zou hij aan de geheele wereld zijn groot onrecht en uw groot recht, om u tegen zulk een tirannie te verzetten, openlijk te kennen geven.”Nadat hij zich op nog meer argumenten uit de geschiedenis beroepen heeft, zegt de Prins: “Laat den koning vooral ook zien, dat ge u met ons vereenigd hebt en dat gij u eerder in de armen van den ouden vijand van het Huis van Oostenrijk zoudt werpen, dan verdere beleedigingen te verdragen. Een bundel uit losse takjes bestaande kan gemakkelijk worden gebroken, maar is hij saamgebonden en vereenigd, dan is geen arm sterk genoeg, dien te verscheuren. Zoo ook gij—indien gij ferm vereenigd zijt, dan zijn Spanje en Italië niet bij machte, u kwaad te doen.“Zie wat Holland en Zeeland in vijf jaar tijds gedaan hebben. En wat is dit handjevol steden bij al de Nederlanden?.... Alles is gereed. Er is alleen een toetssteen noodig en die kan zijn de onderteekening van een duidelijke verklaring uwer rechten. Met de publicatie van zulk een verklaring, zullen vrienden aan elken kant voor u oprijzen. Nu denken nog de Duitsche vorsten, de Fransche edellieden, de koningin van Engeland en alle andere Christelijke potentaten, dat gij geen hulp noodig hebt, omdat gij u zelf niet helpt. Volgt gij mijn raad, dan zal u van alle zijden hulp toestroomen en gij zult buitendien den naam verwerven, een voorbeeld te zijn voor alle vrije volken en een schrik voor alle tirannen en onderdrukkers van staten, enz.”Natuurlijk bleef de Prins onder al zijne staatkundige zorgen in Middelburg met de zijnen in voortdurende briefwisseling; allereerst met zijne echtgenoote te Delft, maar ook bewijst een briefje van den 15enOctober 1576, hoe ook zijne kinderen hem niet vergaten. Zijne oudste dochter Marie, ’s Prinsen eerste gemalin Anna van Egmond ten volle waardig, later met graaf Filips von Hohenlohe gehuwd, zond hem uit Otweiler, waar ze gelogeerd was, een hartelijk schrijven als antwoord op een brief van haar vader. Veel bijzonders vertelt ze daarin niet, maar haar toon is zoo deelnemend en innig, dat het de moeite loont, een paar harer gedachten uit haar gebroken Fransch in onze taal weder te geven.“Ik ben”—zoo schrijft zij—“zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaken in Brabant zoo goed gaan; ik hoop, dat ze alle dagen beter zullen worden en God door deze gelegenheid ons de genade zal verleenen, dat alles tot een vasten vrede komt, hetgeen ik uit geheel mijn hart wensch,opdat ik u en Madame nog eens tot rust mag zien komen.”En zeker, de zaken in Brabant gingen goed. Wel vond de aansporing, om desnoods met wapengeweld de tirannie te verdrijven, geen ingang in het Zuiden. Daarvoor was men te bevreesd voor den koning en de naderende komst van zijn nieuwen landvoogd. Maar dit resultaat bereikte de Prins toch door al zijn schrijven aan de gewesten en aanzienlijke personen, dat de Staten-Generaal met toestemming van den Raad van State, met Oranje besprekingen over den vrede openden. Die besprekingen, die reeds onder Requesens in 1575 in Breda waren aangevangen, maar toen tot geen resultaat geleid hadden, moesten thans weer opgevat worden. Vrede toch was het algemeen onweerstaanbaar verlangen van de natie. Natuurlijk lag in het uitspreken van dien wensch ook tevens de verdrijving der Spaansche soldaten. De Staten-Generaal en de Raad van State meenden binnen de perken van hun trouw aan den koning wèl over den vrede met Holland en Zeeland te kunnen onderhandelen; maar Oranje’s vollen raad op te volgen, was naar hun meening daarmede in strijd. En de Prins stelde zich voorloopig met dat resultaat tevreden, want hij wist, gelijk de gevolgen ook geleerd hebben, dat die eerste stap hen ook tevens zou moeten voeren tot bestrijding der Spaansche macht.Voordat de onderhandelingen begonnen, vroegen de Staten-Generaal uitdrukkelijk van den Prins de verzekering, dat hij geen nieuwigheid zou invoeren omtrent den R.-Katholieken godsdienst en de verschuldigde gehoorzaamheid aan den koning. De Prins maakte geen bezwaar, die verzekering te geven. “Nooit had hij in den zin gehad eigendunkelijk in de religie verandering te brengen; ook thans konden ze daarop gerust zijn. Hij nam er genoegen mee, dat alles in den toestand zou blijven, waarin het was, totdat, na het vertrek der Spanjaarden, een vrije en wettige vergadering der Staten-Generaal alle geschillen zou beslechten. Evenmin lag het in zijn bedoeling, de landen aan de wettige gehoorzaamheid des konings te onttrekken; zijn eenig oogmerk was steeds geweest, hen te bevrijden van de onverdragelijke tirannie, die hun den voet op den nek wilde zetten. Dit antwoord bevredigde de Staten-Generaal en ze stemden er in toe, dat er afgevaardigden van hen met vertegenwoordigers zoowel van Holland en Zeeland als van den Prins zouden samenkomen.Gent werd daarvoor gekozen, al was ook de citadel dier plaats, gelijk de meeste kasteelen, in de macht der Spanjaarden en al stond eerst de van ouds onrustige stad den Staten-Generaal niet al te best aan. Ook zij begrepen, dat er haast moest gemaakt worden, daar Don Juan reeds op weg naar de Nederlanden was en deze nieuwe landvoogd moest staan voor een fait accompli.Op den 11enOctober werden door den Raad van State aan de afgevaardigden uit het Noorden brieven van vrijgeleide gezonden en op den 19enbegonnen de beraadslagingen. Van beide zijden waren er negen afgevaardigden; van die der Zuidelijken waren Dr. Leoninus en de abt van St. Geertrui; van die derNoordelijken Marnix van St. Aldegonde en Paulus Buys de voornaamsten.Oranje zelf ging niet naar Gent, maar ontving te Middelburg dagelijks rapporten van de onderhandelingen, terwijl hij van daaruit den toestand beheerschte. De Prins moest zelfs uit Middelburg nog in de eerste dagen der samenkomst tot voortvarendheid aansporen. Er bleef van beide zijden in den aanvang wantrouwen heerschen. Men vreesde, dat de Prins misschien volksbewegingen te Gent en te Brussel in de hand zou werken en ook omtrent zijne eischen, den godsdienst betreffende, was men niet gerust. Oranje van zijn kant was beducht, dat misschien de spoedige komst van Don Juan alles weer in duigen zou werpen, en de flauwhartigen door zijn beloften zouden worden overreed; daarom drong hij terecht op groote haast aan.Over twee punten was men het geheel eens. Noord en Zuid beide wildende Spaansche soldaten verwijderd zienende privilegiën handhaven. De godsdienstvraag was moeilijker op te lossen. Herinneren we ons, dat tegen den wil van Oranje in de Unie van Delft het Calvinisme als eenige godsdienst van Staat was erkend en dat de katholieke leer in het Noorden was uitgesloten. Drong men dus van het Zuiden aan op vrijheid van den katholieken godsdienst in Holland en Zeeland, dan stond het te vreezen, dat de godsdienstquaestie de geheele pacificatie in duigen zou werpen. Men besloot haar daarom in statu quo te laten en hare oplossing uit te stellen tot een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal na den vrede.Overigens herstelden de vredesartikelen de vriendschap en het verkeer tusschen de partijen; alle wederzijdsche gevangenen, alle onroerende verbeurdverklaarde goederen zouden worden teruggegeven. Oranje werd erkend in zijn waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland en ook aan hem werden zijn verbeurd verklaarde goederen teruggeschonken. Hij schreef daarover terecht aan den Abt van St.Geertrui: “Ik bid u niet vreemd te vinden, dat ik, die zoo in schulden zit en zoo lang van mijne goederen ben beroofd geweest, daarvan eenig gewag heb willen maken, het kan in de toekomst te pas komen.”Wat de enkele steden in Holland en Zeeland, die Oranje’s gezag nog niet erkenden, aangaat en die zich toch bij dit verdrag aansloten, zij zouden een satisfactie ontvangen, als ze zich voegden onder zijn bewind; o. a. op het punt van den godsdienst zouden zij eenige meerdere vrijheid erlangen. De geheele Pacificatie bestond uit 25 artikelen; deze waren op den 28enOctober vastgesteld, doch hadden toen nog de bekrachtiging noodig van de Staten-Generaal.Het was dringend noodzakelijk, dat dit lichaam niet te lang wachtte met de goedkeuring, want Don Juan was op weg en als die zich aan het hoofd der Spanjaarden plaatste, zou hij alles wat de Raad van State had gedaan, van nul en geener waarde verklaren. Uit een onderschepten brief van Roda, het eenige Spaansche lid uit den Raad en vóór 4 September uit Brussel ontsnapt, was gebleken, dat hij Don Juan zou adviseeren den Raad van State en zijn gezag te vernietigen. Voor de komst van een nieuwen landvoogd moest dus gehandeld worden, maar de Staten-Generaal bleven aarzelen het verdrag goed te keuren. Oranje, ook van bevriende zijde gewaarschuwd, begreep maar al te goed, dat er tot het laatste toe gevaarvan tallooze Zuid-Nederlanders te vreezen was. “Men handelt niet met ons op zijn Vlaamsch, maar op zijn Italiaansch en Spaansch,” had hij gezegd.Misschien zouden de Staten-Generaal nog zijn blijven talmen, zoo niet een onvoorziene gebeurtenis hen tot goedkeuring van het verdrag had gedwongen.Die gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als deSpaansche furie. Wij zagen, hoe de muitende soldaten, na de overgave van Zierikzee en na plunderend en brandstichtend het land te zijn doorgetrokken, zich vooral op de kasteelen in de buurt der steden hadden genesteld, om ze van daaruit in bedwang te houden. De eerste stad, die door hen verwoest werd, was Maastricht en wel op den 20enOctober, een dag na de opening der onderhandelingen te Gent. Die plundering scheen het sein van een algemeenen aanval der Spanjaarden te wezen. De citadel van Antwerpen was hun hoofdkwartier. Daar stonden ongeveer 4000 Spaansche troepen onder de bevelen van d’Avila, Romero, Valdez e. a., die zich eerst wel niet met de muiters hadden verbonden, maar vooral door invloed van Roda zich toch met dezen vereenigden tot een algemeenen aanval op Antwerpen. Roda had zich tot de komst van Don Juan het volle gezag des konings toegekend.De stad zelf stond onder Champagny, den broeder van Granvelle, die met alle Nederlanders den haat tegen de Spanjaarden deelde en zelfs op dat oogenblik met Oranje in betrekking stond. Bij hen voegden zich de markies van Havré met Heze en Filips van Egmond, zoodat Antwerpen zelf een bezetting had van ongeveer 8000 soldaten, die zich gereed maakten, de citadel waarin de Spanjaarden waren, te belegeren. Doch die Antwerpsche bezetting, m. a. w. de Nederlandsche soldaten van de Staten-Generaal, waren niet vertrouwbaar. Ook de troepen onder kolonel van den Ende en graaf von Eberstein waren evenzeer als de Spaansche soldaten ontevreden. De overwinning van dezen was dan ook zeker, zoodra d’Avila, ondertusschen nog versterkt door de Spaansche soldaten van Aalst, besloot, in de stad te trekken. Het waren vooral de troepen van Aalst, die de aanleiding waren van den aanval op de stad. Deze toch werden alleen door het vooruitzicht van plundering bezield; ze hadden op den 4enNovember de 24 mijlen tusschen Aalst en Antwerpen in zeven uur tijds afgelegd en zij weigerden de ververschingen, die d’Avila aanbood met te zeggen, dat ze rekenden op een goed avondmaal in de andere wereld of binnen Antwerpen. In een uur had de geheele Spaansche bende, tot de tanden gewapend, de citadel verlaten en ze waren zóó zeker van hun welslagen, dat ze nauwelijks één man op de wacht achterlieten.Na een hevig straatgevecht werden de troepen der Staten teruggedreven. Men nam o. a. Egmond gevangen; Champagny en Havré konden zich nauwelijks redden, maar vonden nog op de schepen van den Prins van Oranje, die op de Schelde lagen, een wijkplaats.“Op den ochtend van den 5enNovember,” schrijft Motley, “bood Antwerpen een akelig schouwspel aan: het prachtige stadhuis, als een wonder der wereld beroemd, zelfs in die eeuw en in dat land, waarin men aan stadsgebouwen zooveel schatten ten koste legde, stond daar als een zwartgeblakerde bouwval; alles was vernield, behalve de muren, terwijl oorkonden, registers en andere voorwerpen van waarde verloren waren gegaan. Het luisterrijkst gedeelte van de stad was inde asch gelegd; minstens vijfhonderd paleizen, grootendeels van marmer of gehouwen steen, waren een smeulende puinhoop geworden. Lijken van hen, die in het bloedbad gevallen waren, lagen aan alle kanten, maar het meest op het plein de Meir tusschen de gotische zuilen der Beurs en in de straten dicht bij het Stadhuis. De Duitsche soldaten lagen er in hunne wapenrusting; van sommigen was het hoofd van den romp afgebrand, bij anderen had de vlam armen en beenen verteerd.... Nog twee dagen lang waarde de verdelging door de stad. Van alle misdaden, die de mensch met koelbloedige berekening of razenden hartstocht begaan kan, bleef er nauwelijks een ongepleegd.Met onuitdelgbare letters heeft de geschiedenis op hare koperen tafels de rekening gegrift, die alleen voor den Rechterstoel hierboven vereffend worden kan. Van al de gruweldaden in de Nederlanden begaan, was dit de ergste. Men noemde haar deSpaansche furie, onder welken verschrikkelijken naam zij sedert eeuwen bekend bleef.De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt.”Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over “pour prévenir et éviter de plus grands inconvénients.”Op den 8enNovember werd met toestemming van de Staten-Generaal de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene bevrediging, maar ook een verbond.Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was een quaestie, die, volgens Oranje, in ’t verre verschiet lag. Bovendien zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de Pacificatie op het verschil daaromtrentnog afgestuit. Holland en Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel, doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden, eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van Gent in stand te houden.Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag had gewild, namen de Staten echter dit besluit.Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste ingenomen. “Onze afgevaardigden,” schrijft hij aan Jan, “hebben zoo goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28ender laatste maand vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten.” Hij spreekt in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk, dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden uit zich zelf het land zullen verlaten.Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming van Anjou’s voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik vanNavarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het huwelijk van zijn zuster was verzoend.De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds aan als “Hooggeboren Vorst,” doch in het midden van haar vormelijke frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22enOctober wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.

Op de 11enAugustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was, afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken, om de nationale wenschen te doen zegevieren.

Op den 23enAugustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt, gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State geen gehoor geven.

Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van September—zoo luidden de geruchten—zou de nieuwe regent in het land zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag, dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den 4enSeptember de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht, terwijlde anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.

Welk aandeel had Oranje in dezen Staatsgreep? Hoogstwaarschijnlijk had hij tot dezen maatregel den raad gegeven, daar ook de Prins begreep, dat de Staten van Brabant niets konden doen, zonder dat de Raad van State tot hun instrument was geworden. Zoolang dit niet was geschied, zou dat Regeeringslichaam, dat thans het hoogste gezag vertegenwoordigde, alle maatregelen tegenhouden. Wij kunnen dus wel aannemen, dat het feit gepleegd werd op aandrijven van Oranje en zijn raadslieden.

Die gevangenneming van den Raad van State was een ongehoorde gebeurtenis, waarvan wel de noodzakelijkheid door talloozen werd erkend, doch waarvoor men de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen. Toch werd het voornaamste doel erdoor bereikt, namelijk de bijeenroeping der Staten-Generaal, waartoe de Raad van State zelf, zoo hij onaangetast was gebleven, nooit de vergunning zou gegeven hebben. Eenmaal echter in de macht van het volk gekomen, kon die Raad van State, die spoedig weer werd losgelaten, niet anders dan den volkswensch inwilligen. Ook dit was weder het geheime werk van den Prins, die met de Staten van Brabant er op aandrong, dat de herleefde Raad van State tegen 22 September de Staten-Generaal bijeenriep zou roepen.

Het stond Oranje helder voor den geest wat er moest gedaan worden, om tot bevrediging te komen. Zoo ooit de Prins staatkundig beleid heeft getoond, om dat doel te bereiken, dan was het wel in die dagen. Onverpoosd bleef hij in Middelburg ook al wist hij dat een groot deel van het volk in het Zuiden naar zijn persoonlijke tegenwoordigheid verlangend uitzag. Hij wierp zich niet onstuimig op, om als redder daar op te treden. Trouwens hij had voldoende ervaring van het karakter der Vlamingen en Brabanders opgedaan, om zich zelf en de zaak, die hij wilde bereiken, niet door roekeloosheid te benadeelen. Verre was het dus van hem, zich op te dringen; hij wilde het daarheen leiden, dat hij gezocht werd. Ook moest hij voorzichtig zijn, dat er geen aanleiding tot naijver en wantrouwen ontstond. Hij kende de goede gezindheid van Aerschot op dit oogenblik; maar hij wist ook, hoe naijverig deze reeds in de dagen van Granvelle op hem, Oranje, was geweest.

Aerschot was het hoofd der familie Croy en zijn woord had vroeger vaak geluid: “Les Croy valent bien les Nassau; je ne veux pas avoir pour maître le prince d’Orange.” Dat de Prins dien naijver thans ontzag, is niet anders dan een bewijs zijner hooge wijsheid en menschenkennis. Hij begreep wel, dat de tijd nabij was, dat men zijn hulp vanzelf zou inroepen en ondertusschen bleef hij met tal van invloedrijke personen, als Jan van Hembyse, schepen van Gent, Filips van Egmond, den graaf van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, met de Lalaings, den Markies van Havré, broeder van den hertog van Aerschot, in briefwisseling of verbinding. Vooral de brief aan Hembyse is merkwaardig.

Mons. d’Hembyse,“Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van de tirannie te verlossen,waardoor het sedert lang door de onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over—van achteren kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant, die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben, waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen, òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld, dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen, van u af te stooten.”

Mons. d’Hembyse,

“Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van de tirannie te verlossen,waardoor het sedert lang door de onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over—van achteren kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant, die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben, waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen, òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld, dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen, van u af te stooten.”

Met een beroep op zijn deugd en goeden naam en de aanzienlijke plaats, die hij in Vlaanderen bekleedt, eindigt de Prins dezen brief aan Hembyse, die gedagteekend is van 17 September. In dien geest schreef hij brief op brief in die dagen aan velerlei personen, ten einde het groote werk der bevrijding te bespoedigen. Want spoed was noodig, aangezien Don Juans komst aanstaande was en het dan verwacht kon worden, dat tal van wankelmoedigen en halven zich weer geheel aan de zijde der regeering zouden scharen.

Wat de Prins gehoopt had, namelijk dat men, om hulp zou vragen, gebeurde reeds vrij spoedig. De Spaansche soldaten toch, die na de overgave van Zierikzee hun tocht naar Vlaanderen met tal van gruwelen hadden bezoedeld, trokken zich terwijl de bevolking bezig was zichzelf te wapenen, in de kasteelen terug, om vandaar uit, de steden in bedwang te houden. Aalst, Gent en Antwerpen werden op die manier door hen bedreigd. In dien nood nam men de toevlucht tot Oranje, die dan ook aanstonds een achttal vendelen naar Gent zond, om hulp te bieden, als dit vereischt werd.

Door dit verzoek om bijstand, kwam hij vanzelf met de Staten van Brabant en de Staten-Generaal in aanraking. Eigenaardig, dat uit de briefwisseling blijkt, hoe bevreesd men nog was zich met hem te verbinden. De Prins toont daarover geen geraaktheid, maar tracht hun vrees te overwinnen door volstrekt geen begeerte naar inmenging te toonen. Hij is volkomen bereid zijn landgenooten te helpen, maar niet minder zijn troepen tegenbevel te geven, als hun bijstand niet wordt noodig geacht. Het hoofddoel blijft voor Oranje, de vredesonderhandelingen, die in October tusschen de Generale Staten en de gevolmachtigden van de Staten van Holland en Zeeland zullen geopend worden, te bevorderen en de gewenschte verbinding met Frankrijk voor te bereiden.

Waarschijnlijk in den aanvang van October, schreef Oranje dien merkwaardigenbrief aan de Staten-Generaal, waarin hij hen tot eendrachtig handelen opwekt en hun tevens voor oogen stelt, hoe alle verschil de goede zaken tegenhoudt en doet vertragen, wat tot de ruïne van het land moet voeren. “Wettige gehoorzaamheid is men den koning verschuldigd,” zegt Oranje, “maar indien men uit vrees hem te beleedigen, in plaats van bij recht en waarheid, alleen bij den wil van een slecht ingelichten vorst zweert, dan vergeet men jammerlijk zijn plicht en hiertoe is men door God en de wetten geroepen.”

“En,” laat de Prins hierop volgen “de geschiedenis van ons eigen land is vol van bewijzen voor die stelling, doch opdat ik niet weer die versche wonden openrijte, die wij in eeuwige vergetelheid wenschten te begraven en u de onheilen van de heeren Egmond en Hoorne en van de schoonste bloem van den adel en de burgerij dezer landen niet weder te binnenbrenge, herinner ik u aan Frankrijk, Italië, Duitschland, aan Hongarije, Africa en Barbarijë, waar al de ellende en onheilen, die er geschied zijn, het gevolg zijn geweest van die vervloekte tweedracht, die gewoonlijk in één oogenblik de sterkste en bloeiendste staten der wereld omverwerpt.”

Verder geeft de Prins den raad: “aan den koning, door middel van een koerier, in een expressen brief, uw vast besluit te melden, dat gij uw vaderland in zijn rechten, vrijheden en gewoonten wilt handhaven, en het goed- of kwaadschiks wilt verlossen van de onverdragelijke tirannie der Spanjaarden. Dit alles natuurlijk onder de wettige en verschuldigde gehoorzaamheid aan Z. M., zooals gij beloofd en bezworen hebt, evenals hij u beloofd en gezworen heeft, u te handhaven in al uwe rechten en genoemde vrijheden, bij welke gij beslist denkt te blijven, wat er ook moge gebeuren en dat gij, wilde de koning u door geweld van wapenen dwingen, tot den laatsten man van uw land aan de verlossing daarvan zult wagen.... Deze brief moet geteekend worden door al de Staten van het land, door de voornaamste kloosterorden en al degenen, die eenige waardigheid in het land bekleeden, eenig krediet hebben bij den koning of verplichting gevoelen, tot het algemeen belang mee te werken.”

“Door dit middel zult gij, als gij duidelijk uw besluit aan Z. M. hebt verklaard, ook u zelven een krachtigen spoorslag geven, om grootmoedig uw heilige en lofwaardige onderneming te vervolgen, zonder iets te bemantelen en ook zult gij er al de valsche maskers van de aangezichten van hen mede afrukken, die, onder den schijn van niet aan den koning te willen mishagen, tusschen twee wateren zwemmen en den loop van alle goede beraadslagingen beletten .... De ongelijkheid van wil, die de ware pest is van al uw beraadslagingen, zult gij er door uit uw midden verjagen en er een ferme eendracht en algemeene eensgezindheid door bewerken, die toch het eenig middel zijn, om uw zaken tot een goed einde te brengen, gelijk de voorbeelden van alle confederaties door alle tijden heen u kunnen bevestigen. Want evenals het onmogelijk is een kar recht te laten rijden, als de wielen slecht en ongelijkmatig zijn geproportioneerd, zoo moet ook elke bond breken en tot een slecht einde voeren, wanneer er geen gelijke verplichting bestaat, om een gemeenschappelijk en algemeen doel te bereiken....”

Daarop volgt een beroep op de geschiedenis en worden door den Prins deconfederaties tusschen verschillende steden uit de jaren 1261, 1339, 1368, 1371, 1372, 1412 en 1514 herdacht. “Deze alleen zijn oorzaak, dat wij ons kunnen beroemen, het eenige volk onder den hemel te zijn, dat met de meest loyale getrouwheid en de goede diensten aan de vorsten bewezen, het best een franke en onschendbare vrijheid hebben verworven, die wij alleen langs denzelfden weg kunnen handhaven.”

Ook daarom zal zulk een generale eendrachtige handelwijze, als de Prins aanraadt in dien brief aan den koning, zoo goed zijn, omdat Filips steeds gedacht heeft, dat het alleen een troep rebellen, muiters en Luthersche ketters waren, die tegen hem waren opgestaan. “Nu daarentegen zal de koning zien, dat het een algemeene stem van het geheele volk is, van kleinen en grooten, van grooten en kleinen, zoowel als van prelaten, abten, monniken en religieuzen, als van heeren, edellieden, burgers en boeren; kortom, dat er geen ouderdom, noch sekse, noch positie, noch qualiteit van personen bestaat, die het niet met een en dezelfde stem uitroept en met een en denzelfden wil verlangt. Daartegen zal de koning zich niet durven verzetten, want als hij dat deed zou hij aan de geheele wereld zijn groot onrecht en uw groot recht, om u tegen zulk een tirannie te verzetten, openlijk te kennen geven.”

Nadat hij zich op nog meer argumenten uit de geschiedenis beroepen heeft, zegt de Prins: “Laat den koning vooral ook zien, dat ge u met ons vereenigd hebt en dat gij u eerder in de armen van den ouden vijand van het Huis van Oostenrijk zoudt werpen, dan verdere beleedigingen te verdragen. Een bundel uit losse takjes bestaande kan gemakkelijk worden gebroken, maar is hij saamgebonden en vereenigd, dan is geen arm sterk genoeg, dien te verscheuren. Zoo ook gij—indien gij ferm vereenigd zijt, dan zijn Spanje en Italië niet bij machte, u kwaad te doen.

“Zie wat Holland en Zeeland in vijf jaar tijds gedaan hebben. En wat is dit handjevol steden bij al de Nederlanden?.... Alles is gereed. Er is alleen een toetssteen noodig en die kan zijn de onderteekening van een duidelijke verklaring uwer rechten. Met de publicatie van zulk een verklaring, zullen vrienden aan elken kant voor u oprijzen. Nu denken nog de Duitsche vorsten, de Fransche edellieden, de koningin van Engeland en alle andere Christelijke potentaten, dat gij geen hulp noodig hebt, omdat gij u zelf niet helpt. Volgt gij mijn raad, dan zal u van alle zijden hulp toestroomen en gij zult buitendien den naam verwerven, een voorbeeld te zijn voor alle vrije volken en een schrik voor alle tirannen en onderdrukkers van staten, enz.”

Natuurlijk bleef de Prins onder al zijne staatkundige zorgen in Middelburg met de zijnen in voortdurende briefwisseling; allereerst met zijne echtgenoote te Delft, maar ook bewijst een briefje van den 15enOctober 1576, hoe ook zijne kinderen hem niet vergaten. Zijne oudste dochter Marie, ’s Prinsen eerste gemalin Anna van Egmond ten volle waardig, later met graaf Filips von Hohenlohe gehuwd, zond hem uit Otweiler, waar ze gelogeerd was, een hartelijk schrijven als antwoord op een brief van haar vader. Veel bijzonders vertelt ze daarin niet, maar haar toon is zoo deelnemend en innig, dat het de moeite loont, een paar harer gedachten uit haar gebroken Fransch in onze taal weder te geven.

“Ik ben”—zoo schrijft zij—“zeer blij uit uw brief te hooren, dat de zaken in Brabant zoo goed gaan; ik hoop, dat ze alle dagen beter zullen worden en God door deze gelegenheid ons de genade zal verleenen, dat alles tot een vasten vrede komt, hetgeen ik uit geheel mijn hart wensch,opdat ik u en Madame nog eens tot rust mag zien komen.”

En zeker, de zaken in Brabant gingen goed. Wel vond de aansporing, om desnoods met wapengeweld de tirannie te verdrijven, geen ingang in het Zuiden. Daarvoor was men te bevreesd voor den koning en de naderende komst van zijn nieuwen landvoogd. Maar dit resultaat bereikte de Prins toch door al zijn schrijven aan de gewesten en aanzienlijke personen, dat de Staten-Generaal met toestemming van den Raad van State, met Oranje besprekingen over den vrede openden. Die besprekingen, die reeds onder Requesens in 1575 in Breda waren aangevangen, maar toen tot geen resultaat geleid hadden, moesten thans weer opgevat worden. Vrede toch was het algemeen onweerstaanbaar verlangen van de natie. Natuurlijk lag in het uitspreken van dien wensch ook tevens de verdrijving der Spaansche soldaten. De Staten-Generaal en de Raad van State meenden binnen de perken van hun trouw aan den koning wèl over den vrede met Holland en Zeeland te kunnen onderhandelen; maar Oranje’s vollen raad op te volgen, was naar hun meening daarmede in strijd. En de Prins stelde zich voorloopig met dat resultaat tevreden, want hij wist, gelijk de gevolgen ook geleerd hebben, dat die eerste stap hen ook tevens zou moeten voeren tot bestrijding der Spaansche macht.

Voordat de onderhandelingen begonnen, vroegen de Staten-Generaal uitdrukkelijk van den Prins de verzekering, dat hij geen nieuwigheid zou invoeren omtrent den R.-Katholieken godsdienst en de verschuldigde gehoorzaamheid aan den koning. De Prins maakte geen bezwaar, die verzekering te geven. “Nooit had hij in den zin gehad eigendunkelijk in de religie verandering te brengen; ook thans konden ze daarop gerust zijn. Hij nam er genoegen mee, dat alles in den toestand zou blijven, waarin het was, totdat, na het vertrek der Spanjaarden, een vrije en wettige vergadering der Staten-Generaal alle geschillen zou beslechten. Evenmin lag het in zijn bedoeling, de landen aan de wettige gehoorzaamheid des konings te onttrekken; zijn eenig oogmerk was steeds geweest, hen te bevrijden van de onverdragelijke tirannie, die hun den voet op den nek wilde zetten. Dit antwoord bevredigde de Staten-Generaal en ze stemden er in toe, dat er afgevaardigden van hen met vertegenwoordigers zoowel van Holland en Zeeland als van den Prins zouden samenkomen.

Gent werd daarvoor gekozen, al was ook de citadel dier plaats, gelijk de meeste kasteelen, in de macht der Spanjaarden en al stond eerst de van ouds onrustige stad den Staten-Generaal niet al te best aan. Ook zij begrepen, dat er haast moest gemaakt worden, daar Don Juan reeds op weg naar de Nederlanden was en deze nieuwe landvoogd moest staan voor een fait accompli.

Op den 11enOctober werden door den Raad van State aan de afgevaardigden uit het Noorden brieven van vrijgeleide gezonden en op den 19enbegonnen de beraadslagingen. Van beide zijden waren er negen afgevaardigden; van die der Zuidelijken waren Dr. Leoninus en de abt van St. Geertrui; van die derNoordelijken Marnix van St. Aldegonde en Paulus Buys de voornaamsten.

Oranje zelf ging niet naar Gent, maar ontving te Middelburg dagelijks rapporten van de onderhandelingen, terwijl hij van daaruit den toestand beheerschte. De Prins moest zelfs uit Middelburg nog in de eerste dagen der samenkomst tot voortvarendheid aansporen. Er bleef van beide zijden in den aanvang wantrouwen heerschen. Men vreesde, dat de Prins misschien volksbewegingen te Gent en te Brussel in de hand zou werken en ook omtrent zijne eischen, den godsdienst betreffende, was men niet gerust. Oranje van zijn kant was beducht, dat misschien de spoedige komst van Don Juan alles weer in duigen zou werpen, en de flauwhartigen door zijn beloften zouden worden overreed; daarom drong hij terecht op groote haast aan.

Over twee punten was men het geheel eens. Noord en Zuid beide wildende Spaansche soldaten verwijderd zienende privilegiën handhaven. De godsdienstvraag was moeilijker op te lossen. Herinneren we ons, dat tegen den wil van Oranje in de Unie van Delft het Calvinisme als eenige godsdienst van Staat was erkend en dat de katholieke leer in het Noorden was uitgesloten. Drong men dus van het Zuiden aan op vrijheid van den katholieken godsdienst in Holland en Zeeland, dan stond het te vreezen, dat de godsdienstquaestie de geheele pacificatie in duigen zou werpen. Men besloot haar daarom in statu quo te laten en hare oplossing uit te stellen tot een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal na den vrede.

Overigens herstelden de vredesartikelen de vriendschap en het verkeer tusschen de partijen; alle wederzijdsche gevangenen, alle onroerende verbeurdverklaarde goederen zouden worden teruggegeven. Oranje werd erkend in zijn waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland en ook aan hem werden zijn verbeurd verklaarde goederen teruggeschonken. Hij schreef daarover terecht aan den Abt van St.Geertrui: “Ik bid u niet vreemd te vinden, dat ik, die zoo in schulden zit en zoo lang van mijne goederen ben beroofd geweest, daarvan eenig gewag heb willen maken, het kan in de toekomst te pas komen.”

Wat de enkele steden in Holland en Zeeland, die Oranje’s gezag nog niet erkenden, aangaat en die zich toch bij dit verdrag aansloten, zij zouden een satisfactie ontvangen, als ze zich voegden onder zijn bewind; o. a. op het punt van den godsdienst zouden zij eenige meerdere vrijheid erlangen. De geheele Pacificatie bestond uit 25 artikelen; deze waren op den 28enOctober vastgesteld, doch hadden toen nog de bekrachtiging noodig van de Staten-Generaal.

Het was dringend noodzakelijk, dat dit lichaam niet te lang wachtte met de goedkeuring, want Don Juan was op weg en als die zich aan het hoofd der Spanjaarden plaatste, zou hij alles wat de Raad van State had gedaan, van nul en geener waarde verklaren. Uit een onderschepten brief van Roda, het eenige Spaansche lid uit den Raad en vóór 4 September uit Brussel ontsnapt, was gebleken, dat hij Don Juan zou adviseeren den Raad van State en zijn gezag te vernietigen. Voor de komst van een nieuwen landvoogd moest dus gehandeld worden, maar de Staten-Generaal bleven aarzelen het verdrag goed te keuren. Oranje, ook van bevriende zijde gewaarschuwd, begreep maar al te goed, dat er tot het laatste toe gevaarvan tallooze Zuid-Nederlanders te vreezen was. “Men handelt niet met ons op zijn Vlaamsch, maar op zijn Italiaansch en Spaansch,” had hij gezegd.

Misschien zouden de Staten-Generaal nog zijn blijven talmen, zoo niet een onvoorziene gebeurtenis hen tot goedkeuring van het verdrag had gedwongen.

Die gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als deSpaansche furie. Wij zagen, hoe de muitende soldaten, na de overgave van Zierikzee en na plunderend en brandstichtend het land te zijn doorgetrokken, zich vooral op de kasteelen in de buurt der steden hadden genesteld, om ze van daaruit in bedwang te houden. De eerste stad, die door hen verwoest werd, was Maastricht en wel op den 20enOctober, een dag na de opening der onderhandelingen te Gent. Die plundering scheen het sein van een algemeenen aanval der Spanjaarden te wezen. De citadel van Antwerpen was hun hoofdkwartier. Daar stonden ongeveer 4000 Spaansche troepen onder de bevelen van d’Avila, Romero, Valdez e. a., die zich eerst wel niet met de muiters hadden verbonden, maar vooral door invloed van Roda zich toch met dezen vereenigden tot een algemeenen aanval op Antwerpen. Roda had zich tot de komst van Don Juan het volle gezag des konings toegekend.

De stad zelf stond onder Champagny, den broeder van Granvelle, die met alle Nederlanders den haat tegen de Spanjaarden deelde en zelfs op dat oogenblik met Oranje in betrekking stond. Bij hen voegden zich de markies van Havré met Heze en Filips van Egmond, zoodat Antwerpen zelf een bezetting had van ongeveer 8000 soldaten, die zich gereed maakten, de citadel waarin de Spanjaarden waren, te belegeren. Doch die Antwerpsche bezetting, m. a. w. de Nederlandsche soldaten van de Staten-Generaal, waren niet vertrouwbaar. Ook de troepen onder kolonel van den Ende en graaf von Eberstein waren evenzeer als de Spaansche soldaten ontevreden. De overwinning van dezen was dan ook zeker, zoodra d’Avila, ondertusschen nog versterkt door de Spaansche soldaten van Aalst, besloot, in de stad te trekken. Het waren vooral de troepen van Aalst, die de aanleiding waren van den aanval op de stad. Deze toch werden alleen door het vooruitzicht van plundering bezield; ze hadden op den 4enNovember de 24 mijlen tusschen Aalst en Antwerpen in zeven uur tijds afgelegd en zij weigerden de ververschingen, die d’Avila aanbood met te zeggen, dat ze rekenden op een goed avondmaal in de andere wereld of binnen Antwerpen. In een uur had de geheele Spaansche bende, tot de tanden gewapend, de citadel verlaten en ze waren zóó zeker van hun welslagen, dat ze nauwelijks één man op de wacht achterlieten.

Na een hevig straatgevecht werden de troepen der Staten teruggedreven. Men nam o. a. Egmond gevangen; Champagny en Havré konden zich nauwelijks redden, maar vonden nog op de schepen van den Prins van Oranje, die op de Schelde lagen, een wijkplaats.

“Op den ochtend van den 5enNovember,” schrijft Motley, “bood Antwerpen een akelig schouwspel aan: het prachtige stadhuis, als een wonder der wereld beroemd, zelfs in die eeuw en in dat land, waarin men aan stadsgebouwen zooveel schatten ten koste legde, stond daar als een zwartgeblakerde bouwval; alles was vernield, behalve de muren, terwijl oorkonden, registers en andere voorwerpen van waarde verloren waren gegaan. Het luisterrijkst gedeelte van de stad was inde asch gelegd; minstens vijfhonderd paleizen, grootendeels van marmer of gehouwen steen, waren een smeulende puinhoop geworden. Lijken van hen, die in het bloedbad gevallen waren, lagen aan alle kanten, maar het meest op het plein de Meir tusschen de gotische zuilen der Beurs en in de straten dicht bij het Stadhuis. De Duitsche soldaten lagen er in hunne wapenrusting; van sommigen was het hoofd van den romp afgebrand, bij anderen had de vlam armen en beenen verteerd.... Nog twee dagen lang waarde de verdelging door de stad. Van alle misdaden, die de mensch met koelbloedige berekening of razenden hartstocht begaan kan, bleef er nauwelijks een ongepleegd.

Met onuitdelgbare letters heeft de geschiedenis op hare koperen tafels de rekening gegrift, die alleen voor den Rechterstoel hierboven vereffend worden kan. Van al de gruweldaden in de Nederlanden begaan, was dit de ergste. Men noemde haar deSpaansche furie, onder welken verschrikkelijken naam zij sedert eeuwen bekend bleef.

De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt.”

Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over “pour prévenir et éviter de plus grands inconvénients.”

Op den 8enNovember werd met toestemming van de Staten-Generaal de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene bevrediging, maar ook een verbond.

Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.

Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was een quaestie, die, volgens Oranje, in ’t verre verschiet lag. Bovendien zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.

Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)

Straatgevecht voor het Antwerpsche Raadhuis. 4 Nov. 1576. (Bladz. 304.)

Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de Pacificatie op het verschil daaromtrentnog afgestuit. Holland en Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel, doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.

Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden, eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van Gent in stand te houden.

Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag had gewild, namen de Staten echter dit besluit.

Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.

Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste ingenomen. “Onze afgevaardigden,” schrijft hij aan Jan, “hebben zoo goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28ender laatste maand vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten.” Hij spreekt in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk, dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden uit zich zelf het land zullen verlaten.

Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming van Anjou’s voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik vanNavarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het huwelijk van zijn zuster was verzoend.

De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds aan als “Hooggeboren Vorst,” doch in het midden van haar vormelijke frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22enOctober wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.

In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.


Back to IndexNext