Hoofdstuk XXIX.Ban en Apologie. 1580.Reeds voor en in 1573 had men over geheime moordaanslagen tegen den Prins gedacht. Granvelle zoowel als Alva waren daartoe de aanstokers geweest. Zoowel de een als de ander had echter een tijdlang Filips’ ongenade moeten ondervinden. Granvelle vertoefde van 1574 af in een soort van ballingschap te Rome, maar was steeds op de hoogte gebleven van den toestand der Nederlanden door zijn ouden vriend Morillon, vicaris-generaal van zijn vroeger aartsbisdom. En Alva, wiens regeeringsstelsel in de Nederlanden, volgens vele vertrouwde raadgevers van den koning veel had bedorven, werd sedert 1574 evenmin aan het hof te Madrid geduld. In 1579 en in 1580 werden echter beiden, Granvelle zoowel als Alva, weer in genade aangenomen, de laatste om Portugal voor Spanje te gaan veroveren, de eerste, om den koning vooral voor de verwarde zaken in de Nederlanden van raad te dienen.Nu was volgens den kardinaal de landvoogdij niet in goede handen bij Parma, en moest diens moeder Margareta weder een tijdlang als landvoogdes optreden, terwijl haar zoon het leger zou besturen. Vandaar, dat Filips’ zuster nog eenmaal als hoofd der regeering optrad en van 1581–1583 uit Italië in de Nederlanden kwam. Ze liet echter haar zoon in alles handelen en na haar vertrek werd Parma weder zelf landvoogd.Granvelle’s politiek tegenover Oranje was een geheel andere dan die men tot dien tijd gevolgd had. Van onderhandelingen, zooals vroeger te Breda, te Geertruidenberg en te Keulen, wilde hij niet meer weten. Hij begreep terecht, dat bij de groote tegenstelling der beginselen zulk een onderhandeling geen vruchten dragen kon. Toch was en bleef Oranje de ziel van den geheelen opstand. Met zijn dood was, volgens zijn meening, alles uit. Doch niet langer moesten er geheime moordaanslagen bedacht worden, die de Prins, door zijn spionneningelicht, best kon ontkomen. Openlijk moest er een prijs op zijn leven worden gesteld.Dit geschiedde door den ban, die in 1580 over het hoofd van den Prins werd uitgesproken.Zoo stelde Karel V een prijs op het hoofd van Maurits van Saksen en Karel IX op dat van Coligny. Bij Filips vond het voorstel aanstonds een gewillig oor en Granvelle haastte zich dan ook, aan Margareta van Parma zijn blijdschap te melden, dat Filips het plan had toegejuicht.Parma en zijn raad wezen nog den koning op de gevaren er aan verbonden. Hij waarschuwde hem zelfs tegen dat afschuwelijk bedrijf, omdat hij er het tegendeel van verwachtte, dan in Spanje gemeend werd. “Is de Prins dood; dan is het uit met den opstand, want hij is er de ziel van,” zoo redeneerde men in Filips’ omgeving. “Zijn populariteit zal er door toenemen in de Nederlanden; de verraderlijke aanslag zal de liefde van het volk voor den verafgoden Prins slechts vermeerderen,” zoo oordeelden Parma en de Raad van State en gelijk de geschiedenis heeft bewezen, was dit juist. Maar de koning hield vol en ook Parma gaf eindelijk toe, doch slechts noode; want al dagteekende de ban reeds van 15 Maart 1580, pas in Mei liet hij hem openbaar maken en in Augustus openlijk verspreiden.In dit document worden eerst al de weldaden genoemd, die Karel V en Filips II aan Oranje hebben bewezen, en daarna alles opgesomd, wat hij van den dag af, dat Filips het land verliet, gedaan heeft om het volk af te trekken van zijn koning en van zijn God. In den breede vooral wordt herinnerd aan de bescherming door den Prins aan de ketters verleend, de godsdienstvrijheid (d. w. z. de godsdienstverwarring) door hem bevorderd, de schandelijke behandeling, door hem of zijn vervolgers den R. K. geestelijken berokkend. Zijn derde huwelijk met eene weggeloopen abdis, terwijl zijn tweede vrouw nog in leven was, wordt als vloekwaardig voorgesteld. Doch bovenal wordt zijn onwil, om in elk vredesvoorstel te treden, boosaardig gevonden. Steeds dieper en dieper had hij zich in rebellie en ketterij gestoken en zich eindelijk zelfs door een oproerige vergadering tot Ruwaard van Brabant doen benoemen.“Dus om al die redenen, om al zijn kwaad als voornaamste verwoester van den publieken vrede, ja als de pest der Christenheid.... verbannen wij hem voor eeuwig en verbieden al onze onderdanen met hem te verkeeren. Wij vergunnen een ieder, hem schade te doen aan lijf en goed. Wij verklaren hem voor een vijand van het menschelijk geslacht en stellen hem buiten de wet en opdat de deugd en de vroomheid geprezen worde, beloven wij, als er zich iemand mocht bevinden, edel en vroom genoeg, om ons van die pest te verlossen en hem dood of levend ons over te leveren, dezen aanstonds na de volvoering der daad 25.000 gouden kronen en den adeldom te schenken, terwijl we hem absolutie geven voor elke andere misdaad, die hij soms mocht hebben begaan.”Als we die ijzingwekkende woorden lezen, uitgesproken over het hoofd van den ons onvergetelijken Zwijger, dan gruwen we van de bedrijvers. Geheel daargelaten onze aanhankelijkheid aan hem, wien die snoode daad gold en dus afgezien van alle subjectieve beoordeeling, moet ieder het woord van Montesquieu beamen:“De adeldom beloofd voor zulk een daad! Zulk een daad bevolen in den naam van God! Werpt dat niet alle denkbeelden van eer, van zedelijkheid en van godsdienst omver?”De Prins was in Antwerpen, toen hij van dien ban hoorde. Zijn eerste gedachte was, dien te beantwoorden; doch alvorens dit te doen, raadpleegde hij verscheidene aanzienlijke personen en raden. Zoo schreef hij o. a. aan den raad van justitie van Holland, Zeeland en Friesland, aan wie hij het stuk ter lezing zond en vroeg hun daarin “goede raad en advies te willen mededeelen; alzoo wij zekerlijk achten, dat gijlieden van deze zaak recht zult kunnen oordeelen.”Op den 13enDecember bood hij daarop aan de Staten-Generaal, te Delft verzameld, zijneApologieaan en op den 14enbesloten die staten, na dit stuk te hebben gehoord, het onmiddellijk te laten drukken. Deze beroemde Apologie, waarheen reeds meer dan eens in dit werk werd verwezen, is terecht een meesterstuk genoemd. “Het is een welsprekende aanklacht tegen den koning en zijn staatsbeleid, een heldere uiteenzetting van al het gebeurde, een schitterende verdediging van zijn eigen leven en van de taak, die hij zich gesteld had, een historisch stuk van hooge waarde.” Voltaire had geen ongelijk dit antwoord van Willem van Oranje “een der schoonste monumenten van de geschiedenis”te noemen.Zeker, de bitterheid, die er uit spreekt, is niet te rechtvaardigen. De beschuldigingen, die de Prins den koning over zijn persoonlijk leven doet, zijn gegrond op onbewezen feiten. Maar zulk een verweerschrift tegen zulk een geweldigen aanval kon niet geheel onpartijdig zijn. De Apologie is waarschijnlijk met medewerking van den hofprediker Pierre (l’Oyseleur) de Villiers samengesteld; doch duidelijk kan ieder, die met ’s Prinsen brieven vertrouwd is, er ook overal de merkteekenen van zijn eigen hand en geest in zien. In zijn geheel is zij geen monument van letterkundigen stijl, doch er zijn brokstukken in, zoo schitterend, dat we niet kunnen nalaten, enkele daarvan tot kenschetsing van het geheel in onze taal over te brengen. Oorspronkelijk in het Fransch en Vlaamsch geschreven, werd zij aanstonds aan de meeste souvereinen en prinsen van Europa toegezonden. In de oorspronkelijke uitgaven van de Apologie is dan ook de brief van den Prins aan de koningen en andere potentaten der Christenheid, dien hij ter begeleiding van de verdediging aan dezen toezond, aan het hoofd daarvan te vinden.Reeds de toon, waarmee het stuk aanvangt, is vol waardig zelfgevoel. Beschuldigd, alleen uit louter eigenbelang gehandeld te hebben, verheugt het hem, dat deze gelegenheid tot zelfverdediging hem door de proscriptie geschonken is. “Indien die niet over mij was uitgesproken, indien ik den haat der Spaansche natie niet op mijn weg had ontmoet, dan zou ik het voordeel gemist hebben van dit getuigenis, dat mij door mijne vijanden is geschonken en dat ik den heerlijksten roem heet, waarmee ik voor mijn dood had kunnen begeeren gekroond te worden. Want wat is aangenamer in deze wereld vooral voor hem, die zulk een groot en uitmuntend werk heeft ondernomen, als de vrijmaking van zulk een goed volk, onderdrukt door zulke slechte lieden; wat is aangenamer dan doodelijk gehaat te worden, door zijn vijanden, die tevens zijn de vijanden van het vaderland? De Spanjaarden enhunne aanhangers hebben gedacht mij door deze proscriptie te schaden, maar ze hebben mij integendeel het meest daardoor verblijd en reden tot tevredenheid gegeven. Want ze hebben voor mij een veld geopend, om mij breeder te verdedigen, dan ik ooit had durven wenschen en om aan de geheele wereld de rechtvaardigheid en de billijkheid mijner ondernemingen te bewijzen en daardoor aan mijne nakomelingschap een voorbeeld van navolgenswaardige deugd achter te laten voor allen, die den adel van onze voorouders niet willen onteeren, van welke geen enkele ooit de tirannie heeft begunstigd. Ook wordt door deze proscriptie niet alleen mijn persoon getroffen en op barbaarsche wijze prijs gegeven, maar men wil ook door mij te wonden, den geheelen staat van deze landen doodelijk grieven. Dit geschiedt nu niet door infame libellen, opgesteld door menschen van niets, wier beleedigingen mij niet meer zouden treffen dan de tong van eenig klein serpent, dat men beter doet met den voet te vertrappen dan het met wapens te bestrijden. Neen, mannen van zoo groote qualiteit hebben hun grootheid zoo laaghartig verlaagd, dat zij er zich mee vermaken mij zoo valschelijk te beschuldigen en te belasteren! Daarom heeft het mij noodzakelijk geschenen, om te spreken, opdat het gemeene vaderland, waarvoor ik bereid ben, mijn leven te offeren, zooals ik met mijn goederen gedaan heb, door mijn stilzwijgen niet benadeeld worde en opdat de illustre titels van zooveel landen en koninkrijken, (die de koning zich geeft) de oogen van velen niet zouden verblinden, die eerder de zaken dezer wereld naar den schijn dan naar de soliditeit der rede beoordeelen.”Na die inleiding worden alle punten van de beschuldiging, in den ban uitgesproken, breedvoerig weerlegd en geeft de Prins zelf een uitvoerig overzicht van zijn leven, in verband met den loop van den opstand in de Nederlanden. Zijn ondankbaarheid was in den ban allereerst genoemd—doch volgens den Prins behoefde er van zijn zijde geen sprake te zijn van dankbaarheid—daar hij de wettige erfgenaam was geworden van al de goederen der Nederlandsche Nassau’s en al herdacht hij de nagedachtenis van Karel V met eerbied, deze heeft hem niets geschonken, terwijl daarbij zijn vorstendom Oranje hem rechtens op dezelfde lijn plaatst als de grootste souverein van Europa.De laaghartige beschuldigingen van den Prins om zijn derde huwelijk en de smaad welke dientengevolge Charlotte van Bourbon wordt aangedaan, voert den zelfverdediger tot eene bitterheid, die, hoewel zeer begrijpelijk, toch niet anders dan veroordeeld kan worden. Hij houdt den koning, de toenmaals door velen geloofde, maar tot heden onbewezen misdaden uit zijn privaat leven voor oogen en beschuldigt hem van bloedschande en moord op zijn naaste betrekkingen. Ook de Paus moet de volgende bittere waarheid vernemen:“Men zegt dat mijn derde huwelijk met de gewezen abdis alleen veroorloofd zou zijn geweest, als tenminste de Paus daartoe dispensatie gegeven had. Goddank weet ik reeds langen tijd, wat die handel in dispensaties van Rome waard is en het is zóóver van mij, dat ik daartoe mijn toevlucht zou willen nemen, dat ik integendeel hoop, dat God mij de gunst wil schenken den ondergang van die mystieke regeering mee te bevorderen, die hij in zijn spelonk te Rome gevestigd houdt en waardoor hij over de geheele aarde geheerscht heeft, terwijl prinsenen koningen zijn pantoffel kusten en zelfs een keizer zich voor zijn voeten wierp.”“Ook werpt men mij voor de voeten, dat ik een vreemdeling ben. Alsof de Prins van Parma dan een groot vaderlander is, die noch in dit land geboren is, noch een stuiver goed er bezit, noch eenigen titel en toch commandeert hij over hen, die zich als arme slaven gehoorzaam in zijn dienst hebben gesteld.”“Of zal men antwoorden: Filips is koning; dan zeg ik, dat mij die naam van koning geheel onbekend is. Laat hij het zijn in Castilië en Arragon, in Napels en de Indiën en overal, waar hij naar willekeur regeert, als hij wil zelfs in Jeruzalem—in dit land ken ik slechts hertog en graaf, wier macht volgens onze privilegiën, die hij bij de “joyeuse entrée” heeft bezworen, zeer is begrensd. En nu wat mij aangaat, is het bekend, dat ik en mijn voorgangers, waarvan ik in rechte linie afstam, sedert meer dan 200 jaar graafschappen en baronieën in Luxemburg, Brabant, Vlaanderen en Holland bezeten hebben.”Met de uiteenzetting van dit laatste acht de Prins tevens de valschheid der bewering bewezen, als ware hij een vreemdeling.Daarop volgt een overzicht van hetgeen Karel V voor deze landen was geweest, van zijn afstand van den troon en van de schandelijke Spaansche middelen die sedert in het werk gesteld werden, om de Nederlanden tot dezelfde slavernij te brengen, die Spanje overal waar het kan en overal in de Indiën, uitoefent. Daartegen kwam men in verzet, door de vergadering der Staten-Generaal en de verwijdering der Spaansche troepen te eischen.Hoogst merkwaardig is vervolgens het gedeelte aan den godsdienst gewijd en tevens de beschuldiging, die men in den ban kan vinden, dat de Prins de ketters verdedigd had.“Ik beken, dat ik die nooit heb gehaat. Want van mijne wieg af was ik zelf in hun begrippen opgevoed. Mijn vader had er in geleefd, was er in gestorven en had de misbruiken der kerk uit zijn rijk verwijderd. Wie zal het dan vreemd vinden, dat die nieuwe leer zoo in mijn hart was gegraveerd en er zulke wortels in had geworpen, dat zij op haar tijd vruchten moest voortbrengen? Zeker, gedurende lange jaren werd ik in de kamer des keizers opgevoed en toen ik den leeftijd bereikt had om de wapens te dragen, had ik al spoedig groote charges in de legers te vervullen; buitendien vond de godsdienst weinig voedsel en dacht ik te midden van het wapenberoep, de jacht en andere lichaamsbewegingen der jonge edelen weinig om mijn zieleheil. En toch heb ik groote reden, om God te danken, die niet heeft gewild, dat het heilige zaad zou worden verstikt. Nooit had ik behagen in die wreede straffen te vuur en te zwaard, die in dien tijd hen troffen, die tot den nieuwen godsdienst behoorden” enz.En dan volgt de mededeeling, die op een vorige bladzijde van dit werk reeds werd besproken, dat namelijk Koning Hendrik van Frankrijk in het bosch van Vincennes hem de plannen van Alva omtrent de uitroeiing der ketterij vertelde en welke plannen er dientengevolge in zijn gemoed begonnen te rijzen.Daarop worden de ons bekende bladzijden uit den eersten tijd van den opstand herdacht: Margareta’s bestuur, Granvelle’s heerschzucht, het smeekschrift,de beeldenstorm enz. Wat den laatsten aangaat, werpt hij alle medeplichtigheid van zich. Omtrent de vrijheid van geweten, die hij had bevorderd, zegt hij de volgende schoone woorden:“Indien ze daaronder verstaan, dat ik vrijheid zou geven aan zulke goddeloosheden als er gewoonlijk in het huis van den Prins van Parma plaats hebben, waar het atheïsme en andere deugden van Rome vrij spel hebben, dan antwoord ik, dat men dergelijke vrijheid of liever bandeloosheid zoeken moet bij de erfgenamen van Pierre Louis (Farnese).1Maar wel beken ik gaarne, dat de vuren, waarmee men zoovele arme Christenen heeft gemarteld, nooit aangenaam zijn geweest in mijn oogen en dat ik den raad gaf, om in de Nederlanden de vervolgingen te staken. Ja, ik zal meer bekennen, opdat de vijanden weten, dat zij met een tegenpartij te doen hebben, die rond en open spreekt, te weten dat de koning, toen hij van Zeeland vertrok, van de laatste plaats, die hij aanschouwde, toen hij het land verliet, mij beval, verscheidene menschen, die in welstand waren, te doen sterven, omdat zij in hun godsdienst verdacht waren; dit heb ik niet willen doen, maar heb hen integendeel gewaarschuwd, wel wetende, dat ik dat niet kon doen met een goed geweten en dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de menschen.Dat de Spanjaarden dan zeggen, wat hun goed zal dunken, ik weet, dat vele andere volken en natiën, die tegen hen wel kunnen opwegen en die geleerd hebben, dat men door vuur en zwaard niets vordert, mij zullen prijzen en mijn daad zullen goedkeuren.En omdat gij, Mijne Heeren, met de algemeene toestemming des volks het reeds hebt goedgekeurd, de strengheid der plakkaten veroordeeld en die wreede executies hebt doen ophouden, bekommer ik er me niets om, wat de Spanjaarden en hun aanhangers daarover mompelen. Ook kan ik mij niet genoeg verbazen over hun dwaasheid, als ze zich niet schamen, mij de moorden van de lieden hunner kerk voor den voet te werpen, daar ze niet alleen weten, dat mijn natuur geheel en al verwijderd is van dergelijke geweldenarijen als dat het u en de geheele wereld bekend is, dat op mijn bevel en om reden van dergelijke buitensporigheden, die zij mij aanwrijven, geen enkel werd ter dood gebracht en anderen, die door mijn voorname beambten waren gevangen genomen, door mij zijn losgelaten.... Eindelooze lasteringen werpen zij op onzen godsdienst; ze noemen ons ketters, maar dat doen ze reeds zoo geruimen tijd, zonder dat ze tot hun doel komen, dat die beleedigingen veel gelijken op de woorden van toornige vrouwen, ze verdienen geen antwoord.”Levendig wordt de verdere loop van zaken geteekend en o. a. over Don Juan gezegd: “Heel het verschil tusschen Don Juan, den hertog van Alva en Louis de Requesens bestond daarin, dat hij jonger en dwazer was dan de anderen, dat hij zoo lang zijn venijn niet kon bedekken, noch zijn eigenlijke opdracht ontveinzen, noch zijn schitterende handen kon afhouden van de begeerte ze inons bloed te doopen.” Beschuldigt men hem, de Pacificatie en zijn eed niet trouw te zijn gebleven, dan is zijn antwoord gereed: “Alsof die banden gesloten waren, om mij en de heeren van Holland en Zeeland te kluisteren; terwijl die goede en loyale vredemakers! elke verplichting van wet, loyauteit en trouw verbraken om alles te doen, wat hun deloyaal hart hun inblies! Zij hadden Don Juan (zoo zeggen ze,)doen beloven de Spanjaarden uit het land te zenden; alsof in dat enkele punt geheel ons accoord was gelegen. Voordat zij vrede met Don Juan sloten (Eeuwig Edict,) hadden ze mij in mijn stadhouderschap moeten herstellen, mijn goederen en mijn zoon terug moeten geven, die al zoo geruimen tijd gevangen gehouden wordt.”Omtrent zijn keuze tot Ruwaard van Brabant en Luitenant-Generaal, die den Prins voor de voeten geworpen was als een bewijs zijner eerzucht en ontrouw—dienaangaande stelt hij in het helderste licht, hetgeen ook door ons vroeger duidelijk is gemaakt, dat hij alleen voor den aandrang van het Zuiden bezweken was, om die posten te aanvaarden. Geestig en ironisch behandelt hij de beschuldiging van zijn populariteit:“Indien dit waar is, wat ze van mij en van het groote crediet, dat ik bij het volk heb, zeggen, dan belijden ze daarmede te gelijker tijd hun tirannie en wreedheid, waardoor ze het volk van zich zelf afkeerig gemaakt hebben. En indien het volk mij vrijwillig gekozen heeft om zijn vrijheid te verdedigen, wat kan men dan anders zeggen, wat zullen de vreemde volken zeggen, zoo niet dit: dat het volk heeft gemeend, dat er iets in mij was, hun gunst en vriendschap waard, en dat er in hen iets was, waardig een uitersten haat. Ik belijd hun dus, dat ik ben en zal zijn mijn geheele leven populair, d. w. z. dat ik uw privilegiën zal handhaven en verdedigen. Wat zijn hun wijze hersenen toch ontbloot van gezond verstand; terwijl zij meenen mij te blameeren, doen ze niet anders dan mij prijzen... Hem, dien ze het leven onwaard keuren, om het heil van de publieke zaak te dienen (want wat is anders dat heil dan de welvaart van het volk?), zullen ze door hun dwaasheid zooveel meer geëerd maken, als het volk meer hem acht, die het wil handhaven, dan hem die het wil onderdrukken.”Doch waar zou het einde zijn, indien we den schrijver der Apologie op den voet volgden. Een voor een weerlegt hij alle beschuldigingen, tegen hem ingebracht. Doch hij stelt zich niet met zelfverdediging tevreden, zelf valt hij ook aan en in dien aanval is hij niet altijd billijk, n.l. daar niet, waar hij de oneer hem aangedaan, door zijn derde vrouw in het geding te brengen, bespreekt met het vermelden van feiten, welker waarheid niet boven bedenking is verheven. En van het slot nog deze mooie woorden:“En nu wat mij zelf in het bijzonder aangaat, gij ziet, mijne heeren, dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs, met zulk een groote som gelds ten doode bestemd en gewijd, omdat de oorlog niet eindigen zal, zooals ze zeggen, zoolang ik bij u ben. God gave, dat mijne eeuwige verbanning of zelfs mijn dood u kon aanbrengen de ware bevrijding van zooveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden, die ik zoo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en van binnen ken, uberokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn eigen broeders verloren die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het, om anderen te vinden? Waarom heb ik mijn zoon zoolang gevangen gelaten, mijn zoon, dien ik zoozeer moet terug wenschen als vader? Kunt gij hem mij teruggeven? Waarom heb ik mijn leven zoo dikwijls aan gevaren blootgesteld? Welken prijs kan ik anders voor langdurigen arbeid verwachten, zoo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed, de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat òf mijne afwezigheid òf zelfs mijn dood u kan dienen, ik ben bereid te gehoorzamen: beveel, zend mij naar de einden der aarde, ik zal uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft er macht over, alleen gij beschikt er over ten uwen beste, tot het behoud van Uw gemeenebest. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine ervaring en ijver, dat de rest mijner goederen en van mijn leven u nog kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En indien gij meent, dat ik eenige liefde tot het vaderland bezit, dat ik eenige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het eenige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk, dat niet anders vraagt, dan goeden raad en niet anders wenscht, dan dien te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst te toonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik, met Uw hulp en de genade van God, die ik zoo vaak ondervonden heb in radelooze oogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen handhaven voor het welzijn en het behoud van U zelf, uwe vrouw en kinderen en van alle heilige zaken.” “Je maintiendrai.”Aan dit devies van zijn wapen zou dus de Prins omtrent Nederland getrouw zijn.De ban en de apologie vormden tal van dagen een punt van bespreking in de Staten, met het gevolg, dat zij hun volkomen vertrouwen in den Prins uitspraken en hem tot zijn veiligheid een versterkte lijfwacht aanboden; ze vernieuwden de belofte, Oranje in alle opzichten te zullen bijstaan.Wanneer wij ons nu de onderhandelingen met Anjou te binnen brengen, die de Prins in het jaar 1580 met geweld doorzette, en ons daarbij voor den geest stellen hoe zoowel de ban als de apologie uit datzelfde jaar dagteekenen, dan bevreemdt ons de ijver van Oranje nog minder, om de souvereiniteit van Filips op Anjou over te brengen.De Zeventien Vereenigde NederlandenDe Zeventien Vereenigde NederlandenSchaal 1:2.400.000×××× = Landsgrensonderstreept zijn de voornaamste plaatsen in 1572 den prins toegevallenStadhouderschappen van 1559Door den verachtelijken ban geprikkeld, gaf Oranje des te eer aan zijn voornemen gevolg, om de banden met Spanje voor goed te verscheuren. Tot dien tijd had de naam des konings hem nog gediend, om al zijn officieele daden te verrichten; die naam was thans die ijdele eer niet meer waard. Uit alle staatsstukken van de Nederlanden moest de naam worden uitgewischt van een koning,die zich het regeeren onwaard had getoond. In Holland en Zeeland wilde men van een verplaatsing van de souvereiniteit naar Anjou niets weten. Daar stond men op het punt, den Prins de grafelijke waardigheid op te dragen; alleen indien dit geschiedde, zou men voor den vorm in den nieuwen landsheer berusten.In Juni 1581 nam Matthias, dien men in dat alles weinig of niet gekend had, zijn ontslag. De schadeloosstelling, die men beloofde, werd later niet eens geschonken. De oude beschermeling van den hertog van Aerschot, door den Prins tijdelijk als zijn werktuig gebruikt, werd eenvoudig op zij gezet. Zijn schijnregeering hier te lande was zoo onbeduidend mogelijk geweest. Toen hij in 1612 zijn broeder Rudolf als keizer opvolgde, barstte onder zijn regeering de jammervolle 30-jarige oorlog in Duitschland uit. (1618)De Prins werd uitgenoodigd, om tot de komst van Anjou, met de Staten-Generaal het landsbestuur in handen te nemen, hetgeen hij na eenige aarzeling deed. Hij werd dus voorloopig landvoogd voor de Staten-Generaal; buitendien had hij de souvereiniteit over Holland en Zeeland, al wilde hij nog niet van den titel van graaf weten, om Anjou niet te ontstemmen, wien eigenlijk over die gewesten het graafschap in naam althans toeviel. Doch de Staten van Holland en Zeeland wilden Anjou als zoodanig niet erkennen en ze gaven daarom voorloopig de “hooge overheid” aan Oranje. In Zeeland werd buitendien zijn macht zeer vergroot, door den aankoop van het markiezaat van Veere en Vlissingen in 1581, waardoor hij zelfstandig in het bezit der functiën van Eersten Edele kwam.Het is hier de plaats niet, om de voorloopige voorzieningen in de regeering der verschillende gewesten, die dringend noodig waren geworden, te beschrijven. Alleen in zoover ze in betrekking stonden tot den Prins, moet er iets van worden vermeld. Wat Utrecht aangaat, daarover behield Oranje het stadhouderschap. De moeilijkheid bestond daar vooral in de verhouding tusschen de macht der katholieke geestelijkheid en de Staten. Die macht der geestelijkheid was voorheen zeer overwegend geweest; de voortgang van het Calvinisme maakte verandering onmisbaar.In de Staten ging ten gevolge van Oranje’s bemoeiingen de vroegere macht der geestelijkheid over op de zoogenaamde geëligeerden, die later als het derde lid van de Staten fungeerden. Wat Gelderland betreft, daar kwam Jan van Nassau, trots tallooze aanzoeken, niet terug; hij nam zelfs in April 1581 zijn ontslag. Op aandrang der talrijke katholieken en koningsgezinden werd daar van den Bergh, de zwager van Oranje, stadhouder. Toch bleef de invloed van den Prins er zeer groot. In Friesland werd hij stadhouder, al moest hij daar door een plaatsvervanger regeeren. Groningen, de Ommelanden, Overijsel en Drente waren door het verraad van Rennenberg in een oorlogstoestand gekomen, die jaren lang duurde.Door deze en dergelijke schikkingen werd door Oranje in die dagen de regeeringsvorm der Republiek voorbereid, die in 1588 haar beslag kreeg. Hoe democratisch ook gezind, de Prins moest overal rekening houden met de Staten en de regenten, zoodat hij mede kan worden aangemerkt als de stichter der aristocratische regenten-republiek. De oorsprong der souvereiniteit lag ook volgens hem in de Staten, niet in den landsheer. De Staten konden de hooge overheid opdragen, aan wien zij wilden; zoolang die door niemand was aanvaard, berusttede oppermacht bij de Staten zelven. Het is bekend, welke gevolgen die opvatting in de toekomst gehad heeft.Groot, machtig groot bleef dus de invloed van Oranje, niettegenstaande de keuze van Anjou tot souverein. Vooreerst was deze er nog niet; dan waren de meeste gewesten van hem afkeerig en eindelijk buiten alle titels en waardigheden om, was de persoonlijke invloed van den Prins in de meeste gewesten zeer groot. Het zou hem weinig moeite kosten, ook Anjou tot zijn instrument te maken. Meer heeft de Prins trouwens ook nooit van Anjou verwacht. De nood was hem opgelegd. Er moest een beschermer, een souverein wezen. Dat hij zelf daarnaar niet verlangde en telkens zelfs het graafschap van Holland weigerde, is wel het grootste bewijs van zijn onbaatzuchtigheid.1Pierre Louis Farnese, grootvader van Alexander Farnese. Die grootvader (zoon van Paus Paulus III) was een verachtelijk man, die zich door zijn tirannie zeer gehaat maakte. In 1547 werd hij vermoord en opgevolgd door zijn zoon Octave Farnese, die huwde met Margareta.Hoofdstuk XXX.Komst van Anjou. Eerste moordaanslag op den Prins. 1581–1582.In het jaar 1581, waarin het verdrag van Plessis-les-Tours was gesloten en Filips was afgezworen, kwam het Noorden steeds meer in het nauw. Rennenberg overleefde zijn verraad niet lang. Reeds in Juli van dat jaar stierf hij; doch de reactie, waaraan de vloek van zijn naam is verbonden, werd met dien dood niet vernietigd. Hij en zijn opvolger Verdugo vonden wel krachtige bestrijders in Hohenlohe, Willem Lodewijk (oudste zoon van graaf Jan), Norris e. a., doch ook de Spaanschgezinden bleven volhouden en zouden nog dertien jaar met afwisselend geluk in de Noordelijke gewesten strijden, eer Maurits in 1594 Groningen ten onder bracht.Ook de val van Breda was een groote slag, inzonderheid voor den Prins. In zijn eigen stad, waar de burgers in 1577 zoo verblijd waren geweest, dat ze weer onder hun eigen heer kwamen, werd het gezag des konings hersteld. Het volk toonde wel flinken weerstand, maar was te klein in aantal, om hun moed bekroond te zien. De abt van St.-Geertrui haastte zich er heen te gaan en herstelde er den katholieken godsdienst. Volgens Strada keerde aldus de stad tot haar koning terug en de zielen harer burgers tot God. Die inneming was buitendien voor Antwerpen hoogst gevaarlijk en bereidde de verovering van geheel Brabant door Parma voor. In het Zuiden werd Doornik genomen, dat hem aanleiding gaf, diep in Vlaanderen door te dringen. Kamerijk, dat door hem belegerd werd, kon Anjou nog behouden; hij was met 5000 ruiters de grenzen overgekomen, doch daar hij zag, dat de Staten nog niet gereed waren hem te ontvangen, ging hij naar Engeland om Elisabeth te ontmoeten. Toen viel Parma de inneming van Doornik gemakkelijk.De Prins had ondertusschen den Haag verlaten, Zeeland bezocht en zijne nieuwe markiezaten in bezit genomen. Daarop ging hij naar Gent, met het plan tegen October naar Antwerpen te gaan, waar de Staten-Generaal, volgens de bepalingenin den Haag gemaakt, zouden samen komen. Daar hield hij o. a. deze verontwaardigde rede onder den indruk van de gevaren die dreigden en van de blindheid van het volk voor die gevaren. Het was een toon, dien hij zoo dikwijls had moeten aanslaan, gericht tegen het gebrek aan opoffering voor het algemeen:“Doornik wordt belegerd en andere onheilen bedreigen ons. Onder deze omstandigheden, Mijne Heeren, is deze achteloosheid een ongeloofelijk groote ramp, die niet voortkomt uit gebrek aan inzicht of uit traagheid, maar eenvoudig uit het feit, dat iedereen meer belang stelt in zijn bijzondere zaken, dan in het algemeen welzijn. Het volk wil het niet tot werkelijkheid maken, dat deze oorlog zijn oorlog is; dat zij zelf het zijn, die vechten voor hun vrijheid, voor hun persoon, voor hun geweten. Van daar dat zij, als er geld gevraagd wordt, zonder hetgeen ik, noch eenig sterfelijk mensch den oorlog kan ondernemen, er altijd over harrewarren, alsof zij nog aan het babbelen waren met den overleden keizer. Zij moesten inzien, dat zij het niet aan mij weigeren, maar aan hen zelf. Ik heb hun geld niet noodig—al hebben lasteraars mij beschuldigd, dat dit wel zoo is. Nog eens zeg ik u, Mijne Heeren, het is uw oorlog en als men u vraagt te beraadslagen, dan is het over uw eigen zaken. Elk gewest heeft zijn eigen raad, ieder land zijn eigen krachten en geld, zoodat wat veel zou zijn voor allen, weinig is voor elk afzonderlijk.“Het is waar, dat er een centrale raad is ingesteld, maar zonder macht. Waar geen gezag is, hoe kan daar militaire tucht zijn, hoe kunnen de financiën, de rechtspraak en andere zaken worden geregeld? En gezag kan er niet zijn bij hen, die geen sou kunnen uitbetalen, zooals met mij op het oogenblik het geval is. Gij moet inzien, dat de regeering, door u zelf en door de Staten gevestigd, niet langer kan blijven bestaan dan tot het einde van Januari. Indien gij op dien tijd geen order op deze zaken gesteld hebt, dan zal er geen bestuurder meer noodig zijn, omdat er geen land meer zal wezen.”Een van de redenen, waarom Anjou in den loop van het jaar 1581 naar Engeland overstak, in plaats van in ons land te blijven, was dus het gebrek aan gezamenlijke pogingen van de Staten, om de noodige gelden bijeen te krijgen. Een andere reden van dat vertrek naar Engeland was gelegen in zijne stellige verwachting, dat Koningin Elisabeth hem haar hand zou schenken, waarop in den zomer van 1581 alle kans scheen te bestaan. Het huwelijkscontract was zelfs in Juni geteekend en de ceremoniën voor het huwelijk werden vastgesteld—ja zelfs de ringen werden uitgewisseld tusschen de vijftigjarige maagd en den jongen, maar onbevalligen hertog van Anjou, toen deze in October Vlaanderen verliet en naar Engeland overstak. Toch was dit alles niets dan staatkunde van de zijde van Elisabeth; wel wilde zij Frankrijk te vriend houden, doch toen zij Hendrik III als een gevolg van haar huwelijksverbintenis een alliantie met Frankrijk tegen Spanje wilde doen teekenen, weigerde deze dien stap te doen en weer was het huwelijk voor onbepaalden tijd uitgesteld.Ondertusschen was Marnix van St. Aldegonde reeds in November het kanaal overgestoken, om bij Anjou aan te dringen op zijn spoedige terugkomst. In Januarimoest die gezant aan Anjou mededeelen, dat men een anderen beschermer zou zoeken, indien hij niet terugkwam. De gelden waren op Oranje’s ernstig woord losgekomen; men maakte zich tot de ontvangst van den hertog gereed en wilde ook niet langer wachten. Anjou zelf begon het spel te doorzien, dat Elisabeth met hem speelde en zette op den 8enFebruari 1582 koers naar Vlissingen, vergezeld door een stoet van edellieden, waaronder Leicester en Sidney behoorden. Op den 10enkwam hij aldaar aan en werd met groote eerbewijzen door Oranje ontvangen.Eindelijk was het dus aan de onvermoeide pogingen van den Prins gelukt, een Fransch protectoraat over de gewesten te vestigen.Nu moest zijn diep geloof, dat in dit verbond hun eenige hoop was gelegen, worden bewaarheid. De langdradige, behoedzame argumenten van zijn broeder Jan daartegen, beantwoordde hij o. a. op de volgende wijze:“Men moest ons daarom niet smaden; want wij voor onzen persoon verbinden ons niet, noch bieden hem onzen dienst aan; maar de Staten dezer landen verkeeren in zulk een uitersten nood, zijn zoo geheel en al door de gansche wereld verlaten, dat ze de hulp, die hun door hem werd aangeboden, moesten aannemen. Als zij daarom te beschuldigen zijn, dan moest men evengoed den man, die naar Jericho reisde, zooals in de gelijkenis voorkomt, beschuldigen, dat hij de hulp van den Samaritaan niet afsloeg, toen hij, onder moordenaars gevallen, half dood op den weg lag en de priester en Leviet waren voorbijgegaan, zonder hem barmhartigheid te toonen. Toch werd niet de gewonde, maar werden die andere waardige vaders, die voorbij waren gegaan en niet hadden geholpen, door Christus beschuldigd. Het was daarom te wenschen, dat zij, die den hertog van Anjou voor een Samaritaan of een vijand der Christelijke kerk aanzien, liever dan dit volk, dat hulp en troost in zijn jammer zoekt, te berispen, metterdaad zooveel medelijden getoond hadden, dat het niet noodig ware geweest, andere hulp aan te nemen.”Hoewel die vergelijking van den Samaritaan met Anjou waarlijk niet opgaat, is toch de verzwegen gelijkstelling van het geloofsverwante Duitschland en Engeland met den priester en den Leviet zeer teekenend en verdienden die landen, die allereerst tot hulp verplicht waren geweest, ten volle de toespeling.Tegenover anderen, die hem voor Anjou waarschuwden, merkte hij op, dat een dog, wiens aard al te bekend was, best een trouwe herdershond kon worden, als hij slechts behoorlijk gemuilband werd; terwijl hij tot allen, die eerlijk meenden, dat de Prins de opgestane gewesten van de hel in het vagevuur bracht, zeide: “Het is de vraag niet, wat we noodig hebben, maar wat wij krijgen kunnen.”Van Vlissingen, waar Anjou was aangekomen, werd hij in triomf naar Middelburg begeleid, waar de ontvangst schitterend was, doch die nog overtroffen werd bij zijn komst in Antwerpen. Daar riep men den Franschen prins als hertog van Brabant uit en werd hem de hertogelijke mantel omgehangen en de hoed op op ’t hoofd gezet. De Prins van Oranje zou daarbij de woorden gesproken hebben: “De knoop, waarmee deze mantel wordt toegehecht, moet zoo vast en stevig zijn, dat niemand hem weder zal kunnen losmaken.”Menigeen van de toeschouwers zou hebben opgemerkt, dat de knoop niet zoo stevig was toegehaald en de hoed niet goed op het hoofd geplaatst was; laterbeschouwden ze dit als een voorteeken der volgende gebeurtenissen. Ook meenden bijgeloovige lieden in hevige stormen en in een aardbeving, die Brabant in het laatst van Februari teisterden, voorteekens te zien van kwade dingen. Leicester en Walter Raleigh waren bij die kroning tegenwoordig. Toen zij naar Engeland terugkeerden, droeg de Prins hun op, aan Elisabeth, die gaarne in het latijn werd toegesproken, te zeggen: “Sub umbra alarum tuarum protegimur.” (Onder de schaduw uwer vleugelen worden wij beschermd).Ondertusschen was zelfs de dag der kroning voor den Franschen prins reeds een bewijs, dat zijn heerschappij over het volk zeer beperkt zou wezen. Eeden van allerlei aard werden van hem gevraagd en geen poging werd verzuimd, om reeds van te voren alle geliefkoosde provinciale en stedelijke voorrechten tegen mogelijke inbreuk daarop te beschermen.Het duurde dan ook geen veertien dagen, of er ontstond reeds een onaangename verhouding tusschen den nieuwen vorst en zijne onderdanen. Antwerpen was toen geheel in de macht der Calvinisten; den katholieken was in 1580 slechts in enkele kerken doop en huwelijk volgens hun godsdienstig gebruik toegestaan en nu kostte het Anjou en zijn katholiek gevolg reeds moeite om een kerkgebouw te verkrijgen, waar zij volledig hun eeredienst konden uitoefenen. Buitendien nam de Vlaamsche bevolking aan de leefwijze der Fransche edelen aanstoot en vertrouwde ze Anjou’s troepen in Vlaanderen niet. Op den 18enMaart kwam daar iets bij, dat het volk bijna naar de wapenen had doen grijpen, omdat het in den waan verkeerde, dat er Fransch verraad bij in het spel was.Wat gebeurde er namelijk op den 18enMaart? De prijs, door Filips op het hoofd van Oranje uitgeloofd, mocht in de oogen van ’s Prinsen royale vijanden een schande zijn voor hen, die dat gruwelstuk hadden ondernomen, er waren misdadigers genoeg, die aangelokt door den prijs en den adelstand, over het volvoeren van die snoode daad peinsden. Ook ontbrak het niet aan fanatieken, die droomden van de eer, die hun te beurt zou vallen, als zij het werktuig waren, waardoor de Kerk van die pest werd verlost.Vele maanden vlogen echter voorbij, voordat òf zulk een moordenaar òf zulk een droomer zijn plan ten uitvoer bracht. De eerste aanslag had een maand na Anjou’s installatie in Antwerpen plaats en was bijna geslaagd.Op den 18enMaart was het de geboortedag van den nieuwen souverein en allerlei voorbereidingen waren er gemaakt, om dat feest des avonds te vieren. ’s Morgens (het was op een Zondag) ging Oranje naar de kerk en wel naar de kapel, die hij op den citadel-heuvel had gesticht. Een predikant uit Doornik zou er preeken. Hij noodigde verscheidene edellieden met hem ter tafel, waar o.a. de Fransche gezanten, de heeren de Laval en des Pruneaux zijn gasten zouden zijn. Zij zouden allen het avondeten gebruiken op het banket door “Monsieur” aan de Staten-Generaal, de officieren van Antwerpen enz. ter herinnering aan zijn geboortedagte geven. Het middagmaal bij den Prins was geheel en famille; het geheele huishouden was aan tafel en daaronder ook Maurits, toen 14 jaar oud, en twee van de zonen van Graaf Jan. Daar de conversatie zeer levendig was bleef het gezelschap onder het dessert lang bijeen.Toen de maaltijd geëindigd was, ging de Prins met den graaf van Hollock en den genoemden de Laval uit de groote kamer, door het gezelschap gevolgd. Laval bekeek het behangsel en sprak daarover met den Prins, die hem verschillende dingen daaromtrent zeide en zijn blik er eveneens op richtte. Hij was juist op het punt een tweede kamer binnen te treden, terwijl hij zijn oogen opwaarts sloeg, toen er plotseling een persoon, klein van stuk, zich voor hem vertoonde, alsof hij een request had aan te bieden. Die persoon was ongeveer 23 of 24 jaar, had een slecht uiterlijk, een bleeke gelaatskleur, en een donker zwaarmoedigen trek; hij was geschoren, behalve op de bovenlip, waar enkele zwarte haartjes voor den dag begonnen te komen. Eenhellebaardierdrong hem terug, maar hij trad vooruit en schoot plotseling een pistool, dat onzichtbaar was geweest, op den Prins af.Het pistool was overladen, sprong in zijn eigen hand terug, terwijl de kogel een hoogere richting nam en den Prins raakte tusschen het oor en het eind van de kaak aan den rechterkant; hij ging recht door de linkerwang, zonder een slagader, de kaak, de tong of tanden te hebben gekwetst, behalve, dat hij tegen een tand aanknarste. De Prins, wankelend noch verschrikt, keek den kerel aan en deze, ontzet over zijn eigen daad en als het ware door een goddelijke macht aan den grond genageld, liet zijn dolk vallen; een zekere Bonnyvet greep hem bij de borst en onmiddellijk werd hij door het gezelschap van den Prins vermoord, zeer tegen Oranje’s wil die nog riep hem te sparen, maar het was vergeefsch, want in minder dan een oogenblik had hij meer dan 33 doodelijke wonden ontvangen.Volgens een ander bericht, was het pistool van den moordenaar zoo dicht bij ’s Prinsen gelaat, dat zijn haar en baard verzengde, maar dat ook de wond aanstonds inbrandde, toen de kogel passeerde en er aldus bloedverlies werd voorkomen. De daad had zulk een snel verloop, dat Oranje het minst van allen wist, wat er gebeurd was. De Prins dacht inderdaad, dat er een deel van de zoldering inviel. Toen hij van zijn verbazing was bekomen, dacht hij eerst aan den misdadiger en zeide haastig: “Dood hem niet, ik vergeef hem mijn dood,” en zich daarop tot den Franschen gezant wendend, voegde hij er bij: “Zijne Hoogheid verliest in mij een getrouw dienaar.”Onmiddellijk daarna werd hij naar zijn kamer geleid, aan beide kanten ondersteund, want alleen gaan kon hij niet. De eerste meening onder de aanwezigen was, dat er Fransch verraad in het spel was en die meening vond, toen het nieuws bekend werd, haar echo in de geheele stad. In een oogenblik won de vrees, dat de nieuwe souverein een tweeden Bartholomeusnacht had willen wakker roepen, een willig oor.Voor een jongen van 14 jaar was de zelfbeheersching van Maurits, die voor zijn oogen op zijn vader had zien schieten, bijzonder sterk. Hij deed geen uitroepen, maar stond rustig bij het lijk van den moordenaar, om toe te zien, dat er buiten zijn weten geene papieren werden weggenomen. Bij het opnemen vanhet pistool ontdekte men, dat bij zijn ontlading een duim van Jaureguy was afgeschoten, zoodat deze niet in staat was geweest, om zijn dolk, die in zijn broek werd gevonden, te gebruiken.Toen werd er een nader onderzoek ingesteld; enkele papieren en pamfletten werden gevonden en aan Maurits gegeven, die ze aan een van de dienaars van zijn vader toonde, terwijl hij in tranen uitbarstte en zeide: “Kijk eens wat de ellendeling bij zich had.” Die dienaar antwoordde: “Bedaar, Monsieur! God kan uw vader nog behouden; maar draag zorg voor de papieren, we moeten iets omtrent den man ontdekken, of de heele stad komt in beweging.”Daarop hernam Maurits: “Helaas! ik ben bang, dat hier een andere deugniet achter zit, die hem van ons wil wegnemen.” De edele knaap zei dit, omdat er een praatje in de kamer liep, dat de menschen, die den moordenaar hadden doodgeslagen, zijn medeplichtigen waren, zoodat een oogenblik het vermoeden viel op ’s Prinsen beste vrienden en dienaars.Toen de jonge graaf aldus gesproken had, wierp de bovenvermelde dienaar zijn mantel over hem heen en zeide: “Kom mee, Monsieur, ik zal uwe papieren in veiligheid brengen.” Hij deed dit en nam hem mee naar de gezelschapskamer van het huis. Daar in veiligheid, keken ze de papieren door en zagen spoedig dat alles in het Spaansch was geschreven. “Monsieur, daar is geen gevaar bij,” zei de dienaar. “Ga terug en doe een verder onderzoek. Ik zal bij u blijven.” Dit werd gedaan en toen haastte zich de dienaar om iedereen te verzekeren, dat een Spanjaard de daad had bedreven en dat alle vermoedens tegen de Franschen dus ongegrond waren.Maurits keerde terug met de rest van de papieren, een kruis en een Agnus Dei, een groene waskaars en twee andere dingen, die men voor toovermiddelen aanzag. De dienaar keek de eerste papieren door en hij bevond, dat het gebeden en geloften waren. Toen brak hij het zegel van een pakket brieven stuk, waaruit bleek, dat ze in het Spaansch door een Spanjaard aan een Spanjaard waren geschreven. Hij deelde dit feit mede en liet toen het verder onderzoek over aan Aldegonde, die spoedig op het tooneel verscheen. Toen de rest van het pakket werd geopend, vond Marnix twee credietbrieven, een voor 2000 en een voor 877 kronen met adressen alle in het Spaansch door Spanjaarden geschreven. De boeken waren een getijdeboek, een Jezuïetische catechismus en twee zakboekjes, van het eene eind tot het andere beschreven met zaken, die op zijn plan betrekking hadden. Er werden daarin o.a. giften beloofd aan de Maagd Maria, aan den Engel Gabriël, aan Christus en den zoon van Christus (even of Christus een zoon hadde, voegt van Meteren hierbij), als zij met den Almachtige hem behulpzaam waren bij zijn opzet. Hij verbond zich zelfs, een week lang op water en brood te leven, als hij ongedeerd ontsnapte. Ook was er een toovermiddel bij, waaraan hij de kracht toeschreef, hem onmiddellijk na het volvoeren van zijn daad onzichtbaar te maken.Spoedig werd Anjou door Aldegonde geheel op de hoogte gebracht. Hij riep den Raad van State bijeen, bepaalde een vervroegde zitting van de Staten-Generaal en vaardigde een proclamatie uit, die alle personen, die slechts eenig licht konden verspreiden over de misdaad opriep, om dit onmiddellijk te doen.Het voornaamste doel was uit te vinden, hoe ver vertakt het complot was. Spoedig ontwarde men de geheele historie en bewees men duidelijk, dat het geheim van dezen aanslag slechts aan vier menschen bekend was.De feiten waren als volgt. Gaspar d’Anastro was een Spaansch koopman in Antwerpen. De tijden waren slecht en hij stond op het punt van bankroet te gaan, toen Filips’ aanbod hem een kans scheen te bieden, zich financieel te redden. Hij trad daarop in briefwisseling met Filips en teekende een contract, waarbij hij beloofde den Prins binnen een bepaalde tijdruimte te dooden. Hij zou daarvoor 80,000 dukaten en het kruis van Sint Jago ontvangen. Oranje liet inderdaad zóóveel menschen bij zich toe, dat de daad wel mogelijk, maar ontsnapping onwaarschijnlijk scheen en Anastro zelf, door zuiver baatzuchtige motieven geleid, had geen lust, zijn leven te gelijk met dat van zijn slachtoffer in de waagschaal te stellen. Hij had een ander Spanjaard als kassier, n.l. Venero, dien hij in vertrouwen nam. Zij spraken samen af, het plan door hun dienaar Jean Jaureguy te doen volvoeren.Hoe zij er in geslaagd zijn, dezen te overreden, wordt niet verhaald. Toewijding aan Anastro of godsdienstijver moet de bron zijner daad geweest zijn, want zijn eigen aandeel zou, gelijk de wisselbrieven aanduidden, slechts 2877 kronen zijn geweest. Anastro zelf ging, na het plan te hebben vastgesteld, naar Duinkerken; ontving, onder voorgeven van ziekte, van zijn agent te Calais een paspoort over de grens en was veilig binnen Parma’s gebied, twee uur voordat de order kwam, hem te arresteeren. Venero, de kassier en een Dominikaansche monnik Zimmermann waren de eenige slachtoffers van de volksverontwaardiging. De laatste had Jaureguy’s plan uit zijn mond gehoord en was dus met de daad bekend voor hare uitvoering. Beiden werden op den 28enMaart ter dood gebracht, zoodat het volgend briefje van Oranje aan Aldegonde, zonder datum waarschijnlijk op den 27enis geschreven:“M. de St. Aldegonde:“Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon, die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u, dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan, maar zich tevreden stelt met een korten dood.Uw goede vriendWm. van Nassau.”Overeenkomstig dit verzoek, dat het edel karakter en den hoogen geest van hem die het deed, ten volle kenmerkt, werden Venero en Zimmermann geworgd, voordat men ze vierendeelde en werden hun dus de martelingen gespaard, die men gewoonlijk arme misdadigers aandeed, voordat de dood hen uit hun lijden verloste. De executie vond plaats op Woensdag 28 Maart, tien dagen na de misdaad, tegenover het stadhuis.De eerste droefheid van de verschrikte huisgenooten was deerniswaardig. De arme Prinses, door hartstochtelijke smart overweldigd, viel telkens in zwijm; de kinderen liepen met tranen en angstkreten het huis door en de geheele familie was verbijsterd. Hoe Maurits zich beheerschte, werd reeds gezegd en de anderen vergaten ook spoedig zichzelf, uit zorg voor den gewonde, die gedurende drie weken in zeer angstvollen toestand bleef.De patiënt was veel meer met de gedachte bezig om toch Anjou tegen elk vermoeden te vrijwaren en hem in zijn gezag te steunen, dan met zich zelf. Doch de minste inspanning was uiterst gevaarlijk. De kogel was in den nek onder het rechteroor gedrongen, was verder iets naar beneden onder het verhemelte den mond doorgegaan en kwam, slechts een tand geraakt hebbende, onder het linkerkakebeen er weer uit. De inbranding hield de bloeding, die noodlottig had kunnen worden, eerst tegen, maar ook nadat de wond was verbonden, bleef er voortdurend gevaar bestaan, dat zij opnieuw ging bloeden, daar het onmogelijk was, het verband op die plaats zeer vast te maken.“Nooit,” zoo schreef Marie aan graaf Jan, “zijn we in grooter vrees geweest, want we dachten zeker, dat onze vader ging sterven. Veertien dagen na het schot had hij zulk een bloeding uit een ader, die slechts onbeduidend geraakt was, dat we alle hoop opgaven. Die bloeding duurde verscheidene dagen. Hij zelf bereidde zich ter dood en ons allen vaarwel zeggende, sprak hij: “Het is met mij gedaan.” Gij kunt wel begrijpen hoe wij te moede waren, onzen heer in zulk een lijden te zien, zonder in staat te zijn, hem te helpen. Nooit zal ik dien dag vergeten. Maar als door een wonder is hij behouden. Nu is er in 14 dagen geen bloeding geweest en denken de genees- en heelmeesters, dat hij weer zijn volle gezondheid zal terugkrijgen. Hij moet zich nog doodstil houden en geen woord mag hij meer spreken, dan noodzakelijk is. Dat is ook de reden, waarom Filips (Engel, de secretaris) uw vragen nog niet heeft beantwoord. De geneesheeren verbieden op dit oogenblik mijn vader elke bezigheid. Ik wenschte, dat het mogelijk was dat Uwe Exc. eens kon zien, hoe mijn heer is veranderd en hoe mager hij is geworden. Men ziet werkelijk niets dan vel en beenderen; zijn vleesch zal, hoop ik, terugkomen, als hij begint te eten. Tot nu toe at hij geen spijs; alleen wat geweekt brood en soep; kauwen kan hij niet; maar binnen een dag of twee, hoop ik, zal hem wel toegestaan worden, wat te gebruiken. In de grootste haast.Uwer Exc. geheel toegewijde dochtertot het eind van mijn leven,M. F. v. N. v. O.”Onvermijdelijk scheen werkelijk de dood, toen het verband openging; het leek onmogelijk het bloeden te doen ophouden, zonder dat de lijder zou stikken. Toen verloor hij meer dan twaalf pond bloed. De geneesheer van Anjou zelf, met name Leonardo Botalli, raadde een eenvoudig, krachtdadig middel aan. Verscheidene personen, elkander afwisselende, moesten zonder ophouden den duim op de wondaan de keel houden. Dit geschiedde nacht en dag gedurende eenigen tijd en inderdaad werd de bloeding gestelpt en ging de wond dicht.Op 21 April schreef Marie: “Meherbegint te eten. Het kauwen gaat moeilijk, maar het schijnt hem goed te smaken.” De herstelling, eens begonnen, scheen spoedig te zijn voortgegaan, daar hij op denzelfden dag aan den graaf schreef in antwoord op de vragen van Filips Engel. Dit antwoord was in tamelijk koelen toon, in aanmerking genomen, dat de Prins zoo doodelijk ziek was geweest en aan zijn broeder schreef. Aan Condé zond hij op 25 April een veel warmer briefje. Wij vermoeden, dat Oranje tot de zaken terugkeerende, aan graaf Jan, die hier alles aan zijn beloop had overgelaten, niet veel bijzonders te zeggen had. Op den 2enMei was de invalide in staat naar de kerk te gaan, om daar God te danken voor zijn behoud.Even dwaas als het gerucht omtrent Fransch verraad bij dezen eersten moordaanslag, was de zekerheid, die men onder de vijanden aangaande het gelukken van dien aanslag koesterde. Parma was bij de eerste berichten aanstonds gereed, om aan de steden te schrijven en ze op te wekken, nu de Prins dood was, den weg der rebellie te verlaten en terug te keeren tot de wapens van hun koning. Toen hij hoorde dat Oranje slechts was gewond, dacht hij dat dit bericht een list was, om de steden van daden terug te houden. Ook Granvelle geloofde vast en zeker in ’s Prinsen dood. Hij schreef nog op 20 Mei:“Ik beschouw het overlijden van den Prins als zeker. Indien hij niet zooveel geleden had op zijn sterfbed, dan zou ik wel gewenscht hebben dat zijn dood plotseling had plaats gehad. Dan was Alençon (Anjou) en zijn geheele gevolg stellig ook gemassacreerd.”In een anderen brief stelde hij voor, dat de graaf van Buren naar de Nederlanden als landvoogd zou worden gezonden. “Diens Spaansche opvoeding moest trouw aan Filips waarborgen en wegens zijn bloedverwantschap met den Prins zou hij bij het volk aannemelijk zijn.”Toen Granvelle hoorde, dat de Prins nog leefde, was hij zeer teleurgesteld. Op den 2enJuni schreef hij: “Van Fransche zijde hoor ik tot mijn schrik, dat Oranje nog leeft en met Alençon voor een venster gezien is, terwijl hij nog een pleister op een van zijn wangen had. Fortassis spectrum (misschien een spook). Ik kan alleen nog maar hopen, dat hij dood is... Ook heeft men mij verzekerd, dat zijn afvallige non aan pleuris gestorven is. Het zou mooi zijn als ze samen begraven werden.”De kogel van Jaureguy had dus gefaald. Zijn onmiddellijk slachtoffer was gespaard; maar hij kostte het leven van een ander, die den Prins zeer dierbaar was. Charlotte van Bourbon herstelde niet van den schrik op den 18enMaart ondervonden. Haar reeds geknakte gezondheid kon de zorg voor den lijdenden Prins niet verdragen. Toen deze reeds het gevaar te boven was, werd zij doorkoorts aangetast, waaraan ze, drie dagen nadat de Prins voor het eerst weder ter kerk was geweest, op den 5enMei bezweek.Indien Oranje zich staatkundig voordeel van zijn huwelijk met Charlotte van Bourbon had voorgesteld, dan viel dit wel zeer tegen. Het verbond met Frankrijk kwam in ’t geheel niet door hare bemoeiingen tot stand en zeker was het verlies van vele Duitsche vrienden het gevolg van dit huwelijk geweest. Uit politiek oogpunt mocht het dan ook een dwaling van Oranje geweest zijn, het huwelijk was er niettemin bijzonder gelukkig om. Van het begin af was Charlotte eene liefhebbende en gelukkige vrouw, die weinig aanspraken had en zeer dankbaar was voor al wat het nieuwe leven haar schonk. Geheel vreemd bleef ze niet aan de staatkunde van haar echtgenoot, al was ze ook geen staatkundige vrouw. In zijn afwezigheid handelde ze meer dan eens als zijn plaatsvervangster. Ze liet zes kleine meisjes onder de zeven jaar achter. De geboorte der eerste drie werd vermeld. In 1579, 1580, 1581 zagen nog achtereenvolgens het levenslicht: Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana.Uit alles blijkt, dat het leven, door dit gezin van den Prins geleid, op verre na niet weelderig was. Maar Charlotte klaagde niet licht. Haar ongemakkelijke en onvoegzame woningen, haar koude barakken, die zij in alle steden, waar ze zich ophield, moest betrekken, waren niet in staat, haar het goede humeur te doen verliezen; haar wezenlijk geluk vond zij in “onze groote en kleine meisjes,” zooals zij die dikwijls in haar brieven noemde.Haar huwelijksleven was een verrukkelijk contrast met haar jeugd, die zij in het klooster doorbracht, zoowel als de jaren, toen zij geheel afhing van de mildheid van den keurvorst van de Paltz. Zij heeft door dat leven den laster geheel bezworen, die in de dagen van de voltrekking van haar huwelijk op haar werd geworpen; de echte waarde van haar karakter werd later door alle vrienden van den Prins erkend, die vroeger over de onvoorzichtigheid van dien echt een groote ontstemming getoond hadden. Haar schoonbroeder schreef in 1580, dat zij de grootste troost en steun voor den Prins was in zijn moeitevol leven, dank zij haar deugden en verstand. Zij werd ook innig door hem bemind.Antwerpen toonde haar alle mogelijke eer na haar dood. “Tweeduizend lange mantels,” zegt Hooft, “volgden haar lijk naar ’t graf op den 19enMei, maar haar deugden zullen haar in de nagedachtenis onsterfelijk maken, niet alleen in het hart van haar echtgenoot, maar in de harten van allen, die haar kenden.”Na den dood van de moeder der zes jonge meisjes, gaf Marie van Nassau het plan op, naar haar aangenomen vaderland te Dillenburg terug te keeren; zij wijdde zich geheel en al aan de zorg voor haar kleine stiefzusjes. Korten tijd daarna bood Charlotte’s vader, de hertog van Montpensier, den Prins aan, om voor een zijner kleindochters te zorgen, hetgeen Willem gaarne aanvaardde, zooals uit den volgenden brief blijkt:“Monsieur!Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het verlangen uitdrukt, een mijnerkleine meisjes te hebben, zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den 14envan hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen, vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden, dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren, dat er voor het kind goed gezorgd zal worden.”Van de vernieuwde populariteit, waarin Oranje zich na zijn herstel mocht verheugen, maakte men gebruik een beroep op de verschillende Staten te doen, om den Prins schadeloos te stellen voor de uitgaven, die hij zich ten behoeve van het land had getroost. Dientengevolge werd hem de abdij Afflighem, het graafschap van Aalst en het markiezaat van Bergen gegeven. Ook ontving hij van tijd tot tijd andere in bezit genomen kerkelijke goederen, o.a. het oude klooster te Delft, waar hij later zijn leven eindigde.Holland inzonderheid wilde zijn dankbaarheid voor zijn behoud toonen. Reeds verscheidene malen hadden de Staten van dat gewest zich afkeerig getoond van een vreemden souverein; het graafschap wilden ze aan Oranje geven. Dit aanbod werd na zijn ziekte herhaald en door den Prins aangenomen in een brief van 14 Augustus uit Brugge. Toch was dit aanbod en het aannemen slechts voorloopig. Eerst na de Fransche furie hadden er officieele onderhandelingen plaats, die slechts door den dood van Oranje werden afgebroken.Het merkwaardige van de transactie in 1582 was daarin gelegen, dat Holland duidelijk te kennen gaf, vast besloten te zijn, als Staat niets met den nieuwen beschermer te maken te willen hebben en dat de Prins inzag, dat verdere pogingen zijnerzijds, om Anjou tot souverein van Holland te maken, geheel vergeefsch zouden zijn. Ook erkende hij door zijn voorloopige toestemming, dat zijn droomen van een Constitutioneele unie van de Vereenigde Nederlanden als ijdel moesten worden beschouwd.
Hoofdstuk XXIX.Ban en Apologie. 1580.Reeds voor en in 1573 had men over geheime moordaanslagen tegen den Prins gedacht. Granvelle zoowel als Alva waren daartoe de aanstokers geweest. Zoowel de een als de ander had echter een tijdlang Filips’ ongenade moeten ondervinden. Granvelle vertoefde van 1574 af in een soort van ballingschap te Rome, maar was steeds op de hoogte gebleven van den toestand der Nederlanden door zijn ouden vriend Morillon, vicaris-generaal van zijn vroeger aartsbisdom. En Alva, wiens regeeringsstelsel in de Nederlanden, volgens vele vertrouwde raadgevers van den koning veel had bedorven, werd sedert 1574 evenmin aan het hof te Madrid geduld. In 1579 en in 1580 werden echter beiden, Granvelle zoowel als Alva, weer in genade aangenomen, de laatste om Portugal voor Spanje te gaan veroveren, de eerste, om den koning vooral voor de verwarde zaken in de Nederlanden van raad te dienen.Nu was volgens den kardinaal de landvoogdij niet in goede handen bij Parma, en moest diens moeder Margareta weder een tijdlang als landvoogdes optreden, terwijl haar zoon het leger zou besturen. Vandaar, dat Filips’ zuster nog eenmaal als hoofd der regeering optrad en van 1581–1583 uit Italië in de Nederlanden kwam. Ze liet echter haar zoon in alles handelen en na haar vertrek werd Parma weder zelf landvoogd.Granvelle’s politiek tegenover Oranje was een geheel andere dan die men tot dien tijd gevolgd had. Van onderhandelingen, zooals vroeger te Breda, te Geertruidenberg en te Keulen, wilde hij niet meer weten. Hij begreep terecht, dat bij de groote tegenstelling der beginselen zulk een onderhandeling geen vruchten dragen kon. Toch was en bleef Oranje de ziel van den geheelen opstand. Met zijn dood was, volgens zijn meening, alles uit. Doch niet langer moesten er geheime moordaanslagen bedacht worden, die de Prins, door zijn spionneningelicht, best kon ontkomen. Openlijk moest er een prijs op zijn leven worden gesteld.Dit geschiedde door den ban, die in 1580 over het hoofd van den Prins werd uitgesproken.Zoo stelde Karel V een prijs op het hoofd van Maurits van Saksen en Karel IX op dat van Coligny. Bij Filips vond het voorstel aanstonds een gewillig oor en Granvelle haastte zich dan ook, aan Margareta van Parma zijn blijdschap te melden, dat Filips het plan had toegejuicht.Parma en zijn raad wezen nog den koning op de gevaren er aan verbonden. Hij waarschuwde hem zelfs tegen dat afschuwelijk bedrijf, omdat hij er het tegendeel van verwachtte, dan in Spanje gemeend werd. “Is de Prins dood; dan is het uit met den opstand, want hij is er de ziel van,” zoo redeneerde men in Filips’ omgeving. “Zijn populariteit zal er door toenemen in de Nederlanden; de verraderlijke aanslag zal de liefde van het volk voor den verafgoden Prins slechts vermeerderen,” zoo oordeelden Parma en de Raad van State en gelijk de geschiedenis heeft bewezen, was dit juist. Maar de koning hield vol en ook Parma gaf eindelijk toe, doch slechts noode; want al dagteekende de ban reeds van 15 Maart 1580, pas in Mei liet hij hem openbaar maken en in Augustus openlijk verspreiden.In dit document worden eerst al de weldaden genoemd, die Karel V en Filips II aan Oranje hebben bewezen, en daarna alles opgesomd, wat hij van den dag af, dat Filips het land verliet, gedaan heeft om het volk af te trekken van zijn koning en van zijn God. In den breede vooral wordt herinnerd aan de bescherming door den Prins aan de ketters verleend, de godsdienstvrijheid (d. w. z. de godsdienstverwarring) door hem bevorderd, de schandelijke behandeling, door hem of zijn vervolgers den R. K. geestelijken berokkend. Zijn derde huwelijk met eene weggeloopen abdis, terwijl zijn tweede vrouw nog in leven was, wordt als vloekwaardig voorgesteld. Doch bovenal wordt zijn onwil, om in elk vredesvoorstel te treden, boosaardig gevonden. Steeds dieper en dieper had hij zich in rebellie en ketterij gestoken en zich eindelijk zelfs door een oproerige vergadering tot Ruwaard van Brabant doen benoemen.“Dus om al die redenen, om al zijn kwaad als voornaamste verwoester van den publieken vrede, ja als de pest der Christenheid.... verbannen wij hem voor eeuwig en verbieden al onze onderdanen met hem te verkeeren. Wij vergunnen een ieder, hem schade te doen aan lijf en goed. Wij verklaren hem voor een vijand van het menschelijk geslacht en stellen hem buiten de wet en opdat de deugd en de vroomheid geprezen worde, beloven wij, als er zich iemand mocht bevinden, edel en vroom genoeg, om ons van die pest te verlossen en hem dood of levend ons over te leveren, dezen aanstonds na de volvoering der daad 25.000 gouden kronen en den adeldom te schenken, terwijl we hem absolutie geven voor elke andere misdaad, die hij soms mocht hebben begaan.”Als we die ijzingwekkende woorden lezen, uitgesproken over het hoofd van den ons onvergetelijken Zwijger, dan gruwen we van de bedrijvers. Geheel daargelaten onze aanhankelijkheid aan hem, wien die snoode daad gold en dus afgezien van alle subjectieve beoordeeling, moet ieder het woord van Montesquieu beamen:“De adeldom beloofd voor zulk een daad! Zulk een daad bevolen in den naam van God! Werpt dat niet alle denkbeelden van eer, van zedelijkheid en van godsdienst omver?”De Prins was in Antwerpen, toen hij van dien ban hoorde. Zijn eerste gedachte was, dien te beantwoorden; doch alvorens dit te doen, raadpleegde hij verscheidene aanzienlijke personen en raden. Zoo schreef hij o. a. aan den raad van justitie van Holland, Zeeland en Friesland, aan wie hij het stuk ter lezing zond en vroeg hun daarin “goede raad en advies te willen mededeelen; alzoo wij zekerlijk achten, dat gijlieden van deze zaak recht zult kunnen oordeelen.”Op den 13enDecember bood hij daarop aan de Staten-Generaal, te Delft verzameld, zijneApologieaan en op den 14enbesloten die staten, na dit stuk te hebben gehoord, het onmiddellijk te laten drukken. Deze beroemde Apologie, waarheen reeds meer dan eens in dit werk werd verwezen, is terecht een meesterstuk genoemd. “Het is een welsprekende aanklacht tegen den koning en zijn staatsbeleid, een heldere uiteenzetting van al het gebeurde, een schitterende verdediging van zijn eigen leven en van de taak, die hij zich gesteld had, een historisch stuk van hooge waarde.” Voltaire had geen ongelijk dit antwoord van Willem van Oranje “een der schoonste monumenten van de geschiedenis”te noemen.Zeker, de bitterheid, die er uit spreekt, is niet te rechtvaardigen. De beschuldigingen, die de Prins den koning over zijn persoonlijk leven doet, zijn gegrond op onbewezen feiten. Maar zulk een verweerschrift tegen zulk een geweldigen aanval kon niet geheel onpartijdig zijn. De Apologie is waarschijnlijk met medewerking van den hofprediker Pierre (l’Oyseleur) de Villiers samengesteld; doch duidelijk kan ieder, die met ’s Prinsen brieven vertrouwd is, er ook overal de merkteekenen van zijn eigen hand en geest in zien. In zijn geheel is zij geen monument van letterkundigen stijl, doch er zijn brokstukken in, zoo schitterend, dat we niet kunnen nalaten, enkele daarvan tot kenschetsing van het geheel in onze taal over te brengen. Oorspronkelijk in het Fransch en Vlaamsch geschreven, werd zij aanstonds aan de meeste souvereinen en prinsen van Europa toegezonden. In de oorspronkelijke uitgaven van de Apologie is dan ook de brief van den Prins aan de koningen en andere potentaten der Christenheid, dien hij ter begeleiding van de verdediging aan dezen toezond, aan het hoofd daarvan te vinden.Reeds de toon, waarmee het stuk aanvangt, is vol waardig zelfgevoel. Beschuldigd, alleen uit louter eigenbelang gehandeld te hebben, verheugt het hem, dat deze gelegenheid tot zelfverdediging hem door de proscriptie geschonken is. “Indien die niet over mij was uitgesproken, indien ik den haat der Spaansche natie niet op mijn weg had ontmoet, dan zou ik het voordeel gemist hebben van dit getuigenis, dat mij door mijne vijanden is geschonken en dat ik den heerlijksten roem heet, waarmee ik voor mijn dood had kunnen begeeren gekroond te worden. Want wat is aangenamer in deze wereld vooral voor hem, die zulk een groot en uitmuntend werk heeft ondernomen, als de vrijmaking van zulk een goed volk, onderdrukt door zulke slechte lieden; wat is aangenamer dan doodelijk gehaat te worden, door zijn vijanden, die tevens zijn de vijanden van het vaderland? De Spanjaarden enhunne aanhangers hebben gedacht mij door deze proscriptie te schaden, maar ze hebben mij integendeel het meest daardoor verblijd en reden tot tevredenheid gegeven. Want ze hebben voor mij een veld geopend, om mij breeder te verdedigen, dan ik ooit had durven wenschen en om aan de geheele wereld de rechtvaardigheid en de billijkheid mijner ondernemingen te bewijzen en daardoor aan mijne nakomelingschap een voorbeeld van navolgenswaardige deugd achter te laten voor allen, die den adel van onze voorouders niet willen onteeren, van welke geen enkele ooit de tirannie heeft begunstigd. Ook wordt door deze proscriptie niet alleen mijn persoon getroffen en op barbaarsche wijze prijs gegeven, maar men wil ook door mij te wonden, den geheelen staat van deze landen doodelijk grieven. Dit geschiedt nu niet door infame libellen, opgesteld door menschen van niets, wier beleedigingen mij niet meer zouden treffen dan de tong van eenig klein serpent, dat men beter doet met den voet te vertrappen dan het met wapens te bestrijden. Neen, mannen van zoo groote qualiteit hebben hun grootheid zoo laaghartig verlaagd, dat zij er zich mee vermaken mij zoo valschelijk te beschuldigen en te belasteren! Daarom heeft het mij noodzakelijk geschenen, om te spreken, opdat het gemeene vaderland, waarvoor ik bereid ben, mijn leven te offeren, zooals ik met mijn goederen gedaan heb, door mijn stilzwijgen niet benadeeld worde en opdat de illustre titels van zooveel landen en koninkrijken, (die de koning zich geeft) de oogen van velen niet zouden verblinden, die eerder de zaken dezer wereld naar den schijn dan naar de soliditeit der rede beoordeelen.”Na die inleiding worden alle punten van de beschuldiging, in den ban uitgesproken, breedvoerig weerlegd en geeft de Prins zelf een uitvoerig overzicht van zijn leven, in verband met den loop van den opstand in de Nederlanden. Zijn ondankbaarheid was in den ban allereerst genoemd—doch volgens den Prins behoefde er van zijn zijde geen sprake te zijn van dankbaarheid—daar hij de wettige erfgenaam was geworden van al de goederen der Nederlandsche Nassau’s en al herdacht hij de nagedachtenis van Karel V met eerbied, deze heeft hem niets geschonken, terwijl daarbij zijn vorstendom Oranje hem rechtens op dezelfde lijn plaatst als de grootste souverein van Europa.De laaghartige beschuldigingen van den Prins om zijn derde huwelijk en de smaad welke dientengevolge Charlotte van Bourbon wordt aangedaan, voert den zelfverdediger tot eene bitterheid, die, hoewel zeer begrijpelijk, toch niet anders dan veroordeeld kan worden. Hij houdt den koning, de toenmaals door velen geloofde, maar tot heden onbewezen misdaden uit zijn privaat leven voor oogen en beschuldigt hem van bloedschande en moord op zijn naaste betrekkingen. Ook de Paus moet de volgende bittere waarheid vernemen:“Men zegt dat mijn derde huwelijk met de gewezen abdis alleen veroorloofd zou zijn geweest, als tenminste de Paus daartoe dispensatie gegeven had. Goddank weet ik reeds langen tijd, wat die handel in dispensaties van Rome waard is en het is zóóver van mij, dat ik daartoe mijn toevlucht zou willen nemen, dat ik integendeel hoop, dat God mij de gunst wil schenken den ondergang van die mystieke regeering mee te bevorderen, die hij in zijn spelonk te Rome gevestigd houdt en waardoor hij over de geheele aarde geheerscht heeft, terwijl prinsenen koningen zijn pantoffel kusten en zelfs een keizer zich voor zijn voeten wierp.”“Ook werpt men mij voor de voeten, dat ik een vreemdeling ben. Alsof de Prins van Parma dan een groot vaderlander is, die noch in dit land geboren is, noch een stuiver goed er bezit, noch eenigen titel en toch commandeert hij over hen, die zich als arme slaven gehoorzaam in zijn dienst hebben gesteld.”“Of zal men antwoorden: Filips is koning; dan zeg ik, dat mij die naam van koning geheel onbekend is. Laat hij het zijn in Castilië en Arragon, in Napels en de Indiën en overal, waar hij naar willekeur regeert, als hij wil zelfs in Jeruzalem—in dit land ken ik slechts hertog en graaf, wier macht volgens onze privilegiën, die hij bij de “joyeuse entrée” heeft bezworen, zeer is begrensd. En nu wat mij aangaat, is het bekend, dat ik en mijn voorgangers, waarvan ik in rechte linie afstam, sedert meer dan 200 jaar graafschappen en baronieën in Luxemburg, Brabant, Vlaanderen en Holland bezeten hebben.”Met de uiteenzetting van dit laatste acht de Prins tevens de valschheid der bewering bewezen, als ware hij een vreemdeling.Daarop volgt een overzicht van hetgeen Karel V voor deze landen was geweest, van zijn afstand van den troon en van de schandelijke Spaansche middelen die sedert in het werk gesteld werden, om de Nederlanden tot dezelfde slavernij te brengen, die Spanje overal waar het kan en overal in de Indiën, uitoefent. Daartegen kwam men in verzet, door de vergadering der Staten-Generaal en de verwijdering der Spaansche troepen te eischen.Hoogst merkwaardig is vervolgens het gedeelte aan den godsdienst gewijd en tevens de beschuldiging, die men in den ban kan vinden, dat de Prins de ketters verdedigd had.“Ik beken, dat ik die nooit heb gehaat. Want van mijne wieg af was ik zelf in hun begrippen opgevoed. Mijn vader had er in geleefd, was er in gestorven en had de misbruiken der kerk uit zijn rijk verwijderd. Wie zal het dan vreemd vinden, dat die nieuwe leer zoo in mijn hart was gegraveerd en er zulke wortels in had geworpen, dat zij op haar tijd vruchten moest voortbrengen? Zeker, gedurende lange jaren werd ik in de kamer des keizers opgevoed en toen ik den leeftijd bereikt had om de wapens te dragen, had ik al spoedig groote charges in de legers te vervullen; buitendien vond de godsdienst weinig voedsel en dacht ik te midden van het wapenberoep, de jacht en andere lichaamsbewegingen der jonge edelen weinig om mijn zieleheil. En toch heb ik groote reden, om God te danken, die niet heeft gewild, dat het heilige zaad zou worden verstikt. Nooit had ik behagen in die wreede straffen te vuur en te zwaard, die in dien tijd hen troffen, die tot den nieuwen godsdienst behoorden” enz.En dan volgt de mededeeling, die op een vorige bladzijde van dit werk reeds werd besproken, dat namelijk Koning Hendrik van Frankrijk in het bosch van Vincennes hem de plannen van Alva omtrent de uitroeiing der ketterij vertelde en welke plannen er dientengevolge in zijn gemoed begonnen te rijzen.Daarop worden de ons bekende bladzijden uit den eersten tijd van den opstand herdacht: Margareta’s bestuur, Granvelle’s heerschzucht, het smeekschrift,de beeldenstorm enz. Wat den laatsten aangaat, werpt hij alle medeplichtigheid van zich. Omtrent de vrijheid van geweten, die hij had bevorderd, zegt hij de volgende schoone woorden:“Indien ze daaronder verstaan, dat ik vrijheid zou geven aan zulke goddeloosheden als er gewoonlijk in het huis van den Prins van Parma plaats hebben, waar het atheïsme en andere deugden van Rome vrij spel hebben, dan antwoord ik, dat men dergelijke vrijheid of liever bandeloosheid zoeken moet bij de erfgenamen van Pierre Louis (Farnese).1Maar wel beken ik gaarne, dat de vuren, waarmee men zoovele arme Christenen heeft gemarteld, nooit aangenaam zijn geweest in mijn oogen en dat ik den raad gaf, om in de Nederlanden de vervolgingen te staken. Ja, ik zal meer bekennen, opdat de vijanden weten, dat zij met een tegenpartij te doen hebben, die rond en open spreekt, te weten dat de koning, toen hij van Zeeland vertrok, van de laatste plaats, die hij aanschouwde, toen hij het land verliet, mij beval, verscheidene menschen, die in welstand waren, te doen sterven, omdat zij in hun godsdienst verdacht waren; dit heb ik niet willen doen, maar heb hen integendeel gewaarschuwd, wel wetende, dat ik dat niet kon doen met een goed geweten en dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de menschen.Dat de Spanjaarden dan zeggen, wat hun goed zal dunken, ik weet, dat vele andere volken en natiën, die tegen hen wel kunnen opwegen en die geleerd hebben, dat men door vuur en zwaard niets vordert, mij zullen prijzen en mijn daad zullen goedkeuren.En omdat gij, Mijne Heeren, met de algemeene toestemming des volks het reeds hebt goedgekeurd, de strengheid der plakkaten veroordeeld en die wreede executies hebt doen ophouden, bekommer ik er me niets om, wat de Spanjaarden en hun aanhangers daarover mompelen. Ook kan ik mij niet genoeg verbazen over hun dwaasheid, als ze zich niet schamen, mij de moorden van de lieden hunner kerk voor den voet te werpen, daar ze niet alleen weten, dat mijn natuur geheel en al verwijderd is van dergelijke geweldenarijen als dat het u en de geheele wereld bekend is, dat op mijn bevel en om reden van dergelijke buitensporigheden, die zij mij aanwrijven, geen enkel werd ter dood gebracht en anderen, die door mijn voorname beambten waren gevangen genomen, door mij zijn losgelaten.... Eindelooze lasteringen werpen zij op onzen godsdienst; ze noemen ons ketters, maar dat doen ze reeds zoo geruimen tijd, zonder dat ze tot hun doel komen, dat die beleedigingen veel gelijken op de woorden van toornige vrouwen, ze verdienen geen antwoord.”Levendig wordt de verdere loop van zaken geteekend en o. a. over Don Juan gezegd: “Heel het verschil tusschen Don Juan, den hertog van Alva en Louis de Requesens bestond daarin, dat hij jonger en dwazer was dan de anderen, dat hij zoo lang zijn venijn niet kon bedekken, noch zijn eigenlijke opdracht ontveinzen, noch zijn schitterende handen kon afhouden van de begeerte ze inons bloed te doopen.” Beschuldigt men hem, de Pacificatie en zijn eed niet trouw te zijn gebleven, dan is zijn antwoord gereed: “Alsof die banden gesloten waren, om mij en de heeren van Holland en Zeeland te kluisteren; terwijl die goede en loyale vredemakers! elke verplichting van wet, loyauteit en trouw verbraken om alles te doen, wat hun deloyaal hart hun inblies! Zij hadden Don Juan (zoo zeggen ze,)doen beloven de Spanjaarden uit het land te zenden; alsof in dat enkele punt geheel ons accoord was gelegen. Voordat zij vrede met Don Juan sloten (Eeuwig Edict,) hadden ze mij in mijn stadhouderschap moeten herstellen, mijn goederen en mijn zoon terug moeten geven, die al zoo geruimen tijd gevangen gehouden wordt.”Omtrent zijn keuze tot Ruwaard van Brabant en Luitenant-Generaal, die den Prins voor de voeten geworpen was als een bewijs zijner eerzucht en ontrouw—dienaangaande stelt hij in het helderste licht, hetgeen ook door ons vroeger duidelijk is gemaakt, dat hij alleen voor den aandrang van het Zuiden bezweken was, om die posten te aanvaarden. Geestig en ironisch behandelt hij de beschuldiging van zijn populariteit:“Indien dit waar is, wat ze van mij en van het groote crediet, dat ik bij het volk heb, zeggen, dan belijden ze daarmede te gelijker tijd hun tirannie en wreedheid, waardoor ze het volk van zich zelf afkeerig gemaakt hebben. En indien het volk mij vrijwillig gekozen heeft om zijn vrijheid te verdedigen, wat kan men dan anders zeggen, wat zullen de vreemde volken zeggen, zoo niet dit: dat het volk heeft gemeend, dat er iets in mij was, hun gunst en vriendschap waard, en dat er in hen iets was, waardig een uitersten haat. Ik belijd hun dus, dat ik ben en zal zijn mijn geheele leven populair, d. w. z. dat ik uw privilegiën zal handhaven en verdedigen. Wat zijn hun wijze hersenen toch ontbloot van gezond verstand; terwijl zij meenen mij te blameeren, doen ze niet anders dan mij prijzen... Hem, dien ze het leven onwaard keuren, om het heil van de publieke zaak te dienen (want wat is anders dat heil dan de welvaart van het volk?), zullen ze door hun dwaasheid zooveel meer geëerd maken, als het volk meer hem acht, die het wil handhaven, dan hem die het wil onderdrukken.”Doch waar zou het einde zijn, indien we den schrijver der Apologie op den voet volgden. Een voor een weerlegt hij alle beschuldigingen, tegen hem ingebracht. Doch hij stelt zich niet met zelfverdediging tevreden, zelf valt hij ook aan en in dien aanval is hij niet altijd billijk, n.l. daar niet, waar hij de oneer hem aangedaan, door zijn derde vrouw in het geding te brengen, bespreekt met het vermelden van feiten, welker waarheid niet boven bedenking is verheven. En van het slot nog deze mooie woorden:“En nu wat mij zelf in het bijzonder aangaat, gij ziet, mijne heeren, dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs, met zulk een groote som gelds ten doode bestemd en gewijd, omdat de oorlog niet eindigen zal, zooals ze zeggen, zoolang ik bij u ben. God gave, dat mijne eeuwige verbanning of zelfs mijn dood u kon aanbrengen de ware bevrijding van zooveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden, die ik zoo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en van binnen ken, uberokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn eigen broeders verloren die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het, om anderen te vinden? Waarom heb ik mijn zoon zoolang gevangen gelaten, mijn zoon, dien ik zoozeer moet terug wenschen als vader? Kunt gij hem mij teruggeven? Waarom heb ik mijn leven zoo dikwijls aan gevaren blootgesteld? Welken prijs kan ik anders voor langdurigen arbeid verwachten, zoo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed, de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat òf mijne afwezigheid òf zelfs mijn dood u kan dienen, ik ben bereid te gehoorzamen: beveel, zend mij naar de einden der aarde, ik zal uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft er macht over, alleen gij beschikt er over ten uwen beste, tot het behoud van Uw gemeenebest. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine ervaring en ijver, dat de rest mijner goederen en van mijn leven u nog kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En indien gij meent, dat ik eenige liefde tot het vaderland bezit, dat ik eenige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het eenige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk, dat niet anders vraagt, dan goeden raad en niet anders wenscht, dan dien te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst te toonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik, met Uw hulp en de genade van God, die ik zoo vaak ondervonden heb in radelooze oogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen handhaven voor het welzijn en het behoud van U zelf, uwe vrouw en kinderen en van alle heilige zaken.” “Je maintiendrai.”Aan dit devies van zijn wapen zou dus de Prins omtrent Nederland getrouw zijn.De ban en de apologie vormden tal van dagen een punt van bespreking in de Staten, met het gevolg, dat zij hun volkomen vertrouwen in den Prins uitspraken en hem tot zijn veiligheid een versterkte lijfwacht aanboden; ze vernieuwden de belofte, Oranje in alle opzichten te zullen bijstaan.Wanneer wij ons nu de onderhandelingen met Anjou te binnen brengen, die de Prins in het jaar 1580 met geweld doorzette, en ons daarbij voor den geest stellen hoe zoowel de ban als de apologie uit datzelfde jaar dagteekenen, dan bevreemdt ons de ijver van Oranje nog minder, om de souvereiniteit van Filips op Anjou over te brengen.De Zeventien Vereenigde NederlandenDe Zeventien Vereenigde NederlandenSchaal 1:2.400.000×××× = Landsgrensonderstreept zijn de voornaamste plaatsen in 1572 den prins toegevallenStadhouderschappen van 1559Door den verachtelijken ban geprikkeld, gaf Oranje des te eer aan zijn voornemen gevolg, om de banden met Spanje voor goed te verscheuren. Tot dien tijd had de naam des konings hem nog gediend, om al zijn officieele daden te verrichten; die naam was thans die ijdele eer niet meer waard. Uit alle staatsstukken van de Nederlanden moest de naam worden uitgewischt van een koning,die zich het regeeren onwaard had getoond. In Holland en Zeeland wilde men van een verplaatsing van de souvereiniteit naar Anjou niets weten. Daar stond men op het punt, den Prins de grafelijke waardigheid op te dragen; alleen indien dit geschiedde, zou men voor den vorm in den nieuwen landsheer berusten.In Juni 1581 nam Matthias, dien men in dat alles weinig of niet gekend had, zijn ontslag. De schadeloosstelling, die men beloofde, werd later niet eens geschonken. De oude beschermeling van den hertog van Aerschot, door den Prins tijdelijk als zijn werktuig gebruikt, werd eenvoudig op zij gezet. Zijn schijnregeering hier te lande was zoo onbeduidend mogelijk geweest. Toen hij in 1612 zijn broeder Rudolf als keizer opvolgde, barstte onder zijn regeering de jammervolle 30-jarige oorlog in Duitschland uit. (1618)De Prins werd uitgenoodigd, om tot de komst van Anjou, met de Staten-Generaal het landsbestuur in handen te nemen, hetgeen hij na eenige aarzeling deed. Hij werd dus voorloopig landvoogd voor de Staten-Generaal; buitendien had hij de souvereiniteit over Holland en Zeeland, al wilde hij nog niet van den titel van graaf weten, om Anjou niet te ontstemmen, wien eigenlijk over die gewesten het graafschap in naam althans toeviel. Doch de Staten van Holland en Zeeland wilden Anjou als zoodanig niet erkennen en ze gaven daarom voorloopig de “hooge overheid” aan Oranje. In Zeeland werd buitendien zijn macht zeer vergroot, door den aankoop van het markiezaat van Veere en Vlissingen in 1581, waardoor hij zelfstandig in het bezit der functiën van Eersten Edele kwam.Het is hier de plaats niet, om de voorloopige voorzieningen in de regeering der verschillende gewesten, die dringend noodig waren geworden, te beschrijven. Alleen in zoover ze in betrekking stonden tot den Prins, moet er iets van worden vermeld. Wat Utrecht aangaat, daarover behield Oranje het stadhouderschap. De moeilijkheid bestond daar vooral in de verhouding tusschen de macht der katholieke geestelijkheid en de Staten. Die macht der geestelijkheid was voorheen zeer overwegend geweest; de voortgang van het Calvinisme maakte verandering onmisbaar.In de Staten ging ten gevolge van Oranje’s bemoeiingen de vroegere macht der geestelijkheid over op de zoogenaamde geëligeerden, die later als het derde lid van de Staten fungeerden. Wat Gelderland betreft, daar kwam Jan van Nassau, trots tallooze aanzoeken, niet terug; hij nam zelfs in April 1581 zijn ontslag. Op aandrang der talrijke katholieken en koningsgezinden werd daar van den Bergh, de zwager van Oranje, stadhouder. Toch bleef de invloed van den Prins er zeer groot. In Friesland werd hij stadhouder, al moest hij daar door een plaatsvervanger regeeren. Groningen, de Ommelanden, Overijsel en Drente waren door het verraad van Rennenberg in een oorlogstoestand gekomen, die jaren lang duurde.Door deze en dergelijke schikkingen werd door Oranje in die dagen de regeeringsvorm der Republiek voorbereid, die in 1588 haar beslag kreeg. Hoe democratisch ook gezind, de Prins moest overal rekening houden met de Staten en de regenten, zoodat hij mede kan worden aangemerkt als de stichter der aristocratische regenten-republiek. De oorsprong der souvereiniteit lag ook volgens hem in de Staten, niet in den landsheer. De Staten konden de hooge overheid opdragen, aan wien zij wilden; zoolang die door niemand was aanvaard, berusttede oppermacht bij de Staten zelven. Het is bekend, welke gevolgen die opvatting in de toekomst gehad heeft.Groot, machtig groot bleef dus de invloed van Oranje, niettegenstaande de keuze van Anjou tot souverein. Vooreerst was deze er nog niet; dan waren de meeste gewesten van hem afkeerig en eindelijk buiten alle titels en waardigheden om, was de persoonlijke invloed van den Prins in de meeste gewesten zeer groot. Het zou hem weinig moeite kosten, ook Anjou tot zijn instrument te maken. Meer heeft de Prins trouwens ook nooit van Anjou verwacht. De nood was hem opgelegd. Er moest een beschermer, een souverein wezen. Dat hij zelf daarnaar niet verlangde en telkens zelfs het graafschap van Holland weigerde, is wel het grootste bewijs van zijn onbaatzuchtigheid.1Pierre Louis Farnese, grootvader van Alexander Farnese. Die grootvader (zoon van Paus Paulus III) was een verachtelijk man, die zich door zijn tirannie zeer gehaat maakte. In 1547 werd hij vermoord en opgevolgd door zijn zoon Octave Farnese, die huwde met Margareta.
Reeds voor en in 1573 had men over geheime moordaanslagen tegen den Prins gedacht. Granvelle zoowel als Alva waren daartoe de aanstokers geweest. Zoowel de een als de ander had echter een tijdlang Filips’ ongenade moeten ondervinden. Granvelle vertoefde van 1574 af in een soort van ballingschap te Rome, maar was steeds op de hoogte gebleven van den toestand der Nederlanden door zijn ouden vriend Morillon, vicaris-generaal van zijn vroeger aartsbisdom. En Alva, wiens regeeringsstelsel in de Nederlanden, volgens vele vertrouwde raadgevers van den koning veel had bedorven, werd sedert 1574 evenmin aan het hof te Madrid geduld. In 1579 en in 1580 werden echter beiden, Granvelle zoowel als Alva, weer in genade aangenomen, de laatste om Portugal voor Spanje te gaan veroveren, de eerste, om den koning vooral voor de verwarde zaken in de Nederlanden van raad te dienen.
Nu was volgens den kardinaal de landvoogdij niet in goede handen bij Parma, en moest diens moeder Margareta weder een tijdlang als landvoogdes optreden, terwijl haar zoon het leger zou besturen. Vandaar, dat Filips’ zuster nog eenmaal als hoofd der regeering optrad en van 1581–1583 uit Italië in de Nederlanden kwam. Ze liet echter haar zoon in alles handelen en na haar vertrek werd Parma weder zelf landvoogd.
Granvelle’s politiek tegenover Oranje was een geheel andere dan die men tot dien tijd gevolgd had. Van onderhandelingen, zooals vroeger te Breda, te Geertruidenberg en te Keulen, wilde hij niet meer weten. Hij begreep terecht, dat bij de groote tegenstelling der beginselen zulk een onderhandeling geen vruchten dragen kon. Toch was en bleef Oranje de ziel van den geheelen opstand. Met zijn dood was, volgens zijn meening, alles uit. Doch niet langer moesten er geheime moordaanslagen bedacht worden, die de Prins, door zijn spionneningelicht, best kon ontkomen. Openlijk moest er een prijs op zijn leven worden gesteld.
Dit geschiedde door den ban, die in 1580 over het hoofd van den Prins werd uitgesproken.Zoo stelde Karel V een prijs op het hoofd van Maurits van Saksen en Karel IX op dat van Coligny. Bij Filips vond het voorstel aanstonds een gewillig oor en Granvelle haastte zich dan ook, aan Margareta van Parma zijn blijdschap te melden, dat Filips het plan had toegejuicht.
Parma en zijn raad wezen nog den koning op de gevaren er aan verbonden. Hij waarschuwde hem zelfs tegen dat afschuwelijk bedrijf, omdat hij er het tegendeel van verwachtte, dan in Spanje gemeend werd. “Is de Prins dood; dan is het uit met den opstand, want hij is er de ziel van,” zoo redeneerde men in Filips’ omgeving. “Zijn populariteit zal er door toenemen in de Nederlanden; de verraderlijke aanslag zal de liefde van het volk voor den verafgoden Prins slechts vermeerderen,” zoo oordeelden Parma en de Raad van State en gelijk de geschiedenis heeft bewezen, was dit juist. Maar de koning hield vol en ook Parma gaf eindelijk toe, doch slechts noode; want al dagteekende de ban reeds van 15 Maart 1580, pas in Mei liet hij hem openbaar maken en in Augustus openlijk verspreiden.
In dit document worden eerst al de weldaden genoemd, die Karel V en Filips II aan Oranje hebben bewezen, en daarna alles opgesomd, wat hij van den dag af, dat Filips het land verliet, gedaan heeft om het volk af te trekken van zijn koning en van zijn God. In den breede vooral wordt herinnerd aan de bescherming door den Prins aan de ketters verleend, de godsdienstvrijheid (d. w. z. de godsdienstverwarring) door hem bevorderd, de schandelijke behandeling, door hem of zijn vervolgers den R. K. geestelijken berokkend. Zijn derde huwelijk met eene weggeloopen abdis, terwijl zijn tweede vrouw nog in leven was, wordt als vloekwaardig voorgesteld. Doch bovenal wordt zijn onwil, om in elk vredesvoorstel te treden, boosaardig gevonden. Steeds dieper en dieper had hij zich in rebellie en ketterij gestoken en zich eindelijk zelfs door een oproerige vergadering tot Ruwaard van Brabant doen benoemen.
“Dus om al die redenen, om al zijn kwaad als voornaamste verwoester van den publieken vrede, ja als de pest der Christenheid.... verbannen wij hem voor eeuwig en verbieden al onze onderdanen met hem te verkeeren. Wij vergunnen een ieder, hem schade te doen aan lijf en goed. Wij verklaren hem voor een vijand van het menschelijk geslacht en stellen hem buiten de wet en opdat de deugd en de vroomheid geprezen worde, beloven wij, als er zich iemand mocht bevinden, edel en vroom genoeg, om ons van die pest te verlossen en hem dood of levend ons over te leveren, dezen aanstonds na de volvoering der daad 25.000 gouden kronen en den adeldom te schenken, terwijl we hem absolutie geven voor elke andere misdaad, die hij soms mocht hebben begaan.”
Als we die ijzingwekkende woorden lezen, uitgesproken over het hoofd van den ons onvergetelijken Zwijger, dan gruwen we van de bedrijvers. Geheel daargelaten onze aanhankelijkheid aan hem, wien die snoode daad gold en dus afgezien van alle subjectieve beoordeeling, moet ieder het woord van Montesquieu beamen:“De adeldom beloofd voor zulk een daad! Zulk een daad bevolen in den naam van God! Werpt dat niet alle denkbeelden van eer, van zedelijkheid en van godsdienst omver?”
De Prins was in Antwerpen, toen hij van dien ban hoorde. Zijn eerste gedachte was, dien te beantwoorden; doch alvorens dit te doen, raadpleegde hij verscheidene aanzienlijke personen en raden. Zoo schreef hij o. a. aan den raad van justitie van Holland, Zeeland en Friesland, aan wie hij het stuk ter lezing zond en vroeg hun daarin “goede raad en advies te willen mededeelen; alzoo wij zekerlijk achten, dat gijlieden van deze zaak recht zult kunnen oordeelen.”
Op den 13enDecember bood hij daarop aan de Staten-Generaal, te Delft verzameld, zijneApologieaan en op den 14enbesloten die staten, na dit stuk te hebben gehoord, het onmiddellijk te laten drukken. Deze beroemde Apologie, waarheen reeds meer dan eens in dit werk werd verwezen, is terecht een meesterstuk genoemd. “Het is een welsprekende aanklacht tegen den koning en zijn staatsbeleid, een heldere uiteenzetting van al het gebeurde, een schitterende verdediging van zijn eigen leven en van de taak, die hij zich gesteld had, een historisch stuk van hooge waarde.” Voltaire had geen ongelijk dit antwoord van Willem van Oranje “een der schoonste monumenten van de geschiedenis”te noemen.Zeker, de bitterheid, die er uit spreekt, is niet te rechtvaardigen. De beschuldigingen, die de Prins den koning over zijn persoonlijk leven doet, zijn gegrond op onbewezen feiten. Maar zulk een verweerschrift tegen zulk een geweldigen aanval kon niet geheel onpartijdig zijn. De Apologie is waarschijnlijk met medewerking van den hofprediker Pierre (l’Oyseleur) de Villiers samengesteld; doch duidelijk kan ieder, die met ’s Prinsen brieven vertrouwd is, er ook overal de merkteekenen van zijn eigen hand en geest in zien. In zijn geheel is zij geen monument van letterkundigen stijl, doch er zijn brokstukken in, zoo schitterend, dat we niet kunnen nalaten, enkele daarvan tot kenschetsing van het geheel in onze taal over te brengen. Oorspronkelijk in het Fransch en Vlaamsch geschreven, werd zij aanstonds aan de meeste souvereinen en prinsen van Europa toegezonden. In de oorspronkelijke uitgaven van de Apologie is dan ook de brief van den Prins aan de koningen en andere potentaten der Christenheid, dien hij ter begeleiding van de verdediging aan dezen toezond, aan het hoofd daarvan te vinden.
Reeds de toon, waarmee het stuk aanvangt, is vol waardig zelfgevoel. Beschuldigd, alleen uit louter eigenbelang gehandeld te hebben, verheugt het hem, dat deze gelegenheid tot zelfverdediging hem door de proscriptie geschonken is. “Indien die niet over mij was uitgesproken, indien ik den haat der Spaansche natie niet op mijn weg had ontmoet, dan zou ik het voordeel gemist hebben van dit getuigenis, dat mij door mijne vijanden is geschonken en dat ik den heerlijksten roem heet, waarmee ik voor mijn dood had kunnen begeeren gekroond te worden. Want wat is aangenamer in deze wereld vooral voor hem, die zulk een groot en uitmuntend werk heeft ondernomen, als de vrijmaking van zulk een goed volk, onderdrukt door zulke slechte lieden; wat is aangenamer dan doodelijk gehaat te worden, door zijn vijanden, die tevens zijn de vijanden van het vaderland? De Spanjaarden enhunne aanhangers hebben gedacht mij door deze proscriptie te schaden, maar ze hebben mij integendeel het meest daardoor verblijd en reden tot tevredenheid gegeven. Want ze hebben voor mij een veld geopend, om mij breeder te verdedigen, dan ik ooit had durven wenschen en om aan de geheele wereld de rechtvaardigheid en de billijkheid mijner ondernemingen te bewijzen en daardoor aan mijne nakomelingschap een voorbeeld van navolgenswaardige deugd achter te laten voor allen, die den adel van onze voorouders niet willen onteeren, van welke geen enkele ooit de tirannie heeft begunstigd. Ook wordt door deze proscriptie niet alleen mijn persoon getroffen en op barbaarsche wijze prijs gegeven, maar men wil ook door mij te wonden, den geheelen staat van deze landen doodelijk grieven. Dit geschiedt nu niet door infame libellen, opgesteld door menschen van niets, wier beleedigingen mij niet meer zouden treffen dan de tong van eenig klein serpent, dat men beter doet met den voet te vertrappen dan het met wapens te bestrijden. Neen, mannen van zoo groote qualiteit hebben hun grootheid zoo laaghartig verlaagd, dat zij er zich mee vermaken mij zoo valschelijk te beschuldigen en te belasteren! Daarom heeft het mij noodzakelijk geschenen, om te spreken, opdat het gemeene vaderland, waarvoor ik bereid ben, mijn leven te offeren, zooals ik met mijn goederen gedaan heb, door mijn stilzwijgen niet benadeeld worde en opdat de illustre titels van zooveel landen en koninkrijken, (die de koning zich geeft) de oogen van velen niet zouden verblinden, die eerder de zaken dezer wereld naar den schijn dan naar de soliditeit der rede beoordeelen.”
Na die inleiding worden alle punten van de beschuldiging, in den ban uitgesproken, breedvoerig weerlegd en geeft de Prins zelf een uitvoerig overzicht van zijn leven, in verband met den loop van den opstand in de Nederlanden. Zijn ondankbaarheid was in den ban allereerst genoemd—doch volgens den Prins behoefde er van zijn zijde geen sprake te zijn van dankbaarheid—daar hij de wettige erfgenaam was geworden van al de goederen der Nederlandsche Nassau’s en al herdacht hij de nagedachtenis van Karel V met eerbied, deze heeft hem niets geschonken, terwijl daarbij zijn vorstendom Oranje hem rechtens op dezelfde lijn plaatst als de grootste souverein van Europa.
De laaghartige beschuldigingen van den Prins om zijn derde huwelijk en de smaad welke dientengevolge Charlotte van Bourbon wordt aangedaan, voert den zelfverdediger tot eene bitterheid, die, hoewel zeer begrijpelijk, toch niet anders dan veroordeeld kan worden. Hij houdt den koning, de toenmaals door velen geloofde, maar tot heden onbewezen misdaden uit zijn privaat leven voor oogen en beschuldigt hem van bloedschande en moord op zijn naaste betrekkingen. Ook de Paus moet de volgende bittere waarheid vernemen:
“Men zegt dat mijn derde huwelijk met de gewezen abdis alleen veroorloofd zou zijn geweest, als tenminste de Paus daartoe dispensatie gegeven had. Goddank weet ik reeds langen tijd, wat die handel in dispensaties van Rome waard is en het is zóóver van mij, dat ik daartoe mijn toevlucht zou willen nemen, dat ik integendeel hoop, dat God mij de gunst wil schenken den ondergang van die mystieke regeering mee te bevorderen, die hij in zijn spelonk te Rome gevestigd houdt en waardoor hij over de geheele aarde geheerscht heeft, terwijl prinsenen koningen zijn pantoffel kusten en zelfs een keizer zich voor zijn voeten wierp.”
“Ook werpt men mij voor de voeten, dat ik een vreemdeling ben. Alsof de Prins van Parma dan een groot vaderlander is, die noch in dit land geboren is, noch een stuiver goed er bezit, noch eenigen titel en toch commandeert hij over hen, die zich als arme slaven gehoorzaam in zijn dienst hebben gesteld.”
“Of zal men antwoorden: Filips is koning; dan zeg ik, dat mij die naam van koning geheel onbekend is. Laat hij het zijn in Castilië en Arragon, in Napels en de Indiën en overal, waar hij naar willekeur regeert, als hij wil zelfs in Jeruzalem—in dit land ken ik slechts hertog en graaf, wier macht volgens onze privilegiën, die hij bij de “joyeuse entrée” heeft bezworen, zeer is begrensd. En nu wat mij aangaat, is het bekend, dat ik en mijn voorgangers, waarvan ik in rechte linie afstam, sedert meer dan 200 jaar graafschappen en baronieën in Luxemburg, Brabant, Vlaanderen en Holland bezeten hebben.”
Met de uiteenzetting van dit laatste acht de Prins tevens de valschheid der bewering bewezen, als ware hij een vreemdeling.
Daarop volgt een overzicht van hetgeen Karel V voor deze landen was geweest, van zijn afstand van den troon en van de schandelijke Spaansche middelen die sedert in het werk gesteld werden, om de Nederlanden tot dezelfde slavernij te brengen, die Spanje overal waar het kan en overal in de Indiën, uitoefent. Daartegen kwam men in verzet, door de vergadering der Staten-Generaal en de verwijdering der Spaansche troepen te eischen.
Hoogst merkwaardig is vervolgens het gedeelte aan den godsdienst gewijd en tevens de beschuldiging, die men in den ban kan vinden, dat de Prins de ketters verdedigd had.
“Ik beken, dat ik die nooit heb gehaat. Want van mijne wieg af was ik zelf in hun begrippen opgevoed. Mijn vader had er in geleefd, was er in gestorven en had de misbruiken der kerk uit zijn rijk verwijderd. Wie zal het dan vreemd vinden, dat die nieuwe leer zoo in mijn hart was gegraveerd en er zulke wortels in had geworpen, dat zij op haar tijd vruchten moest voortbrengen? Zeker, gedurende lange jaren werd ik in de kamer des keizers opgevoed en toen ik den leeftijd bereikt had om de wapens te dragen, had ik al spoedig groote charges in de legers te vervullen; buitendien vond de godsdienst weinig voedsel en dacht ik te midden van het wapenberoep, de jacht en andere lichaamsbewegingen der jonge edelen weinig om mijn zieleheil. En toch heb ik groote reden, om God te danken, die niet heeft gewild, dat het heilige zaad zou worden verstikt. Nooit had ik behagen in die wreede straffen te vuur en te zwaard, die in dien tijd hen troffen, die tot den nieuwen godsdienst behoorden” enz.
En dan volgt de mededeeling, die op een vorige bladzijde van dit werk reeds werd besproken, dat namelijk Koning Hendrik van Frankrijk in het bosch van Vincennes hem de plannen van Alva omtrent de uitroeiing der ketterij vertelde en welke plannen er dientengevolge in zijn gemoed begonnen te rijzen.
Daarop worden de ons bekende bladzijden uit den eersten tijd van den opstand herdacht: Margareta’s bestuur, Granvelle’s heerschzucht, het smeekschrift,de beeldenstorm enz. Wat den laatsten aangaat, werpt hij alle medeplichtigheid van zich. Omtrent de vrijheid van geweten, die hij had bevorderd, zegt hij de volgende schoone woorden:
“Indien ze daaronder verstaan, dat ik vrijheid zou geven aan zulke goddeloosheden als er gewoonlijk in het huis van den Prins van Parma plaats hebben, waar het atheïsme en andere deugden van Rome vrij spel hebben, dan antwoord ik, dat men dergelijke vrijheid of liever bandeloosheid zoeken moet bij de erfgenamen van Pierre Louis (Farnese).1
Maar wel beken ik gaarne, dat de vuren, waarmee men zoovele arme Christenen heeft gemarteld, nooit aangenaam zijn geweest in mijn oogen en dat ik den raad gaf, om in de Nederlanden de vervolgingen te staken. Ja, ik zal meer bekennen, opdat de vijanden weten, dat zij met een tegenpartij te doen hebben, die rond en open spreekt, te weten dat de koning, toen hij van Zeeland vertrok, van de laatste plaats, die hij aanschouwde, toen hij het land verliet, mij beval, verscheidene menschen, die in welstand waren, te doen sterven, omdat zij in hun godsdienst verdacht waren; dit heb ik niet willen doen, maar heb hen integendeel gewaarschuwd, wel wetende, dat ik dat niet kon doen met een goed geweten en dat men Gode meer moest gehoorzamen dan de menschen.
Dat de Spanjaarden dan zeggen, wat hun goed zal dunken, ik weet, dat vele andere volken en natiën, die tegen hen wel kunnen opwegen en die geleerd hebben, dat men door vuur en zwaard niets vordert, mij zullen prijzen en mijn daad zullen goedkeuren.
En omdat gij, Mijne Heeren, met de algemeene toestemming des volks het reeds hebt goedgekeurd, de strengheid der plakkaten veroordeeld en die wreede executies hebt doen ophouden, bekommer ik er me niets om, wat de Spanjaarden en hun aanhangers daarover mompelen. Ook kan ik mij niet genoeg verbazen over hun dwaasheid, als ze zich niet schamen, mij de moorden van de lieden hunner kerk voor den voet te werpen, daar ze niet alleen weten, dat mijn natuur geheel en al verwijderd is van dergelijke geweldenarijen als dat het u en de geheele wereld bekend is, dat op mijn bevel en om reden van dergelijke buitensporigheden, die zij mij aanwrijven, geen enkel werd ter dood gebracht en anderen, die door mijn voorname beambten waren gevangen genomen, door mij zijn losgelaten.... Eindelooze lasteringen werpen zij op onzen godsdienst; ze noemen ons ketters, maar dat doen ze reeds zoo geruimen tijd, zonder dat ze tot hun doel komen, dat die beleedigingen veel gelijken op de woorden van toornige vrouwen, ze verdienen geen antwoord.”
Levendig wordt de verdere loop van zaken geteekend en o. a. over Don Juan gezegd: “Heel het verschil tusschen Don Juan, den hertog van Alva en Louis de Requesens bestond daarin, dat hij jonger en dwazer was dan de anderen, dat hij zoo lang zijn venijn niet kon bedekken, noch zijn eigenlijke opdracht ontveinzen, noch zijn schitterende handen kon afhouden van de begeerte ze inons bloed te doopen.” Beschuldigt men hem, de Pacificatie en zijn eed niet trouw te zijn gebleven, dan is zijn antwoord gereed: “Alsof die banden gesloten waren, om mij en de heeren van Holland en Zeeland te kluisteren; terwijl die goede en loyale vredemakers! elke verplichting van wet, loyauteit en trouw verbraken om alles te doen, wat hun deloyaal hart hun inblies! Zij hadden Don Juan (zoo zeggen ze,)doen beloven de Spanjaarden uit het land te zenden; alsof in dat enkele punt geheel ons accoord was gelegen. Voordat zij vrede met Don Juan sloten (Eeuwig Edict,) hadden ze mij in mijn stadhouderschap moeten herstellen, mijn goederen en mijn zoon terug moeten geven, die al zoo geruimen tijd gevangen gehouden wordt.”
Omtrent zijn keuze tot Ruwaard van Brabant en Luitenant-Generaal, die den Prins voor de voeten geworpen was als een bewijs zijner eerzucht en ontrouw—dienaangaande stelt hij in het helderste licht, hetgeen ook door ons vroeger duidelijk is gemaakt, dat hij alleen voor den aandrang van het Zuiden bezweken was, om die posten te aanvaarden. Geestig en ironisch behandelt hij de beschuldiging van zijn populariteit:
“Indien dit waar is, wat ze van mij en van het groote crediet, dat ik bij het volk heb, zeggen, dan belijden ze daarmede te gelijker tijd hun tirannie en wreedheid, waardoor ze het volk van zich zelf afkeerig gemaakt hebben. En indien het volk mij vrijwillig gekozen heeft om zijn vrijheid te verdedigen, wat kan men dan anders zeggen, wat zullen de vreemde volken zeggen, zoo niet dit: dat het volk heeft gemeend, dat er iets in mij was, hun gunst en vriendschap waard, en dat er in hen iets was, waardig een uitersten haat. Ik belijd hun dus, dat ik ben en zal zijn mijn geheele leven populair, d. w. z. dat ik uw privilegiën zal handhaven en verdedigen. Wat zijn hun wijze hersenen toch ontbloot van gezond verstand; terwijl zij meenen mij te blameeren, doen ze niet anders dan mij prijzen... Hem, dien ze het leven onwaard keuren, om het heil van de publieke zaak te dienen (want wat is anders dat heil dan de welvaart van het volk?), zullen ze door hun dwaasheid zooveel meer geëerd maken, als het volk meer hem acht, die het wil handhaven, dan hem die het wil onderdrukken.”
Doch waar zou het einde zijn, indien we den schrijver der Apologie op den voet volgden. Een voor een weerlegt hij alle beschuldigingen, tegen hem ingebracht. Doch hij stelt zich niet met zelfverdediging tevreden, zelf valt hij ook aan en in dien aanval is hij niet altijd billijk, n.l. daar niet, waar hij de oneer hem aangedaan, door zijn derde vrouw in het geding te brengen, bespreekt met het vermelden van feiten, welker waarheid niet boven bedenking is verheven. En van het slot nog deze mooie woorden:
“En nu wat mij zelf in het bijzonder aangaat, gij ziet, mijne heeren, dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs, met zulk een groote som gelds ten doode bestemd en gewijd, omdat de oorlog niet eindigen zal, zooals ze zeggen, zoolang ik bij u ben. God gave, dat mijne eeuwige verbanning of zelfs mijn dood u kon aanbrengen de ware bevrijding van zooveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden, die ik zoo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en van binnen ken, uberokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn eigen broeders verloren die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het, om anderen te vinden? Waarom heb ik mijn zoon zoolang gevangen gelaten, mijn zoon, dien ik zoozeer moet terug wenschen als vader? Kunt gij hem mij teruggeven? Waarom heb ik mijn leven zoo dikwijls aan gevaren blootgesteld? Welken prijs kan ik anders voor langdurigen arbeid verwachten, zoo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed, de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat òf mijne afwezigheid òf zelfs mijn dood u kan dienen, ik ben bereid te gehoorzamen: beveel, zend mij naar de einden der aarde, ik zal uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft er macht over, alleen gij beschikt er over ten uwen beste, tot het behoud van Uw gemeenebest. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine ervaring en ijver, dat de rest mijner goederen en van mijn leven u nog kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En indien gij meent, dat ik eenige liefde tot het vaderland bezit, dat ik eenige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het eenige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk, dat niet anders vraagt, dan goeden raad en niet anders wenscht, dan dien te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst te toonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik, met Uw hulp en de genade van God, die ik zoo vaak ondervonden heb in radelooze oogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen handhaven voor het welzijn en het behoud van U zelf, uwe vrouw en kinderen en van alle heilige zaken.” “Je maintiendrai.”
Aan dit devies van zijn wapen zou dus de Prins omtrent Nederland getrouw zijn.
De ban en de apologie vormden tal van dagen een punt van bespreking in de Staten, met het gevolg, dat zij hun volkomen vertrouwen in den Prins uitspraken en hem tot zijn veiligheid een versterkte lijfwacht aanboden; ze vernieuwden de belofte, Oranje in alle opzichten te zullen bijstaan.
Wanneer wij ons nu de onderhandelingen met Anjou te binnen brengen, die de Prins in het jaar 1580 met geweld doorzette, en ons daarbij voor den geest stellen hoe zoowel de ban als de apologie uit datzelfde jaar dagteekenen, dan bevreemdt ons de ijver van Oranje nog minder, om de souvereiniteit van Filips op Anjou over te brengen.
De Zeventien Vereenigde NederlandenDe Zeventien Vereenigde NederlandenSchaal 1:2.400.000×××× = Landsgrensonderstreept zijn de voornaamste plaatsen in 1572 den prins toegevallenStadhouderschappen van 1559
De Zeventien Vereenigde Nederlanden
Schaal 1:2.400.000
×××× = Landsgrens
onderstreept zijn de voornaamste plaatsen in 1572 den prins toegevallen
Stadhouderschappen van 1559
Door den verachtelijken ban geprikkeld, gaf Oranje des te eer aan zijn voornemen gevolg, om de banden met Spanje voor goed te verscheuren. Tot dien tijd had de naam des konings hem nog gediend, om al zijn officieele daden te verrichten; die naam was thans die ijdele eer niet meer waard. Uit alle staatsstukken van de Nederlanden moest de naam worden uitgewischt van een koning,die zich het regeeren onwaard had getoond. In Holland en Zeeland wilde men van een verplaatsing van de souvereiniteit naar Anjou niets weten. Daar stond men op het punt, den Prins de grafelijke waardigheid op te dragen; alleen indien dit geschiedde, zou men voor den vorm in den nieuwen landsheer berusten.
In Juni 1581 nam Matthias, dien men in dat alles weinig of niet gekend had, zijn ontslag. De schadeloosstelling, die men beloofde, werd later niet eens geschonken. De oude beschermeling van den hertog van Aerschot, door den Prins tijdelijk als zijn werktuig gebruikt, werd eenvoudig op zij gezet. Zijn schijnregeering hier te lande was zoo onbeduidend mogelijk geweest. Toen hij in 1612 zijn broeder Rudolf als keizer opvolgde, barstte onder zijn regeering de jammervolle 30-jarige oorlog in Duitschland uit. (1618)
De Prins werd uitgenoodigd, om tot de komst van Anjou, met de Staten-Generaal het landsbestuur in handen te nemen, hetgeen hij na eenige aarzeling deed. Hij werd dus voorloopig landvoogd voor de Staten-Generaal; buitendien had hij de souvereiniteit over Holland en Zeeland, al wilde hij nog niet van den titel van graaf weten, om Anjou niet te ontstemmen, wien eigenlijk over die gewesten het graafschap in naam althans toeviel. Doch de Staten van Holland en Zeeland wilden Anjou als zoodanig niet erkennen en ze gaven daarom voorloopig de “hooge overheid” aan Oranje. In Zeeland werd buitendien zijn macht zeer vergroot, door den aankoop van het markiezaat van Veere en Vlissingen in 1581, waardoor hij zelfstandig in het bezit der functiën van Eersten Edele kwam.
Het is hier de plaats niet, om de voorloopige voorzieningen in de regeering der verschillende gewesten, die dringend noodig waren geworden, te beschrijven. Alleen in zoover ze in betrekking stonden tot den Prins, moet er iets van worden vermeld. Wat Utrecht aangaat, daarover behield Oranje het stadhouderschap. De moeilijkheid bestond daar vooral in de verhouding tusschen de macht der katholieke geestelijkheid en de Staten. Die macht der geestelijkheid was voorheen zeer overwegend geweest; de voortgang van het Calvinisme maakte verandering onmisbaar.
In de Staten ging ten gevolge van Oranje’s bemoeiingen de vroegere macht der geestelijkheid over op de zoogenaamde geëligeerden, die later als het derde lid van de Staten fungeerden. Wat Gelderland betreft, daar kwam Jan van Nassau, trots tallooze aanzoeken, niet terug; hij nam zelfs in April 1581 zijn ontslag. Op aandrang der talrijke katholieken en koningsgezinden werd daar van den Bergh, de zwager van Oranje, stadhouder. Toch bleef de invloed van den Prins er zeer groot. In Friesland werd hij stadhouder, al moest hij daar door een plaatsvervanger regeeren. Groningen, de Ommelanden, Overijsel en Drente waren door het verraad van Rennenberg in een oorlogstoestand gekomen, die jaren lang duurde.
Door deze en dergelijke schikkingen werd door Oranje in die dagen de regeeringsvorm der Republiek voorbereid, die in 1588 haar beslag kreeg. Hoe democratisch ook gezind, de Prins moest overal rekening houden met de Staten en de regenten, zoodat hij mede kan worden aangemerkt als de stichter der aristocratische regenten-republiek. De oorsprong der souvereiniteit lag ook volgens hem in de Staten, niet in den landsheer. De Staten konden de hooge overheid opdragen, aan wien zij wilden; zoolang die door niemand was aanvaard, berusttede oppermacht bij de Staten zelven. Het is bekend, welke gevolgen die opvatting in de toekomst gehad heeft.
Groot, machtig groot bleef dus de invloed van Oranje, niettegenstaande de keuze van Anjou tot souverein. Vooreerst was deze er nog niet; dan waren de meeste gewesten van hem afkeerig en eindelijk buiten alle titels en waardigheden om, was de persoonlijke invloed van den Prins in de meeste gewesten zeer groot. Het zou hem weinig moeite kosten, ook Anjou tot zijn instrument te maken. Meer heeft de Prins trouwens ook nooit van Anjou verwacht. De nood was hem opgelegd. Er moest een beschermer, een souverein wezen. Dat hij zelf daarnaar niet verlangde en telkens zelfs het graafschap van Holland weigerde, is wel het grootste bewijs van zijn onbaatzuchtigheid.
1Pierre Louis Farnese, grootvader van Alexander Farnese. Die grootvader (zoon van Paus Paulus III) was een verachtelijk man, die zich door zijn tirannie zeer gehaat maakte. In 1547 werd hij vermoord en opgevolgd door zijn zoon Octave Farnese, die huwde met Margareta.
1Pierre Louis Farnese, grootvader van Alexander Farnese. Die grootvader (zoon van Paus Paulus III) was een verachtelijk man, die zich door zijn tirannie zeer gehaat maakte. In 1547 werd hij vermoord en opgevolgd door zijn zoon Octave Farnese, die huwde met Margareta.
Hoofdstuk XXX.Komst van Anjou. Eerste moordaanslag op den Prins. 1581–1582.In het jaar 1581, waarin het verdrag van Plessis-les-Tours was gesloten en Filips was afgezworen, kwam het Noorden steeds meer in het nauw. Rennenberg overleefde zijn verraad niet lang. Reeds in Juli van dat jaar stierf hij; doch de reactie, waaraan de vloek van zijn naam is verbonden, werd met dien dood niet vernietigd. Hij en zijn opvolger Verdugo vonden wel krachtige bestrijders in Hohenlohe, Willem Lodewijk (oudste zoon van graaf Jan), Norris e. a., doch ook de Spaanschgezinden bleven volhouden en zouden nog dertien jaar met afwisselend geluk in de Noordelijke gewesten strijden, eer Maurits in 1594 Groningen ten onder bracht.Ook de val van Breda was een groote slag, inzonderheid voor den Prins. In zijn eigen stad, waar de burgers in 1577 zoo verblijd waren geweest, dat ze weer onder hun eigen heer kwamen, werd het gezag des konings hersteld. Het volk toonde wel flinken weerstand, maar was te klein in aantal, om hun moed bekroond te zien. De abt van St.-Geertrui haastte zich er heen te gaan en herstelde er den katholieken godsdienst. Volgens Strada keerde aldus de stad tot haar koning terug en de zielen harer burgers tot God. Die inneming was buitendien voor Antwerpen hoogst gevaarlijk en bereidde de verovering van geheel Brabant door Parma voor. In het Zuiden werd Doornik genomen, dat hem aanleiding gaf, diep in Vlaanderen door te dringen. Kamerijk, dat door hem belegerd werd, kon Anjou nog behouden; hij was met 5000 ruiters de grenzen overgekomen, doch daar hij zag, dat de Staten nog niet gereed waren hem te ontvangen, ging hij naar Engeland om Elisabeth te ontmoeten. Toen viel Parma de inneming van Doornik gemakkelijk.De Prins had ondertusschen den Haag verlaten, Zeeland bezocht en zijne nieuwe markiezaten in bezit genomen. Daarop ging hij naar Gent, met het plan tegen October naar Antwerpen te gaan, waar de Staten-Generaal, volgens de bepalingenin den Haag gemaakt, zouden samen komen. Daar hield hij o. a. deze verontwaardigde rede onder den indruk van de gevaren die dreigden en van de blindheid van het volk voor die gevaren. Het was een toon, dien hij zoo dikwijls had moeten aanslaan, gericht tegen het gebrek aan opoffering voor het algemeen:“Doornik wordt belegerd en andere onheilen bedreigen ons. Onder deze omstandigheden, Mijne Heeren, is deze achteloosheid een ongeloofelijk groote ramp, die niet voortkomt uit gebrek aan inzicht of uit traagheid, maar eenvoudig uit het feit, dat iedereen meer belang stelt in zijn bijzondere zaken, dan in het algemeen welzijn. Het volk wil het niet tot werkelijkheid maken, dat deze oorlog zijn oorlog is; dat zij zelf het zijn, die vechten voor hun vrijheid, voor hun persoon, voor hun geweten. Van daar dat zij, als er geld gevraagd wordt, zonder hetgeen ik, noch eenig sterfelijk mensch den oorlog kan ondernemen, er altijd over harrewarren, alsof zij nog aan het babbelen waren met den overleden keizer. Zij moesten inzien, dat zij het niet aan mij weigeren, maar aan hen zelf. Ik heb hun geld niet noodig—al hebben lasteraars mij beschuldigd, dat dit wel zoo is. Nog eens zeg ik u, Mijne Heeren, het is uw oorlog en als men u vraagt te beraadslagen, dan is het over uw eigen zaken. Elk gewest heeft zijn eigen raad, ieder land zijn eigen krachten en geld, zoodat wat veel zou zijn voor allen, weinig is voor elk afzonderlijk.“Het is waar, dat er een centrale raad is ingesteld, maar zonder macht. Waar geen gezag is, hoe kan daar militaire tucht zijn, hoe kunnen de financiën, de rechtspraak en andere zaken worden geregeld? En gezag kan er niet zijn bij hen, die geen sou kunnen uitbetalen, zooals met mij op het oogenblik het geval is. Gij moet inzien, dat de regeering, door u zelf en door de Staten gevestigd, niet langer kan blijven bestaan dan tot het einde van Januari. Indien gij op dien tijd geen order op deze zaken gesteld hebt, dan zal er geen bestuurder meer noodig zijn, omdat er geen land meer zal wezen.”Een van de redenen, waarom Anjou in den loop van het jaar 1581 naar Engeland overstak, in plaats van in ons land te blijven, was dus het gebrek aan gezamenlijke pogingen van de Staten, om de noodige gelden bijeen te krijgen. Een andere reden van dat vertrek naar Engeland was gelegen in zijne stellige verwachting, dat Koningin Elisabeth hem haar hand zou schenken, waarop in den zomer van 1581 alle kans scheen te bestaan. Het huwelijkscontract was zelfs in Juni geteekend en de ceremoniën voor het huwelijk werden vastgesteld—ja zelfs de ringen werden uitgewisseld tusschen de vijftigjarige maagd en den jongen, maar onbevalligen hertog van Anjou, toen deze in October Vlaanderen verliet en naar Engeland overstak. Toch was dit alles niets dan staatkunde van de zijde van Elisabeth; wel wilde zij Frankrijk te vriend houden, doch toen zij Hendrik III als een gevolg van haar huwelijksverbintenis een alliantie met Frankrijk tegen Spanje wilde doen teekenen, weigerde deze dien stap te doen en weer was het huwelijk voor onbepaalden tijd uitgesteld.Ondertusschen was Marnix van St. Aldegonde reeds in November het kanaal overgestoken, om bij Anjou aan te dringen op zijn spoedige terugkomst. In Januarimoest die gezant aan Anjou mededeelen, dat men een anderen beschermer zou zoeken, indien hij niet terugkwam. De gelden waren op Oranje’s ernstig woord losgekomen; men maakte zich tot de ontvangst van den hertog gereed en wilde ook niet langer wachten. Anjou zelf begon het spel te doorzien, dat Elisabeth met hem speelde en zette op den 8enFebruari 1582 koers naar Vlissingen, vergezeld door een stoet van edellieden, waaronder Leicester en Sidney behoorden. Op den 10enkwam hij aldaar aan en werd met groote eerbewijzen door Oranje ontvangen.Eindelijk was het dus aan de onvermoeide pogingen van den Prins gelukt, een Fransch protectoraat over de gewesten te vestigen.Nu moest zijn diep geloof, dat in dit verbond hun eenige hoop was gelegen, worden bewaarheid. De langdradige, behoedzame argumenten van zijn broeder Jan daartegen, beantwoordde hij o. a. op de volgende wijze:“Men moest ons daarom niet smaden; want wij voor onzen persoon verbinden ons niet, noch bieden hem onzen dienst aan; maar de Staten dezer landen verkeeren in zulk een uitersten nood, zijn zoo geheel en al door de gansche wereld verlaten, dat ze de hulp, die hun door hem werd aangeboden, moesten aannemen. Als zij daarom te beschuldigen zijn, dan moest men evengoed den man, die naar Jericho reisde, zooals in de gelijkenis voorkomt, beschuldigen, dat hij de hulp van den Samaritaan niet afsloeg, toen hij, onder moordenaars gevallen, half dood op den weg lag en de priester en Leviet waren voorbijgegaan, zonder hem barmhartigheid te toonen. Toch werd niet de gewonde, maar werden die andere waardige vaders, die voorbij waren gegaan en niet hadden geholpen, door Christus beschuldigd. Het was daarom te wenschen, dat zij, die den hertog van Anjou voor een Samaritaan of een vijand der Christelijke kerk aanzien, liever dan dit volk, dat hulp en troost in zijn jammer zoekt, te berispen, metterdaad zooveel medelijden getoond hadden, dat het niet noodig ware geweest, andere hulp aan te nemen.”Hoewel die vergelijking van den Samaritaan met Anjou waarlijk niet opgaat, is toch de verzwegen gelijkstelling van het geloofsverwante Duitschland en Engeland met den priester en den Leviet zeer teekenend en verdienden die landen, die allereerst tot hulp verplicht waren geweest, ten volle de toespeling.Tegenover anderen, die hem voor Anjou waarschuwden, merkte hij op, dat een dog, wiens aard al te bekend was, best een trouwe herdershond kon worden, als hij slechts behoorlijk gemuilband werd; terwijl hij tot allen, die eerlijk meenden, dat de Prins de opgestane gewesten van de hel in het vagevuur bracht, zeide: “Het is de vraag niet, wat we noodig hebben, maar wat wij krijgen kunnen.”Van Vlissingen, waar Anjou was aangekomen, werd hij in triomf naar Middelburg begeleid, waar de ontvangst schitterend was, doch die nog overtroffen werd bij zijn komst in Antwerpen. Daar riep men den Franschen prins als hertog van Brabant uit en werd hem de hertogelijke mantel omgehangen en de hoed op op ’t hoofd gezet. De Prins van Oranje zou daarbij de woorden gesproken hebben: “De knoop, waarmee deze mantel wordt toegehecht, moet zoo vast en stevig zijn, dat niemand hem weder zal kunnen losmaken.”Menigeen van de toeschouwers zou hebben opgemerkt, dat de knoop niet zoo stevig was toegehaald en de hoed niet goed op het hoofd geplaatst was; laterbeschouwden ze dit als een voorteeken der volgende gebeurtenissen. Ook meenden bijgeloovige lieden in hevige stormen en in een aardbeving, die Brabant in het laatst van Februari teisterden, voorteekens te zien van kwade dingen. Leicester en Walter Raleigh waren bij die kroning tegenwoordig. Toen zij naar Engeland terugkeerden, droeg de Prins hun op, aan Elisabeth, die gaarne in het latijn werd toegesproken, te zeggen: “Sub umbra alarum tuarum protegimur.” (Onder de schaduw uwer vleugelen worden wij beschermd).Ondertusschen was zelfs de dag der kroning voor den Franschen prins reeds een bewijs, dat zijn heerschappij over het volk zeer beperkt zou wezen. Eeden van allerlei aard werden van hem gevraagd en geen poging werd verzuimd, om reeds van te voren alle geliefkoosde provinciale en stedelijke voorrechten tegen mogelijke inbreuk daarop te beschermen.Het duurde dan ook geen veertien dagen, of er ontstond reeds een onaangename verhouding tusschen den nieuwen vorst en zijne onderdanen. Antwerpen was toen geheel in de macht der Calvinisten; den katholieken was in 1580 slechts in enkele kerken doop en huwelijk volgens hun godsdienstig gebruik toegestaan en nu kostte het Anjou en zijn katholiek gevolg reeds moeite om een kerkgebouw te verkrijgen, waar zij volledig hun eeredienst konden uitoefenen. Buitendien nam de Vlaamsche bevolking aan de leefwijze der Fransche edelen aanstoot en vertrouwde ze Anjou’s troepen in Vlaanderen niet. Op den 18enMaart kwam daar iets bij, dat het volk bijna naar de wapenen had doen grijpen, omdat het in den waan verkeerde, dat er Fransch verraad bij in het spel was.Wat gebeurde er namelijk op den 18enMaart? De prijs, door Filips op het hoofd van Oranje uitgeloofd, mocht in de oogen van ’s Prinsen royale vijanden een schande zijn voor hen, die dat gruwelstuk hadden ondernomen, er waren misdadigers genoeg, die aangelokt door den prijs en den adelstand, over het volvoeren van die snoode daad peinsden. Ook ontbrak het niet aan fanatieken, die droomden van de eer, die hun te beurt zou vallen, als zij het werktuig waren, waardoor de Kerk van die pest werd verlost.Vele maanden vlogen echter voorbij, voordat òf zulk een moordenaar òf zulk een droomer zijn plan ten uitvoer bracht. De eerste aanslag had een maand na Anjou’s installatie in Antwerpen plaats en was bijna geslaagd.Op den 18enMaart was het de geboortedag van den nieuwen souverein en allerlei voorbereidingen waren er gemaakt, om dat feest des avonds te vieren. ’s Morgens (het was op een Zondag) ging Oranje naar de kerk en wel naar de kapel, die hij op den citadel-heuvel had gesticht. Een predikant uit Doornik zou er preeken. Hij noodigde verscheidene edellieden met hem ter tafel, waar o.a. de Fransche gezanten, de heeren de Laval en des Pruneaux zijn gasten zouden zijn. Zij zouden allen het avondeten gebruiken op het banket door “Monsieur” aan de Staten-Generaal, de officieren van Antwerpen enz. ter herinnering aan zijn geboortedagte geven. Het middagmaal bij den Prins was geheel en famille; het geheele huishouden was aan tafel en daaronder ook Maurits, toen 14 jaar oud, en twee van de zonen van Graaf Jan. Daar de conversatie zeer levendig was bleef het gezelschap onder het dessert lang bijeen.Toen de maaltijd geëindigd was, ging de Prins met den graaf van Hollock en den genoemden de Laval uit de groote kamer, door het gezelschap gevolgd. Laval bekeek het behangsel en sprak daarover met den Prins, die hem verschillende dingen daaromtrent zeide en zijn blik er eveneens op richtte. Hij was juist op het punt een tweede kamer binnen te treden, terwijl hij zijn oogen opwaarts sloeg, toen er plotseling een persoon, klein van stuk, zich voor hem vertoonde, alsof hij een request had aan te bieden. Die persoon was ongeveer 23 of 24 jaar, had een slecht uiterlijk, een bleeke gelaatskleur, en een donker zwaarmoedigen trek; hij was geschoren, behalve op de bovenlip, waar enkele zwarte haartjes voor den dag begonnen te komen. Eenhellebaardierdrong hem terug, maar hij trad vooruit en schoot plotseling een pistool, dat onzichtbaar was geweest, op den Prins af.Het pistool was overladen, sprong in zijn eigen hand terug, terwijl de kogel een hoogere richting nam en den Prins raakte tusschen het oor en het eind van de kaak aan den rechterkant; hij ging recht door de linkerwang, zonder een slagader, de kaak, de tong of tanden te hebben gekwetst, behalve, dat hij tegen een tand aanknarste. De Prins, wankelend noch verschrikt, keek den kerel aan en deze, ontzet over zijn eigen daad en als het ware door een goddelijke macht aan den grond genageld, liet zijn dolk vallen; een zekere Bonnyvet greep hem bij de borst en onmiddellijk werd hij door het gezelschap van den Prins vermoord, zeer tegen Oranje’s wil die nog riep hem te sparen, maar het was vergeefsch, want in minder dan een oogenblik had hij meer dan 33 doodelijke wonden ontvangen.Volgens een ander bericht, was het pistool van den moordenaar zoo dicht bij ’s Prinsen gelaat, dat zijn haar en baard verzengde, maar dat ook de wond aanstonds inbrandde, toen de kogel passeerde en er aldus bloedverlies werd voorkomen. De daad had zulk een snel verloop, dat Oranje het minst van allen wist, wat er gebeurd was. De Prins dacht inderdaad, dat er een deel van de zoldering inviel. Toen hij van zijn verbazing was bekomen, dacht hij eerst aan den misdadiger en zeide haastig: “Dood hem niet, ik vergeef hem mijn dood,” en zich daarop tot den Franschen gezant wendend, voegde hij er bij: “Zijne Hoogheid verliest in mij een getrouw dienaar.”Onmiddellijk daarna werd hij naar zijn kamer geleid, aan beide kanten ondersteund, want alleen gaan kon hij niet. De eerste meening onder de aanwezigen was, dat er Fransch verraad in het spel was en die meening vond, toen het nieuws bekend werd, haar echo in de geheele stad. In een oogenblik won de vrees, dat de nieuwe souverein een tweeden Bartholomeusnacht had willen wakker roepen, een willig oor.Voor een jongen van 14 jaar was de zelfbeheersching van Maurits, die voor zijn oogen op zijn vader had zien schieten, bijzonder sterk. Hij deed geen uitroepen, maar stond rustig bij het lijk van den moordenaar, om toe te zien, dat er buiten zijn weten geene papieren werden weggenomen. Bij het opnemen vanhet pistool ontdekte men, dat bij zijn ontlading een duim van Jaureguy was afgeschoten, zoodat deze niet in staat was geweest, om zijn dolk, die in zijn broek werd gevonden, te gebruiken.Toen werd er een nader onderzoek ingesteld; enkele papieren en pamfletten werden gevonden en aan Maurits gegeven, die ze aan een van de dienaars van zijn vader toonde, terwijl hij in tranen uitbarstte en zeide: “Kijk eens wat de ellendeling bij zich had.” Die dienaar antwoordde: “Bedaar, Monsieur! God kan uw vader nog behouden; maar draag zorg voor de papieren, we moeten iets omtrent den man ontdekken, of de heele stad komt in beweging.”Daarop hernam Maurits: “Helaas! ik ben bang, dat hier een andere deugniet achter zit, die hem van ons wil wegnemen.” De edele knaap zei dit, omdat er een praatje in de kamer liep, dat de menschen, die den moordenaar hadden doodgeslagen, zijn medeplichtigen waren, zoodat een oogenblik het vermoeden viel op ’s Prinsen beste vrienden en dienaars.Toen de jonge graaf aldus gesproken had, wierp de bovenvermelde dienaar zijn mantel over hem heen en zeide: “Kom mee, Monsieur, ik zal uwe papieren in veiligheid brengen.” Hij deed dit en nam hem mee naar de gezelschapskamer van het huis. Daar in veiligheid, keken ze de papieren door en zagen spoedig dat alles in het Spaansch was geschreven. “Monsieur, daar is geen gevaar bij,” zei de dienaar. “Ga terug en doe een verder onderzoek. Ik zal bij u blijven.” Dit werd gedaan en toen haastte zich de dienaar om iedereen te verzekeren, dat een Spanjaard de daad had bedreven en dat alle vermoedens tegen de Franschen dus ongegrond waren.Maurits keerde terug met de rest van de papieren, een kruis en een Agnus Dei, een groene waskaars en twee andere dingen, die men voor toovermiddelen aanzag. De dienaar keek de eerste papieren door en hij bevond, dat het gebeden en geloften waren. Toen brak hij het zegel van een pakket brieven stuk, waaruit bleek, dat ze in het Spaansch door een Spanjaard aan een Spanjaard waren geschreven. Hij deelde dit feit mede en liet toen het verder onderzoek over aan Aldegonde, die spoedig op het tooneel verscheen. Toen de rest van het pakket werd geopend, vond Marnix twee credietbrieven, een voor 2000 en een voor 877 kronen met adressen alle in het Spaansch door Spanjaarden geschreven. De boeken waren een getijdeboek, een Jezuïetische catechismus en twee zakboekjes, van het eene eind tot het andere beschreven met zaken, die op zijn plan betrekking hadden. Er werden daarin o.a. giften beloofd aan de Maagd Maria, aan den Engel Gabriël, aan Christus en den zoon van Christus (even of Christus een zoon hadde, voegt van Meteren hierbij), als zij met den Almachtige hem behulpzaam waren bij zijn opzet. Hij verbond zich zelfs, een week lang op water en brood te leven, als hij ongedeerd ontsnapte. Ook was er een toovermiddel bij, waaraan hij de kracht toeschreef, hem onmiddellijk na het volvoeren van zijn daad onzichtbaar te maken.Spoedig werd Anjou door Aldegonde geheel op de hoogte gebracht. Hij riep den Raad van State bijeen, bepaalde een vervroegde zitting van de Staten-Generaal en vaardigde een proclamatie uit, die alle personen, die slechts eenig licht konden verspreiden over de misdaad opriep, om dit onmiddellijk te doen.Het voornaamste doel was uit te vinden, hoe ver vertakt het complot was. Spoedig ontwarde men de geheele historie en bewees men duidelijk, dat het geheim van dezen aanslag slechts aan vier menschen bekend was.De feiten waren als volgt. Gaspar d’Anastro was een Spaansch koopman in Antwerpen. De tijden waren slecht en hij stond op het punt van bankroet te gaan, toen Filips’ aanbod hem een kans scheen te bieden, zich financieel te redden. Hij trad daarop in briefwisseling met Filips en teekende een contract, waarbij hij beloofde den Prins binnen een bepaalde tijdruimte te dooden. Hij zou daarvoor 80,000 dukaten en het kruis van Sint Jago ontvangen. Oranje liet inderdaad zóóveel menschen bij zich toe, dat de daad wel mogelijk, maar ontsnapping onwaarschijnlijk scheen en Anastro zelf, door zuiver baatzuchtige motieven geleid, had geen lust, zijn leven te gelijk met dat van zijn slachtoffer in de waagschaal te stellen. Hij had een ander Spanjaard als kassier, n.l. Venero, dien hij in vertrouwen nam. Zij spraken samen af, het plan door hun dienaar Jean Jaureguy te doen volvoeren.Hoe zij er in geslaagd zijn, dezen te overreden, wordt niet verhaald. Toewijding aan Anastro of godsdienstijver moet de bron zijner daad geweest zijn, want zijn eigen aandeel zou, gelijk de wisselbrieven aanduidden, slechts 2877 kronen zijn geweest. Anastro zelf ging, na het plan te hebben vastgesteld, naar Duinkerken; ontving, onder voorgeven van ziekte, van zijn agent te Calais een paspoort over de grens en was veilig binnen Parma’s gebied, twee uur voordat de order kwam, hem te arresteeren. Venero, de kassier en een Dominikaansche monnik Zimmermann waren de eenige slachtoffers van de volksverontwaardiging. De laatste had Jaureguy’s plan uit zijn mond gehoord en was dus met de daad bekend voor hare uitvoering. Beiden werden op den 28enMaart ter dood gebracht, zoodat het volgend briefje van Oranje aan Aldegonde, zonder datum waarschijnlijk op den 27enis geschreven:“M. de St. Aldegonde:“Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon, die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u, dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan, maar zich tevreden stelt met een korten dood.Uw goede vriendWm. van Nassau.”Overeenkomstig dit verzoek, dat het edel karakter en den hoogen geest van hem die het deed, ten volle kenmerkt, werden Venero en Zimmermann geworgd, voordat men ze vierendeelde en werden hun dus de martelingen gespaard, die men gewoonlijk arme misdadigers aandeed, voordat de dood hen uit hun lijden verloste. De executie vond plaats op Woensdag 28 Maart, tien dagen na de misdaad, tegenover het stadhuis.De eerste droefheid van de verschrikte huisgenooten was deerniswaardig. De arme Prinses, door hartstochtelijke smart overweldigd, viel telkens in zwijm; de kinderen liepen met tranen en angstkreten het huis door en de geheele familie was verbijsterd. Hoe Maurits zich beheerschte, werd reeds gezegd en de anderen vergaten ook spoedig zichzelf, uit zorg voor den gewonde, die gedurende drie weken in zeer angstvollen toestand bleef.De patiënt was veel meer met de gedachte bezig om toch Anjou tegen elk vermoeden te vrijwaren en hem in zijn gezag te steunen, dan met zich zelf. Doch de minste inspanning was uiterst gevaarlijk. De kogel was in den nek onder het rechteroor gedrongen, was verder iets naar beneden onder het verhemelte den mond doorgegaan en kwam, slechts een tand geraakt hebbende, onder het linkerkakebeen er weer uit. De inbranding hield de bloeding, die noodlottig had kunnen worden, eerst tegen, maar ook nadat de wond was verbonden, bleef er voortdurend gevaar bestaan, dat zij opnieuw ging bloeden, daar het onmogelijk was, het verband op die plaats zeer vast te maken.“Nooit,” zoo schreef Marie aan graaf Jan, “zijn we in grooter vrees geweest, want we dachten zeker, dat onze vader ging sterven. Veertien dagen na het schot had hij zulk een bloeding uit een ader, die slechts onbeduidend geraakt was, dat we alle hoop opgaven. Die bloeding duurde verscheidene dagen. Hij zelf bereidde zich ter dood en ons allen vaarwel zeggende, sprak hij: “Het is met mij gedaan.” Gij kunt wel begrijpen hoe wij te moede waren, onzen heer in zulk een lijden te zien, zonder in staat te zijn, hem te helpen. Nooit zal ik dien dag vergeten. Maar als door een wonder is hij behouden. Nu is er in 14 dagen geen bloeding geweest en denken de genees- en heelmeesters, dat hij weer zijn volle gezondheid zal terugkrijgen. Hij moet zich nog doodstil houden en geen woord mag hij meer spreken, dan noodzakelijk is. Dat is ook de reden, waarom Filips (Engel, de secretaris) uw vragen nog niet heeft beantwoord. De geneesheeren verbieden op dit oogenblik mijn vader elke bezigheid. Ik wenschte, dat het mogelijk was dat Uwe Exc. eens kon zien, hoe mijn heer is veranderd en hoe mager hij is geworden. Men ziet werkelijk niets dan vel en beenderen; zijn vleesch zal, hoop ik, terugkomen, als hij begint te eten. Tot nu toe at hij geen spijs; alleen wat geweekt brood en soep; kauwen kan hij niet; maar binnen een dag of twee, hoop ik, zal hem wel toegestaan worden, wat te gebruiken. In de grootste haast.Uwer Exc. geheel toegewijde dochtertot het eind van mijn leven,M. F. v. N. v. O.”Onvermijdelijk scheen werkelijk de dood, toen het verband openging; het leek onmogelijk het bloeden te doen ophouden, zonder dat de lijder zou stikken. Toen verloor hij meer dan twaalf pond bloed. De geneesheer van Anjou zelf, met name Leonardo Botalli, raadde een eenvoudig, krachtdadig middel aan. Verscheidene personen, elkander afwisselende, moesten zonder ophouden den duim op de wondaan de keel houden. Dit geschiedde nacht en dag gedurende eenigen tijd en inderdaad werd de bloeding gestelpt en ging de wond dicht.Op 21 April schreef Marie: “Meherbegint te eten. Het kauwen gaat moeilijk, maar het schijnt hem goed te smaken.” De herstelling, eens begonnen, scheen spoedig te zijn voortgegaan, daar hij op denzelfden dag aan den graaf schreef in antwoord op de vragen van Filips Engel. Dit antwoord was in tamelijk koelen toon, in aanmerking genomen, dat de Prins zoo doodelijk ziek was geweest en aan zijn broeder schreef. Aan Condé zond hij op 25 April een veel warmer briefje. Wij vermoeden, dat Oranje tot de zaken terugkeerende, aan graaf Jan, die hier alles aan zijn beloop had overgelaten, niet veel bijzonders te zeggen had. Op den 2enMei was de invalide in staat naar de kerk te gaan, om daar God te danken voor zijn behoud.Even dwaas als het gerucht omtrent Fransch verraad bij dezen eersten moordaanslag, was de zekerheid, die men onder de vijanden aangaande het gelukken van dien aanslag koesterde. Parma was bij de eerste berichten aanstonds gereed, om aan de steden te schrijven en ze op te wekken, nu de Prins dood was, den weg der rebellie te verlaten en terug te keeren tot de wapens van hun koning. Toen hij hoorde dat Oranje slechts was gewond, dacht hij dat dit bericht een list was, om de steden van daden terug te houden. Ook Granvelle geloofde vast en zeker in ’s Prinsen dood. Hij schreef nog op 20 Mei:“Ik beschouw het overlijden van den Prins als zeker. Indien hij niet zooveel geleden had op zijn sterfbed, dan zou ik wel gewenscht hebben dat zijn dood plotseling had plaats gehad. Dan was Alençon (Anjou) en zijn geheele gevolg stellig ook gemassacreerd.”In een anderen brief stelde hij voor, dat de graaf van Buren naar de Nederlanden als landvoogd zou worden gezonden. “Diens Spaansche opvoeding moest trouw aan Filips waarborgen en wegens zijn bloedverwantschap met den Prins zou hij bij het volk aannemelijk zijn.”Toen Granvelle hoorde, dat de Prins nog leefde, was hij zeer teleurgesteld. Op den 2enJuni schreef hij: “Van Fransche zijde hoor ik tot mijn schrik, dat Oranje nog leeft en met Alençon voor een venster gezien is, terwijl hij nog een pleister op een van zijn wangen had. Fortassis spectrum (misschien een spook). Ik kan alleen nog maar hopen, dat hij dood is... Ook heeft men mij verzekerd, dat zijn afvallige non aan pleuris gestorven is. Het zou mooi zijn als ze samen begraven werden.”De kogel van Jaureguy had dus gefaald. Zijn onmiddellijk slachtoffer was gespaard; maar hij kostte het leven van een ander, die den Prins zeer dierbaar was. Charlotte van Bourbon herstelde niet van den schrik op den 18enMaart ondervonden. Haar reeds geknakte gezondheid kon de zorg voor den lijdenden Prins niet verdragen. Toen deze reeds het gevaar te boven was, werd zij doorkoorts aangetast, waaraan ze, drie dagen nadat de Prins voor het eerst weder ter kerk was geweest, op den 5enMei bezweek.Indien Oranje zich staatkundig voordeel van zijn huwelijk met Charlotte van Bourbon had voorgesteld, dan viel dit wel zeer tegen. Het verbond met Frankrijk kwam in ’t geheel niet door hare bemoeiingen tot stand en zeker was het verlies van vele Duitsche vrienden het gevolg van dit huwelijk geweest. Uit politiek oogpunt mocht het dan ook een dwaling van Oranje geweest zijn, het huwelijk was er niettemin bijzonder gelukkig om. Van het begin af was Charlotte eene liefhebbende en gelukkige vrouw, die weinig aanspraken had en zeer dankbaar was voor al wat het nieuwe leven haar schonk. Geheel vreemd bleef ze niet aan de staatkunde van haar echtgenoot, al was ze ook geen staatkundige vrouw. In zijn afwezigheid handelde ze meer dan eens als zijn plaatsvervangster. Ze liet zes kleine meisjes onder de zeven jaar achter. De geboorte der eerste drie werd vermeld. In 1579, 1580, 1581 zagen nog achtereenvolgens het levenslicht: Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana.Uit alles blijkt, dat het leven, door dit gezin van den Prins geleid, op verre na niet weelderig was. Maar Charlotte klaagde niet licht. Haar ongemakkelijke en onvoegzame woningen, haar koude barakken, die zij in alle steden, waar ze zich ophield, moest betrekken, waren niet in staat, haar het goede humeur te doen verliezen; haar wezenlijk geluk vond zij in “onze groote en kleine meisjes,” zooals zij die dikwijls in haar brieven noemde.Haar huwelijksleven was een verrukkelijk contrast met haar jeugd, die zij in het klooster doorbracht, zoowel als de jaren, toen zij geheel afhing van de mildheid van den keurvorst van de Paltz. Zij heeft door dat leven den laster geheel bezworen, die in de dagen van de voltrekking van haar huwelijk op haar werd geworpen; de echte waarde van haar karakter werd later door alle vrienden van den Prins erkend, die vroeger over de onvoorzichtigheid van dien echt een groote ontstemming getoond hadden. Haar schoonbroeder schreef in 1580, dat zij de grootste troost en steun voor den Prins was in zijn moeitevol leven, dank zij haar deugden en verstand. Zij werd ook innig door hem bemind.Antwerpen toonde haar alle mogelijke eer na haar dood. “Tweeduizend lange mantels,” zegt Hooft, “volgden haar lijk naar ’t graf op den 19enMei, maar haar deugden zullen haar in de nagedachtenis onsterfelijk maken, niet alleen in het hart van haar echtgenoot, maar in de harten van allen, die haar kenden.”Na den dood van de moeder der zes jonge meisjes, gaf Marie van Nassau het plan op, naar haar aangenomen vaderland te Dillenburg terug te keeren; zij wijdde zich geheel en al aan de zorg voor haar kleine stiefzusjes. Korten tijd daarna bood Charlotte’s vader, de hertog van Montpensier, den Prins aan, om voor een zijner kleindochters te zorgen, hetgeen Willem gaarne aanvaardde, zooals uit den volgenden brief blijkt:“Monsieur!Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het verlangen uitdrukt, een mijnerkleine meisjes te hebben, zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den 14envan hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen, vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden, dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren, dat er voor het kind goed gezorgd zal worden.”Van de vernieuwde populariteit, waarin Oranje zich na zijn herstel mocht verheugen, maakte men gebruik een beroep op de verschillende Staten te doen, om den Prins schadeloos te stellen voor de uitgaven, die hij zich ten behoeve van het land had getroost. Dientengevolge werd hem de abdij Afflighem, het graafschap van Aalst en het markiezaat van Bergen gegeven. Ook ontving hij van tijd tot tijd andere in bezit genomen kerkelijke goederen, o.a. het oude klooster te Delft, waar hij later zijn leven eindigde.Holland inzonderheid wilde zijn dankbaarheid voor zijn behoud toonen. Reeds verscheidene malen hadden de Staten van dat gewest zich afkeerig getoond van een vreemden souverein; het graafschap wilden ze aan Oranje geven. Dit aanbod werd na zijn ziekte herhaald en door den Prins aangenomen in een brief van 14 Augustus uit Brugge. Toch was dit aanbod en het aannemen slechts voorloopig. Eerst na de Fransche furie hadden er officieele onderhandelingen plaats, die slechts door den dood van Oranje werden afgebroken.Het merkwaardige van de transactie in 1582 was daarin gelegen, dat Holland duidelijk te kennen gaf, vast besloten te zijn, als Staat niets met den nieuwen beschermer te maken te willen hebben en dat de Prins inzag, dat verdere pogingen zijnerzijds, om Anjou tot souverein van Holland te maken, geheel vergeefsch zouden zijn. Ook erkende hij door zijn voorloopige toestemming, dat zijn droomen van een Constitutioneele unie van de Vereenigde Nederlanden als ijdel moesten worden beschouwd.
In het jaar 1581, waarin het verdrag van Plessis-les-Tours was gesloten en Filips was afgezworen, kwam het Noorden steeds meer in het nauw. Rennenberg overleefde zijn verraad niet lang. Reeds in Juli van dat jaar stierf hij; doch de reactie, waaraan de vloek van zijn naam is verbonden, werd met dien dood niet vernietigd. Hij en zijn opvolger Verdugo vonden wel krachtige bestrijders in Hohenlohe, Willem Lodewijk (oudste zoon van graaf Jan), Norris e. a., doch ook de Spaanschgezinden bleven volhouden en zouden nog dertien jaar met afwisselend geluk in de Noordelijke gewesten strijden, eer Maurits in 1594 Groningen ten onder bracht.
Ook de val van Breda was een groote slag, inzonderheid voor den Prins. In zijn eigen stad, waar de burgers in 1577 zoo verblijd waren geweest, dat ze weer onder hun eigen heer kwamen, werd het gezag des konings hersteld. Het volk toonde wel flinken weerstand, maar was te klein in aantal, om hun moed bekroond te zien. De abt van St.-Geertrui haastte zich er heen te gaan en herstelde er den katholieken godsdienst. Volgens Strada keerde aldus de stad tot haar koning terug en de zielen harer burgers tot God. Die inneming was buitendien voor Antwerpen hoogst gevaarlijk en bereidde de verovering van geheel Brabant door Parma voor. In het Zuiden werd Doornik genomen, dat hem aanleiding gaf, diep in Vlaanderen door te dringen. Kamerijk, dat door hem belegerd werd, kon Anjou nog behouden; hij was met 5000 ruiters de grenzen overgekomen, doch daar hij zag, dat de Staten nog niet gereed waren hem te ontvangen, ging hij naar Engeland om Elisabeth te ontmoeten. Toen viel Parma de inneming van Doornik gemakkelijk.
De Prins had ondertusschen den Haag verlaten, Zeeland bezocht en zijne nieuwe markiezaten in bezit genomen. Daarop ging hij naar Gent, met het plan tegen October naar Antwerpen te gaan, waar de Staten-Generaal, volgens de bepalingenin den Haag gemaakt, zouden samen komen. Daar hield hij o. a. deze verontwaardigde rede onder den indruk van de gevaren die dreigden en van de blindheid van het volk voor die gevaren. Het was een toon, dien hij zoo dikwijls had moeten aanslaan, gericht tegen het gebrek aan opoffering voor het algemeen:
“Doornik wordt belegerd en andere onheilen bedreigen ons. Onder deze omstandigheden, Mijne Heeren, is deze achteloosheid een ongeloofelijk groote ramp, die niet voortkomt uit gebrek aan inzicht of uit traagheid, maar eenvoudig uit het feit, dat iedereen meer belang stelt in zijn bijzondere zaken, dan in het algemeen welzijn. Het volk wil het niet tot werkelijkheid maken, dat deze oorlog zijn oorlog is; dat zij zelf het zijn, die vechten voor hun vrijheid, voor hun persoon, voor hun geweten. Van daar dat zij, als er geld gevraagd wordt, zonder hetgeen ik, noch eenig sterfelijk mensch den oorlog kan ondernemen, er altijd over harrewarren, alsof zij nog aan het babbelen waren met den overleden keizer. Zij moesten inzien, dat zij het niet aan mij weigeren, maar aan hen zelf. Ik heb hun geld niet noodig—al hebben lasteraars mij beschuldigd, dat dit wel zoo is. Nog eens zeg ik u, Mijne Heeren, het is uw oorlog en als men u vraagt te beraadslagen, dan is het over uw eigen zaken. Elk gewest heeft zijn eigen raad, ieder land zijn eigen krachten en geld, zoodat wat veel zou zijn voor allen, weinig is voor elk afzonderlijk.
“Het is waar, dat er een centrale raad is ingesteld, maar zonder macht. Waar geen gezag is, hoe kan daar militaire tucht zijn, hoe kunnen de financiën, de rechtspraak en andere zaken worden geregeld? En gezag kan er niet zijn bij hen, die geen sou kunnen uitbetalen, zooals met mij op het oogenblik het geval is. Gij moet inzien, dat de regeering, door u zelf en door de Staten gevestigd, niet langer kan blijven bestaan dan tot het einde van Januari. Indien gij op dien tijd geen order op deze zaken gesteld hebt, dan zal er geen bestuurder meer noodig zijn, omdat er geen land meer zal wezen.”
Een van de redenen, waarom Anjou in den loop van het jaar 1581 naar Engeland overstak, in plaats van in ons land te blijven, was dus het gebrek aan gezamenlijke pogingen van de Staten, om de noodige gelden bijeen te krijgen. Een andere reden van dat vertrek naar Engeland was gelegen in zijne stellige verwachting, dat Koningin Elisabeth hem haar hand zou schenken, waarop in den zomer van 1581 alle kans scheen te bestaan. Het huwelijkscontract was zelfs in Juni geteekend en de ceremoniën voor het huwelijk werden vastgesteld—ja zelfs de ringen werden uitgewisseld tusschen de vijftigjarige maagd en den jongen, maar onbevalligen hertog van Anjou, toen deze in October Vlaanderen verliet en naar Engeland overstak. Toch was dit alles niets dan staatkunde van de zijde van Elisabeth; wel wilde zij Frankrijk te vriend houden, doch toen zij Hendrik III als een gevolg van haar huwelijksverbintenis een alliantie met Frankrijk tegen Spanje wilde doen teekenen, weigerde deze dien stap te doen en weer was het huwelijk voor onbepaalden tijd uitgesteld.
Ondertusschen was Marnix van St. Aldegonde reeds in November het kanaal overgestoken, om bij Anjou aan te dringen op zijn spoedige terugkomst. In Januarimoest die gezant aan Anjou mededeelen, dat men een anderen beschermer zou zoeken, indien hij niet terugkwam. De gelden waren op Oranje’s ernstig woord losgekomen; men maakte zich tot de ontvangst van den hertog gereed en wilde ook niet langer wachten. Anjou zelf begon het spel te doorzien, dat Elisabeth met hem speelde en zette op den 8enFebruari 1582 koers naar Vlissingen, vergezeld door een stoet van edellieden, waaronder Leicester en Sidney behoorden. Op den 10enkwam hij aldaar aan en werd met groote eerbewijzen door Oranje ontvangen.
Eindelijk was het dus aan de onvermoeide pogingen van den Prins gelukt, een Fransch protectoraat over de gewesten te vestigen.Nu moest zijn diep geloof, dat in dit verbond hun eenige hoop was gelegen, worden bewaarheid. De langdradige, behoedzame argumenten van zijn broeder Jan daartegen, beantwoordde hij o. a. op de volgende wijze:
“Men moest ons daarom niet smaden; want wij voor onzen persoon verbinden ons niet, noch bieden hem onzen dienst aan; maar de Staten dezer landen verkeeren in zulk een uitersten nood, zijn zoo geheel en al door de gansche wereld verlaten, dat ze de hulp, die hun door hem werd aangeboden, moesten aannemen. Als zij daarom te beschuldigen zijn, dan moest men evengoed den man, die naar Jericho reisde, zooals in de gelijkenis voorkomt, beschuldigen, dat hij de hulp van den Samaritaan niet afsloeg, toen hij, onder moordenaars gevallen, half dood op den weg lag en de priester en Leviet waren voorbijgegaan, zonder hem barmhartigheid te toonen. Toch werd niet de gewonde, maar werden die andere waardige vaders, die voorbij waren gegaan en niet hadden geholpen, door Christus beschuldigd. Het was daarom te wenschen, dat zij, die den hertog van Anjou voor een Samaritaan of een vijand der Christelijke kerk aanzien, liever dan dit volk, dat hulp en troost in zijn jammer zoekt, te berispen, metterdaad zooveel medelijden getoond hadden, dat het niet noodig ware geweest, andere hulp aan te nemen.”
Hoewel die vergelijking van den Samaritaan met Anjou waarlijk niet opgaat, is toch de verzwegen gelijkstelling van het geloofsverwante Duitschland en Engeland met den priester en den Leviet zeer teekenend en verdienden die landen, die allereerst tot hulp verplicht waren geweest, ten volle de toespeling.
Tegenover anderen, die hem voor Anjou waarschuwden, merkte hij op, dat een dog, wiens aard al te bekend was, best een trouwe herdershond kon worden, als hij slechts behoorlijk gemuilband werd; terwijl hij tot allen, die eerlijk meenden, dat de Prins de opgestane gewesten van de hel in het vagevuur bracht, zeide: “Het is de vraag niet, wat we noodig hebben, maar wat wij krijgen kunnen.”
Van Vlissingen, waar Anjou was aangekomen, werd hij in triomf naar Middelburg begeleid, waar de ontvangst schitterend was, doch die nog overtroffen werd bij zijn komst in Antwerpen. Daar riep men den Franschen prins als hertog van Brabant uit en werd hem de hertogelijke mantel omgehangen en de hoed op op ’t hoofd gezet. De Prins van Oranje zou daarbij de woorden gesproken hebben: “De knoop, waarmee deze mantel wordt toegehecht, moet zoo vast en stevig zijn, dat niemand hem weder zal kunnen losmaken.”
Menigeen van de toeschouwers zou hebben opgemerkt, dat de knoop niet zoo stevig was toegehaald en de hoed niet goed op het hoofd geplaatst was; laterbeschouwden ze dit als een voorteeken der volgende gebeurtenissen. Ook meenden bijgeloovige lieden in hevige stormen en in een aardbeving, die Brabant in het laatst van Februari teisterden, voorteekens te zien van kwade dingen. Leicester en Walter Raleigh waren bij die kroning tegenwoordig. Toen zij naar Engeland terugkeerden, droeg de Prins hun op, aan Elisabeth, die gaarne in het latijn werd toegesproken, te zeggen: “Sub umbra alarum tuarum protegimur.” (Onder de schaduw uwer vleugelen worden wij beschermd).
Ondertusschen was zelfs de dag der kroning voor den Franschen prins reeds een bewijs, dat zijn heerschappij over het volk zeer beperkt zou wezen. Eeden van allerlei aard werden van hem gevraagd en geen poging werd verzuimd, om reeds van te voren alle geliefkoosde provinciale en stedelijke voorrechten tegen mogelijke inbreuk daarop te beschermen.
Het duurde dan ook geen veertien dagen, of er ontstond reeds een onaangename verhouding tusschen den nieuwen vorst en zijne onderdanen. Antwerpen was toen geheel in de macht der Calvinisten; den katholieken was in 1580 slechts in enkele kerken doop en huwelijk volgens hun godsdienstig gebruik toegestaan en nu kostte het Anjou en zijn katholiek gevolg reeds moeite om een kerkgebouw te verkrijgen, waar zij volledig hun eeredienst konden uitoefenen. Buitendien nam de Vlaamsche bevolking aan de leefwijze der Fransche edelen aanstoot en vertrouwde ze Anjou’s troepen in Vlaanderen niet. Op den 18enMaart kwam daar iets bij, dat het volk bijna naar de wapenen had doen grijpen, omdat het in den waan verkeerde, dat er Fransch verraad bij in het spel was.
Wat gebeurde er namelijk op den 18enMaart? De prijs, door Filips op het hoofd van Oranje uitgeloofd, mocht in de oogen van ’s Prinsen royale vijanden een schande zijn voor hen, die dat gruwelstuk hadden ondernomen, er waren misdadigers genoeg, die aangelokt door den prijs en den adelstand, over het volvoeren van die snoode daad peinsden. Ook ontbrak het niet aan fanatieken, die droomden van de eer, die hun te beurt zou vallen, als zij het werktuig waren, waardoor de Kerk van die pest werd verlost.
Vele maanden vlogen echter voorbij, voordat òf zulk een moordenaar òf zulk een droomer zijn plan ten uitvoer bracht. De eerste aanslag had een maand na Anjou’s installatie in Antwerpen plaats en was bijna geslaagd.
Op den 18enMaart was het de geboortedag van den nieuwen souverein en allerlei voorbereidingen waren er gemaakt, om dat feest des avonds te vieren. ’s Morgens (het was op een Zondag) ging Oranje naar de kerk en wel naar de kapel, die hij op den citadel-heuvel had gesticht. Een predikant uit Doornik zou er preeken. Hij noodigde verscheidene edellieden met hem ter tafel, waar o.a. de Fransche gezanten, de heeren de Laval en des Pruneaux zijn gasten zouden zijn. Zij zouden allen het avondeten gebruiken op het banket door “Monsieur” aan de Staten-Generaal, de officieren van Antwerpen enz. ter herinnering aan zijn geboortedagte geven. Het middagmaal bij den Prins was geheel en famille; het geheele huishouden was aan tafel en daaronder ook Maurits, toen 14 jaar oud, en twee van de zonen van Graaf Jan. Daar de conversatie zeer levendig was bleef het gezelschap onder het dessert lang bijeen.
Toen de maaltijd geëindigd was, ging de Prins met den graaf van Hollock en den genoemden de Laval uit de groote kamer, door het gezelschap gevolgd. Laval bekeek het behangsel en sprak daarover met den Prins, die hem verschillende dingen daaromtrent zeide en zijn blik er eveneens op richtte. Hij was juist op het punt een tweede kamer binnen te treden, terwijl hij zijn oogen opwaarts sloeg, toen er plotseling een persoon, klein van stuk, zich voor hem vertoonde, alsof hij een request had aan te bieden. Die persoon was ongeveer 23 of 24 jaar, had een slecht uiterlijk, een bleeke gelaatskleur, en een donker zwaarmoedigen trek; hij was geschoren, behalve op de bovenlip, waar enkele zwarte haartjes voor den dag begonnen te komen. Eenhellebaardierdrong hem terug, maar hij trad vooruit en schoot plotseling een pistool, dat onzichtbaar was geweest, op den Prins af.
Het pistool was overladen, sprong in zijn eigen hand terug, terwijl de kogel een hoogere richting nam en den Prins raakte tusschen het oor en het eind van de kaak aan den rechterkant; hij ging recht door de linkerwang, zonder een slagader, de kaak, de tong of tanden te hebben gekwetst, behalve, dat hij tegen een tand aanknarste. De Prins, wankelend noch verschrikt, keek den kerel aan en deze, ontzet over zijn eigen daad en als het ware door een goddelijke macht aan den grond genageld, liet zijn dolk vallen; een zekere Bonnyvet greep hem bij de borst en onmiddellijk werd hij door het gezelschap van den Prins vermoord, zeer tegen Oranje’s wil die nog riep hem te sparen, maar het was vergeefsch, want in minder dan een oogenblik had hij meer dan 33 doodelijke wonden ontvangen.
Volgens een ander bericht, was het pistool van den moordenaar zoo dicht bij ’s Prinsen gelaat, dat zijn haar en baard verzengde, maar dat ook de wond aanstonds inbrandde, toen de kogel passeerde en er aldus bloedverlies werd voorkomen. De daad had zulk een snel verloop, dat Oranje het minst van allen wist, wat er gebeurd was. De Prins dacht inderdaad, dat er een deel van de zoldering inviel. Toen hij van zijn verbazing was bekomen, dacht hij eerst aan den misdadiger en zeide haastig: “Dood hem niet, ik vergeef hem mijn dood,” en zich daarop tot den Franschen gezant wendend, voegde hij er bij: “Zijne Hoogheid verliest in mij een getrouw dienaar.”
Onmiddellijk daarna werd hij naar zijn kamer geleid, aan beide kanten ondersteund, want alleen gaan kon hij niet. De eerste meening onder de aanwezigen was, dat er Fransch verraad in het spel was en die meening vond, toen het nieuws bekend werd, haar echo in de geheele stad. In een oogenblik won de vrees, dat de nieuwe souverein een tweeden Bartholomeusnacht had willen wakker roepen, een willig oor.
Voor een jongen van 14 jaar was de zelfbeheersching van Maurits, die voor zijn oogen op zijn vader had zien schieten, bijzonder sterk. Hij deed geen uitroepen, maar stond rustig bij het lijk van den moordenaar, om toe te zien, dat er buiten zijn weten geene papieren werden weggenomen. Bij het opnemen vanhet pistool ontdekte men, dat bij zijn ontlading een duim van Jaureguy was afgeschoten, zoodat deze niet in staat was geweest, om zijn dolk, die in zijn broek werd gevonden, te gebruiken.
Toen werd er een nader onderzoek ingesteld; enkele papieren en pamfletten werden gevonden en aan Maurits gegeven, die ze aan een van de dienaars van zijn vader toonde, terwijl hij in tranen uitbarstte en zeide: “Kijk eens wat de ellendeling bij zich had.” Die dienaar antwoordde: “Bedaar, Monsieur! God kan uw vader nog behouden; maar draag zorg voor de papieren, we moeten iets omtrent den man ontdekken, of de heele stad komt in beweging.”
Daarop hernam Maurits: “Helaas! ik ben bang, dat hier een andere deugniet achter zit, die hem van ons wil wegnemen.” De edele knaap zei dit, omdat er een praatje in de kamer liep, dat de menschen, die den moordenaar hadden doodgeslagen, zijn medeplichtigen waren, zoodat een oogenblik het vermoeden viel op ’s Prinsen beste vrienden en dienaars.
Toen de jonge graaf aldus gesproken had, wierp de bovenvermelde dienaar zijn mantel over hem heen en zeide: “Kom mee, Monsieur, ik zal uwe papieren in veiligheid brengen.” Hij deed dit en nam hem mee naar de gezelschapskamer van het huis. Daar in veiligheid, keken ze de papieren door en zagen spoedig dat alles in het Spaansch was geschreven. “Monsieur, daar is geen gevaar bij,” zei de dienaar. “Ga terug en doe een verder onderzoek. Ik zal bij u blijven.” Dit werd gedaan en toen haastte zich de dienaar om iedereen te verzekeren, dat een Spanjaard de daad had bedreven en dat alle vermoedens tegen de Franschen dus ongegrond waren.
Maurits keerde terug met de rest van de papieren, een kruis en een Agnus Dei, een groene waskaars en twee andere dingen, die men voor toovermiddelen aanzag. De dienaar keek de eerste papieren door en hij bevond, dat het gebeden en geloften waren. Toen brak hij het zegel van een pakket brieven stuk, waaruit bleek, dat ze in het Spaansch door een Spanjaard aan een Spanjaard waren geschreven. Hij deelde dit feit mede en liet toen het verder onderzoek over aan Aldegonde, die spoedig op het tooneel verscheen. Toen de rest van het pakket werd geopend, vond Marnix twee credietbrieven, een voor 2000 en een voor 877 kronen met adressen alle in het Spaansch door Spanjaarden geschreven. De boeken waren een getijdeboek, een Jezuïetische catechismus en twee zakboekjes, van het eene eind tot het andere beschreven met zaken, die op zijn plan betrekking hadden. Er werden daarin o.a. giften beloofd aan de Maagd Maria, aan den Engel Gabriël, aan Christus en den zoon van Christus (even of Christus een zoon hadde, voegt van Meteren hierbij), als zij met den Almachtige hem behulpzaam waren bij zijn opzet. Hij verbond zich zelfs, een week lang op water en brood te leven, als hij ongedeerd ontsnapte. Ook was er een toovermiddel bij, waaraan hij de kracht toeschreef, hem onmiddellijk na het volvoeren van zijn daad onzichtbaar te maken.
Spoedig werd Anjou door Aldegonde geheel op de hoogte gebracht. Hij riep den Raad van State bijeen, bepaalde een vervroegde zitting van de Staten-Generaal en vaardigde een proclamatie uit, die alle personen, die slechts eenig licht konden verspreiden over de misdaad opriep, om dit onmiddellijk te doen.Het voornaamste doel was uit te vinden, hoe ver vertakt het complot was. Spoedig ontwarde men de geheele historie en bewees men duidelijk, dat het geheim van dezen aanslag slechts aan vier menschen bekend was.
De feiten waren als volgt. Gaspar d’Anastro was een Spaansch koopman in Antwerpen. De tijden waren slecht en hij stond op het punt van bankroet te gaan, toen Filips’ aanbod hem een kans scheen te bieden, zich financieel te redden. Hij trad daarop in briefwisseling met Filips en teekende een contract, waarbij hij beloofde den Prins binnen een bepaalde tijdruimte te dooden. Hij zou daarvoor 80,000 dukaten en het kruis van Sint Jago ontvangen. Oranje liet inderdaad zóóveel menschen bij zich toe, dat de daad wel mogelijk, maar ontsnapping onwaarschijnlijk scheen en Anastro zelf, door zuiver baatzuchtige motieven geleid, had geen lust, zijn leven te gelijk met dat van zijn slachtoffer in de waagschaal te stellen. Hij had een ander Spanjaard als kassier, n.l. Venero, dien hij in vertrouwen nam. Zij spraken samen af, het plan door hun dienaar Jean Jaureguy te doen volvoeren.
Hoe zij er in geslaagd zijn, dezen te overreden, wordt niet verhaald. Toewijding aan Anastro of godsdienstijver moet de bron zijner daad geweest zijn, want zijn eigen aandeel zou, gelijk de wisselbrieven aanduidden, slechts 2877 kronen zijn geweest. Anastro zelf ging, na het plan te hebben vastgesteld, naar Duinkerken; ontving, onder voorgeven van ziekte, van zijn agent te Calais een paspoort over de grens en was veilig binnen Parma’s gebied, twee uur voordat de order kwam, hem te arresteeren. Venero, de kassier en een Dominikaansche monnik Zimmermann waren de eenige slachtoffers van de volksverontwaardiging. De laatste had Jaureguy’s plan uit zijn mond gehoord en was dus met de daad bekend voor hare uitvoering. Beiden werden op den 28enMaart ter dood gebracht, zoodat het volgend briefje van Oranje aan Aldegonde, zonder datum waarschijnlijk op den 27enis geschreven:
“M. de St. Aldegonde:“Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon, die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u, dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan, maar zich tevreden stelt met een korten dood.Uw goede vriendWm. van Nassau.”
“M. de St. Aldegonde:
“Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon, die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u, dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan, maar zich tevreden stelt met een korten dood.
Uw goede vriendWm. van Nassau.”
Overeenkomstig dit verzoek, dat het edel karakter en den hoogen geest van hem die het deed, ten volle kenmerkt, werden Venero en Zimmermann geworgd, voordat men ze vierendeelde en werden hun dus de martelingen gespaard, die men gewoonlijk arme misdadigers aandeed, voordat de dood hen uit hun lijden verloste. De executie vond plaats op Woensdag 28 Maart, tien dagen na de misdaad, tegenover het stadhuis.
De eerste droefheid van de verschrikte huisgenooten was deerniswaardig. De arme Prinses, door hartstochtelijke smart overweldigd, viel telkens in zwijm; de kinderen liepen met tranen en angstkreten het huis door en de geheele familie was verbijsterd. Hoe Maurits zich beheerschte, werd reeds gezegd en de anderen vergaten ook spoedig zichzelf, uit zorg voor den gewonde, die gedurende drie weken in zeer angstvollen toestand bleef.
De patiënt was veel meer met de gedachte bezig om toch Anjou tegen elk vermoeden te vrijwaren en hem in zijn gezag te steunen, dan met zich zelf. Doch de minste inspanning was uiterst gevaarlijk. De kogel was in den nek onder het rechteroor gedrongen, was verder iets naar beneden onder het verhemelte den mond doorgegaan en kwam, slechts een tand geraakt hebbende, onder het linkerkakebeen er weer uit. De inbranding hield de bloeding, die noodlottig had kunnen worden, eerst tegen, maar ook nadat de wond was verbonden, bleef er voortdurend gevaar bestaan, dat zij opnieuw ging bloeden, daar het onmogelijk was, het verband op die plaats zeer vast te maken.
“Nooit,” zoo schreef Marie aan graaf Jan, “zijn we in grooter vrees geweest, want we dachten zeker, dat onze vader ging sterven. Veertien dagen na het schot had hij zulk een bloeding uit een ader, die slechts onbeduidend geraakt was, dat we alle hoop opgaven. Die bloeding duurde verscheidene dagen. Hij zelf bereidde zich ter dood en ons allen vaarwel zeggende, sprak hij: “Het is met mij gedaan.” Gij kunt wel begrijpen hoe wij te moede waren, onzen heer in zulk een lijden te zien, zonder in staat te zijn, hem te helpen. Nooit zal ik dien dag vergeten. Maar als door een wonder is hij behouden. Nu is er in 14 dagen geen bloeding geweest en denken de genees- en heelmeesters, dat hij weer zijn volle gezondheid zal terugkrijgen. Hij moet zich nog doodstil houden en geen woord mag hij meer spreken, dan noodzakelijk is. Dat is ook de reden, waarom Filips (Engel, de secretaris) uw vragen nog niet heeft beantwoord. De geneesheeren verbieden op dit oogenblik mijn vader elke bezigheid. Ik wenschte, dat het mogelijk was dat Uwe Exc. eens kon zien, hoe mijn heer is veranderd en hoe mager hij is geworden. Men ziet werkelijk niets dan vel en beenderen; zijn vleesch zal, hoop ik, terugkomen, als hij begint te eten. Tot nu toe at hij geen spijs; alleen wat geweekt brood en soep; kauwen kan hij niet; maar binnen een dag of twee, hoop ik, zal hem wel toegestaan worden, wat te gebruiken. In de grootste haast.
Uwer Exc. geheel toegewijde dochtertot het eind van mijn leven,M. F. v. N. v. O.”
Onvermijdelijk scheen werkelijk de dood, toen het verband openging; het leek onmogelijk het bloeden te doen ophouden, zonder dat de lijder zou stikken. Toen verloor hij meer dan twaalf pond bloed. De geneesheer van Anjou zelf, met name Leonardo Botalli, raadde een eenvoudig, krachtdadig middel aan. Verscheidene personen, elkander afwisselende, moesten zonder ophouden den duim op de wondaan de keel houden. Dit geschiedde nacht en dag gedurende eenigen tijd en inderdaad werd de bloeding gestelpt en ging de wond dicht.
Op 21 April schreef Marie: “Meherbegint te eten. Het kauwen gaat moeilijk, maar het schijnt hem goed te smaken.” De herstelling, eens begonnen, scheen spoedig te zijn voortgegaan, daar hij op denzelfden dag aan den graaf schreef in antwoord op de vragen van Filips Engel. Dit antwoord was in tamelijk koelen toon, in aanmerking genomen, dat de Prins zoo doodelijk ziek was geweest en aan zijn broeder schreef. Aan Condé zond hij op 25 April een veel warmer briefje. Wij vermoeden, dat Oranje tot de zaken terugkeerende, aan graaf Jan, die hier alles aan zijn beloop had overgelaten, niet veel bijzonders te zeggen had. Op den 2enMei was de invalide in staat naar de kerk te gaan, om daar God te danken voor zijn behoud.
Even dwaas als het gerucht omtrent Fransch verraad bij dezen eersten moordaanslag, was de zekerheid, die men onder de vijanden aangaande het gelukken van dien aanslag koesterde. Parma was bij de eerste berichten aanstonds gereed, om aan de steden te schrijven en ze op te wekken, nu de Prins dood was, den weg der rebellie te verlaten en terug te keeren tot de wapens van hun koning. Toen hij hoorde dat Oranje slechts was gewond, dacht hij dat dit bericht een list was, om de steden van daden terug te houden. Ook Granvelle geloofde vast en zeker in ’s Prinsen dood. Hij schreef nog op 20 Mei:
“Ik beschouw het overlijden van den Prins als zeker. Indien hij niet zooveel geleden had op zijn sterfbed, dan zou ik wel gewenscht hebben dat zijn dood plotseling had plaats gehad. Dan was Alençon (Anjou) en zijn geheele gevolg stellig ook gemassacreerd.”
In een anderen brief stelde hij voor, dat de graaf van Buren naar de Nederlanden als landvoogd zou worden gezonden. “Diens Spaansche opvoeding moest trouw aan Filips waarborgen en wegens zijn bloedverwantschap met den Prins zou hij bij het volk aannemelijk zijn.”
Toen Granvelle hoorde, dat de Prins nog leefde, was hij zeer teleurgesteld. Op den 2enJuni schreef hij: “Van Fransche zijde hoor ik tot mijn schrik, dat Oranje nog leeft en met Alençon voor een venster gezien is, terwijl hij nog een pleister op een van zijn wangen had. Fortassis spectrum (misschien een spook). Ik kan alleen nog maar hopen, dat hij dood is... Ook heeft men mij verzekerd, dat zijn afvallige non aan pleuris gestorven is. Het zou mooi zijn als ze samen begraven werden.”
De kogel van Jaureguy had dus gefaald. Zijn onmiddellijk slachtoffer was gespaard; maar hij kostte het leven van een ander, die den Prins zeer dierbaar was. Charlotte van Bourbon herstelde niet van den schrik op den 18enMaart ondervonden. Haar reeds geknakte gezondheid kon de zorg voor den lijdenden Prins niet verdragen. Toen deze reeds het gevaar te boven was, werd zij doorkoorts aangetast, waaraan ze, drie dagen nadat de Prins voor het eerst weder ter kerk was geweest, op den 5enMei bezweek.
Indien Oranje zich staatkundig voordeel van zijn huwelijk met Charlotte van Bourbon had voorgesteld, dan viel dit wel zeer tegen. Het verbond met Frankrijk kwam in ’t geheel niet door hare bemoeiingen tot stand en zeker was het verlies van vele Duitsche vrienden het gevolg van dit huwelijk geweest. Uit politiek oogpunt mocht het dan ook een dwaling van Oranje geweest zijn, het huwelijk was er niettemin bijzonder gelukkig om. Van het begin af was Charlotte eene liefhebbende en gelukkige vrouw, die weinig aanspraken had en zeer dankbaar was voor al wat het nieuwe leven haar schonk. Geheel vreemd bleef ze niet aan de staatkunde van haar echtgenoot, al was ze ook geen staatkundige vrouw. In zijn afwezigheid handelde ze meer dan eens als zijn plaatsvervangster. Ze liet zes kleine meisjes onder de zeven jaar achter. De geboorte der eerste drie werd vermeld. In 1579, 1580, 1581 zagen nog achtereenvolgens het levenslicht: Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana.
Uit alles blijkt, dat het leven, door dit gezin van den Prins geleid, op verre na niet weelderig was. Maar Charlotte klaagde niet licht. Haar ongemakkelijke en onvoegzame woningen, haar koude barakken, die zij in alle steden, waar ze zich ophield, moest betrekken, waren niet in staat, haar het goede humeur te doen verliezen; haar wezenlijk geluk vond zij in “onze groote en kleine meisjes,” zooals zij die dikwijls in haar brieven noemde.
Haar huwelijksleven was een verrukkelijk contrast met haar jeugd, die zij in het klooster doorbracht, zoowel als de jaren, toen zij geheel afhing van de mildheid van den keurvorst van de Paltz. Zij heeft door dat leven den laster geheel bezworen, die in de dagen van de voltrekking van haar huwelijk op haar werd geworpen; de echte waarde van haar karakter werd later door alle vrienden van den Prins erkend, die vroeger over de onvoorzichtigheid van dien echt een groote ontstemming getoond hadden. Haar schoonbroeder schreef in 1580, dat zij de grootste troost en steun voor den Prins was in zijn moeitevol leven, dank zij haar deugden en verstand. Zij werd ook innig door hem bemind.
Antwerpen toonde haar alle mogelijke eer na haar dood. “Tweeduizend lange mantels,” zegt Hooft, “volgden haar lijk naar ’t graf op den 19enMei, maar haar deugden zullen haar in de nagedachtenis onsterfelijk maken, niet alleen in het hart van haar echtgenoot, maar in de harten van allen, die haar kenden.”
Na den dood van de moeder der zes jonge meisjes, gaf Marie van Nassau het plan op, naar haar aangenomen vaderland te Dillenburg terug te keeren; zij wijdde zich geheel en al aan de zorg voor haar kleine stiefzusjes. Korten tijd daarna bood Charlotte’s vader, de hertog van Montpensier, den Prins aan, om voor een zijner kleindochters te zorgen, hetgeen Willem gaarne aanvaardde, zooals uit den volgenden brief blijkt:
“Monsieur!Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het verlangen uitdrukt, een mijnerkleine meisjes te hebben, zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den 14envan hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen, vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden, dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren, dat er voor het kind goed gezorgd zal worden.”
“Monsieur!
Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het verlangen uitdrukt, een mijnerkleine meisjes te hebben, zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den 14envan hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen, vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden, dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren, dat er voor het kind goed gezorgd zal worden.”
Van de vernieuwde populariteit, waarin Oranje zich na zijn herstel mocht verheugen, maakte men gebruik een beroep op de verschillende Staten te doen, om den Prins schadeloos te stellen voor de uitgaven, die hij zich ten behoeve van het land had getroost. Dientengevolge werd hem de abdij Afflighem, het graafschap van Aalst en het markiezaat van Bergen gegeven. Ook ontving hij van tijd tot tijd andere in bezit genomen kerkelijke goederen, o.a. het oude klooster te Delft, waar hij later zijn leven eindigde.
Holland inzonderheid wilde zijn dankbaarheid voor zijn behoud toonen. Reeds verscheidene malen hadden de Staten van dat gewest zich afkeerig getoond van een vreemden souverein; het graafschap wilden ze aan Oranje geven. Dit aanbod werd na zijn ziekte herhaald en door den Prins aangenomen in een brief van 14 Augustus uit Brugge. Toch was dit aanbod en het aannemen slechts voorloopig. Eerst na de Fransche furie hadden er officieele onderhandelingen plaats, die slechts door den dood van Oranje werden afgebroken.
Het merkwaardige van de transactie in 1582 was daarin gelegen, dat Holland duidelijk te kennen gaf, vast besloten te zijn, als Staat niets met den nieuwen beschermer te maken te willen hebben en dat de Prins inzag, dat verdere pogingen zijnerzijds, om Anjou tot souverein van Holland te maken, geheel vergeefsch zouden zijn. Ook erkende hij door zijn voorloopige toestemming, dat zijn droomen van een Constitutioneele unie van de Vereenigde Nederlanden als ijdel moesten worden beschouwd.