Hoofdstuk XXIII.

Hoofdstuk XXIII.Don Juan van Oostenrijk en de Prins van Oranje. Het Eeuwig Edict. 1576–1577.Reeds in de lente van 1576 had koning Filips zijn half-broeder Don Juan van Oostenrijk tot opvolger van Requesens benoemd. Deze jongste zoon van Karel V was in 1545 te Regensburg geboren; zijn moeder was een zekere Barbara Blomberg, waschvrouw van beroep. In zijn jeugd was hij naar Spanje gezonden en met groote zorg opgevoed door Louis Quixada, een lid der keizerlijke hofhouding. Eerst toen de keizer was overleden, werd hij door Filips als zijn broeder erkend en werd zijn opvoeding, te gelijk met die van zijn neven Alexander Farnese en Don Carlos, voltooid. Uiterlijk geleek hij op niemand van de familie van zijn keizerlijken vader, want hij was een der knapste jongelieden uit Europa. “Rijzig van gestalte, innemend van uiterlijk, dapper en hoffelijk, vroom katholiek en man van de wereld tevens, herinnerde hij, veel meer dan zijn koninklijke broeder, aan zijn roemruchtigen vader, hoewel hij, driftig, ja opvliegend als hij was, zijns vaders staatsmanstalenten ten eenenmale miste.”Filips had hem voor de kerk bestemd, maar dit vooruitzicht strookte niet met zijn moedigen, avontuurlijken geest. Het gelukte hem werkelijk den wil van zijn koninklijken broeder te braveeren en zijn eigen wenschen te volgen. Waarschijnlijk hielp de buitengewone persoonlijke betoovering, die van Don Juan tegenover jong en oud uitging, hem, om den koning voor zijn plannen te winnen en Filips stond hem toe, in plaats van een monnikskap een helm te dragen; hij droeg hem zelfs het commando op van een expeditie tegen de Mooren in Granada toen hij pas 23 jaar oud was. Schitterend succes bekroonde deze eerste onderneming, hoewel ongelukkig de overwinning door vreeselijke wreedheid bezoedeld werd.Omstreeks dienzelfden tijd vielen de Turken aan op Venetië en bedreigden de veiligheid van geheel Italië. Toen werd Don Juan opgedragen hen te bestrijden en won hij, meer door geluk dan door wijsheid, een zeeslag in de baai van Lepanto.Europa was in dien tijd in voortdurende onrust, dat het Turksche rijk werd uitgebreid en dus werd overal de tijding van die overwinning met buitengewone vreugde begroet. Het feit, dat er bijna evenveel Christenen als Mohammedanen waren gesneuveld, bracht men niet in rekening; het werd als een beroemde overwinning beschouwd en men prees den jongen held uitbundig om zijn succes.Die aanbidding van zijn beschermeling behaagde Filips niet bijzonder; hij riep zijn broeder spoedig van het oorlogstooneel terug, vreezende dat de lauweren, die hij behaalde, meer roem zouden geven aan den jongsten zoon van Karel V dan de gouden kroon aan zijn oudsten.Ondertusschen waren Don Juans zucht naar krijgsroem en zijn ridderlijke eigenschappen in den strijd tegen de Turken nog aangewakkerd. Terwijl zijn broeder de koning, afkeerig van persoonlijke deelneming aan den krijg, zich in zijne paleizen opsloot, om van daar (zooals hij meende) het lot der volken te beheerschen—dacht Don Juan, dat hij evenals zijn vader tot een groote rol in de wereldgeschiedenis bestemd was en de katholieke kerk door middel van het zwaard tegen Turken en ketters moest verdedigen. Daarbij speelde het romantisch denkbeeld door zijn brein om de ongelukkige Maria Stuart uit de gevangenis te verlossen, haar te huwen, en in plaats van Elisabeth tot koningin van Engeland te verheffen.Inderdaad was dat romantisch denkbeeld een jongen held dier dagen ten volle waard. Sedert 1568 was de weduwe van den Franschen Koning Frans II ([+] 1560) na tallooze pogingen om den haar rechtmatig toekomenden Schotschen troon te behouden, in de macht van haar groote vijandin gekomen. Omringd door verraad in haar eigen land, had zij zich na de nederlaag bij Langside, in de macht van Elisabeth gegeven en was ze sedert van de eene gevangenis naar de andere gesleept, tot ze eindelijk, gelijk ieder weet, te Fotheringay onthoofd werd. Acht jaren lang had de ongelukkige, onttroonde vorstin reeds in haar gevangenis gezucht, toen Don Juan van Oostenrijk zijn droombeeld, om haar te verlossen, koesterde.In den herfst van 1576 was hij in Italië; daar ontving hij na den dood van Requesens zijn aanstelling tot landvoogd van de Nederlanden en zijn meening was, dat die Nederlandsche roeping een eerste stap zou zijn, om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Niet wetende, dat er zulk een haast was, naar de ontvoogde Nederlanden te gaan en door zijn vertraging aan de Nederlanden alle mogelijke speelruimte gevende, hun eigen zaken zonder landvoogd en buiten Filips om, ter hand te nemen, ging Don Juan eerst uit Italië naar Spanje terug, om daar, in overleg met zijne vertrouwden, den grondslag van zijn staatkunde te leggen, die hij meende te zullen volgen. Daar hij op zijn reis door Frankrijk bevreesd was voor mogelijke aanranding door vrienden van de Nederlanders, vermomde hij zich op zijn tocht door dat land als Moor en zijn geheele escorte bestond uit zijn vriend Ottavio Gonzaga, zes krijgslieden en een koerier. Hij zelf moest doorgaan voor den knecht van Gonzaga. Het gezelschap hield een nacht in Parijs stil, waar Don Juan een samenkomst had met Guise, den oom van Maria Stuart, met wien hij zijn verlossings- en huwelijksplan besprak.Wij kunnen ons levendig voorstellen, hoe bitter teleurgesteld de jonge held was, toen hij op den 3enNovember in Luxemburg aankwam en vernam, hoe de zaken in de Nederlanden op dat oogenblik stonden. Bij zijn groote plannen met Engeland, had hij zijne landvoogdij over de Nederlanden als de gemakkelijke brug beschouwd, tot bereiking van zijn doel aan gindsche zijde van het Kanaal en nu moest hij vernemen, hoe hem zelfs niet eens de toegang tot de Nederlanden werd vergund, alvorens hij de Pacificatie van Gent met zijn handteekening had bekrachtigd.Wij vermeldden vroeger, hoe die Pacificatie reeds den 28enOctober tot stand was gekomen, en onder den indruk der Spaansche Furie, den 8enNovember door de Staten-Generaal werd geteekend. Ook Don Juans komst op den 3endier maand verhaastte nog die teekening. In plaats dus, van onmiddellijk als landvoogd te worden verwelkomd en de eeden af te vorderen van de Nederlanden, moest hij eerst trouw zweren aan die Pacificatie en zag hij zich zelfs den toegang tot de hoofdstad gesloten. Die Pacificatie was hem eerst een groote ergernis; hij zag er een verbond in, even tegenstrijdig met den dienst van God als met de gehoorzaamheid, aan den koning verschuldigd. Roda maande hem, zich aanstonds aan het hoofd der in de Nederlanden aanwezige Spaansche troepen te stellen, die volgens zijne berekening nog wel uit 10.000 man bestonden. Doch aan dien raad wilde hij ook geen gevolg geven; hij was gekomen als bemiddelaar en buitendien zou het met geweld optreden in Nederland aanstonds al zijn plannen tegenover Engeland in duigen geworpen hebben. De Staten-Generaal waren ook wel in twee partijen verdeeld, waarvan de eene meer de politiek van Oranje aanhing, de andere getrouw aan den koning wilde blijven—maar op het punt van de Pacificatie en de verwijdering der Spaansche troepen waren zij het toch volkomen eens.De eerstgenoemde partij, die Oranje aanhing, deed alle mogelijke moeite om den Prins zelf naar Brussel te troonen; maar zoolang de volledige Staten-Generaal hem dit niet verzochten, was Oranje onwillig, dat te doen. Volgens hem moesten er gansch andere maatregelen met Don Juan genomen worden. Den 9enNovember zond hij namelijk uit Middelburg een advies aan de Staten-Generaal, met begeleidend schrijven aan den hertog van Aerschot, die door den Prins slechts half vertrouwd werd.In dit schrijven aan Aerschot meldt Oranje hem, dat de komst van Don Juan van Oostenrijk veel kwaad aan het land kan brengen, indien men door eigen schuld hem daartoe de middelen verschaft, maar daarom moet men door groote voorzichtigheid zijn plannen voorkomen. De Prins is dan ook zoo vrij een advies aan de Staten-Generaal te zenden en om de vergadering des te beter te kunnen inlichten, zendt hij een afschrift van het advies aan Don Juan, vóór de samenkomst wordt gehouden.In dat schrijven aan de Staten-Generaal wijst Oranje op het kleine gezelschap, dat den landvoogd vergezelt en hij maakt eruit op, dat de koning en zijn raad er geheel aan wanhopen, door middel van geweld, de orde in het land te herstellen. Maar, waarschuwt de Prins, men wil ons te kennen geven, dat we op zeer zachte en menschelijke wijze zullen behandeld worden, doch op een goed gekozen oogenblik zal worden uitgevoerd, hetgeen in de geheime particuliereinstructies is geschreven. Op grond hiervan raadt de Prins ten sterkste aan, Don Juan in verzekerde bewaring te nemen en zich meester te maken van zijn persoon, want alleen in dat geval, zegt hij, zal er zonder verdere bloedstorting met Gods hulp een eind aan den oorlog komen.De meerderheid van de Staten-Generaal was met Aerschot bevreesd voor te grooten invloed van Oranje en ze besloten het advies niet te volgen, doch met Don Juan in overleg te treden.Daarover niet uit het veld geslagen, legde de Prins nogmaals in een zeer uitvoerig advies, den nadruk op de dreigende gevaren. Het doet hem leed, dat er velen zoo goed van vertrouwen zijn en hij tracht de Staten-Generaal te bezielen met hetzelfde wantrouwen, dat hem vervult.“De toorn van koningen is onsterfelijk,” schrijft Oranje. “Wat Don Juan ook moge beloven, het is alles misleiding en bedrog, het is verraderlijke toegevendheid door den nood afgeperst, die ten doel heeft, ons in slaap te wiegen, onze kracht te breken en ons daarna met schending van alle trouw tot nog harder slavernij te dwingen....”Verder eischt de Prins waarborgen tegen willekeur, verwijdering van alle troepen en het opnieuw bezweren van de gewestelijke privileges. Wil men Don Juan erkennen en tevens veilig zijn tegen de wraak van Filips, dan moet de macht van den landvoogd beperkt wezen. “Verklaar hem,” zegt Oranje, “dat ge zult voortgaan met u te versterken en dat gij het voetvolk en de ruiters, waarover gij te gebieden hebt, niet eer zult wegzenden;want het ware hem het mes in de hand geven, waarmede hij u den hals zou afsnijden.”Zeker, zijn adviezen aan de Staten-Generaal lieten aan kracht en overtuiging niet te wenschen over, maar het was voor doovemans ooren gepraat; men luisterde niet naar zijn raad.Later zou het zonneklaar blijken, dat Oranje volkomen gelijk had met zijn waarschuwingen tegen Don Juan.Ondertusschen bleef de Prins, steeds vanuit Middelburg, ijverig in de weer het zuiden voor te lichten en de Pacificatie van Gent tot een feit te maken. De briefwisseling in die dagen was grooter dan ooit en niet alleen met het Zuiden, maar ook met die Noordelijke gewesten, welke nog niet waren aangesloten, terwijl in Friesland door zijn invloed de Spaanschgezinde Robles door George Lalaing, den graaf van Rennenberg, als stadhouder werd vervangen. Ook met Anjou bleef hij steeds in betrekking.Al volgde men zijn advies ten opzichte van Don Juan niet, van alle kanten trachtte men hem te overreden, persoonlijk naar Brussel te komen, maar hij achtte den tijd nog niet daar. Hoe hoog zijn populariteit ook in Brussel was gestegen, hoe men daar ook zijn hoop alleen op hem bouwde; hij begreep terecht, dat, zoolang er met Don Juan onderhandeld werd, zijn persoon niet anders dan nadeelig kon werken. Hij zag n.l. wel in, dat zijn eigenlijke bedoeling, vrijheid van godsdienst, nimmer door den nieuwen landvoogd zou worden toegestaan.In dien geest schreef hij ook aan St. Aldegonde, die zich te Brussel bevond maar, zoo meldde hij zijn vriend, al meen ik niet te moeten komen, ge kunt ervan verzekerd zijn, dat ik niet zal ophouden dag en nacht in het ware belang van het land te werken.Oranje wantrouwt nog den toestand en vreest, dat de andere Staten zich van die van Brabant zullen afzonderen, indien hij ontijdig toegeeft aan den wensch der bevolking. Inderdaad, niet alleen enkelen, maar de gansche burgerij in Brussel was vol geestdrift voor Oranje; door gewapende oploopen oefenden zij zelfs dwang uit op de beraadslagingen der Staten-Generaal. Heze, de uitvoerder van den Staatsgreep van 4 September, was heer en meester in de stad. Alleen wijze staatkunde hield den Prins tegen, nog niet naar Brussel te gaan en de tijd zou komen, dat zijn optreden door de omstandigheden geëischt werd. Voorloopig weigerde hij aan den oproep te voldoen, tenzij een eenstemmige uitnoodiging van de Staten-Generaal hem daartoe deed besluiten.Wel blijkt uit een brief, dat een deel van Oranje’s troepen in Brussel aanwezig was sedert den 23enNovember, want de commandant Olivier van den Tempel schrijft Oranje over de wijze, waarop de troepen waren ingekwartierd. Ook hij meldt aan den Prins, dat de zaken niet goed gaan, “tenzij er herstel komt door uw Exc.,om wien iedereen roept en naar wiens komst iedereen verlangt...”De Staten-Generaal onderhandelden intusschen nog met Don Juan, wiensergernissteeg, naarmate hij meer over den toestand hoorde. Men zegt, dat er zelfs een poging werd gedaan, Don Juan te overreden zelf de teugels der regeering te aanvaarden en eenvoudig de trouw aan zijn broeder op te zeggen. Onwaarschijnlijk is het, dat de Prins hiertoe den raad gegeven zou hebben, daarvoor vertrouwde hij Don Juan te weinig. Zoover kwam het ook niet. De partij der gehoorzamen aan den koning behaalde in de Staten ten slotte de overwinning en den 6enDecember werden aan den nieuwen landvoogd de voorwaarden gesteld, die in hoofdzaak neerkwamen op de verwijdering der troepen, de handhaving der Pacificatie van Gent, een algemeene amnestie en het samenroepen der Staten-Generaal. Wilde de landvoogd dan nog een eed afleggen, dat hij de privileges der gewesten zou handhaven, men zou hem aanstonds als landvoogd erkennen, terwijl de Katholieke godsdienst zoowel als Filips’ gezag gehandhaafd zouden worden. Van elk verbond met vreemden zag men dan af, de vreemde huurtroepen verdwenen en een korps geboren Nederlanders zou als eerewacht van den nieuwen regent dienst doen.Tegen alle verwachting in, scheen Don Juan geneigd, de voorwaarden aan te nemen, maar de redenen, die er hem toe bewogen, hield hij verborgen. Het vertrek der troepen kwam hem juist gewenscht voor, want ze zouden moeten dienen om Elisabeth door een inval te verrassen en Maria Stuart te verlossen. Wilde dit in ’t geheim gebeuren, dan was het noodig, dat de troepen zich in een Vlaamsche haven inscheepten, schijnbaar met de bedoeling, naar Spanje terug te keeren. Hij stemde toe in den eisch, de troepen te verwijderen, maar drong er op aan, dat ze over zee zouden terug keeren. Zelfs ging hij zóó ver, dat hij aan Elisabeth liet vragen of de Spanjaarden, welke naar huis terugkeerden, zich in haar havens van proviand mochten voorzien!De Staten-Generaal vertrouwden dien aandrang van Don Juan niet erg. Waarom juist dien zeeweg? De Staten, vooral door Oranje en de zijnen bewerkt,bleven bezwaar maken, ook toen het bleek, dat de landvoogd in alles toestemde op voorwaarde van dien bepaalden weg.Dat de Prins alles deed, wat hij kon om het wantrouwen tegen Don Juan te vermeerderen, is hem door velen kwalijk genomen, maar is het niet natuurlijk, dat hij, die den Spanjaard zoo goed had leeren kennen, zoo handelde? Charlotte van Bourbon, die zich met staatkunde nooit inliet, schreef zelfs de volgende waarschuwing aan haar echtgenoot: “Gij moet zijn de hagedis, die den mensch, terwijl hij slaapt(d. i. de St.-Generaal)tegen den beet der slang(Don Juan)waarschuwt.”Wat de Prins ook deed om de onderhandelingen der Staten-Generaal te vertragen, deze wilden die niet afbreken en besloten hun vergadering en den Raad van State naar Namen te verplaatsen, teneinde zich daardoor, gelijk Aerschot meende, aan den invloed van de bevolking van Brussel, welke geheel op Oranje’s hand was, te onttrekken. Dit plan kon echter alleen doorgaan, toen werd aangenomen, dat een deel der Staten-Generaal in Brussel zelf achterbleef en dezelfde rechten verkreeg, als zij, die zich naar Namen verplaatsten.Onder hen, die in Brussel bleven, waren vele aanhangers van den Prins, maar er waren er ook onder, die het afbreken der onderhandelingen met Don Juan, zooals Oranje wilde, afkeurden. Hun aantal werd nogversterktdoor afgevaardigden uit Groningen, Friesland, Drente, Utrecht en Gelderland. Het talmen van Don Juan moede, sloten zij eenstemmig deeerste Unie van Brusselop den 9enJanuari. Hierdoor gaven zij nieuwe kracht aan de Pacificatie en in zoover handelden ze geheel in den geest van Oranje. Daar zij echter de handhaving van den katholieken godsdienst op den voorgrond stelden, welk teere punt bij de Pacificatie naar de toekomst was verwezen en waardoor zij Don Juan de hand toestaken, deden zij volstrekt niet naar Oranje’s bedoeling. Later is deze Unie dan ook door een “nadere Unie van Brussel” gewijzigd.Geen vijandelijke bedoelingen had men met deze Unie tegen den Prins voor, maar het verbond was ook niet geheel een werk in Oranje’s belang. Had de Prins in het eind van Januari zijn denkbeeld kunnen doen zegevieren, dan was er een herhaling op groote schaal van den Staatsgreep van 4 September gevolgd; allen die naar een verdrag met Don Juan streefden en de nauwe vereeniging met Holland en Zeeland tegenhielden, waren dan onschadelijk gemaakt. Dit wilden de Staten-Generaal in Brussel niet.Het andere deel van dit lichaam, dat in Namen zetelde om met Don Juan te onderhandelen, moest geduld oefenen met den landvoogd. Uitstel en nog eens uitstel was het wachtwoord geweest en zelfs Aerschot, die zoo verlangde naar de overeenstemming met hem, had eens hopeloos uitgeroepen: “Indien Z. Hoogheid weigert te komen, laat hem gaan, waar hij wil.”Uit Brussel kwam een dreigement tot Don Juan; als hij niet binnen vier dagen na 23 Januari de voorwaarden had aangenomen, dan zou men een beroep op Oranje doen. Ook de Prins werd met dit besluit in kennis gesteld. Dat hielp. De onderhandelingen werden weder hervat en al was de discussie nu en dan zoo hevig, dat Don Juan in zijn drift een der leden met een kandelaar tegen het hoofdgooide, het resultaat werd bereikt. De nieuwe landvoogd stemde in de voorwaarden toe en op den 12enFebruari teekende Don Juan te Marche-en-Famenne de artikelen van het verdrag, dat men hetEeuwig Edictnoemde.Handteekening van Juliana van Nassau.Handteekening van den hertog van Anjou.Handteekening van Filips Willem, graaf van Buren.Handteekening van Matthias.Handteekening van Filips van Hohenlohe.De Prins ontving bericht van de Staten, dat zij zich verplicht zagen te teekenen, hetgeen ze den 17endeden, waarop het Eeuwig Edict te Brussel werd afgekondigd.Don Juan beloofde: handhaving van de Pacificatie; vertrek van de vreemde troepen over land, mits de Staten de 600,000 gulden, daarvoor noodzakelijk, leverden. Nooit mochten die troepen terugkomen, behalve in geval van een vreemden oorlog. Alle gevangenen zouden wederzijds worden losgelaten, behalve de graaf van Buren; deze alleen dan, als de Prins zich wilde onderwerpen aan de besluiten der Staten-Generaal. Alle privileges zouden worden erkend, maar de Staten moesten bij den Roomschen godsdienst en in ’s konings gehoorzaamheid blijven. Don Juan zou dan onmiddellijk landvoogd worden na het vertrek der Spanjaarden. Ook de Staten-Generaal werden dan bijeengeroepen.Ziedaar den korten inhoud van de voorwaarden van het Eeuwig Edict, zonder twijfel van de zijde des konings een groote tegemoetkoming, doch voor den Prins onvoldoende.Hoofdstuk XXIV.Oranje’s wantrouwen bevestigd. Gevolgen van Don Juans verraad. 1577.De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan; zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje’s oudsten zoon, den graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in strijd mochtenzijn met de privileges, rechten en vrijheden van het land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips’ kwade trouw, dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.Wat was Oranje’s voortdurend streven geweest? Hij was den strijd begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste, offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd, hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden.”Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd, want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En dan—had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd, om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht gevestigd. Op den 6enMaart zond hij Mansard naar Brussel, om o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende, want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te kunnen praten.Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was zeer op Oranje’s vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets zou uitloopen. “Dit is de stuurman” schreef Don Juan aan Filips, “die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in den grondboren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg geruimd zijn, als men hem winnen kon.”Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje zelf naar Duitschland zou gaan.Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje’s vijanden in onzen tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht; ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band, die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld, werd er op afgezonden en den 11enMaart door den Prins te Middelburg in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. ’t Klonk alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en Zeeland geëerbiedigd worden.“Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den Prins geliefd en vereerd,” schreef Don Juan in die dagen aan Filips, terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen, maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland en Zeeland vernemen.Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij Filips o. a. schreef: “Ik weet geen ander middel om den ondergang te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het volk heeft.”Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak; de landvoogd stortteechter uit eigen middelen 27000 kronen om het noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in statigen optocht naar de hoofdkerk.Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen eens, welke luidden:De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?Ick kerm, omdat in stee van d’R de T niet staat.Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd worden.Zij had op den 1enMei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg, dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden, edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden vergeleek met “een afzichtelijk babel” en een “hel,” terwijl hij de hem omringende personen voor “dronkaards, wijnzakken en schelmen” uitmaakte.Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig de Pacificatie, terugvorderde.Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te kennen, dat Maurits, ’s Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden, richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana, de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat terugzenden van Marie naar Holland:“Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten, indien ze moest vertrekken.Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar gehecht was.Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in haar gezelschap kan zijn.Dillenburg, in haast 26 Mei ’77.”Ook de moeder, hoewel zwak, had begin April nog aan haar zoon geschreven dat, al wenschte zij met al haar kracht herstel van vrede, dit geen vrede moest zijn, die de arme Christenen in kommer en zorg liet. Ja zelfs over Don Juan schreef ze hem deze woorden: “De Satan kleedt zich in een schapenvacht, maar zal weldra een verscheurende wolf zijn, waardoor de Christenen in groote droefheid zullen komen. In weerwil van het aangenaam voorkomen van den schoonen en minzamen Prins van Oostenrijk en zijn onbekrompen aanbiedingen, moet men den verleider schuwen en het oor voor hem sluiten.”Te midden van den overstelpenden arbeid van Oranje op politiek gebied, die wel in staat zou zijn geweest, hem zijn gemoedsrust te ontrooven, moet hetook een weldaad voor hem geweest zijn, zulke innig vriendelijke gedachten uit zijn geboorteplaats te vernemen. Het doet ons zelfs weldadig aan, op dat vriendelijk tafereel te staren, dat Graaf Jan hier aan zijn broeder beschrijft. Want hoe hoog ook onze eerbied steeds moge stijgen voor het reuzengenie van Oranje, hoe heerlijk ook voor onzen blik diens machtige geest zweeft boven de bruisende wateren van staatkundige plannen en doeleinden, hier, waar een beroep wordt gedaan op zijn kinderhart, om ter wille van zijn verzwakkende moeder zijn dochter nog te blijven afstaan, daar hooren we ook het hart kloppen van dien grooten geest en ook dit doet ons wonder goed; we komen voor een wijle zelf tot verademing, te midden van het vermoeiend verhaal zijner inspanning en werkzaamheid.Niettegenstaande de luisterrijke blijde inkomst van Don Juan in Brussel, gevoelde hij zich zelf toch alles behalve op zijn gemak. De brieven, die hij naar Spanje schreef, waren geheel in strijd met zijn vriendelijke houding, die hij tegenover de Nederlanders aannam. Nu moet erkend worden, dat zijn positie ook lang niet benijdenswaardig was. Naar het Noorden gekomen, in de hoop uitvoering te geven aan zijn ridderlijk plan, Maria Stuart te gaan verlossen, zag hij zich niet alleen in dien geheimen wensch geheel gedwarsboomd, maar hij kende ook de gezindheid van het volk tegenover hem en vreesde niet ten onrechte voor samenzweringen tegen zijn leven.Hij wist, hoe Oranje door de bevolking van Brussel vereerd werd en hij, die alleen op oorlogsroem hoopte, zag zich niet alleen van alle soldaten beroofd, maar was verplicht de landvoogd te zijn van een volk, dat hem eenvoudig de wetten stelde. Herhaalde aanzoeken aan Filips, om ontslagen te worden van de landvoogdij, met de opmerking, dat Margareta van Parma of een andere vrouw hier beter op hare plaats zou zijn, werden door den koning geweigerd of niet beantwoord. En nauwelijks was hij zoo plechtig ingehaald, of de Staten-Generaal kwamen met een zestal nieuwe eischen tot hem, die hij moest inwilligen, doch die hem hoe langer hoe meer de handen bonden. Toch bleef hij aanvankelijk inschikkelijk en toegeeflijk en begreep hij, allereerst met Oranje tot een schikking te moeten komen, wilde er iets goeds door hem worden gedaan.Wel was een zending van Leoninus in Maart naar Dordrecht, waar de Prins zich toen ophield, even vruchteloos afgeloopen als diens bezoek te Middelburg, maar de Staten-Generaal en Don Juan namen het besluit, nog een poging aan te wenden, om Oranje te winnen.In het midden van Mei gingen van de zijde van Don Juan de volgende commissarissen naar Geertruidenberg: Aerschot, Hierges, Willerval en Meetkercke, om met Leoninus en Gaspar Schets van Grobbendonck, die reeds vooruit waren gezonden, de Staten-Generaal te vertegenwoordigen. Van ’s Prinsen zijde waren er behalve Oranje zelf, Marnix, van Zuylen van Nijevelt, van der Myle, Coninck en Vosbergen. Het voornaamste punt der besprekingen was, of Oranje het Eeuwig Edict zou aannemen. De Prins beweerde echter, dat hij het onmogelijk kon teekenen, omdat het Edict zich grondde op de Unie van Brussel en deze Unie in strijd was met de bepalingen der Pacificatie.“Over welk punt,” vroeg Schets van Grobbendonck, “beklaagt gij u in het bijzonder en in welk opzicht is de Gentsche Pacificatie geschonden?”Op die vraag brak de Prins in een stroom van verwijten los. Hij wees op zijn zoon, die in den vreemde werd gevangen gehouden; op zijn Bredasche goederen, die men hem onthield; op de schending van oude rechten en handvesten; op de verfoeilijke plakkaten, die naar het heette geschorst, maar in werkelijkheid in volle kracht waren enz.“Gij verwijt mij wantrouwen!” riep Oranje uit, “maar zoolang de kasteelen van Antwerpen, Gent, Namen en zooveel anderen nog overeind staan, zijt gij het, die blijken geeft, hoe weinig vertrouwen gij hebt op eene duurzame en minnelijke schikking.”“En wat,” vroeg de afgevaardigde, “wat is het punt dat u het naast aan het hart ligt? Wat verlangt Uwe Excellentie het meest? Door welke middelen kan de regeering u volkomen genoegdoening geven?”“Ik wensch,” gaf Oranje eenvoudig ten antwoord, “dat de Gentsche Pacificatie in allen deele ten uitvoer wordt gebracht. Als gij het algemeen welzijn des lands op het oog hebt, dan is het goed en dank ik u. Zoo niet, dan is het vruchteloos eenig aanbod te doen, want ik bedoel ’s lands belang en niet het mijne.”Later zei de Prins, dat als de Staten-Generaal bijeengekomen zouden zijn, de tijd eerst was aangebroken om de artikelen voor te stellen, welke tot wederzijdsche zekerheid noodig waren.Ook vroeg men den Prins welke waarborgen hij gaf tot nakoming der Pacificatie.“Wij zijn niet verplicht die waarborgen te geven,” gaf hij ten antwoord. “De Pacificatie is zelf een waarborg, want ze is eene voorloopige schikking door beide partijen te onderhouden, totdat de vergadering der Staten zal beslist hebben.”En toen een der afgevaardigden het vermoeden uitsprak dat de Prins, na alles teruggekregen te hebben, den oorlog zou verklaren, gaf hij ten antwoord:“Den oorlog? Zijt ge daar bevreesd voor? Wij zijn maar een handvol volks, een worm, vergeleken bij den koning van Spanje. Bovendien zijt gij vijftien provinciën tegen twee, wat hebt ge dus te vreezen?”“Maar,” drong Schets aan, “belooft gij eerlijk, u aan alles te onderwerpen, wat de Staten-Generaal zullen verordenen, ook ten opzichte van den godsdienst?”“Dat kan ik niet beloven,” zei Oranje, “want gij hebt de Pacificatie reeds geschonden, door zonder onze toestemming met Don Juan eene overeenkomst aan te gaan en hem als landvoogd te erkennen.”“Gij zijt dus niet van zins, de beslissing der Staten aan te nemen?” hernam Schets.“Dat zeg ik niet; mogelijk wel, mogelijk niet; wij zijn niet meer in ons geheel,” antwoordde Oranje weer.“Maar wij willen u in uw geheel brengen,” zei Schets.“Dat kunt gij niet,” hernam de Prins, “want gij hebt de Pacificatie geheel verscheurd. Wij hebben daarom van de Staten niets anders te verwachten, dan kort en goed veroordeeld te worden.”Schets herhaalde nog eens de vraag, of de Prins niet voornemens was zich op het gebied van den godsdienst aan de Staten te onderwerpen en Oranje gaf het stellige antwoord:“Neen! Zeker niet. Om u de waarheid te zeggen, wij zien, dat uw doel is, ons uit te roeien en wij willen ons niet laten uitroeien.” En of Aerschot al suste: “Kom, kom! er is niemand, die dat wenscht,” de Prins bleef bij hetgeen hij gezegd had. We behoeven niet te zeggen, dat de conferentie waarvan een trouw verslag is bewaard gebleven, tot geen resultaten leidde. De Prins zou zich zelf niet geweest zijn, indien hij zich had laten overreden tot het teekenen van het Eeuwig Edict, dat zoovele nadeelige consequenties voor hem en voor Holland en Zeeland in zich bevatte.Merkwaardig is ook de brief, welke de Prins zelf in die dagen aan Don Juan schreef. Oranje dankt o. a. Don Juan, dat hij hem zoo humaan en zoo vol zorg den weg wil wijzen tot een rustig, zeker en eerlijk leven, maar hij voegt daaraan deze ironische woorden toe: “waarin voor u het hoogste geluk van dit sterfelijk leven schijnt te bestaan.”Waarschijnlijk had Don Juan hem wederom nieuwe beloften gedaan, voor den Prins persoonlijk voordeelig.Die woorden zijn op zich zelf genoeg, om alle verdachtmaking van den edelen Oranje, waarmee hij nog tot heden vervolgd wordt, te niet te doen. Geen rustig, gemakkelijk, weelderig leven begeerde de Prins ooit; zijn geluk hing van geheel andere dingen, dan van uiterlijke welvaart en rust af. Voor hem, die Oranje zulke aanbiedingen durfde doen, mocht wellicht “le comble du bonheur” daarin zijn gelegen, voor den Prins was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als een vader liefhadden. Hij heeft er nooit aan gedacht zijn lot van dat van Holland en Zeeland te scheiden—hij zou zich geen rust en geluk kunnen voorstellen zonder dat hij, in den heftigsten strijd desnoods voor de zijnen, den grond voor hun geluk en welvaart had gevonden.Was zijn geheele brief aan Don Juan een meesterstuk van wantrouwende en toch wellevende politiek, ook uit dat oogpunt is zijn schrijven aan Schets van Grobbendonck merkwaardig. Deze beschuldigt den Prins, dat hij zoo wantrouwend is, waarop Oranje antwoordt, dat evenals er tusschen ware vrienden een goed vertrouwen moet bestaan, er tusschen vijanden niets dan wantrouwen kan zijn. Wil men dat wegnemen, dan moet de vijandschap, de oorzaak van het wantrouwen, ophouden. Welnu, gaat de Prins voort, wij hebben een Pacificatie gemaakt niet minder plechtig als heilzaam voor geheel het land. En wat zien we nu? Gij lieden zijt van uw kant vol wantrouwen, want niet één punt ervan brengt ge in vervulling; ge schendt haar dagelijks en doet alsof zij nooit gemaakt, noch bezworen is.Men ziet, dat men elkaar van wantrouwen beschuldigde, doch als men geen bevooroordeelde meening omtrent den Zwijger is toegedaan, kan het niet anders dan duidelijk zijn, dat het wantrouwen van den Prins in Don Juan billijker grond had dan het wantrouwen van de Staten-Generaal in den Prins, met wien de Pacificatie was gesloten, in de zekere verwachting, dat al hare voorwaarden zouden worden opgevolgd.Waar aldus het wantrouwen van beide zijden bleef bestaan, was de kans op vernieuwing van den krijg zeer groot; beiden Don Juan en Oranje waren daar op bedacht. Deze had daartoe dringend hulp noodig, maar de vraag was waar die te vinden. Van Frankrijk was thans niets te verwachten, want de hertog van Anjou had zich in den aanvang van 1577 zelfs aan het hoofd der katholieken geplaatst en werd hun aanvoerder tegen de Hugenoten! Met Engeland was de verhouding echter beter; raadslieden in de omgeving van Elisabeth bepleitten hare tusschenkomst voor Oranje en deze kwam de vorstin tegemoet in geschillen over handelszaken.Oranje’s echtgenoote, Charlotte, had het leven aan eene tweede dochter geschonken, die de Prins den naam van Elisabeth gaf. Toen nu Sidney, op zijn terugreis uit Duitschland, waar hij namens de Engelsche koningin, den nieuwen Keizer Rudolf was gaan begroeten, door Nederland kwam, kreeg Sidney van Elisabeth in opdracht naar Oranje te gaan. Hij moest den Prins niet alleen gelukwenschen met de geboorte van zijne dochter, maar tevens als peet in naam van Elisabeth de doopplechtigheid bijwonen. De Prins, hiermee zeer vereerd, maakte van deze ongezochte gelegenheid gebruik om de zaak der Nederlanden bij de koningin aan te bevelen. Hij droeg Sidney op, de vorstin voor te stellen een geheim verbond met hem te sluiten. De havens van Holland en Zeeland en hunne vloot zouden in elken oorlog van Elisabeth met Frankrijk of Spanje, tot haar beschikking zijn; van haar kant zou ze jaarlijks geldelijke hulp geven, terwijl haar onderdanen alle verkeer met de Spanjaarden moest worden verboden en deze zich in Engelsche havens niet meer van benoodigdheden mochten voorzien. De Prins waarschuwde Elisabeth ook voor de plannen van Don Juan, welke zich mede tot Engeland uitstrekten.Tegelijkertijd deed Wilson, Elisabeths agent te Brussel, haar ook waarschuwen voor Don Juan op de hoede te zijn.In een schrijven van Wilson aan Walsingham geeft hij berichten over den gespannen toestand in de Nederlanden en daarin raadt hij ook onderhandelingen te beginnen. Daarna vertelt Wilson nog van de aanstaande komst van de Koningin van Navarre, Margareta van Valois te Spa en hij hecht aan dat bezoek groote politieke beteekenis, al gaat hij wat ver, het te vergelijken met de komst van haar moeder te Bayonne, kort voor den Bartholomeusnacht.Het zal later blijken, hoe goed Wilson op de hoogte was.Reeds aanstonds na den vruchteloozen afloop van de bijeenkomst te Geertruidenberg, schreef Don Juan aan den koning, dat volgens zijn zienswijze de bevrediging der Nederlanden niet tot stand zou komen, tenzij men weer den weg der zachtmoedigheid verliet en den oorlog hervatte. Zijn raad was dan ook, de Spaansche soldaten onmiddellijk weer terug te zenden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want die soldaten waren ondertusschen ver van het land verwijderd en Don Juan gevoelde zich in Brussel, zonder gewapende macht ter zijner beschikking, niet meer veilig. De volksbeweging voor den Prins nam in de hoofdstad toe, trots al de pogingen van Don Juan om populair te worden. Berichtenvan aanslagen tegen zijn leven, bereikten hem. De adel in het Zuiden bleef dubbelzinnig in zijn houding; zij behoorde meerendeels tot hen, die zooals de Prins van Oranje het uitdrukte, “tusschen twee wateren zochten te zwemmen.” Het Statenleger bleef nog bestaan en zijn gevoel van onmacht en wantrouwen was zoo beklemmend, dat hij den 11enJuni Brussel verliet en zich naar Mechelen verplaatste. Doch deze stad zou hem ook niet lang binnen hare muren zien. Hij had andere plannen. Magareta van Valois ging naar Spa, zoogenaamd voor haar gezondheid om er de baden te gebruiken, inderdaad met de bedoeling, daar aanhangers te werven voor een nieuw optreden van haar broeder, den hertog van Anjou. Deze vrouw daar te ontmoeten en een schitterende ontvangst te bereiden, werd het voorwendsel van Don Juan, ook Mechelen te verlaten en naar Namen te gaan, waar hij zich bij verrassing meester ging maken van het kasteel.’t Was wel een zeer eigenaardige ontmoeting tusschen de geslepen Magareta van Valois en Don Juan. Deze was meer dan ooit door de St Bartholomeus-bruid bekoord, maar hij besefte volstrekt niet, dat haar ware doel niet haar gezondheid betrof, maar wel de ondergeschikten van Don Juan om te koopen en zijn gezag te ondermijnen. En Don Juan zelf? Zijn hoofdbedoeling was niet de koningin het hof te maken, neen, haar tegenwoordigheid moest juist dienen om zijn werkelijke plannen te bedekken.Toen Magareta in de richting van Luik verder was gereisd, bracht Don Juan zijn plannen ten uitvoer.Op den 24enJuli ging hij op de jacht en begeleid door Barlaimont en zijn vier zonen, overrompelde hij den kasteelbewaarder Froymont, wierp hem met zijn soldaten de poort uit en vestigde er zich met de zijnen. Hij verklaarde toen, dat dit de eerste dag was van zijn regeering, dat hij tot dien tijd toe niets had gehad dan een ijdelen titel en dat hij genoodzaakt was voor zijn eigen veiligheid dien maatregel te nemen. Hij zond aan de Staten en stadhouders bericht, dat hij alle artikelen van de Pacificatie wilde uitvoeren, maar voor zich zelf eischte: een lijfwacht, den eed van gehoorzaamheid van de stadhouders en het krijgsvolk aan hem en niet aan den Staten-Generaal; verwijdering van alle verdachte personen als Marnix e.a. en krijg tegen den Prins, zoo deze weigerde te onderhandelen. Het moest volgens Don Juan worden: voor of tegen Oranje. Tegelijkertijd trachtte hij meester te worden van de citadel te Antwerpen, doch die poging mislukte en ook met andere vestingen, die hij wilde veroveren, gelukte hem dit niet beter.Don Juans daad, hoe roekeloos ook, was niet onbegrijpelijk. Eer verwondert het ons, dat deze trotsche ridder, die met zulke hooggespannen verwachtingen naar het Noorden kwam, zich nog maanden lang al de vernederingen heeft laten welgevallen, en tot zulk een daad niet eerder de toevlucht nam. Doch hoe begrijpelijk ook, de daad zelf bevestigde volkomen het wantrouwen van den Prins; zij rechtvaardigde in de oogen van het gansche land den argwaan van Oranje. Al had hij zelf ook mede het wantrouwen gevoed, van het oogenblik af, dat Don Juan zich in zijn ware natuur deed kennen, rees zijn grootste tegenstander steeds meer in de schatting van het geheele volk. Don Juans aanslag op Namen werd de aanleiding tot de verheffing van den Prins.Eenige dagen voor de verrassing van Namen, was Marnix namens den Prins belast geweest, aan de Staten mededeeling te doen van zekere in Frankrijk onderschepte brieven, waaruit de booze voornemens van Don Juan ontmaskerd werden. “Alleen te vuur en te zwaard,” had hij den koning geschreven, konden de zaken hersteld worden, daar zachte geneesmiddelen niet hadden gebaat. Het land werd met slavernij en algemeenen ondergang bedreigd.De Staten waren dus voldoende gewaarschuwd en de overrompeling van Namen konden zij als het begin van de uitvoering zijner plannen beschouwen. Bovendien, wat beteekende zijne verzekering, dat hij zich aan de Pacificatie zou houden, indien toch de vrede niet werd bewaard en Oranje moest worden bestreden. Juist de vrede was het hoofddoel van het verdrag te Gent, waarnaar het zuiden niet minder verlangde dan het Noorden. Geen wonder dan ook dat de Staten-Generaal zich na den aanslag van Don Juan aanstonds met den Prins in betrekking stelden. Deze had den 2enAugustus aan de Staten geschreven om zich tegen den laster van den landvoogd te verdedigen, maar hem tevens te doen voelen, dat de manier, waarop de citadel te Namen was genomen, een duidelijke inbreuk was op den vrede, zoodat zij niets meer aan hun landvoogd verplicht waren.Don Juan zat, nu hij eenmaal het masker had afgeworpen, ook niet stil. Aerschot, de man, die door geen der partijen vertrouwd werd, ontnam hij het bevel over Antwerpen en droeg dit aan Treslong op, een onvoorwaardelijk royalist. Verder trachtte hij Duitsche huurtroepen naar Antwerpen te zenden, hetgeen echter mislukte, daar de stad ze weigerde binnen te laten. Treslong kon het niet lang op de citadel uithouden en daar vond men de geheime correspondentie van den landvoogd, die devalschheidvan al zijn verklaringen aan de Staten openbaarde. De stad bleef echter bang voor de Duitsche huurtroepen binnen zijn wallen.Toen echter Admiraal Haultain, een van ’s Prinsen commandanten, de Schelde kwam opvaren, vluchtten de troepen, van schrik bevangen, de stad uit naar Bergen op Zoom, waar ze de wapenen neerlegden en naar Breda, waar ze het nog twee maanden uithielden. Hun kapitein Fronsberg zond aan Don Juan een bode om instructies en deze beloofde binnen 6 weken hulp. Dit antwoord viel echter in handen van den Prins. Door middel van een verdichten brief, waarin Don Juan meldde, dat hij geen hulp kon geven, stond het garnizoen tegen zijn leider op en gaf hem met de geheele stad en met al hun wapenen aan de Staten over; Breda opende de poorten voor de troepen van den Prins onder Hohenlohe. Hetzij het werkelijk door middel van deze krijgslist geschiedde, hetzij op andere wijze, ’t voornaamste was dat op den 4enOctober 1577 de Duitsche voetknechten aftrokken en Hohenlohe nog denzelfden dag, onder uitbundig vreugdebetoon, de stad binnentrok. Van April 1567 af was de stad in handen der Spanjaarden geweest; nu, ruim tien jaar later was de Prins vrij in zijn eigen stad terug te keeren.Niet alleen in Breda, maar in verscheidene andere plaatsen van het Noorden geraakte de bevolking in beweging ten gevolge van den aanslag op Namen. Men riep van alle zijden om den Prins. Op het oogenblik van den aanslag hield hij zich in Noord-Holland op, waar het herstel der dijken zijn tegenwoordigheid had vereischt. Overal werd hij met luide kreten van toejuiching begroet. “Vader Willemis gekomen,” riep het volk elkander blijde tegen en waar hij werd ingeroepen, daar oordeelde hij het ook het best, heen te gaan.Onder de gouvernementen van den Prins, die groote behoefte aan zijn persoonlijk optreden toonden, behoorde in de eerste plaats Utrecht. Daar was sedert Februari 1577, toen de Spaansche bezetting het kasteel had verlaten, nog steeds de vraag onopgelost gebleven, wie er het stadhouderschap zou bekleeden. De meerderheid der bevolking stond den Prins voor, maar er was ook een candidaat, die vooral door de geestelijkheid gewenscht werd. Het gelukte ten slotte, de Staten van Utrecht te bewegen, dat ze zich onder het bestuur van Oranje zouden stellen. Toch bleven de onderhandelingen over de satisfactie nog voortduren. Onderwijl werd het Utrechtsche kasteel onder het gejuich en de medewerking der bevolking geslecht. Na den aanslag van Don Juan echter werd de volksbeweging in de stad voor den Prins zoo sterk, dat de hoplieden en de burgers van de Staten eischten, den Prins als stadhouder te ontvangen.Op den 18enAugustus kwam Oranje een feestelijk bezoek aan de stad brengen. Er scheen reden te bestaan, hem een lijfwacht voor zijn persoonlijke veiligheid aan te bieden, daar er vele Spaanschgezinden in de stad waren. Doch de Prins toonde, gedragen door de welkomstgroeten der bevolking geenerlei vrees; hij weigerde die lijfwacht en reed aan de zijde van Charlotte de stad door te midden der juichkreten.Een paar treffende voorvallen deden zich op dien tocht door Utrecht voor. Eerst werd de Prins plotseling door een hard voorwerp getroffen. Charlotte, meenende, dat er een schot op haar geliefden echtgenoot was gelost, riep in haar doodsangst: “Wij zijn verraden.” Oranje ontdekte spoedig, dat het niets dan een prop was uit een der kanonnen, die hem begroetten. “Het is heelemaal niets,” met die woorden kalmeerde hij de Prinses en het opgewonden volk en verzekerde hen, dat hij geheel ongedeerd was.En dat was niet het eenig ongeval, dat er plaats had; een van ernstiger aard zou nog volgen. Men verdrong zich overal aan de vensters, om den Prins in ’t voorbijgaan te zien; een jong meisje, 9 jaar oud, het dochtertje van een apotheker, leunde voorover en werd op den grond geworpen, vlak voor de paarden, die het rijtuig van den Prins trokken. Het was te laat, om ze tegen te houden. Het arme kind kwam onder de hoeven der paarden terecht en stierf bijna onmiddellijk. Oranje sprong uit de koets, nam zelf het verbrijzelde lichaampje op, droeg het bij de troostelooze ouders binnen en sprak hun eenige woorden van deelneming toe. Indien die twee voorvallen werkelijk gebeurd zijn (en er is geen reden om dat te betwijfelen), dan oefenden ze waarschijnlijk meer invloed uit om aanhangers van Oranje te winnen, dan folio’s argumenten zouden hebben kunnen doen.Feitelijk als stadhouder erkend en gehuldigd, duurde het echter nog tot October, eer de Staten-Generaal en de Raad van State daarin toestemden. Men vreesde maar al te zeer voor de toeneming van Oranje’s macht.In het Zuiden ontstond in verschillende plaatsen eveneens groote beweging; vooral in Gent, Antwerpen en Brussel. In de laatste stad vertoefde Marnix, die met Théron en Heze niets verzuimde, om het volk aan te sporen, den Prins vanOranje te doen roepen. Deze bleef voorloopig in Holland en schreef o. a. in Augustus een eigenhandigen brief aan Marnix, waarin hij hem dankt voor al zijn goede diensten aan de publieke zaak bewezen en vooral voor zijn pogingen, om de Staten te overtuigen, dat de Prins in al zijn daden door zijn ijver voor het algemeen welzijn beheerscht was.Hij geeft verder zijn vreugde te kennen over het afbreken van de citadel te Antwerpen en hoopt dat men daarmee door zal gaan. Aan het slot van zijn schrijven geeft hij te kennen, dat het goed zal zijn Don Juan van alle proviandeering, inzonderheid van koren af te sluiten, want, zegt de Prins: “Laat men bedenken, dat elke dag een maand is; ik zie overal de bewijzen, dat Don Juan al zijn krachten vergaderen wil en dat hij een tweede waagstuk gaat ondernemen, gelijk gij lezen kunt uit nevensgaanden brief van Mad. de Bailleu.”Inderdaad, Oranje gaf nauwkeurig acht op den tijd en wachtte den loop der dingen af, zonder dien naar zijn wensch te willen dwingen; hij bleef rustig in Holland. Had hij voor den aanslag op Namen alles gedaan, wat hij kon, om het wantrouwen tegen Don Juan op te wekken, nu dit door de feiten zelf was bevestigd, kon hij gerust den loop der zaken, zonder zich op den voorgrond te plaatsen, afwachten. Hij wilde zich voor geen prijs ter wereld aan het Zuiden opdringen; zelf zouden ze tot hem in nood de toevlucht moeten nemen. Hij begreep zeer goed, dat Don Juan zijn eigen graf had gedolven; de ontdekking van zijn brieven in de citadel van Antwerpen had zelfs de harten van hen, die hem zoogenaamd ondersteunden, verkoeld, terwijl de drukke correspondentie tusschen hem en de Staten niet in staat was, hem het vroegere vertrouwen terug te geven. Van de citadel te Namen uit drong hij o. a. met kracht aan op zijn recht, om de afgevaardigden van de Staten-Generaal te kiezen. Zijn bedoeling was, mannen als Marnix te weren. De Staten antwoordden, dat zoo iets door geen van zijn voorgangers ooit was gevraagd. Don Juan zag zich dan ook spoedig genoodzaakt, zijn toon te matigen. Het geheele land stond tegenover hem en de troepen, die hij terug ontboden had, waren nog niet eens op den terugweg. Filips zelf keurde eerst zijn handelingen ten sterkste af en verbood in den beginne, dat de troepen zouden teruggaan. Tegenover zulk een wanhopigen landvoogd moest wel van dag tot dag de invloed van Oranje rijzen. Dat beseften de Staten-Generaal ook wel en toch trachtten zij zich nog eerst aan die noodzakelijkheid te onttrekken. Ze zochten tijd te winnen en vleiden zich nog een poos, steun van den Prins te zullen ontvangen, zonder hem het bestuur over hunne zaken te geven. Doch die berekeningen, waarbij zeer vele persoonlijke consideraties in het spel waren, vielen eindelijk in duigen.De Prins nam, gelijk wij zeiden, een afwachtende houding aan. Toch lag het in den aard der zaak, dat hij door middel van Marnix, zijn vertegenwoordiger, met de Staten-Generaal te Brussel in contact bleef. Hij liet in dezelfde maand Augustus door zijn vertrouwden vriend en vertegenwoordiger verschillende punten in zijn naam aan de Staten-Generaal voorstellen. Nu Don Juan zich niet meer zou kunnen rechtvaardigen en evenmin zijn zaak goed maken, al zou hij dat ook beproeven, raadde de Prins den Staten-Generaal, brieven te zenden naar den Duitschen keizer en verschillende prinsen en graven van het rijk, om hen van alles opde hoogte te brengen en hen van de billijkheid hunner zaak te overtuigen. Oranje verwachtte goede uitwerking hiervan en meende, dat de vorsten bereid zouden zijn, hulp en ondersteuning te schenken.Ook wekt hij de Staten op, het wantrouwen in den Prins te laten varen, niet te denken, dat hij verandering in den godsdienst zou willen maken en toch vooral te gelooven, dat de Prins alleen het gemeenschappelijk heil op het oog heeft, n.l. den vijand te keer te gaan. En Oranje waarschuwt voor Amsterdam, dat hem nog altijd niet wil erkennen, neen integendeel met Don Juan heult. Over Amsterdam sprekende, zegt hij hard, maar niet onverdiend: “als zij konden zwemmen en het volk verdronk, ze zouden het rustig aanzien.”Ondertusschen begaf de Prins zich met het oog op de dingen, die komen konden en die hij wel voorzag, dat ook gebeuren zouden, naar Geertruidenberg, teneinde des te eerder bij de hand te zijn, als zijn hulp werd ingeroepen. Aan Courteville, die van wege de Staten tot hem kwam, gaf hij te kennen, dat alleen oorlog tegen den vreemdeling en eendrachtig handelen, het geneesmiddel tot behoud is. Verder geeft hij den Staten tal van dingen in overweging, welke naar zijn meening moeten geschieden, o.a. teruggave van vele steden als Breda, den Bosch, Roermond, Kampen, Deventer enz; een gezantschap naar Elisabeth; heffing van geld, lichting van troepen enz.De Staten dankten hem voor zijn raad en deelden hun vreugde mede, dat hij te Geertruidenberg was gekomen, teneinde bij de hand te zijn, als de verdediging van de gemeenschappelijke zaak noodig was.De hoop op hulp van Elisabeth scheen thans gegrond. Zij zelf scheen, na het verraad van Don Juan, bang voor zijn plannen en zond in plaats van Wilson, William Davison, den beslisten tegenstander van Spanje, als gezant naar Brussel. Hij kreeg last om in het openbaar de verzekering te geven van Elisabeths geneigdheid tot bemiddeling, doch onder de hand bij de “goede patriotten” het wantrouwen tegen Don Juan aan te blazen en de inroeping van Oranje te bevorderen. Het duurde nog tot het begin van 1578, eer Engeland werkelijk hulp zond.Nog altijd was er in de Staten-Generaal een minderheid, die meer met vrees, dan met hoop de overkomst van Oranje tegemoet zag. Zij had gestemd tegen de slooping van de citadel te Antwerpen en het kasteel van Gent en zij hoopte steeds den oorlog te vermijden en met Don Juan als beschermer van het katholieke geloof en den wettigen landvoogd, vrede te kunnen sluiten. In de eerste dagen van September kwamen er allerlei onrustbarende tijdingen in Brussel over Don Juans toerustingen en de hulp, die hij van den hertog van Guise te wachten had.De burgerij kwam daardoor in heftige beroering en met meer aandrang dan vroeger, riep deze nu om Oranje. De Prins werd als de eenige beschouwd, die getoond had de Spanjaarden het hoofd te kunnen bieden. Verschil in godsdienst mocht die komst niet beletten, want voor ’t grootste gedeelte waren de Brusselsche burgers katholiek. De geheele stad telde niet meer dan 800 Calvinisten. Maar hetzij dan Calvinistisch of Katholiek, de Prins van Oranje alleen was in staat de orde te herstellen en den Spanjaard te keer te gaan.Onder dien aandrang van het volk, viel op den 6enSeptember het besluit der Staten-Generaal om den Prins in te roepen. Een commissie werd aangewezen, hem persoonlijk dit verzoek over te brengen. Onnoodig is het te zeggen dat die commissie een willig oor vond bij Oranje; hij gaf haar de verzekering, alles in het werk te zullen stellen, om, zelfs met opoffering van bloed en leven, het vaderland te behouden.In het adres van de commissie was tevens gevraagd, of de Prins de uitoefening van den katholieken godsdienst ook in Holland en Zeeland zou toestaan, maar daarop gaf hij ten antwoord, dat dit niet in de Pacificatie stond, maar door hem in overleg met de Staten zou worden overdacht. Zijn plichten tegenover Holland en Zeeland noodzaakten hem niets te doen, zonder toestemming van de Staten. Hij beloofde plechtig, dat door hem noch door Holland en Zeeland eenige aanval op den katholieken godsdienst in andere gewesten zou gedaan worden.Wel zag men Oranje in Holland en Zeeland, waar hij nu vijf jaren achtereen had gewoond en gewerkt, waar zijn populariteit met den dag was gestegen en waar men hem als den vader des vaderlands beschouwde, slechts noode vertrekken. Bekommering en angst maken zich meester niet alleen van zijne edele vrouw Charlotte van Bourbon, maar ook van tallooze regenten en mannen uit het volk, bij de gedachte, dat hun leider hen ging verlaten. Doch de Prins mocht niet anders handelen, dat begrepen ze ook zelve wel. De Staten in Gouda verzameld, gaven hun goedkeuring; eerstdaags verwachtten ze Graaf Jan van Nassau, ’s Prinsen broeder, uit Dillenburg, die hem tijdelijk zou vervangen. Den 18enSeptember ging Oranje naar Antwerpen.Nog werd er een laatste poging aangewend door de minderheid der Staten-Generaal, om de komst van Oranje in Brussel tegen te houden. Gaspar Schets en de bisschop van Brugge waren de overbrengers van een ultimatum aan den landvoogd, waardoor men meende, den oorlog nog te kunnen vermijden. Van Don Juan werd geëischt: ontruiming van Namen, ontbinding van het leger, dat hij bezig was te verzamelen; zijn vertrek naar Luxemburg, totdat de koning een anderen landvoogd benoemd had, of overdracht der regeering aan den Raad van State. Wanhopig over het stilzwijgen van Filips II, stemde Don Juan in al de vernederende voorwaarden toe. De gezanten kwamen uit Namen terug en op 23 September keurde een onvoltallige vergadering dit verdrag, aan Don Juan afgeperst, goed.Doch op dienzelfden 23enSeptember verscheen de Prins in Brussel. Een commissie uit de Staten-Generaal was hem in Antwerpen komen begroeten en had hem sterk aangeraden, zijn reis naar de hoofdstad voort te zetten. Het gaan daarheen was een ware triomftocht.In drie barges werd Oranje en zijn gevolg langs het kanaal van Antwerpen naar Brussel gebracht. Driehonderd gewapende Antwerpenaren begeleidden den stoet. De gewapende burgerij, 26 vendels, 4000 man sterk, wachtte hem op aan de poorten der stad. Aan de landingsplaats werd hij verwelkomd door Aerschot en tal van edelen, waarna de optocht aanving door de rijk versierde stad. De tien-jarige oorlog had den Vlamingen den lust in zinnebeelden en allegorieën bij zulk een feest niet benomen. De straten waren met groen versierd en met tapijten bedekt.Eerebogen en allerlei versieringen vertolkten de vreugde der bevolking; de eerewijn werd “den hersteller en verdediger der vrijheid van het vaderland” aangeboden en daarop werd hij geleid naar zijn eigen paleis, naar het paleis zijner vaderen, dat thans hersteld was, om den balling zoo eervol mogelijk te ontvangen.Hoe moet het hart van den Prins op dien dag geklopt hebben, toen hij Brussel na tien-jarige afwezigheid weerom zag en daar ontvangen werd als een souverein. Wat was er in dien tijd niet over zijn hoofd en hart heengegaan. Toen vluchtende voor de naderende komst van Alva en thans ingehaald en verwelkomd als de redder des lands. Wat hij in die dagen had gewenscht en hem bij de Pacificatie van Gent was toegezegd, scheen thans bereikt:de Nederlanden tegen Spanje en zijn landvoogd vereenigd.Had hij Brussel moeten vaarwel zeggen in 1567, te recht bevreesd voor de wraak van een landvoogd, nu was er een andere landvoogd die wel eenige maanden geleden ook in Brussel was ingehaald, maar die thans als het ware gevlucht was voor hem of liever voor den vrijheidsgeest, die het geheele volk bezielde.Thans waren al de teleurstellingen vergeten, die hem in de jaren van het Zuiden ten deel waren gevallen; ook die gesloten poorten der steden, die hem noch in 1568, noch in 1572 wilden ontvangen. Eindelijk was het volk aan zich zelf teruggegeven; zijn oogen waren opengegaan voor de redding, die hij kon aanbrengen.O glorievolle dag, die 23eSeptember 1577, toen de ketter en de rebel, toen de balling en de door de wet veroordeelde en verdrevene als redder des lands werd ingehaald, op grond van zijn grooten en welverdienden naam, dien hij zich in het Noorden van het land had verworven.De vader des vaderlands scheen zijn ideaal: het vereenigd Noord en Zuid, te hebben verwezenlijkt.Zou de eerste nacht, nadat Aerschot met hem den avondmaaltijd gebruikt had in het oude paleis der Nassau’s, zonder eenigen angstigen droom zijn voorbijgegaan? Wij weten het niet, maar de volgende hoofdstukken zullen ons bewijzen, dat er althans reden genoeg voor hem bestond een onrustigen nacht door te maken.

Hoofdstuk XXIII.Don Juan van Oostenrijk en de Prins van Oranje. Het Eeuwig Edict. 1576–1577.Reeds in de lente van 1576 had koning Filips zijn half-broeder Don Juan van Oostenrijk tot opvolger van Requesens benoemd. Deze jongste zoon van Karel V was in 1545 te Regensburg geboren; zijn moeder was een zekere Barbara Blomberg, waschvrouw van beroep. In zijn jeugd was hij naar Spanje gezonden en met groote zorg opgevoed door Louis Quixada, een lid der keizerlijke hofhouding. Eerst toen de keizer was overleden, werd hij door Filips als zijn broeder erkend en werd zijn opvoeding, te gelijk met die van zijn neven Alexander Farnese en Don Carlos, voltooid. Uiterlijk geleek hij op niemand van de familie van zijn keizerlijken vader, want hij was een der knapste jongelieden uit Europa. “Rijzig van gestalte, innemend van uiterlijk, dapper en hoffelijk, vroom katholiek en man van de wereld tevens, herinnerde hij, veel meer dan zijn koninklijke broeder, aan zijn roemruchtigen vader, hoewel hij, driftig, ja opvliegend als hij was, zijns vaders staatsmanstalenten ten eenenmale miste.”Filips had hem voor de kerk bestemd, maar dit vooruitzicht strookte niet met zijn moedigen, avontuurlijken geest. Het gelukte hem werkelijk den wil van zijn koninklijken broeder te braveeren en zijn eigen wenschen te volgen. Waarschijnlijk hielp de buitengewone persoonlijke betoovering, die van Don Juan tegenover jong en oud uitging, hem, om den koning voor zijn plannen te winnen en Filips stond hem toe, in plaats van een monnikskap een helm te dragen; hij droeg hem zelfs het commando op van een expeditie tegen de Mooren in Granada toen hij pas 23 jaar oud was. Schitterend succes bekroonde deze eerste onderneming, hoewel ongelukkig de overwinning door vreeselijke wreedheid bezoedeld werd.Omstreeks dienzelfden tijd vielen de Turken aan op Venetië en bedreigden de veiligheid van geheel Italië. Toen werd Don Juan opgedragen hen te bestrijden en won hij, meer door geluk dan door wijsheid, een zeeslag in de baai van Lepanto.Europa was in dien tijd in voortdurende onrust, dat het Turksche rijk werd uitgebreid en dus werd overal de tijding van die overwinning met buitengewone vreugde begroet. Het feit, dat er bijna evenveel Christenen als Mohammedanen waren gesneuveld, bracht men niet in rekening; het werd als een beroemde overwinning beschouwd en men prees den jongen held uitbundig om zijn succes.Die aanbidding van zijn beschermeling behaagde Filips niet bijzonder; hij riep zijn broeder spoedig van het oorlogstooneel terug, vreezende dat de lauweren, die hij behaalde, meer roem zouden geven aan den jongsten zoon van Karel V dan de gouden kroon aan zijn oudsten.Ondertusschen waren Don Juans zucht naar krijgsroem en zijn ridderlijke eigenschappen in den strijd tegen de Turken nog aangewakkerd. Terwijl zijn broeder de koning, afkeerig van persoonlijke deelneming aan den krijg, zich in zijne paleizen opsloot, om van daar (zooals hij meende) het lot der volken te beheerschen—dacht Don Juan, dat hij evenals zijn vader tot een groote rol in de wereldgeschiedenis bestemd was en de katholieke kerk door middel van het zwaard tegen Turken en ketters moest verdedigen. Daarbij speelde het romantisch denkbeeld door zijn brein om de ongelukkige Maria Stuart uit de gevangenis te verlossen, haar te huwen, en in plaats van Elisabeth tot koningin van Engeland te verheffen.Inderdaad was dat romantisch denkbeeld een jongen held dier dagen ten volle waard. Sedert 1568 was de weduwe van den Franschen Koning Frans II ([+] 1560) na tallooze pogingen om den haar rechtmatig toekomenden Schotschen troon te behouden, in de macht van haar groote vijandin gekomen. Omringd door verraad in haar eigen land, had zij zich na de nederlaag bij Langside, in de macht van Elisabeth gegeven en was ze sedert van de eene gevangenis naar de andere gesleept, tot ze eindelijk, gelijk ieder weet, te Fotheringay onthoofd werd. Acht jaren lang had de ongelukkige, onttroonde vorstin reeds in haar gevangenis gezucht, toen Don Juan van Oostenrijk zijn droombeeld, om haar te verlossen, koesterde.In den herfst van 1576 was hij in Italië; daar ontving hij na den dood van Requesens zijn aanstelling tot landvoogd van de Nederlanden en zijn meening was, dat die Nederlandsche roeping een eerste stap zou zijn, om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Niet wetende, dat er zulk een haast was, naar de ontvoogde Nederlanden te gaan en door zijn vertraging aan de Nederlanden alle mogelijke speelruimte gevende, hun eigen zaken zonder landvoogd en buiten Filips om, ter hand te nemen, ging Don Juan eerst uit Italië naar Spanje terug, om daar, in overleg met zijne vertrouwden, den grondslag van zijn staatkunde te leggen, die hij meende te zullen volgen. Daar hij op zijn reis door Frankrijk bevreesd was voor mogelijke aanranding door vrienden van de Nederlanders, vermomde hij zich op zijn tocht door dat land als Moor en zijn geheele escorte bestond uit zijn vriend Ottavio Gonzaga, zes krijgslieden en een koerier. Hij zelf moest doorgaan voor den knecht van Gonzaga. Het gezelschap hield een nacht in Parijs stil, waar Don Juan een samenkomst had met Guise, den oom van Maria Stuart, met wien hij zijn verlossings- en huwelijksplan besprak.Wij kunnen ons levendig voorstellen, hoe bitter teleurgesteld de jonge held was, toen hij op den 3enNovember in Luxemburg aankwam en vernam, hoe de zaken in de Nederlanden op dat oogenblik stonden. Bij zijn groote plannen met Engeland, had hij zijne landvoogdij over de Nederlanden als de gemakkelijke brug beschouwd, tot bereiking van zijn doel aan gindsche zijde van het Kanaal en nu moest hij vernemen, hoe hem zelfs niet eens de toegang tot de Nederlanden werd vergund, alvorens hij de Pacificatie van Gent met zijn handteekening had bekrachtigd.Wij vermeldden vroeger, hoe die Pacificatie reeds den 28enOctober tot stand was gekomen, en onder den indruk der Spaansche Furie, den 8enNovember door de Staten-Generaal werd geteekend. Ook Don Juans komst op den 3endier maand verhaastte nog die teekening. In plaats dus, van onmiddellijk als landvoogd te worden verwelkomd en de eeden af te vorderen van de Nederlanden, moest hij eerst trouw zweren aan die Pacificatie en zag hij zich zelfs den toegang tot de hoofdstad gesloten. Die Pacificatie was hem eerst een groote ergernis; hij zag er een verbond in, even tegenstrijdig met den dienst van God als met de gehoorzaamheid, aan den koning verschuldigd. Roda maande hem, zich aanstonds aan het hoofd der in de Nederlanden aanwezige Spaansche troepen te stellen, die volgens zijne berekening nog wel uit 10.000 man bestonden. Doch aan dien raad wilde hij ook geen gevolg geven; hij was gekomen als bemiddelaar en buitendien zou het met geweld optreden in Nederland aanstonds al zijn plannen tegenover Engeland in duigen geworpen hebben. De Staten-Generaal waren ook wel in twee partijen verdeeld, waarvan de eene meer de politiek van Oranje aanhing, de andere getrouw aan den koning wilde blijven—maar op het punt van de Pacificatie en de verwijdering der Spaansche troepen waren zij het toch volkomen eens.De eerstgenoemde partij, die Oranje aanhing, deed alle mogelijke moeite om den Prins zelf naar Brussel te troonen; maar zoolang de volledige Staten-Generaal hem dit niet verzochten, was Oranje onwillig, dat te doen. Volgens hem moesten er gansch andere maatregelen met Don Juan genomen worden. Den 9enNovember zond hij namelijk uit Middelburg een advies aan de Staten-Generaal, met begeleidend schrijven aan den hertog van Aerschot, die door den Prins slechts half vertrouwd werd.In dit schrijven aan Aerschot meldt Oranje hem, dat de komst van Don Juan van Oostenrijk veel kwaad aan het land kan brengen, indien men door eigen schuld hem daartoe de middelen verschaft, maar daarom moet men door groote voorzichtigheid zijn plannen voorkomen. De Prins is dan ook zoo vrij een advies aan de Staten-Generaal te zenden en om de vergadering des te beter te kunnen inlichten, zendt hij een afschrift van het advies aan Don Juan, vóór de samenkomst wordt gehouden.In dat schrijven aan de Staten-Generaal wijst Oranje op het kleine gezelschap, dat den landvoogd vergezelt en hij maakt eruit op, dat de koning en zijn raad er geheel aan wanhopen, door middel van geweld, de orde in het land te herstellen. Maar, waarschuwt de Prins, men wil ons te kennen geven, dat we op zeer zachte en menschelijke wijze zullen behandeld worden, doch op een goed gekozen oogenblik zal worden uitgevoerd, hetgeen in de geheime particuliereinstructies is geschreven. Op grond hiervan raadt de Prins ten sterkste aan, Don Juan in verzekerde bewaring te nemen en zich meester te maken van zijn persoon, want alleen in dat geval, zegt hij, zal er zonder verdere bloedstorting met Gods hulp een eind aan den oorlog komen.De meerderheid van de Staten-Generaal was met Aerschot bevreesd voor te grooten invloed van Oranje en ze besloten het advies niet te volgen, doch met Don Juan in overleg te treden.Daarover niet uit het veld geslagen, legde de Prins nogmaals in een zeer uitvoerig advies, den nadruk op de dreigende gevaren. Het doet hem leed, dat er velen zoo goed van vertrouwen zijn en hij tracht de Staten-Generaal te bezielen met hetzelfde wantrouwen, dat hem vervult.“De toorn van koningen is onsterfelijk,” schrijft Oranje. “Wat Don Juan ook moge beloven, het is alles misleiding en bedrog, het is verraderlijke toegevendheid door den nood afgeperst, die ten doel heeft, ons in slaap te wiegen, onze kracht te breken en ons daarna met schending van alle trouw tot nog harder slavernij te dwingen....”Verder eischt de Prins waarborgen tegen willekeur, verwijdering van alle troepen en het opnieuw bezweren van de gewestelijke privileges. Wil men Don Juan erkennen en tevens veilig zijn tegen de wraak van Filips, dan moet de macht van den landvoogd beperkt wezen. “Verklaar hem,” zegt Oranje, “dat ge zult voortgaan met u te versterken en dat gij het voetvolk en de ruiters, waarover gij te gebieden hebt, niet eer zult wegzenden;want het ware hem het mes in de hand geven, waarmede hij u den hals zou afsnijden.”Zeker, zijn adviezen aan de Staten-Generaal lieten aan kracht en overtuiging niet te wenschen over, maar het was voor doovemans ooren gepraat; men luisterde niet naar zijn raad.Later zou het zonneklaar blijken, dat Oranje volkomen gelijk had met zijn waarschuwingen tegen Don Juan.Ondertusschen bleef de Prins, steeds vanuit Middelburg, ijverig in de weer het zuiden voor te lichten en de Pacificatie van Gent tot een feit te maken. De briefwisseling in die dagen was grooter dan ooit en niet alleen met het Zuiden, maar ook met die Noordelijke gewesten, welke nog niet waren aangesloten, terwijl in Friesland door zijn invloed de Spaanschgezinde Robles door George Lalaing, den graaf van Rennenberg, als stadhouder werd vervangen. Ook met Anjou bleef hij steeds in betrekking.Al volgde men zijn advies ten opzichte van Don Juan niet, van alle kanten trachtte men hem te overreden, persoonlijk naar Brussel te komen, maar hij achtte den tijd nog niet daar. Hoe hoog zijn populariteit ook in Brussel was gestegen, hoe men daar ook zijn hoop alleen op hem bouwde; hij begreep terecht, dat, zoolang er met Don Juan onderhandeld werd, zijn persoon niet anders dan nadeelig kon werken. Hij zag n.l. wel in, dat zijn eigenlijke bedoeling, vrijheid van godsdienst, nimmer door den nieuwen landvoogd zou worden toegestaan.In dien geest schreef hij ook aan St. Aldegonde, die zich te Brussel bevond maar, zoo meldde hij zijn vriend, al meen ik niet te moeten komen, ge kunt ervan verzekerd zijn, dat ik niet zal ophouden dag en nacht in het ware belang van het land te werken.Oranje wantrouwt nog den toestand en vreest, dat de andere Staten zich van die van Brabant zullen afzonderen, indien hij ontijdig toegeeft aan den wensch der bevolking. Inderdaad, niet alleen enkelen, maar de gansche burgerij in Brussel was vol geestdrift voor Oranje; door gewapende oploopen oefenden zij zelfs dwang uit op de beraadslagingen der Staten-Generaal. Heze, de uitvoerder van den Staatsgreep van 4 September, was heer en meester in de stad. Alleen wijze staatkunde hield den Prins tegen, nog niet naar Brussel te gaan en de tijd zou komen, dat zijn optreden door de omstandigheden geëischt werd. Voorloopig weigerde hij aan den oproep te voldoen, tenzij een eenstemmige uitnoodiging van de Staten-Generaal hem daartoe deed besluiten.Wel blijkt uit een brief, dat een deel van Oranje’s troepen in Brussel aanwezig was sedert den 23enNovember, want de commandant Olivier van den Tempel schrijft Oranje over de wijze, waarop de troepen waren ingekwartierd. Ook hij meldt aan den Prins, dat de zaken niet goed gaan, “tenzij er herstel komt door uw Exc.,om wien iedereen roept en naar wiens komst iedereen verlangt...”De Staten-Generaal onderhandelden intusschen nog met Don Juan, wiensergernissteeg, naarmate hij meer over den toestand hoorde. Men zegt, dat er zelfs een poging werd gedaan, Don Juan te overreden zelf de teugels der regeering te aanvaarden en eenvoudig de trouw aan zijn broeder op te zeggen. Onwaarschijnlijk is het, dat de Prins hiertoe den raad gegeven zou hebben, daarvoor vertrouwde hij Don Juan te weinig. Zoover kwam het ook niet. De partij der gehoorzamen aan den koning behaalde in de Staten ten slotte de overwinning en den 6enDecember werden aan den nieuwen landvoogd de voorwaarden gesteld, die in hoofdzaak neerkwamen op de verwijdering der troepen, de handhaving der Pacificatie van Gent, een algemeene amnestie en het samenroepen der Staten-Generaal. Wilde de landvoogd dan nog een eed afleggen, dat hij de privileges der gewesten zou handhaven, men zou hem aanstonds als landvoogd erkennen, terwijl de Katholieke godsdienst zoowel als Filips’ gezag gehandhaafd zouden worden. Van elk verbond met vreemden zag men dan af, de vreemde huurtroepen verdwenen en een korps geboren Nederlanders zou als eerewacht van den nieuwen regent dienst doen.Tegen alle verwachting in, scheen Don Juan geneigd, de voorwaarden aan te nemen, maar de redenen, die er hem toe bewogen, hield hij verborgen. Het vertrek der troepen kwam hem juist gewenscht voor, want ze zouden moeten dienen om Elisabeth door een inval te verrassen en Maria Stuart te verlossen. Wilde dit in ’t geheim gebeuren, dan was het noodig, dat de troepen zich in een Vlaamsche haven inscheepten, schijnbaar met de bedoeling, naar Spanje terug te keeren. Hij stemde toe in den eisch, de troepen te verwijderen, maar drong er op aan, dat ze over zee zouden terug keeren. Zelfs ging hij zóó ver, dat hij aan Elisabeth liet vragen of de Spanjaarden, welke naar huis terugkeerden, zich in haar havens van proviand mochten voorzien!De Staten-Generaal vertrouwden dien aandrang van Don Juan niet erg. Waarom juist dien zeeweg? De Staten, vooral door Oranje en de zijnen bewerkt,bleven bezwaar maken, ook toen het bleek, dat de landvoogd in alles toestemde op voorwaarde van dien bepaalden weg.Dat de Prins alles deed, wat hij kon om het wantrouwen tegen Don Juan te vermeerderen, is hem door velen kwalijk genomen, maar is het niet natuurlijk, dat hij, die den Spanjaard zoo goed had leeren kennen, zoo handelde? Charlotte van Bourbon, die zich met staatkunde nooit inliet, schreef zelfs de volgende waarschuwing aan haar echtgenoot: “Gij moet zijn de hagedis, die den mensch, terwijl hij slaapt(d. i. de St.-Generaal)tegen den beet der slang(Don Juan)waarschuwt.”Wat de Prins ook deed om de onderhandelingen der Staten-Generaal te vertragen, deze wilden die niet afbreken en besloten hun vergadering en den Raad van State naar Namen te verplaatsen, teneinde zich daardoor, gelijk Aerschot meende, aan den invloed van de bevolking van Brussel, welke geheel op Oranje’s hand was, te onttrekken. Dit plan kon echter alleen doorgaan, toen werd aangenomen, dat een deel der Staten-Generaal in Brussel zelf achterbleef en dezelfde rechten verkreeg, als zij, die zich naar Namen verplaatsten.Onder hen, die in Brussel bleven, waren vele aanhangers van den Prins, maar er waren er ook onder, die het afbreken der onderhandelingen met Don Juan, zooals Oranje wilde, afkeurden. Hun aantal werd nogversterktdoor afgevaardigden uit Groningen, Friesland, Drente, Utrecht en Gelderland. Het talmen van Don Juan moede, sloten zij eenstemmig deeerste Unie van Brusselop den 9enJanuari. Hierdoor gaven zij nieuwe kracht aan de Pacificatie en in zoover handelden ze geheel in den geest van Oranje. Daar zij echter de handhaving van den katholieken godsdienst op den voorgrond stelden, welk teere punt bij de Pacificatie naar de toekomst was verwezen en waardoor zij Don Juan de hand toestaken, deden zij volstrekt niet naar Oranje’s bedoeling. Later is deze Unie dan ook door een “nadere Unie van Brussel” gewijzigd.Geen vijandelijke bedoelingen had men met deze Unie tegen den Prins voor, maar het verbond was ook niet geheel een werk in Oranje’s belang. Had de Prins in het eind van Januari zijn denkbeeld kunnen doen zegevieren, dan was er een herhaling op groote schaal van den Staatsgreep van 4 September gevolgd; allen die naar een verdrag met Don Juan streefden en de nauwe vereeniging met Holland en Zeeland tegenhielden, waren dan onschadelijk gemaakt. Dit wilden de Staten-Generaal in Brussel niet.Het andere deel van dit lichaam, dat in Namen zetelde om met Don Juan te onderhandelen, moest geduld oefenen met den landvoogd. Uitstel en nog eens uitstel was het wachtwoord geweest en zelfs Aerschot, die zoo verlangde naar de overeenstemming met hem, had eens hopeloos uitgeroepen: “Indien Z. Hoogheid weigert te komen, laat hem gaan, waar hij wil.”Uit Brussel kwam een dreigement tot Don Juan; als hij niet binnen vier dagen na 23 Januari de voorwaarden had aangenomen, dan zou men een beroep op Oranje doen. Ook de Prins werd met dit besluit in kennis gesteld. Dat hielp. De onderhandelingen werden weder hervat en al was de discussie nu en dan zoo hevig, dat Don Juan in zijn drift een der leden met een kandelaar tegen het hoofdgooide, het resultaat werd bereikt. De nieuwe landvoogd stemde in de voorwaarden toe en op den 12enFebruari teekende Don Juan te Marche-en-Famenne de artikelen van het verdrag, dat men hetEeuwig Edictnoemde.Handteekening van Juliana van Nassau.Handteekening van den hertog van Anjou.Handteekening van Filips Willem, graaf van Buren.Handteekening van Matthias.Handteekening van Filips van Hohenlohe.De Prins ontving bericht van de Staten, dat zij zich verplicht zagen te teekenen, hetgeen ze den 17endeden, waarop het Eeuwig Edict te Brussel werd afgekondigd.Don Juan beloofde: handhaving van de Pacificatie; vertrek van de vreemde troepen over land, mits de Staten de 600,000 gulden, daarvoor noodzakelijk, leverden. Nooit mochten die troepen terugkomen, behalve in geval van een vreemden oorlog. Alle gevangenen zouden wederzijds worden losgelaten, behalve de graaf van Buren; deze alleen dan, als de Prins zich wilde onderwerpen aan de besluiten der Staten-Generaal. Alle privileges zouden worden erkend, maar de Staten moesten bij den Roomschen godsdienst en in ’s konings gehoorzaamheid blijven. Don Juan zou dan onmiddellijk landvoogd worden na het vertrek der Spanjaarden. Ook de Staten-Generaal werden dan bijeengeroepen.Ziedaar den korten inhoud van de voorwaarden van het Eeuwig Edict, zonder twijfel van de zijde des konings een groote tegemoetkoming, doch voor den Prins onvoldoende.

Reeds in de lente van 1576 had koning Filips zijn half-broeder Don Juan van Oostenrijk tot opvolger van Requesens benoemd. Deze jongste zoon van Karel V was in 1545 te Regensburg geboren; zijn moeder was een zekere Barbara Blomberg, waschvrouw van beroep. In zijn jeugd was hij naar Spanje gezonden en met groote zorg opgevoed door Louis Quixada, een lid der keizerlijke hofhouding. Eerst toen de keizer was overleden, werd hij door Filips als zijn broeder erkend en werd zijn opvoeding, te gelijk met die van zijn neven Alexander Farnese en Don Carlos, voltooid. Uiterlijk geleek hij op niemand van de familie van zijn keizerlijken vader, want hij was een der knapste jongelieden uit Europa. “Rijzig van gestalte, innemend van uiterlijk, dapper en hoffelijk, vroom katholiek en man van de wereld tevens, herinnerde hij, veel meer dan zijn koninklijke broeder, aan zijn roemruchtigen vader, hoewel hij, driftig, ja opvliegend als hij was, zijns vaders staatsmanstalenten ten eenenmale miste.”

Filips had hem voor de kerk bestemd, maar dit vooruitzicht strookte niet met zijn moedigen, avontuurlijken geest. Het gelukte hem werkelijk den wil van zijn koninklijken broeder te braveeren en zijn eigen wenschen te volgen. Waarschijnlijk hielp de buitengewone persoonlijke betoovering, die van Don Juan tegenover jong en oud uitging, hem, om den koning voor zijn plannen te winnen en Filips stond hem toe, in plaats van een monnikskap een helm te dragen; hij droeg hem zelfs het commando op van een expeditie tegen de Mooren in Granada toen hij pas 23 jaar oud was. Schitterend succes bekroonde deze eerste onderneming, hoewel ongelukkig de overwinning door vreeselijke wreedheid bezoedeld werd.

Omstreeks dienzelfden tijd vielen de Turken aan op Venetië en bedreigden de veiligheid van geheel Italië. Toen werd Don Juan opgedragen hen te bestrijden en won hij, meer door geluk dan door wijsheid, een zeeslag in de baai van Lepanto.Europa was in dien tijd in voortdurende onrust, dat het Turksche rijk werd uitgebreid en dus werd overal de tijding van die overwinning met buitengewone vreugde begroet. Het feit, dat er bijna evenveel Christenen als Mohammedanen waren gesneuveld, bracht men niet in rekening; het werd als een beroemde overwinning beschouwd en men prees den jongen held uitbundig om zijn succes.

Die aanbidding van zijn beschermeling behaagde Filips niet bijzonder; hij riep zijn broeder spoedig van het oorlogstooneel terug, vreezende dat de lauweren, die hij behaalde, meer roem zouden geven aan den jongsten zoon van Karel V dan de gouden kroon aan zijn oudsten.

Ondertusschen waren Don Juans zucht naar krijgsroem en zijn ridderlijke eigenschappen in den strijd tegen de Turken nog aangewakkerd. Terwijl zijn broeder de koning, afkeerig van persoonlijke deelneming aan den krijg, zich in zijne paleizen opsloot, om van daar (zooals hij meende) het lot der volken te beheerschen—dacht Don Juan, dat hij evenals zijn vader tot een groote rol in de wereldgeschiedenis bestemd was en de katholieke kerk door middel van het zwaard tegen Turken en ketters moest verdedigen. Daarbij speelde het romantisch denkbeeld door zijn brein om de ongelukkige Maria Stuart uit de gevangenis te verlossen, haar te huwen, en in plaats van Elisabeth tot koningin van Engeland te verheffen.

Inderdaad was dat romantisch denkbeeld een jongen held dier dagen ten volle waard. Sedert 1568 was de weduwe van den Franschen Koning Frans II ([+] 1560) na tallooze pogingen om den haar rechtmatig toekomenden Schotschen troon te behouden, in de macht van haar groote vijandin gekomen. Omringd door verraad in haar eigen land, had zij zich na de nederlaag bij Langside, in de macht van Elisabeth gegeven en was ze sedert van de eene gevangenis naar de andere gesleept, tot ze eindelijk, gelijk ieder weet, te Fotheringay onthoofd werd. Acht jaren lang had de ongelukkige, onttroonde vorstin reeds in haar gevangenis gezucht, toen Don Juan van Oostenrijk zijn droombeeld, om haar te verlossen, koesterde.

In den herfst van 1576 was hij in Italië; daar ontving hij na den dood van Requesens zijn aanstelling tot landvoogd van de Nederlanden en zijn meening was, dat die Nederlandsche roeping een eerste stap zou zijn, om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Niet wetende, dat er zulk een haast was, naar de ontvoogde Nederlanden te gaan en door zijn vertraging aan de Nederlanden alle mogelijke speelruimte gevende, hun eigen zaken zonder landvoogd en buiten Filips om, ter hand te nemen, ging Don Juan eerst uit Italië naar Spanje terug, om daar, in overleg met zijne vertrouwden, den grondslag van zijn staatkunde te leggen, die hij meende te zullen volgen. Daar hij op zijn reis door Frankrijk bevreesd was voor mogelijke aanranding door vrienden van de Nederlanders, vermomde hij zich op zijn tocht door dat land als Moor en zijn geheele escorte bestond uit zijn vriend Ottavio Gonzaga, zes krijgslieden en een koerier. Hij zelf moest doorgaan voor den knecht van Gonzaga. Het gezelschap hield een nacht in Parijs stil, waar Don Juan een samenkomst had met Guise, den oom van Maria Stuart, met wien hij zijn verlossings- en huwelijksplan besprak.

Wij kunnen ons levendig voorstellen, hoe bitter teleurgesteld de jonge held was, toen hij op den 3enNovember in Luxemburg aankwam en vernam, hoe de zaken in de Nederlanden op dat oogenblik stonden. Bij zijn groote plannen met Engeland, had hij zijne landvoogdij over de Nederlanden als de gemakkelijke brug beschouwd, tot bereiking van zijn doel aan gindsche zijde van het Kanaal en nu moest hij vernemen, hoe hem zelfs niet eens de toegang tot de Nederlanden werd vergund, alvorens hij de Pacificatie van Gent met zijn handteekening had bekrachtigd.

Wij vermeldden vroeger, hoe die Pacificatie reeds den 28enOctober tot stand was gekomen, en onder den indruk der Spaansche Furie, den 8enNovember door de Staten-Generaal werd geteekend. Ook Don Juans komst op den 3endier maand verhaastte nog die teekening. In plaats dus, van onmiddellijk als landvoogd te worden verwelkomd en de eeden af te vorderen van de Nederlanden, moest hij eerst trouw zweren aan die Pacificatie en zag hij zich zelfs den toegang tot de hoofdstad gesloten. Die Pacificatie was hem eerst een groote ergernis; hij zag er een verbond in, even tegenstrijdig met den dienst van God als met de gehoorzaamheid, aan den koning verschuldigd. Roda maande hem, zich aanstonds aan het hoofd der in de Nederlanden aanwezige Spaansche troepen te stellen, die volgens zijne berekening nog wel uit 10.000 man bestonden. Doch aan dien raad wilde hij ook geen gevolg geven; hij was gekomen als bemiddelaar en buitendien zou het met geweld optreden in Nederland aanstonds al zijn plannen tegenover Engeland in duigen geworpen hebben. De Staten-Generaal waren ook wel in twee partijen verdeeld, waarvan de eene meer de politiek van Oranje aanhing, de andere getrouw aan den koning wilde blijven—maar op het punt van de Pacificatie en de verwijdering der Spaansche troepen waren zij het toch volkomen eens.

De eerstgenoemde partij, die Oranje aanhing, deed alle mogelijke moeite om den Prins zelf naar Brussel te troonen; maar zoolang de volledige Staten-Generaal hem dit niet verzochten, was Oranje onwillig, dat te doen. Volgens hem moesten er gansch andere maatregelen met Don Juan genomen worden. Den 9enNovember zond hij namelijk uit Middelburg een advies aan de Staten-Generaal, met begeleidend schrijven aan den hertog van Aerschot, die door den Prins slechts half vertrouwd werd.

In dit schrijven aan Aerschot meldt Oranje hem, dat de komst van Don Juan van Oostenrijk veel kwaad aan het land kan brengen, indien men door eigen schuld hem daartoe de middelen verschaft, maar daarom moet men door groote voorzichtigheid zijn plannen voorkomen. De Prins is dan ook zoo vrij een advies aan de Staten-Generaal te zenden en om de vergadering des te beter te kunnen inlichten, zendt hij een afschrift van het advies aan Don Juan, vóór de samenkomst wordt gehouden.

In dat schrijven aan de Staten-Generaal wijst Oranje op het kleine gezelschap, dat den landvoogd vergezelt en hij maakt eruit op, dat de koning en zijn raad er geheel aan wanhopen, door middel van geweld, de orde in het land te herstellen. Maar, waarschuwt de Prins, men wil ons te kennen geven, dat we op zeer zachte en menschelijke wijze zullen behandeld worden, doch op een goed gekozen oogenblik zal worden uitgevoerd, hetgeen in de geheime particuliereinstructies is geschreven. Op grond hiervan raadt de Prins ten sterkste aan, Don Juan in verzekerde bewaring te nemen en zich meester te maken van zijn persoon, want alleen in dat geval, zegt hij, zal er zonder verdere bloedstorting met Gods hulp een eind aan den oorlog komen.

De meerderheid van de Staten-Generaal was met Aerschot bevreesd voor te grooten invloed van Oranje en ze besloten het advies niet te volgen, doch met Don Juan in overleg te treden.

Daarover niet uit het veld geslagen, legde de Prins nogmaals in een zeer uitvoerig advies, den nadruk op de dreigende gevaren. Het doet hem leed, dat er velen zoo goed van vertrouwen zijn en hij tracht de Staten-Generaal te bezielen met hetzelfde wantrouwen, dat hem vervult.

“De toorn van koningen is onsterfelijk,” schrijft Oranje. “Wat Don Juan ook moge beloven, het is alles misleiding en bedrog, het is verraderlijke toegevendheid door den nood afgeperst, die ten doel heeft, ons in slaap te wiegen, onze kracht te breken en ons daarna met schending van alle trouw tot nog harder slavernij te dwingen....”

Verder eischt de Prins waarborgen tegen willekeur, verwijdering van alle troepen en het opnieuw bezweren van de gewestelijke privileges. Wil men Don Juan erkennen en tevens veilig zijn tegen de wraak van Filips, dan moet de macht van den landvoogd beperkt wezen. “Verklaar hem,” zegt Oranje, “dat ge zult voortgaan met u te versterken en dat gij het voetvolk en de ruiters, waarover gij te gebieden hebt, niet eer zult wegzenden;want het ware hem het mes in de hand geven, waarmede hij u den hals zou afsnijden.”

Zeker, zijn adviezen aan de Staten-Generaal lieten aan kracht en overtuiging niet te wenschen over, maar het was voor doovemans ooren gepraat; men luisterde niet naar zijn raad.

Later zou het zonneklaar blijken, dat Oranje volkomen gelijk had met zijn waarschuwingen tegen Don Juan.

Ondertusschen bleef de Prins, steeds vanuit Middelburg, ijverig in de weer het zuiden voor te lichten en de Pacificatie van Gent tot een feit te maken. De briefwisseling in die dagen was grooter dan ooit en niet alleen met het Zuiden, maar ook met die Noordelijke gewesten, welke nog niet waren aangesloten, terwijl in Friesland door zijn invloed de Spaanschgezinde Robles door George Lalaing, den graaf van Rennenberg, als stadhouder werd vervangen. Ook met Anjou bleef hij steeds in betrekking.

Al volgde men zijn advies ten opzichte van Don Juan niet, van alle kanten trachtte men hem te overreden, persoonlijk naar Brussel te komen, maar hij achtte den tijd nog niet daar. Hoe hoog zijn populariteit ook in Brussel was gestegen, hoe men daar ook zijn hoop alleen op hem bouwde; hij begreep terecht, dat, zoolang er met Don Juan onderhandeld werd, zijn persoon niet anders dan nadeelig kon werken. Hij zag n.l. wel in, dat zijn eigenlijke bedoeling, vrijheid van godsdienst, nimmer door den nieuwen landvoogd zou worden toegestaan.

In dien geest schreef hij ook aan St. Aldegonde, die zich te Brussel bevond maar, zoo meldde hij zijn vriend, al meen ik niet te moeten komen, ge kunt ervan verzekerd zijn, dat ik niet zal ophouden dag en nacht in het ware belang van het land te werken.

Oranje wantrouwt nog den toestand en vreest, dat de andere Staten zich van die van Brabant zullen afzonderen, indien hij ontijdig toegeeft aan den wensch der bevolking. Inderdaad, niet alleen enkelen, maar de gansche burgerij in Brussel was vol geestdrift voor Oranje; door gewapende oploopen oefenden zij zelfs dwang uit op de beraadslagingen der Staten-Generaal. Heze, de uitvoerder van den Staatsgreep van 4 September, was heer en meester in de stad. Alleen wijze staatkunde hield den Prins tegen, nog niet naar Brussel te gaan en de tijd zou komen, dat zijn optreden door de omstandigheden geëischt werd. Voorloopig weigerde hij aan den oproep te voldoen, tenzij een eenstemmige uitnoodiging van de Staten-Generaal hem daartoe deed besluiten.

Wel blijkt uit een brief, dat een deel van Oranje’s troepen in Brussel aanwezig was sedert den 23enNovember, want de commandant Olivier van den Tempel schrijft Oranje over de wijze, waarop de troepen waren ingekwartierd. Ook hij meldt aan den Prins, dat de zaken niet goed gaan, “tenzij er herstel komt door uw Exc.,om wien iedereen roept en naar wiens komst iedereen verlangt...”

De Staten-Generaal onderhandelden intusschen nog met Don Juan, wiensergernissteeg, naarmate hij meer over den toestand hoorde. Men zegt, dat er zelfs een poging werd gedaan, Don Juan te overreden zelf de teugels der regeering te aanvaarden en eenvoudig de trouw aan zijn broeder op te zeggen. Onwaarschijnlijk is het, dat de Prins hiertoe den raad gegeven zou hebben, daarvoor vertrouwde hij Don Juan te weinig. Zoover kwam het ook niet. De partij der gehoorzamen aan den koning behaalde in de Staten ten slotte de overwinning en den 6enDecember werden aan den nieuwen landvoogd de voorwaarden gesteld, die in hoofdzaak neerkwamen op de verwijdering der troepen, de handhaving der Pacificatie van Gent, een algemeene amnestie en het samenroepen der Staten-Generaal. Wilde de landvoogd dan nog een eed afleggen, dat hij de privileges der gewesten zou handhaven, men zou hem aanstonds als landvoogd erkennen, terwijl de Katholieke godsdienst zoowel als Filips’ gezag gehandhaafd zouden worden. Van elk verbond met vreemden zag men dan af, de vreemde huurtroepen verdwenen en een korps geboren Nederlanders zou als eerewacht van den nieuwen regent dienst doen.

Tegen alle verwachting in, scheen Don Juan geneigd, de voorwaarden aan te nemen, maar de redenen, die er hem toe bewogen, hield hij verborgen. Het vertrek der troepen kwam hem juist gewenscht voor, want ze zouden moeten dienen om Elisabeth door een inval te verrassen en Maria Stuart te verlossen. Wilde dit in ’t geheim gebeuren, dan was het noodig, dat de troepen zich in een Vlaamsche haven inscheepten, schijnbaar met de bedoeling, naar Spanje terug te keeren. Hij stemde toe in den eisch, de troepen te verwijderen, maar drong er op aan, dat ze over zee zouden terug keeren. Zelfs ging hij zóó ver, dat hij aan Elisabeth liet vragen of de Spanjaarden, welke naar huis terugkeerden, zich in haar havens van proviand mochten voorzien!

De Staten-Generaal vertrouwden dien aandrang van Don Juan niet erg. Waarom juist dien zeeweg? De Staten, vooral door Oranje en de zijnen bewerkt,bleven bezwaar maken, ook toen het bleek, dat de landvoogd in alles toestemde op voorwaarde van dien bepaalden weg.

Dat de Prins alles deed, wat hij kon om het wantrouwen tegen Don Juan te vermeerderen, is hem door velen kwalijk genomen, maar is het niet natuurlijk, dat hij, die den Spanjaard zoo goed had leeren kennen, zoo handelde? Charlotte van Bourbon, die zich met staatkunde nooit inliet, schreef zelfs de volgende waarschuwing aan haar echtgenoot: “Gij moet zijn de hagedis, die den mensch, terwijl hij slaapt(d. i. de St.-Generaal)tegen den beet der slang(Don Juan)waarschuwt.”

Wat de Prins ook deed om de onderhandelingen der Staten-Generaal te vertragen, deze wilden die niet afbreken en besloten hun vergadering en den Raad van State naar Namen te verplaatsen, teneinde zich daardoor, gelijk Aerschot meende, aan den invloed van de bevolking van Brussel, welke geheel op Oranje’s hand was, te onttrekken. Dit plan kon echter alleen doorgaan, toen werd aangenomen, dat een deel der Staten-Generaal in Brussel zelf achterbleef en dezelfde rechten verkreeg, als zij, die zich naar Namen verplaatsten.

Onder hen, die in Brussel bleven, waren vele aanhangers van den Prins, maar er waren er ook onder, die het afbreken der onderhandelingen met Don Juan, zooals Oranje wilde, afkeurden. Hun aantal werd nogversterktdoor afgevaardigden uit Groningen, Friesland, Drente, Utrecht en Gelderland. Het talmen van Don Juan moede, sloten zij eenstemmig deeerste Unie van Brusselop den 9enJanuari. Hierdoor gaven zij nieuwe kracht aan de Pacificatie en in zoover handelden ze geheel in den geest van Oranje. Daar zij echter de handhaving van den katholieken godsdienst op den voorgrond stelden, welk teere punt bij de Pacificatie naar de toekomst was verwezen en waardoor zij Don Juan de hand toestaken, deden zij volstrekt niet naar Oranje’s bedoeling. Later is deze Unie dan ook door een “nadere Unie van Brussel” gewijzigd.

Geen vijandelijke bedoelingen had men met deze Unie tegen den Prins voor, maar het verbond was ook niet geheel een werk in Oranje’s belang. Had de Prins in het eind van Januari zijn denkbeeld kunnen doen zegevieren, dan was er een herhaling op groote schaal van den Staatsgreep van 4 September gevolgd; allen die naar een verdrag met Don Juan streefden en de nauwe vereeniging met Holland en Zeeland tegenhielden, waren dan onschadelijk gemaakt. Dit wilden de Staten-Generaal in Brussel niet.

Het andere deel van dit lichaam, dat in Namen zetelde om met Don Juan te onderhandelen, moest geduld oefenen met den landvoogd. Uitstel en nog eens uitstel was het wachtwoord geweest en zelfs Aerschot, die zoo verlangde naar de overeenstemming met hem, had eens hopeloos uitgeroepen: “Indien Z. Hoogheid weigert te komen, laat hem gaan, waar hij wil.”

Uit Brussel kwam een dreigement tot Don Juan; als hij niet binnen vier dagen na 23 Januari de voorwaarden had aangenomen, dan zou men een beroep op Oranje doen. Ook de Prins werd met dit besluit in kennis gesteld. Dat hielp. De onderhandelingen werden weder hervat en al was de discussie nu en dan zoo hevig, dat Don Juan in zijn drift een der leden met een kandelaar tegen het hoofdgooide, het resultaat werd bereikt. De nieuwe landvoogd stemde in de voorwaarden toe en op den 12enFebruari teekende Don Juan te Marche-en-Famenne de artikelen van het verdrag, dat men hetEeuwig Edictnoemde.

Handteekening van Juliana van Nassau.Handteekening van den hertog van Anjou.Handteekening van Filips Willem, graaf van Buren.Handteekening van Matthias.Handteekening van Filips van Hohenlohe.

Handteekening van Juliana van Nassau.

Handteekening van den hertog van Anjou.

Handteekening van Filips Willem, graaf van Buren.

Handteekening van Matthias.

Handteekening van Filips van Hohenlohe.

De Prins ontving bericht van de Staten, dat zij zich verplicht zagen te teekenen, hetgeen ze den 17endeden, waarop het Eeuwig Edict te Brussel werd afgekondigd.

Don Juan beloofde: handhaving van de Pacificatie; vertrek van de vreemde troepen over land, mits de Staten de 600,000 gulden, daarvoor noodzakelijk, leverden. Nooit mochten die troepen terugkomen, behalve in geval van een vreemden oorlog. Alle gevangenen zouden wederzijds worden losgelaten, behalve de graaf van Buren; deze alleen dan, als de Prins zich wilde onderwerpen aan de besluiten der Staten-Generaal. Alle privileges zouden worden erkend, maar de Staten moesten bij den Roomschen godsdienst en in ’s konings gehoorzaamheid blijven. Don Juan zou dan onmiddellijk landvoogd worden na het vertrek der Spanjaarden. Ook de Staten-Generaal werden dan bijeengeroepen.

Ziedaar den korten inhoud van de voorwaarden van het Eeuwig Edict, zonder twijfel van de zijde des konings een groote tegemoetkoming, doch voor den Prins onvoldoende.

Hoofdstuk XXIV.Oranje’s wantrouwen bevestigd. Gevolgen van Don Juans verraad. 1577.De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan; zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje’s oudsten zoon, den graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in strijd mochtenzijn met de privileges, rechten en vrijheden van het land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips’ kwade trouw, dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.Wat was Oranje’s voortdurend streven geweest? Hij was den strijd begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste, offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd, hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden.”Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd, want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En dan—had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd, om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht gevestigd. Op den 6enMaart zond hij Mansard naar Brussel, om o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende, want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te kunnen praten.Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was zeer op Oranje’s vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets zou uitloopen. “Dit is de stuurman” schreef Don Juan aan Filips, “die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in den grondboren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg geruimd zijn, als men hem winnen kon.”Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje zelf naar Duitschland zou gaan.Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje’s vijanden in onzen tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht; ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band, die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld, werd er op afgezonden en den 11enMaart door den Prins te Middelburg in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. ’t Klonk alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en Zeeland geëerbiedigd worden.“Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den Prins geliefd en vereerd,” schreef Don Juan in die dagen aan Filips, terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen, maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland en Zeeland vernemen.Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij Filips o. a. schreef: “Ik weet geen ander middel om den ondergang te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het volk heeft.”Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak; de landvoogd stortteechter uit eigen middelen 27000 kronen om het noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in statigen optocht naar de hoofdkerk.Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen eens, welke luidden:De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?Ick kerm, omdat in stee van d’R de T niet staat.Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd worden.Zij had op den 1enMei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg, dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden, edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden vergeleek met “een afzichtelijk babel” en een “hel,” terwijl hij de hem omringende personen voor “dronkaards, wijnzakken en schelmen” uitmaakte.Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig de Pacificatie, terugvorderde.Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te kennen, dat Maurits, ’s Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden, richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana, de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat terugzenden van Marie naar Holland:“Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten, indien ze moest vertrekken.Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar gehecht was.Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in haar gezelschap kan zijn.Dillenburg, in haast 26 Mei ’77.”Ook de moeder, hoewel zwak, had begin April nog aan haar zoon geschreven dat, al wenschte zij met al haar kracht herstel van vrede, dit geen vrede moest zijn, die de arme Christenen in kommer en zorg liet. Ja zelfs over Don Juan schreef ze hem deze woorden: “De Satan kleedt zich in een schapenvacht, maar zal weldra een verscheurende wolf zijn, waardoor de Christenen in groote droefheid zullen komen. In weerwil van het aangenaam voorkomen van den schoonen en minzamen Prins van Oostenrijk en zijn onbekrompen aanbiedingen, moet men den verleider schuwen en het oor voor hem sluiten.”Te midden van den overstelpenden arbeid van Oranje op politiek gebied, die wel in staat zou zijn geweest, hem zijn gemoedsrust te ontrooven, moet hetook een weldaad voor hem geweest zijn, zulke innig vriendelijke gedachten uit zijn geboorteplaats te vernemen. Het doet ons zelfs weldadig aan, op dat vriendelijk tafereel te staren, dat Graaf Jan hier aan zijn broeder beschrijft. Want hoe hoog ook onze eerbied steeds moge stijgen voor het reuzengenie van Oranje, hoe heerlijk ook voor onzen blik diens machtige geest zweeft boven de bruisende wateren van staatkundige plannen en doeleinden, hier, waar een beroep wordt gedaan op zijn kinderhart, om ter wille van zijn verzwakkende moeder zijn dochter nog te blijven afstaan, daar hooren we ook het hart kloppen van dien grooten geest en ook dit doet ons wonder goed; we komen voor een wijle zelf tot verademing, te midden van het vermoeiend verhaal zijner inspanning en werkzaamheid.Niettegenstaande de luisterrijke blijde inkomst van Don Juan in Brussel, gevoelde hij zich zelf toch alles behalve op zijn gemak. De brieven, die hij naar Spanje schreef, waren geheel in strijd met zijn vriendelijke houding, die hij tegenover de Nederlanders aannam. Nu moet erkend worden, dat zijn positie ook lang niet benijdenswaardig was. Naar het Noorden gekomen, in de hoop uitvoering te geven aan zijn ridderlijk plan, Maria Stuart te gaan verlossen, zag hij zich niet alleen in dien geheimen wensch geheel gedwarsboomd, maar hij kende ook de gezindheid van het volk tegenover hem en vreesde niet ten onrechte voor samenzweringen tegen zijn leven.Hij wist, hoe Oranje door de bevolking van Brussel vereerd werd en hij, die alleen op oorlogsroem hoopte, zag zich niet alleen van alle soldaten beroofd, maar was verplicht de landvoogd te zijn van een volk, dat hem eenvoudig de wetten stelde. Herhaalde aanzoeken aan Filips, om ontslagen te worden van de landvoogdij, met de opmerking, dat Margareta van Parma of een andere vrouw hier beter op hare plaats zou zijn, werden door den koning geweigerd of niet beantwoord. En nauwelijks was hij zoo plechtig ingehaald, of de Staten-Generaal kwamen met een zestal nieuwe eischen tot hem, die hij moest inwilligen, doch die hem hoe langer hoe meer de handen bonden. Toch bleef hij aanvankelijk inschikkelijk en toegeeflijk en begreep hij, allereerst met Oranje tot een schikking te moeten komen, wilde er iets goeds door hem worden gedaan.Wel was een zending van Leoninus in Maart naar Dordrecht, waar de Prins zich toen ophield, even vruchteloos afgeloopen als diens bezoek te Middelburg, maar de Staten-Generaal en Don Juan namen het besluit, nog een poging aan te wenden, om Oranje te winnen.In het midden van Mei gingen van de zijde van Don Juan de volgende commissarissen naar Geertruidenberg: Aerschot, Hierges, Willerval en Meetkercke, om met Leoninus en Gaspar Schets van Grobbendonck, die reeds vooruit waren gezonden, de Staten-Generaal te vertegenwoordigen. Van ’s Prinsen zijde waren er behalve Oranje zelf, Marnix, van Zuylen van Nijevelt, van der Myle, Coninck en Vosbergen. Het voornaamste punt der besprekingen was, of Oranje het Eeuwig Edict zou aannemen. De Prins beweerde echter, dat hij het onmogelijk kon teekenen, omdat het Edict zich grondde op de Unie van Brussel en deze Unie in strijd was met de bepalingen der Pacificatie.“Over welk punt,” vroeg Schets van Grobbendonck, “beklaagt gij u in het bijzonder en in welk opzicht is de Gentsche Pacificatie geschonden?”Op die vraag brak de Prins in een stroom van verwijten los. Hij wees op zijn zoon, die in den vreemde werd gevangen gehouden; op zijn Bredasche goederen, die men hem onthield; op de schending van oude rechten en handvesten; op de verfoeilijke plakkaten, die naar het heette geschorst, maar in werkelijkheid in volle kracht waren enz.“Gij verwijt mij wantrouwen!” riep Oranje uit, “maar zoolang de kasteelen van Antwerpen, Gent, Namen en zooveel anderen nog overeind staan, zijt gij het, die blijken geeft, hoe weinig vertrouwen gij hebt op eene duurzame en minnelijke schikking.”“En wat,” vroeg de afgevaardigde, “wat is het punt dat u het naast aan het hart ligt? Wat verlangt Uwe Excellentie het meest? Door welke middelen kan de regeering u volkomen genoegdoening geven?”“Ik wensch,” gaf Oranje eenvoudig ten antwoord, “dat de Gentsche Pacificatie in allen deele ten uitvoer wordt gebracht. Als gij het algemeen welzijn des lands op het oog hebt, dan is het goed en dank ik u. Zoo niet, dan is het vruchteloos eenig aanbod te doen, want ik bedoel ’s lands belang en niet het mijne.”Later zei de Prins, dat als de Staten-Generaal bijeengekomen zouden zijn, de tijd eerst was aangebroken om de artikelen voor te stellen, welke tot wederzijdsche zekerheid noodig waren.Ook vroeg men den Prins welke waarborgen hij gaf tot nakoming der Pacificatie.“Wij zijn niet verplicht die waarborgen te geven,” gaf hij ten antwoord. “De Pacificatie is zelf een waarborg, want ze is eene voorloopige schikking door beide partijen te onderhouden, totdat de vergadering der Staten zal beslist hebben.”En toen een der afgevaardigden het vermoeden uitsprak dat de Prins, na alles teruggekregen te hebben, den oorlog zou verklaren, gaf hij ten antwoord:“Den oorlog? Zijt ge daar bevreesd voor? Wij zijn maar een handvol volks, een worm, vergeleken bij den koning van Spanje. Bovendien zijt gij vijftien provinciën tegen twee, wat hebt ge dus te vreezen?”“Maar,” drong Schets aan, “belooft gij eerlijk, u aan alles te onderwerpen, wat de Staten-Generaal zullen verordenen, ook ten opzichte van den godsdienst?”“Dat kan ik niet beloven,” zei Oranje, “want gij hebt de Pacificatie reeds geschonden, door zonder onze toestemming met Don Juan eene overeenkomst aan te gaan en hem als landvoogd te erkennen.”“Gij zijt dus niet van zins, de beslissing der Staten aan te nemen?” hernam Schets.“Dat zeg ik niet; mogelijk wel, mogelijk niet; wij zijn niet meer in ons geheel,” antwoordde Oranje weer.“Maar wij willen u in uw geheel brengen,” zei Schets.“Dat kunt gij niet,” hernam de Prins, “want gij hebt de Pacificatie geheel verscheurd. Wij hebben daarom van de Staten niets anders te verwachten, dan kort en goed veroordeeld te worden.”Schets herhaalde nog eens de vraag, of de Prins niet voornemens was zich op het gebied van den godsdienst aan de Staten te onderwerpen en Oranje gaf het stellige antwoord:“Neen! Zeker niet. Om u de waarheid te zeggen, wij zien, dat uw doel is, ons uit te roeien en wij willen ons niet laten uitroeien.” En of Aerschot al suste: “Kom, kom! er is niemand, die dat wenscht,” de Prins bleef bij hetgeen hij gezegd had. We behoeven niet te zeggen, dat de conferentie waarvan een trouw verslag is bewaard gebleven, tot geen resultaten leidde. De Prins zou zich zelf niet geweest zijn, indien hij zich had laten overreden tot het teekenen van het Eeuwig Edict, dat zoovele nadeelige consequenties voor hem en voor Holland en Zeeland in zich bevatte.Merkwaardig is ook de brief, welke de Prins zelf in die dagen aan Don Juan schreef. Oranje dankt o. a. Don Juan, dat hij hem zoo humaan en zoo vol zorg den weg wil wijzen tot een rustig, zeker en eerlijk leven, maar hij voegt daaraan deze ironische woorden toe: “waarin voor u het hoogste geluk van dit sterfelijk leven schijnt te bestaan.”Waarschijnlijk had Don Juan hem wederom nieuwe beloften gedaan, voor den Prins persoonlijk voordeelig.Die woorden zijn op zich zelf genoeg, om alle verdachtmaking van den edelen Oranje, waarmee hij nog tot heden vervolgd wordt, te niet te doen. Geen rustig, gemakkelijk, weelderig leven begeerde de Prins ooit; zijn geluk hing van geheel andere dingen, dan van uiterlijke welvaart en rust af. Voor hem, die Oranje zulke aanbiedingen durfde doen, mocht wellicht “le comble du bonheur” daarin zijn gelegen, voor den Prins was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als een vader liefhadden. Hij heeft er nooit aan gedacht zijn lot van dat van Holland en Zeeland te scheiden—hij zou zich geen rust en geluk kunnen voorstellen zonder dat hij, in den heftigsten strijd desnoods voor de zijnen, den grond voor hun geluk en welvaart had gevonden.Was zijn geheele brief aan Don Juan een meesterstuk van wantrouwende en toch wellevende politiek, ook uit dat oogpunt is zijn schrijven aan Schets van Grobbendonck merkwaardig. Deze beschuldigt den Prins, dat hij zoo wantrouwend is, waarop Oranje antwoordt, dat evenals er tusschen ware vrienden een goed vertrouwen moet bestaan, er tusschen vijanden niets dan wantrouwen kan zijn. Wil men dat wegnemen, dan moet de vijandschap, de oorzaak van het wantrouwen, ophouden. Welnu, gaat de Prins voort, wij hebben een Pacificatie gemaakt niet minder plechtig als heilzaam voor geheel het land. En wat zien we nu? Gij lieden zijt van uw kant vol wantrouwen, want niet één punt ervan brengt ge in vervulling; ge schendt haar dagelijks en doet alsof zij nooit gemaakt, noch bezworen is.Men ziet, dat men elkaar van wantrouwen beschuldigde, doch als men geen bevooroordeelde meening omtrent den Zwijger is toegedaan, kan het niet anders dan duidelijk zijn, dat het wantrouwen van den Prins in Don Juan billijker grond had dan het wantrouwen van de Staten-Generaal in den Prins, met wien de Pacificatie was gesloten, in de zekere verwachting, dat al hare voorwaarden zouden worden opgevolgd.Waar aldus het wantrouwen van beide zijden bleef bestaan, was de kans op vernieuwing van den krijg zeer groot; beiden Don Juan en Oranje waren daar op bedacht. Deze had daartoe dringend hulp noodig, maar de vraag was waar die te vinden. Van Frankrijk was thans niets te verwachten, want de hertog van Anjou had zich in den aanvang van 1577 zelfs aan het hoofd der katholieken geplaatst en werd hun aanvoerder tegen de Hugenoten! Met Engeland was de verhouding echter beter; raadslieden in de omgeving van Elisabeth bepleitten hare tusschenkomst voor Oranje en deze kwam de vorstin tegemoet in geschillen over handelszaken.Oranje’s echtgenoote, Charlotte, had het leven aan eene tweede dochter geschonken, die de Prins den naam van Elisabeth gaf. Toen nu Sidney, op zijn terugreis uit Duitschland, waar hij namens de Engelsche koningin, den nieuwen Keizer Rudolf was gaan begroeten, door Nederland kwam, kreeg Sidney van Elisabeth in opdracht naar Oranje te gaan. Hij moest den Prins niet alleen gelukwenschen met de geboorte van zijne dochter, maar tevens als peet in naam van Elisabeth de doopplechtigheid bijwonen. De Prins, hiermee zeer vereerd, maakte van deze ongezochte gelegenheid gebruik om de zaak der Nederlanden bij de koningin aan te bevelen. Hij droeg Sidney op, de vorstin voor te stellen een geheim verbond met hem te sluiten. De havens van Holland en Zeeland en hunne vloot zouden in elken oorlog van Elisabeth met Frankrijk of Spanje, tot haar beschikking zijn; van haar kant zou ze jaarlijks geldelijke hulp geven, terwijl haar onderdanen alle verkeer met de Spanjaarden moest worden verboden en deze zich in Engelsche havens niet meer van benoodigdheden mochten voorzien. De Prins waarschuwde Elisabeth ook voor de plannen van Don Juan, welke zich mede tot Engeland uitstrekten.Tegelijkertijd deed Wilson, Elisabeths agent te Brussel, haar ook waarschuwen voor Don Juan op de hoede te zijn.In een schrijven van Wilson aan Walsingham geeft hij berichten over den gespannen toestand in de Nederlanden en daarin raadt hij ook onderhandelingen te beginnen. Daarna vertelt Wilson nog van de aanstaande komst van de Koningin van Navarre, Margareta van Valois te Spa en hij hecht aan dat bezoek groote politieke beteekenis, al gaat hij wat ver, het te vergelijken met de komst van haar moeder te Bayonne, kort voor den Bartholomeusnacht.Het zal later blijken, hoe goed Wilson op de hoogte was.Reeds aanstonds na den vruchteloozen afloop van de bijeenkomst te Geertruidenberg, schreef Don Juan aan den koning, dat volgens zijn zienswijze de bevrediging der Nederlanden niet tot stand zou komen, tenzij men weer den weg der zachtmoedigheid verliet en den oorlog hervatte. Zijn raad was dan ook, de Spaansche soldaten onmiddellijk weer terug te zenden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want die soldaten waren ondertusschen ver van het land verwijderd en Don Juan gevoelde zich in Brussel, zonder gewapende macht ter zijner beschikking, niet meer veilig. De volksbeweging voor den Prins nam in de hoofdstad toe, trots al de pogingen van Don Juan om populair te worden. Berichtenvan aanslagen tegen zijn leven, bereikten hem. De adel in het Zuiden bleef dubbelzinnig in zijn houding; zij behoorde meerendeels tot hen, die zooals de Prins van Oranje het uitdrukte, “tusschen twee wateren zochten te zwemmen.” Het Statenleger bleef nog bestaan en zijn gevoel van onmacht en wantrouwen was zoo beklemmend, dat hij den 11enJuni Brussel verliet en zich naar Mechelen verplaatste. Doch deze stad zou hem ook niet lang binnen hare muren zien. Hij had andere plannen. Magareta van Valois ging naar Spa, zoogenaamd voor haar gezondheid om er de baden te gebruiken, inderdaad met de bedoeling, daar aanhangers te werven voor een nieuw optreden van haar broeder, den hertog van Anjou. Deze vrouw daar te ontmoeten en een schitterende ontvangst te bereiden, werd het voorwendsel van Don Juan, ook Mechelen te verlaten en naar Namen te gaan, waar hij zich bij verrassing meester ging maken van het kasteel.’t Was wel een zeer eigenaardige ontmoeting tusschen de geslepen Magareta van Valois en Don Juan. Deze was meer dan ooit door de St Bartholomeus-bruid bekoord, maar hij besefte volstrekt niet, dat haar ware doel niet haar gezondheid betrof, maar wel de ondergeschikten van Don Juan om te koopen en zijn gezag te ondermijnen. En Don Juan zelf? Zijn hoofdbedoeling was niet de koningin het hof te maken, neen, haar tegenwoordigheid moest juist dienen om zijn werkelijke plannen te bedekken.Toen Magareta in de richting van Luik verder was gereisd, bracht Don Juan zijn plannen ten uitvoer.Op den 24enJuli ging hij op de jacht en begeleid door Barlaimont en zijn vier zonen, overrompelde hij den kasteelbewaarder Froymont, wierp hem met zijn soldaten de poort uit en vestigde er zich met de zijnen. Hij verklaarde toen, dat dit de eerste dag was van zijn regeering, dat hij tot dien tijd toe niets had gehad dan een ijdelen titel en dat hij genoodzaakt was voor zijn eigen veiligheid dien maatregel te nemen. Hij zond aan de Staten en stadhouders bericht, dat hij alle artikelen van de Pacificatie wilde uitvoeren, maar voor zich zelf eischte: een lijfwacht, den eed van gehoorzaamheid van de stadhouders en het krijgsvolk aan hem en niet aan den Staten-Generaal; verwijdering van alle verdachte personen als Marnix e.a. en krijg tegen den Prins, zoo deze weigerde te onderhandelen. Het moest volgens Don Juan worden: voor of tegen Oranje. Tegelijkertijd trachtte hij meester te worden van de citadel te Antwerpen, doch die poging mislukte en ook met andere vestingen, die hij wilde veroveren, gelukte hem dit niet beter.Don Juans daad, hoe roekeloos ook, was niet onbegrijpelijk. Eer verwondert het ons, dat deze trotsche ridder, die met zulke hooggespannen verwachtingen naar het Noorden kwam, zich nog maanden lang al de vernederingen heeft laten welgevallen, en tot zulk een daad niet eerder de toevlucht nam. Doch hoe begrijpelijk ook, de daad zelf bevestigde volkomen het wantrouwen van den Prins; zij rechtvaardigde in de oogen van het gansche land den argwaan van Oranje. Al had hij zelf ook mede het wantrouwen gevoed, van het oogenblik af, dat Don Juan zich in zijn ware natuur deed kennen, rees zijn grootste tegenstander steeds meer in de schatting van het geheele volk. Don Juans aanslag op Namen werd de aanleiding tot de verheffing van den Prins.Eenige dagen voor de verrassing van Namen, was Marnix namens den Prins belast geweest, aan de Staten mededeeling te doen van zekere in Frankrijk onderschepte brieven, waaruit de booze voornemens van Don Juan ontmaskerd werden. “Alleen te vuur en te zwaard,” had hij den koning geschreven, konden de zaken hersteld worden, daar zachte geneesmiddelen niet hadden gebaat. Het land werd met slavernij en algemeenen ondergang bedreigd.De Staten waren dus voldoende gewaarschuwd en de overrompeling van Namen konden zij als het begin van de uitvoering zijner plannen beschouwen. Bovendien, wat beteekende zijne verzekering, dat hij zich aan de Pacificatie zou houden, indien toch de vrede niet werd bewaard en Oranje moest worden bestreden. Juist de vrede was het hoofddoel van het verdrag te Gent, waarnaar het zuiden niet minder verlangde dan het Noorden. Geen wonder dan ook dat de Staten-Generaal zich na den aanslag van Don Juan aanstonds met den Prins in betrekking stelden. Deze had den 2enAugustus aan de Staten geschreven om zich tegen den laster van den landvoogd te verdedigen, maar hem tevens te doen voelen, dat de manier, waarop de citadel te Namen was genomen, een duidelijke inbreuk was op den vrede, zoodat zij niets meer aan hun landvoogd verplicht waren.Don Juan zat, nu hij eenmaal het masker had afgeworpen, ook niet stil. Aerschot, de man, die door geen der partijen vertrouwd werd, ontnam hij het bevel over Antwerpen en droeg dit aan Treslong op, een onvoorwaardelijk royalist. Verder trachtte hij Duitsche huurtroepen naar Antwerpen te zenden, hetgeen echter mislukte, daar de stad ze weigerde binnen te laten. Treslong kon het niet lang op de citadel uithouden en daar vond men de geheime correspondentie van den landvoogd, die devalschheidvan al zijn verklaringen aan de Staten openbaarde. De stad bleef echter bang voor de Duitsche huurtroepen binnen zijn wallen.Toen echter Admiraal Haultain, een van ’s Prinsen commandanten, de Schelde kwam opvaren, vluchtten de troepen, van schrik bevangen, de stad uit naar Bergen op Zoom, waar ze de wapenen neerlegden en naar Breda, waar ze het nog twee maanden uithielden. Hun kapitein Fronsberg zond aan Don Juan een bode om instructies en deze beloofde binnen 6 weken hulp. Dit antwoord viel echter in handen van den Prins. Door middel van een verdichten brief, waarin Don Juan meldde, dat hij geen hulp kon geven, stond het garnizoen tegen zijn leider op en gaf hem met de geheele stad en met al hun wapenen aan de Staten over; Breda opende de poorten voor de troepen van den Prins onder Hohenlohe. Hetzij het werkelijk door middel van deze krijgslist geschiedde, hetzij op andere wijze, ’t voornaamste was dat op den 4enOctober 1577 de Duitsche voetknechten aftrokken en Hohenlohe nog denzelfden dag, onder uitbundig vreugdebetoon, de stad binnentrok. Van April 1567 af was de stad in handen der Spanjaarden geweest; nu, ruim tien jaar later was de Prins vrij in zijn eigen stad terug te keeren.Niet alleen in Breda, maar in verscheidene andere plaatsen van het Noorden geraakte de bevolking in beweging ten gevolge van den aanslag op Namen. Men riep van alle zijden om den Prins. Op het oogenblik van den aanslag hield hij zich in Noord-Holland op, waar het herstel der dijken zijn tegenwoordigheid had vereischt. Overal werd hij met luide kreten van toejuiching begroet. “Vader Willemis gekomen,” riep het volk elkander blijde tegen en waar hij werd ingeroepen, daar oordeelde hij het ook het best, heen te gaan.Onder de gouvernementen van den Prins, die groote behoefte aan zijn persoonlijk optreden toonden, behoorde in de eerste plaats Utrecht. Daar was sedert Februari 1577, toen de Spaansche bezetting het kasteel had verlaten, nog steeds de vraag onopgelost gebleven, wie er het stadhouderschap zou bekleeden. De meerderheid der bevolking stond den Prins voor, maar er was ook een candidaat, die vooral door de geestelijkheid gewenscht werd. Het gelukte ten slotte, de Staten van Utrecht te bewegen, dat ze zich onder het bestuur van Oranje zouden stellen. Toch bleven de onderhandelingen over de satisfactie nog voortduren. Onderwijl werd het Utrechtsche kasteel onder het gejuich en de medewerking der bevolking geslecht. Na den aanslag van Don Juan echter werd de volksbeweging in de stad voor den Prins zoo sterk, dat de hoplieden en de burgers van de Staten eischten, den Prins als stadhouder te ontvangen.Op den 18enAugustus kwam Oranje een feestelijk bezoek aan de stad brengen. Er scheen reden te bestaan, hem een lijfwacht voor zijn persoonlijke veiligheid aan te bieden, daar er vele Spaanschgezinden in de stad waren. Doch de Prins toonde, gedragen door de welkomstgroeten der bevolking geenerlei vrees; hij weigerde die lijfwacht en reed aan de zijde van Charlotte de stad door te midden der juichkreten.Een paar treffende voorvallen deden zich op dien tocht door Utrecht voor. Eerst werd de Prins plotseling door een hard voorwerp getroffen. Charlotte, meenende, dat er een schot op haar geliefden echtgenoot was gelost, riep in haar doodsangst: “Wij zijn verraden.” Oranje ontdekte spoedig, dat het niets dan een prop was uit een der kanonnen, die hem begroetten. “Het is heelemaal niets,” met die woorden kalmeerde hij de Prinses en het opgewonden volk en verzekerde hen, dat hij geheel ongedeerd was.En dat was niet het eenig ongeval, dat er plaats had; een van ernstiger aard zou nog volgen. Men verdrong zich overal aan de vensters, om den Prins in ’t voorbijgaan te zien; een jong meisje, 9 jaar oud, het dochtertje van een apotheker, leunde voorover en werd op den grond geworpen, vlak voor de paarden, die het rijtuig van den Prins trokken. Het was te laat, om ze tegen te houden. Het arme kind kwam onder de hoeven der paarden terecht en stierf bijna onmiddellijk. Oranje sprong uit de koets, nam zelf het verbrijzelde lichaampje op, droeg het bij de troostelooze ouders binnen en sprak hun eenige woorden van deelneming toe. Indien die twee voorvallen werkelijk gebeurd zijn (en er is geen reden om dat te betwijfelen), dan oefenden ze waarschijnlijk meer invloed uit om aanhangers van Oranje te winnen, dan folio’s argumenten zouden hebben kunnen doen.Feitelijk als stadhouder erkend en gehuldigd, duurde het echter nog tot October, eer de Staten-Generaal en de Raad van State daarin toestemden. Men vreesde maar al te zeer voor de toeneming van Oranje’s macht.In het Zuiden ontstond in verschillende plaatsen eveneens groote beweging; vooral in Gent, Antwerpen en Brussel. In de laatste stad vertoefde Marnix, die met Théron en Heze niets verzuimde, om het volk aan te sporen, den Prins vanOranje te doen roepen. Deze bleef voorloopig in Holland en schreef o. a. in Augustus een eigenhandigen brief aan Marnix, waarin hij hem dankt voor al zijn goede diensten aan de publieke zaak bewezen en vooral voor zijn pogingen, om de Staten te overtuigen, dat de Prins in al zijn daden door zijn ijver voor het algemeen welzijn beheerscht was.Hij geeft verder zijn vreugde te kennen over het afbreken van de citadel te Antwerpen en hoopt dat men daarmee door zal gaan. Aan het slot van zijn schrijven geeft hij te kennen, dat het goed zal zijn Don Juan van alle proviandeering, inzonderheid van koren af te sluiten, want, zegt de Prins: “Laat men bedenken, dat elke dag een maand is; ik zie overal de bewijzen, dat Don Juan al zijn krachten vergaderen wil en dat hij een tweede waagstuk gaat ondernemen, gelijk gij lezen kunt uit nevensgaanden brief van Mad. de Bailleu.”Inderdaad, Oranje gaf nauwkeurig acht op den tijd en wachtte den loop der dingen af, zonder dien naar zijn wensch te willen dwingen; hij bleef rustig in Holland. Had hij voor den aanslag op Namen alles gedaan, wat hij kon, om het wantrouwen tegen Don Juan op te wekken, nu dit door de feiten zelf was bevestigd, kon hij gerust den loop der zaken, zonder zich op den voorgrond te plaatsen, afwachten. Hij wilde zich voor geen prijs ter wereld aan het Zuiden opdringen; zelf zouden ze tot hem in nood de toevlucht moeten nemen. Hij begreep zeer goed, dat Don Juan zijn eigen graf had gedolven; de ontdekking van zijn brieven in de citadel van Antwerpen had zelfs de harten van hen, die hem zoogenaamd ondersteunden, verkoeld, terwijl de drukke correspondentie tusschen hem en de Staten niet in staat was, hem het vroegere vertrouwen terug te geven. Van de citadel te Namen uit drong hij o. a. met kracht aan op zijn recht, om de afgevaardigden van de Staten-Generaal te kiezen. Zijn bedoeling was, mannen als Marnix te weren. De Staten antwoordden, dat zoo iets door geen van zijn voorgangers ooit was gevraagd. Don Juan zag zich dan ook spoedig genoodzaakt, zijn toon te matigen. Het geheele land stond tegenover hem en de troepen, die hij terug ontboden had, waren nog niet eens op den terugweg. Filips zelf keurde eerst zijn handelingen ten sterkste af en verbood in den beginne, dat de troepen zouden teruggaan. Tegenover zulk een wanhopigen landvoogd moest wel van dag tot dag de invloed van Oranje rijzen. Dat beseften de Staten-Generaal ook wel en toch trachtten zij zich nog eerst aan die noodzakelijkheid te onttrekken. Ze zochten tijd te winnen en vleiden zich nog een poos, steun van den Prins te zullen ontvangen, zonder hem het bestuur over hunne zaken te geven. Doch die berekeningen, waarbij zeer vele persoonlijke consideraties in het spel waren, vielen eindelijk in duigen.De Prins nam, gelijk wij zeiden, een afwachtende houding aan. Toch lag het in den aard der zaak, dat hij door middel van Marnix, zijn vertegenwoordiger, met de Staten-Generaal te Brussel in contact bleef. Hij liet in dezelfde maand Augustus door zijn vertrouwden vriend en vertegenwoordiger verschillende punten in zijn naam aan de Staten-Generaal voorstellen. Nu Don Juan zich niet meer zou kunnen rechtvaardigen en evenmin zijn zaak goed maken, al zou hij dat ook beproeven, raadde de Prins den Staten-Generaal, brieven te zenden naar den Duitschen keizer en verschillende prinsen en graven van het rijk, om hen van alles opde hoogte te brengen en hen van de billijkheid hunner zaak te overtuigen. Oranje verwachtte goede uitwerking hiervan en meende, dat de vorsten bereid zouden zijn, hulp en ondersteuning te schenken.Ook wekt hij de Staten op, het wantrouwen in den Prins te laten varen, niet te denken, dat hij verandering in den godsdienst zou willen maken en toch vooral te gelooven, dat de Prins alleen het gemeenschappelijk heil op het oog heeft, n.l. den vijand te keer te gaan. En Oranje waarschuwt voor Amsterdam, dat hem nog altijd niet wil erkennen, neen integendeel met Don Juan heult. Over Amsterdam sprekende, zegt hij hard, maar niet onverdiend: “als zij konden zwemmen en het volk verdronk, ze zouden het rustig aanzien.”Ondertusschen begaf de Prins zich met het oog op de dingen, die komen konden en die hij wel voorzag, dat ook gebeuren zouden, naar Geertruidenberg, teneinde des te eerder bij de hand te zijn, als zijn hulp werd ingeroepen. Aan Courteville, die van wege de Staten tot hem kwam, gaf hij te kennen, dat alleen oorlog tegen den vreemdeling en eendrachtig handelen, het geneesmiddel tot behoud is. Verder geeft hij den Staten tal van dingen in overweging, welke naar zijn meening moeten geschieden, o.a. teruggave van vele steden als Breda, den Bosch, Roermond, Kampen, Deventer enz; een gezantschap naar Elisabeth; heffing van geld, lichting van troepen enz.De Staten dankten hem voor zijn raad en deelden hun vreugde mede, dat hij te Geertruidenberg was gekomen, teneinde bij de hand te zijn, als de verdediging van de gemeenschappelijke zaak noodig was.De hoop op hulp van Elisabeth scheen thans gegrond. Zij zelf scheen, na het verraad van Don Juan, bang voor zijn plannen en zond in plaats van Wilson, William Davison, den beslisten tegenstander van Spanje, als gezant naar Brussel. Hij kreeg last om in het openbaar de verzekering te geven van Elisabeths geneigdheid tot bemiddeling, doch onder de hand bij de “goede patriotten” het wantrouwen tegen Don Juan aan te blazen en de inroeping van Oranje te bevorderen. Het duurde nog tot het begin van 1578, eer Engeland werkelijk hulp zond.Nog altijd was er in de Staten-Generaal een minderheid, die meer met vrees, dan met hoop de overkomst van Oranje tegemoet zag. Zij had gestemd tegen de slooping van de citadel te Antwerpen en het kasteel van Gent en zij hoopte steeds den oorlog te vermijden en met Don Juan als beschermer van het katholieke geloof en den wettigen landvoogd, vrede te kunnen sluiten. In de eerste dagen van September kwamen er allerlei onrustbarende tijdingen in Brussel over Don Juans toerustingen en de hulp, die hij van den hertog van Guise te wachten had.De burgerij kwam daardoor in heftige beroering en met meer aandrang dan vroeger, riep deze nu om Oranje. De Prins werd als de eenige beschouwd, die getoond had de Spanjaarden het hoofd te kunnen bieden. Verschil in godsdienst mocht die komst niet beletten, want voor ’t grootste gedeelte waren de Brusselsche burgers katholiek. De geheele stad telde niet meer dan 800 Calvinisten. Maar hetzij dan Calvinistisch of Katholiek, de Prins van Oranje alleen was in staat de orde te herstellen en den Spanjaard te keer te gaan.Onder dien aandrang van het volk, viel op den 6enSeptember het besluit der Staten-Generaal om den Prins in te roepen. Een commissie werd aangewezen, hem persoonlijk dit verzoek over te brengen. Onnoodig is het te zeggen dat die commissie een willig oor vond bij Oranje; hij gaf haar de verzekering, alles in het werk te zullen stellen, om, zelfs met opoffering van bloed en leven, het vaderland te behouden.In het adres van de commissie was tevens gevraagd, of de Prins de uitoefening van den katholieken godsdienst ook in Holland en Zeeland zou toestaan, maar daarop gaf hij ten antwoord, dat dit niet in de Pacificatie stond, maar door hem in overleg met de Staten zou worden overdacht. Zijn plichten tegenover Holland en Zeeland noodzaakten hem niets te doen, zonder toestemming van de Staten. Hij beloofde plechtig, dat door hem noch door Holland en Zeeland eenige aanval op den katholieken godsdienst in andere gewesten zou gedaan worden.Wel zag men Oranje in Holland en Zeeland, waar hij nu vijf jaren achtereen had gewoond en gewerkt, waar zijn populariteit met den dag was gestegen en waar men hem als den vader des vaderlands beschouwde, slechts noode vertrekken. Bekommering en angst maken zich meester niet alleen van zijne edele vrouw Charlotte van Bourbon, maar ook van tallooze regenten en mannen uit het volk, bij de gedachte, dat hun leider hen ging verlaten. Doch de Prins mocht niet anders handelen, dat begrepen ze ook zelve wel. De Staten in Gouda verzameld, gaven hun goedkeuring; eerstdaags verwachtten ze Graaf Jan van Nassau, ’s Prinsen broeder, uit Dillenburg, die hem tijdelijk zou vervangen. Den 18enSeptember ging Oranje naar Antwerpen.Nog werd er een laatste poging aangewend door de minderheid der Staten-Generaal, om de komst van Oranje in Brussel tegen te houden. Gaspar Schets en de bisschop van Brugge waren de overbrengers van een ultimatum aan den landvoogd, waardoor men meende, den oorlog nog te kunnen vermijden. Van Don Juan werd geëischt: ontruiming van Namen, ontbinding van het leger, dat hij bezig was te verzamelen; zijn vertrek naar Luxemburg, totdat de koning een anderen landvoogd benoemd had, of overdracht der regeering aan den Raad van State. Wanhopig over het stilzwijgen van Filips II, stemde Don Juan in al de vernederende voorwaarden toe. De gezanten kwamen uit Namen terug en op 23 September keurde een onvoltallige vergadering dit verdrag, aan Don Juan afgeperst, goed.Doch op dienzelfden 23enSeptember verscheen de Prins in Brussel. Een commissie uit de Staten-Generaal was hem in Antwerpen komen begroeten en had hem sterk aangeraden, zijn reis naar de hoofdstad voort te zetten. Het gaan daarheen was een ware triomftocht.In drie barges werd Oranje en zijn gevolg langs het kanaal van Antwerpen naar Brussel gebracht. Driehonderd gewapende Antwerpenaren begeleidden den stoet. De gewapende burgerij, 26 vendels, 4000 man sterk, wachtte hem op aan de poorten der stad. Aan de landingsplaats werd hij verwelkomd door Aerschot en tal van edelen, waarna de optocht aanving door de rijk versierde stad. De tien-jarige oorlog had den Vlamingen den lust in zinnebeelden en allegorieën bij zulk een feest niet benomen. De straten waren met groen versierd en met tapijten bedekt.Eerebogen en allerlei versieringen vertolkten de vreugde der bevolking; de eerewijn werd “den hersteller en verdediger der vrijheid van het vaderland” aangeboden en daarop werd hij geleid naar zijn eigen paleis, naar het paleis zijner vaderen, dat thans hersteld was, om den balling zoo eervol mogelijk te ontvangen.Hoe moet het hart van den Prins op dien dag geklopt hebben, toen hij Brussel na tien-jarige afwezigheid weerom zag en daar ontvangen werd als een souverein. Wat was er in dien tijd niet over zijn hoofd en hart heengegaan. Toen vluchtende voor de naderende komst van Alva en thans ingehaald en verwelkomd als de redder des lands. Wat hij in die dagen had gewenscht en hem bij de Pacificatie van Gent was toegezegd, scheen thans bereikt:de Nederlanden tegen Spanje en zijn landvoogd vereenigd.Had hij Brussel moeten vaarwel zeggen in 1567, te recht bevreesd voor de wraak van een landvoogd, nu was er een andere landvoogd die wel eenige maanden geleden ook in Brussel was ingehaald, maar die thans als het ware gevlucht was voor hem of liever voor den vrijheidsgeest, die het geheele volk bezielde.Thans waren al de teleurstellingen vergeten, die hem in de jaren van het Zuiden ten deel waren gevallen; ook die gesloten poorten der steden, die hem noch in 1568, noch in 1572 wilden ontvangen. Eindelijk was het volk aan zich zelf teruggegeven; zijn oogen waren opengegaan voor de redding, die hij kon aanbrengen.O glorievolle dag, die 23eSeptember 1577, toen de ketter en de rebel, toen de balling en de door de wet veroordeelde en verdrevene als redder des lands werd ingehaald, op grond van zijn grooten en welverdienden naam, dien hij zich in het Noorden van het land had verworven.De vader des vaderlands scheen zijn ideaal: het vereenigd Noord en Zuid, te hebben verwezenlijkt.Zou de eerste nacht, nadat Aerschot met hem den avondmaaltijd gebruikt had in het oude paleis der Nassau’s, zonder eenigen angstigen droom zijn voorbijgegaan? Wij weten het niet, maar de volgende hoofdstukken zullen ons bewijzen, dat er althans reden genoeg voor hem bestond een onrustigen nacht door te maken.

De groote bewerker van de zijde der Staten-Generaal van het Eeuwig Edict was ongetwijfeld Aerschot. Het wordt dan ook wel de vrede van Aerschot genoemd, hoewel anderen om den grooten invloed, dien de priesters er op uitoefenden, dien vrede met den naam van vrede der priesters betitelden. De Engelsche gezant Wilson schreef Aerschots aandrang vooral toe aan zijn vrees voor den Prins. De goedkeuring van dezen had men niet afgewacht en geen wonder dan ook, dat de eerste vraag, die de Staten in Brussel zich na de teekening van het stuk afvroegen, deze was: Wat zal Oranje doen?

Ze schreven hem onmiddellijk, om hun handelwijze te verdedigen en daarmede niet gerust, zonden ze hem twee afgevaardigden, teneinde hem nader persoonlijk uitlegging te geven van de beweegredenen, die hen tot het aannemen en onderteekenen geleid hadden. Oranje gaf reeds den volgenden dag, mede in naam van Holland en Zeeland, antwoord. Hij erkende de goede bedoelingen der Staten, maar meende, dat hun ijver misplaatst was. Verschillende gewichtige bezwaren voerde hij aan; zoo vond hij het verkeerd, dat de Staten-Generaal niet vrij waren zelf een vergadering bijeen te roepen; ook had men van de gelegenheid moeten gebruik maken nieuwe privileges te vragen.

De uitzondering, welke gemaakt was omtrent Oranje’s oudsten zoon, den graaf van Buren, achtte hij in strijd met alle recht en billijkheid en tevens een schending van de Pacificatie. Behalve deze en nog meer klachten van den Prins, beloofde hij toch, het eeuwig Edict te teekenen mits enkele voorwaarden vervuld waren. De Staten-Generaal moesten beloven alle verkeer met Don Juan te verbreken, indien niet de Spaansche soldaten binnen een bepaalden tijd het land zouden verlaten hebben. Don Juan zal ook niet erkend worden, voordat ten volle en in allen deele in de punten is voorzien, die op eenigerlei wijze in strijd mochtenzijn met de privileges, rechten en vrijheden van het land en met de Pacificatie, volgens welke ieder hersteld moet worden in zijn bezittingen in Bourgondië zoowel als in de Nederlanden.

Nu was vooral die tweede voorwaarde voor zeer verschillende uitlegging vatbaar. De handhaving van de Pacificatie en van de privileges had voor den Prins een geheel andere beteekenis, dan voor de meeste leden der Staten-Generaal te Brussel. Nauwelijks geloofde hij aan de belofte, dat de Spaansche troepen zouden vertrekken; maar zelfs in de onderstelling, dat dit nog gebeurde, geloofde hij niet in de goede trouw van den koning en van Don Juan omtrent andere bepalingen der Pacificatie. Zijn wantrouwen was te diep; hij had nu reeds te lang zooveel bittere ondervinding opgedaan van Filips’ kwade trouw, dan dat hij niet zou meenen dat die koning, als hij de kans slechts schoon zag, de eerste zou zijn, om de Pacificatie te verbreken.

Wat was Oranje’s voortdurend streven geweest? Hij was den strijd begonnen tegen de willekeur en het absolutisme van den landsheer en handhaving der privileges was zijn doel geweest. Doch nu was het gebeurd, dat hij in den loop van die worsteling zijn kloekste, offervaardigste medestanders gevonden had in de Calvinisten en zoo was hij de aanvoerder der ketters geworden en schijnbaar de kampvechter van het Calvinisme. Maar inderdaad reikte zijn blik verder. Oranje was geen Calvinist; hij miste een hunner hoofdkenmerken van dien tijd, hun mateloozen ijver en geest van uitsluiting; hij streed niet voor een secte, maar voor geloofsvrijheid; ook niet voor Holland en Zeeland alleen, doch voor de staatkundige vrijheid van al de Nederlanden.”

Toch wilde hij een anderen toestand als dien onder Karel V, hoe deze vorst ook door hem om vele persoonlijke eigenschappen werd vereerd, want deze was toch begonnen met de plakkaten en met de vervolgingen. En dan—had Karel V niet de citadellen van Utrecht en Gent gebouwd, om deze steden in zijn bedwang te hebben? Daarom waren er betere waarborgen tegen willekeur noodig. Verloren privileges moesten herwonnen, maar ook nieuwe gegeven worden.

Op de vernietiging van die citadellen was dan ook zijn aandacht gevestigd. Op den 6enMaart zond hij Mansard naar Brussel, om o. a. daarop ten sterkste aan te dringen, voordat men Don Juan erkende, want in die kasteelen zag hij een voortdurende bedreiging van het land.

Ook uit den brief in die dagen aan zijn broer Jan geschreven, blijkt ten duidelijkste, hoe wantrouwend de Prins omtrent den Spanjaard bleef. Hij bedankt Jan tevens voor de moeite, die hij zich voor de goede zaak telkens geeft en hoopt spoedig met hem over alles te kunnen praten.

Don Juan begreep zeer goed, dat het Eeuwig Edict niet veel waarde voor hem had, zoolang de Prins het niet had geteekend. Hij was zeer op Oranje’s vriendschap gesteld, terwijl hij wel wist, dat elke poging om Holland en Zeeland te herwinnen en het wereldlijk en geestelijk gezag te herstellen, zonder hulp van den Prins, op niets zou uitloopen. “Dit is de stuurman” schreef Don Juan aan Filips, “die het schip naar zijn welbehagen stuurt. Hij alleen kan het in den grondboren of redden. De grootste beletselen zouden uit den weg geruimd zijn, als men hem winnen kon.”

Eerst dacht de nieuwe landvoogd er over en Filips was er zeer mee ingenomen, den Prins voor te stellen, zijn stadhouderschappen op zijn zoon, den graaf van Buren over te dragen, op voorwaarde, dat Oranje zelf naar Duitschland zou gaan.

Wat kenden Filips en Don Juan Oranje nog weinig, dat ze daarover nog een oogenblik gedacht hebben. Ze meenden, en Oranje’s vijanden in onzen tijd doen dat ook nog, dat de Prins bovenal voor zich zelf iets zocht; ze konden zich blijkbaar geen voorstelling vormen van den nauwen band, die er tusschen hem en zijn aangenomen vaderland bestond. Het plan liet Don Juan spoedig varen en in overleg met Aerschot werd besloten om den Prins door overreding en onderhandeling te winnen.

Dr. Leoninus, die ook vroeger met Oranje in Breda had onderhandeld, werd er op afgezonden en den 11enMaart door den Prins te Middelburg in gehoor ontvangen. De toon door Dr. Leoninus aangeslagen, was zoo zacht en gemoedelijk mogelijk. Plechtig werd verzekerd, dat de Prins aan Z. M. zulk een dienst zou bewijzen; de belooning zou niet gering wezen en de toekomst van het huis van Oranje verzekerd zijn. ’t Klonk alles prachtig, doch het voornaamste bleef, want het gezag van den koning en de Roomsche religie moesten als van ouds in Holland en Zeeland geëerbiedigd worden.

“Uw naam is er evenzeer veracht en verafschuwd, als die van den Prins geliefd en vereerd,” schreef Don Juan in die dagen aan Filips, terwijl hij erbij voegde, dat aan Oranje zeer voordeelige voorwaarden geschonken dienden te worden, om niet alles te verliezen.

Don Juan scheen maar niet te kunnen begrijpen, dat Oranje zich onafscheidelijk met Holland en Zeeland had verbonden en tot geen prijs hoegenaamd gezind zou wezen, den vrede van hem te koopen. Oranje beloofde de zaak ter kennis van de Staten van Holland en Zeeland te brengen, maar hij zei aan Leoninus, dat hij het lot van Egmond en Hoorne niet kon vergeten, evenmin de wijze waarop de hertogin van Parma haar beloften aan de verbonden edelen had gehouden, noch het gedrag van den koning van Frankrijk tegenover Coligny. De Prins gaf ten slotte weinig hoop, dat men tot een verstandhouding zou komen, maar in Dordrecht kon de gezant het antwoord van de Staten van Holland en Zeeland vernemen.

Don Juan had zulk een resultaat in het minst niet verwacht, maar hij hoopte, dat de Prins ten slotte zou toegeven, terwijl hij Filips o. a. schreef: “Ik weet geen ander middel om den ondergang te voorkomen, dan dezen man te winnen, die zulk een invloed op het volk heeft.”

Dit laatste was volkomen juist en de macht van Oranje werd steeds grooter, doordat zich ook vele steden in het Noorden bij de Pacificatie aansloten; alleen Amsterdam en Haarlem bleven zich nog verzetten.

Don Juan sloofde zich inmiddels uit om de gemoederen voor zich te winnen. De Spaansche troepen moesten weg, maar geld ontbrak; de landvoogd stortteechter uit eigen middelen 27000 kronen om het noodige te verkrijgen tot verwijdering der troepen. Op allerlei wijze toonde hij zijn minzaamheid ten opzichte van de burgers; hij woonde te Leuven een plechtig feest der schuttersgilden bij en naar het voorbeeld van keizers en vorsten uit vroeger dagen, nam ook Don Juan een kruisboog en schaarde zich onder de mededingers. Nog hooger klom de geestdrift, toen de overwinnaar van Lepanto den vogel nederschoot en onder algemeenen bijval tot schutterkoning van dat jaar uitgeroepen werd. Overeenkomstig het gebruik hingen de kapiteins van het gilde Zijne Hoogheid een gouden papegaai om den hals en volgden zij hem in statigen optocht naar de hoofdkerk.

Was het moeilijk geweest geld te krijgen voor de terugzending der troepen, in April vertrokken na uitlevering der wederzijdsche gevangenen, de Spaansche, Italiaansche en Bourgondische troepen in de richting van Italië. De voornaamste wensch van de Staten-Generaal was vervuld en velen waren het met de door Hooft vertaalde dichtregelen eens, welke luidden:

De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?Ick kerm, omdat in stee van d’R de T niet staat.

De Spaanjaards zijn nu dooR: Wat schreit gij Neerlandsch zaat?

Ick kerm, omdat in stee van d’R de T niet staat.

Thans kon de landvoogd zijn intrede in Brussel doen en gehuldigd worden.

Zij had op den 1enMei 1577 plaats. Geen moeite was gespaard, haar zoo schitterend mogelijk te maken. Het volk van Brabant was op het punt van tooneeleffecten zeer artistiek en er werd dan ook een prachtvol feest van gemaakt. Een reeks van triumfbogen was langs den weg, dien de optocht zou afleggen, opgericht. Een wagen bedekt door een met goud geborduurd kleed en door een paar schimmels getrokken, ging vooraan. Zij was beladen met den schoonen last van al de vruchten der aarde. Ook was er een stapel gebroken wapens te zien, om af te beelden, wat er van de vrede verwacht kon worden. De vensters waren gevuld met het schoone geslacht, vrouwen en dochters, jongen en ouden, edelen en burgers, allen sierlijk getooid. Bloemen en kransen werden den binnenkomenden landvoogd als een groet toegeworpen.

Toen Don Juan de Brabantsche hoofdstad binnenreed, zat de bisschop van Luik aan zijn eene zijde, de pauselijke gezant aan den anderen kant; de optocht bestond uit 3000 personen. Passende zinnebeelden getuigden overal van den ijver der Brabanders om den held van Lepanto te vereeren, dien zij thans als hun bestuurder erkenden, terwijl ze hem zoo geruimen tijd aan hun deur hadden laten staan. Drie dagen later legde de held van den dag den eed op het stadhuis af en daarmede scheen de Spaansche koning weder in zijn macht hersteld te zijn.

We zouden niet zeggen, dat dit feest den man gold, die de Nederlanden vergeleek met “een afzichtelijk babel” en een “hel,” terwijl hij de hem omringende personen voor “dronkaards, wijnzakken en schelmen” uitmaakte.

Daar Oranje, noch de Staten van Holland en Zeeland het Eeuwig Edict hadden geteekend, namen zij ook geen deel aan de huldigingsfeesten van Don Juan in Brussel. De Prins bleef echter in alles gemengd en was in voortdurende correspondentie met de Staten-Generaal en den Raad van State, ook met Aerschot o.a. over Breda, dat hij overeenkomstig de Pacificatie, terugvorderde.

Onder al de werkzaamheden in die dagen werd hij door ernstige koorts aangetast en was genoodzaakt, het bed te houden. Hij schreef daar althans zijn broeder Jan over en gaf te kennen, dat hij zich te zwak voelde om hem over zeker onderwerp te schrijven.

Geen broeder ter wereld heeft ooit met zooveel hartelijkheid zwaarder lasten op zich genomen, als graaf Jan van Nassau voor Oranje. De kinderen van den Prins waren en bleven hem altijd welkom. Toen hij zijn eigen zoon naar Siegen zond, gaf hij ook als zijn wensch te kennen, dat Maurits, ’s Prinsen zoon, daarheen zou gaan. En toen Oranje hem vroeg, hem zijn oudste dochter, Marie, terug te zenden, richtte Jan een schrijven aan hem, dat ons een allervriendelijkst beeld van het gezin in Nassau geeft, waarin we nog steeds Juliana, de moeder, ontmoeten. Hij schreef namelijk het volgende over dat terugzenden van Marie naar Holland:

“Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten, indien ze moest vertrekken.Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar gehecht was.Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in haar gezelschap kan zijn.Dillenburg, in haast 26 Mei ’77.”

“Het zou mij spijten, indien ik dit moest doen, maar ik wil u toch uw zin geven, als ge het verlangt. Alleen verzoek ik Uwe Genade niet te denken, dat ze mij tot last is; dat zou ik erg verdrietig vinden. Indien gij en uw vrouw haar niet missen kunt, zal ik mij natuurlijk niet verzetten, maar anders laat haar verblijf bij ons zoo lang mogelijk duren. Het is mij en mijne huisvrouw een groot genot haar bij ons te hebben en bovenal voor Mevrouw onze moeder zou het mij spijten, indien ze moest vertrekken.

Zichtbaar gaat onze moeder achteruit, ze wordt zwak en als ze alleen is, is zij zeer zwaarmoedig en gedrukt. Het is een weldaad voor haar, uwe dochter bij zich te hebben, daar zij het grootste deel van den dag met moeder kan doorbrengen en Marie is zeer behulpzaam met haar voor te lezen, voor haar te schrijven, haar te kleeden en voor haar medicijnen en confituren te zorgen. Onze moeder zal inderdaad hoogst verdrietig zijn, als ze mijn nicht zal moeten missen en dan alleen zal moeten zitten, zooals ze dat geruimen tijd moest doen na den dood van mijne dochter Anna, die zeer aan haar gehecht was.

Mijne huisvrouw heeft te veel met de kinderen en het huishouden te doen, zoodat zij slechts een klein deel van den dag in haar gezelschap kan zijn.

Dillenburg, in haast 26 Mei ’77.”

Ook de moeder, hoewel zwak, had begin April nog aan haar zoon geschreven dat, al wenschte zij met al haar kracht herstel van vrede, dit geen vrede moest zijn, die de arme Christenen in kommer en zorg liet. Ja zelfs over Don Juan schreef ze hem deze woorden: “De Satan kleedt zich in een schapenvacht, maar zal weldra een verscheurende wolf zijn, waardoor de Christenen in groote droefheid zullen komen. In weerwil van het aangenaam voorkomen van den schoonen en minzamen Prins van Oostenrijk en zijn onbekrompen aanbiedingen, moet men den verleider schuwen en het oor voor hem sluiten.”

Te midden van den overstelpenden arbeid van Oranje op politiek gebied, die wel in staat zou zijn geweest, hem zijn gemoedsrust te ontrooven, moet hetook een weldaad voor hem geweest zijn, zulke innig vriendelijke gedachten uit zijn geboorteplaats te vernemen. Het doet ons zelfs weldadig aan, op dat vriendelijk tafereel te staren, dat Graaf Jan hier aan zijn broeder beschrijft. Want hoe hoog ook onze eerbied steeds moge stijgen voor het reuzengenie van Oranje, hoe heerlijk ook voor onzen blik diens machtige geest zweeft boven de bruisende wateren van staatkundige plannen en doeleinden, hier, waar een beroep wordt gedaan op zijn kinderhart, om ter wille van zijn verzwakkende moeder zijn dochter nog te blijven afstaan, daar hooren we ook het hart kloppen van dien grooten geest en ook dit doet ons wonder goed; we komen voor een wijle zelf tot verademing, te midden van het vermoeiend verhaal zijner inspanning en werkzaamheid.

Niettegenstaande de luisterrijke blijde inkomst van Don Juan in Brussel, gevoelde hij zich zelf toch alles behalve op zijn gemak. De brieven, die hij naar Spanje schreef, waren geheel in strijd met zijn vriendelijke houding, die hij tegenover de Nederlanders aannam. Nu moet erkend worden, dat zijn positie ook lang niet benijdenswaardig was. Naar het Noorden gekomen, in de hoop uitvoering te geven aan zijn ridderlijk plan, Maria Stuart te gaan verlossen, zag hij zich niet alleen in dien geheimen wensch geheel gedwarsboomd, maar hij kende ook de gezindheid van het volk tegenover hem en vreesde niet ten onrechte voor samenzweringen tegen zijn leven.

Hij wist, hoe Oranje door de bevolking van Brussel vereerd werd en hij, die alleen op oorlogsroem hoopte, zag zich niet alleen van alle soldaten beroofd, maar was verplicht de landvoogd te zijn van een volk, dat hem eenvoudig de wetten stelde. Herhaalde aanzoeken aan Filips, om ontslagen te worden van de landvoogdij, met de opmerking, dat Margareta van Parma of een andere vrouw hier beter op hare plaats zou zijn, werden door den koning geweigerd of niet beantwoord. En nauwelijks was hij zoo plechtig ingehaald, of de Staten-Generaal kwamen met een zestal nieuwe eischen tot hem, die hij moest inwilligen, doch die hem hoe langer hoe meer de handen bonden. Toch bleef hij aanvankelijk inschikkelijk en toegeeflijk en begreep hij, allereerst met Oranje tot een schikking te moeten komen, wilde er iets goeds door hem worden gedaan.

Wel was een zending van Leoninus in Maart naar Dordrecht, waar de Prins zich toen ophield, even vruchteloos afgeloopen als diens bezoek te Middelburg, maar de Staten-Generaal en Don Juan namen het besluit, nog een poging aan te wenden, om Oranje te winnen.

In het midden van Mei gingen van de zijde van Don Juan de volgende commissarissen naar Geertruidenberg: Aerschot, Hierges, Willerval en Meetkercke, om met Leoninus en Gaspar Schets van Grobbendonck, die reeds vooruit waren gezonden, de Staten-Generaal te vertegenwoordigen. Van ’s Prinsen zijde waren er behalve Oranje zelf, Marnix, van Zuylen van Nijevelt, van der Myle, Coninck en Vosbergen. Het voornaamste punt der besprekingen was, of Oranje het Eeuwig Edict zou aannemen. De Prins beweerde echter, dat hij het onmogelijk kon teekenen, omdat het Edict zich grondde op de Unie van Brussel en deze Unie in strijd was met de bepalingen der Pacificatie.

“Over welk punt,” vroeg Schets van Grobbendonck, “beklaagt gij u in het bijzonder en in welk opzicht is de Gentsche Pacificatie geschonden?”

Op die vraag brak de Prins in een stroom van verwijten los. Hij wees op zijn zoon, die in den vreemde werd gevangen gehouden; op zijn Bredasche goederen, die men hem onthield; op de schending van oude rechten en handvesten; op de verfoeilijke plakkaten, die naar het heette geschorst, maar in werkelijkheid in volle kracht waren enz.

“Gij verwijt mij wantrouwen!” riep Oranje uit, “maar zoolang de kasteelen van Antwerpen, Gent, Namen en zooveel anderen nog overeind staan, zijt gij het, die blijken geeft, hoe weinig vertrouwen gij hebt op eene duurzame en minnelijke schikking.”

“En wat,” vroeg de afgevaardigde, “wat is het punt dat u het naast aan het hart ligt? Wat verlangt Uwe Excellentie het meest? Door welke middelen kan de regeering u volkomen genoegdoening geven?”

“Ik wensch,” gaf Oranje eenvoudig ten antwoord, “dat de Gentsche Pacificatie in allen deele ten uitvoer wordt gebracht. Als gij het algemeen welzijn des lands op het oog hebt, dan is het goed en dank ik u. Zoo niet, dan is het vruchteloos eenig aanbod te doen, want ik bedoel ’s lands belang en niet het mijne.”

Later zei de Prins, dat als de Staten-Generaal bijeengekomen zouden zijn, de tijd eerst was aangebroken om de artikelen voor te stellen, welke tot wederzijdsche zekerheid noodig waren.

Ook vroeg men den Prins welke waarborgen hij gaf tot nakoming der Pacificatie.

“Wij zijn niet verplicht die waarborgen te geven,” gaf hij ten antwoord. “De Pacificatie is zelf een waarborg, want ze is eene voorloopige schikking door beide partijen te onderhouden, totdat de vergadering der Staten zal beslist hebben.”

En toen een der afgevaardigden het vermoeden uitsprak dat de Prins, na alles teruggekregen te hebben, den oorlog zou verklaren, gaf hij ten antwoord:

“Den oorlog? Zijt ge daar bevreesd voor? Wij zijn maar een handvol volks, een worm, vergeleken bij den koning van Spanje. Bovendien zijt gij vijftien provinciën tegen twee, wat hebt ge dus te vreezen?”

“Maar,” drong Schets aan, “belooft gij eerlijk, u aan alles te onderwerpen, wat de Staten-Generaal zullen verordenen, ook ten opzichte van den godsdienst?”

“Dat kan ik niet beloven,” zei Oranje, “want gij hebt de Pacificatie reeds geschonden, door zonder onze toestemming met Don Juan eene overeenkomst aan te gaan en hem als landvoogd te erkennen.”

“Gij zijt dus niet van zins, de beslissing der Staten aan te nemen?” hernam Schets.

“Dat zeg ik niet; mogelijk wel, mogelijk niet; wij zijn niet meer in ons geheel,” antwoordde Oranje weer.

“Maar wij willen u in uw geheel brengen,” zei Schets.

“Dat kunt gij niet,” hernam de Prins, “want gij hebt de Pacificatie geheel verscheurd. Wij hebben daarom van de Staten niets anders te verwachten, dan kort en goed veroordeeld te worden.”

Schets herhaalde nog eens de vraag, of de Prins niet voornemens was zich op het gebied van den godsdienst aan de Staten te onderwerpen en Oranje gaf het stellige antwoord:

“Neen! Zeker niet. Om u de waarheid te zeggen, wij zien, dat uw doel is, ons uit te roeien en wij willen ons niet laten uitroeien.” En of Aerschot al suste: “Kom, kom! er is niemand, die dat wenscht,” de Prins bleef bij hetgeen hij gezegd had. We behoeven niet te zeggen, dat de conferentie waarvan een trouw verslag is bewaard gebleven, tot geen resultaten leidde. De Prins zou zich zelf niet geweest zijn, indien hij zich had laten overreden tot het teekenen van het Eeuwig Edict, dat zoovele nadeelige consequenties voor hem en voor Holland en Zeeland in zich bevatte.

Merkwaardig is ook de brief, welke de Prins zelf in die dagen aan Don Juan schreef. Oranje dankt o. a. Don Juan, dat hij hem zoo humaan en zoo vol zorg den weg wil wijzen tot een rustig, zeker en eerlijk leven, maar hij voegt daaraan deze ironische woorden toe: “waarin voor u het hoogste geluk van dit sterfelijk leven schijnt te bestaan.”

Waarschijnlijk had Don Juan hem wederom nieuwe beloften gedaan, voor den Prins persoonlijk voordeelig.

Die woorden zijn op zich zelf genoeg, om alle verdachtmaking van den edelen Oranje, waarmee hij nog tot heden vervolgd wordt, te niet te doen. Geen rustig, gemakkelijk, weelderig leven begeerde de Prins ooit; zijn geluk hing van geheel andere dingen, dan van uiterlijke welvaart en rust af. Voor hem, die Oranje zulke aanbiedingen durfde doen, mocht wellicht “le comble du bonheur” daarin zijn gelegen, voor den Prins was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als een vader liefhadden. Hij heeft er nooit aan gedacht zijn lot van dat van Holland en Zeeland te scheiden—hij zou zich geen rust en geluk kunnen voorstellen zonder dat hij, in den heftigsten strijd desnoods voor de zijnen, den grond voor hun geluk en welvaart had gevonden.

Was zijn geheele brief aan Don Juan een meesterstuk van wantrouwende en toch wellevende politiek, ook uit dat oogpunt is zijn schrijven aan Schets van Grobbendonck merkwaardig. Deze beschuldigt den Prins, dat hij zoo wantrouwend is, waarop Oranje antwoordt, dat evenals er tusschen ware vrienden een goed vertrouwen moet bestaan, er tusschen vijanden niets dan wantrouwen kan zijn. Wil men dat wegnemen, dan moet de vijandschap, de oorzaak van het wantrouwen, ophouden. Welnu, gaat de Prins voort, wij hebben een Pacificatie gemaakt niet minder plechtig als heilzaam voor geheel het land. En wat zien we nu? Gij lieden zijt van uw kant vol wantrouwen, want niet één punt ervan brengt ge in vervulling; ge schendt haar dagelijks en doet alsof zij nooit gemaakt, noch bezworen is.

Men ziet, dat men elkaar van wantrouwen beschuldigde, doch als men geen bevooroordeelde meening omtrent den Zwijger is toegedaan, kan het niet anders dan duidelijk zijn, dat het wantrouwen van den Prins in Don Juan billijker grond had dan het wantrouwen van de Staten-Generaal in den Prins, met wien de Pacificatie was gesloten, in de zekere verwachting, dat al hare voorwaarden zouden worden opgevolgd.

Waar aldus het wantrouwen van beide zijden bleef bestaan, was de kans op vernieuwing van den krijg zeer groot; beiden Don Juan en Oranje waren daar op bedacht. Deze had daartoe dringend hulp noodig, maar de vraag was waar die te vinden. Van Frankrijk was thans niets te verwachten, want de hertog van Anjou had zich in den aanvang van 1577 zelfs aan het hoofd der katholieken geplaatst en werd hun aanvoerder tegen de Hugenoten! Met Engeland was de verhouding echter beter; raadslieden in de omgeving van Elisabeth bepleitten hare tusschenkomst voor Oranje en deze kwam de vorstin tegemoet in geschillen over handelszaken.

Oranje’s echtgenoote, Charlotte, had het leven aan eene tweede dochter geschonken, die de Prins den naam van Elisabeth gaf. Toen nu Sidney, op zijn terugreis uit Duitschland, waar hij namens de Engelsche koningin, den nieuwen Keizer Rudolf was gaan begroeten, door Nederland kwam, kreeg Sidney van Elisabeth in opdracht naar Oranje te gaan. Hij moest den Prins niet alleen gelukwenschen met de geboorte van zijne dochter, maar tevens als peet in naam van Elisabeth de doopplechtigheid bijwonen. De Prins, hiermee zeer vereerd, maakte van deze ongezochte gelegenheid gebruik om de zaak der Nederlanden bij de koningin aan te bevelen. Hij droeg Sidney op, de vorstin voor te stellen een geheim verbond met hem te sluiten. De havens van Holland en Zeeland en hunne vloot zouden in elken oorlog van Elisabeth met Frankrijk of Spanje, tot haar beschikking zijn; van haar kant zou ze jaarlijks geldelijke hulp geven, terwijl haar onderdanen alle verkeer met de Spanjaarden moest worden verboden en deze zich in Engelsche havens niet meer van benoodigdheden mochten voorzien. De Prins waarschuwde Elisabeth ook voor de plannen van Don Juan, welke zich mede tot Engeland uitstrekten.

Tegelijkertijd deed Wilson, Elisabeths agent te Brussel, haar ook waarschuwen voor Don Juan op de hoede te zijn.

In een schrijven van Wilson aan Walsingham geeft hij berichten over den gespannen toestand in de Nederlanden en daarin raadt hij ook onderhandelingen te beginnen. Daarna vertelt Wilson nog van de aanstaande komst van de Koningin van Navarre, Margareta van Valois te Spa en hij hecht aan dat bezoek groote politieke beteekenis, al gaat hij wat ver, het te vergelijken met de komst van haar moeder te Bayonne, kort voor den Bartholomeusnacht.

Het zal later blijken, hoe goed Wilson op de hoogte was.

Reeds aanstonds na den vruchteloozen afloop van de bijeenkomst te Geertruidenberg, schreef Don Juan aan den koning, dat volgens zijn zienswijze de bevrediging der Nederlanden niet tot stand zou komen, tenzij men weer den weg der zachtmoedigheid verliet en den oorlog hervatte. Zijn raad was dan ook, de Spaansche soldaten onmiddellijk weer terug te zenden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want die soldaten waren ondertusschen ver van het land verwijderd en Don Juan gevoelde zich in Brussel, zonder gewapende macht ter zijner beschikking, niet meer veilig. De volksbeweging voor den Prins nam in de hoofdstad toe, trots al de pogingen van Don Juan om populair te worden. Berichtenvan aanslagen tegen zijn leven, bereikten hem. De adel in het Zuiden bleef dubbelzinnig in zijn houding; zij behoorde meerendeels tot hen, die zooals de Prins van Oranje het uitdrukte, “tusschen twee wateren zochten te zwemmen.” Het Statenleger bleef nog bestaan en zijn gevoel van onmacht en wantrouwen was zoo beklemmend, dat hij den 11enJuni Brussel verliet en zich naar Mechelen verplaatste. Doch deze stad zou hem ook niet lang binnen hare muren zien. Hij had andere plannen. Magareta van Valois ging naar Spa, zoogenaamd voor haar gezondheid om er de baden te gebruiken, inderdaad met de bedoeling, daar aanhangers te werven voor een nieuw optreden van haar broeder, den hertog van Anjou. Deze vrouw daar te ontmoeten en een schitterende ontvangst te bereiden, werd het voorwendsel van Don Juan, ook Mechelen te verlaten en naar Namen te gaan, waar hij zich bij verrassing meester ging maken van het kasteel.

’t Was wel een zeer eigenaardige ontmoeting tusschen de geslepen Magareta van Valois en Don Juan. Deze was meer dan ooit door de St Bartholomeus-bruid bekoord, maar hij besefte volstrekt niet, dat haar ware doel niet haar gezondheid betrof, maar wel de ondergeschikten van Don Juan om te koopen en zijn gezag te ondermijnen. En Don Juan zelf? Zijn hoofdbedoeling was niet de koningin het hof te maken, neen, haar tegenwoordigheid moest juist dienen om zijn werkelijke plannen te bedekken.

Toen Magareta in de richting van Luik verder was gereisd, bracht Don Juan zijn plannen ten uitvoer.

Op den 24enJuli ging hij op de jacht en begeleid door Barlaimont en zijn vier zonen, overrompelde hij den kasteelbewaarder Froymont, wierp hem met zijn soldaten de poort uit en vestigde er zich met de zijnen. Hij verklaarde toen, dat dit de eerste dag was van zijn regeering, dat hij tot dien tijd toe niets had gehad dan een ijdelen titel en dat hij genoodzaakt was voor zijn eigen veiligheid dien maatregel te nemen. Hij zond aan de Staten en stadhouders bericht, dat hij alle artikelen van de Pacificatie wilde uitvoeren, maar voor zich zelf eischte: een lijfwacht, den eed van gehoorzaamheid van de stadhouders en het krijgsvolk aan hem en niet aan den Staten-Generaal; verwijdering van alle verdachte personen als Marnix e.a. en krijg tegen den Prins, zoo deze weigerde te onderhandelen. Het moest volgens Don Juan worden: voor of tegen Oranje. Tegelijkertijd trachtte hij meester te worden van de citadel te Antwerpen, doch die poging mislukte en ook met andere vestingen, die hij wilde veroveren, gelukte hem dit niet beter.

Don Juans daad, hoe roekeloos ook, was niet onbegrijpelijk. Eer verwondert het ons, dat deze trotsche ridder, die met zulke hooggespannen verwachtingen naar het Noorden kwam, zich nog maanden lang al de vernederingen heeft laten welgevallen, en tot zulk een daad niet eerder de toevlucht nam. Doch hoe begrijpelijk ook, de daad zelf bevestigde volkomen het wantrouwen van den Prins; zij rechtvaardigde in de oogen van het gansche land den argwaan van Oranje. Al had hij zelf ook mede het wantrouwen gevoed, van het oogenblik af, dat Don Juan zich in zijn ware natuur deed kennen, rees zijn grootste tegenstander steeds meer in de schatting van het geheele volk. Don Juans aanslag op Namen werd de aanleiding tot de verheffing van den Prins.

Eenige dagen voor de verrassing van Namen, was Marnix namens den Prins belast geweest, aan de Staten mededeeling te doen van zekere in Frankrijk onderschepte brieven, waaruit de booze voornemens van Don Juan ontmaskerd werden. “Alleen te vuur en te zwaard,” had hij den koning geschreven, konden de zaken hersteld worden, daar zachte geneesmiddelen niet hadden gebaat. Het land werd met slavernij en algemeenen ondergang bedreigd.

De Staten waren dus voldoende gewaarschuwd en de overrompeling van Namen konden zij als het begin van de uitvoering zijner plannen beschouwen. Bovendien, wat beteekende zijne verzekering, dat hij zich aan de Pacificatie zou houden, indien toch de vrede niet werd bewaard en Oranje moest worden bestreden. Juist de vrede was het hoofddoel van het verdrag te Gent, waarnaar het zuiden niet minder verlangde dan het Noorden. Geen wonder dan ook dat de Staten-Generaal zich na den aanslag van Don Juan aanstonds met den Prins in betrekking stelden. Deze had den 2enAugustus aan de Staten geschreven om zich tegen den laster van den landvoogd te verdedigen, maar hem tevens te doen voelen, dat de manier, waarop de citadel te Namen was genomen, een duidelijke inbreuk was op den vrede, zoodat zij niets meer aan hun landvoogd verplicht waren.

Don Juan zat, nu hij eenmaal het masker had afgeworpen, ook niet stil. Aerschot, de man, die door geen der partijen vertrouwd werd, ontnam hij het bevel over Antwerpen en droeg dit aan Treslong op, een onvoorwaardelijk royalist. Verder trachtte hij Duitsche huurtroepen naar Antwerpen te zenden, hetgeen echter mislukte, daar de stad ze weigerde binnen te laten. Treslong kon het niet lang op de citadel uithouden en daar vond men de geheime correspondentie van den landvoogd, die devalschheidvan al zijn verklaringen aan de Staten openbaarde. De stad bleef echter bang voor de Duitsche huurtroepen binnen zijn wallen.

Toen echter Admiraal Haultain, een van ’s Prinsen commandanten, de Schelde kwam opvaren, vluchtten de troepen, van schrik bevangen, de stad uit naar Bergen op Zoom, waar ze de wapenen neerlegden en naar Breda, waar ze het nog twee maanden uithielden. Hun kapitein Fronsberg zond aan Don Juan een bode om instructies en deze beloofde binnen 6 weken hulp. Dit antwoord viel echter in handen van den Prins. Door middel van een verdichten brief, waarin Don Juan meldde, dat hij geen hulp kon geven, stond het garnizoen tegen zijn leider op en gaf hem met de geheele stad en met al hun wapenen aan de Staten over; Breda opende de poorten voor de troepen van den Prins onder Hohenlohe. Hetzij het werkelijk door middel van deze krijgslist geschiedde, hetzij op andere wijze, ’t voornaamste was dat op den 4enOctober 1577 de Duitsche voetknechten aftrokken en Hohenlohe nog denzelfden dag, onder uitbundig vreugdebetoon, de stad binnentrok. Van April 1567 af was de stad in handen der Spanjaarden geweest; nu, ruim tien jaar later was de Prins vrij in zijn eigen stad terug te keeren.

Niet alleen in Breda, maar in verscheidene andere plaatsen van het Noorden geraakte de bevolking in beweging ten gevolge van den aanslag op Namen. Men riep van alle zijden om den Prins. Op het oogenblik van den aanslag hield hij zich in Noord-Holland op, waar het herstel der dijken zijn tegenwoordigheid had vereischt. Overal werd hij met luide kreten van toejuiching begroet. “Vader Willemis gekomen,” riep het volk elkander blijde tegen en waar hij werd ingeroepen, daar oordeelde hij het ook het best, heen te gaan.

Onder de gouvernementen van den Prins, die groote behoefte aan zijn persoonlijk optreden toonden, behoorde in de eerste plaats Utrecht. Daar was sedert Februari 1577, toen de Spaansche bezetting het kasteel had verlaten, nog steeds de vraag onopgelost gebleven, wie er het stadhouderschap zou bekleeden. De meerderheid der bevolking stond den Prins voor, maar er was ook een candidaat, die vooral door de geestelijkheid gewenscht werd. Het gelukte ten slotte, de Staten van Utrecht te bewegen, dat ze zich onder het bestuur van Oranje zouden stellen. Toch bleven de onderhandelingen over de satisfactie nog voortduren. Onderwijl werd het Utrechtsche kasteel onder het gejuich en de medewerking der bevolking geslecht. Na den aanslag van Don Juan echter werd de volksbeweging in de stad voor den Prins zoo sterk, dat de hoplieden en de burgers van de Staten eischten, den Prins als stadhouder te ontvangen.

Op den 18enAugustus kwam Oranje een feestelijk bezoek aan de stad brengen. Er scheen reden te bestaan, hem een lijfwacht voor zijn persoonlijke veiligheid aan te bieden, daar er vele Spaanschgezinden in de stad waren. Doch de Prins toonde, gedragen door de welkomstgroeten der bevolking geenerlei vrees; hij weigerde die lijfwacht en reed aan de zijde van Charlotte de stad door te midden der juichkreten.

Een paar treffende voorvallen deden zich op dien tocht door Utrecht voor. Eerst werd de Prins plotseling door een hard voorwerp getroffen. Charlotte, meenende, dat er een schot op haar geliefden echtgenoot was gelost, riep in haar doodsangst: “Wij zijn verraden.” Oranje ontdekte spoedig, dat het niets dan een prop was uit een der kanonnen, die hem begroetten. “Het is heelemaal niets,” met die woorden kalmeerde hij de Prinses en het opgewonden volk en verzekerde hen, dat hij geheel ongedeerd was.

En dat was niet het eenig ongeval, dat er plaats had; een van ernstiger aard zou nog volgen. Men verdrong zich overal aan de vensters, om den Prins in ’t voorbijgaan te zien; een jong meisje, 9 jaar oud, het dochtertje van een apotheker, leunde voorover en werd op den grond geworpen, vlak voor de paarden, die het rijtuig van den Prins trokken. Het was te laat, om ze tegen te houden. Het arme kind kwam onder de hoeven der paarden terecht en stierf bijna onmiddellijk. Oranje sprong uit de koets, nam zelf het verbrijzelde lichaampje op, droeg het bij de troostelooze ouders binnen en sprak hun eenige woorden van deelneming toe. Indien die twee voorvallen werkelijk gebeurd zijn (en er is geen reden om dat te betwijfelen), dan oefenden ze waarschijnlijk meer invloed uit om aanhangers van Oranje te winnen, dan folio’s argumenten zouden hebben kunnen doen.

Feitelijk als stadhouder erkend en gehuldigd, duurde het echter nog tot October, eer de Staten-Generaal en de Raad van State daarin toestemden. Men vreesde maar al te zeer voor de toeneming van Oranje’s macht.

In het Zuiden ontstond in verschillende plaatsen eveneens groote beweging; vooral in Gent, Antwerpen en Brussel. In de laatste stad vertoefde Marnix, die met Théron en Heze niets verzuimde, om het volk aan te sporen, den Prins vanOranje te doen roepen. Deze bleef voorloopig in Holland en schreef o. a. in Augustus een eigenhandigen brief aan Marnix, waarin hij hem dankt voor al zijn goede diensten aan de publieke zaak bewezen en vooral voor zijn pogingen, om de Staten te overtuigen, dat de Prins in al zijn daden door zijn ijver voor het algemeen welzijn beheerscht was.

Hij geeft verder zijn vreugde te kennen over het afbreken van de citadel te Antwerpen en hoopt dat men daarmee door zal gaan. Aan het slot van zijn schrijven geeft hij te kennen, dat het goed zal zijn Don Juan van alle proviandeering, inzonderheid van koren af te sluiten, want, zegt de Prins: “Laat men bedenken, dat elke dag een maand is; ik zie overal de bewijzen, dat Don Juan al zijn krachten vergaderen wil en dat hij een tweede waagstuk gaat ondernemen, gelijk gij lezen kunt uit nevensgaanden brief van Mad. de Bailleu.”

Inderdaad, Oranje gaf nauwkeurig acht op den tijd en wachtte den loop der dingen af, zonder dien naar zijn wensch te willen dwingen; hij bleef rustig in Holland. Had hij voor den aanslag op Namen alles gedaan, wat hij kon, om het wantrouwen tegen Don Juan op te wekken, nu dit door de feiten zelf was bevestigd, kon hij gerust den loop der zaken, zonder zich op den voorgrond te plaatsen, afwachten. Hij wilde zich voor geen prijs ter wereld aan het Zuiden opdringen; zelf zouden ze tot hem in nood de toevlucht moeten nemen. Hij begreep zeer goed, dat Don Juan zijn eigen graf had gedolven; de ontdekking van zijn brieven in de citadel van Antwerpen had zelfs de harten van hen, die hem zoogenaamd ondersteunden, verkoeld, terwijl de drukke correspondentie tusschen hem en de Staten niet in staat was, hem het vroegere vertrouwen terug te geven. Van de citadel te Namen uit drong hij o. a. met kracht aan op zijn recht, om de afgevaardigden van de Staten-Generaal te kiezen. Zijn bedoeling was, mannen als Marnix te weren. De Staten antwoordden, dat zoo iets door geen van zijn voorgangers ooit was gevraagd. Don Juan zag zich dan ook spoedig genoodzaakt, zijn toon te matigen. Het geheele land stond tegenover hem en de troepen, die hij terug ontboden had, waren nog niet eens op den terugweg. Filips zelf keurde eerst zijn handelingen ten sterkste af en verbood in den beginne, dat de troepen zouden teruggaan. Tegenover zulk een wanhopigen landvoogd moest wel van dag tot dag de invloed van Oranje rijzen. Dat beseften de Staten-Generaal ook wel en toch trachtten zij zich nog eerst aan die noodzakelijkheid te onttrekken. Ze zochten tijd te winnen en vleiden zich nog een poos, steun van den Prins te zullen ontvangen, zonder hem het bestuur over hunne zaken te geven. Doch die berekeningen, waarbij zeer vele persoonlijke consideraties in het spel waren, vielen eindelijk in duigen.

De Prins nam, gelijk wij zeiden, een afwachtende houding aan. Toch lag het in den aard der zaak, dat hij door middel van Marnix, zijn vertegenwoordiger, met de Staten-Generaal te Brussel in contact bleef. Hij liet in dezelfde maand Augustus door zijn vertrouwden vriend en vertegenwoordiger verschillende punten in zijn naam aan de Staten-Generaal voorstellen. Nu Don Juan zich niet meer zou kunnen rechtvaardigen en evenmin zijn zaak goed maken, al zou hij dat ook beproeven, raadde de Prins den Staten-Generaal, brieven te zenden naar den Duitschen keizer en verschillende prinsen en graven van het rijk, om hen van alles opde hoogte te brengen en hen van de billijkheid hunner zaak te overtuigen. Oranje verwachtte goede uitwerking hiervan en meende, dat de vorsten bereid zouden zijn, hulp en ondersteuning te schenken.

Ook wekt hij de Staten op, het wantrouwen in den Prins te laten varen, niet te denken, dat hij verandering in den godsdienst zou willen maken en toch vooral te gelooven, dat de Prins alleen het gemeenschappelijk heil op het oog heeft, n.l. den vijand te keer te gaan. En Oranje waarschuwt voor Amsterdam, dat hem nog altijd niet wil erkennen, neen integendeel met Don Juan heult. Over Amsterdam sprekende, zegt hij hard, maar niet onverdiend: “als zij konden zwemmen en het volk verdronk, ze zouden het rustig aanzien.”

Ondertusschen begaf de Prins zich met het oog op de dingen, die komen konden en die hij wel voorzag, dat ook gebeuren zouden, naar Geertruidenberg, teneinde des te eerder bij de hand te zijn, als zijn hulp werd ingeroepen. Aan Courteville, die van wege de Staten tot hem kwam, gaf hij te kennen, dat alleen oorlog tegen den vreemdeling en eendrachtig handelen, het geneesmiddel tot behoud is. Verder geeft hij den Staten tal van dingen in overweging, welke naar zijn meening moeten geschieden, o.a. teruggave van vele steden als Breda, den Bosch, Roermond, Kampen, Deventer enz; een gezantschap naar Elisabeth; heffing van geld, lichting van troepen enz.

De Staten dankten hem voor zijn raad en deelden hun vreugde mede, dat hij te Geertruidenberg was gekomen, teneinde bij de hand te zijn, als de verdediging van de gemeenschappelijke zaak noodig was.

De hoop op hulp van Elisabeth scheen thans gegrond. Zij zelf scheen, na het verraad van Don Juan, bang voor zijn plannen en zond in plaats van Wilson, William Davison, den beslisten tegenstander van Spanje, als gezant naar Brussel. Hij kreeg last om in het openbaar de verzekering te geven van Elisabeths geneigdheid tot bemiddeling, doch onder de hand bij de “goede patriotten” het wantrouwen tegen Don Juan aan te blazen en de inroeping van Oranje te bevorderen. Het duurde nog tot het begin van 1578, eer Engeland werkelijk hulp zond.

Nog altijd was er in de Staten-Generaal een minderheid, die meer met vrees, dan met hoop de overkomst van Oranje tegemoet zag. Zij had gestemd tegen de slooping van de citadel te Antwerpen en het kasteel van Gent en zij hoopte steeds den oorlog te vermijden en met Don Juan als beschermer van het katholieke geloof en den wettigen landvoogd, vrede te kunnen sluiten. In de eerste dagen van September kwamen er allerlei onrustbarende tijdingen in Brussel over Don Juans toerustingen en de hulp, die hij van den hertog van Guise te wachten had.

De burgerij kwam daardoor in heftige beroering en met meer aandrang dan vroeger, riep deze nu om Oranje. De Prins werd als de eenige beschouwd, die getoond had de Spanjaarden het hoofd te kunnen bieden. Verschil in godsdienst mocht die komst niet beletten, want voor ’t grootste gedeelte waren de Brusselsche burgers katholiek. De geheele stad telde niet meer dan 800 Calvinisten. Maar hetzij dan Calvinistisch of Katholiek, de Prins van Oranje alleen was in staat de orde te herstellen en den Spanjaard te keer te gaan.

Onder dien aandrang van het volk, viel op den 6enSeptember het besluit der Staten-Generaal om den Prins in te roepen. Een commissie werd aangewezen, hem persoonlijk dit verzoek over te brengen. Onnoodig is het te zeggen dat die commissie een willig oor vond bij Oranje; hij gaf haar de verzekering, alles in het werk te zullen stellen, om, zelfs met opoffering van bloed en leven, het vaderland te behouden.

In het adres van de commissie was tevens gevraagd, of de Prins de uitoefening van den katholieken godsdienst ook in Holland en Zeeland zou toestaan, maar daarop gaf hij ten antwoord, dat dit niet in de Pacificatie stond, maar door hem in overleg met de Staten zou worden overdacht. Zijn plichten tegenover Holland en Zeeland noodzaakten hem niets te doen, zonder toestemming van de Staten. Hij beloofde plechtig, dat door hem noch door Holland en Zeeland eenige aanval op den katholieken godsdienst in andere gewesten zou gedaan worden.

Wel zag men Oranje in Holland en Zeeland, waar hij nu vijf jaren achtereen had gewoond en gewerkt, waar zijn populariteit met den dag was gestegen en waar men hem als den vader des vaderlands beschouwde, slechts noode vertrekken. Bekommering en angst maken zich meester niet alleen van zijne edele vrouw Charlotte van Bourbon, maar ook van tallooze regenten en mannen uit het volk, bij de gedachte, dat hun leider hen ging verlaten. Doch de Prins mocht niet anders handelen, dat begrepen ze ook zelve wel. De Staten in Gouda verzameld, gaven hun goedkeuring; eerstdaags verwachtten ze Graaf Jan van Nassau, ’s Prinsen broeder, uit Dillenburg, die hem tijdelijk zou vervangen. Den 18enSeptember ging Oranje naar Antwerpen.

Nog werd er een laatste poging aangewend door de minderheid der Staten-Generaal, om de komst van Oranje in Brussel tegen te houden. Gaspar Schets en de bisschop van Brugge waren de overbrengers van een ultimatum aan den landvoogd, waardoor men meende, den oorlog nog te kunnen vermijden. Van Don Juan werd geëischt: ontruiming van Namen, ontbinding van het leger, dat hij bezig was te verzamelen; zijn vertrek naar Luxemburg, totdat de koning een anderen landvoogd benoemd had, of overdracht der regeering aan den Raad van State. Wanhopig over het stilzwijgen van Filips II, stemde Don Juan in al de vernederende voorwaarden toe. De gezanten kwamen uit Namen terug en op 23 September keurde een onvoltallige vergadering dit verdrag, aan Don Juan afgeperst, goed.

Doch op dienzelfden 23enSeptember verscheen de Prins in Brussel. Een commissie uit de Staten-Generaal was hem in Antwerpen komen begroeten en had hem sterk aangeraden, zijn reis naar de hoofdstad voort te zetten. Het gaan daarheen was een ware triomftocht.

In drie barges werd Oranje en zijn gevolg langs het kanaal van Antwerpen naar Brussel gebracht. Driehonderd gewapende Antwerpenaren begeleidden den stoet. De gewapende burgerij, 26 vendels, 4000 man sterk, wachtte hem op aan de poorten der stad. Aan de landingsplaats werd hij verwelkomd door Aerschot en tal van edelen, waarna de optocht aanving door de rijk versierde stad. De tien-jarige oorlog had den Vlamingen den lust in zinnebeelden en allegorieën bij zulk een feest niet benomen. De straten waren met groen versierd en met tapijten bedekt.Eerebogen en allerlei versieringen vertolkten de vreugde der bevolking; de eerewijn werd “den hersteller en verdediger der vrijheid van het vaderland” aangeboden en daarop werd hij geleid naar zijn eigen paleis, naar het paleis zijner vaderen, dat thans hersteld was, om den balling zoo eervol mogelijk te ontvangen.

Hoe moet het hart van den Prins op dien dag geklopt hebben, toen hij Brussel na tien-jarige afwezigheid weerom zag en daar ontvangen werd als een souverein. Wat was er in dien tijd niet over zijn hoofd en hart heengegaan. Toen vluchtende voor de naderende komst van Alva en thans ingehaald en verwelkomd als de redder des lands. Wat hij in die dagen had gewenscht en hem bij de Pacificatie van Gent was toegezegd, scheen thans bereikt:de Nederlanden tegen Spanje en zijn landvoogd vereenigd.

Had hij Brussel moeten vaarwel zeggen in 1567, te recht bevreesd voor de wraak van een landvoogd, nu was er een andere landvoogd die wel eenige maanden geleden ook in Brussel was ingehaald, maar die thans als het ware gevlucht was voor hem of liever voor den vrijheidsgeest, die het geheele volk bezielde.

Thans waren al de teleurstellingen vergeten, die hem in de jaren van het Zuiden ten deel waren gevallen; ook die gesloten poorten der steden, die hem noch in 1568, noch in 1572 wilden ontvangen. Eindelijk was het volk aan zich zelf teruggegeven; zijn oogen waren opengegaan voor de redding, die hij kon aanbrengen.O glorievolle dag, die 23eSeptember 1577, toen de ketter en de rebel, toen de balling en de door de wet veroordeelde en verdrevene als redder des lands werd ingehaald, op grond van zijn grooten en welverdienden naam, dien hij zich in het Noorden van het land had verworven.

De vader des vaderlands scheen zijn ideaal: het vereenigd Noord en Zuid, te hebben verwezenlijkt.

Zou de eerste nacht, nadat Aerschot met hem den avondmaaltijd gebruikt had in het oude paleis der Nassau’s, zonder eenigen angstigen droom zijn voorbijgegaan? Wij weten het niet, maar de volgende hoofdstukken zullen ons bewijzen, dat er althans reden genoeg voor hem bestond een onrustigen nacht door te maken.


Back to IndexNext