Hoofdstuk XXV.Familiebanden. Oranje’s verheffing. Tweede Unie van Brussel. Intocht van Matthias. 1577–1578.Terwijl wij den Prins dien eersten nacht in het Nassau-paleis zijner vaderen laten rusten op zijne lauweren, droomende van den schoonen triomf door hem behaald, misschien ook van de nieuwe zorgen die hem wachtten, gaan we een oogenblik naar de zijnen terug, die hij in Holland had achtergelaten.De brief van Jan van Nassau, in de maand Mei aan den Prins gericht, met het verzoek om zijn oudste dochter Marie nog een tijdlang bij zijn oude moeder Juliana te laten, was op den 18enJuni door Oranje beantwoord. Hij laat door middel van een bode aan Jan zeggen, dat hij groot verlangen heeft zijn dochter te zien, vooral omdat hij niet weet hoe zijne zaken zullen loopen. Althans voor een poos verzoekt hij zijn broer haar te zenden voor enkele zaken, die hij met Marie heeft te bespreken. Indien zijn zoon Maurits uit Heidelberg is teruggekeerd, dan zou Oranje wel wenschen dat deze met zijn zuster meekwam. De Prins hoopt van harte, dat Jan het vertrek van Marie zal kunnen goedkeuren.Voor korten tijd had Jan daar blijkbaar niet op tegen. In September, toen de Prins naar Brussel werd ontboden en hij den Staten beloofd had, dat in zijn afwezigheid graaf van Nassau hem zou vertegenwoordigen, kwam Jan met drie kinderen van den Prins, Marie, Maurits en Anna aan en werden zij te Geertruidenberg door Charlotte van Bourbon hartelijk verwelkomd.Toen de Prins naar Brussel gegaan was, verliet Charlotte met al hare kinderen de laatstgenoemde plaats en ging naar Dordrecht. Vandaar schreef ze tal van brieven aan haar echtgenoot, vol van zorg en vrees voor zijn gezondheid en leven. Ze smeekte hem toch naar een veiliger plaats dan Brussel te gaan, een wensch waarmee geheel Holland het eens was.Hoe ze hem op de hoogte hield van al de bijzondere familieaangelegenheden, blijkt wel duidelijk uit de aardige brieven, welke ze in de eerste dagen van Octoberaan den Prins schreef. Op den 2enOctober meldt Charlotte hem, dat ze in Dordrecht is aangekomen, waar ze hun dochtertjes in goede gezondheid heeft aangetroffen. Ze doet mededeeling van de wijze waarop ze gehuisvest zijn en zegt, dat de groote kinderen erg hopen, dat hij spoedig terug zal komen. Dit is ook de wensch van de Landsstaten, zegt zijne vrouw, want zij meenen dat Oranje even goed en veel veiliger uit Dordrecht raad zou geven. Verder doet zij hem allerlei vragen omtrent het salaris van den gouverneur van zijn zoon en herinnert hem, de koningin van Engeland te bedanken voor al de door haar bewezen diensten.Twee dagen later schrijft Charlotte over het groote nieuws van de overgave der stad Breda. Fronsberg en zijn Duitsche troepen, die de stad voor Don Juan nog steeds in bezit hielden, hadden zich gelukkig verwijderd. Ze hadden heel wat schade aan het paleis van den Prins veroorzaakt. De burgers van Breda waren ten hoogste verblijd, dat ze nu weer onder hun eigen heer kwamen en ze rekenden er zoo zeker op, dat de Prins en zijne familie daar den winter zouden doorbrengen, dat er reeds voor een provisie turf gezorgd was. Charlotte vraagt daarover bericht van haar echtgenoot, erbij vermeldende, dat ze zorgen zal gereed te zijn om onmiddellijk te vertrekken.Den 8enOctober schrijft ze van uit Dordrecht het volgende briefje, vol zorg over het leven en de gezondheid van den Prins:“Monseigneur!Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken, ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige uitoefening van godsdienst, hetzij in ’t geheim of op een andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet, Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel, dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid, u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt.”In dezelfde dagen meldt Charlotte Oranje de aankomst van zijn broeder Jan en de ontvangst van ’s Prinsen brieven. Zij deelt mede, hoe verheugd het volk was over die komst en hoe zij en de meisjes met den graaf hebben gegeten en samen op de gezondheid van den Prins hebben gedronken. Eensdeels had de komst van Oranje’s broeder in het land wel het doel om aan te dringen op de teruggave der door hem voorgeschoten gelden, maar vooral was die komst een gevolg van den wensch van den Prins, zijn broeder Jan als zijn plaatsvervanger te doen optreden. Charlotte schrijft nog in dien brief over een geschenk, dat de burgers hem hadden aangeboden, doch ze had liever gezien, dat al de steden te zamen hem die attentiehadden bewezen. Welk een innig goede geest er heerschte in den stillen kring met Charlotte aan het hoofd, blijkt o. a. uit deze woorden van dien brief:“Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is, schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar; ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door den chirurgijn behandeld.UweC. DE BOURBON.Enkele dagen later schrijft zij nog:“Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang kunt behoeden.”Welk een geestvol gezegde van Oranje’s derde gemalin omtrent zijne roeping tegenover Don Juan en de Staten. Al mocht zij geen rechtstreekschen invloed hebben op zijn staatkunde, door dergelijke fijne gezegden werkte zij toch heilzaam op den geest van den Prins, evenals het voor hem, die thans op zulk een zware post was geplaatst, een weldaad was, te kunnen denken aan de veiligheid van de zijnen onder de hoede zijner derde vrouw.Op den 10enOctober schrijft ze hem, dat ze eerstdaags naar Breda zal vertrekken en hem daar persoonlijk hoopt te ontmoeten. Ze hoopt van te voren nog bericht te ontvangen, hoe zij zich in Breda met de uitoefening van den godsdienst moet gedragen. Daar gekomen, schrijft zij nog, dat de inachtneming van de artikelen der Pacificatie van Gent haar het hoofd breekt en dat ze hoopt, dat de Prins zelf spoedig daarin zal voorzien. Ondertusschen is de predikant Mr. Taffin in Dordrecht gebleven, totdat de wil van den Prins hem zal worden kenbaar gemaakt. Hoeveel schade er ook aan het paleis in Breda is veroorzaakt door de bende van Fronsberg, Charlotte schreef, dat zij het huis in beter staat had aangetroffen, dan ze had kunnen verwachten. Men was druk bezig het op te knappen en het een netter aanzien te geven.Het beeld van de hagedis, waarmee de Prins zoo geestig door Charlotte werd vergeleken, was door hem van zijn eerste optreden af tegenover Don Juan daadwerkelijk toegepast. Zulk een hagedis, die de Staten moest blijven wekken, om te ontkomen aan de beet van de slang, bleef hij van het eerste oogenblik, dat hij zich in Brussel bevond. Hij mocht met blij gemoed de toejuichingen der bevolking hebben ingeoogst op den dag zijner joyeuse entrée; zijn eerste werk moest zijn, den laatsten listigen zet van Spanje’s landvoogd te vernietigen.Wij zagen hoe Don Juan, ten einde raad, had toegestemd in al de eischen, die de minderheid der Staten-Generaal hem nog ter elfder ure had gesteld en hoe een onvoltallige vergadering dier Staten op den dag van ’s Prinsen binnenkomst in Brussel, dat eindverdrag had goedgekeurd. Oranje’s eerste werk moest wezen, dat genomen besluit te vernietigen en andere voorwaarden aan Don Juan te stellen, waaraan hij zich zeker wel niet zou onderwerpen.De vergadering begon met den Prins een hartelijk welkom toe te roepen en deze antwoordde daarop, dat geen eerzucht, maar liefde tot het vaderland hem had bewogen hun roepstem op te volgen, dat hij niet van zins was, eenige verandering in de regeering of den godsdienst te brengen en alleen begeerde den vrede te bevestigen, door getrouw het Gentsche verdrag ten uitvoer te brengen. Na die officieele begroeting volgde aanstonds eene langdurige en heftige discussie over de voorwaarden, die de Prins meende, dat aan de artikelen door Don Juan te onderteekenen, moesten worden toegevoegd. De voorwaarden waren, dat alle beambten, die zich aan Don Juans partij hadden aangesloten, moesten geschorst worden tot de vergadering der Staten-Generaal. De graaf van Buren zou zoo spoedig mogelijk uit de Spaansche gevangenschap moeten worden ontslagen. De koningin van Engeland wilde men als beschermvrouw van het verdrag inroepen en de benoeming van den Raad van State zou geschieden, niet door den landvoogd, maar door de Staten-Generaal.In alles was de hand van Oranje zichtbaar. Blijkbaar begreep de Prins, dat Don Juan zich die vernederende voorwaarden niet zou laten welgevallen; en toen ze hem dan ook werden voorgesteld, overlaadde hij de gezanten met scheldwoorden en verweet hij hun, dat ze den Prins hadden ingehaald. Daar alle pogingen tot verzoening mislukten, meldden de Staten-Generaal op den 8enOctober aan den landvoogd, dat ze hem niet meer erkenden en ze verzochten hem naar Luxemburg terug te gaan. Dit deed Don Juan, maar vandaar schreef hij ook naar Brussel in zeer oorlogzuchtigen geest. Hij antwoordde, dat hij bericht had ontvangen van den terugkeer der Spaansche troepen. Toen werd in Brussel voorgesteld, de onderhandeling af te breken en al drong de vredespartij nog op bemiddeling aan, de meening van Oranje zegevierde. Alle kans op eene verzoening met Don Juan was verdwenen en daarmede was de oorlog weer zoo goed als uitgebroken.Evenmin als Don Juan op dat oogenblik, waren de Staten tot den oorlog gereed. Een gedeelte van hen hoopte op steun van Elisabeth, waartoe de kans in die dagen niet slecht stond en ook Oranje met de zijnen waren ernstig in de weer, van die zijde geld en hulptroepen te ontvangen. Een ander gedeelte waaronder Lalaing, de Henegouwsche stadhouder, was tegen Engelsche inmenging en hoopteop hulp van Frankrijk, zoodat men van die zijde ook door middel van Margareta van Valois, die nog altijd in Spa was, voor de belangen van den hertog van Anjou ijverde.De Prins was hiermede op de hoogte en wist wel, dat men ook Anjou zocht te winnen uit vrees dat deze Don Juan zou gaan helpen.Evenmin was het Oranje onbekend gebleven, dat ook een deel der edelen, vooral op aandrang van Aerschot, zich in het geheim in betrekking had gesteld met Matthias, aartshertog van Oostenrijk en broeder van Keizer Rudolf. Oranje keurde dit niet geheel af, mits enkele heeren van het land hem als zijn raad werden toegevoegd. Aerschot had bij dezen pretendent eene dubbele bedoeling; vooreerst was het vrees voor de macht van den Prins, dat hij Matthias gaarne in het land zag, maar tevens hoopte hij, dat Filips zijn neef zou erkennen als opvolger van Don Juan, zoodat het land dan toch onder de souvereiniteit van den koning van Spanje bleef.De heer van Maelstede werd met eene zending naar Weenen belast, om in naam van Aerschot en de zijnen de boodschap aan Matthias over te brengen. Hoe eigenaardig de opdracht ook was welke men hem kwam aanbieden, nog wel uit naam van een zwakke partij, die het recht niet bezat zoo iets te doen, het avontuurlijke scheen den jongen man zoo aan te lokken, dat hij zich maar kort bedacht. Reeds in den nacht van 3 op 4 October verliet hij vermomd het paleis en wist zoo Weenen te verlaten; weinige dagen later zien wij hem in de Nederlanden. Waarschijnlijk was keizer Rudolf niet onbekend met de onderneming van zijn broer, maar tegenover Filips II deed hij, alsof hij niets van de zaak wist. Volgens enkelen had Matthias van de diepen slaap van Rudolf gebruik gemaakt om de kamer, waar ook hij sliep, te verlaten, maar volgens anderen was Rudolf wakker en bleek ook dit slechts een voorwendsel.Den 9enOctober gaf Aerschot den Staten-Generaal kennis van de aanstaande komst van Matthias, die reeds op reis was. Die mededeeling was voor de Staten natuurlijk eene groote verrassing en ook de Prins, die er den laatsten tijd niets meer van gehoord had, was onaangenaam door die tijding getroffen. Hij begreep best, dat die geheele onderhandeling met Matthias was voortgekomen uit den wensch, zijn invloed tegen te gaan, maar ook hinderde het hem op die wijze met Filips II op goeden voet te blijven; ten slotte wat zou deze twintigjarige Duitscher zonder ondervinding, macht of geld in den oorlog, welke nu weer aanstaande was, kunnen uitrichten? Vooral nu de Prins eenmaal te Brussel was, zou de plotselinge komst van Matthias den geest van tegenstand versterken en zijn eigen invloed verzwakken. Wat zou bovendien Engeland er wel van zeggen?Verstandig als Oranje was, verzette hij zich echter thans niet meer, maar wist de Staten te bewegen voorwaarden op te stellen, waaronder men Matthias als landvoogd zou erkennen. Dat dit niet naar den zin van Aerschot was, valt te begrijpen, maar de raad van Oranje behield de overhand.De nieuwe landvoogd, die inmiddels tot Maastricht genaderd was, werd verzocht zich tot nader order naar Lier te begeven. Hieraan gaf hij gehoor, doch verwisselde later Lier met Antwerpen, teneinde gemakkelijker met Brussel te kunnen onderhandelen.Ondertusschen was er in de laatste helft van October veel gebeurd, dat de staat van zaken belangrijk wijzigde. Aerschot mocht in de meening verkeeren, dat hij door Matthias binnen te halen, Oranje’s invloed kon verminderen, het volk was er ook nog. Wij kunnen ons in den tegenwoordigen tijd vooral, eene beste voorstelling vormen van den onweerstaanbaren invloed van democratische bewegingen. Zij zijn onvermijdelijk in sommige tijdperken, zij beheerschen dan de geheele maatschappij, de geheele staatkunde.Zoo was het ook in die dagen in Zuid-Nederland; in de steden breidde zich met onweerstaanbare kracht de democratische beweging van dag tot dag uit en dit was niet anders, dan een natuurlijk gevolg van de tijdsomstandigheden. Sedert de Spaansche furie in Antwerpen en niet minder sedert Don Juans staatsgreep te Namen, was de burgerij in de wapens. Men had genoeg geleden van de Spanjaarden, dat was de algemeene overtuiging en al had men liever den vrede gewenscht dan voortzetting van den krijg, thans wilden de burgers niet anders dan met de wapens in de hand den mogelijk terugkeerenden Spanjaard bevechten. Aan de slooping der kasteelen had de burgerij met wellust deelgenomen. Wie ooit de bijzonderheden van die slooping van het Vredenburg te Utrecht heeft gelezen, weet, hoe het volk, mannen en vrouwen beiden, daaraan deelnamen. De stedelijke besturen werden hier en daar niet vertrouwd, maar de burgerij noodzaakte ze toe te geven. Daarbij duurde de stilstand in handel en landbouw voort; dat gold toch belangen, die het volk in zijn geheel raakten. Men bleef belastingen heffen; was het wonder, dat ook dit misnoegen verwekte? Er moest verandering komen. Het volk zelf moest aandeel in het bewind verkrijgen, het kostte wat het wilde. En zoo was men van zelf—hoe kon het anders, in de zee der democratie gekomen.En die denkbeelden gingen nog buiten den godsdienst om; daarover waren alle burgers, van welk geloof ook, het eens. Doch nu kwam daar nog bij, dat overal, ook in het Zuiden, het Calvinisme zich een weg baande, waardoor de democratische strooming zich versterkte.Daarvan was tot de Pacificatie van Gent in het Zuiden, behalve in de jaren voor Alva’s komst, geen sprake; die Pacificatie gaf echter den uitgewekenen vrijheid, naar hun land terug te keeren. Voor de Staten-Generaal, die de vrijheid van godsdienst niet voor alle gewesten begeerden, maar deze alleen aan Holland en Zeeland zouden toestaan, was dit een hoogst ergerlijk feit. Over de hernieuwing der plakkaten werd zelfs gedacht en met Don Juan gecorrespondeerd. Diens verraad gaf natuurlijk meer ruimte aan de Calvinisten; ook de komst van den Prins in het land had hun nieuwen moed geschonken. Nu hun geloofsgenoot devader des vaderlandsuit het Noorden zelf was binnengeroepen, begeerden ze niet langer alleen vrijheid van geweten, maar ook vrijheid van godsdienst. Vlaanderen was vooral het middelpunt hunner beweging, maar ook in Brussel waren de volkshartstochten ontketend; al werkte daar het Calvinisme minder, de democratie was er even sterk.Reeds op den 8enOctober bood eene menigte aanhangers van den Prins den Staten-Generaal een verzoekschrift aan, waarin deze hoopten op spoedige besluiten in democratischen, oorlogzuchtigen en anti-Spaanschen geest. Dit geschiedde namensde achttienmannen, de hoofden van de negen natiën der gilden.Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).Deze handelden met zooveel driestheid, dat het niet te verwonderen was, dat de Staten in hun optreden een inbreuk op hun gezag zagen en bevreesd werden voor de tirannie van den volkswil. Ook Oranje hield hun voor, dat ze de overheid gehoorzaamheid schuldig waren, doch gaf aan den anderen kant aanleiding om te doen denken, dat hem die volksbeweging niet onaangenaam was. Hij noodigde de achttienmannen althans aan zijnen disch. Op den 13enOctober gaf de Prins aan dien maaltijd te kennen, dat hij op verzoek van de Staten van Holland naar Antwerpen zou gaan en misschien wel, om aan Charlotte’s wensch te voldoen, naar Breda. Toen hij afscheid van hen nam, smeekten ze hem, hen toch niet aan hun lot over te laten; hij was hun eenige troost en toeverlaat. De Prins antwoordde daarop in eene rede, die wel een half uur duurde en beloofde hun, dat hij de burgers tot den dood zou bijstaan.In hooge mate verstond Oranje de kunst, het volk te winnen. In Brussel steeg in die dagen de vereering van zijn persoon tot afgoderij. De inwoners bewaakten dag en nacht zijn paleis en waar hij heenging, overal begeleidde hem het volk. Vrouwen vielen bij zijn voorbijgaan op de knieën. Een ooggetuige zegt zelfs: “Men vereerde hem, als ware hij de Godheid zelve.”Het gevolg hiervan was, dat er op den 18enOctober een request bij de Staten van Brabant werd ingediend, waarin de begeerte werd uitgesproken, dat een der voornaamste heeren uit het gewest tot stadhouder mocht worden gekozen. Met dien eenen werd niemand anders dan Oranje zelf bedoeld. Als baron van Breda nam hij eene eerste plaats in onder de Brabantsche ridderschap. Toen dit niet spoedig genoeg tot resultaat leidde, drongen de achttienmannen en hun geestverwanten de vergadering binnen en eischten zij eerst van de Staten de benoeming van Oranje en daarna van de Staten-Generaal, die ook niet waagden zich tegen den volkswil te verzetten. Bij besluit van 22 October werd de Prins tot Ruwaard van Brabant verheven. Gelijk we ons herinneren, was dit een post, reeds jaren vroeger, onder Granvelle, door Oranje hartstochtelijk begeerd. Het was een titel, die hem grooten invloed verzekerde op het in Brabant gevestigde bestuur; een soort van dictatorschap. De Staten-Generaal moesten zwichten voor den eisch van het volk, dat in dien ruwaard een waarborg zag tegen de intriges, waardoor het omringd was en ze waren gedwongen, Oranje als zoodanig te erkennen, natuurlijk zoolang er geen landvoogd zou zijn.Terwijl men op deze wijze in Brabant den Prins van Oranje verhief en hij zelf kort na die benoeming naar Antwerpen ging, had er in Vlaanderen, n.l. te Gent, eene gebeurtenis plaats, die hevige opschudding verwekte. Daar was sedert den aanvang van October de hertog van Aerschot in plaats van den graaf van Roeulx, die Don Juans partij bleef kiezen, tot stadhouder benoemd. Die keuze kon den Prins niet behagen; hij had tallooze bewijzen van de onbetrouwbaarheid en de jaloezie van Aerschot ontvangen, doch wijselijk verzette hij er zich niet tegen. Op den 24enOctober zou de nieuwe stadhouder in Vlaanderen plechtig door de Staten ontvangen worden. Doch Gent werd niet minder dan Brussel in die dagendoor een democratische beweging in beroering gebracht. Van de middeleeuwen af was er een onrustige, licht ontvlambare geest onder hare burgers geweest en die geest van Jacob van Artevelde was niet uitgestorven. Bekend is, hoe Karel V zijn vaderstad had gestraft; de Gentenaars hadden in 1539 hun opstand moeten boeten met het verlies van al hunne privilegiën. Die terug te krijgen was thans het doel van volksleiders als Rijhove, tevens lid der Staten van Vlaanderen, Hembyze, de Grutere, Borluut en Utenhove, die allen zoowel groote aanhangers van Oranje als Calvinisten waren. Bevreesd voor den invloed van Aerschot, verdachten ze hem, niet ten onrechte, Oranje’s gezag te willen verzwakken. Althans de Staten van Vlaanderen brachten een ongunstig advies uit over de verkiezing van Oranje als ruwaard van Brabant. Rijhove vooral maakte zich zeer bezorgd en uit vrees zelf te worden verrast, nam hij gesteund door de burgerij, in den nacht van 29 October, Aerschot en zijn trawanten gevangen.Het is niet zeker in hoever de Prins de hand in dien aanslag gehad heeft. Vermoedelijk was het wel naar zijn geest; de staatsgreep van Sept. 1576 was ook voor een deel zijn werk geweest. Doch wel beseffende, dat een dergelijke aanslag op Aerschot door den geheelen adel zeer hoog zou worden opgenomen, wilde hij er persoonlijk buiten blijven; doch Marnix gaf Rijhove te verstaan, de onderneming te wagen, zonder den Prins er nader over te spreken.De verontwaardiging over dit feit was in Brussel groot, evenals de angst der Staten-Generaal, dat zich zoo iets dergelijks in de hoofdstad zou herhalen. Doch Gent vond er de gelegenheid door om ongestoord zijn democratische wenschen te bereiken, zich niet bekommerende om hooger gezag.Op het einde van December zullen we den Prins naar Gent zien gaan om er de orde te herstellen, maar voor zijn vertrek hadden er gebeurtenissen plaats, welke van groote beteekenis waren ook in het leven van den Zwijger.Allereerst had op den 7endier maand de formeele ontzetting plaats van Don Juan door de Staten-Generaal. Waarin die Staten ook verschilden, ze waren het er allen over eens, dat men Filips’ broeder niet langer als landvoogd kon erkennen. Ondubbelzinnig verklaarden dan ook de Staten, dat Don Juan niet langer als stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal erkend werd, daar hij den vrede had verbroken, die hij gezworen had te handhaven en dus als een vijand van het vaderland moest worden aangemerkt. In alle talen werd een rechtvaardiging van hun gedrag opgesteld, die aan bijna al de souvereinen van Europa werd gezonden met het verzoek, tevens den gewezen landvoogd den doortocht van een leger te weigeren.Ten opzichte van Don Juan had Oranje dus volkomen gezegevierd, maar van veel grooter beteekenis nog was het succes, dat hij verwierf door het tot stand komen van deTweede Unie van Brusselop den 10enDecember 1577. Deze acte op dien dag door de 17 gewesten geteekend, is helaas slechts van voorbijgaande beteekenis geweest, maar het stuk is merkwaardig, omdat zij uiting geeft aan Oranje’s hoogste en meest edele gedachten.We herinneren ons, dat in Januari 1577 een Unie van Brussel was aangenomen, die evenmin als het Eeuwig Edict door den Prins was goedgekeurd.De Pacificatie van Gent had de godsdienstquaestie ter beslissing overgelaten aan een nieuwe Staten-Generaal, doch zonder dat die Staten-Generaal nog gekozen waren, had men, mede om Don Juan bij zijn komst in het land te winnen, in die Unie op den voorgrond gesteld: uitsluitende handhaving van den Roomschen godsdienst. Dat de Staten van Holland en Zeeland en ook Oranje die Unie hadden verworpen is begrijpelijk, maar ook talrijke aanhangers van de nieuwe leer konden haar niet aanvaarden en daaronder waren velen, die teruggekeerd waren op grond van de voorloopige vergunning van de Pacificatie van Gent.De Prins begreep, dat die fout zoo spoedig mogelijk moest worden hersteld. De scherpe tegenstelling tusschen Roomsch en onroomsch moest worden verzacht, en het staatkundig doel van de bevrediging weder op den voorgrond gesteld worden.Bij meer dan een gelegenheid merkten we op, hoe Oranje voor zich zelf in godsdienstzaken op een zeer hoog verdraagzaam standpunt stond; dit toonde noch onverschilligheid, noch berekening. Daarvoor zijn zijne innig godsdienstige uitspraken ons borg. Het was alleen een verheven zijn boven de vormen, waarin het godsdienstig geloof zich openbaart, en tevens de erkentenis, dat overal het religieuse schuilen kan. We zagen dat zijn overgang tot het Calvinisme voor zijn bewustzijn was: een politieke noodzakelijkheid. Welnu, door middel van de nieuwe Unie van Brussel, die hij hoopte te doen teekenen tegelijk met de opdracht der landvoogdij aan Matthias, wilde hij het volk zijn eigen beginsel van verdraagzaamheid inplanten. Wel stelde de Unie ook de uitbreiding der privilegiën op den voorgrond, of liever de terugkeer der voorrechten, die de burgerij ook had voordat die door de Bourgondisch-Oostenrijksche vorsten waren ingekort; maar de godsdienstige verdraagzaamheid moest de hoeksteun van het nieuwe staatsgebouw zijn.Oranje is geruimen tijd bezig geweest met het opstellen dier nieuwe staatsregeling; reeds den 15enNovember legde hij daarvan een ontwerp aan de Staten voor. Volgens dat ontwerp moesten de Roomschen beloven, dat zij de niet-katholieken tegen alle geweld zouden beschermen en met rust laten en deze laatsten moesten zweren, dat ze niets zouden ondernemen tegen den katholieken godsdienst; niemand door woorden of daden zouden ergeren; geestelijken en leeken in hun goederen en voorrechten te laten en daarbij niet te duiden, dat hun eenig onrecht werd aangedaan.Voor Oranje was die staatsregeling de verwezenlijking zijner innigste en hoogste gedachten; daarop meende hij, zou alleen een vast verbond der gewesten kunnen rusten.Dat er wel verzet schijnt geweest te zijn tegen dit ontwerp, kunnen wij begrijpen, want een dergelijk mooi staatsstuk waarvan algemeene verdraagzaamheid de grondslag was, stond inderdaad te hoog voor de hartstochten van dien tijd.De pogingen van katholieke zijde gedaan, om ook de eerste Unie van Brussel en het Eeuwig Edict van kracht te doen blijven, mislukten. Het zou ook wel dwaas zijn geweest, want in die acten werd in echt Spaanschen geest, de handhaving van den R. Kath. godsdienst bevolen, terwijl in de tweede Unie algeheele godsdienstvrijheid en volkomen verdraagzaamheid op den voorgrond stonden.Al heeft aan die nieuwe wet de toekomst niet beantwoord, al bleek het volktegen de hooge gedachte ervan niet opgewassen, al waren de Calvinisten en Katholieken te klein, te bekrompen, om die gedachten te verstaan en toe te passen,de Tweede Unie van Brussel op zich zelf, is niet alleen de hoogste daad van Oranje’s staatkundig leven, maar is ook een eenig voorbeeld gebleven voor alle tijden en geslachten.In dezelfde maand December was er ook veel te doen over de vraag, in welke verhouding de Prins zou staan tot den aanstaanden landvoogd Matthias. Die vraag hing samen met den Engelschen invloed en met de hulp door Elisabeth beloofd. Niet ten onrechte beschouwde het Engelsche hof die benoeming van Matthias als een bewijs van de vijandige gezindheid van vele edelen tegen Oranje en alleen op voorwaarde, dat Oranje benoemd werd tot luitenant van Matthias, beloofde Engeland hulp te verleenen. Wel gaf de Prins te kennen, dat hij die aanstelling overbodig achtte, indien er slechts een raad van welgezinde mannen aan Matthias’ zijde stond, maar de koningin bleef bij haar eisch.Ingeval van weigering zou men zich allicht weer tot Anjou om hulp wenden, want deze bleef steeds een begeerige blik op de Zuidelijke Nederlanden werpen, terwijl Henegouwen met zijn stadhouder Lalaing wel geneigd was, Anjou in plaats van Matthias te nemen.Wederom waren het de zoogenaamde achttienmannen, dus de vertegenwoordigers der Brusselsche burgerij, die aan het werk gingen.Door hun alvermogenden invloed was de Raad van State in hun geest veranderd en nu stelden zij aan de Staten eenvoudig den eisch, dat Oranje’s stadhouderschap over Brabant zou verlengd worden en tevens, dat de Prins tot Matthias’ luitenant zou worden benoemd, wilde men den Oostenrijkschen aartshertog als landvoogd erkennen.De Staten stonden versteld over dien eisch. Men had indertijd de aanstelling van Oranje tot ruwaard van Brabant afgeperst, doch dit ambt was tijdelijk verleend en zou toch zeker vervallen, wanneer de landvoogd er was, die in Brussel wonende, toch een stadhouder in Brabant onnoodig maakte.De Staten verwierpen den eisch, maar de achttienmannen stelden zich daarmee niet tevreden en het liep zoover, dat Henegouwen en Artois zich reeds verzetten tegen die overheersching van de burgerij.En de Prins? Hij gaf wederom een bewijs, dat hij zijn verheffing niet zocht, want hij schreef een brief aan de hoofden der burgerij om hen te matigen in hun plannen. Hij verzocht hun, hem niet meer charges op te dragen, bij de vele, welke hij reeds bekleedde; ook wees hij op de tweedracht, welke daardoor zou ontstaan en vroeg hun zich te onderwerpen aan die Staten, welke in zulke zaken hadden te beslissen. Ten slotte gaf hij hun te kennen, niet het bestuur over het leger te willen aanvaarden, daar graaf Lalaing generaal der armee was en hij den schijn niet op zich wilde laden, inbreuk te maken op zijn gezag.Het mocht niet baten. In den vorm gaven de achttienmannen iets toe, maar het eind van de zaak was, dat op den 8enJanuari het besluit werd genomen, Oranje’s stadhouderschap over Brabant te verlengen en hem aan te stellen alsluitenant van Matthias. De Prins was zelf in die dagen in Gent, waar hij, zooals we zeiden, einde December heengegaan was. Zijn broer Jan van Nassau vergezelde hem.Met uitbundig gejuich werd hij de stad ingehaald en de ontvangst had niet luisterrijker kunnen zijn. De rederijkerskamer “Jezus met de balsembloem” verwelkomde hem met een tooneelstuk “Judas Maccabeus,” dat natuurlijk vele toespelingen op den redder Oranje behelsde.Door zijn invloed beloofden de Staten van Vlaanderen, een grooter en geregelder aandeel aan de algemeene geldkas te geven, maar in andere opzichten werkte de Prins, wiens overkomst naar Gent door de Staten-Generaal gewenscht was, niet in den geest van dit lichaam. Dat in Gent de invloed der burgerij zeer groot was, bleek wel uit het stoute stuk van Rijhove, Hembyze en anderen, door de gevangenneming van Aerschot en de zijnen. Wel was Aerschot weer spoedig op vrije voeten gesteld, maar de andere heeren bleven nog steeds opgesloten en de tegenwoordigheid van den Prins had hun vrijlating niet ten gevolge, zooals de Staten-Generaal hadden gehoopt. Het volk, en voor hen ook hier de achttienmannen, bleef oppermachtig.Ze verlangden niet alleen dat Aerschot geen gouverneur zou wezen, maar wilden ook, dat de nieuwe magistraat van Gent uit de democraten moest worden gekozen. Ze werd dan ook samengesteld uit de bedrijvers van de jongste oproerige bewegingen.Toen de Prins den 18enJanuari Gent verliet, waren de heeren nog gevangen, terwijl de macht geheel in handen was gekomen van de leiders der onlusten.Men heeft dit later den Prins wel verweten, maar kan men dat van zijn vijanden begrijpen, veel is er, zegt Bussemaker, wat ons zachter stemt in de beoordeeling daarvan. Het was Oranje’s doel zoowel staatkundige als godsdienstige vrijheid te verkrijgen; daarom moest Spanje bestreden worden. Wilde dit echter succes hebben, dan was vastheid in de leiding een eerste eisch. Die leiding te geven kon alleen een man met de bekwaamheden van den Prins; dit werd niet alleen in de Nederlandsche gewesten, maar ook daarbuiten erkend: in Spanje, Engeland en Frankrijk.Door naijver en onverdraagzaamheid, doch ook door vrees voor mislukking van zijne groote plannen, betwistte men hem vooral de hooge plaats, die hij innam. Alleen bij de massa van het volk vond hij dat vertrouwen, die hartelijke medewerking en vurigen ijver, die hij bij zijn grootsche taak zoo zeer van noode had. Hoe begrijpelijk, dat hij dus tegen die massa niet al te krachtig optrad, want ontstond er verkoeling, dan kon dit noodlottig worden voor de groote zaak. Was eenmaal de regeering geregeld en alles op vasten voet gebracht, dan zou de hartstocht bedaren en de orde vanzelf het geweld vervangen.Dat deze gedachten ook die van den Prins waren, blijkt wel uit een brief van hem, geschreven aan den Prévot van St. Bavo, Bucho d’ Aytta de Zuichem.Over de gevangenen sprekende zegt hij daarin: “Het is ook mijne bedoeling die heeren gevangenen zacht te behandelen, wel erkennende, dat gestrengheid op den duur niets dan kwaads kan voortbrengen. Doch ook moeten allen tevreden gesteld worden; ontevredenheid aan anderen te geven, door enkelen zacht te behandelen, is evenmin goed.”In de eerste dagen van Januari werd het verdrag met Elisabeth ook geteekend, waarbij ze een crediet van 100.000 pond verleende en tevens hulp in manschappen beloofde.Ook kwam er in die dagen uit Spanje een brief aan de Staten, waarin Filips behalve volledige amnestie, tal van andere beloften deed, maar.... handhaving van den waren godsdienst zooals ten tijde van zijn vader, moest worden verzekerd.De voorstellen van Filips waren werkelijk nog al mild en hij zelf verlangde oprecht den vrede in die dagen. Het getij was echter verloopen en nu na Oranje’s komst in Brabant verlangde men meer dan den eenvoudigen terugkeer tot den toestand ten tijde van Karel V.Ondertusschen was Matthias steeds in afwachting van het bericht, dat men hem in Brussel zou ontvangen. Hij bepaalde daartoe eerst den 14enJanuari, maar op uitdrukkelijk verlangen van den Prins werd die blijde intocht tot den 18enverschoven.Geven we Motley het woord:“Het was de derde luisterrijke intrede, die Brussel binnen de laatste negen maanden aanschouwde. Het was ook de schitterendste, want het scheen alsof de burgerij, in vergoeding voor de onbeduidendheid, waartoe men den aartshertog veroordeeld had, hem zinnebeeldig tot den zevenden hemel wilde verheffen. De rederijkerskamers zagen in hem de schitterendste zon, die ooit den Vlaamschen grond bestraald had.Een prachtige stoet te paard, met Oranje aan het hoofd, begeleid door graaf Jan van Nassau, den prins van Chimay en andere grooten, kwam hem te Vilvoorden tegemoet en bracht hem tot aan de stadspoort. Op een open veld buiten de stad stond de graaf van Bossu aan het hoofd der troepen, die ten slotte een spiegelgevecht hielden, dat, om de woorden van een met de oudheid vervulden tijdgenoot te bezigen, “een even bloedigen strijd scheen, als op de vlakten van Attika tusschen hertog Miltiades van Athene en koning Darius had plaats gegrepen.”De stoet trok de Leuvensche poort binnen onder een schitterenden zegeboog, met onzichtbare speellieden bezet. “Ik geloof dat Orpheus nooit zoo liefelijk op de harp gespeeld had,” zegt dezelfde schrijver, “noch Apollo op de lier, noch Pan op de fluit, als de stadsspeellieden nu.”Bij het binnenrijden der poort werd Matthias terstond overgeleverd aan de oude fabelleer en maakten de burgers en rederijkers zich van hun doorluchtigen gevangene meester, met het vast besluit om bij zijn verwelkoming zich zelven te overtreffen.De vertegenwoordigers der “negen natiën” van Brussel kwamen hem tegemoet in de Ridderstraat, van een weidschen stoet vergezeld. Ofschoon het middag was, droegen allen brandende toortsen. Ofschoon het Januari was, werden de straten met bloemen bestrooid. De huizen waren met festoenen behangen en schitterendmet zijde en fluweel gestoffeerd. De straten waren vol toeschouwers en met zegebogen bezet. Op de groote markt, steeds het middelpunt van alle indrukwekkende schouwspelen, het mochten dan tooneelvertooningen, steekspelen of terechtstellingen zijn, bereikten de dramatische voorstellingen hun toppunt. De prachtige gevel van het stadhuis was met wimpels en banieren versierd; de vensters en uitstekken daar, zoowel als die der overige schilderachtige gebouwen, welke het plein insloten, waren met feestelijk getooide vrouwen bezet. Op het plein had men vierentwintig tooneelen opgeslagen, waar een reeks van schilderijen werd vertoond door de schoonste meisjes, die men in de stad had kunnen vinden. Deze waren allen in gewerkte zijde, kostelijk kunstwerk en goudlaken uitgedost.De onderwerpen van die levende tafereelen waren, gelijk vanzelf spreekt, geheel aan de oude godenleer en den heldentijd ontleend, want de Nederlanders konden niet buiten zinnebeeldige voorstellingen; nochtans verrieden deze vertooningen, door burgers en ambachtslieden tot vermaak hunner medeburgers bedacht en uitgevoerd, een grooten trap van beschaving bij het volk, dat zich op dergelijke wijs vermaken kon.Al de groepen waren met kunstig overleg gerangschikt. Op het eene tooneel stondJunomet haar pauw; zij bood Matthias de stad Brussel aan, die zij fraai gemodelleerd, in de hand hield. Op het andere tooneel reikteBybelehem de sleutels, overhandigdede Redehem een toom,Hebeeen bloemkorfje,Wijsheideen spiegel en twee wetboeken,Naarstigheideen paar sporen, terwijlStandvastigheid,Grootmoedigheid,Voorzichtigheiden andere deugden hem met een helm, borstharnas, speer en schild toerustten. Op andere stellages boodBellonaden landvoogd verscheidene gewapende manschappen aan, in een bundel saamgebonden en gafde Faamhem haar trompet ende Roemhaar kroon.Nog zag men Quintus Curtius, geharnast en te paard, zich in den gapenden afgrond storten en werden op zes andere tooneelen de schilderachtigste oogenblikken uit het leven van Scipio den Afrikaan vertoond. De baardelooze aartshertog had nog geen heldendaad verricht, behalve zijn vlucht uit Weenen in zijne nachtjapon, maar de eerlijke Vlamingen vonden er genoegen in zich te verbeelden, dat die twee oude Romeinen in hem herboren waren. Door hun liefde voor de verdichtselen en geschiedenissen der oudheid medegesleept, zagen zij in hem een mytischen held en inderdaad was hij bestemd dit in de Nederlanden te blijven. Nadat Matthias al deze wonderen aanschouwd had, werd hij wederom opwaarts naar het hertogelijk paleis geleid, waar hij nog tot vermoeiens toe, aanspraken en verzen aan te hooren had, tot men hem eindelijk vergunde, zijn avondmaal te gebruiken en naar bed te gaan.Intusschen vierden de burgers feest op straat. Overal had men groote vreugdevuren ontstoken, waaraan het volk “ganzen, varkens, kapoenen, patrijzen en kuikens” braadde, terwijl men zich onder vroolijk fluitspel met dansen vermaakte. Plotseling zag men een vreeselijken draak door de lucht vliegen: het monster zweefde een poos over de hoofden der jubelende menigte op de groote markt en barstte toen bulderend uiteen, terwijl het raketten en allerlei vuurwerk naar wijd en zijd uitzond. Deze nog nieuwe vertooning veroorzaakte zooveel schrik onder demenigte, dat de meesten het hazenpad kozen, “alsof duizend soldaten hun op de hielen zaten,” terwijl zij in de grootste verwarring over elkander tuimelden.Den volgenden dag zonden de Staten eene deputatie naar Matthias om hem te verzoeken, Oranje aan te stellen tot zijn luitenant-generaal. Dit was eigenlijk geen verzoek, maar een gedwongen fraaiigheid, want in dien vorm hadden de Staten berust, om het niet te doen voorkomen, alsof zij zich door de burgerij de wet lieten stellen. Matthias stemde toe en den 20enlegden beiden hunne ambtseeden af.“Hun werd,” vervolgt Motley, “door de Staten-Generaal een prachtig gastmaal aangeboden in de groote zaal van het Stadhuis en toen de tafel afgenomen was, gafRhetoricahare laatste en zinrijkste vertooning door de broeders der vermaarde Kamer: “Maria met den bloemenkrans.”Twee personages—de eene als een deftig burger, de andere als een geestelijke gekleed, met tabbaart en bef—verschenen op het tooneel, vlak tegenover de zitplaatsen van Hunne Hoogheden, en droegen een lang berijmd gesprek voor. De eene der sprekers heette “Verlangend Hart,” de andere “Gezonde Troost,”Gezond Verstandzou beter te pas gekomen zijn, maar dit was, naar het schijnt, uit het spel gebannen. Nadat er een lang relaas was opgedreund, nam het spel een einde en Rhetorica haar afscheid. Het gezelschap was gedurende de lange voorstelling aan tafel gebleven en thans werd het nagerecht opgedischt, dat uit een “kostelijk triumphant banket van ingemaakte vruchten en allerlei suikerwerk” bestond.In welke stemming de Prins gedurende al die feesten verkeerde, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld verheugde hij zich over het volksgenoegen, in zoover hij er eene uiting in aanschouwde van zijn vurig verlangen naar onafhankelijkheid van Spanje. Maar kon het anders, of ook een reeks van moeilijke vragen stelden zich voor zijn geest. Zijn broeder Jan was met hem in Brussel; die was nu vast besloten zijn lot met dat zijns broeders in de Nederlanden te verbinden. Oranje zelf had behoefte aansympathie, al scheen hij ook een man, die bovenal op zichzelf vertrouwde. Marnix van St. Aldegonde en Jan van Nassau waren beiden voor hem onmisbaar, al konden ze met al hun affecties hem toch niet geheel begrijpen. Want beiden hadden een godsdienst met een zeer sterke theologische strekking en Oranje’s verdraagzame geest was hun eigenlijk onverklaarbaar; ze zagen dat aan aan als Laocideesche lauwheid.De herziene Unie van Brussel en de kort daarop gevolgde intocht van Oranje als luitenant van Matthias in Brussel, waren zeker de glansrijkste oogenblikken in de loopbaan van den Prins.Onder het bestuur in naam van een lid van het Oostenrijksche huis, wiens geboorte eenige reden aan zijn optreden gaf, waren de teugels der regeering in zijne handen en was het zijne taak niet alleen de protestantsche noordelijke gewesten, maar ook de katholieke, zuidelijke te regeeren.Zou hij slagen in de vervulling dier taak? Zou zijn talent als staatsman, dat hem zoover gebracht had, niet te kort schieten, wanneer het aankwam op de toepassing? Zou het hem gelukken, op den grondslag van de Pacificatie, beide godsdiensten vereenigd te houden en alle gewesten in eendracht te doen samenwerken in den vernieuwden oorlog met Spanje? Zou hij het hoofd kunnen bieden aan den geweldigen strijd, die hem wachtte? Niet alleen had de Paus den aartsketter en al zijn volgers op één lijn met Turken en heidenen geplaatst en bleef de hoop op Engeland steeds nog in de lucht zweven, maar bovenal zou het de vraag zijn, of hij de fanatieke Calvinisten en Katholieken tot één doel zou kunnen doen samenwerken. We zullen daarop, helaas, later een ontkennend antwoord moeten geven.Hoofdstuk XXVI.Moeilijke dagen. Don Juan. Parma. De Prins te Gent. 1578.Sedert tien jaar was er zooveel gebeurd in het leven van den Prins, dat we ons bijna niet kunnen voorstellen, dat er zulk een betrekkelijk kort tijdsverloop ligt tusschen zijn eersten hopeloozen veldtocht van het jaar 1568, gedurende zijn ballingschap in Dillenburg en zijn triomfen in den aanvang van 1578. Wie hem, na dien roemloozen veldtocht tegen Alva, toen hij nauwelijks op Fransch grondgebied een toevlucht kon vinden, had voorspeld, dat hij na tien jaar eigenlijk de eerste in datzelfde land zou zijn, ware zeker door den Prins glimlachend en ongeloovig aangezien.Maar, nu eenmaal op dat hooge standpunt geplaatst, moet het hem wel eens benauwd hebben, als hij er aan dacht op welke wijze zijn taak te vervullen. Op een rozenbed heeft hij zeker geen enkelen nacht geslapen. Hij wist wel, dat nijd en heerschzucht, fanatisme en intrige rond hem spookten en hem die hooge stelling moeilijk zouden maken. En dan was het voor hem ook een vraag of hij met zijn hooge denkbeelden van verdraagzaamheid en eendracht wel in staat zou zijn, de demonen te bezweren, die afgunst en haat, bijgeloof en tweedracht rondstrooiden.De eerste, die hem op zijn weg van practische pacificatie der gewesten belemmerde, was Don Juan. Geen wonder; hij was in Luxemburg gebleven, waar zijn woede en wraakzucht steeds toenamen, naarmate de berichten uit Brussel hem duidelijker maakten, hoe zijn kortstondig gezag werd geïgnoreerd.Zijn koninklijke broeder, die hem eigenlijk niet geheel vertrouwde, had eindelijk zijn beden verhoord. Uit Italië waren 3000 Spanjaarden teruggekeerd en Alexander Farnese, Prins van Parma, zoon van Margareta, was op weg om Don Juan te ondersteunen en te vervangen. Door versterking van het leger met 4000 Fransche katholieken, kon de sterkte van zijn krijgsmacht op het einde van Januari op 16000 man worden geschat.Wat konden de Staten daar tegenover plaatsen, toen Don Juan op den 25enJanuari een manifest in drie talen afkondigde, waarin hij den wapenstilstand voor geëindigd verklaarde en zijn bedoeling uitsprak, om door wapengeweld het gezag van koning en kerk te herstellen?Het statenleger was door de overkomst van 4000 Schotten uit Engeland en eenige honderden Duitsche ruiters en Hugenoten niet veel geringer in aantal, maar het leger van Don Juan was oneindig beter georganiseerd. De Nederlandsche edelen hadden twist over het militair gezag; elk leider beschouwde zich als den gelijke zijner collega’s, zoodat van eendrachtig handelen geen sprake was.Toen nu Farnese bij Don Juan aankwam, waren juist de voornaamste edelen, als Lalaing, Melun e. a. afwezig om de bruiloft van den heer de Bersele te vieren, zoodat het commando aan jongeren als Filips van Egmond, Heze en Havré was overgelaten. De tegenpartij maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik en besloot onmiddellijk den aanval op het kamp van het statenleger te wagen. Op den laatsten Januari trokken de patriotten terug, den kant op naar Brussel en waren zij te Gembloux. Don Juan, door den Prins van Parma vergezeld, vervolgde het terugtrekkend leger; zijn banier met het kruisbeeld erop droeg de gedenkwaardige woorden: “In hoc signo vici Turcos, in hoc haereticos vincam” (Met dit teeken heb ik de Turken overwonnen; hiermede zal ik ook de ketters overwinnen.) Een trouwe zoon dus van den Paus, die eveneens Turken en ketters op één lijn had gesteld.Er begon eene schermutseling, die eerst gunstig scheen voor het statenleger doch eene stoute beweging van Parma keerde de fortuin. Hij deed door een gevaarlijk moeras heen een onverwachten aanval op zijn vijanden. Een schitterend legeraanvoerder zou hen nog gered hebben, maar die was er niet, zoodat de patriotten zich zonder slag of stoot overgaven of in de pan werden gehakt. Fabelachtige getallen worden er genoemd van gesneuvelden; volgens eene berekening zelfs zou elk Spanjaard het leven van tien Nederlanders hebben uitgebluscht. Wat daarvan ook moge zijn, geheel het statenleger was vernietigd; een groot getal verdronk in de Maas, terwijl een onbeduidend aantal Spanjaarden om het leven kwam.Welk een ramp! De gewesten waren pas verbonden en zou die vereeniging eenige vastheid hebben, dan was er voorspoed noodig geweest. Dat juist nu zulk een slag moest vallen was al bijzonder noodlottig. Door een gelukkige overwinning zou de pas gevestigde regeering steun hebben gekregen en was het haar misschien mogelijk geweest zoowel de hartstochten der burgerij te kalmeeren als de aanzienlijke edelen voor zich te winnen. Wat Oranje aangaat, de adel voelde met dubbele kracht zijn wrok tegen hem opkomen en weet hem gaarne de schuld van alle onheil.In Brussel heerschte na de nederlaag bij Gembloux groote ontsteltenis, want men vreesde, dat Don Juan ook spoedig die stad zou bedreigen. Dubbel gelukkig dus, dat Oranje door kalme vastberadenheid de diepe verslagenheid wist te overmeesteren en geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloor. Het leger werd door hem versterkt en aan Bossu liet bij de verdediging van de hoofdstad over, terwijl de Prins met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen vertrok.Wel viel Brabant grootendeels in handen van Don Juan, maar tot Brussel naderde hij niet. Gebrek aan geld verhinderde hem bovendien van zijn overwinning groote vruchten te plukken.Straks zullen we zien, hoe de binnenlandsche tweedracht voor het gezag van Oranje nog veel schadelijker was dan de nederlaag van Gembloux.Een merkwaardige gebeurtenis in den aanvang van 1578 was de overgang van de stad Amsterdam naar ’s Prinsen zijde.Tot dien tijd was die gewichtige plaats onder ’s konings gezag gebleven. Oranje had niet nagelaten, den handel daarvan gevoelig te treffen en zoowel die nadeelige gevolgen voor de welvaart van Amsterdam als de invloed van afgezanten uit Utrecht bewerkten den ommekeer. De burgers namen een verdrag aan op dezelfde voorwaarden als de Utrechtsche Satisfactie. Aan de verschillende hervormde sekten werd vrijheid van eeredienst, ieder overeenkomstig haar gebruiken, gegeven alsook om hun dooden binnen de wallen te begraven. Ieder was niet evenzeer met die Satisfactie voldaan; van daar dat er in den loop van den winter allerlei beroeringen in de gemeente plaats hadden, die eindelijk in de maand Mei in een oproer uitbarstten, waarbij de partijgenooten van den Prins de zege behaalden en tegenover de katholieke fractie, die vrij sterk was gebleven, eene stedelijke regeering samenstelden, die de nieuwe maatregelen kon doorvoeren.Toen de Prins midden in den winter met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen ging, schijnt zijn familie zich daar met hem te hebben vereenigd. Uit die stad althans schreef Oranje’s oudste dochter Marie een briefje aan Graaf Jan, die in naam der regeering naar Gelderland op reis was gegaan. Deze was jarenlang de huisgenoote van haar oom in Nassau geweest; vandaar dat zij tegenover hem een kinderlijke genegenheid gevoelde en hem zelfs met den titel van vader aanspreekt.Na haar verontschuldiging te hebben aangeboden, dat zij hem niet eerder dank heeft gezegd voor al zijne zorgen voor haar, vervolgt zij aldus:“Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats gehad—hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden, eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden, dat gij ze gezien hebt.“Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven, hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder eens gebeuren, enz.Antwerpen 10 Februari 1578.Op die wijze houdt de oudste dochter van den Prins diens broeder Jan op de hoogte van den toestand. Op den 8enMaart schreef ze weder aan haar vaderlijken oom:“Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd, waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent, zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht, dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was, om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer, want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven, hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met zijn reisplan.Antwerpen 8 Maart.Doch genoeg van deze jongemeisjesbrieven, die wederom bewijzen, welk eene aardige verhouding er tusschen de kinderen van den Prins en zijn broeder Jan bestond.Hoe schadelijk ook de nederlaag voor het gezag van Oranje mocht wezen zijn toestand werd, zooals we straks zeiden, nog veel moeilijker gemaakt door de tweedracht tusschen de gewesten, welke vooral uit het verschil in godsdienst voortsproot.Het ideaal van den Prins, godsdienst en gewetensvrijheid voor allen, bleek spoedig in de toenmalige omstandigheden onbereikbaar. De maatschappij was er nog niet rijp voor en Oranje moest ondervinden, dat al zijn schoone plannen vanverdraagzaamheid en wederzijdsche eerbiediging niet zoo dadelijk verwezenlijkt konden worden. Evenmin als de katholieke was de Calvinistische partij in de Zuidelijke Nederlanden vatbaar, om de staatkunde van den grooten Zwijger te verstaan. Ja, ze vonden beiden, een ieder op haar standpunt, die staatkunde geheel in strijd met Gods gebod. De Calvinist beschouwde het Pausdom als den gevloekten poel van ongerechtigheid en al zijn instellingen als het werk van Satan; hoe zouden ze dan vrijheid van godsdienst kunnen geven aan de priesters om die ongerechtigheid te handhaven en te verspreiden? En de Katholieken—volgens hen was het geheele werk van Luther en Calvijn uit den booze en mocht hun leer niet binnen hunne landpalen geduld worden.Die tegenstelling tusschen de beide godsdiensten moeten we steeds in het oog houden, willen we de verwarring van het jaar 1578 begrijpen, want aan de meeste dingen lag die tegenstelling ten grondslag.In het Zuiden van het land waren het vooral Vlaanderen met Gent aan het hoofd en Artois en Henegouwen, waar de moeilijkheden het grootst waren. In de beide laatste gewesten speelden behalve de godsdienst ook de intriges van Anjou met zijn vrienden en die van Don Juan hun fatale rol.Veroorzaakte de nederlaag te Gembloux reeds, dat men hier en daar de kreet “verraad” vernam en men allerlei bedreigingen tegen de geestelijkheid uitte, daarbij kwam nog het verzet tegen de belastingen, die door de Staten waren uitgeschreven. Don Juan en Anjou hielden bovendien de gewesten door middel van hun agenten in voortdurende onrust en de laatste had in Henegouwen een sterken aanhang, die vooral door Lalaing gesteund werd. Daar Oranje in die dagen hulp van Engeland verwachtte, maar nog niet zeker van die steun was, begreep hij, dat hij Anjou niet van zich moest verwijderen en sloot de Prins zelfs een verdrag met hem, waarbij Anjou den schoonen titel ontving van “Défenseur de la liberté des Pays-Bas contra la tyrannie des Espagnols et de leurs adhérents.” Hem werd daarbij alleen in de toekomst eenig uitzicht op souvereiniteit gegeven, zoodat het verdrag, dat van Oranje’s zijde niets dan politiek was, voor Anjou geen groote beteekenis had.Het eenige doel van Oranje was te zorgen, dat Henegouwen zich niet van de overige staten zou losmaken.In Vlaanderen wilde men van Fransche hulp niets weten, doch aller oogen waren daar gericht op Johan Casimir van de Paltz, die met Engelsch geld een leger in Duitschland had geworven. Kerken en kloosters plunderend en verwoestend, kwam dit leger in Juli in ons land; met het statenleger vereenigd, bedroeg het ongeveer 40.000 man, waartegen Don Juan nauwelijks de helft kon stellen. Hij leed dan ook in Augustus bij Rijmenam een nederlaag en sloeg daarna een kamp bij Namen op, waar hij zelf, door eindelooze inspanning afgemat, op den 1enOctober al zijn eerzucht met het verlies van zijn jonge leven moest boeten.Door den dood van Don Juan kwam een ander op het krijgs- en staatstooneel, n. l. Prins Alexander van Parma, in wien Oranje een waardigen tegenstander zou vinden.Parma, in 1546 geboren en dus ongeveer van denzelfden leeftijd als zijnoom en voorganger Don Juan, bezat veel meer karakter, verstand en bekwaamheid als legerhoofd dan een van Filips’ vorige landvoogden. Op twintigjarigen leeftijd was hij gehuwd met Donna Maria van Portugal en de bruiloft had in 1566 in Brussel plaats gehad op het oogenblik, dat de ontevredenheid tegen de Spaansche maatregelen begon. Oorlogvoeren was zijn kracht, gelijk hij reeds in zijn jeugd afkeer van de studie had en alleen veel hield van jagen, paardrijden en het hanteeren van wapens.Aan alle Europeesche vorsten gaf Parma bericht van zijn aanvaarden der landvoogdij en hij riep hen op, hem te helpen in het eindelijk bedwingen van den opstand, die in de koninklijke domeinen van zijn oom zulke verhoudingen had aangenomen.Tot deze domeinen behoorden volgens hem ook de noordelijke gewesten, waar Oranje reeds geruimen tijd de eigenlijke souvereiniteit bezat. Met dezen zullen we Parma dan ook van nu af den strijd verder zien voeren.Een zeer moeilijke rol had de Prins in 1578 te vervullen in Gent, waar zooals we zagen, de democratie had getriomfeerd en de gevangenschap van de metgezellen van Aerschot had voortgeduurd, toen Oranje zijn intrede als stadhouder van Vlaanderen doen zou.Het volk aldaar verkeerde in hoogst opgewonden stemming; geleid door mannen als Rijhove en Hembyze en aangezet door heftige predikers, als Modet enDathenus, verdacht de Vlaamsche bevolking, vooral na den nederlaag van Gembloux, de katholieken van verraad.Op Pinksteren van dat jaar kwam het in Gent tot eene uitbarsting, die aan de dagen van de beeldstormerij herinnerde. Kerken en kloosters werden geplunderd, geestelijken mishandeld en de van beelden gezuiverde kerken voor Calvinistische prediking gereed gemaakt. De Prins stond tegenover een macht, wier beteekenis hij niet genoeg kende, de vrucht van de godsdienstige dweepzucht, van het fanatisme. De Pacificatie van Gent had alleen aan Holland en Zeeland het Calvinisme vergund, maar den bestaanden toestand omtrent den godsdienst in andere gewesten gehandhaafd. Vrijheid, openbaarheid van prediking was in Vlaanderen niet geoorloofd en de Prins liet niet na, den Gentenaars het ongeoorloofde van hun gedrag onder het oog te brengen. Of Oranje hen wees op het gevaarlijke van die openbare prediking, waardoor hij zelf en het vaderland in de grootste moeilijkheden zouden gewikkeld worden, het hielp niets. De predikanten waren blind voor de gevaren, stoorden zich aan geen staatkundige overwegingen en hielden zich niet gebonden aan de bepalingen der Pacificatie.Daar door dit alles het misnoegen der Katholieken met den dag toenam en hetzelfde verschijnsel zich ook in Amsterdam en Haarlem voordeed, kwam Oranje met een voorstel in den Raad van State, daar hij noch door zachtheid, noch door geweld den toestand kon veranderen.De Prins kwam n.l. den 9enJuni 1578 met het voorstel van dengodsdienstvredevoor den dag, waarbij het in elke gemeente, waar honderd gezinnen een der beide godsdiensten verlangden, geoorloofd zou zijn, dien openbaar uit te oefenen.Zeker, ook dit was in strijd met de Pacificatie en ondervond in de Staten-Generaal vooral van katholieke zijde groot verzet, maar de Prins beriep zich in zijn antwoord op dat verzet op de veranderde tijdsomstandigheden. Het wantrouwen en de onrust—zoo beweerde hij—waren bij zijne geloofsgenooten zeer groot geworden. De Katholieken hadden als stelregel aangenomen, de uitspraak van het Concilie van Constanz, dat men aan den ketter zijn woord niet behoefde te houden. Zoo had de koning van Frankrijk de hervormden bedrogen en vermoord. Na uitdrijving der Spanjaarden voorzag de Prins burgeroorlog, indien men niet als enkele andere landen tot een godsdienstvrede besloot, die zoowel den Calvinisten als den Katholieken kon ten goede komen.Hij achtte voor alles noodig, maatregelen te nemen, die zouden voorkomen, dat er op de Unie inbreuk werd gemaakt en nu, wat hij, noch iemand anders kon voorzien hebben, de Calvinisten zoo het hoofd opstaken, moest er een schikking worden gemaakt.De Staten-Generaal waren echter niet te bewegen het voorstel voorloopig aan te nemen; ze besloten den 12enJuli het ontwerp van den godsdienstvrede naar de gewesten te zenden, opdat die zelve daarin zouden beslissen.Welke moeite Oranje zich ook gaf dit ontwerp, dat ook herstel van grieven op staatkundig gebied beoogde, te doen aannemen, het stuitte af op den onwil der gewesten, zoodat feitelijk alleen te Antwerpen de religievrede werd afgekondigd. Het geneesmiddel bleek erger dan de kwaal; de scherpe tegenstelling der partijen kwam er nog helderder door aan den dag.Wel mag 1578 het bangste enmoeilijkstejaar in ’s Prinsen loopbaan genoemd worden, want behalve dien vergeefschen arbeid om door een godsdienstvrede de eendracht der gewesten te herstellen, was er nog zooveel meer, dat hem groote onrust bracht. Don Juan en Parma bleven ook na de nederlaag bij Rijmenam een dreigend gevaar voor de gewesten vormen; Casimirs woeste onbetaalde troepen hielden op ergerlijke wijze huis in de landen, waar ze verschenen, terwijl ook Anjou en zijn agenten doorgingen in troebel water te visschen.Te midden van al die bezwaren het schip van den Staat der 17 provincies in een veilige haven te sturen, was een werk boven menschelijke kracht verheven. Ook voor een man, die zoo hoog als Oranje stond, werd het moeilijk den weg te vinden te midden der tegenstrijdige wenschen en belangen van de bondgenootschappelijk vereenigde gewesten.Toch was Oranje’s gezag tot in het najaar nog steeds stijgende. Hij was trouwens de eenige, die het nog eenigermate kon handhaven. Daar hij zich zelf terecht beschouwde als de krachtigste belichaming van de idee der generaliteit, verzuimde hij ook de gelegenheden niet, die de Staten en de personen aan hem konden binden, ten einde des te meer aanhangers voor de zaak der Generale Unie te winnen.Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).Op het einde van den zomer van 1578 werd de derde dochter van Charlotte van Bourbon geboren. Het kind kreeg den naam van Catharina Belgica en tegelijk met Catharina van Schwarzburg zou het doorluchtige lichaam der Staten-Generaal als doopgetuige van de jonge spruit optreden. Bij deze gelegenheid verzocht de Prinsaan de Staten-Generaal het kind volgens protestantsch gebruik te doen doopen en deelde hij tevens mede, dat hij besloten had, nu er in Antwerpen vrijheid van godsdienst was, daarvan voor zichzelf gebruik te maken. Wel waren er enkele Staten tegen dat voorstel van den doop, maar officieele gedeputeerden werden er toch benoemd om bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn, terwijl aan Oranje het grondgebied van Lingen, ter eere van deze gelegenheid, werd aangeboden.De pasgeboren dochter deed alzoo bij haar intrede in het leven haar vader een grooten dienst, in zoover er publieke eerbewijzen te haren behoeve aan hem werden betoond. Van deze goede gezindheid jegens hem maakte Oranje gebruik, vergunning te vragen, in de buurt van zijne woning een gebouw te stichten voor protestantschen eeredienst, hetgeen hem ten volle werd toegestaan.Ook graaf Jan was overtuigd, dat de ster van zijn broeder nog steeds stijgende was, zooals uit een brief van hem aan Willem van Hessen blijkt. Broer Jan was echter door zijn benoeming tot stadhouder van Gelderland slechts kort getuige geweest van het optreden van Oranje in het zuiden en ging in zijn optimistische berichten meer op losse geruchten en op den schijn der dingen af. Want zelfs Oranje’s gezag zou ten slotte niet in staat blijken de geesten te bedwingen, den toestand te beheerschen en eenheid en orde te scheppen in den chaos der dingen.We zagen vroeger, dat het met Pinksteren te Gent tot een uitbarsting was gekomen en de Calvinistische democratie overwonnen had. De poging van Oranje door een godsdienstvrede de gemoederen in het Zuiden te bedaren, was mislukt. Ook in Artois, dat evenals Henegouwen aan Vlaanderen grensde, had de Calvinistische democratie aanvankelijk overwonnen, maar door den heer van Montigny, broeder van den Henegouwschen stadhouder Lalaing, was de katholieke reactie in Artois spoedig de tegenpartij meester en Montigny met zijn troepen bedreigde zelfs het Zuiden van Vlaanderen. Des te fanatieker werd toen de Calvinistische partij in Gent, die in Augustus het aantal gevangenen nog met Champagny had vermeerderd, daar deze, uit afgunst op Oranje, ook van Brussel uit een katholieke reactie had op touw gezet. In October ging men in Gent nog verder door twee der gevangenen, o.a. den beruchten Hessels, op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Van geldelijke bijdragen van de stad om in den algemeenen geldnood te voorzien, kwam niets en het gemeen bleef zich in Gent en andere plaatsen aan beeldstormerij, plundering van kerken en kloosters schuldig maken.Het ontbrak niet aan pogingen van de zijde der Staten-Generaal, om den vrede te herstellen. Vooral Oranje maakte zich daarbij zeer verdienstelijk. In brieven verweet hij hen telkens den twist en de tweedracht, die ze zaaiden, het gemis van hun plichtsbesef, om mede tot instandhouding van het geheel hun belastingen op te brengen, hun schandelijk geweld tegen geestelijken en edelen, tegen kerken en kloosters, hun onchristelijke daden en den grooten ondienst, dien ze hem met zulke handelwijzen deden, daar men Oranje in Brussel verweet, dat de Gentsche bedrijven met zijne goedkeuring plaats hadden.Geen harder en onbillijker aantijging is zeker den Prins ooit gedaan. Hetwas hem juist alleen te doen om vrede en eendracht onder de gewesten te verkrijgen, en hij had den religievrede voorgesteld, ten einde elken aanstoot van weerszijden te vermijden, alsof hij eenstemmig was met de Gentsche drijvers, die den katholieken een onuitdoofbaren haat toedroegen! Alsof het democratisch Calvinisme, dat alle burgerdeugden opofferde aan geloofsijver en geloofshaat, ooit de sympathie kon hebben van dezen verdraagzame bij uitnemendheid! En toch aan de andere zijde was het niet te verwonderen, dat men hem daarvan verdacht. Hij was toch zelf Calvinist, althans in naam; hij stond de vrijheid van godsdienst voor en ingeroepen door de burgerij, had hij haar democratisch streven, ook mede om zijn billijkheid, niet bestreden. Hoe konden bijgeloovige, bekrompen katholieken hem dan van iets anders dan van sympathie met die Calvinisten verdenken? De Prins stond daarvoor echter veel te hoog. En zijn verdere houding tegenover Gent was het duidelijk bewijs, hoe hij van dien geest van fanatisme een diepen afkeer had.Brieven en zendingen baatten Oranje echter niets. Trots zijn beste raadgevingen, ging men in Gent voort met geweld te plegen tegen de Roomsche geestelijkheid.De toestand werd nog erger toen Johan Casimir in Gent kwam en zich aan het hoofd der Calvinistische ijveraars stelde, want uit wraak, dat hij van de Staten zoo weinig steun ontving, verzette Casimir zich tegen alle pogingen, die Oranje in het werk stelde om Gent tot andere gedachten te brengen. Inmiddels hadden de Waalsche troepen onder Montigny Meenen bezet en deze stonden nu tegenover die van Casimir en Gent. Een burgeroorlog scheen onvermijdelijk. Vlaanderen aan de eene zijde, Henegouwen en Artois aan den anderen kant, begonnen zich feitelijk van de Staten-Generaal af te scheiden. De toestand was werkelijk wanhopig.Wat zou de regeering zonder voldoend gezag en machteloos door geldgebrek kunnen uitvoeren in den verbitterden strijd, die was uitgebroken tusschen de Calvinistische democratie in Gent, gesteund door Casimirs troepen en het andere deel der staatsche krijgsmacht, de Waalsche soldaten, die bovendien nog aan het muiten sloegen wegens wanbetaling?Inderdaad, waar geen redding mogelijk scheen, zou de Prins die althans ten deele aanbrengen. Hij wist door zijn beleid en persoonlijk optreden in Gent, de zaken zóó te besturen, dat in Vlaanderen aan den strijd een einde scheen te zullen komen. De Walen echter waren reeds te ver gegaan in hun reactie en veroorzaakten, dat de Unie der 17 gewesten uiteensprong.Den 17enNovember was trots het verzet van Hembyze en anderen het besluit genomen, den Prins het gouvernement Vlaanderen aan te bieden en hem te verzoeken, persoonlijk naar Gent te komen, ten einde de twisten bij te leggen.Oranje talmde niet van uit Antwerpen den weg naar Gent in te slaan, doch hij bleef voorloopig te Dendermonde. Hembyze en de zijnen vertrouwde hij zoo weinig, dat hij eerst alle maatregelen voor zijne veiligheid liet nemen, en de Gentenaars liet beloven, dat ze voor zijn leven zouden instaan, voor en aleer hij naar de stad trok. Ondertusschen kwamen Casimir, Rijhove e. a. hem reeds teDendermonde bezoeken. Zonder voorbehoud liet hij zich tegen Hembyze en zijn aanhang uit, die dus wisten, wat hun te wachten stond, als hij in Gent aankwam. Die heethoofd stelde daarom alles in het werk, om Oranje’s komst nog te beletten. Hij meende terecht, dat het dan met zijn rijk en macht gedaan zou zijn. Ter elfder ure stelde hij nog voor, Casimir volmacht te geven, om met Oranje een accoord te Dendermonde te sluiten. Maar op het bericht, dat de Prins eerstdaags komen zou, zoo men hem zijn veiligheid waarborgde, werd over dit voorstel niet eens meer gesproken.Den 2enDecember hield de Prins een plechtigen intocht in Gent, begeleid door wel duizend menschen, uit zijn lijfwacht en eerewacht bestaande. Gentsche ruiters, met Johan Casimir aan het hoofd, kwamen hem te gemoet. Ook Hembyze nam den schijn aan, van mede den Prins die hulde te bewijzen. Doch Oranje doorzag dien man geheel en was niet voornemens hem te sparen. Hij wist, dat Hembyze, dien hij eertijds zoo hoog geroemd had, een fanatiek drijver, een tyran voor het volk was geworden.Wilde er dus iets van Gent terecht komen, dan moest allereerst die leider vernederd en beschaamd worden. Dat oogenblik liet niet lang op zich wachten. Want nauwelijks had de magistraat den Prins in het verblijf van Casimir verwelkomd en was de afspraak gemaakt, dat men den volgenden ochtend de beraadslaging zou aanvangen, of Oranje vroeg, wie hunner hem rekenschap kon geven van de vele troepen, die op weg naar Gent waren. Het schijnt dat Hembyze die troepen had ontboden, om zich en de zijnen te doen beschermen. Die troepen moesten aanstonds terug en toen Hembyze zich niet wist te verantwoorden, zei de Prins hem duchtig de waarheid en de Gentsche volksmenner stond geheel bedremmeld en wist niet hoe zich te redden.Het is bekend, hoe die Calvinistische drijvers, met Hembyze en Dathenus aan het hoofd, zich niet hadden ontzien, om den Prins openlijk een godloochenaar te schelden. Omdat hij elken vorm van godsdienstig leven kon waardeeren en van elken vorm de religie van het hart onafhankelijk maakte, daarom kon de Prins vrijheid van godsdienst voor beide gelooven eischen en daarom kon hij zelf, uit louter inschikkelijkheid, zich een jaar of langer van allen eeredienst onthouden, om allen te sparen. Doch die breede opvatting kon geen der partijen dulden.Hoevele eeuwen zouden nog moeten voorbijgaan, eer de Nathan der Weise, eer de fabel der 3 ringen werd verstaan en toegepast! Hoe weinig worden die nog begrepen in onze dagen, nu hoe langer hoe meer licht over het eigenlijk wezen van den godsdienst is opgegaan! Hoe machtig zijn nog de terughoudende krachten van vooroordeel, verblinding en huichelarij!Maar dan kan het ons niet bevreemden, dat de Prins in zijn godsdienst door zijne tijdgenooten niet verstaan werd, dat Oranje’s verheven zijn boven alle vormen door hen als verregaande onverschilligheid, ja zelfs als goddeloosheid werd aangemerkt. De Prins wilde echter dat merkteeken niet dragen, hij eischte in het recht gesteld te worden tegen hen, die hem voor atheïst hadden uitgekreten. Harde woorden vielen er uit zijn mond over Hembyze en zijn aanhangers en al gaven deze niet aanstonds hun verzet tegen Oranje op, de zedelijke nederlagen,die ze telkens in de eerste dagen leden, maakten het waarschijnlijk, dat de Prins er in slagen zou, de gewenschte orde te herstellen.De Prins had reeds vroeger een acte van aanneming opgesteld, waarin aan de geestelijken hun eigendom werd verzekerd, de R. Katholieke godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend en de eisch werd gesteld, dat de gevangenen zouden worden losgelaten. Behalve deze bepalingen, die als grondslag moesten dienen om de onderhandelingen te beginnen, stelde hij nu in een vergadering van de magistraat nog andere bepalingen voor, die behalve een algemeene amnestie en een betere regeling der geldmiddelen, ook inhielden:Behandeling der stadszaken volgens de oude privileges.Wie zich herinnert, hoe Gent op die oude privileges stond, kan niet anders dan de hooge wijsheid van Oranje roemen, om daardoor de Gentenaars te winnen. Dat hunne stedelijke zaken naar hun oude voorrechten zouden behandeld worden, was voor de inwoners, die 40 jaar geleden al die voorrechten onder de straffende hand van Karel V hadden verloren, een groote vreugde. Dat vooruitzicht gaf aan de betere stemming, waarin de stad door Oranje’s komst gekomen was, nog verhoogden klank. Wel trachtte Hembyze nog een spaak in het wiel te steken, maar zijn poging mislukte en zoo was er grond voor de verwachting, dat niet alleen Gent weer voor de goede zaak der eendracht zou worden gewonnen, maar ook, dat er een schikking zou gevonden worden tusschen Gent en de Malcontenten uit Artois en Henegouwen.Op den 5enDecember begonnen de beraadslagingen over de voorstellen van den Prins, eerst met eene daartoe benoemde commissie, daarna met de drie leden van de Poorterij, de Weverij en de Neringen. De dekens der laatstgenoemde, onder wie Hembyze vele aanhangers telde, waren nog niet zoo gemakkelijk te overreden, doch eindelijk gaven ook zij toe.De R. Katholieke geestelijken ontvingen niet alleen hun eigendommen terug, maar ze behielden ook volle vrijheid van godsdienst, zoowel in Gent als in geheel Vlaanderen. Gent beloofde trouw aan de Unie, terwijl de Staten-Generaal zouden zorgen, dat de Walen uit Vlaanderen vertrokken enz.Door het groot beleid van den Prins was het gelukt, Gent tot rede te brengen en had de stad al de eischen toegestaan, die de Staten-Generaal haar deden. Oranje kondigde buitendien een algemeene amnestie af en gaf zelf het meest krasse bewijs zijner verdraagzaamheid en vergevensgezindheid, toen hij alle pogingen bestreed om Hembyze uit de magistraat te verwijderen en toen hij zelfs aannam, nog de gast van Hembyze te willen zijn.In de woning van zijn grootsten tegenstander in Gent bracht hij toen met Casimir eenige dagen door.Wel duurde het nog tot den 27en, eer de Gentsche godsdienstvrede was afgekondigd, maar reeds op den 11enDecember was de stad tot rust gekomen.Buitengewoon veel menschen- en wereldkennis was er noodig geweest dat resultaat te bereiken. Nog altijd was Gent de moeilijkste plaats om te besturen; ook nu had men wederom ervaren, dat het volk nog dezelfde hartstochtelijke karaktertrekken bezat als in de Middeleeuwen, toen de wijze Jacob van Arteveldeals het slachtoffer van den haat en den hartstocht, door zijn stadgenooten zoo gruwelijk was vermoord.Dat Oranje’s optreden zulk een uitwerking op die bevolking veroorzaakt had, is een nieuw bewijs van zijn zedelijke grootheid en van zijn staatkundig genie. Door de grootste gestrengheid aan de eene zijde, maar ook door de uiterste lankmoedigheid aan den anderen kant, is hem het bedwingen van Gent gelukt.Des te bedroevender was het, dat, waar die zware taak gelukkig was vervuld, de vruchten toch niet konden geplukt worden. Door het bedwingen van Gent was er groote kans op een schikking ook met de andere ontevredenen, maar de Waalsche gewesten waren, terwijl Oranje’s aandacht geheel aan Gent was gewijd, in een andere richting gedreven, die voor de instandhouding van de Generale Unie niet minder gevaarlijk was.
Hoofdstuk XXV.Familiebanden. Oranje’s verheffing. Tweede Unie van Brussel. Intocht van Matthias. 1577–1578.Terwijl wij den Prins dien eersten nacht in het Nassau-paleis zijner vaderen laten rusten op zijne lauweren, droomende van den schoonen triomf door hem behaald, misschien ook van de nieuwe zorgen die hem wachtten, gaan we een oogenblik naar de zijnen terug, die hij in Holland had achtergelaten.De brief van Jan van Nassau, in de maand Mei aan den Prins gericht, met het verzoek om zijn oudste dochter Marie nog een tijdlang bij zijn oude moeder Juliana te laten, was op den 18enJuni door Oranje beantwoord. Hij laat door middel van een bode aan Jan zeggen, dat hij groot verlangen heeft zijn dochter te zien, vooral omdat hij niet weet hoe zijne zaken zullen loopen. Althans voor een poos verzoekt hij zijn broer haar te zenden voor enkele zaken, die hij met Marie heeft te bespreken. Indien zijn zoon Maurits uit Heidelberg is teruggekeerd, dan zou Oranje wel wenschen dat deze met zijn zuster meekwam. De Prins hoopt van harte, dat Jan het vertrek van Marie zal kunnen goedkeuren.Voor korten tijd had Jan daar blijkbaar niet op tegen. In September, toen de Prins naar Brussel werd ontboden en hij den Staten beloofd had, dat in zijn afwezigheid graaf van Nassau hem zou vertegenwoordigen, kwam Jan met drie kinderen van den Prins, Marie, Maurits en Anna aan en werden zij te Geertruidenberg door Charlotte van Bourbon hartelijk verwelkomd.Toen de Prins naar Brussel gegaan was, verliet Charlotte met al hare kinderen de laatstgenoemde plaats en ging naar Dordrecht. Vandaar schreef ze tal van brieven aan haar echtgenoot, vol van zorg en vrees voor zijn gezondheid en leven. Ze smeekte hem toch naar een veiliger plaats dan Brussel te gaan, een wensch waarmee geheel Holland het eens was.Hoe ze hem op de hoogte hield van al de bijzondere familieaangelegenheden, blijkt wel duidelijk uit de aardige brieven, welke ze in de eerste dagen van Octoberaan den Prins schreef. Op den 2enOctober meldt Charlotte hem, dat ze in Dordrecht is aangekomen, waar ze hun dochtertjes in goede gezondheid heeft aangetroffen. Ze doet mededeeling van de wijze waarop ze gehuisvest zijn en zegt, dat de groote kinderen erg hopen, dat hij spoedig terug zal komen. Dit is ook de wensch van de Landsstaten, zegt zijne vrouw, want zij meenen dat Oranje even goed en veel veiliger uit Dordrecht raad zou geven. Verder doet zij hem allerlei vragen omtrent het salaris van den gouverneur van zijn zoon en herinnert hem, de koningin van Engeland te bedanken voor al de door haar bewezen diensten.Twee dagen later schrijft Charlotte over het groote nieuws van de overgave der stad Breda. Fronsberg en zijn Duitsche troepen, die de stad voor Don Juan nog steeds in bezit hielden, hadden zich gelukkig verwijderd. Ze hadden heel wat schade aan het paleis van den Prins veroorzaakt. De burgers van Breda waren ten hoogste verblijd, dat ze nu weer onder hun eigen heer kwamen en ze rekenden er zoo zeker op, dat de Prins en zijne familie daar den winter zouden doorbrengen, dat er reeds voor een provisie turf gezorgd was. Charlotte vraagt daarover bericht van haar echtgenoot, erbij vermeldende, dat ze zorgen zal gereed te zijn om onmiddellijk te vertrekken.Den 8enOctober schrijft ze van uit Dordrecht het volgende briefje, vol zorg over het leven en de gezondheid van den Prins:“Monseigneur!Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken, ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige uitoefening van godsdienst, hetzij in ’t geheim of op een andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet, Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel, dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid, u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt.”In dezelfde dagen meldt Charlotte Oranje de aankomst van zijn broeder Jan en de ontvangst van ’s Prinsen brieven. Zij deelt mede, hoe verheugd het volk was over die komst en hoe zij en de meisjes met den graaf hebben gegeten en samen op de gezondheid van den Prins hebben gedronken. Eensdeels had de komst van Oranje’s broeder in het land wel het doel om aan te dringen op de teruggave der door hem voorgeschoten gelden, maar vooral was die komst een gevolg van den wensch van den Prins, zijn broeder Jan als zijn plaatsvervanger te doen optreden. Charlotte schrijft nog in dien brief over een geschenk, dat de burgers hem hadden aangeboden, doch ze had liever gezien, dat al de steden te zamen hem die attentiehadden bewezen. Welk een innig goede geest er heerschte in den stillen kring met Charlotte aan het hoofd, blijkt o. a. uit deze woorden van dien brief:“Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is, schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar; ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door den chirurgijn behandeld.UweC. DE BOURBON.Enkele dagen later schrijft zij nog:“Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang kunt behoeden.”Welk een geestvol gezegde van Oranje’s derde gemalin omtrent zijne roeping tegenover Don Juan en de Staten. Al mocht zij geen rechtstreekschen invloed hebben op zijn staatkunde, door dergelijke fijne gezegden werkte zij toch heilzaam op den geest van den Prins, evenals het voor hem, die thans op zulk een zware post was geplaatst, een weldaad was, te kunnen denken aan de veiligheid van de zijnen onder de hoede zijner derde vrouw.Op den 10enOctober schrijft ze hem, dat ze eerstdaags naar Breda zal vertrekken en hem daar persoonlijk hoopt te ontmoeten. Ze hoopt van te voren nog bericht te ontvangen, hoe zij zich in Breda met de uitoefening van den godsdienst moet gedragen. Daar gekomen, schrijft zij nog, dat de inachtneming van de artikelen der Pacificatie van Gent haar het hoofd breekt en dat ze hoopt, dat de Prins zelf spoedig daarin zal voorzien. Ondertusschen is de predikant Mr. Taffin in Dordrecht gebleven, totdat de wil van den Prins hem zal worden kenbaar gemaakt. Hoeveel schade er ook aan het paleis in Breda is veroorzaakt door de bende van Fronsberg, Charlotte schreef, dat zij het huis in beter staat had aangetroffen, dan ze had kunnen verwachten. Men was druk bezig het op te knappen en het een netter aanzien te geven.Het beeld van de hagedis, waarmee de Prins zoo geestig door Charlotte werd vergeleken, was door hem van zijn eerste optreden af tegenover Don Juan daadwerkelijk toegepast. Zulk een hagedis, die de Staten moest blijven wekken, om te ontkomen aan de beet van de slang, bleef hij van het eerste oogenblik, dat hij zich in Brussel bevond. Hij mocht met blij gemoed de toejuichingen der bevolking hebben ingeoogst op den dag zijner joyeuse entrée; zijn eerste werk moest zijn, den laatsten listigen zet van Spanje’s landvoogd te vernietigen.Wij zagen hoe Don Juan, ten einde raad, had toegestemd in al de eischen, die de minderheid der Staten-Generaal hem nog ter elfder ure had gesteld en hoe een onvoltallige vergadering dier Staten op den dag van ’s Prinsen binnenkomst in Brussel, dat eindverdrag had goedgekeurd. Oranje’s eerste werk moest wezen, dat genomen besluit te vernietigen en andere voorwaarden aan Don Juan te stellen, waaraan hij zich zeker wel niet zou onderwerpen.De vergadering begon met den Prins een hartelijk welkom toe te roepen en deze antwoordde daarop, dat geen eerzucht, maar liefde tot het vaderland hem had bewogen hun roepstem op te volgen, dat hij niet van zins was, eenige verandering in de regeering of den godsdienst te brengen en alleen begeerde den vrede te bevestigen, door getrouw het Gentsche verdrag ten uitvoer te brengen. Na die officieele begroeting volgde aanstonds eene langdurige en heftige discussie over de voorwaarden, die de Prins meende, dat aan de artikelen door Don Juan te onderteekenen, moesten worden toegevoegd. De voorwaarden waren, dat alle beambten, die zich aan Don Juans partij hadden aangesloten, moesten geschorst worden tot de vergadering der Staten-Generaal. De graaf van Buren zou zoo spoedig mogelijk uit de Spaansche gevangenschap moeten worden ontslagen. De koningin van Engeland wilde men als beschermvrouw van het verdrag inroepen en de benoeming van den Raad van State zou geschieden, niet door den landvoogd, maar door de Staten-Generaal.In alles was de hand van Oranje zichtbaar. Blijkbaar begreep de Prins, dat Don Juan zich die vernederende voorwaarden niet zou laten welgevallen; en toen ze hem dan ook werden voorgesteld, overlaadde hij de gezanten met scheldwoorden en verweet hij hun, dat ze den Prins hadden ingehaald. Daar alle pogingen tot verzoening mislukten, meldden de Staten-Generaal op den 8enOctober aan den landvoogd, dat ze hem niet meer erkenden en ze verzochten hem naar Luxemburg terug te gaan. Dit deed Don Juan, maar vandaar schreef hij ook naar Brussel in zeer oorlogzuchtigen geest. Hij antwoordde, dat hij bericht had ontvangen van den terugkeer der Spaansche troepen. Toen werd in Brussel voorgesteld, de onderhandeling af te breken en al drong de vredespartij nog op bemiddeling aan, de meening van Oranje zegevierde. Alle kans op eene verzoening met Don Juan was verdwenen en daarmede was de oorlog weer zoo goed als uitgebroken.Evenmin als Don Juan op dat oogenblik, waren de Staten tot den oorlog gereed. Een gedeelte van hen hoopte op steun van Elisabeth, waartoe de kans in die dagen niet slecht stond en ook Oranje met de zijnen waren ernstig in de weer, van die zijde geld en hulptroepen te ontvangen. Een ander gedeelte waaronder Lalaing, de Henegouwsche stadhouder, was tegen Engelsche inmenging en hoopteop hulp van Frankrijk, zoodat men van die zijde ook door middel van Margareta van Valois, die nog altijd in Spa was, voor de belangen van den hertog van Anjou ijverde.De Prins was hiermede op de hoogte en wist wel, dat men ook Anjou zocht te winnen uit vrees dat deze Don Juan zou gaan helpen.Evenmin was het Oranje onbekend gebleven, dat ook een deel der edelen, vooral op aandrang van Aerschot, zich in het geheim in betrekking had gesteld met Matthias, aartshertog van Oostenrijk en broeder van Keizer Rudolf. Oranje keurde dit niet geheel af, mits enkele heeren van het land hem als zijn raad werden toegevoegd. Aerschot had bij dezen pretendent eene dubbele bedoeling; vooreerst was het vrees voor de macht van den Prins, dat hij Matthias gaarne in het land zag, maar tevens hoopte hij, dat Filips zijn neef zou erkennen als opvolger van Don Juan, zoodat het land dan toch onder de souvereiniteit van den koning van Spanje bleef.De heer van Maelstede werd met eene zending naar Weenen belast, om in naam van Aerschot en de zijnen de boodschap aan Matthias over te brengen. Hoe eigenaardig de opdracht ook was welke men hem kwam aanbieden, nog wel uit naam van een zwakke partij, die het recht niet bezat zoo iets te doen, het avontuurlijke scheen den jongen man zoo aan te lokken, dat hij zich maar kort bedacht. Reeds in den nacht van 3 op 4 October verliet hij vermomd het paleis en wist zoo Weenen te verlaten; weinige dagen later zien wij hem in de Nederlanden. Waarschijnlijk was keizer Rudolf niet onbekend met de onderneming van zijn broer, maar tegenover Filips II deed hij, alsof hij niets van de zaak wist. Volgens enkelen had Matthias van de diepen slaap van Rudolf gebruik gemaakt om de kamer, waar ook hij sliep, te verlaten, maar volgens anderen was Rudolf wakker en bleek ook dit slechts een voorwendsel.Den 9enOctober gaf Aerschot den Staten-Generaal kennis van de aanstaande komst van Matthias, die reeds op reis was. Die mededeeling was voor de Staten natuurlijk eene groote verrassing en ook de Prins, die er den laatsten tijd niets meer van gehoord had, was onaangenaam door die tijding getroffen. Hij begreep best, dat die geheele onderhandeling met Matthias was voortgekomen uit den wensch, zijn invloed tegen te gaan, maar ook hinderde het hem op die wijze met Filips II op goeden voet te blijven; ten slotte wat zou deze twintigjarige Duitscher zonder ondervinding, macht of geld in den oorlog, welke nu weer aanstaande was, kunnen uitrichten? Vooral nu de Prins eenmaal te Brussel was, zou de plotselinge komst van Matthias den geest van tegenstand versterken en zijn eigen invloed verzwakken. Wat zou bovendien Engeland er wel van zeggen?Verstandig als Oranje was, verzette hij zich echter thans niet meer, maar wist de Staten te bewegen voorwaarden op te stellen, waaronder men Matthias als landvoogd zou erkennen. Dat dit niet naar den zin van Aerschot was, valt te begrijpen, maar de raad van Oranje behield de overhand.De nieuwe landvoogd, die inmiddels tot Maastricht genaderd was, werd verzocht zich tot nader order naar Lier te begeven. Hieraan gaf hij gehoor, doch verwisselde later Lier met Antwerpen, teneinde gemakkelijker met Brussel te kunnen onderhandelen.Ondertusschen was er in de laatste helft van October veel gebeurd, dat de staat van zaken belangrijk wijzigde. Aerschot mocht in de meening verkeeren, dat hij door Matthias binnen te halen, Oranje’s invloed kon verminderen, het volk was er ook nog. Wij kunnen ons in den tegenwoordigen tijd vooral, eene beste voorstelling vormen van den onweerstaanbaren invloed van democratische bewegingen. Zij zijn onvermijdelijk in sommige tijdperken, zij beheerschen dan de geheele maatschappij, de geheele staatkunde.Zoo was het ook in die dagen in Zuid-Nederland; in de steden breidde zich met onweerstaanbare kracht de democratische beweging van dag tot dag uit en dit was niet anders, dan een natuurlijk gevolg van de tijdsomstandigheden. Sedert de Spaansche furie in Antwerpen en niet minder sedert Don Juans staatsgreep te Namen, was de burgerij in de wapens. Men had genoeg geleden van de Spanjaarden, dat was de algemeene overtuiging en al had men liever den vrede gewenscht dan voortzetting van den krijg, thans wilden de burgers niet anders dan met de wapens in de hand den mogelijk terugkeerenden Spanjaard bevechten. Aan de slooping der kasteelen had de burgerij met wellust deelgenomen. Wie ooit de bijzonderheden van die slooping van het Vredenburg te Utrecht heeft gelezen, weet, hoe het volk, mannen en vrouwen beiden, daaraan deelnamen. De stedelijke besturen werden hier en daar niet vertrouwd, maar de burgerij noodzaakte ze toe te geven. Daarbij duurde de stilstand in handel en landbouw voort; dat gold toch belangen, die het volk in zijn geheel raakten. Men bleef belastingen heffen; was het wonder, dat ook dit misnoegen verwekte? Er moest verandering komen. Het volk zelf moest aandeel in het bewind verkrijgen, het kostte wat het wilde. En zoo was men van zelf—hoe kon het anders, in de zee der democratie gekomen.En die denkbeelden gingen nog buiten den godsdienst om; daarover waren alle burgers, van welk geloof ook, het eens. Doch nu kwam daar nog bij, dat overal, ook in het Zuiden, het Calvinisme zich een weg baande, waardoor de democratische strooming zich versterkte.Daarvan was tot de Pacificatie van Gent in het Zuiden, behalve in de jaren voor Alva’s komst, geen sprake; die Pacificatie gaf echter den uitgewekenen vrijheid, naar hun land terug te keeren. Voor de Staten-Generaal, die de vrijheid van godsdienst niet voor alle gewesten begeerden, maar deze alleen aan Holland en Zeeland zouden toestaan, was dit een hoogst ergerlijk feit. Over de hernieuwing der plakkaten werd zelfs gedacht en met Don Juan gecorrespondeerd. Diens verraad gaf natuurlijk meer ruimte aan de Calvinisten; ook de komst van den Prins in het land had hun nieuwen moed geschonken. Nu hun geloofsgenoot devader des vaderlandsuit het Noorden zelf was binnengeroepen, begeerden ze niet langer alleen vrijheid van geweten, maar ook vrijheid van godsdienst. Vlaanderen was vooral het middelpunt hunner beweging, maar ook in Brussel waren de volkshartstochten ontketend; al werkte daar het Calvinisme minder, de democratie was er even sterk.Reeds op den 8enOctober bood eene menigte aanhangers van den Prins den Staten-Generaal een verzoekschrift aan, waarin deze hoopten op spoedige besluiten in democratischen, oorlogzuchtigen en anti-Spaanschen geest. Dit geschiedde namensde achttienmannen, de hoofden van de negen natiën der gilden.Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).Deze handelden met zooveel driestheid, dat het niet te verwonderen was, dat de Staten in hun optreden een inbreuk op hun gezag zagen en bevreesd werden voor de tirannie van den volkswil. Ook Oranje hield hun voor, dat ze de overheid gehoorzaamheid schuldig waren, doch gaf aan den anderen kant aanleiding om te doen denken, dat hem die volksbeweging niet onaangenaam was. Hij noodigde de achttienmannen althans aan zijnen disch. Op den 13enOctober gaf de Prins aan dien maaltijd te kennen, dat hij op verzoek van de Staten van Holland naar Antwerpen zou gaan en misschien wel, om aan Charlotte’s wensch te voldoen, naar Breda. Toen hij afscheid van hen nam, smeekten ze hem, hen toch niet aan hun lot over te laten; hij was hun eenige troost en toeverlaat. De Prins antwoordde daarop in eene rede, die wel een half uur duurde en beloofde hun, dat hij de burgers tot den dood zou bijstaan.In hooge mate verstond Oranje de kunst, het volk te winnen. In Brussel steeg in die dagen de vereering van zijn persoon tot afgoderij. De inwoners bewaakten dag en nacht zijn paleis en waar hij heenging, overal begeleidde hem het volk. Vrouwen vielen bij zijn voorbijgaan op de knieën. Een ooggetuige zegt zelfs: “Men vereerde hem, als ware hij de Godheid zelve.”Het gevolg hiervan was, dat er op den 18enOctober een request bij de Staten van Brabant werd ingediend, waarin de begeerte werd uitgesproken, dat een der voornaamste heeren uit het gewest tot stadhouder mocht worden gekozen. Met dien eenen werd niemand anders dan Oranje zelf bedoeld. Als baron van Breda nam hij eene eerste plaats in onder de Brabantsche ridderschap. Toen dit niet spoedig genoeg tot resultaat leidde, drongen de achttienmannen en hun geestverwanten de vergadering binnen en eischten zij eerst van de Staten de benoeming van Oranje en daarna van de Staten-Generaal, die ook niet waagden zich tegen den volkswil te verzetten. Bij besluit van 22 October werd de Prins tot Ruwaard van Brabant verheven. Gelijk we ons herinneren, was dit een post, reeds jaren vroeger, onder Granvelle, door Oranje hartstochtelijk begeerd. Het was een titel, die hem grooten invloed verzekerde op het in Brabant gevestigde bestuur; een soort van dictatorschap. De Staten-Generaal moesten zwichten voor den eisch van het volk, dat in dien ruwaard een waarborg zag tegen de intriges, waardoor het omringd was en ze waren gedwongen, Oranje als zoodanig te erkennen, natuurlijk zoolang er geen landvoogd zou zijn.Terwijl men op deze wijze in Brabant den Prins van Oranje verhief en hij zelf kort na die benoeming naar Antwerpen ging, had er in Vlaanderen, n.l. te Gent, eene gebeurtenis plaats, die hevige opschudding verwekte. Daar was sedert den aanvang van October de hertog van Aerschot in plaats van den graaf van Roeulx, die Don Juans partij bleef kiezen, tot stadhouder benoemd. Die keuze kon den Prins niet behagen; hij had tallooze bewijzen van de onbetrouwbaarheid en de jaloezie van Aerschot ontvangen, doch wijselijk verzette hij er zich niet tegen. Op den 24enOctober zou de nieuwe stadhouder in Vlaanderen plechtig door de Staten ontvangen worden. Doch Gent werd niet minder dan Brussel in die dagendoor een democratische beweging in beroering gebracht. Van de middeleeuwen af was er een onrustige, licht ontvlambare geest onder hare burgers geweest en die geest van Jacob van Artevelde was niet uitgestorven. Bekend is, hoe Karel V zijn vaderstad had gestraft; de Gentenaars hadden in 1539 hun opstand moeten boeten met het verlies van al hunne privilegiën. Die terug te krijgen was thans het doel van volksleiders als Rijhove, tevens lid der Staten van Vlaanderen, Hembyze, de Grutere, Borluut en Utenhove, die allen zoowel groote aanhangers van Oranje als Calvinisten waren. Bevreesd voor den invloed van Aerschot, verdachten ze hem, niet ten onrechte, Oranje’s gezag te willen verzwakken. Althans de Staten van Vlaanderen brachten een ongunstig advies uit over de verkiezing van Oranje als ruwaard van Brabant. Rijhove vooral maakte zich zeer bezorgd en uit vrees zelf te worden verrast, nam hij gesteund door de burgerij, in den nacht van 29 October, Aerschot en zijn trawanten gevangen.Het is niet zeker in hoever de Prins de hand in dien aanslag gehad heeft. Vermoedelijk was het wel naar zijn geest; de staatsgreep van Sept. 1576 was ook voor een deel zijn werk geweest. Doch wel beseffende, dat een dergelijke aanslag op Aerschot door den geheelen adel zeer hoog zou worden opgenomen, wilde hij er persoonlijk buiten blijven; doch Marnix gaf Rijhove te verstaan, de onderneming te wagen, zonder den Prins er nader over te spreken.De verontwaardiging over dit feit was in Brussel groot, evenals de angst der Staten-Generaal, dat zich zoo iets dergelijks in de hoofdstad zou herhalen. Doch Gent vond er de gelegenheid door om ongestoord zijn democratische wenschen te bereiken, zich niet bekommerende om hooger gezag.Op het einde van December zullen we den Prins naar Gent zien gaan om er de orde te herstellen, maar voor zijn vertrek hadden er gebeurtenissen plaats, welke van groote beteekenis waren ook in het leven van den Zwijger.Allereerst had op den 7endier maand de formeele ontzetting plaats van Don Juan door de Staten-Generaal. Waarin die Staten ook verschilden, ze waren het er allen over eens, dat men Filips’ broeder niet langer als landvoogd kon erkennen. Ondubbelzinnig verklaarden dan ook de Staten, dat Don Juan niet langer als stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal erkend werd, daar hij den vrede had verbroken, die hij gezworen had te handhaven en dus als een vijand van het vaderland moest worden aangemerkt. In alle talen werd een rechtvaardiging van hun gedrag opgesteld, die aan bijna al de souvereinen van Europa werd gezonden met het verzoek, tevens den gewezen landvoogd den doortocht van een leger te weigeren.Ten opzichte van Don Juan had Oranje dus volkomen gezegevierd, maar van veel grooter beteekenis nog was het succes, dat hij verwierf door het tot stand komen van deTweede Unie van Brusselop den 10enDecember 1577. Deze acte op dien dag door de 17 gewesten geteekend, is helaas slechts van voorbijgaande beteekenis geweest, maar het stuk is merkwaardig, omdat zij uiting geeft aan Oranje’s hoogste en meest edele gedachten.We herinneren ons, dat in Januari 1577 een Unie van Brussel was aangenomen, die evenmin als het Eeuwig Edict door den Prins was goedgekeurd.De Pacificatie van Gent had de godsdienstquaestie ter beslissing overgelaten aan een nieuwe Staten-Generaal, doch zonder dat die Staten-Generaal nog gekozen waren, had men, mede om Don Juan bij zijn komst in het land te winnen, in die Unie op den voorgrond gesteld: uitsluitende handhaving van den Roomschen godsdienst. Dat de Staten van Holland en Zeeland en ook Oranje die Unie hadden verworpen is begrijpelijk, maar ook talrijke aanhangers van de nieuwe leer konden haar niet aanvaarden en daaronder waren velen, die teruggekeerd waren op grond van de voorloopige vergunning van de Pacificatie van Gent.De Prins begreep, dat die fout zoo spoedig mogelijk moest worden hersteld. De scherpe tegenstelling tusschen Roomsch en onroomsch moest worden verzacht, en het staatkundig doel van de bevrediging weder op den voorgrond gesteld worden.Bij meer dan een gelegenheid merkten we op, hoe Oranje voor zich zelf in godsdienstzaken op een zeer hoog verdraagzaam standpunt stond; dit toonde noch onverschilligheid, noch berekening. Daarvoor zijn zijne innig godsdienstige uitspraken ons borg. Het was alleen een verheven zijn boven de vormen, waarin het godsdienstig geloof zich openbaart, en tevens de erkentenis, dat overal het religieuse schuilen kan. We zagen dat zijn overgang tot het Calvinisme voor zijn bewustzijn was: een politieke noodzakelijkheid. Welnu, door middel van de nieuwe Unie van Brussel, die hij hoopte te doen teekenen tegelijk met de opdracht der landvoogdij aan Matthias, wilde hij het volk zijn eigen beginsel van verdraagzaamheid inplanten. Wel stelde de Unie ook de uitbreiding der privilegiën op den voorgrond, of liever de terugkeer der voorrechten, die de burgerij ook had voordat die door de Bourgondisch-Oostenrijksche vorsten waren ingekort; maar de godsdienstige verdraagzaamheid moest de hoeksteun van het nieuwe staatsgebouw zijn.Oranje is geruimen tijd bezig geweest met het opstellen dier nieuwe staatsregeling; reeds den 15enNovember legde hij daarvan een ontwerp aan de Staten voor. Volgens dat ontwerp moesten de Roomschen beloven, dat zij de niet-katholieken tegen alle geweld zouden beschermen en met rust laten en deze laatsten moesten zweren, dat ze niets zouden ondernemen tegen den katholieken godsdienst; niemand door woorden of daden zouden ergeren; geestelijken en leeken in hun goederen en voorrechten te laten en daarbij niet te duiden, dat hun eenig onrecht werd aangedaan.Voor Oranje was die staatsregeling de verwezenlijking zijner innigste en hoogste gedachten; daarop meende hij, zou alleen een vast verbond der gewesten kunnen rusten.Dat er wel verzet schijnt geweest te zijn tegen dit ontwerp, kunnen wij begrijpen, want een dergelijk mooi staatsstuk waarvan algemeene verdraagzaamheid de grondslag was, stond inderdaad te hoog voor de hartstochten van dien tijd.De pogingen van katholieke zijde gedaan, om ook de eerste Unie van Brussel en het Eeuwig Edict van kracht te doen blijven, mislukten. Het zou ook wel dwaas zijn geweest, want in die acten werd in echt Spaanschen geest, de handhaving van den R. Kath. godsdienst bevolen, terwijl in de tweede Unie algeheele godsdienstvrijheid en volkomen verdraagzaamheid op den voorgrond stonden.Al heeft aan die nieuwe wet de toekomst niet beantwoord, al bleek het volktegen de hooge gedachte ervan niet opgewassen, al waren de Calvinisten en Katholieken te klein, te bekrompen, om die gedachten te verstaan en toe te passen,de Tweede Unie van Brussel op zich zelf, is niet alleen de hoogste daad van Oranje’s staatkundig leven, maar is ook een eenig voorbeeld gebleven voor alle tijden en geslachten.In dezelfde maand December was er ook veel te doen over de vraag, in welke verhouding de Prins zou staan tot den aanstaanden landvoogd Matthias. Die vraag hing samen met den Engelschen invloed en met de hulp door Elisabeth beloofd. Niet ten onrechte beschouwde het Engelsche hof die benoeming van Matthias als een bewijs van de vijandige gezindheid van vele edelen tegen Oranje en alleen op voorwaarde, dat Oranje benoemd werd tot luitenant van Matthias, beloofde Engeland hulp te verleenen. Wel gaf de Prins te kennen, dat hij die aanstelling overbodig achtte, indien er slechts een raad van welgezinde mannen aan Matthias’ zijde stond, maar de koningin bleef bij haar eisch.Ingeval van weigering zou men zich allicht weer tot Anjou om hulp wenden, want deze bleef steeds een begeerige blik op de Zuidelijke Nederlanden werpen, terwijl Henegouwen met zijn stadhouder Lalaing wel geneigd was, Anjou in plaats van Matthias te nemen.Wederom waren het de zoogenaamde achttienmannen, dus de vertegenwoordigers der Brusselsche burgerij, die aan het werk gingen.Door hun alvermogenden invloed was de Raad van State in hun geest veranderd en nu stelden zij aan de Staten eenvoudig den eisch, dat Oranje’s stadhouderschap over Brabant zou verlengd worden en tevens, dat de Prins tot Matthias’ luitenant zou worden benoemd, wilde men den Oostenrijkschen aartshertog als landvoogd erkennen.De Staten stonden versteld over dien eisch. Men had indertijd de aanstelling van Oranje tot ruwaard van Brabant afgeperst, doch dit ambt was tijdelijk verleend en zou toch zeker vervallen, wanneer de landvoogd er was, die in Brussel wonende, toch een stadhouder in Brabant onnoodig maakte.De Staten verwierpen den eisch, maar de achttienmannen stelden zich daarmee niet tevreden en het liep zoover, dat Henegouwen en Artois zich reeds verzetten tegen die overheersching van de burgerij.En de Prins? Hij gaf wederom een bewijs, dat hij zijn verheffing niet zocht, want hij schreef een brief aan de hoofden der burgerij om hen te matigen in hun plannen. Hij verzocht hun, hem niet meer charges op te dragen, bij de vele, welke hij reeds bekleedde; ook wees hij op de tweedracht, welke daardoor zou ontstaan en vroeg hun zich te onderwerpen aan die Staten, welke in zulke zaken hadden te beslissen. Ten slotte gaf hij hun te kennen, niet het bestuur over het leger te willen aanvaarden, daar graaf Lalaing generaal der armee was en hij den schijn niet op zich wilde laden, inbreuk te maken op zijn gezag.Het mocht niet baten. In den vorm gaven de achttienmannen iets toe, maar het eind van de zaak was, dat op den 8enJanuari het besluit werd genomen, Oranje’s stadhouderschap over Brabant te verlengen en hem aan te stellen alsluitenant van Matthias. De Prins was zelf in die dagen in Gent, waar hij, zooals we zeiden, einde December heengegaan was. Zijn broer Jan van Nassau vergezelde hem.Met uitbundig gejuich werd hij de stad ingehaald en de ontvangst had niet luisterrijker kunnen zijn. De rederijkerskamer “Jezus met de balsembloem” verwelkomde hem met een tooneelstuk “Judas Maccabeus,” dat natuurlijk vele toespelingen op den redder Oranje behelsde.Door zijn invloed beloofden de Staten van Vlaanderen, een grooter en geregelder aandeel aan de algemeene geldkas te geven, maar in andere opzichten werkte de Prins, wiens overkomst naar Gent door de Staten-Generaal gewenscht was, niet in den geest van dit lichaam. Dat in Gent de invloed der burgerij zeer groot was, bleek wel uit het stoute stuk van Rijhove, Hembyze en anderen, door de gevangenneming van Aerschot en de zijnen. Wel was Aerschot weer spoedig op vrije voeten gesteld, maar de andere heeren bleven nog steeds opgesloten en de tegenwoordigheid van den Prins had hun vrijlating niet ten gevolge, zooals de Staten-Generaal hadden gehoopt. Het volk, en voor hen ook hier de achttienmannen, bleef oppermachtig.Ze verlangden niet alleen dat Aerschot geen gouverneur zou wezen, maar wilden ook, dat de nieuwe magistraat van Gent uit de democraten moest worden gekozen. Ze werd dan ook samengesteld uit de bedrijvers van de jongste oproerige bewegingen.Toen de Prins den 18enJanuari Gent verliet, waren de heeren nog gevangen, terwijl de macht geheel in handen was gekomen van de leiders der onlusten.Men heeft dit later den Prins wel verweten, maar kan men dat van zijn vijanden begrijpen, veel is er, zegt Bussemaker, wat ons zachter stemt in de beoordeeling daarvan. Het was Oranje’s doel zoowel staatkundige als godsdienstige vrijheid te verkrijgen; daarom moest Spanje bestreden worden. Wilde dit echter succes hebben, dan was vastheid in de leiding een eerste eisch. Die leiding te geven kon alleen een man met de bekwaamheden van den Prins; dit werd niet alleen in de Nederlandsche gewesten, maar ook daarbuiten erkend: in Spanje, Engeland en Frankrijk.Door naijver en onverdraagzaamheid, doch ook door vrees voor mislukking van zijne groote plannen, betwistte men hem vooral de hooge plaats, die hij innam. Alleen bij de massa van het volk vond hij dat vertrouwen, die hartelijke medewerking en vurigen ijver, die hij bij zijn grootsche taak zoo zeer van noode had. Hoe begrijpelijk, dat hij dus tegen die massa niet al te krachtig optrad, want ontstond er verkoeling, dan kon dit noodlottig worden voor de groote zaak. Was eenmaal de regeering geregeld en alles op vasten voet gebracht, dan zou de hartstocht bedaren en de orde vanzelf het geweld vervangen.Dat deze gedachten ook die van den Prins waren, blijkt wel uit een brief van hem, geschreven aan den Prévot van St. Bavo, Bucho d’ Aytta de Zuichem.Over de gevangenen sprekende zegt hij daarin: “Het is ook mijne bedoeling die heeren gevangenen zacht te behandelen, wel erkennende, dat gestrengheid op den duur niets dan kwaads kan voortbrengen. Doch ook moeten allen tevreden gesteld worden; ontevredenheid aan anderen te geven, door enkelen zacht te behandelen, is evenmin goed.”In de eerste dagen van Januari werd het verdrag met Elisabeth ook geteekend, waarbij ze een crediet van 100.000 pond verleende en tevens hulp in manschappen beloofde.Ook kwam er in die dagen uit Spanje een brief aan de Staten, waarin Filips behalve volledige amnestie, tal van andere beloften deed, maar.... handhaving van den waren godsdienst zooals ten tijde van zijn vader, moest worden verzekerd.De voorstellen van Filips waren werkelijk nog al mild en hij zelf verlangde oprecht den vrede in die dagen. Het getij was echter verloopen en nu na Oranje’s komst in Brabant verlangde men meer dan den eenvoudigen terugkeer tot den toestand ten tijde van Karel V.Ondertusschen was Matthias steeds in afwachting van het bericht, dat men hem in Brussel zou ontvangen. Hij bepaalde daartoe eerst den 14enJanuari, maar op uitdrukkelijk verlangen van den Prins werd die blijde intocht tot den 18enverschoven.Geven we Motley het woord:“Het was de derde luisterrijke intrede, die Brussel binnen de laatste negen maanden aanschouwde. Het was ook de schitterendste, want het scheen alsof de burgerij, in vergoeding voor de onbeduidendheid, waartoe men den aartshertog veroordeeld had, hem zinnebeeldig tot den zevenden hemel wilde verheffen. De rederijkerskamers zagen in hem de schitterendste zon, die ooit den Vlaamschen grond bestraald had.Een prachtige stoet te paard, met Oranje aan het hoofd, begeleid door graaf Jan van Nassau, den prins van Chimay en andere grooten, kwam hem te Vilvoorden tegemoet en bracht hem tot aan de stadspoort. Op een open veld buiten de stad stond de graaf van Bossu aan het hoofd der troepen, die ten slotte een spiegelgevecht hielden, dat, om de woorden van een met de oudheid vervulden tijdgenoot te bezigen, “een even bloedigen strijd scheen, als op de vlakten van Attika tusschen hertog Miltiades van Athene en koning Darius had plaats gegrepen.”De stoet trok de Leuvensche poort binnen onder een schitterenden zegeboog, met onzichtbare speellieden bezet. “Ik geloof dat Orpheus nooit zoo liefelijk op de harp gespeeld had,” zegt dezelfde schrijver, “noch Apollo op de lier, noch Pan op de fluit, als de stadsspeellieden nu.”Bij het binnenrijden der poort werd Matthias terstond overgeleverd aan de oude fabelleer en maakten de burgers en rederijkers zich van hun doorluchtigen gevangene meester, met het vast besluit om bij zijn verwelkoming zich zelven te overtreffen.De vertegenwoordigers der “negen natiën” van Brussel kwamen hem tegemoet in de Ridderstraat, van een weidschen stoet vergezeld. Ofschoon het middag was, droegen allen brandende toortsen. Ofschoon het Januari was, werden de straten met bloemen bestrooid. De huizen waren met festoenen behangen en schitterendmet zijde en fluweel gestoffeerd. De straten waren vol toeschouwers en met zegebogen bezet. Op de groote markt, steeds het middelpunt van alle indrukwekkende schouwspelen, het mochten dan tooneelvertooningen, steekspelen of terechtstellingen zijn, bereikten de dramatische voorstellingen hun toppunt. De prachtige gevel van het stadhuis was met wimpels en banieren versierd; de vensters en uitstekken daar, zoowel als die der overige schilderachtige gebouwen, welke het plein insloten, waren met feestelijk getooide vrouwen bezet. Op het plein had men vierentwintig tooneelen opgeslagen, waar een reeks van schilderijen werd vertoond door de schoonste meisjes, die men in de stad had kunnen vinden. Deze waren allen in gewerkte zijde, kostelijk kunstwerk en goudlaken uitgedost.De onderwerpen van die levende tafereelen waren, gelijk vanzelf spreekt, geheel aan de oude godenleer en den heldentijd ontleend, want de Nederlanders konden niet buiten zinnebeeldige voorstellingen; nochtans verrieden deze vertooningen, door burgers en ambachtslieden tot vermaak hunner medeburgers bedacht en uitgevoerd, een grooten trap van beschaving bij het volk, dat zich op dergelijke wijs vermaken kon.Al de groepen waren met kunstig overleg gerangschikt. Op het eene tooneel stondJunomet haar pauw; zij bood Matthias de stad Brussel aan, die zij fraai gemodelleerd, in de hand hield. Op het andere tooneel reikteBybelehem de sleutels, overhandigdede Redehem een toom,Hebeeen bloemkorfje,Wijsheideen spiegel en twee wetboeken,Naarstigheideen paar sporen, terwijlStandvastigheid,Grootmoedigheid,Voorzichtigheiden andere deugden hem met een helm, borstharnas, speer en schild toerustten. Op andere stellages boodBellonaden landvoogd verscheidene gewapende manschappen aan, in een bundel saamgebonden en gafde Faamhem haar trompet ende Roemhaar kroon.Nog zag men Quintus Curtius, geharnast en te paard, zich in den gapenden afgrond storten en werden op zes andere tooneelen de schilderachtigste oogenblikken uit het leven van Scipio den Afrikaan vertoond. De baardelooze aartshertog had nog geen heldendaad verricht, behalve zijn vlucht uit Weenen in zijne nachtjapon, maar de eerlijke Vlamingen vonden er genoegen in zich te verbeelden, dat die twee oude Romeinen in hem herboren waren. Door hun liefde voor de verdichtselen en geschiedenissen der oudheid medegesleept, zagen zij in hem een mytischen held en inderdaad was hij bestemd dit in de Nederlanden te blijven. Nadat Matthias al deze wonderen aanschouwd had, werd hij wederom opwaarts naar het hertogelijk paleis geleid, waar hij nog tot vermoeiens toe, aanspraken en verzen aan te hooren had, tot men hem eindelijk vergunde, zijn avondmaal te gebruiken en naar bed te gaan.Intusschen vierden de burgers feest op straat. Overal had men groote vreugdevuren ontstoken, waaraan het volk “ganzen, varkens, kapoenen, patrijzen en kuikens” braadde, terwijl men zich onder vroolijk fluitspel met dansen vermaakte. Plotseling zag men een vreeselijken draak door de lucht vliegen: het monster zweefde een poos over de hoofden der jubelende menigte op de groote markt en barstte toen bulderend uiteen, terwijl het raketten en allerlei vuurwerk naar wijd en zijd uitzond. Deze nog nieuwe vertooning veroorzaakte zooveel schrik onder demenigte, dat de meesten het hazenpad kozen, “alsof duizend soldaten hun op de hielen zaten,” terwijl zij in de grootste verwarring over elkander tuimelden.Den volgenden dag zonden de Staten eene deputatie naar Matthias om hem te verzoeken, Oranje aan te stellen tot zijn luitenant-generaal. Dit was eigenlijk geen verzoek, maar een gedwongen fraaiigheid, want in dien vorm hadden de Staten berust, om het niet te doen voorkomen, alsof zij zich door de burgerij de wet lieten stellen. Matthias stemde toe en den 20enlegden beiden hunne ambtseeden af.“Hun werd,” vervolgt Motley, “door de Staten-Generaal een prachtig gastmaal aangeboden in de groote zaal van het Stadhuis en toen de tafel afgenomen was, gafRhetoricahare laatste en zinrijkste vertooning door de broeders der vermaarde Kamer: “Maria met den bloemenkrans.”Twee personages—de eene als een deftig burger, de andere als een geestelijke gekleed, met tabbaart en bef—verschenen op het tooneel, vlak tegenover de zitplaatsen van Hunne Hoogheden, en droegen een lang berijmd gesprek voor. De eene der sprekers heette “Verlangend Hart,” de andere “Gezonde Troost,”Gezond Verstandzou beter te pas gekomen zijn, maar dit was, naar het schijnt, uit het spel gebannen. Nadat er een lang relaas was opgedreund, nam het spel een einde en Rhetorica haar afscheid. Het gezelschap was gedurende de lange voorstelling aan tafel gebleven en thans werd het nagerecht opgedischt, dat uit een “kostelijk triumphant banket van ingemaakte vruchten en allerlei suikerwerk” bestond.In welke stemming de Prins gedurende al die feesten verkeerde, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld verheugde hij zich over het volksgenoegen, in zoover hij er eene uiting in aanschouwde van zijn vurig verlangen naar onafhankelijkheid van Spanje. Maar kon het anders, of ook een reeks van moeilijke vragen stelden zich voor zijn geest. Zijn broeder Jan was met hem in Brussel; die was nu vast besloten zijn lot met dat zijns broeders in de Nederlanden te verbinden. Oranje zelf had behoefte aansympathie, al scheen hij ook een man, die bovenal op zichzelf vertrouwde. Marnix van St. Aldegonde en Jan van Nassau waren beiden voor hem onmisbaar, al konden ze met al hun affecties hem toch niet geheel begrijpen. Want beiden hadden een godsdienst met een zeer sterke theologische strekking en Oranje’s verdraagzame geest was hun eigenlijk onverklaarbaar; ze zagen dat aan aan als Laocideesche lauwheid.De herziene Unie van Brussel en de kort daarop gevolgde intocht van Oranje als luitenant van Matthias in Brussel, waren zeker de glansrijkste oogenblikken in de loopbaan van den Prins.Onder het bestuur in naam van een lid van het Oostenrijksche huis, wiens geboorte eenige reden aan zijn optreden gaf, waren de teugels der regeering in zijne handen en was het zijne taak niet alleen de protestantsche noordelijke gewesten, maar ook de katholieke, zuidelijke te regeeren.Zou hij slagen in de vervulling dier taak? Zou zijn talent als staatsman, dat hem zoover gebracht had, niet te kort schieten, wanneer het aankwam op de toepassing? Zou het hem gelukken, op den grondslag van de Pacificatie, beide godsdiensten vereenigd te houden en alle gewesten in eendracht te doen samenwerken in den vernieuwden oorlog met Spanje? Zou hij het hoofd kunnen bieden aan den geweldigen strijd, die hem wachtte? Niet alleen had de Paus den aartsketter en al zijn volgers op één lijn met Turken en heidenen geplaatst en bleef de hoop op Engeland steeds nog in de lucht zweven, maar bovenal zou het de vraag zijn, of hij de fanatieke Calvinisten en Katholieken tot één doel zou kunnen doen samenwerken. We zullen daarop, helaas, later een ontkennend antwoord moeten geven.
Terwijl wij den Prins dien eersten nacht in het Nassau-paleis zijner vaderen laten rusten op zijne lauweren, droomende van den schoonen triomf door hem behaald, misschien ook van de nieuwe zorgen die hem wachtten, gaan we een oogenblik naar de zijnen terug, die hij in Holland had achtergelaten.
De brief van Jan van Nassau, in de maand Mei aan den Prins gericht, met het verzoek om zijn oudste dochter Marie nog een tijdlang bij zijn oude moeder Juliana te laten, was op den 18enJuni door Oranje beantwoord. Hij laat door middel van een bode aan Jan zeggen, dat hij groot verlangen heeft zijn dochter te zien, vooral omdat hij niet weet hoe zijne zaken zullen loopen. Althans voor een poos verzoekt hij zijn broer haar te zenden voor enkele zaken, die hij met Marie heeft te bespreken. Indien zijn zoon Maurits uit Heidelberg is teruggekeerd, dan zou Oranje wel wenschen dat deze met zijn zuster meekwam. De Prins hoopt van harte, dat Jan het vertrek van Marie zal kunnen goedkeuren.
Voor korten tijd had Jan daar blijkbaar niet op tegen. In September, toen de Prins naar Brussel werd ontboden en hij den Staten beloofd had, dat in zijn afwezigheid graaf van Nassau hem zou vertegenwoordigen, kwam Jan met drie kinderen van den Prins, Marie, Maurits en Anna aan en werden zij te Geertruidenberg door Charlotte van Bourbon hartelijk verwelkomd.
Toen de Prins naar Brussel gegaan was, verliet Charlotte met al hare kinderen de laatstgenoemde plaats en ging naar Dordrecht. Vandaar schreef ze tal van brieven aan haar echtgenoot, vol van zorg en vrees voor zijn gezondheid en leven. Ze smeekte hem toch naar een veiliger plaats dan Brussel te gaan, een wensch waarmee geheel Holland het eens was.
Hoe ze hem op de hoogte hield van al de bijzondere familieaangelegenheden, blijkt wel duidelijk uit de aardige brieven, welke ze in de eerste dagen van Octoberaan den Prins schreef. Op den 2enOctober meldt Charlotte hem, dat ze in Dordrecht is aangekomen, waar ze hun dochtertjes in goede gezondheid heeft aangetroffen. Ze doet mededeeling van de wijze waarop ze gehuisvest zijn en zegt, dat de groote kinderen erg hopen, dat hij spoedig terug zal komen. Dit is ook de wensch van de Landsstaten, zegt zijne vrouw, want zij meenen dat Oranje even goed en veel veiliger uit Dordrecht raad zou geven. Verder doet zij hem allerlei vragen omtrent het salaris van den gouverneur van zijn zoon en herinnert hem, de koningin van Engeland te bedanken voor al de door haar bewezen diensten.
Twee dagen later schrijft Charlotte over het groote nieuws van de overgave der stad Breda. Fronsberg en zijn Duitsche troepen, die de stad voor Don Juan nog steeds in bezit hielden, hadden zich gelukkig verwijderd. Ze hadden heel wat schade aan het paleis van den Prins veroorzaakt. De burgers van Breda waren ten hoogste verblijd, dat ze nu weer onder hun eigen heer kwamen en ze rekenden er zoo zeker op, dat de Prins en zijne familie daar den winter zouden doorbrengen, dat er reeds voor een provisie turf gezorgd was. Charlotte vraagt daarover bericht van haar echtgenoot, erbij vermeldende, dat ze zorgen zal gereed te zijn om onmiddellijk te vertrekken.
Den 8enOctober schrijft ze van uit Dordrecht het volgende briefje, vol zorg over het leven en de gezondheid van den Prins:
“Monseigneur!Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken, ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige uitoefening van godsdienst, hetzij in ’t geheim of op een andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet, Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel, dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid, u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt.”
“Monseigneur!
Ik zou wel wenschen zeker te zijn, dat gij niet meer zoo dikwijls buiten uwe woning des avonds gingt eten; de burgers zijn daarover zeer verstoord (uit vrees dat de Prins zijn leven te veel zou blootstellen). Ik bid u, toch een weinig meer zorg te dragen voor hetgeen tot uw behoud kan strekken, ook zou ik zeer wenschen te weten, of de Staten u niet eenige uitoefening van godsdienst, hetzij in ’t geheim of op een andere manier hebben veroorloofd, want ik begrijp niet, Mons., hoe gij zonder dat langer kunt blijven. Ik weet wel, dat gij er aan denkt, maar het verlangen, dat God steeds meer en meer uw arbeid zal zegenen, geeft mij de stoutmoedigheid, u dit woord te schrijven. Ik zou wel willen, dat Mons. eens een reis naar Breda kon doen, want ik weet niet, of het goed zal zijn van die dingen te spreken, terwijl gij in Brussel zijt.”
In dezelfde dagen meldt Charlotte Oranje de aankomst van zijn broeder Jan en de ontvangst van ’s Prinsen brieven. Zij deelt mede, hoe verheugd het volk was over die komst en hoe zij en de meisjes met den graaf hebben gegeten en samen op de gezondheid van den Prins hebben gedronken. Eensdeels had de komst van Oranje’s broeder in het land wel het doel om aan te dringen op de teruggave der door hem voorgeschoten gelden, maar vooral was die komst een gevolg van den wensch van den Prins, zijn broeder Jan als zijn plaatsvervanger te doen optreden. Charlotte schrijft nog in dien brief over een geschenk, dat de burgers hem hadden aangeboden, doch ze had liever gezien, dat al de steden te zamen hem die attentiehadden bewezen. Welk een innig goede geest er heerschte in den stillen kring met Charlotte aan het hoofd, blijkt o. a. uit deze woorden van dien brief:
“Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is, schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar; ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door den chirurgijn behandeld.UweC. DE BOURBON.
“Wij, uwe dochters en ik, wij zullen trachten zoo geduldig mogelijk te zijn, hoe moeilijk ons dit ook zal vallen, als uw broeder weer zal zijn vertrokken, want terwijl hij hier is, schijnt het ons toe, alsof ook gij niet afwezig zijt. Ik versterk mij met uwe hoop, Mons., dat de zaken een beteren loop zullen nemen, al ben ik ook verwonderd, dat het nog niet gekomen is tot eene beslissing, want het is, dunkt mij, meer dan tijd; ik meen dat dat kleine oponthoud de goede zaak toch zal bevorderen... Voor het overige, Mons. heb ik uw groeten aan onze dochters overgebracht, die zich zeer nederig in uw goede gunst aanbevolen houden. Wij houden veel van elkaar; ze hebben allen groote zorg voor de kleintjes. Allen maken ze het wel. Maurits wordt elken morgen en elken avond door den chirurgijn behandeld.
UweC. DE BOURBON.
Enkele dagen later schrijft zij nog:
“Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang kunt behoeden.”
“Ik heb het geschenk ontvangen, dat gij mij van de koningin hebt gezonden. Ik vind dat heel mooi. Wat de beteekenis van de hagedis is, men zegt immers dat het een eigenschap van haar is, een slapend mensch, die bedreigd wordt door eene slang te worden gebeten, te wekken. Ik denk dat dit op u toepasselijk is, Monseigneur, die de Staten wekt, opdat zij niet gebeten worden. God wake door zijn gunst, dat gij hen tegen de slang kunt behoeden.”
Welk een geestvol gezegde van Oranje’s derde gemalin omtrent zijne roeping tegenover Don Juan en de Staten. Al mocht zij geen rechtstreekschen invloed hebben op zijn staatkunde, door dergelijke fijne gezegden werkte zij toch heilzaam op den geest van den Prins, evenals het voor hem, die thans op zulk een zware post was geplaatst, een weldaad was, te kunnen denken aan de veiligheid van de zijnen onder de hoede zijner derde vrouw.
Op den 10enOctober schrijft ze hem, dat ze eerstdaags naar Breda zal vertrekken en hem daar persoonlijk hoopt te ontmoeten. Ze hoopt van te voren nog bericht te ontvangen, hoe zij zich in Breda met de uitoefening van den godsdienst moet gedragen. Daar gekomen, schrijft zij nog, dat de inachtneming van de artikelen der Pacificatie van Gent haar het hoofd breekt en dat ze hoopt, dat de Prins zelf spoedig daarin zal voorzien. Ondertusschen is de predikant Mr. Taffin in Dordrecht gebleven, totdat de wil van den Prins hem zal worden kenbaar gemaakt. Hoeveel schade er ook aan het paleis in Breda is veroorzaakt door de bende van Fronsberg, Charlotte schreef, dat zij het huis in beter staat had aangetroffen, dan ze had kunnen verwachten. Men was druk bezig het op te knappen en het een netter aanzien te geven.
Het beeld van de hagedis, waarmee de Prins zoo geestig door Charlotte werd vergeleken, was door hem van zijn eerste optreden af tegenover Don Juan daadwerkelijk toegepast. Zulk een hagedis, die de Staten moest blijven wekken, om te ontkomen aan de beet van de slang, bleef hij van het eerste oogenblik, dat hij zich in Brussel bevond. Hij mocht met blij gemoed de toejuichingen der bevolking hebben ingeoogst op den dag zijner joyeuse entrée; zijn eerste werk moest zijn, den laatsten listigen zet van Spanje’s landvoogd te vernietigen.
Wij zagen hoe Don Juan, ten einde raad, had toegestemd in al de eischen, die de minderheid der Staten-Generaal hem nog ter elfder ure had gesteld en hoe een onvoltallige vergadering dier Staten op den dag van ’s Prinsen binnenkomst in Brussel, dat eindverdrag had goedgekeurd. Oranje’s eerste werk moest wezen, dat genomen besluit te vernietigen en andere voorwaarden aan Don Juan te stellen, waaraan hij zich zeker wel niet zou onderwerpen.
De vergadering begon met den Prins een hartelijk welkom toe te roepen en deze antwoordde daarop, dat geen eerzucht, maar liefde tot het vaderland hem had bewogen hun roepstem op te volgen, dat hij niet van zins was, eenige verandering in de regeering of den godsdienst te brengen en alleen begeerde den vrede te bevestigen, door getrouw het Gentsche verdrag ten uitvoer te brengen. Na die officieele begroeting volgde aanstonds eene langdurige en heftige discussie over de voorwaarden, die de Prins meende, dat aan de artikelen door Don Juan te onderteekenen, moesten worden toegevoegd. De voorwaarden waren, dat alle beambten, die zich aan Don Juans partij hadden aangesloten, moesten geschorst worden tot de vergadering der Staten-Generaal. De graaf van Buren zou zoo spoedig mogelijk uit de Spaansche gevangenschap moeten worden ontslagen. De koningin van Engeland wilde men als beschermvrouw van het verdrag inroepen en de benoeming van den Raad van State zou geschieden, niet door den landvoogd, maar door de Staten-Generaal.
In alles was de hand van Oranje zichtbaar. Blijkbaar begreep de Prins, dat Don Juan zich die vernederende voorwaarden niet zou laten welgevallen; en toen ze hem dan ook werden voorgesteld, overlaadde hij de gezanten met scheldwoorden en verweet hij hun, dat ze den Prins hadden ingehaald. Daar alle pogingen tot verzoening mislukten, meldden de Staten-Generaal op den 8enOctober aan den landvoogd, dat ze hem niet meer erkenden en ze verzochten hem naar Luxemburg terug te gaan. Dit deed Don Juan, maar vandaar schreef hij ook naar Brussel in zeer oorlogzuchtigen geest. Hij antwoordde, dat hij bericht had ontvangen van den terugkeer der Spaansche troepen. Toen werd in Brussel voorgesteld, de onderhandeling af te breken en al drong de vredespartij nog op bemiddeling aan, de meening van Oranje zegevierde. Alle kans op eene verzoening met Don Juan was verdwenen en daarmede was de oorlog weer zoo goed als uitgebroken.
Evenmin als Don Juan op dat oogenblik, waren de Staten tot den oorlog gereed. Een gedeelte van hen hoopte op steun van Elisabeth, waartoe de kans in die dagen niet slecht stond en ook Oranje met de zijnen waren ernstig in de weer, van die zijde geld en hulptroepen te ontvangen. Een ander gedeelte waaronder Lalaing, de Henegouwsche stadhouder, was tegen Engelsche inmenging en hoopteop hulp van Frankrijk, zoodat men van die zijde ook door middel van Margareta van Valois, die nog altijd in Spa was, voor de belangen van den hertog van Anjou ijverde.
De Prins was hiermede op de hoogte en wist wel, dat men ook Anjou zocht te winnen uit vrees dat deze Don Juan zou gaan helpen.
Evenmin was het Oranje onbekend gebleven, dat ook een deel der edelen, vooral op aandrang van Aerschot, zich in het geheim in betrekking had gesteld met Matthias, aartshertog van Oostenrijk en broeder van Keizer Rudolf. Oranje keurde dit niet geheel af, mits enkele heeren van het land hem als zijn raad werden toegevoegd. Aerschot had bij dezen pretendent eene dubbele bedoeling; vooreerst was het vrees voor de macht van den Prins, dat hij Matthias gaarne in het land zag, maar tevens hoopte hij, dat Filips zijn neef zou erkennen als opvolger van Don Juan, zoodat het land dan toch onder de souvereiniteit van den koning van Spanje bleef.
De heer van Maelstede werd met eene zending naar Weenen belast, om in naam van Aerschot en de zijnen de boodschap aan Matthias over te brengen. Hoe eigenaardig de opdracht ook was welke men hem kwam aanbieden, nog wel uit naam van een zwakke partij, die het recht niet bezat zoo iets te doen, het avontuurlijke scheen den jongen man zoo aan te lokken, dat hij zich maar kort bedacht. Reeds in den nacht van 3 op 4 October verliet hij vermomd het paleis en wist zoo Weenen te verlaten; weinige dagen later zien wij hem in de Nederlanden. Waarschijnlijk was keizer Rudolf niet onbekend met de onderneming van zijn broer, maar tegenover Filips II deed hij, alsof hij niets van de zaak wist. Volgens enkelen had Matthias van de diepen slaap van Rudolf gebruik gemaakt om de kamer, waar ook hij sliep, te verlaten, maar volgens anderen was Rudolf wakker en bleek ook dit slechts een voorwendsel.
Den 9enOctober gaf Aerschot den Staten-Generaal kennis van de aanstaande komst van Matthias, die reeds op reis was. Die mededeeling was voor de Staten natuurlijk eene groote verrassing en ook de Prins, die er den laatsten tijd niets meer van gehoord had, was onaangenaam door die tijding getroffen. Hij begreep best, dat die geheele onderhandeling met Matthias was voortgekomen uit den wensch, zijn invloed tegen te gaan, maar ook hinderde het hem op die wijze met Filips II op goeden voet te blijven; ten slotte wat zou deze twintigjarige Duitscher zonder ondervinding, macht of geld in den oorlog, welke nu weer aanstaande was, kunnen uitrichten? Vooral nu de Prins eenmaal te Brussel was, zou de plotselinge komst van Matthias den geest van tegenstand versterken en zijn eigen invloed verzwakken. Wat zou bovendien Engeland er wel van zeggen?
Verstandig als Oranje was, verzette hij zich echter thans niet meer, maar wist de Staten te bewegen voorwaarden op te stellen, waaronder men Matthias als landvoogd zou erkennen. Dat dit niet naar den zin van Aerschot was, valt te begrijpen, maar de raad van Oranje behield de overhand.
De nieuwe landvoogd, die inmiddels tot Maastricht genaderd was, werd verzocht zich tot nader order naar Lier te begeven. Hieraan gaf hij gehoor, doch verwisselde later Lier met Antwerpen, teneinde gemakkelijker met Brussel te kunnen onderhandelen.
Ondertusschen was er in de laatste helft van October veel gebeurd, dat de staat van zaken belangrijk wijzigde. Aerschot mocht in de meening verkeeren, dat hij door Matthias binnen te halen, Oranje’s invloed kon verminderen, het volk was er ook nog. Wij kunnen ons in den tegenwoordigen tijd vooral, eene beste voorstelling vormen van den onweerstaanbaren invloed van democratische bewegingen. Zij zijn onvermijdelijk in sommige tijdperken, zij beheerschen dan de geheele maatschappij, de geheele staatkunde.
Zoo was het ook in die dagen in Zuid-Nederland; in de steden breidde zich met onweerstaanbare kracht de democratische beweging van dag tot dag uit en dit was niet anders, dan een natuurlijk gevolg van de tijdsomstandigheden. Sedert de Spaansche furie in Antwerpen en niet minder sedert Don Juans staatsgreep te Namen, was de burgerij in de wapens. Men had genoeg geleden van de Spanjaarden, dat was de algemeene overtuiging en al had men liever den vrede gewenscht dan voortzetting van den krijg, thans wilden de burgers niet anders dan met de wapens in de hand den mogelijk terugkeerenden Spanjaard bevechten. Aan de slooping der kasteelen had de burgerij met wellust deelgenomen. Wie ooit de bijzonderheden van die slooping van het Vredenburg te Utrecht heeft gelezen, weet, hoe het volk, mannen en vrouwen beiden, daaraan deelnamen. De stedelijke besturen werden hier en daar niet vertrouwd, maar de burgerij noodzaakte ze toe te geven. Daarbij duurde de stilstand in handel en landbouw voort; dat gold toch belangen, die het volk in zijn geheel raakten. Men bleef belastingen heffen; was het wonder, dat ook dit misnoegen verwekte? Er moest verandering komen. Het volk zelf moest aandeel in het bewind verkrijgen, het kostte wat het wilde. En zoo was men van zelf—hoe kon het anders, in de zee der democratie gekomen.
En die denkbeelden gingen nog buiten den godsdienst om; daarover waren alle burgers, van welk geloof ook, het eens. Doch nu kwam daar nog bij, dat overal, ook in het Zuiden, het Calvinisme zich een weg baande, waardoor de democratische strooming zich versterkte.
Daarvan was tot de Pacificatie van Gent in het Zuiden, behalve in de jaren voor Alva’s komst, geen sprake; die Pacificatie gaf echter den uitgewekenen vrijheid, naar hun land terug te keeren. Voor de Staten-Generaal, die de vrijheid van godsdienst niet voor alle gewesten begeerden, maar deze alleen aan Holland en Zeeland zouden toestaan, was dit een hoogst ergerlijk feit. Over de hernieuwing der plakkaten werd zelfs gedacht en met Don Juan gecorrespondeerd. Diens verraad gaf natuurlijk meer ruimte aan de Calvinisten; ook de komst van den Prins in het land had hun nieuwen moed geschonken. Nu hun geloofsgenoot devader des vaderlandsuit het Noorden zelf was binnengeroepen, begeerden ze niet langer alleen vrijheid van geweten, maar ook vrijheid van godsdienst. Vlaanderen was vooral het middelpunt hunner beweging, maar ook in Brussel waren de volkshartstochten ontketend; al werkte daar het Calvinisme minder, de democratie was er even sterk.
Reeds op den 8enOctober bood eene menigte aanhangers van den Prins den Staten-Generaal een verzoekschrift aan, waarin deze hoopten op spoedige besluiten in democratischen, oorlogzuchtigen en anti-Spaanschen geest. Dit geschiedde namensde achttienmannen, de hoofden van de negen natiën der gilden.
Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).
Intocht van den Prins te Brussel. 23 Sept. 1577. (Bladz. 329).
Deze handelden met zooveel driestheid, dat het niet te verwonderen was, dat de Staten in hun optreden een inbreuk op hun gezag zagen en bevreesd werden voor de tirannie van den volkswil. Ook Oranje hield hun voor, dat ze de overheid gehoorzaamheid schuldig waren, doch gaf aan den anderen kant aanleiding om te doen denken, dat hem die volksbeweging niet onaangenaam was. Hij noodigde de achttienmannen althans aan zijnen disch. Op den 13enOctober gaf de Prins aan dien maaltijd te kennen, dat hij op verzoek van de Staten van Holland naar Antwerpen zou gaan en misschien wel, om aan Charlotte’s wensch te voldoen, naar Breda. Toen hij afscheid van hen nam, smeekten ze hem, hen toch niet aan hun lot over te laten; hij was hun eenige troost en toeverlaat. De Prins antwoordde daarop in eene rede, die wel een half uur duurde en beloofde hun, dat hij de burgers tot den dood zou bijstaan.
In hooge mate verstond Oranje de kunst, het volk te winnen. In Brussel steeg in die dagen de vereering van zijn persoon tot afgoderij. De inwoners bewaakten dag en nacht zijn paleis en waar hij heenging, overal begeleidde hem het volk. Vrouwen vielen bij zijn voorbijgaan op de knieën. Een ooggetuige zegt zelfs: “Men vereerde hem, als ware hij de Godheid zelve.”
Het gevolg hiervan was, dat er op den 18enOctober een request bij de Staten van Brabant werd ingediend, waarin de begeerte werd uitgesproken, dat een der voornaamste heeren uit het gewest tot stadhouder mocht worden gekozen. Met dien eenen werd niemand anders dan Oranje zelf bedoeld. Als baron van Breda nam hij eene eerste plaats in onder de Brabantsche ridderschap. Toen dit niet spoedig genoeg tot resultaat leidde, drongen de achttienmannen en hun geestverwanten de vergadering binnen en eischten zij eerst van de Staten de benoeming van Oranje en daarna van de Staten-Generaal, die ook niet waagden zich tegen den volkswil te verzetten. Bij besluit van 22 October werd de Prins tot Ruwaard van Brabant verheven. Gelijk we ons herinneren, was dit een post, reeds jaren vroeger, onder Granvelle, door Oranje hartstochtelijk begeerd. Het was een titel, die hem grooten invloed verzekerde op het in Brabant gevestigde bestuur; een soort van dictatorschap. De Staten-Generaal moesten zwichten voor den eisch van het volk, dat in dien ruwaard een waarborg zag tegen de intriges, waardoor het omringd was en ze waren gedwongen, Oranje als zoodanig te erkennen, natuurlijk zoolang er geen landvoogd zou zijn.
Terwijl men op deze wijze in Brabant den Prins van Oranje verhief en hij zelf kort na die benoeming naar Antwerpen ging, had er in Vlaanderen, n.l. te Gent, eene gebeurtenis plaats, die hevige opschudding verwekte. Daar was sedert den aanvang van October de hertog van Aerschot in plaats van den graaf van Roeulx, die Don Juans partij bleef kiezen, tot stadhouder benoemd. Die keuze kon den Prins niet behagen; hij had tallooze bewijzen van de onbetrouwbaarheid en de jaloezie van Aerschot ontvangen, doch wijselijk verzette hij er zich niet tegen. Op den 24enOctober zou de nieuwe stadhouder in Vlaanderen plechtig door de Staten ontvangen worden. Doch Gent werd niet minder dan Brussel in die dagendoor een democratische beweging in beroering gebracht. Van de middeleeuwen af was er een onrustige, licht ontvlambare geest onder hare burgers geweest en die geest van Jacob van Artevelde was niet uitgestorven. Bekend is, hoe Karel V zijn vaderstad had gestraft; de Gentenaars hadden in 1539 hun opstand moeten boeten met het verlies van al hunne privilegiën. Die terug te krijgen was thans het doel van volksleiders als Rijhove, tevens lid der Staten van Vlaanderen, Hembyze, de Grutere, Borluut en Utenhove, die allen zoowel groote aanhangers van Oranje als Calvinisten waren. Bevreesd voor den invloed van Aerschot, verdachten ze hem, niet ten onrechte, Oranje’s gezag te willen verzwakken. Althans de Staten van Vlaanderen brachten een ongunstig advies uit over de verkiezing van Oranje als ruwaard van Brabant. Rijhove vooral maakte zich zeer bezorgd en uit vrees zelf te worden verrast, nam hij gesteund door de burgerij, in den nacht van 29 October, Aerschot en zijn trawanten gevangen.
Het is niet zeker in hoever de Prins de hand in dien aanslag gehad heeft. Vermoedelijk was het wel naar zijn geest; de staatsgreep van Sept. 1576 was ook voor een deel zijn werk geweest. Doch wel beseffende, dat een dergelijke aanslag op Aerschot door den geheelen adel zeer hoog zou worden opgenomen, wilde hij er persoonlijk buiten blijven; doch Marnix gaf Rijhove te verstaan, de onderneming te wagen, zonder den Prins er nader over te spreken.
De verontwaardiging over dit feit was in Brussel groot, evenals de angst der Staten-Generaal, dat zich zoo iets dergelijks in de hoofdstad zou herhalen. Doch Gent vond er de gelegenheid door om ongestoord zijn democratische wenschen te bereiken, zich niet bekommerende om hooger gezag.
Op het einde van December zullen we den Prins naar Gent zien gaan om er de orde te herstellen, maar voor zijn vertrek hadden er gebeurtenissen plaats, welke van groote beteekenis waren ook in het leven van den Zwijger.
Allereerst had op den 7endier maand de formeele ontzetting plaats van Don Juan door de Staten-Generaal. Waarin die Staten ook verschilden, ze waren het er allen over eens, dat men Filips’ broeder niet langer als landvoogd kon erkennen. Ondubbelzinnig verklaarden dan ook de Staten, dat Don Juan niet langer als stadhouder, gouverneur en kapitein-generaal erkend werd, daar hij den vrede had verbroken, die hij gezworen had te handhaven en dus als een vijand van het vaderland moest worden aangemerkt. In alle talen werd een rechtvaardiging van hun gedrag opgesteld, die aan bijna al de souvereinen van Europa werd gezonden met het verzoek, tevens den gewezen landvoogd den doortocht van een leger te weigeren.
Ten opzichte van Don Juan had Oranje dus volkomen gezegevierd, maar van veel grooter beteekenis nog was het succes, dat hij verwierf door het tot stand komen van deTweede Unie van Brusselop den 10enDecember 1577. Deze acte op dien dag door de 17 gewesten geteekend, is helaas slechts van voorbijgaande beteekenis geweest, maar het stuk is merkwaardig, omdat zij uiting geeft aan Oranje’s hoogste en meest edele gedachten.
We herinneren ons, dat in Januari 1577 een Unie van Brussel was aangenomen, die evenmin als het Eeuwig Edict door den Prins was goedgekeurd.
De Pacificatie van Gent had de godsdienstquaestie ter beslissing overgelaten aan een nieuwe Staten-Generaal, doch zonder dat die Staten-Generaal nog gekozen waren, had men, mede om Don Juan bij zijn komst in het land te winnen, in die Unie op den voorgrond gesteld: uitsluitende handhaving van den Roomschen godsdienst. Dat de Staten van Holland en Zeeland en ook Oranje die Unie hadden verworpen is begrijpelijk, maar ook talrijke aanhangers van de nieuwe leer konden haar niet aanvaarden en daaronder waren velen, die teruggekeerd waren op grond van de voorloopige vergunning van de Pacificatie van Gent.
De Prins begreep, dat die fout zoo spoedig mogelijk moest worden hersteld. De scherpe tegenstelling tusschen Roomsch en onroomsch moest worden verzacht, en het staatkundig doel van de bevrediging weder op den voorgrond gesteld worden.
Bij meer dan een gelegenheid merkten we op, hoe Oranje voor zich zelf in godsdienstzaken op een zeer hoog verdraagzaam standpunt stond; dit toonde noch onverschilligheid, noch berekening. Daarvoor zijn zijne innig godsdienstige uitspraken ons borg. Het was alleen een verheven zijn boven de vormen, waarin het godsdienstig geloof zich openbaart, en tevens de erkentenis, dat overal het religieuse schuilen kan. We zagen dat zijn overgang tot het Calvinisme voor zijn bewustzijn was: een politieke noodzakelijkheid. Welnu, door middel van de nieuwe Unie van Brussel, die hij hoopte te doen teekenen tegelijk met de opdracht der landvoogdij aan Matthias, wilde hij het volk zijn eigen beginsel van verdraagzaamheid inplanten. Wel stelde de Unie ook de uitbreiding der privilegiën op den voorgrond, of liever de terugkeer der voorrechten, die de burgerij ook had voordat die door de Bourgondisch-Oostenrijksche vorsten waren ingekort; maar de godsdienstige verdraagzaamheid moest de hoeksteun van het nieuwe staatsgebouw zijn.
Oranje is geruimen tijd bezig geweest met het opstellen dier nieuwe staatsregeling; reeds den 15enNovember legde hij daarvan een ontwerp aan de Staten voor. Volgens dat ontwerp moesten de Roomschen beloven, dat zij de niet-katholieken tegen alle geweld zouden beschermen en met rust laten en deze laatsten moesten zweren, dat ze niets zouden ondernemen tegen den katholieken godsdienst; niemand door woorden of daden zouden ergeren; geestelijken en leeken in hun goederen en voorrechten te laten en daarbij niet te duiden, dat hun eenig onrecht werd aangedaan.
Voor Oranje was die staatsregeling de verwezenlijking zijner innigste en hoogste gedachten; daarop meende hij, zou alleen een vast verbond der gewesten kunnen rusten.
Dat er wel verzet schijnt geweest te zijn tegen dit ontwerp, kunnen wij begrijpen, want een dergelijk mooi staatsstuk waarvan algemeene verdraagzaamheid de grondslag was, stond inderdaad te hoog voor de hartstochten van dien tijd.
De pogingen van katholieke zijde gedaan, om ook de eerste Unie van Brussel en het Eeuwig Edict van kracht te doen blijven, mislukten. Het zou ook wel dwaas zijn geweest, want in die acten werd in echt Spaanschen geest, de handhaving van den R. Kath. godsdienst bevolen, terwijl in de tweede Unie algeheele godsdienstvrijheid en volkomen verdraagzaamheid op den voorgrond stonden.
Al heeft aan die nieuwe wet de toekomst niet beantwoord, al bleek het volktegen de hooge gedachte ervan niet opgewassen, al waren de Calvinisten en Katholieken te klein, te bekrompen, om die gedachten te verstaan en toe te passen,de Tweede Unie van Brussel op zich zelf, is niet alleen de hoogste daad van Oranje’s staatkundig leven, maar is ook een eenig voorbeeld gebleven voor alle tijden en geslachten.
In dezelfde maand December was er ook veel te doen over de vraag, in welke verhouding de Prins zou staan tot den aanstaanden landvoogd Matthias. Die vraag hing samen met den Engelschen invloed en met de hulp door Elisabeth beloofd. Niet ten onrechte beschouwde het Engelsche hof die benoeming van Matthias als een bewijs van de vijandige gezindheid van vele edelen tegen Oranje en alleen op voorwaarde, dat Oranje benoemd werd tot luitenant van Matthias, beloofde Engeland hulp te verleenen. Wel gaf de Prins te kennen, dat hij die aanstelling overbodig achtte, indien er slechts een raad van welgezinde mannen aan Matthias’ zijde stond, maar de koningin bleef bij haar eisch.
Ingeval van weigering zou men zich allicht weer tot Anjou om hulp wenden, want deze bleef steeds een begeerige blik op de Zuidelijke Nederlanden werpen, terwijl Henegouwen met zijn stadhouder Lalaing wel geneigd was, Anjou in plaats van Matthias te nemen.
Wederom waren het de zoogenaamde achttienmannen, dus de vertegenwoordigers der Brusselsche burgerij, die aan het werk gingen.
Door hun alvermogenden invloed was de Raad van State in hun geest veranderd en nu stelden zij aan de Staten eenvoudig den eisch, dat Oranje’s stadhouderschap over Brabant zou verlengd worden en tevens, dat de Prins tot Matthias’ luitenant zou worden benoemd, wilde men den Oostenrijkschen aartshertog als landvoogd erkennen.
De Staten stonden versteld over dien eisch. Men had indertijd de aanstelling van Oranje tot ruwaard van Brabant afgeperst, doch dit ambt was tijdelijk verleend en zou toch zeker vervallen, wanneer de landvoogd er was, die in Brussel wonende, toch een stadhouder in Brabant onnoodig maakte.
De Staten verwierpen den eisch, maar de achttienmannen stelden zich daarmee niet tevreden en het liep zoover, dat Henegouwen en Artois zich reeds verzetten tegen die overheersching van de burgerij.
En de Prins? Hij gaf wederom een bewijs, dat hij zijn verheffing niet zocht, want hij schreef een brief aan de hoofden der burgerij om hen te matigen in hun plannen. Hij verzocht hun, hem niet meer charges op te dragen, bij de vele, welke hij reeds bekleedde; ook wees hij op de tweedracht, welke daardoor zou ontstaan en vroeg hun zich te onderwerpen aan die Staten, welke in zulke zaken hadden te beslissen. Ten slotte gaf hij hun te kennen, niet het bestuur over het leger te willen aanvaarden, daar graaf Lalaing generaal der armee was en hij den schijn niet op zich wilde laden, inbreuk te maken op zijn gezag.
Het mocht niet baten. In den vorm gaven de achttienmannen iets toe, maar het eind van de zaak was, dat op den 8enJanuari het besluit werd genomen, Oranje’s stadhouderschap over Brabant te verlengen en hem aan te stellen alsluitenant van Matthias. De Prins was zelf in die dagen in Gent, waar hij, zooals we zeiden, einde December heengegaan was. Zijn broer Jan van Nassau vergezelde hem.
Met uitbundig gejuich werd hij de stad ingehaald en de ontvangst had niet luisterrijker kunnen zijn. De rederijkerskamer “Jezus met de balsembloem” verwelkomde hem met een tooneelstuk “Judas Maccabeus,” dat natuurlijk vele toespelingen op den redder Oranje behelsde.
Door zijn invloed beloofden de Staten van Vlaanderen, een grooter en geregelder aandeel aan de algemeene geldkas te geven, maar in andere opzichten werkte de Prins, wiens overkomst naar Gent door de Staten-Generaal gewenscht was, niet in den geest van dit lichaam. Dat in Gent de invloed der burgerij zeer groot was, bleek wel uit het stoute stuk van Rijhove, Hembyze en anderen, door de gevangenneming van Aerschot en de zijnen. Wel was Aerschot weer spoedig op vrije voeten gesteld, maar de andere heeren bleven nog steeds opgesloten en de tegenwoordigheid van den Prins had hun vrijlating niet ten gevolge, zooals de Staten-Generaal hadden gehoopt. Het volk, en voor hen ook hier de achttienmannen, bleef oppermachtig.
Ze verlangden niet alleen dat Aerschot geen gouverneur zou wezen, maar wilden ook, dat de nieuwe magistraat van Gent uit de democraten moest worden gekozen. Ze werd dan ook samengesteld uit de bedrijvers van de jongste oproerige bewegingen.
Toen de Prins den 18enJanuari Gent verliet, waren de heeren nog gevangen, terwijl de macht geheel in handen was gekomen van de leiders der onlusten.
Men heeft dit later den Prins wel verweten, maar kan men dat van zijn vijanden begrijpen, veel is er, zegt Bussemaker, wat ons zachter stemt in de beoordeeling daarvan. Het was Oranje’s doel zoowel staatkundige als godsdienstige vrijheid te verkrijgen; daarom moest Spanje bestreden worden. Wilde dit echter succes hebben, dan was vastheid in de leiding een eerste eisch. Die leiding te geven kon alleen een man met de bekwaamheden van den Prins; dit werd niet alleen in de Nederlandsche gewesten, maar ook daarbuiten erkend: in Spanje, Engeland en Frankrijk.
Door naijver en onverdraagzaamheid, doch ook door vrees voor mislukking van zijne groote plannen, betwistte men hem vooral de hooge plaats, die hij innam. Alleen bij de massa van het volk vond hij dat vertrouwen, die hartelijke medewerking en vurigen ijver, die hij bij zijn grootsche taak zoo zeer van noode had. Hoe begrijpelijk, dat hij dus tegen die massa niet al te krachtig optrad, want ontstond er verkoeling, dan kon dit noodlottig worden voor de groote zaak. Was eenmaal de regeering geregeld en alles op vasten voet gebracht, dan zou de hartstocht bedaren en de orde vanzelf het geweld vervangen.
Dat deze gedachten ook die van den Prins waren, blijkt wel uit een brief van hem, geschreven aan den Prévot van St. Bavo, Bucho d’ Aytta de Zuichem.
Over de gevangenen sprekende zegt hij daarin: “Het is ook mijne bedoeling die heeren gevangenen zacht te behandelen, wel erkennende, dat gestrengheid op den duur niets dan kwaads kan voortbrengen. Doch ook moeten allen tevreden gesteld worden; ontevredenheid aan anderen te geven, door enkelen zacht te behandelen, is evenmin goed.”
In de eerste dagen van Januari werd het verdrag met Elisabeth ook geteekend, waarbij ze een crediet van 100.000 pond verleende en tevens hulp in manschappen beloofde.
Ook kwam er in die dagen uit Spanje een brief aan de Staten, waarin Filips behalve volledige amnestie, tal van andere beloften deed, maar.... handhaving van den waren godsdienst zooals ten tijde van zijn vader, moest worden verzekerd.
De voorstellen van Filips waren werkelijk nog al mild en hij zelf verlangde oprecht den vrede in die dagen. Het getij was echter verloopen en nu na Oranje’s komst in Brabant verlangde men meer dan den eenvoudigen terugkeer tot den toestand ten tijde van Karel V.
Ondertusschen was Matthias steeds in afwachting van het bericht, dat men hem in Brussel zou ontvangen. Hij bepaalde daartoe eerst den 14enJanuari, maar op uitdrukkelijk verlangen van den Prins werd die blijde intocht tot den 18enverschoven.
Geven we Motley het woord:
“Het was de derde luisterrijke intrede, die Brussel binnen de laatste negen maanden aanschouwde. Het was ook de schitterendste, want het scheen alsof de burgerij, in vergoeding voor de onbeduidendheid, waartoe men den aartshertog veroordeeld had, hem zinnebeeldig tot den zevenden hemel wilde verheffen. De rederijkerskamers zagen in hem de schitterendste zon, die ooit den Vlaamschen grond bestraald had.
Een prachtige stoet te paard, met Oranje aan het hoofd, begeleid door graaf Jan van Nassau, den prins van Chimay en andere grooten, kwam hem te Vilvoorden tegemoet en bracht hem tot aan de stadspoort. Op een open veld buiten de stad stond de graaf van Bossu aan het hoofd der troepen, die ten slotte een spiegelgevecht hielden, dat, om de woorden van een met de oudheid vervulden tijdgenoot te bezigen, “een even bloedigen strijd scheen, als op de vlakten van Attika tusschen hertog Miltiades van Athene en koning Darius had plaats gegrepen.”
De stoet trok de Leuvensche poort binnen onder een schitterenden zegeboog, met onzichtbare speellieden bezet. “Ik geloof dat Orpheus nooit zoo liefelijk op de harp gespeeld had,” zegt dezelfde schrijver, “noch Apollo op de lier, noch Pan op de fluit, als de stadsspeellieden nu.”
Bij het binnenrijden der poort werd Matthias terstond overgeleverd aan de oude fabelleer en maakten de burgers en rederijkers zich van hun doorluchtigen gevangene meester, met het vast besluit om bij zijn verwelkoming zich zelven te overtreffen.
De vertegenwoordigers der “negen natiën” van Brussel kwamen hem tegemoet in de Ridderstraat, van een weidschen stoet vergezeld. Ofschoon het middag was, droegen allen brandende toortsen. Ofschoon het Januari was, werden de straten met bloemen bestrooid. De huizen waren met festoenen behangen en schitterendmet zijde en fluweel gestoffeerd. De straten waren vol toeschouwers en met zegebogen bezet. Op de groote markt, steeds het middelpunt van alle indrukwekkende schouwspelen, het mochten dan tooneelvertooningen, steekspelen of terechtstellingen zijn, bereikten de dramatische voorstellingen hun toppunt. De prachtige gevel van het stadhuis was met wimpels en banieren versierd; de vensters en uitstekken daar, zoowel als die der overige schilderachtige gebouwen, welke het plein insloten, waren met feestelijk getooide vrouwen bezet. Op het plein had men vierentwintig tooneelen opgeslagen, waar een reeks van schilderijen werd vertoond door de schoonste meisjes, die men in de stad had kunnen vinden. Deze waren allen in gewerkte zijde, kostelijk kunstwerk en goudlaken uitgedost.
De onderwerpen van die levende tafereelen waren, gelijk vanzelf spreekt, geheel aan de oude godenleer en den heldentijd ontleend, want de Nederlanders konden niet buiten zinnebeeldige voorstellingen; nochtans verrieden deze vertooningen, door burgers en ambachtslieden tot vermaak hunner medeburgers bedacht en uitgevoerd, een grooten trap van beschaving bij het volk, dat zich op dergelijke wijs vermaken kon.
Al de groepen waren met kunstig overleg gerangschikt. Op het eene tooneel stondJunomet haar pauw; zij bood Matthias de stad Brussel aan, die zij fraai gemodelleerd, in de hand hield. Op het andere tooneel reikteBybelehem de sleutels, overhandigdede Redehem een toom,Hebeeen bloemkorfje,Wijsheideen spiegel en twee wetboeken,Naarstigheideen paar sporen, terwijlStandvastigheid,Grootmoedigheid,Voorzichtigheiden andere deugden hem met een helm, borstharnas, speer en schild toerustten. Op andere stellages boodBellonaden landvoogd verscheidene gewapende manschappen aan, in een bundel saamgebonden en gafde Faamhem haar trompet ende Roemhaar kroon.
Nog zag men Quintus Curtius, geharnast en te paard, zich in den gapenden afgrond storten en werden op zes andere tooneelen de schilderachtigste oogenblikken uit het leven van Scipio den Afrikaan vertoond. De baardelooze aartshertog had nog geen heldendaad verricht, behalve zijn vlucht uit Weenen in zijne nachtjapon, maar de eerlijke Vlamingen vonden er genoegen in zich te verbeelden, dat die twee oude Romeinen in hem herboren waren. Door hun liefde voor de verdichtselen en geschiedenissen der oudheid medegesleept, zagen zij in hem een mytischen held en inderdaad was hij bestemd dit in de Nederlanden te blijven. Nadat Matthias al deze wonderen aanschouwd had, werd hij wederom opwaarts naar het hertogelijk paleis geleid, waar hij nog tot vermoeiens toe, aanspraken en verzen aan te hooren had, tot men hem eindelijk vergunde, zijn avondmaal te gebruiken en naar bed te gaan.
Intusschen vierden de burgers feest op straat. Overal had men groote vreugdevuren ontstoken, waaraan het volk “ganzen, varkens, kapoenen, patrijzen en kuikens” braadde, terwijl men zich onder vroolijk fluitspel met dansen vermaakte. Plotseling zag men een vreeselijken draak door de lucht vliegen: het monster zweefde een poos over de hoofden der jubelende menigte op de groote markt en barstte toen bulderend uiteen, terwijl het raketten en allerlei vuurwerk naar wijd en zijd uitzond. Deze nog nieuwe vertooning veroorzaakte zooveel schrik onder demenigte, dat de meesten het hazenpad kozen, “alsof duizend soldaten hun op de hielen zaten,” terwijl zij in de grootste verwarring over elkander tuimelden.
Den volgenden dag zonden de Staten eene deputatie naar Matthias om hem te verzoeken, Oranje aan te stellen tot zijn luitenant-generaal. Dit was eigenlijk geen verzoek, maar een gedwongen fraaiigheid, want in dien vorm hadden de Staten berust, om het niet te doen voorkomen, alsof zij zich door de burgerij de wet lieten stellen. Matthias stemde toe en den 20enlegden beiden hunne ambtseeden af.
“Hun werd,” vervolgt Motley, “door de Staten-Generaal een prachtig gastmaal aangeboden in de groote zaal van het Stadhuis en toen de tafel afgenomen was, gafRhetoricahare laatste en zinrijkste vertooning door de broeders der vermaarde Kamer: “Maria met den bloemenkrans.”
Twee personages—de eene als een deftig burger, de andere als een geestelijke gekleed, met tabbaart en bef—verschenen op het tooneel, vlak tegenover de zitplaatsen van Hunne Hoogheden, en droegen een lang berijmd gesprek voor. De eene der sprekers heette “Verlangend Hart,” de andere “Gezonde Troost,”Gezond Verstandzou beter te pas gekomen zijn, maar dit was, naar het schijnt, uit het spel gebannen. Nadat er een lang relaas was opgedreund, nam het spel een einde en Rhetorica haar afscheid. Het gezelschap was gedurende de lange voorstelling aan tafel gebleven en thans werd het nagerecht opgedischt, dat uit een “kostelijk triumphant banket van ingemaakte vruchten en allerlei suikerwerk” bestond.
In welke stemming de Prins gedurende al die feesten verkeerde, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld verheugde hij zich over het volksgenoegen, in zoover hij er eene uiting in aanschouwde van zijn vurig verlangen naar onafhankelijkheid van Spanje. Maar kon het anders, of ook een reeks van moeilijke vragen stelden zich voor zijn geest. Zijn broeder Jan was met hem in Brussel; die was nu vast besloten zijn lot met dat zijns broeders in de Nederlanden te verbinden. Oranje zelf had behoefte aansympathie, al scheen hij ook een man, die bovenal op zichzelf vertrouwde. Marnix van St. Aldegonde en Jan van Nassau waren beiden voor hem onmisbaar, al konden ze met al hun affecties hem toch niet geheel begrijpen. Want beiden hadden een godsdienst met een zeer sterke theologische strekking en Oranje’s verdraagzame geest was hun eigenlijk onverklaarbaar; ze zagen dat aan aan als Laocideesche lauwheid.
De herziene Unie van Brussel en de kort daarop gevolgde intocht van Oranje als luitenant van Matthias in Brussel, waren zeker de glansrijkste oogenblikken in de loopbaan van den Prins.Onder het bestuur in naam van een lid van het Oostenrijksche huis, wiens geboorte eenige reden aan zijn optreden gaf, waren de teugels der regeering in zijne handen en was het zijne taak niet alleen de protestantsche noordelijke gewesten, maar ook de katholieke, zuidelijke te regeeren.
Zou hij slagen in de vervulling dier taak? Zou zijn talent als staatsman, dat hem zoover gebracht had, niet te kort schieten, wanneer het aankwam op de toepassing? Zou het hem gelukken, op den grondslag van de Pacificatie, beide godsdiensten vereenigd te houden en alle gewesten in eendracht te doen samenwerken in den vernieuwden oorlog met Spanje? Zou hij het hoofd kunnen bieden aan den geweldigen strijd, die hem wachtte? Niet alleen had de Paus den aartsketter en al zijn volgers op één lijn met Turken en heidenen geplaatst en bleef de hoop op Engeland steeds nog in de lucht zweven, maar bovenal zou het de vraag zijn, of hij de fanatieke Calvinisten en Katholieken tot één doel zou kunnen doen samenwerken. We zullen daarop, helaas, later een ontkennend antwoord moeten geven.
Hoofdstuk XXVI.Moeilijke dagen. Don Juan. Parma. De Prins te Gent. 1578.Sedert tien jaar was er zooveel gebeurd in het leven van den Prins, dat we ons bijna niet kunnen voorstellen, dat er zulk een betrekkelijk kort tijdsverloop ligt tusschen zijn eersten hopeloozen veldtocht van het jaar 1568, gedurende zijn ballingschap in Dillenburg en zijn triomfen in den aanvang van 1578. Wie hem, na dien roemloozen veldtocht tegen Alva, toen hij nauwelijks op Fransch grondgebied een toevlucht kon vinden, had voorspeld, dat hij na tien jaar eigenlijk de eerste in datzelfde land zou zijn, ware zeker door den Prins glimlachend en ongeloovig aangezien.Maar, nu eenmaal op dat hooge standpunt geplaatst, moet het hem wel eens benauwd hebben, als hij er aan dacht op welke wijze zijn taak te vervullen. Op een rozenbed heeft hij zeker geen enkelen nacht geslapen. Hij wist wel, dat nijd en heerschzucht, fanatisme en intrige rond hem spookten en hem die hooge stelling moeilijk zouden maken. En dan was het voor hem ook een vraag of hij met zijn hooge denkbeelden van verdraagzaamheid en eendracht wel in staat zou zijn, de demonen te bezweren, die afgunst en haat, bijgeloof en tweedracht rondstrooiden.De eerste, die hem op zijn weg van practische pacificatie der gewesten belemmerde, was Don Juan. Geen wonder; hij was in Luxemburg gebleven, waar zijn woede en wraakzucht steeds toenamen, naarmate de berichten uit Brussel hem duidelijker maakten, hoe zijn kortstondig gezag werd geïgnoreerd.Zijn koninklijke broeder, die hem eigenlijk niet geheel vertrouwde, had eindelijk zijn beden verhoord. Uit Italië waren 3000 Spanjaarden teruggekeerd en Alexander Farnese, Prins van Parma, zoon van Margareta, was op weg om Don Juan te ondersteunen en te vervangen. Door versterking van het leger met 4000 Fransche katholieken, kon de sterkte van zijn krijgsmacht op het einde van Januari op 16000 man worden geschat.Wat konden de Staten daar tegenover plaatsen, toen Don Juan op den 25enJanuari een manifest in drie talen afkondigde, waarin hij den wapenstilstand voor geëindigd verklaarde en zijn bedoeling uitsprak, om door wapengeweld het gezag van koning en kerk te herstellen?Het statenleger was door de overkomst van 4000 Schotten uit Engeland en eenige honderden Duitsche ruiters en Hugenoten niet veel geringer in aantal, maar het leger van Don Juan was oneindig beter georganiseerd. De Nederlandsche edelen hadden twist over het militair gezag; elk leider beschouwde zich als den gelijke zijner collega’s, zoodat van eendrachtig handelen geen sprake was.Toen nu Farnese bij Don Juan aankwam, waren juist de voornaamste edelen, als Lalaing, Melun e. a. afwezig om de bruiloft van den heer de Bersele te vieren, zoodat het commando aan jongeren als Filips van Egmond, Heze en Havré was overgelaten. De tegenpartij maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik en besloot onmiddellijk den aanval op het kamp van het statenleger te wagen. Op den laatsten Januari trokken de patriotten terug, den kant op naar Brussel en waren zij te Gembloux. Don Juan, door den Prins van Parma vergezeld, vervolgde het terugtrekkend leger; zijn banier met het kruisbeeld erop droeg de gedenkwaardige woorden: “In hoc signo vici Turcos, in hoc haereticos vincam” (Met dit teeken heb ik de Turken overwonnen; hiermede zal ik ook de ketters overwinnen.) Een trouwe zoon dus van den Paus, die eveneens Turken en ketters op één lijn had gesteld.Er begon eene schermutseling, die eerst gunstig scheen voor het statenleger doch eene stoute beweging van Parma keerde de fortuin. Hij deed door een gevaarlijk moeras heen een onverwachten aanval op zijn vijanden. Een schitterend legeraanvoerder zou hen nog gered hebben, maar die was er niet, zoodat de patriotten zich zonder slag of stoot overgaven of in de pan werden gehakt. Fabelachtige getallen worden er genoemd van gesneuvelden; volgens eene berekening zelfs zou elk Spanjaard het leven van tien Nederlanders hebben uitgebluscht. Wat daarvan ook moge zijn, geheel het statenleger was vernietigd; een groot getal verdronk in de Maas, terwijl een onbeduidend aantal Spanjaarden om het leven kwam.Welk een ramp! De gewesten waren pas verbonden en zou die vereeniging eenige vastheid hebben, dan was er voorspoed noodig geweest. Dat juist nu zulk een slag moest vallen was al bijzonder noodlottig. Door een gelukkige overwinning zou de pas gevestigde regeering steun hebben gekregen en was het haar misschien mogelijk geweest zoowel de hartstochten der burgerij te kalmeeren als de aanzienlijke edelen voor zich te winnen. Wat Oranje aangaat, de adel voelde met dubbele kracht zijn wrok tegen hem opkomen en weet hem gaarne de schuld van alle onheil.In Brussel heerschte na de nederlaag bij Gembloux groote ontsteltenis, want men vreesde, dat Don Juan ook spoedig die stad zou bedreigen. Dubbel gelukkig dus, dat Oranje door kalme vastberadenheid de diepe verslagenheid wist te overmeesteren en geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloor. Het leger werd door hem versterkt en aan Bossu liet bij de verdediging van de hoofdstad over, terwijl de Prins met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen vertrok.Wel viel Brabant grootendeels in handen van Don Juan, maar tot Brussel naderde hij niet. Gebrek aan geld verhinderde hem bovendien van zijn overwinning groote vruchten te plukken.Straks zullen we zien, hoe de binnenlandsche tweedracht voor het gezag van Oranje nog veel schadelijker was dan de nederlaag van Gembloux.Een merkwaardige gebeurtenis in den aanvang van 1578 was de overgang van de stad Amsterdam naar ’s Prinsen zijde.Tot dien tijd was die gewichtige plaats onder ’s konings gezag gebleven. Oranje had niet nagelaten, den handel daarvan gevoelig te treffen en zoowel die nadeelige gevolgen voor de welvaart van Amsterdam als de invloed van afgezanten uit Utrecht bewerkten den ommekeer. De burgers namen een verdrag aan op dezelfde voorwaarden als de Utrechtsche Satisfactie. Aan de verschillende hervormde sekten werd vrijheid van eeredienst, ieder overeenkomstig haar gebruiken, gegeven alsook om hun dooden binnen de wallen te begraven. Ieder was niet evenzeer met die Satisfactie voldaan; van daar dat er in den loop van den winter allerlei beroeringen in de gemeente plaats hadden, die eindelijk in de maand Mei in een oproer uitbarstten, waarbij de partijgenooten van den Prins de zege behaalden en tegenover de katholieke fractie, die vrij sterk was gebleven, eene stedelijke regeering samenstelden, die de nieuwe maatregelen kon doorvoeren.Toen de Prins midden in den winter met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen ging, schijnt zijn familie zich daar met hem te hebben vereenigd. Uit die stad althans schreef Oranje’s oudste dochter Marie een briefje aan Graaf Jan, die in naam der regeering naar Gelderland op reis was gegaan. Deze was jarenlang de huisgenoote van haar oom in Nassau geweest; vandaar dat zij tegenover hem een kinderlijke genegenheid gevoelde en hem zelfs met den titel van vader aanspreekt.Na haar verontschuldiging te hebben aangeboden, dat zij hem niet eerder dank heeft gezegd voor al zijne zorgen voor haar, vervolgt zij aldus:“Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats gehad—hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden, eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden, dat gij ze gezien hebt.“Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven, hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder eens gebeuren, enz.Antwerpen 10 Februari 1578.Op die wijze houdt de oudste dochter van den Prins diens broeder Jan op de hoogte van den toestand. Op den 8enMaart schreef ze weder aan haar vaderlijken oom:“Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd, waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent, zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht, dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was, om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer, want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven, hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met zijn reisplan.Antwerpen 8 Maart.Doch genoeg van deze jongemeisjesbrieven, die wederom bewijzen, welk eene aardige verhouding er tusschen de kinderen van den Prins en zijn broeder Jan bestond.Hoe schadelijk ook de nederlaag voor het gezag van Oranje mocht wezen zijn toestand werd, zooals we straks zeiden, nog veel moeilijker gemaakt door de tweedracht tusschen de gewesten, welke vooral uit het verschil in godsdienst voortsproot.Het ideaal van den Prins, godsdienst en gewetensvrijheid voor allen, bleek spoedig in de toenmalige omstandigheden onbereikbaar. De maatschappij was er nog niet rijp voor en Oranje moest ondervinden, dat al zijn schoone plannen vanverdraagzaamheid en wederzijdsche eerbiediging niet zoo dadelijk verwezenlijkt konden worden. Evenmin als de katholieke was de Calvinistische partij in de Zuidelijke Nederlanden vatbaar, om de staatkunde van den grooten Zwijger te verstaan. Ja, ze vonden beiden, een ieder op haar standpunt, die staatkunde geheel in strijd met Gods gebod. De Calvinist beschouwde het Pausdom als den gevloekten poel van ongerechtigheid en al zijn instellingen als het werk van Satan; hoe zouden ze dan vrijheid van godsdienst kunnen geven aan de priesters om die ongerechtigheid te handhaven en te verspreiden? En de Katholieken—volgens hen was het geheele werk van Luther en Calvijn uit den booze en mocht hun leer niet binnen hunne landpalen geduld worden.Die tegenstelling tusschen de beide godsdiensten moeten we steeds in het oog houden, willen we de verwarring van het jaar 1578 begrijpen, want aan de meeste dingen lag die tegenstelling ten grondslag.In het Zuiden van het land waren het vooral Vlaanderen met Gent aan het hoofd en Artois en Henegouwen, waar de moeilijkheden het grootst waren. In de beide laatste gewesten speelden behalve de godsdienst ook de intriges van Anjou met zijn vrienden en die van Don Juan hun fatale rol.Veroorzaakte de nederlaag te Gembloux reeds, dat men hier en daar de kreet “verraad” vernam en men allerlei bedreigingen tegen de geestelijkheid uitte, daarbij kwam nog het verzet tegen de belastingen, die door de Staten waren uitgeschreven. Don Juan en Anjou hielden bovendien de gewesten door middel van hun agenten in voortdurende onrust en de laatste had in Henegouwen een sterken aanhang, die vooral door Lalaing gesteund werd. Daar Oranje in die dagen hulp van Engeland verwachtte, maar nog niet zeker van die steun was, begreep hij, dat hij Anjou niet van zich moest verwijderen en sloot de Prins zelfs een verdrag met hem, waarbij Anjou den schoonen titel ontving van “Défenseur de la liberté des Pays-Bas contra la tyrannie des Espagnols et de leurs adhérents.” Hem werd daarbij alleen in de toekomst eenig uitzicht op souvereiniteit gegeven, zoodat het verdrag, dat van Oranje’s zijde niets dan politiek was, voor Anjou geen groote beteekenis had.Het eenige doel van Oranje was te zorgen, dat Henegouwen zich niet van de overige staten zou losmaken.In Vlaanderen wilde men van Fransche hulp niets weten, doch aller oogen waren daar gericht op Johan Casimir van de Paltz, die met Engelsch geld een leger in Duitschland had geworven. Kerken en kloosters plunderend en verwoestend, kwam dit leger in Juli in ons land; met het statenleger vereenigd, bedroeg het ongeveer 40.000 man, waartegen Don Juan nauwelijks de helft kon stellen. Hij leed dan ook in Augustus bij Rijmenam een nederlaag en sloeg daarna een kamp bij Namen op, waar hij zelf, door eindelooze inspanning afgemat, op den 1enOctober al zijn eerzucht met het verlies van zijn jonge leven moest boeten.Door den dood van Don Juan kwam een ander op het krijgs- en staatstooneel, n. l. Prins Alexander van Parma, in wien Oranje een waardigen tegenstander zou vinden.Parma, in 1546 geboren en dus ongeveer van denzelfden leeftijd als zijnoom en voorganger Don Juan, bezat veel meer karakter, verstand en bekwaamheid als legerhoofd dan een van Filips’ vorige landvoogden. Op twintigjarigen leeftijd was hij gehuwd met Donna Maria van Portugal en de bruiloft had in 1566 in Brussel plaats gehad op het oogenblik, dat de ontevredenheid tegen de Spaansche maatregelen begon. Oorlogvoeren was zijn kracht, gelijk hij reeds in zijn jeugd afkeer van de studie had en alleen veel hield van jagen, paardrijden en het hanteeren van wapens.Aan alle Europeesche vorsten gaf Parma bericht van zijn aanvaarden der landvoogdij en hij riep hen op, hem te helpen in het eindelijk bedwingen van den opstand, die in de koninklijke domeinen van zijn oom zulke verhoudingen had aangenomen.Tot deze domeinen behoorden volgens hem ook de noordelijke gewesten, waar Oranje reeds geruimen tijd de eigenlijke souvereiniteit bezat. Met dezen zullen we Parma dan ook van nu af den strijd verder zien voeren.Een zeer moeilijke rol had de Prins in 1578 te vervullen in Gent, waar zooals we zagen, de democratie had getriomfeerd en de gevangenschap van de metgezellen van Aerschot had voortgeduurd, toen Oranje zijn intrede als stadhouder van Vlaanderen doen zou.Het volk aldaar verkeerde in hoogst opgewonden stemming; geleid door mannen als Rijhove en Hembyze en aangezet door heftige predikers, als Modet enDathenus, verdacht de Vlaamsche bevolking, vooral na den nederlaag van Gembloux, de katholieken van verraad.Op Pinksteren van dat jaar kwam het in Gent tot eene uitbarsting, die aan de dagen van de beeldstormerij herinnerde. Kerken en kloosters werden geplunderd, geestelijken mishandeld en de van beelden gezuiverde kerken voor Calvinistische prediking gereed gemaakt. De Prins stond tegenover een macht, wier beteekenis hij niet genoeg kende, de vrucht van de godsdienstige dweepzucht, van het fanatisme. De Pacificatie van Gent had alleen aan Holland en Zeeland het Calvinisme vergund, maar den bestaanden toestand omtrent den godsdienst in andere gewesten gehandhaafd. Vrijheid, openbaarheid van prediking was in Vlaanderen niet geoorloofd en de Prins liet niet na, den Gentenaars het ongeoorloofde van hun gedrag onder het oog te brengen. Of Oranje hen wees op het gevaarlijke van die openbare prediking, waardoor hij zelf en het vaderland in de grootste moeilijkheden zouden gewikkeld worden, het hielp niets. De predikanten waren blind voor de gevaren, stoorden zich aan geen staatkundige overwegingen en hielden zich niet gebonden aan de bepalingen der Pacificatie.Daar door dit alles het misnoegen der Katholieken met den dag toenam en hetzelfde verschijnsel zich ook in Amsterdam en Haarlem voordeed, kwam Oranje met een voorstel in den Raad van State, daar hij noch door zachtheid, noch door geweld den toestand kon veranderen.De Prins kwam n.l. den 9enJuni 1578 met het voorstel van dengodsdienstvredevoor den dag, waarbij het in elke gemeente, waar honderd gezinnen een der beide godsdiensten verlangden, geoorloofd zou zijn, dien openbaar uit te oefenen.Zeker, ook dit was in strijd met de Pacificatie en ondervond in de Staten-Generaal vooral van katholieke zijde groot verzet, maar de Prins beriep zich in zijn antwoord op dat verzet op de veranderde tijdsomstandigheden. Het wantrouwen en de onrust—zoo beweerde hij—waren bij zijne geloofsgenooten zeer groot geworden. De Katholieken hadden als stelregel aangenomen, de uitspraak van het Concilie van Constanz, dat men aan den ketter zijn woord niet behoefde te houden. Zoo had de koning van Frankrijk de hervormden bedrogen en vermoord. Na uitdrijving der Spanjaarden voorzag de Prins burgeroorlog, indien men niet als enkele andere landen tot een godsdienstvrede besloot, die zoowel den Calvinisten als den Katholieken kon ten goede komen.Hij achtte voor alles noodig, maatregelen te nemen, die zouden voorkomen, dat er op de Unie inbreuk werd gemaakt en nu, wat hij, noch iemand anders kon voorzien hebben, de Calvinisten zoo het hoofd opstaken, moest er een schikking worden gemaakt.De Staten-Generaal waren echter niet te bewegen het voorstel voorloopig aan te nemen; ze besloten den 12enJuli het ontwerp van den godsdienstvrede naar de gewesten te zenden, opdat die zelve daarin zouden beslissen.Welke moeite Oranje zich ook gaf dit ontwerp, dat ook herstel van grieven op staatkundig gebied beoogde, te doen aannemen, het stuitte af op den onwil der gewesten, zoodat feitelijk alleen te Antwerpen de religievrede werd afgekondigd. Het geneesmiddel bleek erger dan de kwaal; de scherpe tegenstelling der partijen kwam er nog helderder door aan den dag.Wel mag 1578 het bangste enmoeilijkstejaar in ’s Prinsen loopbaan genoemd worden, want behalve dien vergeefschen arbeid om door een godsdienstvrede de eendracht der gewesten te herstellen, was er nog zooveel meer, dat hem groote onrust bracht. Don Juan en Parma bleven ook na de nederlaag bij Rijmenam een dreigend gevaar voor de gewesten vormen; Casimirs woeste onbetaalde troepen hielden op ergerlijke wijze huis in de landen, waar ze verschenen, terwijl ook Anjou en zijn agenten doorgingen in troebel water te visschen.Te midden van al die bezwaren het schip van den Staat der 17 provincies in een veilige haven te sturen, was een werk boven menschelijke kracht verheven. Ook voor een man, die zoo hoog als Oranje stond, werd het moeilijk den weg te vinden te midden der tegenstrijdige wenschen en belangen van de bondgenootschappelijk vereenigde gewesten.Toch was Oranje’s gezag tot in het najaar nog steeds stijgende. Hij was trouwens de eenige, die het nog eenigermate kon handhaven. Daar hij zich zelf terecht beschouwde als de krachtigste belichaming van de idee der generaliteit, verzuimde hij ook de gelegenheden niet, die de Staten en de personen aan hem konden binden, ten einde des te meer aanhangers voor de zaak der Generale Unie te winnen.Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).Op het einde van den zomer van 1578 werd de derde dochter van Charlotte van Bourbon geboren. Het kind kreeg den naam van Catharina Belgica en tegelijk met Catharina van Schwarzburg zou het doorluchtige lichaam der Staten-Generaal als doopgetuige van de jonge spruit optreden. Bij deze gelegenheid verzocht de Prinsaan de Staten-Generaal het kind volgens protestantsch gebruik te doen doopen en deelde hij tevens mede, dat hij besloten had, nu er in Antwerpen vrijheid van godsdienst was, daarvan voor zichzelf gebruik te maken. Wel waren er enkele Staten tegen dat voorstel van den doop, maar officieele gedeputeerden werden er toch benoemd om bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn, terwijl aan Oranje het grondgebied van Lingen, ter eere van deze gelegenheid, werd aangeboden.De pasgeboren dochter deed alzoo bij haar intrede in het leven haar vader een grooten dienst, in zoover er publieke eerbewijzen te haren behoeve aan hem werden betoond. Van deze goede gezindheid jegens hem maakte Oranje gebruik, vergunning te vragen, in de buurt van zijne woning een gebouw te stichten voor protestantschen eeredienst, hetgeen hem ten volle werd toegestaan.Ook graaf Jan was overtuigd, dat de ster van zijn broeder nog steeds stijgende was, zooals uit een brief van hem aan Willem van Hessen blijkt. Broer Jan was echter door zijn benoeming tot stadhouder van Gelderland slechts kort getuige geweest van het optreden van Oranje in het zuiden en ging in zijn optimistische berichten meer op losse geruchten en op den schijn der dingen af. Want zelfs Oranje’s gezag zou ten slotte niet in staat blijken de geesten te bedwingen, den toestand te beheerschen en eenheid en orde te scheppen in den chaos der dingen.We zagen vroeger, dat het met Pinksteren te Gent tot een uitbarsting was gekomen en de Calvinistische democratie overwonnen had. De poging van Oranje door een godsdienstvrede de gemoederen in het Zuiden te bedaren, was mislukt. Ook in Artois, dat evenals Henegouwen aan Vlaanderen grensde, had de Calvinistische democratie aanvankelijk overwonnen, maar door den heer van Montigny, broeder van den Henegouwschen stadhouder Lalaing, was de katholieke reactie in Artois spoedig de tegenpartij meester en Montigny met zijn troepen bedreigde zelfs het Zuiden van Vlaanderen. Des te fanatieker werd toen de Calvinistische partij in Gent, die in Augustus het aantal gevangenen nog met Champagny had vermeerderd, daar deze, uit afgunst op Oranje, ook van Brussel uit een katholieke reactie had op touw gezet. In October ging men in Gent nog verder door twee der gevangenen, o.a. den beruchten Hessels, op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Van geldelijke bijdragen van de stad om in den algemeenen geldnood te voorzien, kwam niets en het gemeen bleef zich in Gent en andere plaatsen aan beeldstormerij, plundering van kerken en kloosters schuldig maken.Het ontbrak niet aan pogingen van de zijde der Staten-Generaal, om den vrede te herstellen. Vooral Oranje maakte zich daarbij zeer verdienstelijk. In brieven verweet hij hen telkens den twist en de tweedracht, die ze zaaiden, het gemis van hun plichtsbesef, om mede tot instandhouding van het geheel hun belastingen op te brengen, hun schandelijk geweld tegen geestelijken en edelen, tegen kerken en kloosters, hun onchristelijke daden en den grooten ondienst, dien ze hem met zulke handelwijzen deden, daar men Oranje in Brussel verweet, dat de Gentsche bedrijven met zijne goedkeuring plaats hadden.Geen harder en onbillijker aantijging is zeker den Prins ooit gedaan. Hetwas hem juist alleen te doen om vrede en eendracht onder de gewesten te verkrijgen, en hij had den religievrede voorgesteld, ten einde elken aanstoot van weerszijden te vermijden, alsof hij eenstemmig was met de Gentsche drijvers, die den katholieken een onuitdoofbaren haat toedroegen! Alsof het democratisch Calvinisme, dat alle burgerdeugden opofferde aan geloofsijver en geloofshaat, ooit de sympathie kon hebben van dezen verdraagzame bij uitnemendheid! En toch aan de andere zijde was het niet te verwonderen, dat men hem daarvan verdacht. Hij was toch zelf Calvinist, althans in naam; hij stond de vrijheid van godsdienst voor en ingeroepen door de burgerij, had hij haar democratisch streven, ook mede om zijn billijkheid, niet bestreden. Hoe konden bijgeloovige, bekrompen katholieken hem dan van iets anders dan van sympathie met die Calvinisten verdenken? De Prins stond daarvoor echter veel te hoog. En zijn verdere houding tegenover Gent was het duidelijk bewijs, hoe hij van dien geest van fanatisme een diepen afkeer had.Brieven en zendingen baatten Oranje echter niets. Trots zijn beste raadgevingen, ging men in Gent voort met geweld te plegen tegen de Roomsche geestelijkheid.De toestand werd nog erger toen Johan Casimir in Gent kwam en zich aan het hoofd der Calvinistische ijveraars stelde, want uit wraak, dat hij van de Staten zoo weinig steun ontving, verzette Casimir zich tegen alle pogingen, die Oranje in het werk stelde om Gent tot andere gedachten te brengen. Inmiddels hadden de Waalsche troepen onder Montigny Meenen bezet en deze stonden nu tegenover die van Casimir en Gent. Een burgeroorlog scheen onvermijdelijk. Vlaanderen aan de eene zijde, Henegouwen en Artois aan den anderen kant, begonnen zich feitelijk van de Staten-Generaal af te scheiden. De toestand was werkelijk wanhopig.Wat zou de regeering zonder voldoend gezag en machteloos door geldgebrek kunnen uitvoeren in den verbitterden strijd, die was uitgebroken tusschen de Calvinistische democratie in Gent, gesteund door Casimirs troepen en het andere deel der staatsche krijgsmacht, de Waalsche soldaten, die bovendien nog aan het muiten sloegen wegens wanbetaling?Inderdaad, waar geen redding mogelijk scheen, zou de Prins die althans ten deele aanbrengen. Hij wist door zijn beleid en persoonlijk optreden in Gent, de zaken zóó te besturen, dat in Vlaanderen aan den strijd een einde scheen te zullen komen. De Walen echter waren reeds te ver gegaan in hun reactie en veroorzaakten, dat de Unie der 17 gewesten uiteensprong.Den 17enNovember was trots het verzet van Hembyze en anderen het besluit genomen, den Prins het gouvernement Vlaanderen aan te bieden en hem te verzoeken, persoonlijk naar Gent te komen, ten einde de twisten bij te leggen.Oranje talmde niet van uit Antwerpen den weg naar Gent in te slaan, doch hij bleef voorloopig te Dendermonde. Hembyze en de zijnen vertrouwde hij zoo weinig, dat hij eerst alle maatregelen voor zijne veiligheid liet nemen, en de Gentenaars liet beloven, dat ze voor zijn leven zouden instaan, voor en aleer hij naar de stad trok. Ondertusschen kwamen Casimir, Rijhove e. a. hem reeds teDendermonde bezoeken. Zonder voorbehoud liet hij zich tegen Hembyze en zijn aanhang uit, die dus wisten, wat hun te wachten stond, als hij in Gent aankwam. Die heethoofd stelde daarom alles in het werk, om Oranje’s komst nog te beletten. Hij meende terecht, dat het dan met zijn rijk en macht gedaan zou zijn. Ter elfder ure stelde hij nog voor, Casimir volmacht te geven, om met Oranje een accoord te Dendermonde te sluiten. Maar op het bericht, dat de Prins eerstdaags komen zou, zoo men hem zijn veiligheid waarborgde, werd over dit voorstel niet eens meer gesproken.Den 2enDecember hield de Prins een plechtigen intocht in Gent, begeleid door wel duizend menschen, uit zijn lijfwacht en eerewacht bestaande. Gentsche ruiters, met Johan Casimir aan het hoofd, kwamen hem te gemoet. Ook Hembyze nam den schijn aan, van mede den Prins die hulde te bewijzen. Doch Oranje doorzag dien man geheel en was niet voornemens hem te sparen. Hij wist, dat Hembyze, dien hij eertijds zoo hoog geroemd had, een fanatiek drijver, een tyran voor het volk was geworden.Wilde er dus iets van Gent terecht komen, dan moest allereerst die leider vernederd en beschaamd worden. Dat oogenblik liet niet lang op zich wachten. Want nauwelijks had de magistraat den Prins in het verblijf van Casimir verwelkomd en was de afspraak gemaakt, dat men den volgenden ochtend de beraadslaging zou aanvangen, of Oranje vroeg, wie hunner hem rekenschap kon geven van de vele troepen, die op weg naar Gent waren. Het schijnt dat Hembyze die troepen had ontboden, om zich en de zijnen te doen beschermen. Die troepen moesten aanstonds terug en toen Hembyze zich niet wist te verantwoorden, zei de Prins hem duchtig de waarheid en de Gentsche volksmenner stond geheel bedremmeld en wist niet hoe zich te redden.Het is bekend, hoe die Calvinistische drijvers, met Hembyze en Dathenus aan het hoofd, zich niet hadden ontzien, om den Prins openlijk een godloochenaar te schelden. Omdat hij elken vorm van godsdienstig leven kon waardeeren en van elken vorm de religie van het hart onafhankelijk maakte, daarom kon de Prins vrijheid van godsdienst voor beide gelooven eischen en daarom kon hij zelf, uit louter inschikkelijkheid, zich een jaar of langer van allen eeredienst onthouden, om allen te sparen. Doch die breede opvatting kon geen der partijen dulden.Hoevele eeuwen zouden nog moeten voorbijgaan, eer de Nathan der Weise, eer de fabel der 3 ringen werd verstaan en toegepast! Hoe weinig worden die nog begrepen in onze dagen, nu hoe langer hoe meer licht over het eigenlijk wezen van den godsdienst is opgegaan! Hoe machtig zijn nog de terughoudende krachten van vooroordeel, verblinding en huichelarij!Maar dan kan het ons niet bevreemden, dat de Prins in zijn godsdienst door zijne tijdgenooten niet verstaan werd, dat Oranje’s verheven zijn boven alle vormen door hen als verregaande onverschilligheid, ja zelfs als goddeloosheid werd aangemerkt. De Prins wilde echter dat merkteeken niet dragen, hij eischte in het recht gesteld te worden tegen hen, die hem voor atheïst hadden uitgekreten. Harde woorden vielen er uit zijn mond over Hembyze en zijn aanhangers en al gaven deze niet aanstonds hun verzet tegen Oranje op, de zedelijke nederlagen,die ze telkens in de eerste dagen leden, maakten het waarschijnlijk, dat de Prins er in slagen zou, de gewenschte orde te herstellen.De Prins had reeds vroeger een acte van aanneming opgesteld, waarin aan de geestelijken hun eigendom werd verzekerd, de R. Katholieke godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend en de eisch werd gesteld, dat de gevangenen zouden worden losgelaten. Behalve deze bepalingen, die als grondslag moesten dienen om de onderhandelingen te beginnen, stelde hij nu in een vergadering van de magistraat nog andere bepalingen voor, die behalve een algemeene amnestie en een betere regeling der geldmiddelen, ook inhielden:Behandeling der stadszaken volgens de oude privileges.Wie zich herinnert, hoe Gent op die oude privileges stond, kan niet anders dan de hooge wijsheid van Oranje roemen, om daardoor de Gentenaars te winnen. Dat hunne stedelijke zaken naar hun oude voorrechten zouden behandeld worden, was voor de inwoners, die 40 jaar geleden al die voorrechten onder de straffende hand van Karel V hadden verloren, een groote vreugde. Dat vooruitzicht gaf aan de betere stemming, waarin de stad door Oranje’s komst gekomen was, nog verhoogden klank. Wel trachtte Hembyze nog een spaak in het wiel te steken, maar zijn poging mislukte en zoo was er grond voor de verwachting, dat niet alleen Gent weer voor de goede zaak der eendracht zou worden gewonnen, maar ook, dat er een schikking zou gevonden worden tusschen Gent en de Malcontenten uit Artois en Henegouwen.Op den 5enDecember begonnen de beraadslagingen over de voorstellen van den Prins, eerst met eene daartoe benoemde commissie, daarna met de drie leden van de Poorterij, de Weverij en de Neringen. De dekens der laatstgenoemde, onder wie Hembyze vele aanhangers telde, waren nog niet zoo gemakkelijk te overreden, doch eindelijk gaven ook zij toe.De R. Katholieke geestelijken ontvingen niet alleen hun eigendommen terug, maar ze behielden ook volle vrijheid van godsdienst, zoowel in Gent als in geheel Vlaanderen. Gent beloofde trouw aan de Unie, terwijl de Staten-Generaal zouden zorgen, dat de Walen uit Vlaanderen vertrokken enz.Door het groot beleid van den Prins was het gelukt, Gent tot rede te brengen en had de stad al de eischen toegestaan, die de Staten-Generaal haar deden. Oranje kondigde buitendien een algemeene amnestie af en gaf zelf het meest krasse bewijs zijner verdraagzaamheid en vergevensgezindheid, toen hij alle pogingen bestreed om Hembyze uit de magistraat te verwijderen en toen hij zelfs aannam, nog de gast van Hembyze te willen zijn.In de woning van zijn grootsten tegenstander in Gent bracht hij toen met Casimir eenige dagen door.Wel duurde het nog tot den 27en, eer de Gentsche godsdienstvrede was afgekondigd, maar reeds op den 11enDecember was de stad tot rust gekomen.Buitengewoon veel menschen- en wereldkennis was er noodig geweest dat resultaat te bereiken. Nog altijd was Gent de moeilijkste plaats om te besturen; ook nu had men wederom ervaren, dat het volk nog dezelfde hartstochtelijke karaktertrekken bezat als in de Middeleeuwen, toen de wijze Jacob van Arteveldeals het slachtoffer van den haat en den hartstocht, door zijn stadgenooten zoo gruwelijk was vermoord.Dat Oranje’s optreden zulk een uitwerking op die bevolking veroorzaakt had, is een nieuw bewijs van zijn zedelijke grootheid en van zijn staatkundig genie. Door de grootste gestrengheid aan de eene zijde, maar ook door de uiterste lankmoedigheid aan den anderen kant, is hem het bedwingen van Gent gelukt.Des te bedroevender was het, dat, waar die zware taak gelukkig was vervuld, de vruchten toch niet konden geplukt worden. Door het bedwingen van Gent was er groote kans op een schikking ook met de andere ontevredenen, maar de Waalsche gewesten waren, terwijl Oranje’s aandacht geheel aan Gent was gewijd, in een andere richting gedreven, die voor de instandhouding van de Generale Unie niet minder gevaarlijk was.
Sedert tien jaar was er zooveel gebeurd in het leven van den Prins, dat we ons bijna niet kunnen voorstellen, dat er zulk een betrekkelijk kort tijdsverloop ligt tusschen zijn eersten hopeloozen veldtocht van het jaar 1568, gedurende zijn ballingschap in Dillenburg en zijn triomfen in den aanvang van 1578. Wie hem, na dien roemloozen veldtocht tegen Alva, toen hij nauwelijks op Fransch grondgebied een toevlucht kon vinden, had voorspeld, dat hij na tien jaar eigenlijk de eerste in datzelfde land zou zijn, ware zeker door den Prins glimlachend en ongeloovig aangezien.
Maar, nu eenmaal op dat hooge standpunt geplaatst, moet het hem wel eens benauwd hebben, als hij er aan dacht op welke wijze zijn taak te vervullen. Op een rozenbed heeft hij zeker geen enkelen nacht geslapen. Hij wist wel, dat nijd en heerschzucht, fanatisme en intrige rond hem spookten en hem die hooge stelling moeilijk zouden maken. En dan was het voor hem ook een vraag of hij met zijn hooge denkbeelden van verdraagzaamheid en eendracht wel in staat zou zijn, de demonen te bezweren, die afgunst en haat, bijgeloof en tweedracht rondstrooiden.
De eerste, die hem op zijn weg van practische pacificatie der gewesten belemmerde, was Don Juan. Geen wonder; hij was in Luxemburg gebleven, waar zijn woede en wraakzucht steeds toenamen, naarmate de berichten uit Brussel hem duidelijker maakten, hoe zijn kortstondig gezag werd geïgnoreerd.
Zijn koninklijke broeder, die hem eigenlijk niet geheel vertrouwde, had eindelijk zijn beden verhoord. Uit Italië waren 3000 Spanjaarden teruggekeerd en Alexander Farnese, Prins van Parma, zoon van Margareta, was op weg om Don Juan te ondersteunen en te vervangen. Door versterking van het leger met 4000 Fransche katholieken, kon de sterkte van zijn krijgsmacht op het einde van Januari op 16000 man worden geschat.
Wat konden de Staten daar tegenover plaatsen, toen Don Juan op den 25enJanuari een manifest in drie talen afkondigde, waarin hij den wapenstilstand voor geëindigd verklaarde en zijn bedoeling uitsprak, om door wapengeweld het gezag van koning en kerk te herstellen?
Het statenleger was door de overkomst van 4000 Schotten uit Engeland en eenige honderden Duitsche ruiters en Hugenoten niet veel geringer in aantal, maar het leger van Don Juan was oneindig beter georganiseerd. De Nederlandsche edelen hadden twist over het militair gezag; elk leider beschouwde zich als den gelijke zijner collega’s, zoodat van eendrachtig handelen geen sprake was.
Toen nu Farnese bij Don Juan aankwam, waren juist de voornaamste edelen, als Lalaing, Melun e. a. afwezig om de bruiloft van den heer de Bersele te vieren, zoodat het commando aan jongeren als Filips van Egmond, Heze en Havré was overgelaten. De tegenpartij maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik en besloot onmiddellijk den aanval op het kamp van het statenleger te wagen. Op den laatsten Januari trokken de patriotten terug, den kant op naar Brussel en waren zij te Gembloux. Don Juan, door den Prins van Parma vergezeld, vervolgde het terugtrekkend leger; zijn banier met het kruisbeeld erop droeg de gedenkwaardige woorden: “In hoc signo vici Turcos, in hoc haereticos vincam” (Met dit teeken heb ik de Turken overwonnen; hiermede zal ik ook de ketters overwinnen.) Een trouwe zoon dus van den Paus, die eveneens Turken en ketters op één lijn had gesteld.
Er begon eene schermutseling, die eerst gunstig scheen voor het statenleger doch eene stoute beweging van Parma keerde de fortuin. Hij deed door een gevaarlijk moeras heen een onverwachten aanval op zijn vijanden. Een schitterend legeraanvoerder zou hen nog gered hebben, maar die was er niet, zoodat de patriotten zich zonder slag of stoot overgaven of in de pan werden gehakt. Fabelachtige getallen worden er genoemd van gesneuvelden; volgens eene berekening zelfs zou elk Spanjaard het leven van tien Nederlanders hebben uitgebluscht. Wat daarvan ook moge zijn, geheel het statenleger was vernietigd; een groot getal verdronk in de Maas, terwijl een onbeduidend aantal Spanjaarden om het leven kwam.
Welk een ramp! De gewesten waren pas verbonden en zou die vereeniging eenige vastheid hebben, dan was er voorspoed noodig geweest. Dat juist nu zulk een slag moest vallen was al bijzonder noodlottig. Door een gelukkige overwinning zou de pas gevestigde regeering steun hebben gekregen en was het haar misschien mogelijk geweest zoowel de hartstochten der burgerij te kalmeeren als de aanzienlijke edelen voor zich te winnen. Wat Oranje aangaat, de adel voelde met dubbele kracht zijn wrok tegen hem opkomen en weet hem gaarne de schuld van alle onheil.
In Brussel heerschte na de nederlaag bij Gembloux groote ontsteltenis, want men vreesde, dat Don Juan ook spoedig die stad zou bedreigen. Dubbel gelukkig dus, dat Oranje door kalme vastberadenheid de diepe verslagenheid wist te overmeesteren en geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloor. Het leger werd door hem versterkt en aan Bossu liet bij de verdediging van de hoofdstad over, terwijl de Prins met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen vertrok.
Wel viel Brabant grootendeels in handen van Don Juan, maar tot Brussel naderde hij niet. Gebrek aan geld verhinderde hem bovendien van zijn overwinning groote vruchten te plukken.
Straks zullen we zien, hoe de binnenlandsche tweedracht voor het gezag van Oranje nog veel schadelijker was dan de nederlaag van Gembloux.
Een merkwaardige gebeurtenis in den aanvang van 1578 was de overgang van de stad Amsterdam naar ’s Prinsen zijde.
Tot dien tijd was die gewichtige plaats onder ’s konings gezag gebleven. Oranje had niet nagelaten, den handel daarvan gevoelig te treffen en zoowel die nadeelige gevolgen voor de welvaart van Amsterdam als de invloed van afgezanten uit Utrecht bewerkten den ommekeer. De burgers namen een verdrag aan op dezelfde voorwaarden als de Utrechtsche Satisfactie. Aan de verschillende hervormde sekten werd vrijheid van eeredienst, ieder overeenkomstig haar gebruiken, gegeven alsook om hun dooden binnen de wallen te begraven. Ieder was niet evenzeer met die Satisfactie voldaan; van daar dat er in den loop van den winter allerlei beroeringen in de gemeente plaats hadden, die eindelijk in de maand Mei in een oproer uitbarstten, waarbij de partijgenooten van den Prins de zege behaalden en tegenover de katholieke fractie, die vrij sterk was gebleven, eene stedelijke regeering samenstelden, die de nieuwe maatregelen kon doorvoeren.
Toen de Prins midden in den winter met Matthias en den Raad van State naar Antwerpen ging, schijnt zijn familie zich daar met hem te hebben vereenigd. Uit die stad althans schreef Oranje’s oudste dochter Marie een briefje aan Graaf Jan, die in naam der regeering naar Gelderland op reis was gegaan. Deze was jarenlang de huisgenoote van haar oom in Nassau geweest; vandaar dat zij tegenover hem een kinderlijke genegenheid gevoelde en hem zelfs met den titel van vader aanspreekt.
Na haar verontschuldiging te hebben aangeboden, dat zij hem niet eerder dank heeft gezegd voor al zijne zorgen voor haar, vervolgt zij aldus:
“Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats gehad—hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden, eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden, dat gij ze gezien hebt.“Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven, hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder eens gebeuren, enz.Antwerpen 10 Februari 1578.
“Uwe Exc. zal waarschijnlijk gehoord hebben van de veranderingen, die hier sinds uw vertrek hebben plaats gehad—hoe ons volk een nederlaag heeft geleden en hoe de vijand Gembloux en Leuven heeft veroverd. Ik hoop, dat God alles nog terecht zal brengen. De aartshertog, de hertogen van Aerschot, Havré en andere Brusselsche edelen zijn hier met hunne vrouwen ... Ik hoorde, dat uwe Exc. goed en wel te Nijmegen zijt aangekomen en verblijd mij bijzonder, dat men in Gelderland zoo verheugd is, u bij zich te hebben; doch het zal voor u geen geringe last zijn, zoo lang van huis weg te blijven, ook om de onkosten. Ik hoop, dat zij al uw moeite zullen beloonen en u een gelegenheid zullen aanbieden, eens naar Nassau te gaan. Ik weet toch, hoe uw moeder en uw vrouw naar u zullen verlangen; het is al zoo lang geleden, dat gij ze gezien hebt.
“Nog moet ik u, waarde vader! vertellen, dat wij hier in het kasteel zijn gelogeerd, maar gij kunt niet gelooven, hoe vreeselijk koud het is. Ik ben bang hier langer te moeten blijven en vrees, dat ik nog bevriezen zal. Wat zou het een genot voor mij zijn, wakker te worden en mij zelf te bevinden in mijn lief klein kamertje in Dillenburg. Mocht dat weder eens gebeuren, enz.
Antwerpen 10 Februari 1578.
Op die wijze houdt de oudste dochter van den Prins diens broeder Jan op de hoogte van den toestand. Op den 8enMaart schreef ze weder aan haar vaderlijken oom:
“Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd, waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent, zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht, dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was, om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer, want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven, hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met zijn reisplan.Antwerpen 8 Maart.
“Hoe de zaken hier gaan, heeft uwe Exc. zonder twijfel reeds gehoord. De vijand heeft Aerschot, Sichem en Dietz veroverd, waar hij, naar ik verneem, schandelijke tirannie uitoefent, zoodat het arme volk diep te beklagen is. Er gaat een gerucht, dat de vijand denkt voort te gaan naar Maastricht en zelfs naar Mechelen. Alles is in Gods hand. Verder, dierbare vader, moet ik u vertellen, dat de markies van Havré vandaag of morgen naar Engeland gaat en mijn neef, Graaf Willem Lodewijk met zich mede neemt. Daar mijn vader zag, dat uw zoon zoozeer begeerig was Engeland te bezoeken en iets van de wereld te zien, dacht hij, dat het een goede gelegenheid voor hem was, om in passend gezelschap mee te gaan. Hij gaf zijn toestemming en vertrouwde hem aan Joachim van Lier; dat verheugde mij zeer, want gij weet, dat deze een godvreezend edele is. Als mijn neef Willem hem tot model neemt, gelijk ik niet twijfel, kan hij geen kwaad leeren. Uwe Exc. zou moeilijk kunnen gelooven, hoe knap mijn neef er nu uitziet ... Ik hielp hem met geld zooveel ik kon en hoop dat gij niet ontevreden zult zijn met zijn reisplan.
Antwerpen 8 Maart.
Doch genoeg van deze jongemeisjesbrieven, die wederom bewijzen, welk eene aardige verhouding er tusschen de kinderen van den Prins en zijn broeder Jan bestond.
Hoe schadelijk ook de nederlaag voor het gezag van Oranje mocht wezen zijn toestand werd, zooals we straks zeiden, nog veel moeilijker gemaakt door de tweedracht tusschen de gewesten, welke vooral uit het verschil in godsdienst voortsproot.
Het ideaal van den Prins, godsdienst en gewetensvrijheid voor allen, bleek spoedig in de toenmalige omstandigheden onbereikbaar. De maatschappij was er nog niet rijp voor en Oranje moest ondervinden, dat al zijn schoone plannen vanverdraagzaamheid en wederzijdsche eerbiediging niet zoo dadelijk verwezenlijkt konden worden. Evenmin als de katholieke was de Calvinistische partij in de Zuidelijke Nederlanden vatbaar, om de staatkunde van den grooten Zwijger te verstaan. Ja, ze vonden beiden, een ieder op haar standpunt, die staatkunde geheel in strijd met Gods gebod. De Calvinist beschouwde het Pausdom als den gevloekten poel van ongerechtigheid en al zijn instellingen als het werk van Satan; hoe zouden ze dan vrijheid van godsdienst kunnen geven aan de priesters om die ongerechtigheid te handhaven en te verspreiden? En de Katholieken—volgens hen was het geheele werk van Luther en Calvijn uit den booze en mocht hun leer niet binnen hunne landpalen geduld worden.
Die tegenstelling tusschen de beide godsdiensten moeten we steeds in het oog houden, willen we de verwarring van het jaar 1578 begrijpen, want aan de meeste dingen lag die tegenstelling ten grondslag.
In het Zuiden van het land waren het vooral Vlaanderen met Gent aan het hoofd en Artois en Henegouwen, waar de moeilijkheden het grootst waren. In de beide laatste gewesten speelden behalve de godsdienst ook de intriges van Anjou met zijn vrienden en die van Don Juan hun fatale rol.
Veroorzaakte de nederlaag te Gembloux reeds, dat men hier en daar de kreet “verraad” vernam en men allerlei bedreigingen tegen de geestelijkheid uitte, daarbij kwam nog het verzet tegen de belastingen, die door de Staten waren uitgeschreven. Don Juan en Anjou hielden bovendien de gewesten door middel van hun agenten in voortdurende onrust en de laatste had in Henegouwen een sterken aanhang, die vooral door Lalaing gesteund werd. Daar Oranje in die dagen hulp van Engeland verwachtte, maar nog niet zeker van die steun was, begreep hij, dat hij Anjou niet van zich moest verwijderen en sloot de Prins zelfs een verdrag met hem, waarbij Anjou den schoonen titel ontving van “Défenseur de la liberté des Pays-Bas contra la tyrannie des Espagnols et de leurs adhérents.” Hem werd daarbij alleen in de toekomst eenig uitzicht op souvereiniteit gegeven, zoodat het verdrag, dat van Oranje’s zijde niets dan politiek was, voor Anjou geen groote beteekenis had.
Het eenige doel van Oranje was te zorgen, dat Henegouwen zich niet van de overige staten zou losmaken.
In Vlaanderen wilde men van Fransche hulp niets weten, doch aller oogen waren daar gericht op Johan Casimir van de Paltz, die met Engelsch geld een leger in Duitschland had geworven. Kerken en kloosters plunderend en verwoestend, kwam dit leger in Juli in ons land; met het statenleger vereenigd, bedroeg het ongeveer 40.000 man, waartegen Don Juan nauwelijks de helft kon stellen. Hij leed dan ook in Augustus bij Rijmenam een nederlaag en sloeg daarna een kamp bij Namen op, waar hij zelf, door eindelooze inspanning afgemat, op den 1enOctober al zijn eerzucht met het verlies van zijn jonge leven moest boeten.
Door den dood van Don Juan kwam een ander op het krijgs- en staatstooneel, n. l. Prins Alexander van Parma, in wien Oranje een waardigen tegenstander zou vinden.
Parma, in 1546 geboren en dus ongeveer van denzelfden leeftijd als zijnoom en voorganger Don Juan, bezat veel meer karakter, verstand en bekwaamheid als legerhoofd dan een van Filips’ vorige landvoogden. Op twintigjarigen leeftijd was hij gehuwd met Donna Maria van Portugal en de bruiloft had in 1566 in Brussel plaats gehad op het oogenblik, dat de ontevredenheid tegen de Spaansche maatregelen begon. Oorlogvoeren was zijn kracht, gelijk hij reeds in zijn jeugd afkeer van de studie had en alleen veel hield van jagen, paardrijden en het hanteeren van wapens.
Aan alle Europeesche vorsten gaf Parma bericht van zijn aanvaarden der landvoogdij en hij riep hen op, hem te helpen in het eindelijk bedwingen van den opstand, die in de koninklijke domeinen van zijn oom zulke verhoudingen had aangenomen.
Tot deze domeinen behoorden volgens hem ook de noordelijke gewesten, waar Oranje reeds geruimen tijd de eigenlijke souvereiniteit bezat. Met dezen zullen we Parma dan ook van nu af den strijd verder zien voeren.
Een zeer moeilijke rol had de Prins in 1578 te vervullen in Gent, waar zooals we zagen, de democratie had getriomfeerd en de gevangenschap van de metgezellen van Aerschot had voortgeduurd, toen Oranje zijn intrede als stadhouder van Vlaanderen doen zou.
Het volk aldaar verkeerde in hoogst opgewonden stemming; geleid door mannen als Rijhove en Hembyze en aangezet door heftige predikers, als Modet enDathenus, verdacht de Vlaamsche bevolking, vooral na den nederlaag van Gembloux, de katholieken van verraad.
Op Pinksteren van dat jaar kwam het in Gent tot eene uitbarsting, die aan de dagen van de beeldstormerij herinnerde. Kerken en kloosters werden geplunderd, geestelijken mishandeld en de van beelden gezuiverde kerken voor Calvinistische prediking gereed gemaakt. De Prins stond tegenover een macht, wier beteekenis hij niet genoeg kende, de vrucht van de godsdienstige dweepzucht, van het fanatisme. De Pacificatie van Gent had alleen aan Holland en Zeeland het Calvinisme vergund, maar den bestaanden toestand omtrent den godsdienst in andere gewesten gehandhaafd. Vrijheid, openbaarheid van prediking was in Vlaanderen niet geoorloofd en de Prins liet niet na, den Gentenaars het ongeoorloofde van hun gedrag onder het oog te brengen. Of Oranje hen wees op het gevaarlijke van die openbare prediking, waardoor hij zelf en het vaderland in de grootste moeilijkheden zouden gewikkeld worden, het hielp niets. De predikanten waren blind voor de gevaren, stoorden zich aan geen staatkundige overwegingen en hielden zich niet gebonden aan de bepalingen der Pacificatie.
Daar door dit alles het misnoegen der Katholieken met den dag toenam en hetzelfde verschijnsel zich ook in Amsterdam en Haarlem voordeed, kwam Oranje met een voorstel in den Raad van State, daar hij noch door zachtheid, noch door geweld den toestand kon veranderen.
De Prins kwam n.l. den 9enJuni 1578 met het voorstel van dengodsdienstvredevoor den dag, waarbij het in elke gemeente, waar honderd gezinnen een der beide godsdiensten verlangden, geoorloofd zou zijn, dien openbaar uit te oefenen.
Zeker, ook dit was in strijd met de Pacificatie en ondervond in de Staten-Generaal vooral van katholieke zijde groot verzet, maar de Prins beriep zich in zijn antwoord op dat verzet op de veranderde tijdsomstandigheden. Het wantrouwen en de onrust—zoo beweerde hij—waren bij zijne geloofsgenooten zeer groot geworden. De Katholieken hadden als stelregel aangenomen, de uitspraak van het Concilie van Constanz, dat men aan den ketter zijn woord niet behoefde te houden. Zoo had de koning van Frankrijk de hervormden bedrogen en vermoord. Na uitdrijving der Spanjaarden voorzag de Prins burgeroorlog, indien men niet als enkele andere landen tot een godsdienstvrede besloot, die zoowel den Calvinisten als den Katholieken kon ten goede komen.
Hij achtte voor alles noodig, maatregelen te nemen, die zouden voorkomen, dat er op de Unie inbreuk werd gemaakt en nu, wat hij, noch iemand anders kon voorzien hebben, de Calvinisten zoo het hoofd opstaken, moest er een schikking worden gemaakt.
De Staten-Generaal waren echter niet te bewegen het voorstel voorloopig aan te nemen; ze besloten den 12enJuli het ontwerp van den godsdienstvrede naar de gewesten te zenden, opdat die zelve daarin zouden beslissen.
Welke moeite Oranje zich ook gaf dit ontwerp, dat ook herstel van grieven op staatkundig gebied beoogde, te doen aannemen, het stuitte af op den onwil der gewesten, zoodat feitelijk alleen te Antwerpen de religievrede werd afgekondigd. Het geneesmiddel bleek erger dan de kwaal; de scherpe tegenstelling der partijen kwam er nog helderder door aan den dag.
Wel mag 1578 het bangste enmoeilijkstejaar in ’s Prinsen loopbaan genoemd worden, want behalve dien vergeefschen arbeid om door een godsdienstvrede de eendracht der gewesten te herstellen, was er nog zooveel meer, dat hem groote onrust bracht. Don Juan en Parma bleven ook na de nederlaag bij Rijmenam een dreigend gevaar voor de gewesten vormen; Casimirs woeste onbetaalde troepen hielden op ergerlijke wijze huis in de landen, waar ze verschenen, terwijl ook Anjou en zijn agenten doorgingen in troebel water te visschen.
Te midden van al die bezwaren het schip van den Staat der 17 provincies in een veilige haven te sturen, was een werk boven menschelijke kracht verheven. Ook voor een man, die zoo hoog als Oranje stond, werd het moeilijk den weg te vinden te midden der tegenstrijdige wenschen en belangen van de bondgenootschappelijk vereenigde gewesten.
Toch was Oranje’s gezag tot in het najaar nog steeds stijgende. Hij was trouwens de eenige, die het nog eenigermate kon handhaven. Daar hij zich zelf terecht beschouwde als de krachtigste belichaming van de idee der generaliteit, verzuimde hij ook de gelegenheden niet, die de Staten en de personen aan hem konden binden, ten einde des te meer aanhangers voor de zaak der Generale Unie te winnen.
Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).
Beëediging van den Prins en Matthias. Januari 1578. (Bladz. 342).
Op het einde van den zomer van 1578 werd de derde dochter van Charlotte van Bourbon geboren. Het kind kreeg den naam van Catharina Belgica en tegelijk met Catharina van Schwarzburg zou het doorluchtige lichaam der Staten-Generaal als doopgetuige van de jonge spruit optreden. Bij deze gelegenheid verzocht de Prinsaan de Staten-Generaal het kind volgens protestantsch gebruik te doen doopen en deelde hij tevens mede, dat hij besloten had, nu er in Antwerpen vrijheid van godsdienst was, daarvan voor zichzelf gebruik te maken. Wel waren er enkele Staten tegen dat voorstel van den doop, maar officieele gedeputeerden werden er toch benoemd om bij de doopplechtigheid tegenwoordig te zijn, terwijl aan Oranje het grondgebied van Lingen, ter eere van deze gelegenheid, werd aangeboden.
De pasgeboren dochter deed alzoo bij haar intrede in het leven haar vader een grooten dienst, in zoover er publieke eerbewijzen te haren behoeve aan hem werden betoond. Van deze goede gezindheid jegens hem maakte Oranje gebruik, vergunning te vragen, in de buurt van zijne woning een gebouw te stichten voor protestantschen eeredienst, hetgeen hem ten volle werd toegestaan.
Ook graaf Jan was overtuigd, dat de ster van zijn broeder nog steeds stijgende was, zooals uit een brief van hem aan Willem van Hessen blijkt. Broer Jan was echter door zijn benoeming tot stadhouder van Gelderland slechts kort getuige geweest van het optreden van Oranje in het zuiden en ging in zijn optimistische berichten meer op losse geruchten en op den schijn der dingen af. Want zelfs Oranje’s gezag zou ten slotte niet in staat blijken de geesten te bedwingen, den toestand te beheerschen en eenheid en orde te scheppen in den chaos der dingen.
We zagen vroeger, dat het met Pinksteren te Gent tot een uitbarsting was gekomen en de Calvinistische democratie overwonnen had. De poging van Oranje door een godsdienstvrede de gemoederen in het Zuiden te bedaren, was mislukt. Ook in Artois, dat evenals Henegouwen aan Vlaanderen grensde, had de Calvinistische democratie aanvankelijk overwonnen, maar door den heer van Montigny, broeder van den Henegouwschen stadhouder Lalaing, was de katholieke reactie in Artois spoedig de tegenpartij meester en Montigny met zijn troepen bedreigde zelfs het Zuiden van Vlaanderen. Des te fanatieker werd toen de Calvinistische partij in Gent, die in Augustus het aantal gevangenen nog met Champagny had vermeerderd, daar deze, uit afgunst op Oranje, ook van Brussel uit een katholieke reactie had op touw gezet. In October ging men in Gent nog verder door twee der gevangenen, o.a. den beruchten Hessels, op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Van geldelijke bijdragen van de stad om in den algemeenen geldnood te voorzien, kwam niets en het gemeen bleef zich in Gent en andere plaatsen aan beeldstormerij, plundering van kerken en kloosters schuldig maken.
Het ontbrak niet aan pogingen van de zijde der Staten-Generaal, om den vrede te herstellen. Vooral Oranje maakte zich daarbij zeer verdienstelijk. In brieven verweet hij hen telkens den twist en de tweedracht, die ze zaaiden, het gemis van hun plichtsbesef, om mede tot instandhouding van het geheel hun belastingen op te brengen, hun schandelijk geweld tegen geestelijken en edelen, tegen kerken en kloosters, hun onchristelijke daden en den grooten ondienst, dien ze hem met zulke handelwijzen deden, daar men Oranje in Brussel verweet, dat de Gentsche bedrijven met zijne goedkeuring plaats hadden.
Geen harder en onbillijker aantijging is zeker den Prins ooit gedaan. Hetwas hem juist alleen te doen om vrede en eendracht onder de gewesten te verkrijgen, en hij had den religievrede voorgesteld, ten einde elken aanstoot van weerszijden te vermijden, alsof hij eenstemmig was met de Gentsche drijvers, die den katholieken een onuitdoofbaren haat toedroegen! Alsof het democratisch Calvinisme, dat alle burgerdeugden opofferde aan geloofsijver en geloofshaat, ooit de sympathie kon hebben van dezen verdraagzame bij uitnemendheid! En toch aan de andere zijde was het niet te verwonderen, dat men hem daarvan verdacht. Hij was toch zelf Calvinist, althans in naam; hij stond de vrijheid van godsdienst voor en ingeroepen door de burgerij, had hij haar democratisch streven, ook mede om zijn billijkheid, niet bestreden. Hoe konden bijgeloovige, bekrompen katholieken hem dan van iets anders dan van sympathie met die Calvinisten verdenken? De Prins stond daarvoor echter veel te hoog. En zijn verdere houding tegenover Gent was het duidelijk bewijs, hoe hij van dien geest van fanatisme een diepen afkeer had.
Brieven en zendingen baatten Oranje echter niets. Trots zijn beste raadgevingen, ging men in Gent voort met geweld te plegen tegen de Roomsche geestelijkheid.
De toestand werd nog erger toen Johan Casimir in Gent kwam en zich aan het hoofd der Calvinistische ijveraars stelde, want uit wraak, dat hij van de Staten zoo weinig steun ontving, verzette Casimir zich tegen alle pogingen, die Oranje in het werk stelde om Gent tot andere gedachten te brengen. Inmiddels hadden de Waalsche troepen onder Montigny Meenen bezet en deze stonden nu tegenover die van Casimir en Gent. Een burgeroorlog scheen onvermijdelijk. Vlaanderen aan de eene zijde, Henegouwen en Artois aan den anderen kant, begonnen zich feitelijk van de Staten-Generaal af te scheiden. De toestand was werkelijk wanhopig.
Wat zou de regeering zonder voldoend gezag en machteloos door geldgebrek kunnen uitvoeren in den verbitterden strijd, die was uitgebroken tusschen de Calvinistische democratie in Gent, gesteund door Casimirs troepen en het andere deel der staatsche krijgsmacht, de Waalsche soldaten, die bovendien nog aan het muiten sloegen wegens wanbetaling?
Inderdaad, waar geen redding mogelijk scheen, zou de Prins die althans ten deele aanbrengen. Hij wist door zijn beleid en persoonlijk optreden in Gent, de zaken zóó te besturen, dat in Vlaanderen aan den strijd een einde scheen te zullen komen. De Walen echter waren reeds te ver gegaan in hun reactie en veroorzaakten, dat de Unie der 17 gewesten uiteensprong.
Den 17enNovember was trots het verzet van Hembyze en anderen het besluit genomen, den Prins het gouvernement Vlaanderen aan te bieden en hem te verzoeken, persoonlijk naar Gent te komen, ten einde de twisten bij te leggen.
Oranje talmde niet van uit Antwerpen den weg naar Gent in te slaan, doch hij bleef voorloopig te Dendermonde. Hembyze en de zijnen vertrouwde hij zoo weinig, dat hij eerst alle maatregelen voor zijne veiligheid liet nemen, en de Gentenaars liet beloven, dat ze voor zijn leven zouden instaan, voor en aleer hij naar de stad trok. Ondertusschen kwamen Casimir, Rijhove e. a. hem reeds teDendermonde bezoeken. Zonder voorbehoud liet hij zich tegen Hembyze en zijn aanhang uit, die dus wisten, wat hun te wachten stond, als hij in Gent aankwam. Die heethoofd stelde daarom alles in het werk, om Oranje’s komst nog te beletten. Hij meende terecht, dat het dan met zijn rijk en macht gedaan zou zijn. Ter elfder ure stelde hij nog voor, Casimir volmacht te geven, om met Oranje een accoord te Dendermonde te sluiten. Maar op het bericht, dat de Prins eerstdaags komen zou, zoo men hem zijn veiligheid waarborgde, werd over dit voorstel niet eens meer gesproken.
Den 2enDecember hield de Prins een plechtigen intocht in Gent, begeleid door wel duizend menschen, uit zijn lijfwacht en eerewacht bestaande. Gentsche ruiters, met Johan Casimir aan het hoofd, kwamen hem te gemoet. Ook Hembyze nam den schijn aan, van mede den Prins die hulde te bewijzen. Doch Oranje doorzag dien man geheel en was niet voornemens hem te sparen. Hij wist, dat Hembyze, dien hij eertijds zoo hoog geroemd had, een fanatiek drijver, een tyran voor het volk was geworden.
Wilde er dus iets van Gent terecht komen, dan moest allereerst die leider vernederd en beschaamd worden. Dat oogenblik liet niet lang op zich wachten. Want nauwelijks had de magistraat den Prins in het verblijf van Casimir verwelkomd en was de afspraak gemaakt, dat men den volgenden ochtend de beraadslaging zou aanvangen, of Oranje vroeg, wie hunner hem rekenschap kon geven van de vele troepen, die op weg naar Gent waren. Het schijnt dat Hembyze die troepen had ontboden, om zich en de zijnen te doen beschermen. Die troepen moesten aanstonds terug en toen Hembyze zich niet wist te verantwoorden, zei de Prins hem duchtig de waarheid en de Gentsche volksmenner stond geheel bedremmeld en wist niet hoe zich te redden.
Het is bekend, hoe die Calvinistische drijvers, met Hembyze en Dathenus aan het hoofd, zich niet hadden ontzien, om den Prins openlijk een godloochenaar te schelden. Omdat hij elken vorm van godsdienstig leven kon waardeeren en van elken vorm de religie van het hart onafhankelijk maakte, daarom kon de Prins vrijheid van godsdienst voor beide gelooven eischen en daarom kon hij zelf, uit louter inschikkelijkheid, zich een jaar of langer van allen eeredienst onthouden, om allen te sparen. Doch die breede opvatting kon geen der partijen dulden.
Hoevele eeuwen zouden nog moeten voorbijgaan, eer de Nathan der Weise, eer de fabel der 3 ringen werd verstaan en toegepast! Hoe weinig worden die nog begrepen in onze dagen, nu hoe langer hoe meer licht over het eigenlijk wezen van den godsdienst is opgegaan! Hoe machtig zijn nog de terughoudende krachten van vooroordeel, verblinding en huichelarij!
Maar dan kan het ons niet bevreemden, dat de Prins in zijn godsdienst door zijne tijdgenooten niet verstaan werd, dat Oranje’s verheven zijn boven alle vormen door hen als verregaande onverschilligheid, ja zelfs als goddeloosheid werd aangemerkt. De Prins wilde echter dat merkteeken niet dragen, hij eischte in het recht gesteld te worden tegen hen, die hem voor atheïst hadden uitgekreten. Harde woorden vielen er uit zijn mond over Hembyze en zijn aanhangers en al gaven deze niet aanstonds hun verzet tegen Oranje op, de zedelijke nederlagen,die ze telkens in de eerste dagen leden, maakten het waarschijnlijk, dat de Prins er in slagen zou, de gewenschte orde te herstellen.
De Prins had reeds vroeger een acte van aanneming opgesteld, waarin aan de geestelijken hun eigendom werd verzekerd, de R. Katholieke godsdienst vrij mocht worden uitgeoefend en de eisch werd gesteld, dat de gevangenen zouden worden losgelaten. Behalve deze bepalingen, die als grondslag moesten dienen om de onderhandelingen te beginnen, stelde hij nu in een vergadering van de magistraat nog andere bepalingen voor, die behalve een algemeene amnestie en een betere regeling der geldmiddelen, ook inhielden:Behandeling der stadszaken volgens de oude privileges.
Wie zich herinnert, hoe Gent op die oude privileges stond, kan niet anders dan de hooge wijsheid van Oranje roemen, om daardoor de Gentenaars te winnen. Dat hunne stedelijke zaken naar hun oude voorrechten zouden behandeld worden, was voor de inwoners, die 40 jaar geleden al die voorrechten onder de straffende hand van Karel V hadden verloren, een groote vreugde. Dat vooruitzicht gaf aan de betere stemming, waarin de stad door Oranje’s komst gekomen was, nog verhoogden klank. Wel trachtte Hembyze nog een spaak in het wiel te steken, maar zijn poging mislukte en zoo was er grond voor de verwachting, dat niet alleen Gent weer voor de goede zaak der eendracht zou worden gewonnen, maar ook, dat er een schikking zou gevonden worden tusschen Gent en de Malcontenten uit Artois en Henegouwen.
Op den 5enDecember begonnen de beraadslagingen over de voorstellen van den Prins, eerst met eene daartoe benoemde commissie, daarna met de drie leden van de Poorterij, de Weverij en de Neringen. De dekens der laatstgenoemde, onder wie Hembyze vele aanhangers telde, waren nog niet zoo gemakkelijk te overreden, doch eindelijk gaven ook zij toe.
De R. Katholieke geestelijken ontvingen niet alleen hun eigendommen terug, maar ze behielden ook volle vrijheid van godsdienst, zoowel in Gent als in geheel Vlaanderen. Gent beloofde trouw aan de Unie, terwijl de Staten-Generaal zouden zorgen, dat de Walen uit Vlaanderen vertrokken enz.
Door het groot beleid van den Prins was het gelukt, Gent tot rede te brengen en had de stad al de eischen toegestaan, die de Staten-Generaal haar deden. Oranje kondigde buitendien een algemeene amnestie af en gaf zelf het meest krasse bewijs zijner verdraagzaamheid en vergevensgezindheid, toen hij alle pogingen bestreed om Hembyze uit de magistraat te verwijderen en toen hij zelfs aannam, nog de gast van Hembyze te willen zijn.
In de woning van zijn grootsten tegenstander in Gent bracht hij toen met Casimir eenige dagen door.
Wel duurde het nog tot den 27en, eer de Gentsche godsdienstvrede was afgekondigd, maar reeds op den 11enDecember was de stad tot rust gekomen.
Buitengewoon veel menschen- en wereldkennis was er noodig geweest dat resultaat te bereiken. Nog altijd was Gent de moeilijkste plaats om te besturen; ook nu had men wederom ervaren, dat het volk nog dezelfde hartstochtelijke karaktertrekken bezat als in de Middeleeuwen, toen de wijze Jacob van Arteveldeals het slachtoffer van den haat en den hartstocht, door zijn stadgenooten zoo gruwelijk was vermoord.
Dat Oranje’s optreden zulk een uitwerking op die bevolking veroorzaakt had, is een nieuw bewijs van zijn zedelijke grootheid en van zijn staatkundig genie. Door de grootste gestrengheid aan de eene zijde, maar ook door de uiterste lankmoedigheid aan den anderen kant, is hem het bedwingen van Gent gelukt.
Des te bedroevender was het, dat, waar die zware taak gelukkig was vervuld, de vruchten toch niet konden geplukt worden. Door het bedwingen van Gent was er groote kans op een schikking ook met de andere ontevredenen, maar de Waalsche gewesten waren, terwijl Oranje’s aandacht geheel aan Gent was gewijd, in een andere richting gedreven, die voor de instandhouding van de Generale Unie niet minder gevaarlijk was.