Hoofdstuk XXXI.Het Fransche Protectoraat. 1582–1583.Gedurende de ziekte van den Prins werd Anjou als het actieve hoofd der regeering beschouwd. Van zijn ziekbed uit trachtte Oranje het gezag van den Franschen Prins te versterken en het volk aan te sporen, den wil van hem te eerbiedigen, dien zij als souverein hadden gekozen. In Juli ontving deze den titel van graaf van Vlaanderen, hertog van Gelderland en Heer van Friesland. Holland bleef natuurlijk op zijn eisch staan, den Prins den titel van graaf te geven en op den 14enAug. 1582 liet deze zich dan ook bewegen, de grafelijke waardigheid in beginsel te aanvaarden, voorloopig echter nog zeer in ’t geheim, ten einde Anjou niet tot argwaan te prikkelen.Bij gelegenheid van Anjou’s aanvaarding van het graafschap over Vlaanderen, welke in Augustus te Gent plaats had, werd de Fransche prins door de Calvinistische bevolking zeer koel ontvangen. Te Brugge schijnt zelfs de koelheid tot haat en tot moordaanslag op Anjou en Oranje beiden geleid te hebben. Volgens Hooft werden een Italiaan met name Basa en een Spanjaard, Salcedo genaamd, ontdekt, terwijl zij uitvoering wilden geven aan de misdaad, beide prinsen te vergiftigen. Zij beleden, dat ze door Parma tot dat plan waren aangezet. Ongelukkig was zelfs de jonge graaf van Egmond, die onlangs tot de Spaansche partij was overgegaan, in dit complot gemengd, om den vriend van zijn vader te vermoorden. Men zegt, dat hij aan Oranje’s tusschenkomst zijn leven te danken had, daar het hem gelukt zou zijn door bemiddeling van den Prins naar Frankrijk te ontsnappen.Aan Anjou werden overvloedige eerbewijzen gegeven en toch gevoelde de Fransche prins zich hier niet thuis. Hij beklaagde zich, dat hij niet naar behooren werd behandeld. Niet alleen toonde men op allerlei wijze zijn antipathie tegen de zeden en gewoonten van de hovelingen van Anjou; niet alleen haatten de Calvinisten zijn katholiek geloof; maar ook vond hij alle belemmeringen en beperkingen der vorstelijke macht in de praktijk zoo onverdragelijk, dat hij zeerspoedig reeds met het denkbeeld omging te trachten die vorstelijke macht, die zooveel voordeden verschafte, te vergrooten. Zelfs de kosten voor zijn hofhouding waren moeilijk op te brengen.Elisabeth, die nog steeds als bruid van Anjou poseerde en bij wie deze zich over de behandeling beklaagde, schreef o. a. aan Oranje: “Voor een edelman, die zijn land uit medelijden voor de arme Nederlanders heeft verlaten, komt het mij ongepast voor, dat hij zoo slecht betaald wordt en gedwongen is een tweede rol te spelen.” Dat was dan ook de grootste grief van Anjou en zijn hovelingen, die zich roem, eer en voordeel van de Nederlanden hadden voorgesteld en die het tegendeel van dat alles daar vonden. De laatsten trachtten dan ook hun heer te overreden, om op de een of andere wijze zijn gezag uit te breiden en zijn macht te vermeerderen. “Neem door middel van een stoutmoedige daad uw rechten; maak u meester van Vlaanderen en Frankrijk zal u steunen.”Die toon klonk aangenaam in Anjou’s ooren. Verraad was een familiezwak. Ook zijn moeder, Catharina de Medicis was, gelijk bekend is, daarvan niet afkeerig en steunde de taal dier hovelingen. Zoo besloot Anjou, vertrouwende op krachtdadige hulp uit Frankrijk, zich meester te maken van verschillende Vlaamsche steden. Duinkerken, Dixmuiden, Dendermonde, Brugge, Gent en Vilvoorden zouden, onder voorwendsel dat er oproerige bewegingen moesten worden gedempt, worden genomen. De hertog nam zelf Antwerpen voor zijn rekening. De maarschalk Biron zou met een leger uit Frankrijk Anjou te hulp komen en met hem alles voor den aanslag overleggen. Voor den Prins had het den schijn, alsof dat leger onder Biron samen zou werken met het statenleger, dat op 35.000 man werd geschat, ten einde Parma, die steeds vorderde, uit zijn stellingen te verdrijven.Oranje werd dus door den aanslag van Januari 1583 verrast. Wel had hij van die ontevredenheid van Anjou en de zijnen gehoord, maar aan de geruchten, die tot hem kwamen, sloeg hij geen geloof en hij vermeed alleen in de laatste dagen omgang met den Franschen prins. Du Plessis-Mornay was met opzet door Anjou verwijderd; deze had den Prins nog voor zijn vertrek gewaarschuwd, maar Oranje meende, dat hij nog wel zooveel invloed op Anjou zou hebben om hem van onberaden stappen terug te houden.Op den 16enJanuari waren er te Burgerhout, vlak bij Antwerpen, eenige duizenden Fransche soldaten verzameld. Een gemaskerd persoon kwam den nacht daaropvolgende in de stad; hij waarschuwde de bewoners tegen de gevaren, die hen bedreigden. In elk geval was er argwaan en vermoeden in de lucht en waren burgers en soldaten niet vrij van vrees. De wacht werd zelfs verdubbeld. De kapitein deelde zijn angst aan Oranje mede, die hem echter verzekerde, dat hij alle vertrouwen had op de eerlijkheid van den protector, hoewel hij de voorzorgsmaatregelen, die genomen werden, niet afkeurde. Zoo weinig geloof hechtte Oranje aan de geruchten, dat hij den burgemeester zelf naar het hertogelijk hoofdkwartier zond, om Anjou te vertellen, wat er van hem in de stad werd gezegd. Heftig protesteerde die trouwe bondgenoot tegen dien laster; hij wilde wel voor Antwerpen sterven, maar de stad krenken nooit; een geheime aanslag op hare vrijheden ging zijn bevatting te boven.Vroeg in den morgen van den 17enJanuari ging Anjou naar Oranje, ten einde hem voor te stellen gezamenlijk eene revue te houden over de voor de stad verzamelde troepen; doch de Prins weigerde, onder voorwendsel van ziekte; hij bleef te huis, in zijn woning bij de citadel, dus iets buiten de stad en verzocht ook Anjou dien dag in de stad te blijven. Tegen den middag ontving Anjou een brief, die hem zeer ontroerde.Onmiddellijk daarna besteeg hij een paard, reed door de Kipdorppoort de stad uit met ongeveer 200 gewapende volgers. Tegen dezen zou hij, daar buiten gekomen, gezegd hebben: “Ziedaar uw stad, neem ze in bezit!” Volgens een ander berichtgever zou zijn gunsteling Rochepot door middel van een geveinsden val het afgesproken teeken gegeven hebben, waarop hij met de zijnen, gevolgd door het leger, onder den kreet: “Ville gagnée! Tue! Tue! Vive la messe!” de stad zou overrompeld hebben. Het was met recht een overrompeling, want de burgers zaten nog aan den maaltijd. De Franschen, ten getale van 3600 man, drongen door tot de beurs en vingen reeds met plunderen aan. Doch plotseling keerde de kans. Wel waren de burgers onvoorbereid, maar deze schok trof hen allen zóó, dat ze zonder onderscheid van ouderdom, van geloof, van sekse als één man op de Franschen aanvielen met allerlei soort van wapens. Van de daken werden de Franschen met allerlei projectielen zoo heftig bestookt, dat ze de poort weder uitvluchtten, na de helft van de hunnen aan dooden, gewonden en gevangenen te hebben verloren.Alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat Oranje van uit zijn verwijderd kwartier niet eer het tooneel bereikte, dan toen het ergste reeds voorbij was. Men zegt dat zijn eerste woord was: “Schiet niet burgers, het is een misverstand!” Maar als een misverstand kon dezeverraderlijkeaanval toch moeilijk worden opgevat. Toch hield Oranje die meening blijkbaar vol, getuige zijn volgende pogingen om zich weer met Anjou te verzoenen. Deverraderlijkeaanval ontving later den naam vanFransche furie, als tegenhanger van de Spaansche furie van het jaar 1576, die Antwerpen verwoestte.Gelukkig was deze aanslag op de rijke koopstad niet gelukt; evenmin die te Brugge. Doch te Dendermonde, te Dixmuiden en Duinkerken slaagden de Fransche troepen in hun onderneming. Anjou besloot naar Dendermonde te gaan, doch verloor op één tocht daarheen nog een duizend man, tengevolge van een overstrooming van een dijk bij Mechelen, dien men had doorgestoken, om zijn voortgang te verhinderen. Daardoor werd hij eerst verplicht, bij Berchem in de buurt van Vilvoorden te kampeeren en kon pas een paar dagen later naar Dendermonde gaan. Zijn bedoelingen waren duidelijk geweest. Zijn rentmeester, La Fougère, die te Brugge was gevangen genomen, bekende, dat het plan van den hertog was geweest, zich van den persoon van Oranje te verzekeren, de stad te plunderen, den hervormden godsdienst af te schaffen, de staatsregeling, die hij bezworen had, omver te werpen en de renversaalbrieven, waarbij hij Oranje’s gezag in Holland, Zeeland en Utrecht erkend had, te vernietigen.Dit geheele plan was gelukkig in duigen gevallen. Toch verzuimde de hertog geen oogenblik, zijn briefwisseling te heropenen met den man, wiens rivaliteit hij vreesde en met de Staten; deze briefwisseling zoekt tevergeefs haar weerga instoutmoedige brutaliteit. Zijn eerste brief werd op den namiddag van den 17engeschreven; Oranje moest daaruit verstaan, dat de gebeurtenissen van den dag geheel waren veroorzaakt ten gevolge van de onwaardige behandeling, door hem ondervonden. Ook vroeg hij den Prins te zorgen, dat zijn volk geen leed werd aangedaan. Aan de Staten schreef hij terzelfder tijd een brief, waarin hij alles poogde te verklaren. Hij vroeg daarin, zijn huisraad en kleederen en al wat het eigendom van zijn gevolg was, aan hem toe te zenden, de gevangenen los te laten en proviand voor zijn manschappen. Zelfs beloofde hij, met geheele verdraaiing van de waarheid, dat hij bereid was, te vergeten en te vergeven, al was hij nog zoo slecht behandeld.Oranje had het volk op straat tot bedaren gebracht; maar aanstonds begreep hij ook, dat hij, zonder de Franschen te veel te verbitteren, het verzet tegen dergelijke aanslagen moest leiden. Had hij echter daarbij toegegeven aan de rechtmatige verontwaardiging der Staten, dan zouden er wellicht uitingen zijn gehoord, die de slimste gevolgen hadden kunnen hebben. Zoo geheel onmogelijk was het dan niet, dat Anjou zich met Parma had vereenigd en dan was alles verloren geweest. Hij trachtte dus de gemoederen te kalmeeren en de Staten te bewegen, opnieuw met Anjou in onderhandeling te treden. Die houding was des te moeilijker, omdat de verontwaardiging over de schandelijke daad van Anjou algemeen was; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Engeland, Duitschland en onder de Hugenoten. De Duitschers, die zoo tegen den Franschen prins hadden gewaarschuwd, en die vooral de hulp van een zoon van Catharina de Medicis voor de zaak der Nederlanden hadden afgekeurd, riepen nu triomfantelijk uit, dat ze dat wel hadden voorspeld.De landgraaf van Hessen schreef o. a. aan een zijner vrienden, dat hij hoopte, dat men zich niet langer honig om den mond zou laten smeren, want het was nu toch zeker duidelijk genoeg gebleken, dat men zich, door hulp van Anjou aan te nemen, als schapen aan den wolf had overgegeven.Koningin Elisabeth sloeg wel een anderen toon aan dan de landgraaf; zij vroeg aan Oranje de juiste toedracht omtrent het voorgevallene te mogen vernemen en sprak de hoop uit, dat Anjou door dit nieuwe voorval niet in gevaar zou komen, want er was haar aan “de fortuin van Monsieur” veel gelegen. Aan het slot van haar schrijven zei ze nog even, dat Monsieur meer dan eens geklaagd had over het onrecht en de onwaardigheden, die hij in het land ondervonden had.Catharina de Medicis, de moeder van Anjou, ging nog een stapje verder; ook zij schreef den Prins en bond hem op ’t hart zich niet aan ondankbaarheid tegenover haar zoon schuldig te maken!Het antwoord van Oranje op de brieven van Elisabeth en Catharina de Medicis was eenvoudig en waardig. Tegenover de laatste bepleitte hij zijn volkomen onschuld en voegde erbij, dat het heilzaam zou geweest zijn als Anjou zijn raad had opgevolgd. Hij laat verder aan moeder en “bruid” over, uit te maken, wie in deze zaak schuldig is en wie niet. Hij blijft zich bovendien in de gunst van den koning aanbevelen, waaruit blijkt dat Oranje, trots het gebeurde, nog alles van Fransche hulp verwachtte.In de maand Februari vroegen de overheidspersonen in Antwerpen aanOranje, om beslist zijne meening te kennen te geven over hetgeen gedaan moest worden en daarop gaf de Prins zijn advies. Dit advies, door hem slechts noode gegeven, omdat hij wist, hoeveel malen hij reeds het slachtoffer was geweest van klachten en lasteringen, als God het volk bezoeken wilde, is hoogst merkwaardig, vooral om de zoozeer veroordeelde houding van Oranje tegenover Anjou ook na de Fransche furie. Hij verzoekt daarin allereerst, dat zijn hoorders zich goed zullen te binnen brengen, hoevele malen hij hun gevraagd heeft, of ze middelen hadden, om zich zelf te verdedigen. De geheele onderhandeling met Anjou was van de eerste dagen af gegrond op hunne overtuiging, dat er geen andere weg voor hen openstond. Al had de Fransche prins door zijn gedrag alle overeenkomsten vernietigd, toch waren er nog slechts drie wegen open:Verzoening met Filips,Onafhankelijkheid van elke hulp en bouwen op eigen kracht, ofVerzoening met Anjou.Werkelijk waren er in Antwerpen, die het eerste zouden begeerd hebben. Tot hen sprak de Prins: “Indien gij den Spanjaard wilt, doodt mij dan allereerst.” Als toch Antwerpen zijn Evangelischen godsdienst wilde behouden, dan was de terugkeer tot Spanje immers onmogelijk. Verkieslijk was het zeker, alleen van eigen hulpbronnen, van eigen krachten afhankelijk te zijn, doch in het midden van den oorlog, met vijanden aan alle zijden, was die onafhankelijkheid geheel en al onpractisch.Er was gebrek aan centrale macht, aan centraal belang en aan centrale verantwoordelijkheid in de Unie. Elk gewest dacht veel meer om locaal eigenbelang, dan om het algemeen welzijn. Hij kon niet inzien, hoe zij zonder eenige buitenlandsche hulp te zamen één koers zouden blijven houden. Afgunst op elkander was een ernstige hinderpaal voor een algemeene regeering. Daarom was het Oranje’s meening, dat Anjou met Frankrijk achter zich, nog de beste en eenige hulp bleef. Zelfs degodsdienstbezwarenachtte Oranje gering. Want hij zag, dat ook elders de Christelijke kerken met souvereinen, die niet van hun geloof waren, verbonden sloten of zich aan hen onderwierpen.Kortom, er was geen andere weg en dien af te snijden was naar zijn meening het gevaarlijkste. Oranje deinsde er zelfs niet voor terug, zijn eigen populariteit in de waagschaal te stellen en stoorde zich niet aan verdachtmaking, waar hij dit het beste vond, die onderhandelingen tusschen een trouweloos landsheer en zijne onderdanen voort te zetten. Vooral het argument, dat er bij verwerping van Anjou kans bestond op een verbinding van dezen met Parma, woog zeer zwaar. Buitendien kon men thans aan den Franschen prins voorwaarden stellen, waardoor elk nieuw gevaar van zijn kant kon worden voorkomen. En inderdaad hadden die besprekingen, die door den Prins met de hoogste politieke virtuositeit werden geleid, het gevolg, dat men in de maand Maart met Anjou, die nog te Dendermonde was, aan het onderhandelen ging. De toon, dien hij toen aansloeg, was een andere dan de eerste; hij weet toen alles aan een ongelukkig toeval en de insubordinatie van zijn soldaten. Het gevolg was dat er een accoord werd gesloten. Hij zou zich naar Duinkerken terugtrekken, in afwachting van een definitieve schikking zijn leger ontbinden en zich later te Mechelen vestigen; zijn gevangenen te Antwerpen zouden worden bevrijd en hem zou een som van f 90.000 worden uitbetaald.Anjou schreef daarop op 26enMaart 1583 een briefje aan den Prins uit Dendermonde, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf over de gelukte verzoening met de Staten. Hij drukte daarin de verzekering uit, dat er van zijn kant geen fouten meer zouden begaan worden en beval zich in de goede genegenheid van Oranje aan. Ook vroeg hij hulp om zijn heilig en heilzaam werk te kunnen voltooien. Nog slechts drie maanden zou hij echter in het land blijven. Reeds in Juni verliet hij het, wel niet met het voornemen om het voor goed vaarwel te zeggen (want hij bleef nog steeds met den Prins in briefwisseling), doch hij keerde er niet terug.Parma trok slechts voordeel van al deze beroeringen met Anjou. De omstandigheid, dat zijn moeder in 1581 en 1582 weder als landvoogdes naast hem als legerhoofd had gefungeerd, met welke schikking hij zelf weinig was ingenomen, had zeker medegewerkt tot den niet snelleren voortgang der Spaansche zaak. Hij had in Maart 1582 een beroep op de steden gedaan en zijn agenten waren overal in het geheim werkzaam, doch hij wachtte den loop der gebeurtenissen in Antwerpen af.Nauwelijks was de aanslag van Anjou tegen de Scheldestad mislukt, of de Spaansche landvoogd herhaalde niet alleen zijn verzoek aan die gewesten, om onder de trouw des konings terug te keeren, maar zoowel door militaire als door diplomatieke manoeuvres trachtte hij dat doel te bereiken. Hij trad zelfs met Anjou in geheime onderhandeling, hetgeen niet voor Oranje verborgen bleef, die daarom des te meer op verzoening met den hertog aandrong. Toen dit laatste in Maart 1583 gelukt was, maakte Parma zich in het voorjaar meester van Duinkerken Nieuwpoort, Dixmuiden en Eindhoven. Ja zelfs te Gent werd er over verzoening met Spanje gesproken, waartoe in 1584 zelfs Hembyze, die er teruggekeerd was, de hand leende. Oranje zond tal van brieven aan de magistraat van Gent en aan verschillende private personen, ten einde dat onheil te keeren en hen trouw te doen blijven aan de generaliteit.Al deze dingen waren zeer ontmoedigend voor den Prins. Wat hem zeker het meest in die dagen trof, was de houding van zijn zwager Willem van den Berg, echtgenoot zijner tweede zuster Maria van Nassau. Deze had reeds verscheidene malen blijk gegeven van onverschilligheid tegenover zijn schoonbroeder en de algemeene zaak. In 1579 had zijn vrouw hem tegenover haar broeders nog met kracht verdedigd en de beschuldigingen, die tegen hem werden ingebracht, als laster doen voorkomen. Toch werd er later een briefwisseling uit dat jaar tusschen hem en Parma ontdekt.Toen hij in 1581 in plaats van Jan van Nassau stadhouder van Gelderland werd, geschiedde dit op voorspraak van den Prins, die toen aan de Staten schreef: “Mijn schoonbroeder, die een aanbeveling voor het stadhouderschap wenscht, heeft mij verzekerd van zijn liefde en toewijding aan de rechtvaardige zaak van het vaderland. Ik wenschte alleen, dat hij dit vroeger had bewezen. Doch beter laat dan nooit.”Men kan niet zeggen dat de lofspraak groot was; doch de Gelderschen namen hem aan en een tijdlang schijnt hij te goeder trouw geregeerd te hebben. In 1583 echter kwam er weder eene briefwisseling tusschen hem en Parma aanhet licht, die overtuigend bewees, dat van den Berg slechte voornemens koesterde. Hij zou namelijk Zutfen aan Parma overleveren. Toen werd hij op den 15 November met zijn echtgenoote en zijn zonen gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Een jaar bleef hij in Delfshaven gevangen. Toen hij bevrijd was, nam hij onmiddellijk met al zijn zoons dienst onder den koning. Deze treurige geschiedenis in zijn eigen familie vermeerderde natuurlijk Oranje’s smart over al den afval niet weinig. Als opvolger van van den Berg werd in Gelderland Adolf, graaf Nieuwenaar, gekozen, die met het oog op hetgeen in Duitschland aanhangig was, voor Gelderland een zeer gewenschte stadhouder bleek.Slechts een enkel woord over die in Duitschland aanhangige zaak, aangezien ze tot niets heeft geleid en de Prins er ook weinig beteekenis aan hechtte. Bedoeld wordt de overgang van den aartsbisschop van Keulen, Gebhard Truchsesz von Waldburg en de pogingen, die op grond daarvan bovenal Jan van Nassau in dezen tijd in het werk stelde, om eene algemeene beweging aan den Rijn in het leven te roepen, ten einde Spanje van dien kant het hoofd te bieden. Ongelukkig werd Johan Casimir van de Paltz daarbij ingeroepen. Oranje had er al dadelijk niet veel vertrouwen in; te lang had hij van Duitschland enkel tegenwerking ondervonden; de verschijning van Johan Casimir als legerhoofd ontnam hem alle vertrouwen op den goeden loop dier Keulsche zaken, en de uitkomst bevestigde volkomen zijn vrees, want voor het jaar 1583 verstreek, was de geheele beweging op niets uitgeloopen en was de oud-aartsbisschop, die door een goed katholiek was vervangen, genoodzaakt een toevluchtsoord bij den Prins in Delft te zoeken.Bij den Prins te Delft. Want daarheen was Oranje zelf op den 22enJuli 1583 verhuisd. De verzoening met Anjou had hem in Antwerpen zijn populariteit doen verliezen. Het volk had zijn motieven om Anjou te herstellen in het gezag, dat hij misbruikt had, niet kunnen begrijpen. Vrees voor de Franschen bleef de burgers bekruipen en ze begonnen Oranje zelfs te beleedigen. De kreet werd gehoord: “Verrader, hij is van plan om Antwerpen aan de Franschen over te leveren.” Ook zijn leven werd bedreigd; een woedende menigte, die zijn persoon wilde aanvallen, was met moeite tot bedaren te brengen en de overheid vreesde zelfs die aanranders te straffen. Dit gemis van vertrouwen trof den Prins diep; ook beleedigde het hem dat de bedreiging van zijn persoon niet gestraft werd. De Staten-Generaal waren op dat oogenblik te Middelburg vereenigd. Daarheen verhaastte hij toen zijn reis, om kort daarop met zijn gezin het oude St. Agatha-klooster te Delft te betrekken.Hoofdstuk XXXII.Het vierde huwelijk van Oranje met Louise de Coligny. 1583–1584.Op den 5enMei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen, de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten, was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hijzou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou, dat dit ook door zijn gedachten speelde.Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd, die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud, toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel had genomen, waren begonnen.Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. “Haar innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der Coligny’s. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter, was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig in tegenspoed.”Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren; daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel, een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op het Fransche hof had gemaakt. Louise’s familie bovenal was door dat aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te verbinden met een man, die de luister van de Nassau’s was en daarbij kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen, om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan, waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het waren toen juist de gespannen dagen van deverzoening met Anjou, doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest, daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder, waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is, een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje’s kinderen te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst zijner kinderen besteden.Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen, die Oranje vereeren, moest voortleven.Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28 Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon,Frederik Hendrikgenaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet in aanzien was.Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in hetsmartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den 12enJuli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:“Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel, dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden, hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is.”Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn, dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme uit de 16eeeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.Hoofdstuk XXXIII.Oranje’s staatkunde gedurende zijn laatste levensjaar. 1583–1584.Een der eerste daden van de Staten-Generaal, na de komst van den Prins in Holland, was, hem te vragen zich met het centraal bestuur te belasten. Oranje gaf den 6enSeptember daarop in een uitgebreid document antwoord. Hij verzocht hun wel het groote gewicht van die zaak te bedenken en de moeilijkheden, die eraan verbonden waren, vooral omdat verschillende gewesten hun afgevaardigden nog niet naar de vergadering der Staten hadden gezonden. Bleven zij bij hun besluit, dan wilde de Prins een acte hebben, waardoor het hem vrij zou staan zich weder als hoofd ontslagen te rekenen, indien de gewesten zich niet aan de orde wilden onderwerpen. Ook wilde hij den Staten de vrijheid geven een anderen gouverneur te benoemen, indien ze daartoe wilden besluiten; hij zou dan onmiddellijk het gezag in hun handen teruggeven. Met het oog op den langen duur der beraadslagingen over deze belangrijke quaestie verzocht hij hun, een raad voor het land in te stellen.De Staten-Generaal, die den Prins dat verzoek deden, waren in Middelburg te zamen, maar het was er verre van, dat dit lichaam den geheelen Staat vertegenwoordigde.Zoo waren de Staten van Brabant tot een klein getal edelen en tot de steden Brussel en Antwerpen gereduceerd, terwijl vele der andere gewesten in het geheel niet of zeer matig vertegenwoordigd waren.Ondertusschen was de Prins zelf nog geheel verdiept in de quaestie van den opnieuw te erkennen protector en souverein. Het accoord van den 18enMaart te Dendermonde was slechts voorloopig geweest. De onderhandelingen, die op den grond daarvan gevoerd werden, vlotten niet. De hovelingen van Anjou, verbitterd over de mislukking hunner plannen, oefenden een verkeerden invloed op hem uit en de hertog zelf werd ziekelijk. Op 28 Juni 1583 verliet hij het land, ondervoorwendsel, dat hij met zijn moeder en broeder moest raadplegen. Des Pruneaux bleef de betrekking levendig houden. In September richtte deze een langen brief tot de Staten, waarin hij vroeg, waarom ze toch niet voortgingen, schikkingen te maken met zijn meester en Anjou schreef in dezelfde maand uit Kamerijk een brief vol klachten aan den Prins, waarin hij zich eveneens over de Staten beklaagde. Nadat hij enkele mededeelingen gedaan had over het aantal troepen, dat hij in ’t veld zou kunnen brengen, schreef hij o. a.:Ik heb echter eindelooze oorzaak om mij over de Staten te beklagen, van welke ik geen enkelen regel schrifts ontvangen heb sinds mijn vertrek uit Duinkerken. Indien ik mij gedroeg als zij, waartoe ik alle recht zou hebben, dan zou alles nog slechter gaan. Maar aan de geheele wereld, wil ik toonen, dat het mijn schuld niet zal zijn, als hun zaken misloopen.Aan de noodige brutaliteit miste het Anjou niet, want terecht vraagt men zich af, hoe het mogelijk is dat de man van de Fransche furie nog zulk een toon durfde aanslaan.Op hun standpunt hadden de Staten geen ongelijk, dat ze zijn verbroken trouw niet maar zoo voorkomend beantwoordden. Anjou was echter geheel op de hoogte van hun nood, en Oranje, die dit wel inzag, hield den band levendig, trots alles wat er gebeurd was. In den loop van 1583 en 1584 bleef de toestand werkelijk zeer donker. De brieven in Februari en Maart (1584) door Oranje aan graaf Jan geschreven, geven dien treurigen toestand van het land weer en betoogen tevens de noodzakelijkheid van Fransche hulp. Het zijn merkwaardige brieven die door Prof. Blok, Oranje’s “politiek testament” worden genoemd.Het is daarom van belang, er enkele uittreksels van te geven.De eerste van Februari is geschreven onder den indruk van den jammerlijken afloop der Keulsche zaken. We zagen, hoe Truchsess had moeten vluchten en hoe Joh. Casimir zijn leger moest ontbinden. Daarbij waren de Papisten en Spaanschgezinden hier in het land nog zeer talrijk. Kwam er geen hulp van buiten, het land zou ongetwijfeld ondergaan. “Toch,” schrijft de Prins, “ben ik nog niet geheel ontmoedigd en mijn geestdrift voor de bevordering van den roem van God en het welzijn van het land is door al den tegenspoed niet verminderd. Integendeel kan ik u verzekeren, dat ik niet ophoud iedereen te bemoedigen en vrij en open voortga met spreken over alles wat tot de handhaving van den hervormden godsdienst, van de vrijheid en de welvaart van het land kan dienen.”In de brieven van Maart verdedigt hij tegenover zijn broeder zijn relaties met Frankrijk. Na weder het groot gevaar van den toestand te hebben uiteengezet, vervolgt Oranje aldus: “Indien ik in dezen uitersten nood eenigen goeden raad ontving, dan zou dat zijn hetgeen mijn hart begeert, maar ik zie, dat iedereen wel den raad van anderen weet te berispen, maar niemand mij een beteren geeft. Men zegt, dat ik Frankrijk moet wantrouwen. De gevaren van dien kant zijn mij niet onbekend, misschien ken ik ze beter dan zij, die er van spreken; ze raken mij meer dan iemand anders. Maar, op wien wil men dan dat ik vertrouw? Devorsten van Duitschland zijn zoo dikwijls aangemaand en wij hebben er geen hulp van ontvangen, noch in schijn, noch met woorden, en wanneer wij die kregen, dan zouden wij haar misschien duur moeten boeten om het verschil in confessie. Ziende en wetende, dat zij voor hun oogen hun eigen broeder, die voor hun poorten zulk een rechtvaardige zaak verdedigt, door de papisten met voeten laten vertreden, meen ik, dat men mij toch niet voor zoo dom zal houden, dat men mij met woorden tot in de gracht toe zal kunnen voeren, gelijk men gedaan heeft met het arme volk in Vlaanderen, dat, vertrouwende op zulke woorden, zich thans onder de wreede hand van den Spanjaard bevindt.”Frankrijk de oude vijand van Spanje, blijft daarom zijn eenige hoop, al beweerden de Duitsche godgeleerden ook, dat het was tegen het woord van God, om hulp te verwachten van een katholieke mogendheid. De geschiedenis is toch vol van voorbeelden, dat de regeerders van landen lang niet altijd hetzelfde geloof waren toegedaan als hun volk en dat er vaak allianties gesloten zijn door volken, die in de religiezaken op een ander standpunt stonden.Ook in Duitschland ontbrak het niet aan belasteraars van Oranje; er waren er daar, die zich zelfs niet ontzagen, aan zijn geweten en eer te raken. “Wie is de man,” zoo roept de Prins hun tegen, “ergens in de wereld zoo stoutmoedig, dat hij durft raken aan het geweten van een ander?” En wat zijn eer aangaat, zijn broeder Jan weet beter dan iemand anders, wat hij heeft gearbeid, geleden en verloren, om den nieuwen godsdienst te steunen en te handhaven.Al weet de Prins ook, dat graaf Jan zelfs de voordeelen tegen Frankrijk deelt, hij doet een beroep op zijn goeden raad ter verdediging van de goede zaak. “Als God mij die gunst bewijst, dan ben ik besloten mijne dagen te eindigen, zonder ooit met den Spanjaard in overeenkomst te treden, want we weten dat daarvan de ondergang der kerken van dit land, een algemeene tirannie van alle onderdanen en de verwoesting van ons geheele huis het gevolg zal zijn.”De Prins wil standhouden, geen gevaren schuwen en zich evenmin schuldig maken aan een ellendige desertie. Tegenover den moord van den Bartholomeusnacht plaatst hij den moord der arme Mooren. Spanje is nog oneindig meer te vreezen en al zal men ook tegenoverFrankrijkop zijn hoede moeten zijn, al dreigt van beide kanten gevaar, toch gelooft de Prins, dat, als men over een der beide planken moet gaan, iedereen de breedste en sterkste kiezen zal. Hij verklaart voor zich, vast besloten te zijn, tot het uiterste deze landen, den godsdienst en de vrijheid te verdedigen en hoopt, dat God hem daarin ter zijde zal staan.In een postscriptum van dien brief zegt Oranje nog dit:“Mijn broeder, deze letteren waren een week geleden geschreven. Sedert zijn wij zeker ingelicht, dat men te Gent met den Prins van Parma onderhandelt, om onze zijde te verlaten en ook in eenige andere (steden) in Vlaanderen. Dat zijn nu de vruchten, die ik altijd gezien heb van dergelijke raadgevingen. Ik zou wel willen, dat uw theologanten mij eens duidelijk maakten, met welk geweten die van Gent en hunsgelijken de broeders zoo kunnen verlaten.... Zelfs vertelt men mij, dat Dathenus mede den raad heeft gegeven, om over zulk een eervolle capitulatie te onderhandelen....”Had de Prins ongelijk, om zoo te oordeelen, nu de heftigste Calvinisten zich weer in de armen van Spanje wierpen! Welk een tegenstelling! Zij waren eenvoudig onwillig zijn raad te volgen. Zelfs Hembyze was tot den vijand overgeloopen. Teruggekeerd uit Duitschland was hij weer dezelfde demagoog van vroeger gebleven en zou de stad aan Parma hebben overgeleverd, zoo dit niet voorloopig door zijn gevangenneming was belet. Ondertusschen gingen Yperen en Brugge in Parma’s handen over.Aan de wedererkenning van Anjou als landsheer bleef derhalve Oranje alle hoop op uitkomst vastknoopen. Om den persoon van den hertog, het is voldoende gezegd, was het hem in het minst niet te doen. Het was alleen en uitsluitend Frankrijk, waarop hij in dezen bouwde. Hij wist, hoe Catharina de Medicis en Hendrik III alle moeite hadden gedaan, om aan den jongsten zoon een souvereiniteit te bezorgen. Kon hij hun daarin ter wille zijn, dan was de eene dienst de andere waard, hetgeen, gevoegd bij Frankrijks vroegere houding tegenover Spanje, hem alle hoop gaf, dat langs dien weg het behoud van de Nederlanden nog te bereiken zou zijn.Inderdaad, als men Oranje’s laatste gedachten over den toestand nauwkeurig leest in de brieven aan zijn broeder, dan is hij om zijn zoogenaamde Franschgezindheid niet te veroordeelen. Het is niet de vraag, of de toekomst hem in het gelijk gesteld heeft. Zij bergde gansch andere dingen in haar schoot, dan Oranje kon vermoeden. En wil men de toekomst er bij aanhalen, dan is het gedurende Leicesters verblijf in het land ten duidelijkste bewezen, dat ook de Engelsche hulp, waarop Buys altijd aandrong, niets heeft gegeven. Het is alleen de vraag, of op het gegeven oogenblik in 1583 en 1584 Oranje’s politiek niet nog de wijste was, of hij, rekening houdende met den toestand van het oogenblik, anders kon en mocht handelen.Het is bekend dat alles in duigen viel door den dood van Anjou. Aangetast door een slepende ziekte, zette hij wel zijn onderhandelingen met Oranje en de Staten-Generaal voort, die tot een goed eind schenen te leiden, maar hij stierf te Château-Thierry 10 juni 1584. Met zijn dood hield hij op een probleem te zijn in de Nederlandsche politiek. Persoonlijk werd er niets aan hem verloren; want hij was zwak, verraderlijk, onwaar en schaamteloos. Voor den Prins was die dood in zoover een verlies, als hij het middel zou geweest zijn, om met Fransche hulp Nederland te redden. De poging, om Hendrik III zelf tot souverein te verklaren, mislukte.Meer dan eens waren we reeds in de gelegenheid op te merken, dat Holland en Zeeland de souvereiniteit alleen aan den Prins wilden geven. Die gewesten hadden voortdurend hunne zelfstandigheid voorbehouden. De Unie van Delft had ze vereenigd en de Pacificatie van Gent had hen geheel zelfstandig gelaten. De Unie van Utrecht hadden ze wel geteekend, maar meer met de bedoeling om in de andere gewesten een ringmuur voor hunne veiligheid te vinden. Doch hoe begeerig ze ook waren op hun eigen onafhankelijk bestaan, ze begrepen toch zeer goed, dat alleen de centrale macht over hen haar steunpunt zou kunnen vinden in een landsheer. Die landsheer mocht niemand anders zijn dan Oranje. Deze echter had, gelijk we hoorden, daarvoor niet veel ooren. Hij wilde Anjou niet krenken; hij keurdede afzonderlijke positie van twee gewesten af, zijn ideaal van een Nederlandschen Staat was veel grooter, veel omvattender, veel verdraagzamer, veel democratischer ook, dan ooit door die scheiding was te bereiken. Toch hield men van de zijde dier gewesten niet op, hem de souvereiniteit aan te bieden, terwijl ze Anjou alleen erkenden als beschermheer van hun bondgenooten. Na den moordaanslag van Jaureguy en de herstelling van den Prins werd er bij vernieuwing door de beide gewesten met kracht op aangedrongen, met het gevolg, dat hij, gelijk we reeds met een enkel woord vermeldden, behoudens nader vast te stellen voorwaarden, uit Brugge op den 14enAug. 1582 in den volgenden brief het aanbod aannam.“Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben, dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden, om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze tegen den koning van Spanje te beschermen.”Daarop volgden allerlei onderhandelingen over de voorwaarden en toen kwamen er vanzelf weer allerlei bezwaren op het tapijt. De gebeurtenissen te Antwerpen door de Fransche furie hadden den Prins belet, zelf naar Holland te komen; maar die gebeurtenissen waren oorzaak, dat de onderhandelingen met kracht werden voortgezet. Dat de Prins met die aanneming geheel op eigen behoud bedacht was, is onwaar. Uit alles blijkt, dat hij het aanbod meer heeft aangenomen uit nood, dan met lust. In zijn brieven wordt er slechts gewag van gemaakt als van een weinig beteekenende zaak.Op 5 April 1583 kwamen adel en afgevaardigden van groote en kleine steden tot de definitieve bezegeling van de opdracht, doch ook toen bleven de voorwaarden, waaronder hij als graaf zou worden gehuldigd, nog een struikelblok. Bezwaren van allerlei aard vertraagden de onderhandelingen. Holland wilde niet zonder Zeeland handelen en in Zeeland was Middelburg, beducht voor het markiezaat van den Prins van Veere en Vlissingen, steeds gevoelig voor krenking zijner rechten. Ook in Holland waren enkele steden als Amsterdam, Gouda en den Briel, die uit vrees voor hun privilegiën geen groote gezindheid toonden, om de souvereiniteit aan den Prins te geven.Bij de stichting der regentenrepubliek in 1588 was er dan ook geen quaestie van souvereiniteit van Oranje. Ook de vereeniging met Utrecht had bezwaren. Wel richtten de Staten van Holland een rondgaanden brief tot die van Utrecht, Friesland, Overijsel, Brabant, Vlaanderen en Gelderland en ook aan de Staten-Generaal op den 10enMei 1583, waarin zij de redenen uiteenzetten, die hen bewogen tot de aanbieding der souvereiniteit aan den Prins en zij drukten de hoop daarin uit, dat die maatregel de goedkeuring der zuster-gewesten zou wegdragen. Wel verklaarden Utrecht en Zeeland op 15 Nov. 1583, dat zij in hun oude Unie metHolland onder één bestuur wilden blijven, maar daarmede was de zaak er nog niet door. Want het ontwerp van 30 December 1583 moest eerst nog vóór de huldiging aan de goedkeuring der vroedschappen van de steden worden onderworpen, terwijl men hoopte door persoonlijken invloed Amsterdam en Gouda te bewegen, hun verzet te laten varen.Indien men den inhoud van het merkwaardige stuk, dat den Prins tot Graaf verhief, aandachtig nagaat, dan ziet men er wel den invloed in van denzelfden man, die vier jaar later vooral de schepper is geweest van de constitutie der regentenrepubliek; wij bedoelen van Oldenbarnevelt. Deze was in die dagen pensionaris van Rotterdam en hij was met den landsadvokaat Buys en met François Maelson, de voornaamste leider in de onderhandelingen over de voorwaarden van het graafschap. Zeker werd er aan den Prins souvereiniteit en wel eene absolute in toegekend, maar dit absolute bedoelde de losmaking van alle banden met het rijk; als souverein had hij geen souverein boven zich te erkennen. Doch wanneer men nagaat, waarin de graaf al niet van de Staten afhankelijk zou zijn, dan ziet men in, dat het onbaatzuchtig karakter van den Prins er toe noodig was, om zulk een betrekkelijk afhankelijke positie aan te nemen.Hij moest en dat was natuurlijk, de privilegiën en de Unie handhaven; maar welk een belemmering! Hij mocht geen nieuwe privilegies geven, geen verdragen sluiten, geen andere plaatsen, steden of heerlijkheden onder zijn bescherming nemen, geen omslag of heffing doen plaats hebben, geen oorlog voeren, geen vrede of bestand sluiten, geen verbonden aangaan, met geen vreemde mogendheden onderhandelen enz. enz. zonder de toestemming der Staten. Allerlei belemmerende bepalingen werden uit de Joyeuse Entrée of uit het tractaat met Anjou overgenomen. Kortom, zijn autoriteit werd veel meer begrensd, dan die was geweest sedert hij in Holland (1572) was gekomen. Bij de Staten was eigenlijk de oppermacht geplaatst en Oranje stemde er in toe, dat dit zoo werd bepaald.Eenige aanhangers van den Prins te Utrecht verzetten zich tegen die beperkingen; volgens deze was al het voordeel bij de Staten; de burgers waren in ’t geheel niet in tel en de Prins zelf meer administrateur met zeer begrensde rechten. In den loop van de lente van 1584 werden die voorwaarden toen nog eens in de steden behandeld, in Juni was men daarmede zoover gereed, dat dertien steden ze hadden geteekend; Gouda zou toestemmen, als Zeeland het deed en Amsterdam eischte, dat ook zijn schutterij en notabele burgers die goedkeurden.Op den 6enJuli bood de Prins daarop den Staten van Holland eene memorie aan, waarin hij niet zonder groote gevoeligheid uitsprak, dat hun eindeloos talmen met de voorwaarden van het graafschap, dat ze hem hadden aangeboden, voor hem een eerezaak werd. En natuurlijk. Van 1580 af had men niet opgehouden het Oranje aan te bieden en hoewel hij er eerst volstrekt geen lust in had, was hij er eindelijk in 1582 toe besloten, om hun aanbod te aanvaarden. Toen dit echter geschied was, moesten de gewesten en de steden het weer over de voorwaarden eens worden en bleven zelfs enkele plaatsen er afkeerig van. Was dat niet inderdaad beleedigend voor den Prins?Had hij geen recht, om daarover hoogst ontstemd te zijn en de Staten vanHolland voor oogen te houden, dat zijn eigen eer met dat eeuwige talmen was gemoeid? Want wat was het geval? “Ziende een iegelijk, dat die zaak zoo lang aanloopt en wordt opgehouden, zonder daarvan eenige reden te weten, geeft ook ieder daarover zijn oordeel en maken ze daarop hun discoursen en hun vreemde propoosten.” Dit vooral bewoog Oranje, den Heeren Staten vriendelijk te verzoeken, een eind aan die zaak te maken, ter wille van zijn eigen eer en reputatie, zoowel als voor het belang van het land. Daarbij geeft de Prins hun nog in bedenking om zijn autoriteit, die zij op allerlei wijze willen besnoeien, toch in enkele meerdere punten te willen erkennen, daar zonder zulk een autoriteit alle wetten en ordonnantiën als een lichaam zijn zonder ziel en men niets met autoriteit kan executeeren zonder hulp van de justitie (welke de hand en de macht is der overheid), die derhalve naar de meening van Oranje aan hem den eed van getrouwheid moet doen, en waarover hij het gebied moet hebben.Kortom—wij gevoelen, dat de Prins ontstemd was over de manier van handelen van de Staten van Holland. Het was weer hetzelfde oude liedje.Zij konden hem niet missen en ze wilden niet te veel afstaan van hun eigen macht.Van 1574 af had dit telkens tusschen hem en de Staten tot minder aangename verhouding geleid. Meermalen had hij hun aangeboden, hen te verlaten, indien ze dan zoo bevreesd waren voor misbruik van macht. Nu zij hem het graafschap hadden aangeboden (hij zelf had het waarlijk niet gevraagd) moesten ze toch ook begrijpen, dat de centrale macht bij hem moest berusten en dat anders hun aanbod niets beduidde.Datzelfde uitstellen, dat eeuwig talmen, dat zenden van alle voorstellen van collegie naar collegie, van Staten naar steden en weer van steden naar Staten, het is de groote kranke plek gebleven van de geheele staatsinrichting der Republiek. Die aanmatiging van de regenten der steden, die vrees om een ander eenige meerdere autoriteit te geven, die we hier bij de aanbieding van het graafschap aan den Prins zagen, het heeft twee eeuwen lang de toestanden bedorven en is ook eindelijk de oorzaak geworden van den ondergang van den Staat. Dat die Republiek toch zulk een roemrijke geschiedenis heeft gehad, was waarlijk niet aan haar inrichting, maar aan haar groote mannen te danken. Ongetwijfeld zou aan Prins Willem het graafschap zijn geschonken en zou hij door de grootheid van zijn geest in staat zijn geweest, alle hinderpalen te boven te komen, zoo hij niet slechts veertien dagen na de vermelde memorie werd vermoord.Hij zou bovenal in Amsterdam een geduchte oppositie gevonden hebben; want daar was het verzet tegen de toekenning van het graafschap aan Oranje, het hevigst geweest. De vader van den geschiedschrijver Hooft, de zeer invloedrijke burgemeester C. Pzn. Hooft, protesteerde in de zitting der vroedschap in de maand Juni heftig tegen die toekenning; hij beweerde niet te kunnen inzien, wat voordeel er gelegen was in de verheffing van den Prins tot graaf. Ook meende hij, dat het niet in overeenstemming met de Unie van Utrecht was, als sommige der bondgenooten een onafhankelijken stap deden. Waarschijnlijk zou echter deze Hooft wel zijn hoofd in den schoot hebben gelegd en zou de tegenstand van Amsterdam wel overwonnen zijn, zoo het lang beraamde plan tot uitvoering had kunnen komen.Enkelen beschouwen de reden van Hooft als de uitdrukking van een algemeene kwade gezindheid tegen den Prins. Dat behoeft geen weerlegging. Amsterdam is hetzelfde weerstrevende Amsterdam gebleven tijdens de Republiek, en Kluit beweert niet ten onrechte, dat, al vond Hooft den titel van graaf voor Oranje ongepast, hij volstrekt niet begeerde om den Prins de macht te ontnemen, die hij reeds vele jaren had uitgeoefend. Nu de dood aan dat alles een eind maakte, kwam de souvereiniteit niet aan een persoon maar aan de Staten en de steden.In 1584 was de erkenning van den Prins tot souverein niet anders geweest, dan een natuurlijk gevolg van de afzwering van Filips’ gezag en van den onwil om Anjou als souverein te erkennen. Het was daarbij ook een openlijke en duidelijke verklaring, dat Holland, Zeeland en Utrecht niet het voornemen hadden, het droevig voorbeeld der Waalsche gewesten te volgen, om zich weer aan het gezag van den koning van Spanje te onderwerpen.Indien de huldiging van Oranje had plaats gehad voor zijn dood, dan zouden ook zijn opvolgers de souvereiniteit bezeten hebben. Want uitdrukkelijk was reeds bepaald, dat na den dood van den Prins, de Staten van Holland en Zeeland een zijner wettige zonen, dien zij voor die waardigheid het meest geschikt achtten, tot graaf zouden verheffen. Nu die dood plaats had vóór de huldiging, trokken de Staten de souvereiniteit weer aan zich; ze hadden die ook niet geheel weggegeven. De verhouding, waarin Maurits en zijne opvolgers tot de gewesten stonden, had een geheel ander karakter.Eeuwen zouden nog voorbijgaan, voor en aleer zijn nakomelingschap de vruchten van den arbeid van den Zwijger inoogstte, die zelf nog uit het leven werd weggenomen, voordat hij het loon voor al zijn arbeid en moeite ontving. Het ging hem daarbij, als de meeste groote mannen uit de geschiedenis, die zelven de vruchten van hun strijd niet aanschouwd hebben, maar die daarom ook des te hooger staan in de schatting en de vereering van de nakomelingschap.Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Mon Dieu! Mon Dieu! ayez pitié de mon âme et de ce pauvre peuple!
Hoofdstuk XXXI.Het Fransche Protectoraat. 1582–1583.Gedurende de ziekte van den Prins werd Anjou als het actieve hoofd der regeering beschouwd. Van zijn ziekbed uit trachtte Oranje het gezag van den Franschen Prins te versterken en het volk aan te sporen, den wil van hem te eerbiedigen, dien zij als souverein hadden gekozen. In Juli ontving deze den titel van graaf van Vlaanderen, hertog van Gelderland en Heer van Friesland. Holland bleef natuurlijk op zijn eisch staan, den Prins den titel van graaf te geven en op den 14enAug. 1582 liet deze zich dan ook bewegen, de grafelijke waardigheid in beginsel te aanvaarden, voorloopig echter nog zeer in ’t geheim, ten einde Anjou niet tot argwaan te prikkelen.Bij gelegenheid van Anjou’s aanvaarding van het graafschap over Vlaanderen, welke in Augustus te Gent plaats had, werd de Fransche prins door de Calvinistische bevolking zeer koel ontvangen. Te Brugge schijnt zelfs de koelheid tot haat en tot moordaanslag op Anjou en Oranje beiden geleid te hebben. Volgens Hooft werden een Italiaan met name Basa en een Spanjaard, Salcedo genaamd, ontdekt, terwijl zij uitvoering wilden geven aan de misdaad, beide prinsen te vergiftigen. Zij beleden, dat ze door Parma tot dat plan waren aangezet. Ongelukkig was zelfs de jonge graaf van Egmond, die onlangs tot de Spaansche partij was overgegaan, in dit complot gemengd, om den vriend van zijn vader te vermoorden. Men zegt, dat hij aan Oranje’s tusschenkomst zijn leven te danken had, daar het hem gelukt zou zijn door bemiddeling van den Prins naar Frankrijk te ontsnappen.Aan Anjou werden overvloedige eerbewijzen gegeven en toch gevoelde de Fransche prins zich hier niet thuis. Hij beklaagde zich, dat hij niet naar behooren werd behandeld. Niet alleen toonde men op allerlei wijze zijn antipathie tegen de zeden en gewoonten van de hovelingen van Anjou; niet alleen haatten de Calvinisten zijn katholiek geloof; maar ook vond hij alle belemmeringen en beperkingen der vorstelijke macht in de praktijk zoo onverdragelijk, dat hij zeerspoedig reeds met het denkbeeld omging te trachten die vorstelijke macht, die zooveel voordeden verschafte, te vergrooten. Zelfs de kosten voor zijn hofhouding waren moeilijk op te brengen.Elisabeth, die nog steeds als bruid van Anjou poseerde en bij wie deze zich over de behandeling beklaagde, schreef o. a. aan Oranje: “Voor een edelman, die zijn land uit medelijden voor de arme Nederlanders heeft verlaten, komt het mij ongepast voor, dat hij zoo slecht betaald wordt en gedwongen is een tweede rol te spelen.” Dat was dan ook de grootste grief van Anjou en zijn hovelingen, die zich roem, eer en voordeel van de Nederlanden hadden voorgesteld en die het tegendeel van dat alles daar vonden. De laatsten trachtten dan ook hun heer te overreden, om op de een of andere wijze zijn gezag uit te breiden en zijn macht te vermeerderen. “Neem door middel van een stoutmoedige daad uw rechten; maak u meester van Vlaanderen en Frankrijk zal u steunen.”Die toon klonk aangenaam in Anjou’s ooren. Verraad was een familiezwak. Ook zijn moeder, Catharina de Medicis was, gelijk bekend is, daarvan niet afkeerig en steunde de taal dier hovelingen. Zoo besloot Anjou, vertrouwende op krachtdadige hulp uit Frankrijk, zich meester te maken van verschillende Vlaamsche steden. Duinkerken, Dixmuiden, Dendermonde, Brugge, Gent en Vilvoorden zouden, onder voorwendsel dat er oproerige bewegingen moesten worden gedempt, worden genomen. De hertog nam zelf Antwerpen voor zijn rekening. De maarschalk Biron zou met een leger uit Frankrijk Anjou te hulp komen en met hem alles voor den aanslag overleggen. Voor den Prins had het den schijn, alsof dat leger onder Biron samen zou werken met het statenleger, dat op 35.000 man werd geschat, ten einde Parma, die steeds vorderde, uit zijn stellingen te verdrijven.Oranje werd dus door den aanslag van Januari 1583 verrast. Wel had hij van die ontevredenheid van Anjou en de zijnen gehoord, maar aan de geruchten, die tot hem kwamen, sloeg hij geen geloof en hij vermeed alleen in de laatste dagen omgang met den Franschen prins. Du Plessis-Mornay was met opzet door Anjou verwijderd; deze had den Prins nog voor zijn vertrek gewaarschuwd, maar Oranje meende, dat hij nog wel zooveel invloed op Anjou zou hebben om hem van onberaden stappen terug te houden.Op den 16enJanuari waren er te Burgerhout, vlak bij Antwerpen, eenige duizenden Fransche soldaten verzameld. Een gemaskerd persoon kwam den nacht daaropvolgende in de stad; hij waarschuwde de bewoners tegen de gevaren, die hen bedreigden. In elk geval was er argwaan en vermoeden in de lucht en waren burgers en soldaten niet vrij van vrees. De wacht werd zelfs verdubbeld. De kapitein deelde zijn angst aan Oranje mede, die hem echter verzekerde, dat hij alle vertrouwen had op de eerlijkheid van den protector, hoewel hij de voorzorgsmaatregelen, die genomen werden, niet afkeurde. Zoo weinig geloof hechtte Oranje aan de geruchten, dat hij den burgemeester zelf naar het hertogelijk hoofdkwartier zond, om Anjou te vertellen, wat er van hem in de stad werd gezegd. Heftig protesteerde die trouwe bondgenoot tegen dien laster; hij wilde wel voor Antwerpen sterven, maar de stad krenken nooit; een geheime aanslag op hare vrijheden ging zijn bevatting te boven.Vroeg in den morgen van den 17enJanuari ging Anjou naar Oranje, ten einde hem voor te stellen gezamenlijk eene revue te houden over de voor de stad verzamelde troepen; doch de Prins weigerde, onder voorwendsel van ziekte; hij bleef te huis, in zijn woning bij de citadel, dus iets buiten de stad en verzocht ook Anjou dien dag in de stad te blijven. Tegen den middag ontving Anjou een brief, die hem zeer ontroerde.Onmiddellijk daarna besteeg hij een paard, reed door de Kipdorppoort de stad uit met ongeveer 200 gewapende volgers. Tegen dezen zou hij, daar buiten gekomen, gezegd hebben: “Ziedaar uw stad, neem ze in bezit!” Volgens een ander berichtgever zou zijn gunsteling Rochepot door middel van een geveinsden val het afgesproken teeken gegeven hebben, waarop hij met de zijnen, gevolgd door het leger, onder den kreet: “Ville gagnée! Tue! Tue! Vive la messe!” de stad zou overrompeld hebben. Het was met recht een overrompeling, want de burgers zaten nog aan den maaltijd. De Franschen, ten getale van 3600 man, drongen door tot de beurs en vingen reeds met plunderen aan. Doch plotseling keerde de kans. Wel waren de burgers onvoorbereid, maar deze schok trof hen allen zóó, dat ze zonder onderscheid van ouderdom, van geloof, van sekse als één man op de Franschen aanvielen met allerlei soort van wapens. Van de daken werden de Franschen met allerlei projectielen zoo heftig bestookt, dat ze de poort weder uitvluchtten, na de helft van de hunnen aan dooden, gewonden en gevangenen te hebben verloren.Alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat Oranje van uit zijn verwijderd kwartier niet eer het tooneel bereikte, dan toen het ergste reeds voorbij was. Men zegt dat zijn eerste woord was: “Schiet niet burgers, het is een misverstand!” Maar als een misverstand kon dezeverraderlijkeaanval toch moeilijk worden opgevat. Toch hield Oranje die meening blijkbaar vol, getuige zijn volgende pogingen om zich weer met Anjou te verzoenen. Deverraderlijkeaanval ontving later den naam vanFransche furie, als tegenhanger van de Spaansche furie van het jaar 1576, die Antwerpen verwoestte.Gelukkig was deze aanslag op de rijke koopstad niet gelukt; evenmin die te Brugge. Doch te Dendermonde, te Dixmuiden en Duinkerken slaagden de Fransche troepen in hun onderneming. Anjou besloot naar Dendermonde te gaan, doch verloor op één tocht daarheen nog een duizend man, tengevolge van een overstrooming van een dijk bij Mechelen, dien men had doorgestoken, om zijn voortgang te verhinderen. Daardoor werd hij eerst verplicht, bij Berchem in de buurt van Vilvoorden te kampeeren en kon pas een paar dagen later naar Dendermonde gaan. Zijn bedoelingen waren duidelijk geweest. Zijn rentmeester, La Fougère, die te Brugge was gevangen genomen, bekende, dat het plan van den hertog was geweest, zich van den persoon van Oranje te verzekeren, de stad te plunderen, den hervormden godsdienst af te schaffen, de staatsregeling, die hij bezworen had, omver te werpen en de renversaalbrieven, waarbij hij Oranje’s gezag in Holland, Zeeland en Utrecht erkend had, te vernietigen.Dit geheele plan was gelukkig in duigen gevallen. Toch verzuimde de hertog geen oogenblik, zijn briefwisseling te heropenen met den man, wiens rivaliteit hij vreesde en met de Staten; deze briefwisseling zoekt tevergeefs haar weerga instoutmoedige brutaliteit. Zijn eerste brief werd op den namiddag van den 17engeschreven; Oranje moest daaruit verstaan, dat de gebeurtenissen van den dag geheel waren veroorzaakt ten gevolge van de onwaardige behandeling, door hem ondervonden. Ook vroeg hij den Prins te zorgen, dat zijn volk geen leed werd aangedaan. Aan de Staten schreef hij terzelfder tijd een brief, waarin hij alles poogde te verklaren. Hij vroeg daarin, zijn huisraad en kleederen en al wat het eigendom van zijn gevolg was, aan hem toe te zenden, de gevangenen los te laten en proviand voor zijn manschappen. Zelfs beloofde hij, met geheele verdraaiing van de waarheid, dat hij bereid was, te vergeten en te vergeven, al was hij nog zoo slecht behandeld.Oranje had het volk op straat tot bedaren gebracht; maar aanstonds begreep hij ook, dat hij, zonder de Franschen te veel te verbitteren, het verzet tegen dergelijke aanslagen moest leiden. Had hij echter daarbij toegegeven aan de rechtmatige verontwaardiging der Staten, dan zouden er wellicht uitingen zijn gehoord, die de slimste gevolgen hadden kunnen hebben. Zoo geheel onmogelijk was het dan niet, dat Anjou zich met Parma had vereenigd en dan was alles verloren geweest. Hij trachtte dus de gemoederen te kalmeeren en de Staten te bewegen, opnieuw met Anjou in onderhandeling te treden. Die houding was des te moeilijker, omdat de verontwaardiging over de schandelijke daad van Anjou algemeen was; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Engeland, Duitschland en onder de Hugenoten. De Duitschers, die zoo tegen den Franschen prins hadden gewaarschuwd, en die vooral de hulp van een zoon van Catharina de Medicis voor de zaak der Nederlanden hadden afgekeurd, riepen nu triomfantelijk uit, dat ze dat wel hadden voorspeld.De landgraaf van Hessen schreef o. a. aan een zijner vrienden, dat hij hoopte, dat men zich niet langer honig om den mond zou laten smeren, want het was nu toch zeker duidelijk genoeg gebleken, dat men zich, door hulp van Anjou aan te nemen, als schapen aan den wolf had overgegeven.Koningin Elisabeth sloeg wel een anderen toon aan dan de landgraaf; zij vroeg aan Oranje de juiste toedracht omtrent het voorgevallene te mogen vernemen en sprak de hoop uit, dat Anjou door dit nieuwe voorval niet in gevaar zou komen, want er was haar aan “de fortuin van Monsieur” veel gelegen. Aan het slot van haar schrijven zei ze nog even, dat Monsieur meer dan eens geklaagd had over het onrecht en de onwaardigheden, die hij in het land ondervonden had.Catharina de Medicis, de moeder van Anjou, ging nog een stapje verder; ook zij schreef den Prins en bond hem op ’t hart zich niet aan ondankbaarheid tegenover haar zoon schuldig te maken!Het antwoord van Oranje op de brieven van Elisabeth en Catharina de Medicis was eenvoudig en waardig. Tegenover de laatste bepleitte hij zijn volkomen onschuld en voegde erbij, dat het heilzaam zou geweest zijn als Anjou zijn raad had opgevolgd. Hij laat verder aan moeder en “bruid” over, uit te maken, wie in deze zaak schuldig is en wie niet. Hij blijft zich bovendien in de gunst van den koning aanbevelen, waaruit blijkt dat Oranje, trots het gebeurde, nog alles van Fransche hulp verwachtte.In de maand Februari vroegen de overheidspersonen in Antwerpen aanOranje, om beslist zijne meening te kennen te geven over hetgeen gedaan moest worden en daarop gaf de Prins zijn advies. Dit advies, door hem slechts noode gegeven, omdat hij wist, hoeveel malen hij reeds het slachtoffer was geweest van klachten en lasteringen, als God het volk bezoeken wilde, is hoogst merkwaardig, vooral om de zoozeer veroordeelde houding van Oranje tegenover Anjou ook na de Fransche furie. Hij verzoekt daarin allereerst, dat zijn hoorders zich goed zullen te binnen brengen, hoevele malen hij hun gevraagd heeft, of ze middelen hadden, om zich zelf te verdedigen. De geheele onderhandeling met Anjou was van de eerste dagen af gegrond op hunne overtuiging, dat er geen andere weg voor hen openstond. Al had de Fransche prins door zijn gedrag alle overeenkomsten vernietigd, toch waren er nog slechts drie wegen open:Verzoening met Filips,Onafhankelijkheid van elke hulp en bouwen op eigen kracht, ofVerzoening met Anjou.Werkelijk waren er in Antwerpen, die het eerste zouden begeerd hebben. Tot hen sprak de Prins: “Indien gij den Spanjaard wilt, doodt mij dan allereerst.” Als toch Antwerpen zijn Evangelischen godsdienst wilde behouden, dan was de terugkeer tot Spanje immers onmogelijk. Verkieslijk was het zeker, alleen van eigen hulpbronnen, van eigen krachten afhankelijk te zijn, doch in het midden van den oorlog, met vijanden aan alle zijden, was die onafhankelijkheid geheel en al onpractisch.Er was gebrek aan centrale macht, aan centraal belang en aan centrale verantwoordelijkheid in de Unie. Elk gewest dacht veel meer om locaal eigenbelang, dan om het algemeen welzijn. Hij kon niet inzien, hoe zij zonder eenige buitenlandsche hulp te zamen één koers zouden blijven houden. Afgunst op elkander was een ernstige hinderpaal voor een algemeene regeering. Daarom was het Oranje’s meening, dat Anjou met Frankrijk achter zich, nog de beste en eenige hulp bleef. Zelfs degodsdienstbezwarenachtte Oranje gering. Want hij zag, dat ook elders de Christelijke kerken met souvereinen, die niet van hun geloof waren, verbonden sloten of zich aan hen onderwierpen.Kortom, er was geen andere weg en dien af te snijden was naar zijn meening het gevaarlijkste. Oranje deinsde er zelfs niet voor terug, zijn eigen populariteit in de waagschaal te stellen en stoorde zich niet aan verdachtmaking, waar hij dit het beste vond, die onderhandelingen tusschen een trouweloos landsheer en zijne onderdanen voort te zetten. Vooral het argument, dat er bij verwerping van Anjou kans bestond op een verbinding van dezen met Parma, woog zeer zwaar. Buitendien kon men thans aan den Franschen prins voorwaarden stellen, waardoor elk nieuw gevaar van zijn kant kon worden voorkomen. En inderdaad hadden die besprekingen, die door den Prins met de hoogste politieke virtuositeit werden geleid, het gevolg, dat men in de maand Maart met Anjou, die nog te Dendermonde was, aan het onderhandelen ging. De toon, dien hij toen aansloeg, was een andere dan de eerste; hij weet toen alles aan een ongelukkig toeval en de insubordinatie van zijn soldaten. Het gevolg was dat er een accoord werd gesloten. Hij zou zich naar Duinkerken terugtrekken, in afwachting van een definitieve schikking zijn leger ontbinden en zich later te Mechelen vestigen; zijn gevangenen te Antwerpen zouden worden bevrijd en hem zou een som van f 90.000 worden uitbetaald.Anjou schreef daarop op 26enMaart 1583 een briefje aan den Prins uit Dendermonde, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf over de gelukte verzoening met de Staten. Hij drukte daarin de verzekering uit, dat er van zijn kant geen fouten meer zouden begaan worden en beval zich in de goede genegenheid van Oranje aan. Ook vroeg hij hulp om zijn heilig en heilzaam werk te kunnen voltooien. Nog slechts drie maanden zou hij echter in het land blijven. Reeds in Juni verliet hij het, wel niet met het voornemen om het voor goed vaarwel te zeggen (want hij bleef nog steeds met den Prins in briefwisseling), doch hij keerde er niet terug.Parma trok slechts voordeel van al deze beroeringen met Anjou. De omstandigheid, dat zijn moeder in 1581 en 1582 weder als landvoogdes naast hem als legerhoofd had gefungeerd, met welke schikking hij zelf weinig was ingenomen, had zeker medegewerkt tot den niet snelleren voortgang der Spaansche zaak. Hij had in Maart 1582 een beroep op de steden gedaan en zijn agenten waren overal in het geheim werkzaam, doch hij wachtte den loop der gebeurtenissen in Antwerpen af.Nauwelijks was de aanslag van Anjou tegen de Scheldestad mislukt, of de Spaansche landvoogd herhaalde niet alleen zijn verzoek aan die gewesten, om onder de trouw des konings terug te keeren, maar zoowel door militaire als door diplomatieke manoeuvres trachtte hij dat doel te bereiken. Hij trad zelfs met Anjou in geheime onderhandeling, hetgeen niet voor Oranje verborgen bleef, die daarom des te meer op verzoening met den hertog aandrong. Toen dit laatste in Maart 1583 gelukt was, maakte Parma zich in het voorjaar meester van Duinkerken Nieuwpoort, Dixmuiden en Eindhoven. Ja zelfs te Gent werd er over verzoening met Spanje gesproken, waartoe in 1584 zelfs Hembyze, die er teruggekeerd was, de hand leende. Oranje zond tal van brieven aan de magistraat van Gent en aan verschillende private personen, ten einde dat onheil te keeren en hen trouw te doen blijven aan de generaliteit.Al deze dingen waren zeer ontmoedigend voor den Prins. Wat hem zeker het meest in die dagen trof, was de houding van zijn zwager Willem van den Berg, echtgenoot zijner tweede zuster Maria van Nassau. Deze had reeds verscheidene malen blijk gegeven van onverschilligheid tegenover zijn schoonbroeder en de algemeene zaak. In 1579 had zijn vrouw hem tegenover haar broeders nog met kracht verdedigd en de beschuldigingen, die tegen hem werden ingebracht, als laster doen voorkomen. Toch werd er later een briefwisseling uit dat jaar tusschen hem en Parma ontdekt.Toen hij in 1581 in plaats van Jan van Nassau stadhouder van Gelderland werd, geschiedde dit op voorspraak van den Prins, die toen aan de Staten schreef: “Mijn schoonbroeder, die een aanbeveling voor het stadhouderschap wenscht, heeft mij verzekerd van zijn liefde en toewijding aan de rechtvaardige zaak van het vaderland. Ik wenschte alleen, dat hij dit vroeger had bewezen. Doch beter laat dan nooit.”Men kan niet zeggen dat de lofspraak groot was; doch de Gelderschen namen hem aan en een tijdlang schijnt hij te goeder trouw geregeerd te hebben. In 1583 echter kwam er weder eene briefwisseling tusschen hem en Parma aanhet licht, die overtuigend bewees, dat van den Berg slechte voornemens koesterde. Hij zou namelijk Zutfen aan Parma overleveren. Toen werd hij op den 15 November met zijn echtgenoote en zijn zonen gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Een jaar bleef hij in Delfshaven gevangen. Toen hij bevrijd was, nam hij onmiddellijk met al zijn zoons dienst onder den koning. Deze treurige geschiedenis in zijn eigen familie vermeerderde natuurlijk Oranje’s smart over al den afval niet weinig. Als opvolger van van den Berg werd in Gelderland Adolf, graaf Nieuwenaar, gekozen, die met het oog op hetgeen in Duitschland aanhangig was, voor Gelderland een zeer gewenschte stadhouder bleek.Slechts een enkel woord over die in Duitschland aanhangige zaak, aangezien ze tot niets heeft geleid en de Prins er ook weinig beteekenis aan hechtte. Bedoeld wordt de overgang van den aartsbisschop van Keulen, Gebhard Truchsesz von Waldburg en de pogingen, die op grond daarvan bovenal Jan van Nassau in dezen tijd in het werk stelde, om eene algemeene beweging aan den Rijn in het leven te roepen, ten einde Spanje van dien kant het hoofd te bieden. Ongelukkig werd Johan Casimir van de Paltz daarbij ingeroepen. Oranje had er al dadelijk niet veel vertrouwen in; te lang had hij van Duitschland enkel tegenwerking ondervonden; de verschijning van Johan Casimir als legerhoofd ontnam hem alle vertrouwen op den goeden loop dier Keulsche zaken, en de uitkomst bevestigde volkomen zijn vrees, want voor het jaar 1583 verstreek, was de geheele beweging op niets uitgeloopen en was de oud-aartsbisschop, die door een goed katholiek was vervangen, genoodzaakt een toevluchtsoord bij den Prins in Delft te zoeken.Bij den Prins te Delft. Want daarheen was Oranje zelf op den 22enJuli 1583 verhuisd. De verzoening met Anjou had hem in Antwerpen zijn populariteit doen verliezen. Het volk had zijn motieven om Anjou te herstellen in het gezag, dat hij misbruikt had, niet kunnen begrijpen. Vrees voor de Franschen bleef de burgers bekruipen en ze begonnen Oranje zelfs te beleedigen. De kreet werd gehoord: “Verrader, hij is van plan om Antwerpen aan de Franschen over te leveren.” Ook zijn leven werd bedreigd; een woedende menigte, die zijn persoon wilde aanvallen, was met moeite tot bedaren te brengen en de overheid vreesde zelfs die aanranders te straffen. Dit gemis van vertrouwen trof den Prins diep; ook beleedigde het hem dat de bedreiging van zijn persoon niet gestraft werd. De Staten-Generaal waren op dat oogenblik te Middelburg vereenigd. Daarheen verhaastte hij toen zijn reis, om kort daarop met zijn gezin het oude St. Agatha-klooster te Delft te betrekken.
Gedurende de ziekte van den Prins werd Anjou als het actieve hoofd der regeering beschouwd. Van zijn ziekbed uit trachtte Oranje het gezag van den Franschen Prins te versterken en het volk aan te sporen, den wil van hem te eerbiedigen, dien zij als souverein hadden gekozen. In Juli ontving deze den titel van graaf van Vlaanderen, hertog van Gelderland en Heer van Friesland. Holland bleef natuurlijk op zijn eisch staan, den Prins den titel van graaf te geven en op den 14enAug. 1582 liet deze zich dan ook bewegen, de grafelijke waardigheid in beginsel te aanvaarden, voorloopig echter nog zeer in ’t geheim, ten einde Anjou niet tot argwaan te prikkelen.
Bij gelegenheid van Anjou’s aanvaarding van het graafschap over Vlaanderen, welke in Augustus te Gent plaats had, werd de Fransche prins door de Calvinistische bevolking zeer koel ontvangen. Te Brugge schijnt zelfs de koelheid tot haat en tot moordaanslag op Anjou en Oranje beiden geleid te hebben. Volgens Hooft werden een Italiaan met name Basa en een Spanjaard, Salcedo genaamd, ontdekt, terwijl zij uitvoering wilden geven aan de misdaad, beide prinsen te vergiftigen. Zij beleden, dat ze door Parma tot dat plan waren aangezet. Ongelukkig was zelfs de jonge graaf van Egmond, die onlangs tot de Spaansche partij was overgegaan, in dit complot gemengd, om den vriend van zijn vader te vermoorden. Men zegt, dat hij aan Oranje’s tusschenkomst zijn leven te danken had, daar het hem gelukt zou zijn door bemiddeling van den Prins naar Frankrijk te ontsnappen.
Aan Anjou werden overvloedige eerbewijzen gegeven en toch gevoelde de Fransche prins zich hier niet thuis. Hij beklaagde zich, dat hij niet naar behooren werd behandeld. Niet alleen toonde men op allerlei wijze zijn antipathie tegen de zeden en gewoonten van de hovelingen van Anjou; niet alleen haatten de Calvinisten zijn katholiek geloof; maar ook vond hij alle belemmeringen en beperkingen der vorstelijke macht in de praktijk zoo onverdragelijk, dat hij zeerspoedig reeds met het denkbeeld omging te trachten die vorstelijke macht, die zooveel voordeden verschafte, te vergrooten. Zelfs de kosten voor zijn hofhouding waren moeilijk op te brengen.
Elisabeth, die nog steeds als bruid van Anjou poseerde en bij wie deze zich over de behandeling beklaagde, schreef o. a. aan Oranje: “Voor een edelman, die zijn land uit medelijden voor de arme Nederlanders heeft verlaten, komt het mij ongepast voor, dat hij zoo slecht betaald wordt en gedwongen is een tweede rol te spelen.” Dat was dan ook de grootste grief van Anjou en zijn hovelingen, die zich roem, eer en voordeel van de Nederlanden hadden voorgesteld en die het tegendeel van dat alles daar vonden. De laatsten trachtten dan ook hun heer te overreden, om op de een of andere wijze zijn gezag uit te breiden en zijn macht te vermeerderen. “Neem door middel van een stoutmoedige daad uw rechten; maak u meester van Vlaanderen en Frankrijk zal u steunen.”
Die toon klonk aangenaam in Anjou’s ooren. Verraad was een familiezwak. Ook zijn moeder, Catharina de Medicis was, gelijk bekend is, daarvan niet afkeerig en steunde de taal dier hovelingen. Zoo besloot Anjou, vertrouwende op krachtdadige hulp uit Frankrijk, zich meester te maken van verschillende Vlaamsche steden. Duinkerken, Dixmuiden, Dendermonde, Brugge, Gent en Vilvoorden zouden, onder voorwendsel dat er oproerige bewegingen moesten worden gedempt, worden genomen. De hertog nam zelf Antwerpen voor zijn rekening. De maarschalk Biron zou met een leger uit Frankrijk Anjou te hulp komen en met hem alles voor den aanslag overleggen. Voor den Prins had het den schijn, alsof dat leger onder Biron samen zou werken met het statenleger, dat op 35.000 man werd geschat, ten einde Parma, die steeds vorderde, uit zijn stellingen te verdrijven.
Oranje werd dus door den aanslag van Januari 1583 verrast. Wel had hij van die ontevredenheid van Anjou en de zijnen gehoord, maar aan de geruchten, die tot hem kwamen, sloeg hij geen geloof en hij vermeed alleen in de laatste dagen omgang met den Franschen prins. Du Plessis-Mornay was met opzet door Anjou verwijderd; deze had den Prins nog voor zijn vertrek gewaarschuwd, maar Oranje meende, dat hij nog wel zooveel invloed op Anjou zou hebben om hem van onberaden stappen terug te houden.
Op den 16enJanuari waren er te Burgerhout, vlak bij Antwerpen, eenige duizenden Fransche soldaten verzameld. Een gemaskerd persoon kwam den nacht daaropvolgende in de stad; hij waarschuwde de bewoners tegen de gevaren, die hen bedreigden. In elk geval was er argwaan en vermoeden in de lucht en waren burgers en soldaten niet vrij van vrees. De wacht werd zelfs verdubbeld. De kapitein deelde zijn angst aan Oranje mede, die hem echter verzekerde, dat hij alle vertrouwen had op de eerlijkheid van den protector, hoewel hij de voorzorgsmaatregelen, die genomen werden, niet afkeurde. Zoo weinig geloof hechtte Oranje aan de geruchten, dat hij den burgemeester zelf naar het hertogelijk hoofdkwartier zond, om Anjou te vertellen, wat er van hem in de stad werd gezegd. Heftig protesteerde die trouwe bondgenoot tegen dien laster; hij wilde wel voor Antwerpen sterven, maar de stad krenken nooit; een geheime aanslag op hare vrijheden ging zijn bevatting te boven.
Vroeg in den morgen van den 17enJanuari ging Anjou naar Oranje, ten einde hem voor te stellen gezamenlijk eene revue te houden over de voor de stad verzamelde troepen; doch de Prins weigerde, onder voorwendsel van ziekte; hij bleef te huis, in zijn woning bij de citadel, dus iets buiten de stad en verzocht ook Anjou dien dag in de stad te blijven. Tegen den middag ontving Anjou een brief, die hem zeer ontroerde.
Onmiddellijk daarna besteeg hij een paard, reed door de Kipdorppoort de stad uit met ongeveer 200 gewapende volgers. Tegen dezen zou hij, daar buiten gekomen, gezegd hebben: “Ziedaar uw stad, neem ze in bezit!” Volgens een ander berichtgever zou zijn gunsteling Rochepot door middel van een geveinsden val het afgesproken teeken gegeven hebben, waarop hij met de zijnen, gevolgd door het leger, onder den kreet: “Ville gagnée! Tue! Tue! Vive la messe!” de stad zou overrompeld hebben. Het was met recht een overrompeling, want de burgers zaten nog aan den maaltijd. De Franschen, ten getale van 3600 man, drongen door tot de beurs en vingen reeds met plunderen aan. Doch plotseling keerde de kans. Wel waren de burgers onvoorbereid, maar deze schok trof hen allen zóó, dat ze zonder onderscheid van ouderdom, van geloof, van sekse als één man op de Franschen aanvielen met allerlei soort van wapens. Van de daken werden de Franschen met allerlei projectielen zoo heftig bestookt, dat ze de poort weder uitvluchtten, na de helft van de hunnen aan dooden, gewonden en gevangenen te hebben verloren.
Alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat Oranje van uit zijn verwijderd kwartier niet eer het tooneel bereikte, dan toen het ergste reeds voorbij was. Men zegt dat zijn eerste woord was: “Schiet niet burgers, het is een misverstand!” Maar als een misverstand kon dezeverraderlijkeaanval toch moeilijk worden opgevat. Toch hield Oranje die meening blijkbaar vol, getuige zijn volgende pogingen om zich weer met Anjou te verzoenen. Deverraderlijkeaanval ontving later den naam vanFransche furie, als tegenhanger van de Spaansche furie van het jaar 1576, die Antwerpen verwoestte.
Gelukkig was deze aanslag op de rijke koopstad niet gelukt; evenmin die te Brugge. Doch te Dendermonde, te Dixmuiden en Duinkerken slaagden de Fransche troepen in hun onderneming. Anjou besloot naar Dendermonde te gaan, doch verloor op één tocht daarheen nog een duizend man, tengevolge van een overstrooming van een dijk bij Mechelen, dien men had doorgestoken, om zijn voortgang te verhinderen. Daardoor werd hij eerst verplicht, bij Berchem in de buurt van Vilvoorden te kampeeren en kon pas een paar dagen later naar Dendermonde gaan. Zijn bedoelingen waren duidelijk geweest. Zijn rentmeester, La Fougère, die te Brugge was gevangen genomen, bekende, dat het plan van den hertog was geweest, zich van den persoon van Oranje te verzekeren, de stad te plunderen, den hervormden godsdienst af te schaffen, de staatsregeling, die hij bezworen had, omver te werpen en de renversaalbrieven, waarbij hij Oranje’s gezag in Holland, Zeeland en Utrecht erkend had, te vernietigen.
Dit geheele plan was gelukkig in duigen gevallen. Toch verzuimde de hertog geen oogenblik, zijn briefwisseling te heropenen met den man, wiens rivaliteit hij vreesde en met de Staten; deze briefwisseling zoekt tevergeefs haar weerga instoutmoedige brutaliteit. Zijn eerste brief werd op den namiddag van den 17engeschreven; Oranje moest daaruit verstaan, dat de gebeurtenissen van den dag geheel waren veroorzaakt ten gevolge van de onwaardige behandeling, door hem ondervonden. Ook vroeg hij den Prins te zorgen, dat zijn volk geen leed werd aangedaan. Aan de Staten schreef hij terzelfder tijd een brief, waarin hij alles poogde te verklaren. Hij vroeg daarin, zijn huisraad en kleederen en al wat het eigendom van zijn gevolg was, aan hem toe te zenden, de gevangenen los te laten en proviand voor zijn manschappen. Zelfs beloofde hij, met geheele verdraaiing van de waarheid, dat hij bereid was, te vergeten en te vergeven, al was hij nog zoo slecht behandeld.
Oranje had het volk op straat tot bedaren gebracht; maar aanstonds begreep hij ook, dat hij, zonder de Franschen te veel te verbitteren, het verzet tegen dergelijke aanslagen moest leiden. Had hij echter daarbij toegegeven aan de rechtmatige verontwaardiging der Staten, dan zouden er wellicht uitingen zijn gehoord, die de slimste gevolgen hadden kunnen hebben. Zoo geheel onmogelijk was het dan niet, dat Anjou zich met Parma had vereenigd en dan was alles verloren geweest. Hij trachtte dus de gemoederen te kalmeeren en de Staten te bewegen, opnieuw met Anjou in onderhandeling te treden. Die houding was des te moeilijker, omdat de verontwaardiging over de schandelijke daad van Anjou algemeen was; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Engeland, Duitschland en onder de Hugenoten. De Duitschers, die zoo tegen den Franschen prins hadden gewaarschuwd, en die vooral de hulp van een zoon van Catharina de Medicis voor de zaak der Nederlanden hadden afgekeurd, riepen nu triomfantelijk uit, dat ze dat wel hadden voorspeld.
De landgraaf van Hessen schreef o. a. aan een zijner vrienden, dat hij hoopte, dat men zich niet langer honig om den mond zou laten smeren, want het was nu toch zeker duidelijk genoeg gebleken, dat men zich, door hulp van Anjou aan te nemen, als schapen aan den wolf had overgegeven.
Koningin Elisabeth sloeg wel een anderen toon aan dan de landgraaf; zij vroeg aan Oranje de juiste toedracht omtrent het voorgevallene te mogen vernemen en sprak de hoop uit, dat Anjou door dit nieuwe voorval niet in gevaar zou komen, want er was haar aan “de fortuin van Monsieur” veel gelegen. Aan het slot van haar schrijven zei ze nog even, dat Monsieur meer dan eens geklaagd had over het onrecht en de onwaardigheden, die hij in het land ondervonden had.
Catharina de Medicis, de moeder van Anjou, ging nog een stapje verder; ook zij schreef den Prins en bond hem op ’t hart zich niet aan ondankbaarheid tegenover haar zoon schuldig te maken!
Het antwoord van Oranje op de brieven van Elisabeth en Catharina de Medicis was eenvoudig en waardig. Tegenover de laatste bepleitte hij zijn volkomen onschuld en voegde erbij, dat het heilzaam zou geweest zijn als Anjou zijn raad had opgevolgd. Hij laat verder aan moeder en “bruid” over, uit te maken, wie in deze zaak schuldig is en wie niet. Hij blijft zich bovendien in de gunst van den koning aanbevelen, waaruit blijkt dat Oranje, trots het gebeurde, nog alles van Fransche hulp verwachtte.
In de maand Februari vroegen de overheidspersonen in Antwerpen aanOranje, om beslist zijne meening te kennen te geven over hetgeen gedaan moest worden en daarop gaf de Prins zijn advies. Dit advies, door hem slechts noode gegeven, omdat hij wist, hoeveel malen hij reeds het slachtoffer was geweest van klachten en lasteringen, als God het volk bezoeken wilde, is hoogst merkwaardig, vooral om de zoozeer veroordeelde houding van Oranje tegenover Anjou ook na de Fransche furie. Hij verzoekt daarin allereerst, dat zijn hoorders zich goed zullen te binnen brengen, hoevele malen hij hun gevraagd heeft, of ze middelen hadden, om zich zelf te verdedigen. De geheele onderhandeling met Anjou was van de eerste dagen af gegrond op hunne overtuiging, dat er geen andere weg voor hen openstond. Al had de Fransche prins door zijn gedrag alle overeenkomsten vernietigd, toch waren er nog slechts drie wegen open:Verzoening met Filips,Onafhankelijkheid van elke hulp en bouwen op eigen kracht, ofVerzoening met Anjou.
Werkelijk waren er in Antwerpen, die het eerste zouden begeerd hebben. Tot hen sprak de Prins: “Indien gij den Spanjaard wilt, doodt mij dan allereerst.” Als toch Antwerpen zijn Evangelischen godsdienst wilde behouden, dan was de terugkeer tot Spanje immers onmogelijk. Verkieslijk was het zeker, alleen van eigen hulpbronnen, van eigen krachten afhankelijk te zijn, doch in het midden van den oorlog, met vijanden aan alle zijden, was die onafhankelijkheid geheel en al onpractisch.
Er was gebrek aan centrale macht, aan centraal belang en aan centrale verantwoordelijkheid in de Unie. Elk gewest dacht veel meer om locaal eigenbelang, dan om het algemeen welzijn. Hij kon niet inzien, hoe zij zonder eenige buitenlandsche hulp te zamen één koers zouden blijven houden. Afgunst op elkander was een ernstige hinderpaal voor een algemeene regeering. Daarom was het Oranje’s meening, dat Anjou met Frankrijk achter zich, nog de beste en eenige hulp bleef. Zelfs degodsdienstbezwarenachtte Oranje gering. Want hij zag, dat ook elders de Christelijke kerken met souvereinen, die niet van hun geloof waren, verbonden sloten of zich aan hen onderwierpen.
Kortom, er was geen andere weg en dien af te snijden was naar zijn meening het gevaarlijkste. Oranje deinsde er zelfs niet voor terug, zijn eigen populariteit in de waagschaal te stellen en stoorde zich niet aan verdachtmaking, waar hij dit het beste vond, die onderhandelingen tusschen een trouweloos landsheer en zijne onderdanen voort te zetten. Vooral het argument, dat er bij verwerping van Anjou kans bestond op een verbinding van dezen met Parma, woog zeer zwaar. Buitendien kon men thans aan den Franschen prins voorwaarden stellen, waardoor elk nieuw gevaar van zijn kant kon worden voorkomen. En inderdaad hadden die besprekingen, die door den Prins met de hoogste politieke virtuositeit werden geleid, het gevolg, dat men in de maand Maart met Anjou, die nog te Dendermonde was, aan het onderhandelen ging. De toon, dien hij toen aansloeg, was een andere dan de eerste; hij weet toen alles aan een ongelukkig toeval en de insubordinatie van zijn soldaten. Het gevolg was dat er een accoord werd gesloten. Hij zou zich naar Duinkerken terugtrekken, in afwachting van een definitieve schikking zijn leger ontbinden en zich later te Mechelen vestigen; zijn gevangenen te Antwerpen zouden worden bevrijd en hem zou een som van f 90.000 worden uitbetaald.
Anjou schreef daarop op 26enMaart 1583 een briefje aan den Prins uit Dendermonde, waarin hij zijn vreugde te kennen gaf over de gelukte verzoening met de Staten. Hij drukte daarin de verzekering uit, dat er van zijn kant geen fouten meer zouden begaan worden en beval zich in de goede genegenheid van Oranje aan. Ook vroeg hij hulp om zijn heilig en heilzaam werk te kunnen voltooien. Nog slechts drie maanden zou hij echter in het land blijven. Reeds in Juni verliet hij het, wel niet met het voornemen om het voor goed vaarwel te zeggen (want hij bleef nog steeds met den Prins in briefwisseling), doch hij keerde er niet terug.
Parma trok slechts voordeel van al deze beroeringen met Anjou. De omstandigheid, dat zijn moeder in 1581 en 1582 weder als landvoogdes naast hem als legerhoofd had gefungeerd, met welke schikking hij zelf weinig was ingenomen, had zeker medegewerkt tot den niet snelleren voortgang der Spaansche zaak. Hij had in Maart 1582 een beroep op de steden gedaan en zijn agenten waren overal in het geheim werkzaam, doch hij wachtte den loop der gebeurtenissen in Antwerpen af.
Nauwelijks was de aanslag van Anjou tegen de Scheldestad mislukt, of de Spaansche landvoogd herhaalde niet alleen zijn verzoek aan die gewesten, om onder de trouw des konings terug te keeren, maar zoowel door militaire als door diplomatieke manoeuvres trachtte hij dat doel te bereiken. Hij trad zelfs met Anjou in geheime onderhandeling, hetgeen niet voor Oranje verborgen bleef, die daarom des te meer op verzoening met den hertog aandrong. Toen dit laatste in Maart 1583 gelukt was, maakte Parma zich in het voorjaar meester van Duinkerken Nieuwpoort, Dixmuiden en Eindhoven. Ja zelfs te Gent werd er over verzoening met Spanje gesproken, waartoe in 1584 zelfs Hembyze, die er teruggekeerd was, de hand leende. Oranje zond tal van brieven aan de magistraat van Gent en aan verschillende private personen, ten einde dat onheil te keeren en hen trouw te doen blijven aan de generaliteit.
Al deze dingen waren zeer ontmoedigend voor den Prins. Wat hem zeker het meest in die dagen trof, was de houding van zijn zwager Willem van den Berg, echtgenoot zijner tweede zuster Maria van Nassau. Deze had reeds verscheidene malen blijk gegeven van onverschilligheid tegenover zijn schoonbroeder en de algemeene zaak. In 1579 had zijn vrouw hem tegenover haar broeders nog met kracht verdedigd en de beschuldigingen, die tegen hem werden ingebracht, als laster doen voorkomen. Toch werd er later een briefwisseling uit dat jaar tusschen hem en Parma ontdekt.
Toen hij in 1581 in plaats van Jan van Nassau stadhouder van Gelderland werd, geschiedde dit op voorspraak van den Prins, die toen aan de Staten schreef: “Mijn schoonbroeder, die een aanbeveling voor het stadhouderschap wenscht, heeft mij verzekerd van zijn liefde en toewijding aan de rechtvaardige zaak van het vaderland. Ik wenschte alleen, dat hij dit vroeger had bewezen. Doch beter laat dan nooit.”
Men kan niet zeggen dat de lofspraak groot was; doch de Gelderschen namen hem aan en een tijdlang schijnt hij te goeder trouw geregeerd te hebben. In 1583 echter kwam er weder eene briefwisseling tusschen hem en Parma aanhet licht, die overtuigend bewees, dat van den Berg slechte voornemens koesterde. Hij zou namelijk Zutfen aan Parma overleveren. Toen werd hij op den 15 November met zijn echtgenoote en zijn zonen gevangen genomen en naar den Haag gevoerd. Een jaar bleef hij in Delfshaven gevangen. Toen hij bevrijd was, nam hij onmiddellijk met al zijn zoons dienst onder den koning. Deze treurige geschiedenis in zijn eigen familie vermeerderde natuurlijk Oranje’s smart over al den afval niet weinig. Als opvolger van van den Berg werd in Gelderland Adolf, graaf Nieuwenaar, gekozen, die met het oog op hetgeen in Duitschland aanhangig was, voor Gelderland een zeer gewenschte stadhouder bleek.
Slechts een enkel woord over die in Duitschland aanhangige zaak, aangezien ze tot niets heeft geleid en de Prins er ook weinig beteekenis aan hechtte. Bedoeld wordt de overgang van den aartsbisschop van Keulen, Gebhard Truchsesz von Waldburg en de pogingen, die op grond daarvan bovenal Jan van Nassau in dezen tijd in het werk stelde, om eene algemeene beweging aan den Rijn in het leven te roepen, ten einde Spanje van dien kant het hoofd te bieden. Ongelukkig werd Johan Casimir van de Paltz daarbij ingeroepen. Oranje had er al dadelijk niet veel vertrouwen in; te lang had hij van Duitschland enkel tegenwerking ondervonden; de verschijning van Johan Casimir als legerhoofd ontnam hem alle vertrouwen op den goeden loop dier Keulsche zaken, en de uitkomst bevestigde volkomen zijn vrees, want voor het jaar 1583 verstreek, was de geheele beweging op niets uitgeloopen en was de oud-aartsbisschop, die door een goed katholiek was vervangen, genoodzaakt een toevluchtsoord bij den Prins in Delft te zoeken.
Bij den Prins te Delft. Want daarheen was Oranje zelf op den 22enJuli 1583 verhuisd. De verzoening met Anjou had hem in Antwerpen zijn populariteit doen verliezen. Het volk had zijn motieven om Anjou te herstellen in het gezag, dat hij misbruikt had, niet kunnen begrijpen. Vrees voor de Franschen bleef de burgers bekruipen en ze begonnen Oranje zelfs te beleedigen. De kreet werd gehoord: “Verrader, hij is van plan om Antwerpen aan de Franschen over te leveren.” Ook zijn leven werd bedreigd; een woedende menigte, die zijn persoon wilde aanvallen, was met moeite tot bedaren te brengen en de overheid vreesde zelfs die aanranders te straffen. Dit gemis van vertrouwen trof den Prins diep; ook beleedigde het hem dat de bedreiging van zijn persoon niet gestraft werd. De Staten-Generaal waren op dat oogenblik te Middelburg vereenigd. Daarheen verhaastte hij toen zijn reis, om kort daarop met zijn gezin het oude St. Agatha-klooster te Delft te betrekken.
Hoofdstuk XXXII.Het vierde huwelijk van Oranje met Louise de Coligny. 1583–1584.Op den 5enMei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen, de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten, was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hijzou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou, dat dit ook door zijn gedachten speelde.Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd, die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud, toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel had genomen, waren begonnen.Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. “Haar innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der Coligny’s. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter, was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig in tegenspoed.”Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren; daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel, een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op het Fransche hof had gemaakt. Louise’s familie bovenal was door dat aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te verbinden met een man, die de luister van de Nassau’s was en daarbij kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen, om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan, waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het waren toen juist de gespannen dagen van deverzoening met Anjou, doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest, daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder, waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is, een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje’s kinderen te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst zijner kinderen besteden.Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen, die Oranje vereeren, moest voortleven.Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28 Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon,Frederik Hendrikgenaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet in aanzien was.Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in hetsmartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den 12enJuli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:“Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel, dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden, hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is.”Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn, dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme uit de 16eeeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.
Op den 5enMei 1582 was Charlotte van Bourbon gestorven als slachtoffer van al hare zorgen voor den herstellenden Prins na den moordaanslag van Jaureguy. Met haar was de moeder van zes jonge meisjes, waarvan het oudste nauwelijks zes jaar telde, in het graf gedaald en tegelijk de stiefmoeder van de andere kinderen van Oranje, die haar allen om strijd evenzeer liefhadden. Deze dood was een zware beproeving voor den man, die zulk een behoefte had aan de zorg eener liefhebbende echtgenoote. Toch schijnt de Prins zich over die beproeving niet veel te hebben uitgelaten; wie hem daarom van onverschilligheid zou willen beschuldigen, vergeet, dat ware droefheid zich meestal verbergt. Ook is het geen bewijs van onverschilligheid omtrent de nagedachtenis van Charlotte van Bourbon, dat Oranje zich een jaar later reeds voor de vierde maal een nieuwe echtgenoote gekozen had. Hoe schijnbaar vreemd ook, niemand zal ontkennen, dat zulk een gezin, met zes jonge kinderen, de zorg eener moeder onmogelijk kon ontberen.
Ook het belang van den wordenden staat eischte, dat hij weder een huwelijk sloot. Zijn oudste zoon Filips Willem was steeds in Spanje gevangen en op diens terugkeer kon in het minst niet gerekend worden. De eenige zoon, die dus de taak van zijn vader kon voortzetten, was Maurits; doch hoe gevaarlijk was het bezit van dien eenigen! Alle andere kinderen waren dochters. Eene nieuwe Prinses van Oranje kon de mannelijke lijn misschien versterken en de vraag bleef dus slechts over, wie te kiezen. Trots de antipathie van het volk tegen de Franschen, schreef zijn staatkunde hem voor, een volksgenoote van zijn vorige echtgenoote te nemen. Hij wilde den band tusschen hem en de Franschen ook door zijn vierde huwelijk versterken, want hij bleef al zijn hoop op Frankrijk vestigen en op hulp van daar. Zag hij misschien in de toekomst reeds Hendrik van Navarre op den troon? Hijzou dien tijd niet beleven, maar onmogelijk is het niet, bij de kinderloosheid van Hendrik III en de zwakke gezondheid van Anjou, dat dit ook door zijn gedachten speelde.
Wie hij dan koos? De admiraal Coligny, het voornaamste slachtoffer van den Bartholomeusnacht, had eene dochter nagelaten, Louise genaamd, die gehuwd was geweest met den Protestantschen edelman Teligny. Ook deze was tegelijk met zijn schoonvader in dien nacht vermoord en zij had dus in hare jeugd de droevigste levenservaringen gehad. Toen was ze toch pas 17 jaren; want ze was geboren in 1555 en zeven jaar oud, toen de godsdienstoorlogen, waaraan haar vader zulk een groot aandeel had genomen, waren begonnen.
Hare moeder was Charlotte de Laval, eene edele vrouw, door wier invloed vooral Coligny de groote verdediger der Hugenoten is geworden, doch die te vroeg is gestorven, om op Louise een sterken invloed uit te oefenen. Zij was en bleef meer het evenbeeld van haar vader. “Haar innerlijk had ze geërfd van het krachtig en ernstig geslacht der Coligny’s. Zij bezat hun meer nadenkend dan hartstochtelijk karakter, was zeer fijngevoelig, rustig, kloek in het handelen en standvastig in tegenspoed.”
Na den Bartholomeusnacht en den afschuwelijken moord op haar vader en echtgenoot, schijnt ze gevlucht te zijn eerst naar Savoye, daarna naar Bern, later naar Bazel. Hoe zij aan den algemeenen moord op de Hugenoten is ontkomen, is een raadsel, doch op de genoemde plaatsen treft men haar achtereenvolgens aan. In Bazel was zij omringd door familieleden, hare broeders en hare tante Anna de Salm. Het vredesedict van 1576 opende haar de mogelijkheid, naar Frankrijk terug te keeren; daar woonde zij toen vijf jaar op het adellijk landgoed van Lierville en bezocht van daar zelfs het hof te Parijs, waar haar verschijning door Brantôme met gloed wordt beschreven. Want terwijl men verwachtte eene puriteinsche te zien in stemmig gewaad, verscheen daar eene jonge vrouw, vol gratie, met schoone oogen, spiegels eener reine ziel, een levendige, frissche gelaatskleur en bevallige, zedige manieren.
Willem van Oranje, de geestverwant van haar vader, deed toen bij deze hoog beschaafde vrouw zijn huwelijksaanzoek. Hij kende haar persoonlijk niet, maar ging daarbij af op den indruk, dien zij op het Fransche hof had gemaakt. Louise’s familie bovenal was door dat aanzoek zeer gestreeld. Het was voor de Châtillons een eer, zich te verbinden met een man, die de luister van de Nassau’s was en daarbij kon de zaak van het Protestantisme en het verbond tusschen Geuzen en Hugenoten slechts bevorderd worden door een huwelijk tusschen Oranje en eene dochter van Coligny. Mocht dan ook de weduwe Teligny eerst nog bezwaren gehad hebben, zij bezweek voor den aandrang der haren en in April 1583 ging de achtentwintigjarige naar Antwerpen, om aan de zijde van den vijftiger haar leven te vervolgen.
Indien ze van te voren geweten had, aan welke beleedigingen zij om haar Fransche nationaliteit in Antwerpen zou hebben blootgestaan, waarschijnlijk zou ze dan die stad althans hebben ontweken. Want slechts drie maanden kon de Prins het daar met haar uithouden. Het waren toen juist de gespannen dagen van deverzoening met Anjou, doorgedreven, omdat Oranje geen anderen uitweg zag. Maar het volk, dat zijne beweegredenen niet kon doorzien, was zeer op hem gebeten. Zijne nieuwe echtgenoote moest dit dubbel ontgelden. Niet alleen werd zij bij haar aankomst zeer koel ontvangen, maar zelfs op straat stond zij aan de beleedigingen van het woedende volk bloot. Langen tijd is die onheusche bejegening bij Louise in bittere herinnering gebleven. Ze moesten zelfs, tot in hunne woning bedreigd, voor de woede van het volk de stad verlaten en toen namen ze hun toevlucht tot Delft. De reis daarheen schijnt alles behalve aangenaam en gemakkelijk geweest te zijn; althans de Fransche Memoirenschrijver Aubérie de Maurier verhaalt, dat zijn vader hem eens verteld had, dat Louise de Coligny zeer verbaasd was over het verschil tusschen Fransche en Hollandsche gewoonten. In plaats van in een koets werd ze in een open wagen gezet met een plank er in, om op te zitten. Op den korten afstand tusschen Rotterdam en Delft was zij in dat voertuig bijna geradbraakt.
We weten, hoe kort zij de levensgezellin van den Prins is geweest, daar hij een jaar later werd vermoord. Doch dat eene jaar is voldoende geweest, om haar te vormen tot die edele moeder en stiefmoeder, waarvan de geschiedenis de weerga niet kent. Indien het ons vergund is, een gevolgtrekking uit haar latere toewijding aan Oranje’s kinderen te maken, dan moeten wel in dat eene levensjaar van den Prins, dat zij samen sleten, tusschen hem en haar de innigste banden geknoopt zijn. Daardoor alleen kon zij haar geheele verdere leven in den dienst zijner kinderen besteden.
Louise de Coligny was eene waardige opvolgster van Charlotte van Bourbon. Ook zij toonde gehechtheid aan het huiselijk leven met al zijn zware plichten. Het was voor haar een genot, zich aan de kinderen uit de vorige huwelijken van den Prins te wijden. Voor hen heeft zij haar leven lang gewaakt en gezorgd; vaak onder de grootste ontberingen heeft ze hen met zooveel liefde onder hare moederlijke bescherming genomen, dat ze daarom alleen in de dankbare nagedachtenis van allen, die Oranje vereeren, moest voortleven.
Haar leven voor de kinderen van den Prins, inzonderheid voor de dochters van Charlotte van Bourbon, kan hier niet worden behandeld. Dit ligt geheel buiten ons terrein. Wat hier echter nog wel een plaats verdient, is de vermelding van de blijde gebeurtenis, dat ze op 28 Februari 1584 het levenslicht schonk aan een zoon,Frederik Hendrikgenaamd, onder wiens bestuur de gouden eeuw der republiek een aanvang nam. Die zoon werd aldus genoemd naar de koningen van Denemarken en van Navarre; zijn geboorte verbeterde de stemming van de Hollanders tegenover haar, die eerst om haar Fransche nationaliteit lang niet in aanzien was.
Het laatste levensjaar van den Prins heeft zij tot een der gelukkigste jaren van zijn stormachtig leven gemaakt. De huiselijke deugden van Louise, gepaard aan een opgewekten geest, waren voor den vermoeiden en afgematten strijder een bron van groot genot. Op het oude Prinsenhof te Delft was hem bovenal de stille familiekring zoo welkom. Al rustte hij ook daar nog niet van zijn arbeid, het was met dat vermoeiend heen en weer trekken gedaan, waardoor Charlotte zoo vaak van zijn tegenwoordigheid werd beroofd. In één woord, de Prins vond in hetsmartvolle verlies van zijn derde vrouw een groote vertroosting in zijn vierde huwelijk. Het heeft gelukkig niet zooals zijn tweede en derde echt de tongen der booze wereld aan het spreken gebracht. Ook zijn familie in Duitschland schijnt zich rustig te hebben neergelegd bij het feit. Aan Jan van Nassau schreef de nieuwe schoonzuster op den 12enJuli 1583 een briefje van dezen korten maar vriendelijken inhoud:
“Ik wil niet nalaten u te verzekeren, hoe vereerd ik mij gevoel, dat God het Monseigneur den Prins in het hart heeft gegeven, mij als zijn levensgezellin aan te nemen; als de grootste gunst van Hem beschouw ik het, dat Hij mij heeft verbonden aan zoovele edele heeren van groote qualiteit, die daarbij ook de vreeze Gods kennen, onder welke gij, Mijnheer, den eersten rang inneemt en waarom dan ook ik mij het eerst geneigd gevoel, u mijn nederige diensten aan te bieden, hopende, dat ik daardoor alles zal kunnen doen, wat u aangenaam is.”
Hebben de tijdgenooten het huwelijk van den Prins met een dochter van den admiraal Coligny, blijkbaar aangemerkt als een overwinning van de goede zaak, dit mag ook wel levendig blijven in de herinnering der nakomelingschap, die tot in lengte van dagen zal moeten indachtig zijn, dat niet alleen het huis van Oranje, maar ook de Pruisische dynastie door Frederik Hendrik, den zoon van Louise, in de vrouwelijke linie afstamt van de beide grootste slachtoffers voor het Protestantisme uit de 16eeeuw, van Willem van Oranje en van Gaspar de Coligny.
Hoofdstuk XXXIII.Oranje’s staatkunde gedurende zijn laatste levensjaar. 1583–1584.Een der eerste daden van de Staten-Generaal, na de komst van den Prins in Holland, was, hem te vragen zich met het centraal bestuur te belasten. Oranje gaf den 6enSeptember daarop in een uitgebreid document antwoord. Hij verzocht hun wel het groote gewicht van die zaak te bedenken en de moeilijkheden, die eraan verbonden waren, vooral omdat verschillende gewesten hun afgevaardigden nog niet naar de vergadering der Staten hadden gezonden. Bleven zij bij hun besluit, dan wilde de Prins een acte hebben, waardoor het hem vrij zou staan zich weder als hoofd ontslagen te rekenen, indien de gewesten zich niet aan de orde wilden onderwerpen. Ook wilde hij den Staten de vrijheid geven een anderen gouverneur te benoemen, indien ze daartoe wilden besluiten; hij zou dan onmiddellijk het gezag in hun handen teruggeven. Met het oog op den langen duur der beraadslagingen over deze belangrijke quaestie verzocht hij hun, een raad voor het land in te stellen.De Staten-Generaal, die den Prins dat verzoek deden, waren in Middelburg te zamen, maar het was er verre van, dat dit lichaam den geheelen Staat vertegenwoordigde.Zoo waren de Staten van Brabant tot een klein getal edelen en tot de steden Brussel en Antwerpen gereduceerd, terwijl vele der andere gewesten in het geheel niet of zeer matig vertegenwoordigd waren.Ondertusschen was de Prins zelf nog geheel verdiept in de quaestie van den opnieuw te erkennen protector en souverein. Het accoord van den 18enMaart te Dendermonde was slechts voorloopig geweest. De onderhandelingen, die op den grond daarvan gevoerd werden, vlotten niet. De hovelingen van Anjou, verbitterd over de mislukking hunner plannen, oefenden een verkeerden invloed op hem uit en de hertog zelf werd ziekelijk. Op 28 Juni 1583 verliet hij het land, ondervoorwendsel, dat hij met zijn moeder en broeder moest raadplegen. Des Pruneaux bleef de betrekking levendig houden. In September richtte deze een langen brief tot de Staten, waarin hij vroeg, waarom ze toch niet voortgingen, schikkingen te maken met zijn meester en Anjou schreef in dezelfde maand uit Kamerijk een brief vol klachten aan den Prins, waarin hij zich eveneens over de Staten beklaagde. Nadat hij enkele mededeelingen gedaan had over het aantal troepen, dat hij in ’t veld zou kunnen brengen, schreef hij o. a.:Ik heb echter eindelooze oorzaak om mij over de Staten te beklagen, van welke ik geen enkelen regel schrifts ontvangen heb sinds mijn vertrek uit Duinkerken. Indien ik mij gedroeg als zij, waartoe ik alle recht zou hebben, dan zou alles nog slechter gaan. Maar aan de geheele wereld, wil ik toonen, dat het mijn schuld niet zal zijn, als hun zaken misloopen.Aan de noodige brutaliteit miste het Anjou niet, want terecht vraagt men zich af, hoe het mogelijk is dat de man van de Fransche furie nog zulk een toon durfde aanslaan.Op hun standpunt hadden de Staten geen ongelijk, dat ze zijn verbroken trouw niet maar zoo voorkomend beantwoordden. Anjou was echter geheel op de hoogte van hun nood, en Oranje, die dit wel inzag, hield den band levendig, trots alles wat er gebeurd was. In den loop van 1583 en 1584 bleef de toestand werkelijk zeer donker. De brieven in Februari en Maart (1584) door Oranje aan graaf Jan geschreven, geven dien treurigen toestand van het land weer en betoogen tevens de noodzakelijkheid van Fransche hulp. Het zijn merkwaardige brieven die door Prof. Blok, Oranje’s “politiek testament” worden genoemd.Het is daarom van belang, er enkele uittreksels van te geven.De eerste van Februari is geschreven onder den indruk van den jammerlijken afloop der Keulsche zaken. We zagen, hoe Truchsess had moeten vluchten en hoe Joh. Casimir zijn leger moest ontbinden. Daarbij waren de Papisten en Spaanschgezinden hier in het land nog zeer talrijk. Kwam er geen hulp van buiten, het land zou ongetwijfeld ondergaan. “Toch,” schrijft de Prins, “ben ik nog niet geheel ontmoedigd en mijn geestdrift voor de bevordering van den roem van God en het welzijn van het land is door al den tegenspoed niet verminderd. Integendeel kan ik u verzekeren, dat ik niet ophoud iedereen te bemoedigen en vrij en open voortga met spreken over alles wat tot de handhaving van den hervormden godsdienst, van de vrijheid en de welvaart van het land kan dienen.”In de brieven van Maart verdedigt hij tegenover zijn broeder zijn relaties met Frankrijk. Na weder het groot gevaar van den toestand te hebben uiteengezet, vervolgt Oranje aldus: “Indien ik in dezen uitersten nood eenigen goeden raad ontving, dan zou dat zijn hetgeen mijn hart begeert, maar ik zie, dat iedereen wel den raad van anderen weet te berispen, maar niemand mij een beteren geeft. Men zegt, dat ik Frankrijk moet wantrouwen. De gevaren van dien kant zijn mij niet onbekend, misschien ken ik ze beter dan zij, die er van spreken; ze raken mij meer dan iemand anders. Maar, op wien wil men dan dat ik vertrouw? Devorsten van Duitschland zijn zoo dikwijls aangemaand en wij hebben er geen hulp van ontvangen, noch in schijn, noch met woorden, en wanneer wij die kregen, dan zouden wij haar misschien duur moeten boeten om het verschil in confessie. Ziende en wetende, dat zij voor hun oogen hun eigen broeder, die voor hun poorten zulk een rechtvaardige zaak verdedigt, door de papisten met voeten laten vertreden, meen ik, dat men mij toch niet voor zoo dom zal houden, dat men mij met woorden tot in de gracht toe zal kunnen voeren, gelijk men gedaan heeft met het arme volk in Vlaanderen, dat, vertrouwende op zulke woorden, zich thans onder de wreede hand van den Spanjaard bevindt.”Frankrijk de oude vijand van Spanje, blijft daarom zijn eenige hoop, al beweerden de Duitsche godgeleerden ook, dat het was tegen het woord van God, om hulp te verwachten van een katholieke mogendheid. De geschiedenis is toch vol van voorbeelden, dat de regeerders van landen lang niet altijd hetzelfde geloof waren toegedaan als hun volk en dat er vaak allianties gesloten zijn door volken, die in de religiezaken op een ander standpunt stonden.Ook in Duitschland ontbrak het niet aan belasteraars van Oranje; er waren er daar, die zich zelfs niet ontzagen, aan zijn geweten en eer te raken. “Wie is de man,” zoo roept de Prins hun tegen, “ergens in de wereld zoo stoutmoedig, dat hij durft raken aan het geweten van een ander?” En wat zijn eer aangaat, zijn broeder Jan weet beter dan iemand anders, wat hij heeft gearbeid, geleden en verloren, om den nieuwen godsdienst te steunen en te handhaven.Al weet de Prins ook, dat graaf Jan zelfs de voordeelen tegen Frankrijk deelt, hij doet een beroep op zijn goeden raad ter verdediging van de goede zaak. “Als God mij die gunst bewijst, dan ben ik besloten mijne dagen te eindigen, zonder ooit met den Spanjaard in overeenkomst te treden, want we weten dat daarvan de ondergang der kerken van dit land, een algemeene tirannie van alle onderdanen en de verwoesting van ons geheele huis het gevolg zal zijn.”De Prins wil standhouden, geen gevaren schuwen en zich evenmin schuldig maken aan een ellendige desertie. Tegenover den moord van den Bartholomeusnacht plaatst hij den moord der arme Mooren. Spanje is nog oneindig meer te vreezen en al zal men ook tegenoverFrankrijkop zijn hoede moeten zijn, al dreigt van beide kanten gevaar, toch gelooft de Prins, dat, als men over een der beide planken moet gaan, iedereen de breedste en sterkste kiezen zal. Hij verklaart voor zich, vast besloten te zijn, tot het uiterste deze landen, den godsdienst en de vrijheid te verdedigen en hoopt, dat God hem daarin ter zijde zal staan.In een postscriptum van dien brief zegt Oranje nog dit:“Mijn broeder, deze letteren waren een week geleden geschreven. Sedert zijn wij zeker ingelicht, dat men te Gent met den Prins van Parma onderhandelt, om onze zijde te verlaten en ook in eenige andere (steden) in Vlaanderen. Dat zijn nu de vruchten, die ik altijd gezien heb van dergelijke raadgevingen. Ik zou wel willen, dat uw theologanten mij eens duidelijk maakten, met welk geweten die van Gent en hunsgelijken de broeders zoo kunnen verlaten.... Zelfs vertelt men mij, dat Dathenus mede den raad heeft gegeven, om over zulk een eervolle capitulatie te onderhandelen....”Had de Prins ongelijk, om zoo te oordeelen, nu de heftigste Calvinisten zich weer in de armen van Spanje wierpen! Welk een tegenstelling! Zij waren eenvoudig onwillig zijn raad te volgen. Zelfs Hembyze was tot den vijand overgeloopen. Teruggekeerd uit Duitschland was hij weer dezelfde demagoog van vroeger gebleven en zou de stad aan Parma hebben overgeleverd, zoo dit niet voorloopig door zijn gevangenneming was belet. Ondertusschen gingen Yperen en Brugge in Parma’s handen over.Aan de wedererkenning van Anjou als landsheer bleef derhalve Oranje alle hoop op uitkomst vastknoopen. Om den persoon van den hertog, het is voldoende gezegd, was het hem in het minst niet te doen. Het was alleen en uitsluitend Frankrijk, waarop hij in dezen bouwde. Hij wist, hoe Catharina de Medicis en Hendrik III alle moeite hadden gedaan, om aan den jongsten zoon een souvereiniteit te bezorgen. Kon hij hun daarin ter wille zijn, dan was de eene dienst de andere waard, hetgeen, gevoegd bij Frankrijks vroegere houding tegenover Spanje, hem alle hoop gaf, dat langs dien weg het behoud van de Nederlanden nog te bereiken zou zijn.Inderdaad, als men Oranje’s laatste gedachten over den toestand nauwkeurig leest in de brieven aan zijn broeder, dan is hij om zijn zoogenaamde Franschgezindheid niet te veroordeelen. Het is niet de vraag, of de toekomst hem in het gelijk gesteld heeft. Zij bergde gansch andere dingen in haar schoot, dan Oranje kon vermoeden. En wil men de toekomst er bij aanhalen, dan is het gedurende Leicesters verblijf in het land ten duidelijkste bewezen, dat ook de Engelsche hulp, waarop Buys altijd aandrong, niets heeft gegeven. Het is alleen de vraag, of op het gegeven oogenblik in 1583 en 1584 Oranje’s politiek niet nog de wijste was, of hij, rekening houdende met den toestand van het oogenblik, anders kon en mocht handelen.Het is bekend dat alles in duigen viel door den dood van Anjou. Aangetast door een slepende ziekte, zette hij wel zijn onderhandelingen met Oranje en de Staten-Generaal voort, die tot een goed eind schenen te leiden, maar hij stierf te Château-Thierry 10 juni 1584. Met zijn dood hield hij op een probleem te zijn in de Nederlandsche politiek. Persoonlijk werd er niets aan hem verloren; want hij was zwak, verraderlijk, onwaar en schaamteloos. Voor den Prins was die dood in zoover een verlies, als hij het middel zou geweest zijn, om met Fransche hulp Nederland te redden. De poging, om Hendrik III zelf tot souverein te verklaren, mislukte.Meer dan eens waren we reeds in de gelegenheid op te merken, dat Holland en Zeeland de souvereiniteit alleen aan den Prins wilden geven. Die gewesten hadden voortdurend hunne zelfstandigheid voorbehouden. De Unie van Delft had ze vereenigd en de Pacificatie van Gent had hen geheel zelfstandig gelaten. De Unie van Utrecht hadden ze wel geteekend, maar meer met de bedoeling om in de andere gewesten een ringmuur voor hunne veiligheid te vinden. Doch hoe begeerig ze ook waren op hun eigen onafhankelijk bestaan, ze begrepen toch zeer goed, dat alleen de centrale macht over hen haar steunpunt zou kunnen vinden in een landsheer. Die landsheer mocht niemand anders zijn dan Oranje. Deze echter had, gelijk we hoorden, daarvoor niet veel ooren. Hij wilde Anjou niet krenken; hij keurdede afzonderlijke positie van twee gewesten af, zijn ideaal van een Nederlandschen Staat was veel grooter, veel omvattender, veel verdraagzamer, veel democratischer ook, dan ooit door die scheiding was te bereiken. Toch hield men van de zijde dier gewesten niet op, hem de souvereiniteit aan te bieden, terwijl ze Anjou alleen erkenden als beschermheer van hun bondgenooten. Na den moordaanslag van Jaureguy en de herstelling van den Prins werd er bij vernieuwing door de beide gewesten met kracht op aangedrongen, met het gevolg, dat hij, gelijk we reeds met een enkel woord vermeldden, behoudens nader vast te stellen voorwaarden, uit Brugge op den 14enAug. 1582 in den volgenden brief het aanbod aannam.“Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben, dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden, om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze tegen den koning van Spanje te beschermen.”Daarop volgden allerlei onderhandelingen over de voorwaarden en toen kwamen er vanzelf weer allerlei bezwaren op het tapijt. De gebeurtenissen te Antwerpen door de Fransche furie hadden den Prins belet, zelf naar Holland te komen; maar die gebeurtenissen waren oorzaak, dat de onderhandelingen met kracht werden voortgezet. Dat de Prins met die aanneming geheel op eigen behoud bedacht was, is onwaar. Uit alles blijkt, dat hij het aanbod meer heeft aangenomen uit nood, dan met lust. In zijn brieven wordt er slechts gewag van gemaakt als van een weinig beteekenende zaak.Op 5 April 1583 kwamen adel en afgevaardigden van groote en kleine steden tot de definitieve bezegeling van de opdracht, doch ook toen bleven de voorwaarden, waaronder hij als graaf zou worden gehuldigd, nog een struikelblok. Bezwaren van allerlei aard vertraagden de onderhandelingen. Holland wilde niet zonder Zeeland handelen en in Zeeland was Middelburg, beducht voor het markiezaat van den Prins van Veere en Vlissingen, steeds gevoelig voor krenking zijner rechten. Ook in Holland waren enkele steden als Amsterdam, Gouda en den Briel, die uit vrees voor hun privilegiën geen groote gezindheid toonden, om de souvereiniteit aan den Prins te geven.Bij de stichting der regentenrepubliek in 1588 was er dan ook geen quaestie van souvereiniteit van Oranje. Ook de vereeniging met Utrecht had bezwaren. Wel richtten de Staten van Holland een rondgaanden brief tot die van Utrecht, Friesland, Overijsel, Brabant, Vlaanderen en Gelderland en ook aan de Staten-Generaal op den 10enMei 1583, waarin zij de redenen uiteenzetten, die hen bewogen tot de aanbieding der souvereiniteit aan den Prins en zij drukten de hoop daarin uit, dat die maatregel de goedkeuring der zuster-gewesten zou wegdragen. Wel verklaarden Utrecht en Zeeland op 15 Nov. 1583, dat zij in hun oude Unie metHolland onder één bestuur wilden blijven, maar daarmede was de zaak er nog niet door. Want het ontwerp van 30 December 1583 moest eerst nog vóór de huldiging aan de goedkeuring der vroedschappen van de steden worden onderworpen, terwijl men hoopte door persoonlijken invloed Amsterdam en Gouda te bewegen, hun verzet te laten varen.Indien men den inhoud van het merkwaardige stuk, dat den Prins tot Graaf verhief, aandachtig nagaat, dan ziet men er wel den invloed in van denzelfden man, die vier jaar later vooral de schepper is geweest van de constitutie der regentenrepubliek; wij bedoelen van Oldenbarnevelt. Deze was in die dagen pensionaris van Rotterdam en hij was met den landsadvokaat Buys en met François Maelson, de voornaamste leider in de onderhandelingen over de voorwaarden van het graafschap. Zeker werd er aan den Prins souvereiniteit en wel eene absolute in toegekend, maar dit absolute bedoelde de losmaking van alle banden met het rijk; als souverein had hij geen souverein boven zich te erkennen. Doch wanneer men nagaat, waarin de graaf al niet van de Staten afhankelijk zou zijn, dan ziet men in, dat het onbaatzuchtig karakter van den Prins er toe noodig was, om zulk een betrekkelijk afhankelijke positie aan te nemen.Hij moest en dat was natuurlijk, de privilegiën en de Unie handhaven; maar welk een belemmering! Hij mocht geen nieuwe privilegies geven, geen verdragen sluiten, geen andere plaatsen, steden of heerlijkheden onder zijn bescherming nemen, geen omslag of heffing doen plaats hebben, geen oorlog voeren, geen vrede of bestand sluiten, geen verbonden aangaan, met geen vreemde mogendheden onderhandelen enz. enz. zonder de toestemming der Staten. Allerlei belemmerende bepalingen werden uit de Joyeuse Entrée of uit het tractaat met Anjou overgenomen. Kortom, zijn autoriteit werd veel meer begrensd, dan die was geweest sedert hij in Holland (1572) was gekomen. Bij de Staten was eigenlijk de oppermacht geplaatst en Oranje stemde er in toe, dat dit zoo werd bepaald.Eenige aanhangers van den Prins te Utrecht verzetten zich tegen die beperkingen; volgens deze was al het voordeel bij de Staten; de burgers waren in ’t geheel niet in tel en de Prins zelf meer administrateur met zeer begrensde rechten. In den loop van de lente van 1584 werden die voorwaarden toen nog eens in de steden behandeld, in Juni was men daarmede zoover gereed, dat dertien steden ze hadden geteekend; Gouda zou toestemmen, als Zeeland het deed en Amsterdam eischte, dat ook zijn schutterij en notabele burgers die goedkeurden.Op den 6enJuli bood de Prins daarop den Staten van Holland eene memorie aan, waarin hij niet zonder groote gevoeligheid uitsprak, dat hun eindeloos talmen met de voorwaarden van het graafschap, dat ze hem hadden aangeboden, voor hem een eerezaak werd. En natuurlijk. Van 1580 af had men niet opgehouden het Oranje aan te bieden en hoewel hij er eerst volstrekt geen lust in had, was hij er eindelijk in 1582 toe besloten, om hun aanbod te aanvaarden. Toen dit echter geschied was, moesten de gewesten en de steden het weer over de voorwaarden eens worden en bleven zelfs enkele plaatsen er afkeerig van. Was dat niet inderdaad beleedigend voor den Prins?Had hij geen recht, om daarover hoogst ontstemd te zijn en de Staten vanHolland voor oogen te houden, dat zijn eigen eer met dat eeuwige talmen was gemoeid? Want wat was het geval? “Ziende een iegelijk, dat die zaak zoo lang aanloopt en wordt opgehouden, zonder daarvan eenige reden te weten, geeft ook ieder daarover zijn oordeel en maken ze daarop hun discoursen en hun vreemde propoosten.” Dit vooral bewoog Oranje, den Heeren Staten vriendelijk te verzoeken, een eind aan die zaak te maken, ter wille van zijn eigen eer en reputatie, zoowel als voor het belang van het land. Daarbij geeft de Prins hun nog in bedenking om zijn autoriteit, die zij op allerlei wijze willen besnoeien, toch in enkele meerdere punten te willen erkennen, daar zonder zulk een autoriteit alle wetten en ordonnantiën als een lichaam zijn zonder ziel en men niets met autoriteit kan executeeren zonder hulp van de justitie (welke de hand en de macht is der overheid), die derhalve naar de meening van Oranje aan hem den eed van getrouwheid moet doen, en waarover hij het gebied moet hebben.Kortom—wij gevoelen, dat de Prins ontstemd was over de manier van handelen van de Staten van Holland. Het was weer hetzelfde oude liedje.Zij konden hem niet missen en ze wilden niet te veel afstaan van hun eigen macht.Van 1574 af had dit telkens tusschen hem en de Staten tot minder aangename verhouding geleid. Meermalen had hij hun aangeboden, hen te verlaten, indien ze dan zoo bevreesd waren voor misbruik van macht. Nu zij hem het graafschap hadden aangeboden (hij zelf had het waarlijk niet gevraagd) moesten ze toch ook begrijpen, dat de centrale macht bij hem moest berusten en dat anders hun aanbod niets beduidde.Datzelfde uitstellen, dat eeuwig talmen, dat zenden van alle voorstellen van collegie naar collegie, van Staten naar steden en weer van steden naar Staten, het is de groote kranke plek gebleven van de geheele staatsinrichting der Republiek. Die aanmatiging van de regenten der steden, die vrees om een ander eenige meerdere autoriteit te geven, die we hier bij de aanbieding van het graafschap aan den Prins zagen, het heeft twee eeuwen lang de toestanden bedorven en is ook eindelijk de oorzaak geworden van den ondergang van den Staat. Dat die Republiek toch zulk een roemrijke geschiedenis heeft gehad, was waarlijk niet aan haar inrichting, maar aan haar groote mannen te danken. Ongetwijfeld zou aan Prins Willem het graafschap zijn geschonken en zou hij door de grootheid van zijn geest in staat zijn geweest, alle hinderpalen te boven te komen, zoo hij niet slechts veertien dagen na de vermelde memorie werd vermoord.Hij zou bovenal in Amsterdam een geduchte oppositie gevonden hebben; want daar was het verzet tegen de toekenning van het graafschap aan Oranje, het hevigst geweest. De vader van den geschiedschrijver Hooft, de zeer invloedrijke burgemeester C. Pzn. Hooft, protesteerde in de zitting der vroedschap in de maand Juni heftig tegen die toekenning; hij beweerde niet te kunnen inzien, wat voordeel er gelegen was in de verheffing van den Prins tot graaf. Ook meende hij, dat het niet in overeenstemming met de Unie van Utrecht was, als sommige der bondgenooten een onafhankelijken stap deden. Waarschijnlijk zou echter deze Hooft wel zijn hoofd in den schoot hebben gelegd en zou de tegenstand van Amsterdam wel overwonnen zijn, zoo het lang beraamde plan tot uitvoering had kunnen komen.Enkelen beschouwen de reden van Hooft als de uitdrukking van een algemeene kwade gezindheid tegen den Prins. Dat behoeft geen weerlegging. Amsterdam is hetzelfde weerstrevende Amsterdam gebleven tijdens de Republiek, en Kluit beweert niet ten onrechte, dat, al vond Hooft den titel van graaf voor Oranje ongepast, hij volstrekt niet begeerde om den Prins de macht te ontnemen, die hij reeds vele jaren had uitgeoefend. Nu de dood aan dat alles een eind maakte, kwam de souvereiniteit niet aan een persoon maar aan de Staten en de steden.In 1584 was de erkenning van den Prins tot souverein niet anders geweest, dan een natuurlijk gevolg van de afzwering van Filips’ gezag en van den onwil om Anjou als souverein te erkennen. Het was daarbij ook een openlijke en duidelijke verklaring, dat Holland, Zeeland en Utrecht niet het voornemen hadden, het droevig voorbeeld der Waalsche gewesten te volgen, om zich weer aan het gezag van den koning van Spanje te onderwerpen.Indien de huldiging van Oranje had plaats gehad voor zijn dood, dan zouden ook zijn opvolgers de souvereiniteit bezeten hebben. Want uitdrukkelijk was reeds bepaald, dat na den dood van den Prins, de Staten van Holland en Zeeland een zijner wettige zonen, dien zij voor die waardigheid het meest geschikt achtten, tot graaf zouden verheffen. Nu die dood plaats had vóór de huldiging, trokken de Staten de souvereiniteit weer aan zich; ze hadden die ook niet geheel weggegeven. De verhouding, waarin Maurits en zijne opvolgers tot de gewesten stonden, had een geheel ander karakter.Eeuwen zouden nog voorbijgaan, voor en aleer zijn nakomelingschap de vruchten van den arbeid van den Zwijger inoogstte, die zelf nog uit het leven werd weggenomen, voordat hij het loon voor al zijn arbeid en moeite ontving. Het ging hem daarbij, als de meeste groote mannen uit de geschiedenis, die zelven de vruchten van hun strijd niet aanschouwd hebben, maar die daarom ook des te hooger staan in de schatting en de vereering van de nakomelingschap.Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Mon Dieu! Mon Dieu! ayez pitié de mon âme et de ce pauvre peuple!
Een der eerste daden van de Staten-Generaal, na de komst van den Prins in Holland, was, hem te vragen zich met het centraal bestuur te belasten. Oranje gaf den 6enSeptember daarop in een uitgebreid document antwoord. Hij verzocht hun wel het groote gewicht van die zaak te bedenken en de moeilijkheden, die eraan verbonden waren, vooral omdat verschillende gewesten hun afgevaardigden nog niet naar de vergadering der Staten hadden gezonden. Bleven zij bij hun besluit, dan wilde de Prins een acte hebben, waardoor het hem vrij zou staan zich weder als hoofd ontslagen te rekenen, indien de gewesten zich niet aan de orde wilden onderwerpen. Ook wilde hij den Staten de vrijheid geven een anderen gouverneur te benoemen, indien ze daartoe wilden besluiten; hij zou dan onmiddellijk het gezag in hun handen teruggeven. Met het oog op den langen duur der beraadslagingen over deze belangrijke quaestie verzocht hij hun, een raad voor het land in te stellen.
De Staten-Generaal, die den Prins dat verzoek deden, waren in Middelburg te zamen, maar het was er verre van, dat dit lichaam den geheelen Staat vertegenwoordigde.
Zoo waren de Staten van Brabant tot een klein getal edelen en tot de steden Brussel en Antwerpen gereduceerd, terwijl vele der andere gewesten in het geheel niet of zeer matig vertegenwoordigd waren.
Ondertusschen was de Prins zelf nog geheel verdiept in de quaestie van den opnieuw te erkennen protector en souverein. Het accoord van den 18enMaart te Dendermonde was slechts voorloopig geweest. De onderhandelingen, die op den grond daarvan gevoerd werden, vlotten niet. De hovelingen van Anjou, verbitterd over de mislukking hunner plannen, oefenden een verkeerden invloed op hem uit en de hertog zelf werd ziekelijk. Op 28 Juni 1583 verliet hij het land, ondervoorwendsel, dat hij met zijn moeder en broeder moest raadplegen. Des Pruneaux bleef de betrekking levendig houden. In September richtte deze een langen brief tot de Staten, waarin hij vroeg, waarom ze toch niet voortgingen, schikkingen te maken met zijn meester en Anjou schreef in dezelfde maand uit Kamerijk een brief vol klachten aan den Prins, waarin hij zich eveneens over de Staten beklaagde. Nadat hij enkele mededeelingen gedaan had over het aantal troepen, dat hij in ’t veld zou kunnen brengen, schreef hij o. a.:
Ik heb echter eindelooze oorzaak om mij over de Staten te beklagen, van welke ik geen enkelen regel schrifts ontvangen heb sinds mijn vertrek uit Duinkerken. Indien ik mij gedroeg als zij, waartoe ik alle recht zou hebben, dan zou alles nog slechter gaan. Maar aan de geheele wereld, wil ik toonen, dat het mijn schuld niet zal zijn, als hun zaken misloopen.
Aan de noodige brutaliteit miste het Anjou niet, want terecht vraagt men zich af, hoe het mogelijk is dat de man van de Fransche furie nog zulk een toon durfde aanslaan.
Op hun standpunt hadden de Staten geen ongelijk, dat ze zijn verbroken trouw niet maar zoo voorkomend beantwoordden. Anjou was echter geheel op de hoogte van hun nood, en Oranje, die dit wel inzag, hield den band levendig, trots alles wat er gebeurd was. In den loop van 1583 en 1584 bleef de toestand werkelijk zeer donker. De brieven in Februari en Maart (1584) door Oranje aan graaf Jan geschreven, geven dien treurigen toestand van het land weer en betoogen tevens de noodzakelijkheid van Fransche hulp. Het zijn merkwaardige brieven die door Prof. Blok, Oranje’s “politiek testament” worden genoemd.
Het is daarom van belang, er enkele uittreksels van te geven.
De eerste van Februari is geschreven onder den indruk van den jammerlijken afloop der Keulsche zaken. We zagen, hoe Truchsess had moeten vluchten en hoe Joh. Casimir zijn leger moest ontbinden. Daarbij waren de Papisten en Spaanschgezinden hier in het land nog zeer talrijk. Kwam er geen hulp van buiten, het land zou ongetwijfeld ondergaan. “Toch,” schrijft de Prins, “ben ik nog niet geheel ontmoedigd en mijn geestdrift voor de bevordering van den roem van God en het welzijn van het land is door al den tegenspoed niet verminderd. Integendeel kan ik u verzekeren, dat ik niet ophoud iedereen te bemoedigen en vrij en open voortga met spreken over alles wat tot de handhaving van den hervormden godsdienst, van de vrijheid en de welvaart van het land kan dienen.”
In de brieven van Maart verdedigt hij tegenover zijn broeder zijn relaties met Frankrijk. Na weder het groot gevaar van den toestand te hebben uiteengezet, vervolgt Oranje aldus: “Indien ik in dezen uitersten nood eenigen goeden raad ontving, dan zou dat zijn hetgeen mijn hart begeert, maar ik zie, dat iedereen wel den raad van anderen weet te berispen, maar niemand mij een beteren geeft. Men zegt, dat ik Frankrijk moet wantrouwen. De gevaren van dien kant zijn mij niet onbekend, misschien ken ik ze beter dan zij, die er van spreken; ze raken mij meer dan iemand anders. Maar, op wien wil men dan dat ik vertrouw? Devorsten van Duitschland zijn zoo dikwijls aangemaand en wij hebben er geen hulp van ontvangen, noch in schijn, noch met woorden, en wanneer wij die kregen, dan zouden wij haar misschien duur moeten boeten om het verschil in confessie. Ziende en wetende, dat zij voor hun oogen hun eigen broeder, die voor hun poorten zulk een rechtvaardige zaak verdedigt, door de papisten met voeten laten vertreden, meen ik, dat men mij toch niet voor zoo dom zal houden, dat men mij met woorden tot in de gracht toe zal kunnen voeren, gelijk men gedaan heeft met het arme volk in Vlaanderen, dat, vertrouwende op zulke woorden, zich thans onder de wreede hand van den Spanjaard bevindt.”
Frankrijk de oude vijand van Spanje, blijft daarom zijn eenige hoop, al beweerden de Duitsche godgeleerden ook, dat het was tegen het woord van God, om hulp te verwachten van een katholieke mogendheid. De geschiedenis is toch vol van voorbeelden, dat de regeerders van landen lang niet altijd hetzelfde geloof waren toegedaan als hun volk en dat er vaak allianties gesloten zijn door volken, die in de religiezaken op een ander standpunt stonden.
Ook in Duitschland ontbrak het niet aan belasteraars van Oranje; er waren er daar, die zich zelfs niet ontzagen, aan zijn geweten en eer te raken. “Wie is de man,” zoo roept de Prins hun tegen, “ergens in de wereld zoo stoutmoedig, dat hij durft raken aan het geweten van een ander?” En wat zijn eer aangaat, zijn broeder Jan weet beter dan iemand anders, wat hij heeft gearbeid, geleden en verloren, om den nieuwen godsdienst te steunen en te handhaven.
Al weet de Prins ook, dat graaf Jan zelfs de voordeelen tegen Frankrijk deelt, hij doet een beroep op zijn goeden raad ter verdediging van de goede zaak. “Als God mij die gunst bewijst, dan ben ik besloten mijne dagen te eindigen, zonder ooit met den Spanjaard in overeenkomst te treden, want we weten dat daarvan de ondergang der kerken van dit land, een algemeene tirannie van alle onderdanen en de verwoesting van ons geheele huis het gevolg zal zijn.”
De Prins wil standhouden, geen gevaren schuwen en zich evenmin schuldig maken aan een ellendige desertie. Tegenover den moord van den Bartholomeusnacht plaatst hij den moord der arme Mooren. Spanje is nog oneindig meer te vreezen en al zal men ook tegenoverFrankrijkop zijn hoede moeten zijn, al dreigt van beide kanten gevaar, toch gelooft de Prins, dat, als men over een der beide planken moet gaan, iedereen de breedste en sterkste kiezen zal. Hij verklaart voor zich, vast besloten te zijn, tot het uiterste deze landen, den godsdienst en de vrijheid te verdedigen en hoopt, dat God hem daarin ter zijde zal staan.
In een postscriptum van dien brief zegt Oranje nog dit:
“Mijn broeder, deze letteren waren een week geleden geschreven. Sedert zijn wij zeker ingelicht, dat men te Gent met den Prins van Parma onderhandelt, om onze zijde te verlaten en ook in eenige andere (steden) in Vlaanderen. Dat zijn nu de vruchten, die ik altijd gezien heb van dergelijke raadgevingen. Ik zou wel willen, dat uw theologanten mij eens duidelijk maakten, met welk geweten die van Gent en hunsgelijken de broeders zoo kunnen verlaten.... Zelfs vertelt men mij, dat Dathenus mede den raad heeft gegeven, om over zulk een eervolle capitulatie te onderhandelen....”
Had de Prins ongelijk, om zoo te oordeelen, nu de heftigste Calvinisten zich weer in de armen van Spanje wierpen! Welk een tegenstelling! Zij waren eenvoudig onwillig zijn raad te volgen. Zelfs Hembyze was tot den vijand overgeloopen. Teruggekeerd uit Duitschland was hij weer dezelfde demagoog van vroeger gebleven en zou de stad aan Parma hebben overgeleverd, zoo dit niet voorloopig door zijn gevangenneming was belet. Ondertusschen gingen Yperen en Brugge in Parma’s handen over.
Aan de wedererkenning van Anjou als landsheer bleef derhalve Oranje alle hoop op uitkomst vastknoopen. Om den persoon van den hertog, het is voldoende gezegd, was het hem in het minst niet te doen. Het was alleen en uitsluitend Frankrijk, waarop hij in dezen bouwde. Hij wist, hoe Catharina de Medicis en Hendrik III alle moeite hadden gedaan, om aan den jongsten zoon een souvereiniteit te bezorgen. Kon hij hun daarin ter wille zijn, dan was de eene dienst de andere waard, hetgeen, gevoegd bij Frankrijks vroegere houding tegenover Spanje, hem alle hoop gaf, dat langs dien weg het behoud van de Nederlanden nog te bereiken zou zijn.
Inderdaad, als men Oranje’s laatste gedachten over den toestand nauwkeurig leest in de brieven aan zijn broeder, dan is hij om zijn zoogenaamde Franschgezindheid niet te veroordeelen. Het is niet de vraag, of de toekomst hem in het gelijk gesteld heeft. Zij bergde gansch andere dingen in haar schoot, dan Oranje kon vermoeden. En wil men de toekomst er bij aanhalen, dan is het gedurende Leicesters verblijf in het land ten duidelijkste bewezen, dat ook de Engelsche hulp, waarop Buys altijd aandrong, niets heeft gegeven. Het is alleen de vraag, of op het gegeven oogenblik in 1583 en 1584 Oranje’s politiek niet nog de wijste was, of hij, rekening houdende met den toestand van het oogenblik, anders kon en mocht handelen.
Het is bekend dat alles in duigen viel door den dood van Anjou. Aangetast door een slepende ziekte, zette hij wel zijn onderhandelingen met Oranje en de Staten-Generaal voort, die tot een goed eind schenen te leiden, maar hij stierf te Château-Thierry 10 juni 1584. Met zijn dood hield hij op een probleem te zijn in de Nederlandsche politiek. Persoonlijk werd er niets aan hem verloren; want hij was zwak, verraderlijk, onwaar en schaamteloos. Voor den Prins was die dood in zoover een verlies, als hij het middel zou geweest zijn, om met Fransche hulp Nederland te redden. De poging, om Hendrik III zelf tot souverein te verklaren, mislukte.
Meer dan eens waren we reeds in de gelegenheid op te merken, dat Holland en Zeeland de souvereiniteit alleen aan den Prins wilden geven. Die gewesten hadden voortdurend hunne zelfstandigheid voorbehouden. De Unie van Delft had ze vereenigd en de Pacificatie van Gent had hen geheel zelfstandig gelaten. De Unie van Utrecht hadden ze wel geteekend, maar meer met de bedoeling om in de andere gewesten een ringmuur voor hunne veiligheid te vinden. Doch hoe begeerig ze ook waren op hun eigen onafhankelijk bestaan, ze begrepen toch zeer goed, dat alleen de centrale macht over hen haar steunpunt zou kunnen vinden in een landsheer. Die landsheer mocht niemand anders zijn dan Oranje. Deze echter had, gelijk we hoorden, daarvoor niet veel ooren. Hij wilde Anjou niet krenken; hij keurdede afzonderlijke positie van twee gewesten af, zijn ideaal van een Nederlandschen Staat was veel grooter, veel omvattender, veel verdraagzamer, veel democratischer ook, dan ooit door die scheiding was te bereiken. Toch hield men van de zijde dier gewesten niet op, hem de souvereiniteit aan te bieden, terwijl ze Anjou alleen erkenden als beschermheer van hun bondgenooten. Na den moordaanslag van Jaureguy en de herstelling van den Prins werd er bij vernieuwing door de beide gewesten met kracht op aangedrongen, met het gevolg, dat hij, gelijk we reeds met een enkel woord vermeldden, behoudens nader vast te stellen voorwaarden, uit Brugge op den 14enAug. 1582 in den volgenden brief het aanbod aannam.
“Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben, dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden, om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze tegen den koning van Spanje te beschermen.”
“Wij Willem, Prins van Oranje enz. groeten u. Aangezien de afgevaardigden van Holland en Zeeland verklaard hebben, dat de koning van Spanje zijn rechten als graaf van Holland en Zeeland heeft verbeurd en zij ons hebben verzocht, de graafschappen en de heerschappij over de landen te aanvaarden, om ze met den titel van graaf te besturen, hebben wij dit verzoek dankbaar ingewilligd en nemen in tegenwoordigheid van dezen de graafschappen van Holland en Zeeland aan, om ze tegen den koning van Spanje te beschermen.”
Daarop volgden allerlei onderhandelingen over de voorwaarden en toen kwamen er vanzelf weer allerlei bezwaren op het tapijt. De gebeurtenissen te Antwerpen door de Fransche furie hadden den Prins belet, zelf naar Holland te komen; maar die gebeurtenissen waren oorzaak, dat de onderhandelingen met kracht werden voortgezet. Dat de Prins met die aanneming geheel op eigen behoud bedacht was, is onwaar. Uit alles blijkt, dat hij het aanbod meer heeft aangenomen uit nood, dan met lust. In zijn brieven wordt er slechts gewag van gemaakt als van een weinig beteekenende zaak.
Op 5 April 1583 kwamen adel en afgevaardigden van groote en kleine steden tot de definitieve bezegeling van de opdracht, doch ook toen bleven de voorwaarden, waaronder hij als graaf zou worden gehuldigd, nog een struikelblok. Bezwaren van allerlei aard vertraagden de onderhandelingen. Holland wilde niet zonder Zeeland handelen en in Zeeland was Middelburg, beducht voor het markiezaat van den Prins van Veere en Vlissingen, steeds gevoelig voor krenking zijner rechten. Ook in Holland waren enkele steden als Amsterdam, Gouda en den Briel, die uit vrees voor hun privilegiën geen groote gezindheid toonden, om de souvereiniteit aan den Prins te geven.
Bij de stichting der regentenrepubliek in 1588 was er dan ook geen quaestie van souvereiniteit van Oranje. Ook de vereeniging met Utrecht had bezwaren. Wel richtten de Staten van Holland een rondgaanden brief tot die van Utrecht, Friesland, Overijsel, Brabant, Vlaanderen en Gelderland en ook aan de Staten-Generaal op den 10enMei 1583, waarin zij de redenen uiteenzetten, die hen bewogen tot de aanbieding der souvereiniteit aan den Prins en zij drukten de hoop daarin uit, dat die maatregel de goedkeuring der zuster-gewesten zou wegdragen. Wel verklaarden Utrecht en Zeeland op 15 Nov. 1583, dat zij in hun oude Unie metHolland onder één bestuur wilden blijven, maar daarmede was de zaak er nog niet door. Want het ontwerp van 30 December 1583 moest eerst nog vóór de huldiging aan de goedkeuring der vroedschappen van de steden worden onderworpen, terwijl men hoopte door persoonlijken invloed Amsterdam en Gouda te bewegen, hun verzet te laten varen.
Indien men den inhoud van het merkwaardige stuk, dat den Prins tot Graaf verhief, aandachtig nagaat, dan ziet men er wel den invloed in van denzelfden man, die vier jaar later vooral de schepper is geweest van de constitutie der regentenrepubliek; wij bedoelen van Oldenbarnevelt. Deze was in die dagen pensionaris van Rotterdam en hij was met den landsadvokaat Buys en met François Maelson, de voornaamste leider in de onderhandelingen over de voorwaarden van het graafschap. Zeker werd er aan den Prins souvereiniteit en wel eene absolute in toegekend, maar dit absolute bedoelde de losmaking van alle banden met het rijk; als souverein had hij geen souverein boven zich te erkennen. Doch wanneer men nagaat, waarin de graaf al niet van de Staten afhankelijk zou zijn, dan ziet men in, dat het onbaatzuchtig karakter van den Prins er toe noodig was, om zulk een betrekkelijk afhankelijke positie aan te nemen.
Hij moest en dat was natuurlijk, de privilegiën en de Unie handhaven; maar welk een belemmering! Hij mocht geen nieuwe privilegies geven, geen verdragen sluiten, geen andere plaatsen, steden of heerlijkheden onder zijn bescherming nemen, geen omslag of heffing doen plaats hebben, geen oorlog voeren, geen vrede of bestand sluiten, geen verbonden aangaan, met geen vreemde mogendheden onderhandelen enz. enz. zonder de toestemming der Staten. Allerlei belemmerende bepalingen werden uit de Joyeuse Entrée of uit het tractaat met Anjou overgenomen. Kortom, zijn autoriteit werd veel meer begrensd, dan die was geweest sedert hij in Holland (1572) was gekomen. Bij de Staten was eigenlijk de oppermacht geplaatst en Oranje stemde er in toe, dat dit zoo werd bepaald.
Eenige aanhangers van den Prins te Utrecht verzetten zich tegen die beperkingen; volgens deze was al het voordeel bij de Staten; de burgers waren in ’t geheel niet in tel en de Prins zelf meer administrateur met zeer begrensde rechten. In den loop van de lente van 1584 werden die voorwaarden toen nog eens in de steden behandeld, in Juni was men daarmede zoover gereed, dat dertien steden ze hadden geteekend; Gouda zou toestemmen, als Zeeland het deed en Amsterdam eischte, dat ook zijn schutterij en notabele burgers die goedkeurden.
Op den 6enJuli bood de Prins daarop den Staten van Holland eene memorie aan, waarin hij niet zonder groote gevoeligheid uitsprak, dat hun eindeloos talmen met de voorwaarden van het graafschap, dat ze hem hadden aangeboden, voor hem een eerezaak werd. En natuurlijk. Van 1580 af had men niet opgehouden het Oranje aan te bieden en hoewel hij er eerst volstrekt geen lust in had, was hij er eindelijk in 1582 toe besloten, om hun aanbod te aanvaarden. Toen dit echter geschied was, moesten de gewesten en de steden het weer over de voorwaarden eens worden en bleven zelfs enkele plaatsen er afkeerig van. Was dat niet inderdaad beleedigend voor den Prins?
Had hij geen recht, om daarover hoogst ontstemd te zijn en de Staten vanHolland voor oogen te houden, dat zijn eigen eer met dat eeuwige talmen was gemoeid? Want wat was het geval? “Ziende een iegelijk, dat die zaak zoo lang aanloopt en wordt opgehouden, zonder daarvan eenige reden te weten, geeft ook ieder daarover zijn oordeel en maken ze daarop hun discoursen en hun vreemde propoosten.” Dit vooral bewoog Oranje, den Heeren Staten vriendelijk te verzoeken, een eind aan die zaak te maken, ter wille van zijn eigen eer en reputatie, zoowel als voor het belang van het land. Daarbij geeft de Prins hun nog in bedenking om zijn autoriteit, die zij op allerlei wijze willen besnoeien, toch in enkele meerdere punten te willen erkennen, daar zonder zulk een autoriteit alle wetten en ordonnantiën als een lichaam zijn zonder ziel en men niets met autoriteit kan executeeren zonder hulp van de justitie (welke de hand en de macht is der overheid), die derhalve naar de meening van Oranje aan hem den eed van getrouwheid moet doen, en waarover hij het gebied moet hebben.
Kortom—wij gevoelen, dat de Prins ontstemd was over de manier van handelen van de Staten van Holland. Het was weer hetzelfde oude liedje.Zij konden hem niet missen en ze wilden niet te veel afstaan van hun eigen macht.Van 1574 af had dit telkens tusschen hem en de Staten tot minder aangename verhouding geleid. Meermalen had hij hun aangeboden, hen te verlaten, indien ze dan zoo bevreesd waren voor misbruik van macht. Nu zij hem het graafschap hadden aangeboden (hij zelf had het waarlijk niet gevraagd) moesten ze toch ook begrijpen, dat de centrale macht bij hem moest berusten en dat anders hun aanbod niets beduidde.
Datzelfde uitstellen, dat eeuwig talmen, dat zenden van alle voorstellen van collegie naar collegie, van Staten naar steden en weer van steden naar Staten, het is de groote kranke plek gebleven van de geheele staatsinrichting der Republiek. Die aanmatiging van de regenten der steden, die vrees om een ander eenige meerdere autoriteit te geven, die we hier bij de aanbieding van het graafschap aan den Prins zagen, het heeft twee eeuwen lang de toestanden bedorven en is ook eindelijk de oorzaak geworden van den ondergang van den Staat. Dat die Republiek toch zulk een roemrijke geschiedenis heeft gehad, was waarlijk niet aan haar inrichting, maar aan haar groote mannen te danken. Ongetwijfeld zou aan Prins Willem het graafschap zijn geschonken en zou hij door de grootheid van zijn geest in staat zijn geweest, alle hinderpalen te boven te komen, zoo hij niet slechts veertien dagen na de vermelde memorie werd vermoord.
Hij zou bovenal in Amsterdam een geduchte oppositie gevonden hebben; want daar was het verzet tegen de toekenning van het graafschap aan Oranje, het hevigst geweest. De vader van den geschiedschrijver Hooft, de zeer invloedrijke burgemeester C. Pzn. Hooft, protesteerde in de zitting der vroedschap in de maand Juni heftig tegen die toekenning; hij beweerde niet te kunnen inzien, wat voordeel er gelegen was in de verheffing van den Prins tot graaf. Ook meende hij, dat het niet in overeenstemming met de Unie van Utrecht was, als sommige der bondgenooten een onafhankelijken stap deden. Waarschijnlijk zou echter deze Hooft wel zijn hoofd in den schoot hebben gelegd en zou de tegenstand van Amsterdam wel overwonnen zijn, zoo het lang beraamde plan tot uitvoering had kunnen komen.Enkelen beschouwen de reden van Hooft als de uitdrukking van een algemeene kwade gezindheid tegen den Prins. Dat behoeft geen weerlegging. Amsterdam is hetzelfde weerstrevende Amsterdam gebleven tijdens de Republiek, en Kluit beweert niet ten onrechte, dat, al vond Hooft den titel van graaf voor Oranje ongepast, hij volstrekt niet begeerde om den Prins de macht te ontnemen, die hij reeds vele jaren had uitgeoefend. Nu de dood aan dat alles een eind maakte, kwam de souvereiniteit niet aan een persoon maar aan de Staten en de steden.
In 1584 was de erkenning van den Prins tot souverein niet anders geweest, dan een natuurlijk gevolg van de afzwering van Filips’ gezag en van den onwil om Anjou als souverein te erkennen. Het was daarbij ook een openlijke en duidelijke verklaring, dat Holland, Zeeland en Utrecht niet het voornemen hadden, het droevig voorbeeld der Waalsche gewesten te volgen, om zich weer aan het gezag van den koning van Spanje te onderwerpen.
Indien de huldiging van Oranje had plaats gehad voor zijn dood, dan zouden ook zijn opvolgers de souvereiniteit bezeten hebben. Want uitdrukkelijk was reeds bepaald, dat na den dood van den Prins, de Staten van Holland en Zeeland een zijner wettige zonen, dien zij voor die waardigheid het meest geschikt achtten, tot graaf zouden verheffen. Nu die dood plaats had vóór de huldiging, trokken de Staten de souvereiniteit weer aan zich; ze hadden die ook niet geheel weggegeven. De verhouding, waarin Maurits en zijne opvolgers tot de gewesten stonden, had een geheel ander karakter.
Eeuwen zouden nog voorbijgaan, voor en aleer zijn nakomelingschap de vruchten van den arbeid van den Zwijger inoogstte, die zelf nog uit het leven werd weggenomen, voordat hij het loon voor al zijn arbeid en moeite ontving. Het ging hem daarbij, als de meeste groote mannen uit de geschiedenis, die zelven de vruchten van hun strijd niet aanschouwd hebben, maar die daarom ook des te hooger staan in de schatting en de vereering van de nakomelingschap.
Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).Mon Dieu! Mon Dieu! ayez pitié de mon âme et de ce pauvre peuple!
Aanslag van Balthazar Gérard. 10 Juli 1584. (Bladz. 425).
Mon Dieu! Mon Dieu! ayez pitié de mon âme et de ce pauvre peuple!