Hoofdstuk XXVII.Oranje en de Unie van Utrecht. Nieuwe angsten en gevaren. 1578–1579.In dezelfde maand December 1578, toen de Prins door zijn persoonlijk optreden in Gent de orde daar herstelde, was het door middel van intriges voorloopig gelukt, de Zuidelijke gewesten Artois en Henegouwen langzamerhand onder de gehoorzaamheid van den koning terug te brengen. Een tijdlang had men ook te strijden gehad tegen de Calvinistische democratie in de hoofdstad van Artois en ook Anjou telde er nog tal van aanhangers, maar zoowel de afkeer van de Gentsche Calvinistische ijveraars en de gehechtheid aan den katholieken godsdienst waren oorzaak, dat het Parma ten slotte gelukte Montigny, de leider der Waalsche Malcontenten, voor de zaak van den koning te winnen.Den 26enDecember verliet Anjou Henegouwen en in dezelfde maand ruimde nog een ander ridder het veld in de Nederlanden. Johan Casimir had in Gent ontdekt, dat hij zich niet opgewassen voelde tegen den invloed van Oranje; teleurgesteld verliet hij het land, maar werd ook in Engeland door Elisabeth, die hem gesteund had, niet vriendelijk ontvangen.Werd de Prins van Oranje geheel verrast door die beweging in het Zuiden, welke ten doel had zich bij Parma aan te sluiten? Met de onderwerping van Gent hoopte hij wel, dat het geheele Zuiden trouw aan de Pacificatie zou blijven, maar meer dan hoop was het ook niet en het beste bewijs, dat de Prins het dreigende gevaar van het Zuiden wel begreep, is zijn voorarbeid in 1578, die tot de Unie van Utrecht heeft geleid.Men beweert wel, dat niet de Prins, maar zijn broer Jan dien voorarbeid heeft verricht en Oranje zelfs onwaarheid spreekt, als hij in zijn Apologie zegt, die Unie tot stand te hebben gebracht, maar dit is onjuist. Zeker, de Prins droeg aan zijn broer het voorloopige werk voor die Unie op, maar niet Jan, doch Willem was er de ontwerper van.Reeds sinds 1576 stond Oranje zulk een confederatie voor den geest; bij het verdrag van Delft in dat jaar hadden Holland en Zeeland een Unie gesloten en in 1577 was ook Utrecht toegetreden. Al bevond Oranje zich sedert dien tijd in het Zuiden, hij had toch waarlijk zijn aandacht van het Noorden niet afgetrokken. Wat Friesland en Groningen betreft, rekende hij op den graaf van Rennenberg en ook op Drente en Overijsel meende hij staat te kunnen maken.Gelderland zou waarschijnlijk het moeilijkst te winnen zijn voor zulk een Unie.Met het oog daarop werd door zijn machtigen invloed op den 10enMaart 1578 door den landdag te Arnhem besloten, Graaf Jan de stadhouderlijke waardigheid over dat gewest op te dragen. Het doel, dat Oranje daarbij vooral op het oog had, was de versterking van den band tusschen de Noordelijke gewesten. Wie kon beter Oranje’s plaatsvervanger in het Noorden zijn dan broer Jan, die zoo geheel met de plannen en bedoelingen van den Prins op de hoogte was.De Graaf ging echter niet in alles met zijn broeder mee, want hij kon zich volstrekt niet vereenigen met Oranje’s voorliefde voor Frankrijk en het was dus gelukkig, dat Anjou tijdelijk verdwenen was. Ook was er verschil van opvatting over den godsdienst; de verdraagzaamheid van Willem werd door Jan niet gedeeld, hij was veel beslister Calvinist en wilde dan pas aan het katholicisme concessies doen, wanneer daardoor alleen zijn eigen godsdienst kon beschermd worden.Dit bleek ook al spoedig na zijn komst in Gelderland, want op allerlei wijzen bevorderde hij de Calvinistische prediking en hield daardoor zeer weinig rekening met de katholieke meerderheid van het gewest. Aan zijn ijver gaf hij zoo toe, dat hij zelfs naar Dillenburg kon schrijven, dat er in Tiel een heerlijk vreugdevuur was gemaakt van alle beelden eener kerk en dat de klokken hadden geluid totdat alles in asch was vergaan, terwijl in Nijmegen monniken waren verjaagd en ook een kerk in bezit was genomen.De geest van de Gentsche Calvinisten woonde ook in Jan van Nassau, tengevolge waarvan hij bij de Staten van Gelderland veel verzet vond om zich bij de gewenschte Noordelijke Unie aan te sluiten. Gelderland vreesde voor het overwicht van Holland en Zeeland en de oude Geldersche adel was bang zijn invloed te verliezen. Toch bracht Jan van Nassau het zoover, dat er in September een buitengewone vergadering van Gelderland werd samengeroepen, waar ook vijf vertegenwoordigers uit Holland o.a. Oldenbarnevelt, aanwezig waren.De heftigste tooneelen hadden daarbij plaats en veel succes had die vergadering niet. Toen nu Jan van Nassau een poos naar Duitschland was geweest, werd door Oranje het plan van de Unie weer opgevat en op den 15enNovember liet hij een generale dagvaart in Holland en Zeeland beschrijven, waar nieuwe voorstellen omtrent bepalingen der Unie werden aangenomen. Deze vielen zoo in den smaak van Utrecht en Gelderland, dat reeds in December Utrecht, Holland, Zeeland en Friesland voorloopig teekenden en de conferentie reeds den 10enJanuari te Utrecht samenkwam. Hier werd den23enJanuari 1579de Unie van Utrechtgesloten, die ook door Graaf Jan als Stadhouder van Gelderland werd geteekend.De inhoud van deze Unie was hoofdzakelijk de volgende: De gewesten,die haar teekenden, wilden geenszins van de Generale Unie, door de Pacificatie van Gent aangenomen, scheiden, integendeel, zij hielden die in waarde, doch ze wilden zich ten eeuwigen dage tot een geheel vormen, “alsof ze maar één provincie waren,” onverminderd de bijzondere privilegiën van de gewesten en de steden. Ze beloofden elkander met goed en bloed tegen alle geweld bij te staan. De kosten van de verdediging (die in bijzonderheden werd vastgesteld) zouden eensdeels uit de domeinen, anderdeels uit belastingen gevonden worden. Daarin, zoowel als in quaesties van vrede of bestand, was eenstemmigheid noodig; in andere zaken gold de meerderheid. Kon die eenstemmigheid niet worden verkregen, dan besliste de stadhouder, “nu ter tijd wezende.”Wat den godsdienst aanging, zouden Holland en Zeeland naar hun goeddunken handelen, terwijl de andere gewesten òf den religievrede konden aannemen òf in ’t bijzonder zulke orders konden uitvaardigen als de rust en de welvaart van dat gewest eischten.Men ziet de hand van den Prins duidelijk in dezen arbeid. Ook het opdringen van den religievrede in gewesten, waar zulks onnoodig was, lag niet in zijn geest. Jan van Nassau, door zijn broeder ernstig onderhouden over zijn al te grooten ijver voor het Calvinisme, was door den invloed van den Prins thans ook geneigd tot die uniebepalingen. Het schoone denkbeeld van de Unie der zeven staten, alsof zij maar één provincie waren, was ongetwijfeld een gedachte van Oranje. Hoe menigmalen ook later afgestuit op het provincialisme, op den duur is die Unie toch tot stand gekomen.Door die gedachte alleen kunnen we beweren, dat Oranje de stichter is van den Nederlandschen Staat.Zeker, de Unie van Utrecht heeft vele schaduwzijden leeren kennen. Er waren willekeurige en dubbelzinnige bepalingen in. Maar de duidelijk sprekende punten omtrent de solidariteit tegenover den gemeenschappelijken vijand, van onderlinge aansprakelijkheid voor de kosten van den Staat, van algemeenen dienstplicht zelfs en van betrekkelijke godsdienstvrijheid zijn inderdaad den grootsten lof waard.De geruchten, die in het Zuiden kwamen over het vormen eener afzonderlijke Unie der Noordelijke gewesten, bevorderden ook daar het streven, zich te vereenigen. In dezelfde maand Januari 1579, dat de Unie van Utrecht tot stand kwam, werd in het Zuiden de welbekendeUnie van Atrechtgesloten, die, voorbereid door de agenten van Parma en den aanvoerder der Malcontenten, voorloopig Henegouwen, Artois, Rijsel, Douai en Orchies omvatte en waarbij het behoud van den katholieken godsdienst en het gezag van den koning op den voorgrond stonden.Wel trachtte de Prins nog de scheiding te voorkomen en gelukte het hem, zelfs drie dagen na het sluiten der Unie van Atrecht (6 Januari) den vrede tusschen Vlaanderen en de Malcontenten te doen teekenen, maar de verbittering van de katholieke bewoners van Artois en Henegouwen tegen de Vlaamsche Calvinisten en den Prins was te groot, dan dat de scheiding kon voorkomen worden. De woeste uitbarsting van het Calvinisme onder het Gentsche gepeupel; de onbeschaamdebuitensporigheden, in die Vlaamsche stad en elders bedreven, waren de hoofdoorzaak, dat Parma’s verleidelijke taal, om zich weder onder ’t gezag van den koning te stellen, zooveel gunstige ooren vond.Staatsman en krijgsheld tevens, verzuimde hij aan de eene zijde geen enkele gelegenheid, om door voorkomendheid en vrijgevigheid personen en gemeenten te herwinnen voor de zaak des konings, aan de andere zijde om zich met allen spoed voor te bereiden op vernieuwing van den krijg tegen Oranje en de gewesten, die zijne partij hielden.De Prins liet niet na, de weifelende streken voor de Staten-Generaal te behouden, doch de genoemde gewesten waren en bleven onherroepelijk verloren. Nog duurde het vier maanden, eer het verbond, dat voorloopig op 6 Jan. gesloten was, werd bekrachtigd. Eerst op den 17enMei 1579 werd te Atrecht het verdrag van reconciliatie door de staten van Henegouwen en Artois, door Rijsel, Douai en Orchies geteekend. Het behoud van het katholicisme en van het gezag van den koning stonden op den voorgrond; doch ook werden de Pacificatie van Gent, de 1eUnie van Brussel en het Eeuwig Edict bevestigd.In den loop van het jaar werden tal van meerdere streken en steden en niet minder edelen en grooten voor de Unie van Atrecht gewonnen. Doch reeds de aanvankelijk geslaagde verzoening met den koning, die van zijn kant handhaving der privilegiën, terugtrekking der vreemde troepen en een Prins van den bloede als landvoogd beloofde, maakte wijd en zijd grooten indruk. Zelfs verhaalt men, dat er feesten ter eere van die gebeurtenis in Parijs werden gevierd. In een der schouwburgen gaf men eenpantomime, waarin Filips een mooie makke koe op de planken bracht, die echter plotseling weerspannig werd, tegen begon te spartelen, de leidsel brak en bijna was weggeloopen. Daarna kwam Alexander Farnese op, die het gebroken touw weer trachtte samen te binden, terwijl ook de Staten-Generaal op het tooneel verscheen. Sommigen pakten de koe bij de horens of sloegen ze op den rug, terwijl anderen van voren bleven staan en om hulp riepen.De Duitsche keizer, de Fransche koning en de Engelsche koningin, die soms medelijden met de koe hadden, dan weer met haar vervolgers, waren toeschouwers. Alençon (de hertog van Anjou) liep er dapper op af en greep de koe bij haar staart. Daarop kwamen Oranje en Casimir op het tooneel met een melkemmer en trachtten haar te melken, toen Parma den halster greep en het dier triomfantelijk naar Filips terugbracht, dat met den eenen poot Casimir, met den anderen Oranje een schop gaf.Zeker eene Oranje geheel onwaardige voorstelling, alsof hij slechts de Nederlanden als eene melkgevende koe beschouwde, doch een niet onaardig verhaal in zoover als ze uitdrukking gaf aan de publieke meening in den vreemde omtrent den thans gedeeltelijk bedwongen opstand. Dat echter de koe, hoe ook gedeeltelijk getemd, voor een ander deel even weerbarstig bleef en haar doel heeft bereikt, om in beter, schooner landouwen te grazen, heeft de verdere geschiedenis der Noordelijke gewesten wel bewezen. Doch op dat oogenblik was het voor den Prins een vreeselijke slag. Hij, die in de Pacificatie van Gent als de vrijverklaringder 17 Nederlandsche gewesten, zijn levensideaal had meenen te vinden, zag in de Unie van Atrecht de vernietiging van zijn schoonsten wensch. Want al beriep zich Atrecht zoowel als Utrecht op die Pacificatie, ze had voor beider oor een geheel anderen klank. Voor den Prins was zij de uitdrukking geweest van:vrede door vrijheid, voor Parma en de zijnen zou ze zijn:vrede na nieuwen strijd tot onderdrukking.Hoe hard het Oranje dan ook viel, om van zijn ideaal te scheiden, hoe hij daarom alleen zoo lang mogelijk vertraagd had, zelf de Unie van Utrecht te onderteekenen, toch deed hij dit eindelijk op den 3enMei 1579. Ten volle was hij er niet mede ingenomen, al was ook het denkbeeld van hem afkomstig. Hij kon zelf niet ontkennen, dat die Unie den katholieken Walen moest mishagen wegens de duidelijke voorliefde van haar voorstanders, in het bijzonder van Jan van Nassau, voor het Calvinisme.Met den religievrede, zooals hij dien begeerde, stond het ook in die Unie tamelijk zwak. De Prins deed daarom in April nog een poging, om op den religievrede een generale Unie te bouwen, doch ook die poging stuitte af op de leden der Utrechtsche Unie. Zoolang hij nog kans meende te hebben op ’t welslagen van zijn onderhandelingen met Montigny e. a., trad de Prins niet openlijk tot de Unie toe. Toen het eindelijk bleek, dat de verzoening van de Waalsche gewesten met den koning zeker zou volgen, bekrachtigde ook hij de Unie van Utrecht met zijne handteekening.In den loop van 1579 en 1580 werd deze Unie nog door Friesland, Overijsel en Drente onderschreven; Rennenberg teekende in Juni 1579, doch reeds een jaar later volgde zijn schandelijke afval. Ook enkele steden in Brabant en Vlaanderen traden toe.Sedert het eind van 1578 had Parma, wiens macht zich thans over tal van gewesten uitstrekte, het plan Maastricht te belegeren. Na strooptochten door het zuidelijk gebied der Staten en den slag bij Burgerhout op 23 Februari 1579, legerde hij zich in het begin van Maart voor die veste. De inwoners toonden het vaste voornemen, den Spaanschen veldheer van hun poorten te verdrijven. De oude geschiedenis van dapperheid aan beide kanten, herhaalde zich hier; van weerszijden werden er mijnloopen gegraven en trachtten de verschillende troepen elkander in de diepte der aarde te verrassen.Parma was het rijkst aan hulpmiddelen. Hij bouwde een reeks sterke forten rondom de stad, zelfs woningen voor zijn soldaten, om hen des te langer de ongemakken van den krijg te doen verduren. Oranje had met moeite een leger van 7000 man verzameld, dat, door graaf Jan en Hohenlohe geleid, bestemd was om Maastricht te verlossen, doch reeds de eerste aanblik op die stad, welke als ’t ware Maastricht omsingelde, bewees hun, dat het een verloren spel was. Nogop 25 Juni werd er een brief van Oranje in de stad geworpen, die binnen 14 dagen hulp beloofde. Het was reeds te laat, want op den 29enJuni werd Maastricht stormenderhand genomen.Een poging van den Prins, op het congres in Keulen een wapenstilstand voor Maastricht te verkrijgen, was afgestuit op een weigering van Parma, die wel wist, dat Maastricht het niet lang meer zou uithouden. De verovering had bij verrassing plaats, toen de stad nog in diepen slaap was. Er volgde een moord met al zijn onbeschrijflijke verschrikkingen, zooals Spaansche soldaten, die 4 maanden in gevaar en nood hadden geleefd, alleen konden volvoeren. Al moge het getal van 8000 omgekomenen bij de belegering en den driedaagschen moord wat overdreven zijn, zeker is het waar, dat de helft der bevolking door het zwaard of de pest is omgekomen en dat Maastricht en omstreken voor geruimen tijd in de grootste ellende en armoede gedompeld waren. Geen wonder, dat Parma na deze groote overwinning voor de Spaansche zaak, den 3enJuli zijn zege-intocht in de arme stad hield.Het was een vreeselijke slag voor de nationale partij van het Noorden en daarbij allernoodlottigst voor den naam van den Prins, die algemeen beschuldigd werd, de stad aan haar lot te hebben overgelaten. De inwoners, zoo sprak men, hadden op hem vertrouwd. Hij had toch hulp en verlossing beloofd, indien ze het konden uithouden? Wat men na de nederlaag op de Mookerheide had gezegd, werd thans herhaald n. l. dat zijn halfheid en uitstel de ramp hadden veroorzaakt. Geen held van eenig volk ontgaat zulk een oordeel, als tegenspoed hem achtervolgt. Toch was zulk een verwijt na den val van Maastricht voor den Prins zeer moeilijk te dragen.Het waren donkere dagen voor Oranje, want behalve het verlies van deze stad moest het hem ook wel droevig stemmen, dat tal van edelen de zijde van den koning kozen. In Juli ging de jonge graaf van Egmond, die den Prins eerst zoo dapper had terzijde gestaan, tot de partij van Filips over; iets later volgden Aerschot, Schets van Grobbendonck en anderen. Heze was reeds overgegaan, Havré zou spoedig volgen ja, zelfs de oudste zoon van Oranje’s zwager, van den Berg, koos Parma’s partij.“Ik kan den Prins nu niet verlaten,” schreef graaf Jan aan zijn Dillenburgsche vrienden, “daar hij bijna door iedereen in den steek wordt gelaten behalve door mij en den stadhouder van Friesland.”Ook deze zou binnenkort afvallig worden. Rennenberg, op wien Oranje geheel had vertrouwd, begon in het najaar sterk naar de Spaansche zijde te neigen. Zelf katholiek ergerde ook hem de rumoerige beweging der Calvinisten in het Noorden, maar de doorslag gaf niet dieergernis, maar wel de belooning, welke hem werd toegezegd en ook de vrees, misschien zelf het slachtoffer te worden. In Maart had de overgang pas plaats, nadat Oranje nog door een persoonlijk bezoek had geprobeerd, hem te weerhouden.In de laatste maanden van 1579 was ook een poging in Keulen mislukt om den vrede te herstellen. Het plan was van Keizer Rudolf uitgegaan en Filips, vroeger nooit gezind zulk een congres te steunen, had ook een gezantschap gezonden.Tal van Europeesche mogendheden waren er samengekomen om de belangen der Nederlanden te bespreken. De Nederlandsche gezanten gaven niet onduidelijk te verstaan, dat, ingeval de vrede niet werd gesloten, men den koning als vervallen van zijn souvereiniteit zou beschouwen en het volk als ontheven van zijn eed van trouw. Doch wat konden onderhandelingen baten als de Spaansche koning niet toe wilde geven op het belangrijke punt van godsdienstvrijheid, hetgeen door de Staten-Generaal juist geëischt werd.De afgevaardigden van dit college vertrokken, toen het duidelijk bleek, dat men niet tot overeenstemming kon komen, maar de vertegenwoordigers van vijf gewesten bleven en het gevolg hiervan was de officieele verzoening van het Zuiden met den koning.Het is merkwaardig, dat in dien tijd toen er geen couranten waren, die uitdrukking gaven aan eene publieke meening, een land zoo spoedig onder den algemeenen indruk kon komen van de verschillende gebeurtenissen. Toch was dit zoo, want in den zomer van 1579 bestond er tegen Oranje een algemeen wantrouwen, zoo hemelsbreed verschillend van de warme gevoelens, die eenige maanden vroeger voor “Vader Willem” gekoesterd werden.“Ik kan niet genoeg zijn voorzichtigheid en gelijkmoedigheid, om zooveel zaken en zooveel beleedigingen te dragen, bewonderen. Ik geloof, dat er in de Christelijke wereld geen eminenter man bestaat,” zoo schreef Hubert Languet aan Sidney.Nergens zaten zijn vijanden stil, overal was men bezig zijn gezag te ondermijnen en we kunnen ons zoo begrijpen, dat Oranje aan de Magistraat van het woelige Gent o. a. schreef:”..... Wil daarbij bedenken, dat zij die mij zoo blameeren, vrijheid van spreken hebben, doordat ik die vrijheid door het bloed mijner familie, door mijn werkzaamheden en de opoffering van mijn geld voor hen heb gekregen. Zij zijn alleen aan mij dank schuldig, dat ze zoo vrij over mij kunnen spreken.”Men ontzag zich zelfs niet, den Prins op schandelijke wijze te belasteren. Tot in de vergadering der Staten-Generaal drong die laster door. Er kwam een bode in Antwerpen met een brief aan de Staten, zoo vol lastertaal omtrent den Prins, dat de Secretaris van den Raad, die het stuk overluid begon te lezen, maar ziende wat de bedoeling er van was, daarmee twee, drie keeren uit louter schaamte ophield. De Prins dat bemerkende, nam toen den brief zelf in zijn handen en las hem tot het einde toe aan de vergadering voor. Dat was zeker de schoonste en edelste zelfverdediging; maar blijkbaar was de bedoeling van het schrijven, Oranje in algemeen diskrediet te brengen.Was bij al dien afval, ontrouw en laster, Vlaanderen nog maar in rust gebleven, doch de Prins zei terecht van dit gewest: “Die oproeren in Vlaanderen bederven geheel onze zaken.”Nadat Oranje er de orde had hersteld bleef het er maar kort rustig; het fanatisme der Calvinisten ontwaakte echter weer en sloeg zelfs over naar Antwerpen, waar op den Hemelvaartsdag (28 Mei) een processie, die Matthias bijwoonde, aanleiding gaf tot een heftige uitbarsting van het gepeupel, waarbij twee menschengedood werden en de landvoogd zelf in levensgevaar verkeerde. Oranje slaagde er wel in, verder bloedvergieten te voorkomen, maar in een vergadering van overheidspersonen dreigde hij, het land te zullen verlaten, indien de ongeregeldheden niet konden worden gestild. De magistraat beloofde zijn best te zullen doen, indien hij hen althans niet alleen liet.De hoofdreden van deze nieuwe onlusten, welke ook in andere plaatsen, maar vooral in Gent voorkwamen, was het niet direct nakomen van de voorwaarden door de Malcontenten. Oranje werd daar weder het slachtoffer van den geloofshaat en Hembyze met Dathenus ontzagen zich niet hem openlijk en heftig te belasteren en de volkswoede om zijn verdraagzaamheid en Franschgezindheid tegen hem op te wekken. Die volksleiders riepen om Johan Casimir, dien zij als een vertrouwbaar geloofsgenoot wilden terughebben.Dathenus noemde Oranje rondweg een godloochenaar, die even gemakkelijk van zijn godsdienst als van zijn kleedingstuk veranderde. Eerst nam de Prins geen notitie van die lastertaal, maar later schreef hij in een brief aan de Gentsche burgers:“Men heeft mij verteld, dat Mr. Dathenus mij als een man zonder godsdienst of trouw, als iemand alleen door eerzucht beheerscht, heeft geteekend en dat hij ook andere dingen gezegd heeft, die hem in zijn ambt in het minst niet voegen. Ik geloof niet, dat het noodig is, daarop eenig antwoord te geven. Alleen wil ik zeggen, dat ik gaarne bereid ben, het oordeel daarover aan allen, die mij kennen, over te laten.”Nogmaals begreep Oranje, dat hij door persoonlijk bezoek iets goeds zou kunnen uitwerken. Toen hij kwam, stond Rijhove aan zijn zijde om met kracht Hembyze en Dathenus te weerstaan. Hoewel deze heeren niets ontzagen, Oranje bij het volk te belasteren en het te waarschuwen tegen de plannen van den Prins om het land aan Anjou en de Franschen over te geven, Oranje bleef hen meester. Hembyze werd uit de regeering gezet en gedwongen met Dathenus de vlucht te nemen. Ze zochten een wijkplaats bij Casimir in Duitschland, die ze onder zijn bescherming nam.Het jaar 1579 bracht dus wel nieuwe angsten en gevaren voor den Prins. Hoe weinigen zouden te midden van zooveel verraad en ontrouw, laster en afval, zijn staande gebleven! Hoevelen zouden in zulk een bangen strijd de voordeelige voorwaarden van het Congres van Keulen, die hem persoonlijk werden aangeboden, met beide handen hebben aangenomen! Niet alzoo de Zwijger. Hij verloor trots allen tegenstand zijn moed niet; zijn onwrikbaar geloof in de toekomst van het land en in die der vrijheid, hield hem staande. De Prins gevoelde die hopelooze verdeeldheid, terwijl Parma met den dag krachtiger werd; bovendien het vreeselijklot van Maastricht bedreigde ook andere steden, terwijl hierdoor bij vernieuwing dringende behoefte aan buitenlandsche hulp ontstond. Dit leidde, zooals we later zullen zien, tot de aanbieding van de souvereiniteit aan den hertog van Anjou. Vele moeilijkheden waren echter nog te overwinnen, want tegen Anjou’s candidatuur bestonden in het land groote bezwaren.De verhouding van Oranje tot Anjou heeft misschien, meer dan eenige andere daad van hem, aan de afbrekende critiek van zijn vijanden blootgestaan en niet alleen zijn tegenpartij, maar ook tal van aanhangers van den Prins hebben zijn Fransche politiek veroordeeld.Uit een openbaar gemaakte correspondentie is ten duidelijkste gebleken, dat de Staten-Generaal het werkelijk belang van het land op ’t oog hadden, toen ze met Anjou nieuwe onderhandelingen aanknoopten. Deze was na de voorloopige erkenning van Filips te Atrecht en nadat hij bemerkt had, dat de Zuid-Nederlandsche heeren niet van hem gediend waren, den 19enJanuari 1579 naar Frankrijk teruggekeerd, weinig vermoedende, dat zijn hulp zoo spoedig weer zou worden ingeroepen.Door Anjou’s gezant, die hij had achtergelaten, werden de betrekkingen met den Prins en de Staten-Generaal aangehouden. Tal van gewesten wilden niets van Anjou weten, zooals Vlaanderen en Holland, maar er was een omstandigheid, die de oppositie in 1579 wat kalmeerde. Elisabeth van Engeland, die vroeger gedreigd had haar steun te ontzeggen, indien de Nederlanden hulp bij Anjou zochten, was van politiek veranderd en wendde zelfs een huwelijk met Anjou voor. Ofschoon dit alleen een politieke kunstgreep van haar was tegenover Frankrijk en Spanje, gaf zij zóó een schijn van waarheid aan dit plan, dat men algemeen een huwelijk verwachtte. De hoop hierop was wel oorzaak, dat de antipathie tegen hem in het land verminderde, al bleef die nog zeer groot.De Prins bleef bij zijn meening, dat de aanvaarding van Anjou’s souvereiniteit het eenige middel zou zijn om den strijd tegen den koning van Spanje vol te houden. Hij gaf dit advies dan ook aan de Staten, maar liet duidelijk uitkomen, dat zij hierin moesten beslissen; de persoon van Anjou was hem onverschillig, maar als representant van Frankrijk zocht hij dezen vorst.Vooral Jan van Nassau was zeer sterk tegen Anjou. Zijn streng Calvinisme veroorzaakte, dat hij van het ontrouwe, verraderlijke Frankrijk niets goeds verwachtte. Hij stelde Franschen en Spanjaarden op één lijn. Had hij zijn eigen wil in 1579 kunnen doorzetten, dan zou Graaf Jan reeds zijn stadhouderschap van Gelderland hebben neergelegd en naar Dillenburg zijn teruggekeerd. In Juli was daar des te meer reden voor, door het overlijden van zijn echtgenoote, gravin Elisabeth, wier dood door allen, ook door zijn oude moeder Juliana, ten zeerste werd betreurd.Oranje liet echter zijn broer niet los; hij had hem te veel noodig en in het jaar van de Unie van Utrecht was hij in het Noorden de rechterhand van den Prins. Met de Fransche politiek kon broer Jan zich volstrekt niet vereenigen; er bestaat zelfs een memorandum van hem, waarin hij op de groote nadeelen van het verbond met Frankrijk wijst. Hij waarschuwt de landen daarin, zich toch nietin te laten met “dergelijke goddelooze tirannen” als Frankrijks vorsten en hij vreest, dat ze daardoor bij de nakomelingschap een slechten naam op zich laden.Het verzet van Graaf Jan was wel begrijpelijk, maar thans kon zijn plan om zonder steun de zaak tot een goed einde te brengen, nog niet verwezenlijkt worden. Na tien jaar zou men tot de erkenning komen, dat een monarchie door een op zich zelf vertrouwende republiek te vervangen was. Te midden van al den tegenstand, die Oranje in 1579 beleefde, was het begrijpelijk, dat hij in de hulp van een nieuwen souverein de kracht tot behoud meende te vinden.De Prins vond geen tijd, alle langdradige brieven en waarschuwingen van zijn broeder te beantwoorden en hij zond hem een kort bericht, waarin hij meldde, dat hij alles zorgvuldig had gelezen en den wensch tevens uitsprak, zijn broeder te spreken. Hij wilde Jan niet verliezen, maar voor dezen werd het blijven op den duur zeer moeilijk, want ook in Nassau hadden zijn kinderen groote behoefte aan hem. Toch is het waarschijnlijk, dat niet dit laatste, maar wel de afkeuring van de politiek van den Prins, de hoofdoorzaak was van het vertrek uit Nederland in 1580. Graaf Jan meende nu eenmaal, dat de zoogenaamde verdraagzaamheid van den Prins, het leenen van een oor aan den duivel was.Oranje ging op den ingeslagen weg voort en bereikte met Anjou in 1581 zijn doel.Hoofdstuk XXVIII.Anjou. Juliana’s dood. Afzwering van Filips II. 1580–1581.Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal hield, was die op den 9enJanuari 1580 wel de meest merkwaardige, die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef, zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. “Voor alle dingen,” zegt hij, “moeten wij vaststellen of wij den vrede of den oorlog willen,” en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres te Keulen, vervolgt hij: “Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó’n vijand is van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten, dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel, om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen.”“Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land; ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen, niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen, mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid van mijn leven,dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb, hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom, Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden.”Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen, om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning gevonden!Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten; maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht; dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet, want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon, als de nood het eischte.“In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt zulk een oppersten raad, die kan bevelen.” In bijzonderheden wijst de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:“Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met u te leven en te sterven.”Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:“Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter zijde stellen. De gedeputeerden handelen alsadvocaten, die door de gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers, wien de publieke zaken zijn toevertrouwd.”Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou’s hulp in te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld, waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan, de anderen stelden uit of weigerden.De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau’s te Breda werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1enFebruari ging Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der koningsgezinden in Groningen en op den 3enMaart, na vermeestering der stad, tot Parma overging.Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.“Op den avond van den 3enMaart 1580,” zoo verhaalt Motley, “had de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand, den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand enriep uit: “Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer, mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in mij en heb geen vrees.”Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht, terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:“Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en Stadhouder.”Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers, leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de voeten van den Stadhouder—van den man die hem weinige uren te voren de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg door ijver in ’s konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om, wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond, die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten is geëindigd.Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij daarbij ook mocht ondervinden.Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was het gelukkig,dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix, die tengevolge van Anjou’s vroegere vriendschappelijke verhouding tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen prins werd verdedigd.In Holland belegde Oranje een zoogenaamde “Groote Vergadering,” waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen, daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek, waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou onderhandelen.Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk te bespeuren. Toen Oranje den 7enApril den Haag verliet en naar Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was, zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen, tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord waren zijn deel.“De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil borgen, vóór hij betaald is,” schreef de graaf in November en met den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven stond: “De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak ’s avonds zonder eten naar bed moeten gaan.”Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden, waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan scheen heteens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche spreekwoord op zich toe: “zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een.”Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van Stolberg overleden.De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van LouiseJulianaen de gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg, was een geschenk van Charlotte.Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot: “Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen.”Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt ze de hoop uit, dat God ten slotte eengoedenvrede zal geven.Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen, niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren, welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen, dan dien schat te verliezen.Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: “het Eeuwige meer te achten dan het tijdelijke.”“De dood sluipt mij zachtkens achterna,” heet het in een harer laatste brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18enJuni 1580 overleed zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij haar heengaan tegenwoordig. Den 22enJuni had de begrafenis plaats en thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden grafmonument van de stammoeder onzer Oranje’s vinden.Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en zijne medestrijders.Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar, ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de Nassau’s heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen, maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan om ze niet meer te zien wederkeeren.Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein, vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar, evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou slechts een naam zou zijn.Den 19enSeptember kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd,het verdrag van Plessis-les-Tourstot stand, waarbij de vierde zoon van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige redelijke grond voor het verdrag zijn.JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd van Filips II was opgetreden.Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst, daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22enJuli 1581 was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over Holland en Zeeland nader aangeboden enden 26enJuli werd in den Haag de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel de gehoorzaamheid aan Filips II op.In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract, gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van George III uitspreken.De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van de ”Joyeuse entrée” van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende, op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder, dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk, waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16eeeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja, hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid had geschonken.
Hoofdstuk XXVII.Oranje en de Unie van Utrecht. Nieuwe angsten en gevaren. 1578–1579.In dezelfde maand December 1578, toen de Prins door zijn persoonlijk optreden in Gent de orde daar herstelde, was het door middel van intriges voorloopig gelukt, de Zuidelijke gewesten Artois en Henegouwen langzamerhand onder de gehoorzaamheid van den koning terug te brengen. Een tijdlang had men ook te strijden gehad tegen de Calvinistische democratie in de hoofdstad van Artois en ook Anjou telde er nog tal van aanhangers, maar zoowel de afkeer van de Gentsche Calvinistische ijveraars en de gehechtheid aan den katholieken godsdienst waren oorzaak, dat het Parma ten slotte gelukte Montigny, de leider der Waalsche Malcontenten, voor de zaak van den koning te winnen.Den 26enDecember verliet Anjou Henegouwen en in dezelfde maand ruimde nog een ander ridder het veld in de Nederlanden. Johan Casimir had in Gent ontdekt, dat hij zich niet opgewassen voelde tegen den invloed van Oranje; teleurgesteld verliet hij het land, maar werd ook in Engeland door Elisabeth, die hem gesteund had, niet vriendelijk ontvangen.Werd de Prins van Oranje geheel verrast door die beweging in het Zuiden, welke ten doel had zich bij Parma aan te sluiten? Met de onderwerping van Gent hoopte hij wel, dat het geheele Zuiden trouw aan de Pacificatie zou blijven, maar meer dan hoop was het ook niet en het beste bewijs, dat de Prins het dreigende gevaar van het Zuiden wel begreep, is zijn voorarbeid in 1578, die tot de Unie van Utrecht heeft geleid.Men beweert wel, dat niet de Prins, maar zijn broer Jan dien voorarbeid heeft verricht en Oranje zelfs onwaarheid spreekt, als hij in zijn Apologie zegt, die Unie tot stand te hebben gebracht, maar dit is onjuist. Zeker, de Prins droeg aan zijn broer het voorloopige werk voor die Unie op, maar niet Jan, doch Willem was er de ontwerper van.Reeds sinds 1576 stond Oranje zulk een confederatie voor den geest; bij het verdrag van Delft in dat jaar hadden Holland en Zeeland een Unie gesloten en in 1577 was ook Utrecht toegetreden. Al bevond Oranje zich sedert dien tijd in het Zuiden, hij had toch waarlijk zijn aandacht van het Noorden niet afgetrokken. Wat Friesland en Groningen betreft, rekende hij op den graaf van Rennenberg en ook op Drente en Overijsel meende hij staat te kunnen maken.Gelderland zou waarschijnlijk het moeilijkst te winnen zijn voor zulk een Unie.Met het oog daarop werd door zijn machtigen invloed op den 10enMaart 1578 door den landdag te Arnhem besloten, Graaf Jan de stadhouderlijke waardigheid over dat gewest op te dragen. Het doel, dat Oranje daarbij vooral op het oog had, was de versterking van den band tusschen de Noordelijke gewesten. Wie kon beter Oranje’s plaatsvervanger in het Noorden zijn dan broer Jan, die zoo geheel met de plannen en bedoelingen van den Prins op de hoogte was.De Graaf ging echter niet in alles met zijn broeder mee, want hij kon zich volstrekt niet vereenigen met Oranje’s voorliefde voor Frankrijk en het was dus gelukkig, dat Anjou tijdelijk verdwenen was. Ook was er verschil van opvatting over den godsdienst; de verdraagzaamheid van Willem werd door Jan niet gedeeld, hij was veel beslister Calvinist en wilde dan pas aan het katholicisme concessies doen, wanneer daardoor alleen zijn eigen godsdienst kon beschermd worden.Dit bleek ook al spoedig na zijn komst in Gelderland, want op allerlei wijzen bevorderde hij de Calvinistische prediking en hield daardoor zeer weinig rekening met de katholieke meerderheid van het gewest. Aan zijn ijver gaf hij zoo toe, dat hij zelfs naar Dillenburg kon schrijven, dat er in Tiel een heerlijk vreugdevuur was gemaakt van alle beelden eener kerk en dat de klokken hadden geluid totdat alles in asch was vergaan, terwijl in Nijmegen monniken waren verjaagd en ook een kerk in bezit was genomen.De geest van de Gentsche Calvinisten woonde ook in Jan van Nassau, tengevolge waarvan hij bij de Staten van Gelderland veel verzet vond om zich bij de gewenschte Noordelijke Unie aan te sluiten. Gelderland vreesde voor het overwicht van Holland en Zeeland en de oude Geldersche adel was bang zijn invloed te verliezen. Toch bracht Jan van Nassau het zoover, dat er in September een buitengewone vergadering van Gelderland werd samengeroepen, waar ook vijf vertegenwoordigers uit Holland o.a. Oldenbarnevelt, aanwezig waren.De heftigste tooneelen hadden daarbij plaats en veel succes had die vergadering niet. Toen nu Jan van Nassau een poos naar Duitschland was geweest, werd door Oranje het plan van de Unie weer opgevat en op den 15enNovember liet hij een generale dagvaart in Holland en Zeeland beschrijven, waar nieuwe voorstellen omtrent bepalingen der Unie werden aangenomen. Deze vielen zoo in den smaak van Utrecht en Gelderland, dat reeds in December Utrecht, Holland, Zeeland en Friesland voorloopig teekenden en de conferentie reeds den 10enJanuari te Utrecht samenkwam. Hier werd den23enJanuari 1579de Unie van Utrechtgesloten, die ook door Graaf Jan als Stadhouder van Gelderland werd geteekend.De inhoud van deze Unie was hoofdzakelijk de volgende: De gewesten,die haar teekenden, wilden geenszins van de Generale Unie, door de Pacificatie van Gent aangenomen, scheiden, integendeel, zij hielden die in waarde, doch ze wilden zich ten eeuwigen dage tot een geheel vormen, “alsof ze maar één provincie waren,” onverminderd de bijzondere privilegiën van de gewesten en de steden. Ze beloofden elkander met goed en bloed tegen alle geweld bij te staan. De kosten van de verdediging (die in bijzonderheden werd vastgesteld) zouden eensdeels uit de domeinen, anderdeels uit belastingen gevonden worden. Daarin, zoowel als in quaesties van vrede of bestand, was eenstemmigheid noodig; in andere zaken gold de meerderheid. Kon die eenstemmigheid niet worden verkregen, dan besliste de stadhouder, “nu ter tijd wezende.”Wat den godsdienst aanging, zouden Holland en Zeeland naar hun goeddunken handelen, terwijl de andere gewesten òf den religievrede konden aannemen òf in ’t bijzonder zulke orders konden uitvaardigen als de rust en de welvaart van dat gewest eischten.Men ziet de hand van den Prins duidelijk in dezen arbeid. Ook het opdringen van den religievrede in gewesten, waar zulks onnoodig was, lag niet in zijn geest. Jan van Nassau, door zijn broeder ernstig onderhouden over zijn al te grooten ijver voor het Calvinisme, was door den invloed van den Prins thans ook geneigd tot die uniebepalingen. Het schoone denkbeeld van de Unie der zeven staten, alsof zij maar één provincie waren, was ongetwijfeld een gedachte van Oranje. Hoe menigmalen ook later afgestuit op het provincialisme, op den duur is die Unie toch tot stand gekomen.Door die gedachte alleen kunnen we beweren, dat Oranje de stichter is van den Nederlandschen Staat.Zeker, de Unie van Utrecht heeft vele schaduwzijden leeren kennen. Er waren willekeurige en dubbelzinnige bepalingen in. Maar de duidelijk sprekende punten omtrent de solidariteit tegenover den gemeenschappelijken vijand, van onderlinge aansprakelijkheid voor de kosten van den Staat, van algemeenen dienstplicht zelfs en van betrekkelijke godsdienstvrijheid zijn inderdaad den grootsten lof waard.De geruchten, die in het Zuiden kwamen over het vormen eener afzonderlijke Unie der Noordelijke gewesten, bevorderden ook daar het streven, zich te vereenigen. In dezelfde maand Januari 1579, dat de Unie van Utrecht tot stand kwam, werd in het Zuiden de welbekendeUnie van Atrechtgesloten, die, voorbereid door de agenten van Parma en den aanvoerder der Malcontenten, voorloopig Henegouwen, Artois, Rijsel, Douai en Orchies omvatte en waarbij het behoud van den katholieken godsdienst en het gezag van den koning op den voorgrond stonden.Wel trachtte de Prins nog de scheiding te voorkomen en gelukte het hem, zelfs drie dagen na het sluiten der Unie van Atrecht (6 Januari) den vrede tusschen Vlaanderen en de Malcontenten te doen teekenen, maar de verbittering van de katholieke bewoners van Artois en Henegouwen tegen de Vlaamsche Calvinisten en den Prins was te groot, dan dat de scheiding kon voorkomen worden. De woeste uitbarsting van het Calvinisme onder het Gentsche gepeupel; de onbeschaamdebuitensporigheden, in die Vlaamsche stad en elders bedreven, waren de hoofdoorzaak, dat Parma’s verleidelijke taal, om zich weder onder ’t gezag van den koning te stellen, zooveel gunstige ooren vond.Staatsman en krijgsheld tevens, verzuimde hij aan de eene zijde geen enkele gelegenheid, om door voorkomendheid en vrijgevigheid personen en gemeenten te herwinnen voor de zaak des konings, aan de andere zijde om zich met allen spoed voor te bereiden op vernieuwing van den krijg tegen Oranje en de gewesten, die zijne partij hielden.De Prins liet niet na, de weifelende streken voor de Staten-Generaal te behouden, doch de genoemde gewesten waren en bleven onherroepelijk verloren. Nog duurde het vier maanden, eer het verbond, dat voorloopig op 6 Jan. gesloten was, werd bekrachtigd. Eerst op den 17enMei 1579 werd te Atrecht het verdrag van reconciliatie door de staten van Henegouwen en Artois, door Rijsel, Douai en Orchies geteekend. Het behoud van het katholicisme en van het gezag van den koning stonden op den voorgrond; doch ook werden de Pacificatie van Gent, de 1eUnie van Brussel en het Eeuwig Edict bevestigd.In den loop van het jaar werden tal van meerdere streken en steden en niet minder edelen en grooten voor de Unie van Atrecht gewonnen. Doch reeds de aanvankelijk geslaagde verzoening met den koning, die van zijn kant handhaving der privilegiën, terugtrekking der vreemde troepen en een Prins van den bloede als landvoogd beloofde, maakte wijd en zijd grooten indruk. Zelfs verhaalt men, dat er feesten ter eere van die gebeurtenis in Parijs werden gevierd. In een der schouwburgen gaf men eenpantomime, waarin Filips een mooie makke koe op de planken bracht, die echter plotseling weerspannig werd, tegen begon te spartelen, de leidsel brak en bijna was weggeloopen. Daarna kwam Alexander Farnese op, die het gebroken touw weer trachtte samen te binden, terwijl ook de Staten-Generaal op het tooneel verscheen. Sommigen pakten de koe bij de horens of sloegen ze op den rug, terwijl anderen van voren bleven staan en om hulp riepen.De Duitsche keizer, de Fransche koning en de Engelsche koningin, die soms medelijden met de koe hadden, dan weer met haar vervolgers, waren toeschouwers. Alençon (de hertog van Anjou) liep er dapper op af en greep de koe bij haar staart. Daarop kwamen Oranje en Casimir op het tooneel met een melkemmer en trachtten haar te melken, toen Parma den halster greep en het dier triomfantelijk naar Filips terugbracht, dat met den eenen poot Casimir, met den anderen Oranje een schop gaf.Zeker eene Oranje geheel onwaardige voorstelling, alsof hij slechts de Nederlanden als eene melkgevende koe beschouwde, doch een niet onaardig verhaal in zoover als ze uitdrukking gaf aan de publieke meening in den vreemde omtrent den thans gedeeltelijk bedwongen opstand. Dat echter de koe, hoe ook gedeeltelijk getemd, voor een ander deel even weerbarstig bleef en haar doel heeft bereikt, om in beter, schooner landouwen te grazen, heeft de verdere geschiedenis der Noordelijke gewesten wel bewezen. Doch op dat oogenblik was het voor den Prins een vreeselijke slag. Hij, die in de Pacificatie van Gent als de vrijverklaringder 17 Nederlandsche gewesten, zijn levensideaal had meenen te vinden, zag in de Unie van Atrecht de vernietiging van zijn schoonsten wensch. Want al beriep zich Atrecht zoowel als Utrecht op die Pacificatie, ze had voor beider oor een geheel anderen klank. Voor den Prins was zij de uitdrukking geweest van:vrede door vrijheid, voor Parma en de zijnen zou ze zijn:vrede na nieuwen strijd tot onderdrukking.Hoe hard het Oranje dan ook viel, om van zijn ideaal te scheiden, hoe hij daarom alleen zoo lang mogelijk vertraagd had, zelf de Unie van Utrecht te onderteekenen, toch deed hij dit eindelijk op den 3enMei 1579. Ten volle was hij er niet mede ingenomen, al was ook het denkbeeld van hem afkomstig. Hij kon zelf niet ontkennen, dat die Unie den katholieken Walen moest mishagen wegens de duidelijke voorliefde van haar voorstanders, in het bijzonder van Jan van Nassau, voor het Calvinisme.Met den religievrede, zooals hij dien begeerde, stond het ook in die Unie tamelijk zwak. De Prins deed daarom in April nog een poging, om op den religievrede een generale Unie te bouwen, doch ook die poging stuitte af op de leden der Utrechtsche Unie. Zoolang hij nog kans meende te hebben op ’t welslagen van zijn onderhandelingen met Montigny e. a., trad de Prins niet openlijk tot de Unie toe. Toen het eindelijk bleek, dat de verzoening van de Waalsche gewesten met den koning zeker zou volgen, bekrachtigde ook hij de Unie van Utrecht met zijne handteekening.In den loop van 1579 en 1580 werd deze Unie nog door Friesland, Overijsel en Drente onderschreven; Rennenberg teekende in Juni 1579, doch reeds een jaar later volgde zijn schandelijke afval. Ook enkele steden in Brabant en Vlaanderen traden toe.Sedert het eind van 1578 had Parma, wiens macht zich thans over tal van gewesten uitstrekte, het plan Maastricht te belegeren. Na strooptochten door het zuidelijk gebied der Staten en den slag bij Burgerhout op 23 Februari 1579, legerde hij zich in het begin van Maart voor die veste. De inwoners toonden het vaste voornemen, den Spaanschen veldheer van hun poorten te verdrijven. De oude geschiedenis van dapperheid aan beide kanten, herhaalde zich hier; van weerszijden werden er mijnloopen gegraven en trachtten de verschillende troepen elkander in de diepte der aarde te verrassen.Parma was het rijkst aan hulpmiddelen. Hij bouwde een reeks sterke forten rondom de stad, zelfs woningen voor zijn soldaten, om hen des te langer de ongemakken van den krijg te doen verduren. Oranje had met moeite een leger van 7000 man verzameld, dat, door graaf Jan en Hohenlohe geleid, bestemd was om Maastricht te verlossen, doch reeds de eerste aanblik op die stad, welke als ’t ware Maastricht omsingelde, bewees hun, dat het een verloren spel was. Nogop 25 Juni werd er een brief van Oranje in de stad geworpen, die binnen 14 dagen hulp beloofde. Het was reeds te laat, want op den 29enJuni werd Maastricht stormenderhand genomen.Een poging van den Prins, op het congres in Keulen een wapenstilstand voor Maastricht te verkrijgen, was afgestuit op een weigering van Parma, die wel wist, dat Maastricht het niet lang meer zou uithouden. De verovering had bij verrassing plaats, toen de stad nog in diepen slaap was. Er volgde een moord met al zijn onbeschrijflijke verschrikkingen, zooals Spaansche soldaten, die 4 maanden in gevaar en nood hadden geleefd, alleen konden volvoeren. Al moge het getal van 8000 omgekomenen bij de belegering en den driedaagschen moord wat overdreven zijn, zeker is het waar, dat de helft der bevolking door het zwaard of de pest is omgekomen en dat Maastricht en omstreken voor geruimen tijd in de grootste ellende en armoede gedompeld waren. Geen wonder, dat Parma na deze groote overwinning voor de Spaansche zaak, den 3enJuli zijn zege-intocht in de arme stad hield.Het was een vreeselijke slag voor de nationale partij van het Noorden en daarbij allernoodlottigst voor den naam van den Prins, die algemeen beschuldigd werd, de stad aan haar lot te hebben overgelaten. De inwoners, zoo sprak men, hadden op hem vertrouwd. Hij had toch hulp en verlossing beloofd, indien ze het konden uithouden? Wat men na de nederlaag op de Mookerheide had gezegd, werd thans herhaald n. l. dat zijn halfheid en uitstel de ramp hadden veroorzaakt. Geen held van eenig volk ontgaat zulk een oordeel, als tegenspoed hem achtervolgt. Toch was zulk een verwijt na den val van Maastricht voor den Prins zeer moeilijk te dragen.Het waren donkere dagen voor Oranje, want behalve het verlies van deze stad moest het hem ook wel droevig stemmen, dat tal van edelen de zijde van den koning kozen. In Juli ging de jonge graaf van Egmond, die den Prins eerst zoo dapper had terzijde gestaan, tot de partij van Filips over; iets later volgden Aerschot, Schets van Grobbendonck en anderen. Heze was reeds overgegaan, Havré zou spoedig volgen ja, zelfs de oudste zoon van Oranje’s zwager, van den Berg, koos Parma’s partij.“Ik kan den Prins nu niet verlaten,” schreef graaf Jan aan zijn Dillenburgsche vrienden, “daar hij bijna door iedereen in den steek wordt gelaten behalve door mij en den stadhouder van Friesland.”Ook deze zou binnenkort afvallig worden. Rennenberg, op wien Oranje geheel had vertrouwd, begon in het najaar sterk naar de Spaansche zijde te neigen. Zelf katholiek ergerde ook hem de rumoerige beweging der Calvinisten in het Noorden, maar de doorslag gaf niet dieergernis, maar wel de belooning, welke hem werd toegezegd en ook de vrees, misschien zelf het slachtoffer te worden. In Maart had de overgang pas plaats, nadat Oranje nog door een persoonlijk bezoek had geprobeerd, hem te weerhouden.In de laatste maanden van 1579 was ook een poging in Keulen mislukt om den vrede te herstellen. Het plan was van Keizer Rudolf uitgegaan en Filips, vroeger nooit gezind zulk een congres te steunen, had ook een gezantschap gezonden.Tal van Europeesche mogendheden waren er samengekomen om de belangen der Nederlanden te bespreken. De Nederlandsche gezanten gaven niet onduidelijk te verstaan, dat, ingeval de vrede niet werd gesloten, men den koning als vervallen van zijn souvereiniteit zou beschouwen en het volk als ontheven van zijn eed van trouw. Doch wat konden onderhandelingen baten als de Spaansche koning niet toe wilde geven op het belangrijke punt van godsdienstvrijheid, hetgeen door de Staten-Generaal juist geëischt werd.De afgevaardigden van dit college vertrokken, toen het duidelijk bleek, dat men niet tot overeenstemming kon komen, maar de vertegenwoordigers van vijf gewesten bleven en het gevolg hiervan was de officieele verzoening van het Zuiden met den koning.Het is merkwaardig, dat in dien tijd toen er geen couranten waren, die uitdrukking gaven aan eene publieke meening, een land zoo spoedig onder den algemeenen indruk kon komen van de verschillende gebeurtenissen. Toch was dit zoo, want in den zomer van 1579 bestond er tegen Oranje een algemeen wantrouwen, zoo hemelsbreed verschillend van de warme gevoelens, die eenige maanden vroeger voor “Vader Willem” gekoesterd werden.“Ik kan niet genoeg zijn voorzichtigheid en gelijkmoedigheid, om zooveel zaken en zooveel beleedigingen te dragen, bewonderen. Ik geloof, dat er in de Christelijke wereld geen eminenter man bestaat,” zoo schreef Hubert Languet aan Sidney.Nergens zaten zijn vijanden stil, overal was men bezig zijn gezag te ondermijnen en we kunnen ons zoo begrijpen, dat Oranje aan de Magistraat van het woelige Gent o. a. schreef:”..... Wil daarbij bedenken, dat zij die mij zoo blameeren, vrijheid van spreken hebben, doordat ik die vrijheid door het bloed mijner familie, door mijn werkzaamheden en de opoffering van mijn geld voor hen heb gekregen. Zij zijn alleen aan mij dank schuldig, dat ze zoo vrij over mij kunnen spreken.”Men ontzag zich zelfs niet, den Prins op schandelijke wijze te belasteren. Tot in de vergadering der Staten-Generaal drong die laster door. Er kwam een bode in Antwerpen met een brief aan de Staten, zoo vol lastertaal omtrent den Prins, dat de Secretaris van den Raad, die het stuk overluid begon te lezen, maar ziende wat de bedoeling er van was, daarmee twee, drie keeren uit louter schaamte ophield. De Prins dat bemerkende, nam toen den brief zelf in zijn handen en las hem tot het einde toe aan de vergadering voor. Dat was zeker de schoonste en edelste zelfverdediging; maar blijkbaar was de bedoeling van het schrijven, Oranje in algemeen diskrediet te brengen.Was bij al dien afval, ontrouw en laster, Vlaanderen nog maar in rust gebleven, doch de Prins zei terecht van dit gewest: “Die oproeren in Vlaanderen bederven geheel onze zaken.”Nadat Oranje er de orde had hersteld bleef het er maar kort rustig; het fanatisme der Calvinisten ontwaakte echter weer en sloeg zelfs over naar Antwerpen, waar op den Hemelvaartsdag (28 Mei) een processie, die Matthias bijwoonde, aanleiding gaf tot een heftige uitbarsting van het gepeupel, waarbij twee menschengedood werden en de landvoogd zelf in levensgevaar verkeerde. Oranje slaagde er wel in, verder bloedvergieten te voorkomen, maar in een vergadering van overheidspersonen dreigde hij, het land te zullen verlaten, indien de ongeregeldheden niet konden worden gestild. De magistraat beloofde zijn best te zullen doen, indien hij hen althans niet alleen liet.De hoofdreden van deze nieuwe onlusten, welke ook in andere plaatsen, maar vooral in Gent voorkwamen, was het niet direct nakomen van de voorwaarden door de Malcontenten. Oranje werd daar weder het slachtoffer van den geloofshaat en Hembyze met Dathenus ontzagen zich niet hem openlijk en heftig te belasteren en de volkswoede om zijn verdraagzaamheid en Franschgezindheid tegen hem op te wekken. Die volksleiders riepen om Johan Casimir, dien zij als een vertrouwbaar geloofsgenoot wilden terughebben.Dathenus noemde Oranje rondweg een godloochenaar, die even gemakkelijk van zijn godsdienst als van zijn kleedingstuk veranderde. Eerst nam de Prins geen notitie van die lastertaal, maar later schreef hij in een brief aan de Gentsche burgers:“Men heeft mij verteld, dat Mr. Dathenus mij als een man zonder godsdienst of trouw, als iemand alleen door eerzucht beheerscht, heeft geteekend en dat hij ook andere dingen gezegd heeft, die hem in zijn ambt in het minst niet voegen. Ik geloof niet, dat het noodig is, daarop eenig antwoord te geven. Alleen wil ik zeggen, dat ik gaarne bereid ben, het oordeel daarover aan allen, die mij kennen, over te laten.”Nogmaals begreep Oranje, dat hij door persoonlijk bezoek iets goeds zou kunnen uitwerken. Toen hij kwam, stond Rijhove aan zijn zijde om met kracht Hembyze en Dathenus te weerstaan. Hoewel deze heeren niets ontzagen, Oranje bij het volk te belasteren en het te waarschuwen tegen de plannen van den Prins om het land aan Anjou en de Franschen over te geven, Oranje bleef hen meester. Hembyze werd uit de regeering gezet en gedwongen met Dathenus de vlucht te nemen. Ze zochten een wijkplaats bij Casimir in Duitschland, die ze onder zijn bescherming nam.Het jaar 1579 bracht dus wel nieuwe angsten en gevaren voor den Prins. Hoe weinigen zouden te midden van zooveel verraad en ontrouw, laster en afval, zijn staande gebleven! Hoevelen zouden in zulk een bangen strijd de voordeelige voorwaarden van het Congres van Keulen, die hem persoonlijk werden aangeboden, met beide handen hebben aangenomen! Niet alzoo de Zwijger. Hij verloor trots allen tegenstand zijn moed niet; zijn onwrikbaar geloof in de toekomst van het land en in die der vrijheid, hield hem staande. De Prins gevoelde die hopelooze verdeeldheid, terwijl Parma met den dag krachtiger werd; bovendien het vreeselijklot van Maastricht bedreigde ook andere steden, terwijl hierdoor bij vernieuwing dringende behoefte aan buitenlandsche hulp ontstond. Dit leidde, zooals we later zullen zien, tot de aanbieding van de souvereiniteit aan den hertog van Anjou. Vele moeilijkheden waren echter nog te overwinnen, want tegen Anjou’s candidatuur bestonden in het land groote bezwaren.De verhouding van Oranje tot Anjou heeft misschien, meer dan eenige andere daad van hem, aan de afbrekende critiek van zijn vijanden blootgestaan en niet alleen zijn tegenpartij, maar ook tal van aanhangers van den Prins hebben zijn Fransche politiek veroordeeld.Uit een openbaar gemaakte correspondentie is ten duidelijkste gebleken, dat de Staten-Generaal het werkelijk belang van het land op ’t oog hadden, toen ze met Anjou nieuwe onderhandelingen aanknoopten. Deze was na de voorloopige erkenning van Filips te Atrecht en nadat hij bemerkt had, dat de Zuid-Nederlandsche heeren niet van hem gediend waren, den 19enJanuari 1579 naar Frankrijk teruggekeerd, weinig vermoedende, dat zijn hulp zoo spoedig weer zou worden ingeroepen.Door Anjou’s gezant, die hij had achtergelaten, werden de betrekkingen met den Prins en de Staten-Generaal aangehouden. Tal van gewesten wilden niets van Anjou weten, zooals Vlaanderen en Holland, maar er was een omstandigheid, die de oppositie in 1579 wat kalmeerde. Elisabeth van Engeland, die vroeger gedreigd had haar steun te ontzeggen, indien de Nederlanden hulp bij Anjou zochten, was van politiek veranderd en wendde zelfs een huwelijk met Anjou voor. Ofschoon dit alleen een politieke kunstgreep van haar was tegenover Frankrijk en Spanje, gaf zij zóó een schijn van waarheid aan dit plan, dat men algemeen een huwelijk verwachtte. De hoop hierop was wel oorzaak, dat de antipathie tegen hem in het land verminderde, al bleef die nog zeer groot.De Prins bleef bij zijn meening, dat de aanvaarding van Anjou’s souvereiniteit het eenige middel zou zijn om den strijd tegen den koning van Spanje vol te houden. Hij gaf dit advies dan ook aan de Staten, maar liet duidelijk uitkomen, dat zij hierin moesten beslissen; de persoon van Anjou was hem onverschillig, maar als representant van Frankrijk zocht hij dezen vorst.Vooral Jan van Nassau was zeer sterk tegen Anjou. Zijn streng Calvinisme veroorzaakte, dat hij van het ontrouwe, verraderlijke Frankrijk niets goeds verwachtte. Hij stelde Franschen en Spanjaarden op één lijn. Had hij zijn eigen wil in 1579 kunnen doorzetten, dan zou Graaf Jan reeds zijn stadhouderschap van Gelderland hebben neergelegd en naar Dillenburg zijn teruggekeerd. In Juli was daar des te meer reden voor, door het overlijden van zijn echtgenoote, gravin Elisabeth, wier dood door allen, ook door zijn oude moeder Juliana, ten zeerste werd betreurd.Oranje liet echter zijn broer niet los; hij had hem te veel noodig en in het jaar van de Unie van Utrecht was hij in het Noorden de rechterhand van den Prins. Met de Fransche politiek kon broer Jan zich volstrekt niet vereenigen; er bestaat zelfs een memorandum van hem, waarin hij op de groote nadeelen van het verbond met Frankrijk wijst. Hij waarschuwt de landen daarin, zich toch nietin te laten met “dergelijke goddelooze tirannen” als Frankrijks vorsten en hij vreest, dat ze daardoor bij de nakomelingschap een slechten naam op zich laden.Het verzet van Graaf Jan was wel begrijpelijk, maar thans kon zijn plan om zonder steun de zaak tot een goed einde te brengen, nog niet verwezenlijkt worden. Na tien jaar zou men tot de erkenning komen, dat een monarchie door een op zich zelf vertrouwende republiek te vervangen was. Te midden van al den tegenstand, die Oranje in 1579 beleefde, was het begrijpelijk, dat hij in de hulp van een nieuwen souverein de kracht tot behoud meende te vinden.De Prins vond geen tijd, alle langdradige brieven en waarschuwingen van zijn broeder te beantwoorden en hij zond hem een kort bericht, waarin hij meldde, dat hij alles zorgvuldig had gelezen en den wensch tevens uitsprak, zijn broeder te spreken. Hij wilde Jan niet verliezen, maar voor dezen werd het blijven op den duur zeer moeilijk, want ook in Nassau hadden zijn kinderen groote behoefte aan hem. Toch is het waarschijnlijk, dat niet dit laatste, maar wel de afkeuring van de politiek van den Prins, de hoofdoorzaak was van het vertrek uit Nederland in 1580. Graaf Jan meende nu eenmaal, dat de zoogenaamde verdraagzaamheid van den Prins, het leenen van een oor aan den duivel was.Oranje ging op den ingeslagen weg voort en bereikte met Anjou in 1581 zijn doel.
In dezelfde maand December 1578, toen de Prins door zijn persoonlijk optreden in Gent de orde daar herstelde, was het door middel van intriges voorloopig gelukt, de Zuidelijke gewesten Artois en Henegouwen langzamerhand onder de gehoorzaamheid van den koning terug te brengen. Een tijdlang had men ook te strijden gehad tegen de Calvinistische democratie in de hoofdstad van Artois en ook Anjou telde er nog tal van aanhangers, maar zoowel de afkeer van de Gentsche Calvinistische ijveraars en de gehechtheid aan den katholieken godsdienst waren oorzaak, dat het Parma ten slotte gelukte Montigny, de leider der Waalsche Malcontenten, voor de zaak van den koning te winnen.
Den 26enDecember verliet Anjou Henegouwen en in dezelfde maand ruimde nog een ander ridder het veld in de Nederlanden. Johan Casimir had in Gent ontdekt, dat hij zich niet opgewassen voelde tegen den invloed van Oranje; teleurgesteld verliet hij het land, maar werd ook in Engeland door Elisabeth, die hem gesteund had, niet vriendelijk ontvangen.
Werd de Prins van Oranje geheel verrast door die beweging in het Zuiden, welke ten doel had zich bij Parma aan te sluiten? Met de onderwerping van Gent hoopte hij wel, dat het geheele Zuiden trouw aan de Pacificatie zou blijven, maar meer dan hoop was het ook niet en het beste bewijs, dat de Prins het dreigende gevaar van het Zuiden wel begreep, is zijn voorarbeid in 1578, die tot de Unie van Utrecht heeft geleid.
Men beweert wel, dat niet de Prins, maar zijn broer Jan dien voorarbeid heeft verricht en Oranje zelfs onwaarheid spreekt, als hij in zijn Apologie zegt, die Unie tot stand te hebben gebracht, maar dit is onjuist. Zeker, de Prins droeg aan zijn broer het voorloopige werk voor die Unie op, maar niet Jan, doch Willem was er de ontwerper van.
Reeds sinds 1576 stond Oranje zulk een confederatie voor den geest; bij het verdrag van Delft in dat jaar hadden Holland en Zeeland een Unie gesloten en in 1577 was ook Utrecht toegetreden. Al bevond Oranje zich sedert dien tijd in het Zuiden, hij had toch waarlijk zijn aandacht van het Noorden niet afgetrokken. Wat Friesland en Groningen betreft, rekende hij op den graaf van Rennenberg en ook op Drente en Overijsel meende hij staat te kunnen maken.
Gelderland zou waarschijnlijk het moeilijkst te winnen zijn voor zulk een Unie.
Met het oog daarop werd door zijn machtigen invloed op den 10enMaart 1578 door den landdag te Arnhem besloten, Graaf Jan de stadhouderlijke waardigheid over dat gewest op te dragen. Het doel, dat Oranje daarbij vooral op het oog had, was de versterking van den band tusschen de Noordelijke gewesten. Wie kon beter Oranje’s plaatsvervanger in het Noorden zijn dan broer Jan, die zoo geheel met de plannen en bedoelingen van den Prins op de hoogte was.
De Graaf ging echter niet in alles met zijn broeder mee, want hij kon zich volstrekt niet vereenigen met Oranje’s voorliefde voor Frankrijk en het was dus gelukkig, dat Anjou tijdelijk verdwenen was. Ook was er verschil van opvatting over den godsdienst; de verdraagzaamheid van Willem werd door Jan niet gedeeld, hij was veel beslister Calvinist en wilde dan pas aan het katholicisme concessies doen, wanneer daardoor alleen zijn eigen godsdienst kon beschermd worden.
Dit bleek ook al spoedig na zijn komst in Gelderland, want op allerlei wijzen bevorderde hij de Calvinistische prediking en hield daardoor zeer weinig rekening met de katholieke meerderheid van het gewest. Aan zijn ijver gaf hij zoo toe, dat hij zelfs naar Dillenburg kon schrijven, dat er in Tiel een heerlijk vreugdevuur was gemaakt van alle beelden eener kerk en dat de klokken hadden geluid totdat alles in asch was vergaan, terwijl in Nijmegen monniken waren verjaagd en ook een kerk in bezit was genomen.
De geest van de Gentsche Calvinisten woonde ook in Jan van Nassau, tengevolge waarvan hij bij de Staten van Gelderland veel verzet vond om zich bij de gewenschte Noordelijke Unie aan te sluiten. Gelderland vreesde voor het overwicht van Holland en Zeeland en de oude Geldersche adel was bang zijn invloed te verliezen. Toch bracht Jan van Nassau het zoover, dat er in September een buitengewone vergadering van Gelderland werd samengeroepen, waar ook vijf vertegenwoordigers uit Holland o.a. Oldenbarnevelt, aanwezig waren.
De heftigste tooneelen hadden daarbij plaats en veel succes had die vergadering niet. Toen nu Jan van Nassau een poos naar Duitschland was geweest, werd door Oranje het plan van de Unie weer opgevat en op den 15enNovember liet hij een generale dagvaart in Holland en Zeeland beschrijven, waar nieuwe voorstellen omtrent bepalingen der Unie werden aangenomen. Deze vielen zoo in den smaak van Utrecht en Gelderland, dat reeds in December Utrecht, Holland, Zeeland en Friesland voorloopig teekenden en de conferentie reeds den 10enJanuari te Utrecht samenkwam. Hier werd den23enJanuari 1579de Unie van Utrechtgesloten, die ook door Graaf Jan als Stadhouder van Gelderland werd geteekend.
De inhoud van deze Unie was hoofdzakelijk de volgende: De gewesten,die haar teekenden, wilden geenszins van de Generale Unie, door de Pacificatie van Gent aangenomen, scheiden, integendeel, zij hielden die in waarde, doch ze wilden zich ten eeuwigen dage tot een geheel vormen, “alsof ze maar één provincie waren,” onverminderd de bijzondere privilegiën van de gewesten en de steden. Ze beloofden elkander met goed en bloed tegen alle geweld bij te staan. De kosten van de verdediging (die in bijzonderheden werd vastgesteld) zouden eensdeels uit de domeinen, anderdeels uit belastingen gevonden worden. Daarin, zoowel als in quaesties van vrede of bestand, was eenstemmigheid noodig; in andere zaken gold de meerderheid. Kon die eenstemmigheid niet worden verkregen, dan besliste de stadhouder, “nu ter tijd wezende.”
Wat den godsdienst aanging, zouden Holland en Zeeland naar hun goeddunken handelen, terwijl de andere gewesten òf den religievrede konden aannemen òf in ’t bijzonder zulke orders konden uitvaardigen als de rust en de welvaart van dat gewest eischten.
Men ziet de hand van den Prins duidelijk in dezen arbeid. Ook het opdringen van den religievrede in gewesten, waar zulks onnoodig was, lag niet in zijn geest. Jan van Nassau, door zijn broeder ernstig onderhouden over zijn al te grooten ijver voor het Calvinisme, was door den invloed van den Prins thans ook geneigd tot die uniebepalingen. Het schoone denkbeeld van de Unie der zeven staten, alsof zij maar één provincie waren, was ongetwijfeld een gedachte van Oranje. Hoe menigmalen ook later afgestuit op het provincialisme, op den duur is die Unie toch tot stand gekomen.
Door die gedachte alleen kunnen we beweren, dat Oranje de stichter is van den Nederlandschen Staat.
Zeker, de Unie van Utrecht heeft vele schaduwzijden leeren kennen. Er waren willekeurige en dubbelzinnige bepalingen in. Maar de duidelijk sprekende punten omtrent de solidariteit tegenover den gemeenschappelijken vijand, van onderlinge aansprakelijkheid voor de kosten van den Staat, van algemeenen dienstplicht zelfs en van betrekkelijke godsdienstvrijheid zijn inderdaad den grootsten lof waard.
De geruchten, die in het Zuiden kwamen over het vormen eener afzonderlijke Unie der Noordelijke gewesten, bevorderden ook daar het streven, zich te vereenigen. In dezelfde maand Januari 1579, dat de Unie van Utrecht tot stand kwam, werd in het Zuiden de welbekendeUnie van Atrechtgesloten, die, voorbereid door de agenten van Parma en den aanvoerder der Malcontenten, voorloopig Henegouwen, Artois, Rijsel, Douai en Orchies omvatte en waarbij het behoud van den katholieken godsdienst en het gezag van den koning op den voorgrond stonden.
Wel trachtte de Prins nog de scheiding te voorkomen en gelukte het hem, zelfs drie dagen na het sluiten der Unie van Atrecht (6 Januari) den vrede tusschen Vlaanderen en de Malcontenten te doen teekenen, maar de verbittering van de katholieke bewoners van Artois en Henegouwen tegen de Vlaamsche Calvinisten en den Prins was te groot, dan dat de scheiding kon voorkomen worden. De woeste uitbarsting van het Calvinisme onder het Gentsche gepeupel; de onbeschaamdebuitensporigheden, in die Vlaamsche stad en elders bedreven, waren de hoofdoorzaak, dat Parma’s verleidelijke taal, om zich weder onder ’t gezag van den koning te stellen, zooveel gunstige ooren vond.
Staatsman en krijgsheld tevens, verzuimde hij aan de eene zijde geen enkele gelegenheid, om door voorkomendheid en vrijgevigheid personen en gemeenten te herwinnen voor de zaak des konings, aan de andere zijde om zich met allen spoed voor te bereiden op vernieuwing van den krijg tegen Oranje en de gewesten, die zijne partij hielden.
De Prins liet niet na, de weifelende streken voor de Staten-Generaal te behouden, doch de genoemde gewesten waren en bleven onherroepelijk verloren. Nog duurde het vier maanden, eer het verbond, dat voorloopig op 6 Jan. gesloten was, werd bekrachtigd. Eerst op den 17enMei 1579 werd te Atrecht het verdrag van reconciliatie door de staten van Henegouwen en Artois, door Rijsel, Douai en Orchies geteekend. Het behoud van het katholicisme en van het gezag van den koning stonden op den voorgrond; doch ook werden de Pacificatie van Gent, de 1eUnie van Brussel en het Eeuwig Edict bevestigd.
In den loop van het jaar werden tal van meerdere streken en steden en niet minder edelen en grooten voor de Unie van Atrecht gewonnen. Doch reeds de aanvankelijk geslaagde verzoening met den koning, die van zijn kant handhaving der privilegiën, terugtrekking der vreemde troepen en een Prins van den bloede als landvoogd beloofde, maakte wijd en zijd grooten indruk. Zelfs verhaalt men, dat er feesten ter eere van die gebeurtenis in Parijs werden gevierd. In een der schouwburgen gaf men eenpantomime, waarin Filips een mooie makke koe op de planken bracht, die echter plotseling weerspannig werd, tegen begon te spartelen, de leidsel brak en bijna was weggeloopen. Daarna kwam Alexander Farnese op, die het gebroken touw weer trachtte samen te binden, terwijl ook de Staten-Generaal op het tooneel verscheen. Sommigen pakten de koe bij de horens of sloegen ze op den rug, terwijl anderen van voren bleven staan en om hulp riepen.
De Duitsche keizer, de Fransche koning en de Engelsche koningin, die soms medelijden met de koe hadden, dan weer met haar vervolgers, waren toeschouwers. Alençon (de hertog van Anjou) liep er dapper op af en greep de koe bij haar staart. Daarop kwamen Oranje en Casimir op het tooneel met een melkemmer en trachtten haar te melken, toen Parma den halster greep en het dier triomfantelijk naar Filips terugbracht, dat met den eenen poot Casimir, met den anderen Oranje een schop gaf.
Zeker eene Oranje geheel onwaardige voorstelling, alsof hij slechts de Nederlanden als eene melkgevende koe beschouwde, doch een niet onaardig verhaal in zoover als ze uitdrukking gaf aan de publieke meening in den vreemde omtrent den thans gedeeltelijk bedwongen opstand. Dat echter de koe, hoe ook gedeeltelijk getemd, voor een ander deel even weerbarstig bleef en haar doel heeft bereikt, om in beter, schooner landouwen te grazen, heeft de verdere geschiedenis der Noordelijke gewesten wel bewezen. Doch op dat oogenblik was het voor den Prins een vreeselijke slag. Hij, die in de Pacificatie van Gent als de vrijverklaringder 17 Nederlandsche gewesten, zijn levensideaal had meenen te vinden, zag in de Unie van Atrecht de vernietiging van zijn schoonsten wensch. Want al beriep zich Atrecht zoowel als Utrecht op die Pacificatie, ze had voor beider oor een geheel anderen klank. Voor den Prins was zij de uitdrukking geweest van:vrede door vrijheid, voor Parma en de zijnen zou ze zijn:vrede na nieuwen strijd tot onderdrukking.
Hoe hard het Oranje dan ook viel, om van zijn ideaal te scheiden, hoe hij daarom alleen zoo lang mogelijk vertraagd had, zelf de Unie van Utrecht te onderteekenen, toch deed hij dit eindelijk op den 3enMei 1579. Ten volle was hij er niet mede ingenomen, al was ook het denkbeeld van hem afkomstig. Hij kon zelf niet ontkennen, dat die Unie den katholieken Walen moest mishagen wegens de duidelijke voorliefde van haar voorstanders, in het bijzonder van Jan van Nassau, voor het Calvinisme.
Met den religievrede, zooals hij dien begeerde, stond het ook in die Unie tamelijk zwak. De Prins deed daarom in April nog een poging, om op den religievrede een generale Unie te bouwen, doch ook die poging stuitte af op de leden der Utrechtsche Unie. Zoolang hij nog kans meende te hebben op ’t welslagen van zijn onderhandelingen met Montigny e. a., trad de Prins niet openlijk tot de Unie toe. Toen het eindelijk bleek, dat de verzoening van de Waalsche gewesten met den koning zeker zou volgen, bekrachtigde ook hij de Unie van Utrecht met zijne handteekening.
In den loop van 1579 en 1580 werd deze Unie nog door Friesland, Overijsel en Drente onderschreven; Rennenberg teekende in Juni 1579, doch reeds een jaar later volgde zijn schandelijke afval. Ook enkele steden in Brabant en Vlaanderen traden toe.
Sedert het eind van 1578 had Parma, wiens macht zich thans over tal van gewesten uitstrekte, het plan Maastricht te belegeren. Na strooptochten door het zuidelijk gebied der Staten en den slag bij Burgerhout op 23 Februari 1579, legerde hij zich in het begin van Maart voor die veste. De inwoners toonden het vaste voornemen, den Spaanschen veldheer van hun poorten te verdrijven. De oude geschiedenis van dapperheid aan beide kanten, herhaalde zich hier; van weerszijden werden er mijnloopen gegraven en trachtten de verschillende troepen elkander in de diepte der aarde te verrassen.
Parma was het rijkst aan hulpmiddelen. Hij bouwde een reeks sterke forten rondom de stad, zelfs woningen voor zijn soldaten, om hen des te langer de ongemakken van den krijg te doen verduren. Oranje had met moeite een leger van 7000 man verzameld, dat, door graaf Jan en Hohenlohe geleid, bestemd was om Maastricht te verlossen, doch reeds de eerste aanblik op die stad, welke als ’t ware Maastricht omsingelde, bewees hun, dat het een verloren spel was. Nogop 25 Juni werd er een brief van Oranje in de stad geworpen, die binnen 14 dagen hulp beloofde. Het was reeds te laat, want op den 29enJuni werd Maastricht stormenderhand genomen.
Een poging van den Prins, op het congres in Keulen een wapenstilstand voor Maastricht te verkrijgen, was afgestuit op een weigering van Parma, die wel wist, dat Maastricht het niet lang meer zou uithouden. De verovering had bij verrassing plaats, toen de stad nog in diepen slaap was. Er volgde een moord met al zijn onbeschrijflijke verschrikkingen, zooals Spaansche soldaten, die 4 maanden in gevaar en nood hadden geleefd, alleen konden volvoeren. Al moge het getal van 8000 omgekomenen bij de belegering en den driedaagschen moord wat overdreven zijn, zeker is het waar, dat de helft der bevolking door het zwaard of de pest is omgekomen en dat Maastricht en omstreken voor geruimen tijd in de grootste ellende en armoede gedompeld waren. Geen wonder, dat Parma na deze groote overwinning voor de Spaansche zaak, den 3enJuli zijn zege-intocht in de arme stad hield.
Het was een vreeselijke slag voor de nationale partij van het Noorden en daarbij allernoodlottigst voor den naam van den Prins, die algemeen beschuldigd werd, de stad aan haar lot te hebben overgelaten. De inwoners, zoo sprak men, hadden op hem vertrouwd. Hij had toch hulp en verlossing beloofd, indien ze het konden uithouden? Wat men na de nederlaag op de Mookerheide had gezegd, werd thans herhaald n. l. dat zijn halfheid en uitstel de ramp hadden veroorzaakt. Geen held van eenig volk ontgaat zulk een oordeel, als tegenspoed hem achtervolgt. Toch was zulk een verwijt na den val van Maastricht voor den Prins zeer moeilijk te dragen.
Het waren donkere dagen voor Oranje, want behalve het verlies van deze stad moest het hem ook wel droevig stemmen, dat tal van edelen de zijde van den koning kozen. In Juli ging de jonge graaf van Egmond, die den Prins eerst zoo dapper had terzijde gestaan, tot de partij van Filips over; iets later volgden Aerschot, Schets van Grobbendonck en anderen. Heze was reeds overgegaan, Havré zou spoedig volgen ja, zelfs de oudste zoon van Oranje’s zwager, van den Berg, koos Parma’s partij.
“Ik kan den Prins nu niet verlaten,” schreef graaf Jan aan zijn Dillenburgsche vrienden, “daar hij bijna door iedereen in den steek wordt gelaten behalve door mij en den stadhouder van Friesland.”
Ook deze zou binnenkort afvallig worden. Rennenberg, op wien Oranje geheel had vertrouwd, begon in het najaar sterk naar de Spaansche zijde te neigen. Zelf katholiek ergerde ook hem de rumoerige beweging der Calvinisten in het Noorden, maar de doorslag gaf niet dieergernis, maar wel de belooning, welke hem werd toegezegd en ook de vrees, misschien zelf het slachtoffer te worden. In Maart had de overgang pas plaats, nadat Oranje nog door een persoonlijk bezoek had geprobeerd, hem te weerhouden.
In de laatste maanden van 1579 was ook een poging in Keulen mislukt om den vrede te herstellen. Het plan was van Keizer Rudolf uitgegaan en Filips, vroeger nooit gezind zulk een congres te steunen, had ook een gezantschap gezonden.Tal van Europeesche mogendheden waren er samengekomen om de belangen der Nederlanden te bespreken. De Nederlandsche gezanten gaven niet onduidelijk te verstaan, dat, ingeval de vrede niet werd gesloten, men den koning als vervallen van zijn souvereiniteit zou beschouwen en het volk als ontheven van zijn eed van trouw. Doch wat konden onderhandelingen baten als de Spaansche koning niet toe wilde geven op het belangrijke punt van godsdienstvrijheid, hetgeen door de Staten-Generaal juist geëischt werd.
De afgevaardigden van dit college vertrokken, toen het duidelijk bleek, dat men niet tot overeenstemming kon komen, maar de vertegenwoordigers van vijf gewesten bleven en het gevolg hiervan was de officieele verzoening van het Zuiden met den koning.
Het is merkwaardig, dat in dien tijd toen er geen couranten waren, die uitdrukking gaven aan eene publieke meening, een land zoo spoedig onder den algemeenen indruk kon komen van de verschillende gebeurtenissen. Toch was dit zoo, want in den zomer van 1579 bestond er tegen Oranje een algemeen wantrouwen, zoo hemelsbreed verschillend van de warme gevoelens, die eenige maanden vroeger voor “Vader Willem” gekoesterd werden.
“Ik kan niet genoeg zijn voorzichtigheid en gelijkmoedigheid, om zooveel zaken en zooveel beleedigingen te dragen, bewonderen. Ik geloof, dat er in de Christelijke wereld geen eminenter man bestaat,” zoo schreef Hubert Languet aan Sidney.
Nergens zaten zijn vijanden stil, overal was men bezig zijn gezag te ondermijnen en we kunnen ons zoo begrijpen, dat Oranje aan de Magistraat van het woelige Gent o. a. schreef:
”..... Wil daarbij bedenken, dat zij die mij zoo blameeren, vrijheid van spreken hebben, doordat ik die vrijheid door het bloed mijner familie, door mijn werkzaamheden en de opoffering van mijn geld voor hen heb gekregen. Zij zijn alleen aan mij dank schuldig, dat ze zoo vrij over mij kunnen spreken.”
Men ontzag zich zelfs niet, den Prins op schandelijke wijze te belasteren. Tot in de vergadering der Staten-Generaal drong die laster door. Er kwam een bode in Antwerpen met een brief aan de Staten, zoo vol lastertaal omtrent den Prins, dat de Secretaris van den Raad, die het stuk overluid begon te lezen, maar ziende wat de bedoeling er van was, daarmee twee, drie keeren uit louter schaamte ophield. De Prins dat bemerkende, nam toen den brief zelf in zijn handen en las hem tot het einde toe aan de vergadering voor. Dat was zeker de schoonste en edelste zelfverdediging; maar blijkbaar was de bedoeling van het schrijven, Oranje in algemeen diskrediet te brengen.
Was bij al dien afval, ontrouw en laster, Vlaanderen nog maar in rust gebleven, doch de Prins zei terecht van dit gewest: “Die oproeren in Vlaanderen bederven geheel onze zaken.”
Nadat Oranje er de orde had hersteld bleef het er maar kort rustig; het fanatisme der Calvinisten ontwaakte echter weer en sloeg zelfs over naar Antwerpen, waar op den Hemelvaartsdag (28 Mei) een processie, die Matthias bijwoonde, aanleiding gaf tot een heftige uitbarsting van het gepeupel, waarbij twee menschengedood werden en de landvoogd zelf in levensgevaar verkeerde. Oranje slaagde er wel in, verder bloedvergieten te voorkomen, maar in een vergadering van overheidspersonen dreigde hij, het land te zullen verlaten, indien de ongeregeldheden niet konden worden gestild. De magistraat beloofde zijn best te zullen doen, indien hij hen althans niet alleen liet.
De hoofdreden van deze nieuwe onlusten, welke ook in andere plaatsen, maar vooral in Gent voorkwamen, was het niet direct nakomen van de voorwaarden door de Malcontenten. Oranje werd daar weder het slachtoffer van den geloofshaat en Hembyze met Dathenus ontzagen zich niet hem openlijk en heftig te belasteren en de volkswoede om zijn verdraagzaamheid en Franschgezindheid tegen hem op te wekken. Die volksleiders riepen om Johan Casimir, dien zij als een vertrouwbaar geloofsgenoot wilden terughebben.
Dathenus noemde Oranje rondweg een godloochenaar, die even gemakkelijk van zijn godsdienst als van zijn kleedingstuk veranderde. Eerst nam de Prins geen notitie van die lastertaal, maar later schreef hij in een brief aan de Gentsche burgers:
“Men heeft mij verteld, dat Mr. Dathenus mij als een man zonder godsdienst of trouw, als iemand alleen door eerzucht beheerscht, heeft geteekend en dat hij ook andere dingen gezegd heeft, die hem in zijn ambt in het minst niet voegen. Ik geloof niet, dat het noodig is, daarop eenig antwoord te geven. Alleen wil ik zeggen, dat ik gaarne bereid ben, het oordeel daarover aan allen, die mij kennen, over te laten.”
Nogmaals begreep Oranje, dat hij door persoonlijk bezoek iets goeds zou kunnen uitwerken. Toen hij kwam, stond Rijhove aan zijn zijde om met kracht Hembyze en Dathenus te weerstaan. Hoewel deze heeren niets ontzagen, Oranje bij het volk te belasteren en het te waarschuwen tegen de plannen van den Prins om het land aan Anjou en de Franschen over te geven, Oranje bleef hen meester. Hembyze werd uit de regeering gezet en gedwongen met Dathenus de vlucht te nemen. Ze zochten een wijkplaats bij Casimir in Duitschland, die ze onder zijn bescherming nam.
Het jaar 1579 bracht dus wel nieuwe angsten en gevaren voor den Prins. Hoe weinigen zouden te midden van zooveel verraad en ontrouw, laster en afval, zijn staande gebleven! Hoevelen zouden in zulk een bangen strijd de voordeelige voorwaarden van het Congres van Keulen, die hem persoonlijk werden aangeboden, met beide handen hebben aangenomen! Niet alzoo de Zwijger. Hij verloor trots allen tegenstand zijn moed niet; zijn onwrikbaar geloof in de toekomst van het land en in die der vrijheid, hield hem staande. De Prins gevoelde die hopelooze verdeeldheid, terwijl Parma met den dag krachtiger werd; bovendien het vreeselijklot van Maastricht bedreigde ook andere steden, terwijl hierdoor bij vernieuwing dringende behoefte aan buitenlandsche hulp ontstond. Dit leidde, zooals we later zullen zien, tot de aanbieding van de souvereiniteit aan den hertog van Anjou. Vele moeilijkheden waren echter nog te overwinnen, want tegen Anjou’s candidatuur bestonden in het land groote bezwaren.
De verhouding van Oranje tot Anjou heeft misschien, meer dan eenige andere daad van hem, aan de afbrekende critiek van zijn vijanden blootgestaan en niet alleen zijn tegenpartij, maar ook tal van aanhangers van den Prins hebben zijn Fransche politiek veroordeeld.
Uit een openbaar gemaakte correspondentie is ten duidelijkste gebleken, dat de Staten-Generaal het werkelijk belang van het land op ’t oog hadden, toen ze met Anjou nieuwe onderhandelingen aanknoopten. Deze was na de voorloopige erkenning van Filips te Atrecht en nadat hij bemerkt had, dat de Zuid-Nederlandsche heeren niet van hem gediend waren, den 19enJanuari 1579 naar Frankrijk teruggekeerd, weinig vermoedende, dat zijn hulp zoo spoedig weer zou worden ingeroepen.
Door Anjou’s gezant, die hij had achtergelaten, werden de betrekkingen met den Prins en de Staten-Generaal aangehouden. Tal van gewesten wilden niets van Anjou weten, zooals Vlaanderen en Holland, maar er was een omstandigheid, die de oppositie in 1579 wat kalmeerde. Elisabeth van Engeland, die vroeger gedreigd had haar steun te ontzeggen, indien de Nederlanden hulp bij Anjou zochten, was van politiek veranderd en wendde zelfs een huwelijk met Anjou voor. Ofschoon dit alleen een politieke kunstgreep van haar was tegenover Frankrijk en Spanje, gaf zij zóó een schijn van waarheid aan dit plan, dat men algemeen een huwelijk verwachtte. De hoop hierop was wel oorzaak, dat de antipathie tegen hem in het land verminderde, al bleef die nog zeer groot.
De Prins bleef bij zijn meening, dat de aanvaarding van Anjou’s souvereiniteit het eenige middel zou zijn om den strijd tegen den koning van Spanje vol te houden. Hij gaf dit advies dan ook aan de Staten, maar liet duidelijk uitkomen, dat zij hierin moesten beslissen; de persoon van Anjou was hem onverschillig, maar als representant van Frankrijk zocht hij dezen vorst.
Vooral Jan van Nassau was zeer sterk tegen Anjou. Zijn streng Calvinisme veroorzaakte, dat hij van het ontrouwe, verraderlijke Frankrijk niets goeds verwachtte. Hij stelde Franschen en Spanjaarden op één lijn. Had hij zijn eigen wil in 1579 kunnen doorzetten, dan zou Graaf Jan reeds zijn stadhouderschap van Gelderland hebben neergelegd en naar Dillenburg zijn teruggekeerd. In Juli was daar des te meer reden voor, door het overlijden van zijn echtgenoote, gravin Elisabeth, wier dood door allen, ook door zijn oude moeder Juliana, ten zeerste werd betreurd.
Oranje liet echter zijn broer niet los; hij had hem te veel noodig en in het jaar van de Unie van Utrecht was hij in het Noorden de rechterhand van den Prins. Met de Fransche politiek kon broer Jan zich volstrekt niet vereenigen; er bestaat zelfs een memorandum van hem, waarin hij op de groote nadeelen van het verbond met Frankrijk wijst. Hij waarschuwt de landen daarin, zich toch nietin te laten met “dergelijke goddelooze tirannen” als Frankrijks vorsten en hij vreest, dat ze daardoor bij de nakomelingschap een slechten naam op zich laden.
Het verzet van Graaf Jan was wel begrijpelijk, maar thans kon zijn plan om zonder steun de zaak tot een goed einde te brengen, nog niet verwezenlijkt worden. Na tien jaar zou men tot de erkenning komen, dat een monarchie door een op zich zelf vertrouwende republiek te vervangen was. Te midden van al den tegenstand, die Oranje in 1579 beleefde, was het begrijpelijk, dat hij in de hulp van een nieuwen souverein de kracht tot behoud meende te vinden.
De Prins vond geen tijd, alle langdradige brieven en waarschuwingen van zijn broeder te beantwoorden en hij zond hem een kort bericht, waarin hij meldde, dat hij alles zorgvuldig had gelezen en den wensch tevens uitsprak, zijn broeder te spreken. Hij wilde Jan niet verliezen, maar voor dezen werd het blijven op den duur zeer moeilijk, want ook in Nassau hadden zijn kinderen groote behoefte aan hem. Toch is het waarschijnlijk, dat niet dit laatste, maar wel de afkeuring van de politiek van den Prins, de hoofdoorzaak was van het vertrek uit Nederland in 1580. Graaf Jan meende nu eenmaal, dat de zoogenaamde verdraagzaamheid van den Prins, het leenen van een oor aan den duivel was.
Oranje ging op den ingeslagen weg voort en bereikte met Anjou in 1581 zijn doel.
Hoofdstuk XXVIII.Anjou. Juliana’s dood. Afzwering van Filips II. 1580–1581.Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal hield, was die op den 9enJanuari 1580 wel de meest merkwaardige, die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef, zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. “Voor alle dingen,” zegt hij, “moeten wij vaststellen of wij den vrede of den oorlog willen,” en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres te Keulen, vervolgt hij: “Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó’n vijand is van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten, dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel, om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen.”“Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land; ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen, niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen, mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid van mijn leven,dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb, hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom, Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden.”Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen, om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning gevonden!Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten; maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht; dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet, want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon, als de nood het eischte.“In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt zulk een oppersten raad, die kan bevelen.” In bijzonderheden wijst de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:“Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met u te leven en te sterven.”Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:“Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter zijde stellen. De gedeputeerden handelen alsadvocaten, die door de gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers, wien de publieke zaken zijn toevertrouwd.”Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou’s hulp in te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld, waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan, de anderen stelden uit of weigerden.De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau’s te Breda werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1enFebruari ging Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der koningsgezinden in Groningen en op den 3enMaart, na vermeestering der stad, tot Parma overging.Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.“Op den avond van den 3enMaart 1580,” zoo verhaalt Motley, “had de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand, den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand enriep uit: “Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer, mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in mij en heb geen vrees.”Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht, terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:“Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en Stadhouder.”Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers, leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de voeten van den Stadhouder—van den man die hem weinige uren te voren de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg door ijver in ’s konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om, wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond, die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten is geëindigd.Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij daarbij ook mocht ondervinden.Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was het gelukkig,dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix, die tengevolge van Anjou’s vroegere vriendschappelijke verhouding tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen prins werd verdedigd.In Holland belegde Oranje een zoogenaamde “Groote Vergadering,” waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen, daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek, waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou onderhandelen.Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk te bespeuren. Toen Oranje den 7enApril den Haag verliet en naar Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was, zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen, tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord waren zijn deel.“De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil borgen, vóór hij betaald is,” schreef de graaf in November en met den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven stond: “De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak ’s avonds zonder eten naar bed moeten gaan.”Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden, waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan scheen heteens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche spreekwoord op zich toe: “zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een.”Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van Stolberg overleden.De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van LouiseJulianaen de gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg, was een geschenk van Charlotte.Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot: “Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen.”Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt ze de hoop uit, dat God ten slotte eengoedenvrede zal geven.Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen, niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren, welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen, dan dien schat te verliezen.Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: “het Eeuwige meer te achten dan het tijdelijke.”“De dood sluipt mij zachtkens achterna,” heet het in een harer laatste brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18enJuni 1580 overleed zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij haar heengaan tegenwoordig. Den 22enJuni had de begrafenis plaats en thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden grafmonument van de stammoeder onzer Oranje’s vinden.Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en zijne medestrijders.Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar, ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de Nassau’s heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen, maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan om ze niet meer te zien wederkeeren.Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein, vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar, evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou slechts een naam zou zijn.Den 19enSeptember kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd,het verdrag van Plessis-les-Tourstot stand, waarbij de vierde zoon van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige redelijke grond voor het verdrag zijn.JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd van Filips II was opgetreden.Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst, daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22enJuli 1581 was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over Holland en Zeeland nader aangeboden enden 26enJuli werd in den Haag de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel de gehoorzaamheid aan Filips II op.In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract, gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van George III uitspreken.De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van de ”Joyeuse entrée” van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende, op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder, dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk, waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16eeeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja, hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid had geschonken.
Van de vele redevoeringen, welke de Prins tot de Staten-Generaal hield, was die op den 9enJanuari 1580 wel de meest merkwaardige, die wederom een nieuw bewijs is zoowel van zijn edel en grootmoedig hart, als van zijn diep doorzicht in de zaken van het land. Hij wilde voor het uiteengaan van de leden, die weken lang vruchteloos waren samen geweest, hen nog eens met ernst op hun verplichtingen wijzen in deze moeilijke dagen van de wording van den nieuwen Staat. Hun besluiteloosheid kende hij maar al te goed en zoolang dit zoo bleef, zou de ondergang van het land niet kunnen voorkomen worden. “Voor alle dingen,” zegt hij, “moeten wij vaststellen of wij den vrede of den oorlog willen,” en zinspelend op de aanbiedingen van het Congres te Keulen, vervolgt hij: “Als ik spreek van vrede, dan wil ik niet in algemeene termen praten. Want wie bestaat er, die zóó’n vijand is van zichzelf, zijne vrouw, zijne kinderen en wat nog meer zegt, van zijn land, die niet uit zijn volle hart den vrede verlangt, waardoor hij rustig en kalm zijn leven kan doorbrengen, het goede genieten, dat God hem heeft gegeven en God dienen naar zijn geweten? Maar ik spreek van den vrede, gelijk hij ons is aangeboden; want het is ijdel, om in het algemeen over den vrede te praten, als men de bijzondere omstandigheden niet in aanmerking neemt, die in de tractaten op den voorgrond worden geplaatst, om tot den vrede te komen.”
“Ik wil niet van mij zelf spreken, Mijne Heeren; nooit heb ik mijn eigen belang gezocht, maar alleen de welvaart van het land; ik ken wel de valsche lasteringen, die op mij worden geworpen, niet door mijn vijanden alleen, maar ook door hen, die zeggen, mijne vrienden te zijn. Toch trek ik mij die op geenerlei wijze aan en ik wil dergelijke leugens niet bestrijden dan door de waarheid van mijn leven,dat ik aan den dienst van het algemeen gewijd heb, hetgeen ik hoop, dat God mij zal doen blijven najagen, zoolang ik leef. Want daardoor zal ik aan de nakomelingschap de oprechtheid en zuiverheid van al mijn bedoelingen doen kennen. Ik verzoek u daarom, Mijne Heeren, acht te geven op hetgeen ik u voorstel en op hetgeen ik u zeg en bevestig, hetgeen zoo dringend noodzakelijk is, dat ik zonder dat geen ander middel zie om het land, dat tot heden onder zooveel bezwaren door Gods hulp is bewaard, te kunnen redden.”
Wie zich den inhoud van het vorig hoofdstuk te binnen brengt, zal dien toon niet ten volle verstaan? Alles scheen in 1579 samen te spannen, om den arbeid, dien Oranje verricht had, te vernietigen. Had hij te midden van zooveel angsten en tegenspoed nu maar van het eerste lichaam van den Staat, waarmede hij moest regeeren, krachtige ondersteuning gevonden!
Het ontbrak hem daarin niet aan talrijke vrienden en geestverwanten; maar wel verre, dat deze zich als één man rondom den Prins zouden geschaard hebben, waren er allerlei hindernissen, die hen tot geene daden brachten en die hen zelfs in dien benarden toestand tot besluiteloosheid doemden. Het was hetzelfde gebrek, dat ook later tijdens het bestuur der Republiek zooveel onheil teweegbracht; dezelfde leemten in de staatsinrichting, die vaak in de beste dagen van die Republiek tot zooveel uitstel, oneenigheid en daarom tot werkeloosheid leidden, ze openbaarden zich met al haar jammerlijke gevolgen reeds te midden van de wording van den Nederlandschen Staat.
Zoo ooit dan was in 1579 snel, krachtig, doortastend handelen noodzakelijk, en dit konden de leden der Staten-Generaal niet, want ze waren veel te afhankelijk. Het ontbrak eenvoudig aan een centrale macht; steeds moesten de verschillende gewesten en steden bij vernieuwing geraadpleegd worden over alles, wat men wilde besluiten.
De Prins zag zeer goed dat gebrek in; toen hij in Holland en Zeeland optrad, had hij met hetzelfde te strijden gehad. Er was een centrale macht noodig, een hoogste college, dat onmiddellijk besluiten kon, als de nood het eischte.
“In onzen gedesorganiseerden toestand is het geen wonder, dat wij slechts een stad (Maastricht), wel wonder, dat we niet reeds meerdere steden verloren hebben. We moeten een organisatie en een centrale macht hebben, Mijne Heeren, die beslissen en gehoorzaamheid eischen kan. Nu komt iedereen, die in nood is, tot mij, alsof ik alles in mijn hand heb, terwijl ik weet, hoe volkomen machteloos ik ben om te handelen. Zoowel de militaire als de financieele toestand eischt zulk een oppersten raad, die kan bevelen.” In bijzonderheden wijst de Prins dit verder aan en dan eindigt hij met te zeggen:
“Gaat dan heen naar uwe gewesten en steden en doet ze verstaan als dringend noodzakelijk, wat ik u op het hart heb gedrukt. Ik bid u daarbij, te gelooven, dat dit geen redevoering is, die ik tot u gehouden heb, maar alleen een waarschuwing die, als ze niet wordt opgevolgd, den ondergang van het land ten gevolge hebben zal.... Indien uwe heeren en meesters een goed besluit nemen, dan hoop ik met Gods hulp, dat het land zal gespaard worden; en vast ben ik besloten met u te leven en te sterven.”
Hoe goed zag Oranje de gebreken van de Staten-Generaal in, wanneer wij hem hooren in den brief aan de vier leden van Vlaanderen:
“Kiest bovenal vertegenwoordigers, die hart voor de zaak van het vaderland hebben en die bijzondere en partijdige belangen kunnen ter zijde stellen. De gedeputeerden handelen alsadvocaten, die door de gewesten of steden zijn aangesteld om op hun individueele eischen aan te dringen en hun lokale belangen te beschermen, in plaats van samen over het algemeen welzijn te beraadslagen als raadgevers, wien de publieke zaken zijn toevertrouwd.”
Noch in de redevoering van den Prins, noch in den brief aan de vier leden van Vlaanderen wordt gesproken van het plan, Anjou’s hulp in te roepen. Dit onderwerp was echter dikwijls in de vergaderingen der Staten-Generaal besproken en Oranje had zelfs een memorie opgesteld, waarin de voordeelen van de erkenning van Anjou boven den koning werden opgesomd. Ten slotte werd een ontwerp gemaakt, waaraan ook Oranje zijn goedkeuring had gehecht. De macht van Anjou werd daarin zeer beperkt. Hij zou zijn onafhankelijkheid van Frankrijk zoowel als de privilegiën moeten handhaven; den godsdienstvrede en de Uniën erkennen, terwijl zijn macht op financieel en militair gebied zeer zou begrensd zijn. Buitendien zouden de Staten-Generaal volkomen vrijheid van vergaderen hebben, terwijl Anjou ze minstens eens per jaar moest bijeenroepen. Het duurde nog geruimen tijd, eer de gewesten dat ontwerp hadden goedgekeurd; alleen Vlaanderen nam het onmiddellijk aan, de anderen stelden uit of weigerden.
De Prins ging zelf in het eind van Januari naar Holland, waarheen Matthias hem vergezelde. In het oude paleis der Nassau’s te Breda werden eerst eenige dagen doorgebracht en op den 1enFebruari ging Oranje naar den Haag, waar hij nog denzelfden dag aankwam. In drie jaar tijds had hij Holland niet gezien. De hoofdbedoeling van zijn tocht was, dit gewest persoonlijk te overreden, de souvereiniteit van Anjou te aanvaarden. Met groote hartelijkheid werd de Prins in Holland ontvangen en dat hem dit goed deed na al het wantrouwen in den laatsten tijd in Brabant ondervonden, kunnen wij ons voorstellen.
Terwijl Oranje daar was trof hem echter een zeer ernstig verlies door het verraad van Rennenberg, die zich aan het hoofd stelde der koningsgezinden in Groningen en op den 3enMaart, na vermeestering der stad, tot Parma overging.
Door onderschepte brieven was het den Prins duidelijk geworden, dat er aan de plannen van Rennenberg niet te twijfelen viel; hij wilde zich in dienst van den koning stellen, zoodat men het noodig achtte dat Oranje met hem een onderhoud zou hebben. Rennenberg, die daar heel begrijpelijk niet op gesteld was, begreep, dat hij terstond moest handelen, wilde hij zijn plan niet zien mislukken.
“Op den avond van den 3enMaart 1580,” zoo verhaalt Motley, “had de graaf de aanzienlijkste families der stad op een bal en banket genoodigd. Aan den disch vroeg de eerste burgemeester, Hildebrand, den gastheer op den man af, wat er van de lasterlijke geruchten waar was, die in omloop waren; hij hoopte, zei hij, dat het niet zoo zou zijn en het alleen uitstrooisels van zijn vijanden waren. Alzoo ter verantwoording geroepen, vatte Rennenberg den burgemeester bij de hand enriep uit: “Wel, vader! hoe kunt gij, dien ik als een vader eer, mij van zulk een boos stuk verdenken? Ik bid u, stel vertrouwen in mij en heb geen vrees.”
Zoo stelde hij den burgemeester en de overige gasten gerust. Het banket en het dansen ging zijn gang, terwijl Rennenberg den aanslag regelde.
Nog dienzelfden nacht werden de voornaamste aanhangers der staatspartij uit hun bed opgelicht en naar de gevangenis gebracht, terwijl de geheime aanhangers van Rennenberg gewaarschuwd waren. Voor dag en dauw stoven schuitenvoerders en ander gespuis, welgewapend het marktplein op; zij droegen fakkels en vaandels en brachten de stille stad met hun getier in rep en roer. De plaats werd bezet, voor het stadhuis geschut geplant om de voornaamste straten te bestrijken en op verschillende punten werden verschansingen opgeworpen.
Nauwelijks was de dag aangebroken, of Rennenberg reed in volle wapenrusting het marktplein op, terwijl men merkte, dat hij zoo akelig bleek zag. Door dertig ruiters gevolgd, die evenals hij van top tot teen gewapend waren, riep hij de verzamelde menigte toe:
“Staat bij, staat bij, goede burgers! nu ben ik eerst uw Heer en Stadhouder.”
Terwijl hij sprak, baanden zich eenigen der aanzienlijkste burgers, leden van den Raad, een weg door het gedrang en spraken de menigte op een toon van gezag toe om zoo het oproer te dempen. Een van Rennenbergs ruiters loste zijn karabijn op den voorsten der heeren, die niemand anders was dan burgemeester Hildebrand. Hij viel dood neder aan de voeten van den Stadhouder—van den man die hem weinige uren te voren de hand had gedrukt, hem vader genoemd en gesmeekt had, geen argwaan tegen hem te koesteren. De dood van dien aanzienlijken man bracht heel wat ontsteltenis teweeg. Rennenberg sprak zijn aanhangers toe en spoorde hen aan om wat zij vroeger misdaan hadden in het vervolg door ijver in ’s konings dienst weder goed te maken. Eenige dagen later werd de stad weder plechtig aan den koning onderworpen, maar zoo overhaast was de graaf te werk gegaan, dat hij niet in staat was om, wat hij gehoopt had, ook de provincie mee te sleepen.
Ook Rennenberg dus ontrouw aan de goede zaak! Het was een groot verlies, vooral ook, omdat het gevaarlijk was voor het gezag in het Noorden, want in die gewesten bestond een sterke beweging ten gunste van den koning van Spanje en het katholiek geloof. Het gevolg hiervan was, dat in het Noorden een langdurige oorlogstoestand ontstond, die pas met de Reductie van Groningen in 1594 ten gunste der Staten is geëindigd.
Inmiddels was Oranje in Holland gebleven en tal van steden, in het bijzonder Amsterdam, hadden hem geestdriftig ontvangen. Gedurende die reis bleef Charlotte in Antwerpen en handelde als plaatsvervangster van haar afwezigen gemaal. De Prins had bevolen, dat alle papieren aan haar getoond zouden worden, voor ze verder verzonden werden. Hij had een te zware taak in het Noorden te vervullen, om reeds zoo spoedig naar Antwerpen terug te keeren, te meer, omdat hij zich vast had voorgenomen, zijn doel met Anjou te bereiken, welken tegenstand hij daarbij ook mocht ondervinden.
Bij de vele tegenwerking, die hij daarbij van alle zijden had, was het gelukkig,dat hij in dat plan krachtig gesteund werd door Marnix, die tengevolge van Anjou’s vroegere vriendschappelijke verhouding tusschen de Hugenoten, zeer met hem was ingenomen. Hij schreef zelfs op verzoek van Oranje een geschrift, waarin de zaak van den Franschen prins werd verdedigd.
In Holland belegde Oranje een zoogenaamde “Groote Vergadering,” waarin ook de kleine steden vertegenwoordigd waren. In die vergadering wilde men de stelling handhaven, die men in 1576 had ingenomen. In de practijk hadden ze reeds toen de gehoorzaamheid aan Filips opgezegd; nu waren ze bereid zelfs zijn naam uit hun staatsstukken te verwijderen, maar in plaats daarvan die van Anjou te stellen, daartoe konden ze niet overgaan. Ze verklaarden het gezag alleen aan Oranje te willen toekennen. Merkwaardig, dat de Prins in de streek, waar zijn persoonlijke invloed het sterkst was, in deze gewichtige aangelegenheid zoo weinig kon uitwerken. Het was als met de erkenning van Matthias, waarin Holland Oranje ook niet gevolgd had.
De Staten besloten ten slotte, dat de namen van hen en van Oranje aan het hoofd van alle stukken zouden geplaatst worden; ze wilden hem zelfs den titel van graaf van Holland geven. Deze besluiten bleven echter geheim en alleen op voorwaarde dat Anjou deze beperking van souvereiniteit zou toestaan, mocht de Prins verder met Anjou onderhandelen.
Ook de andere gewesten toonden zich niet begeerig den Franschen prins te erkennen en de invloed van Jan van Nassau was daar duidelijk te bespeuren. Toen Oranje den 7enApril den Haag verliet en naar Antwerpen terugkeerde, bleef hij er bij, dat het noodzakelijk was, zijn wil ten opzichte van Anjou, te doen zegevieren.
Jan van Nassau vertrok in den loop van den zomer ook uit het land. We zagen reeds, dat niet alleen familieomstandigheden hem noopten dit besluit te nemen; zijn kinderen hadden zeker een groote behoefte aan zijn terugkeer, terwijl hij tevens een tweede huwelijk wilde sluiten met Kunigonde, dochter van den keurvorst van de Paltz. Toch was dit niet de hoofdreden van zijn vertrek. Hij kon het nu eenmaal niet eens worden met de plannen van zijn broer; het verbond met Frankrijk vond hij verschrikkelijk en in de Unie had hij zoo weinig vertrouwen, dat een directeurschap van die Unie hem ook niet toelachte. Bovendien was zijn positie in Gelderland allesbehalve te benijden, want wantrouwen, tegenwerking, ja zelfs armoede in den letterlijken zin van het woord waren zijn deel.
“De bakker heeft laten weten, dat hij na morgen geen brood meer wil borgen, vóór hij betaald is,” schreef de graaf in November en met den slager scheen het niet beter gesteld, want in datzelfde schrijven stond: “De kok heeft dikwijls geen vleesch om te braden, zoodat we vaak ’s avonds zonder eten naar bed moeten gaan.”
Het is licht te begrijpen, dat zijn vertrek voor den Prins een groot verlies was. Toen Oranje en Charlotte hem bij zijn huwelijk hartelijke brieven zonden, konden ze niet nalaten, de hoop uit te spreken, dat zijn vertrek uit de Nederlanden slechts tijdelijk zou zijn, maar de graaf wilde zich niet langer met de troebelen der Nederlanden inlaten. Ook het pak pamfletten door den Prins aan Jan gezonden, waarmede hij zijn terugkeer wilde bewerken, baatte niet. Graaf Jan scheen heteens te wezen met Johan Casimir, die hem in een brief gelukwenschte, uit dien chaos weg te zijn.
De Prins bleef alleen en voelde zich wel verlaten, want in een brief aan zijn vriend Lazarus de Schwendi paste hij het oude latijnsche spreekwoord op zich toe: “zoolang gij gelukkig zult zijn, zult gij vele vrienden hebben; worden de tijden donker, dan is er niet een.”
Toen Jan van Nassau in Dillenburg terugkeerde, was Juliana van Stolberg overleden.
De laatste jaren van haar leven had ze tenminste het voorrecht gehad haar zoon Willem gelukkig gehuwd te zien, hetgeen voor de oude moeder een groote troost moet geweest zijn. We zagen reeds hoe bijzonder Juliana zich over de verbintenis van haar zoon met Charlotte van Bourbon had verheugd en ook hoe deze het hart van haar schoonmoeder wist te winnen. Ofschoon de verschillende taal wel een beletsel was voor een gemakkelijken omgang, bewezen tal van vriendelijke attenties hoe hartelijk de verhouding dier beide vrouwen was. Het in 1576 geboren kind kreeg ook den naam van LouiseJulianaen de gouden armband, die Juliana van Stolberg in de laatste dagen droeg, was een geschenk van Charlotte.
Hoe eenzaam haar laatste levensjaren ook waren, aan hartelijke belangstelling in den grooten krijg in de Nederlanden ontbrak het haar nooit. Nog in 1577 schrijft ze van uit Siegen aan den Prins, dat hij toch nooit een vrede ten koste van het geweten moet sluiten. Wat verlangt ze in die dagen naar bericht en hoor haar waarschuwend woord, wanneer ze den Prins voor oogen houdt, dat de Satan zich in een schapenvacht hult om binnenkort als een verscheurende wolf te voorschijn te komen, waardoor vele vrome Christenen in groote treurigheid zullen worden gebracht. En dan haar vermaning aan het slot: “Het is beter het tijdelijke dan het eeuwige te verliezen.”
Voortdurend houden de verwanten van Juliana haar op de hoogte van wat er in de Nederlanden voorvalt. Als ze in 1579 verneemt, hoe de pogingen tot het sluiten van een algemeenen vrede weder zijn mislukt, daar van Spanje geen gewetensvrijheid is te verkrijgen en ze bovendien hoort spreken over de krasse maatregelen, die men zal nemen, dan schrikt de oude, beproefde vrouw wederom op en schrijft vol droefheid in haar hart aan Jan van Nassau. In dezen brief, eenige maanden voor haar dood geschreven, vraagt ze dringend om nadere berichten, en spreekt ze de hoop uit, dat God ten slotte eengoedenvrede zal geven.
Hoe heerlijk voor haar, kort voor haar heengaan nog uit een brief van den Prins te hooren, dat trots alle verleidelijke aanbiedingen, niemand in de Nederlanden er over denkt een vrede te begeeren, welke tegen God zou strijden, ze zullen er eerder alles aan wagen, dan dien schat te verliezen.
Welk eene troostwoorden in haar laatste levensdagen!
Geen vrede zonder gewetensvrijheid, dat had ze haar zonen steeds voorgehouden en ze kon nu gerust haar hoofd ter neer leggen, verzekerd als ze was, dat haar kinderen, die daar ginds den grooten strijd volhielden, aan haar hoofdbeginsel trouw bleven: “het Eeuwige meer te achten dan het tijdelijke.”
“De dood sluipt mij zachtkens achterna,” heet het in een harer laatste brieven; haar voorgevoel bedroog haar niet. Den 18enJuni 1580 overleed zij; van al haar verwanten was alleen Graaf Ernst van Schauenburg bij haar heengaan tegenwoordig. Den 22enJuni had de begrafenis plaats en thans kan men nog altijd in de Dillenburger kerk het goed onderhouden grafmonument van de stammoeder onzer Oranje’s vinden.
Een merkwaardige figuur verdween met Juliana van Stolberg. Wat zij voor ons volk is geweest van uit haar Dillenburger kasteel, kan niet genoeg door ons worden gewaardeerd. Onze strijd in de bange jaren van den krijg tegen Spanje was de hare en niet ten onrechte wordt zij wel de priesteres genoemd van den bevrijder der Nederlanden en zijne medestrijders.
Zij zag in den strijd van haar zoon de bevrijding van de Evangelische geloofsgenooten van den gewetensdwang en de mogelijkheid van vrije Evangelische prediking. Daarvoor offert ze haar zonen, drie ontvallen haar bij Heiligerlee en Mook, twee anderen blijven in groot gevaar, ver van haar verwijderd, maar daarover klaagt de arme moeder niet. Zoo terecht heeft men gezegd, dat zij zeker wel het meest van al de Nassau’s heeft geleden, zij, die niet in de Nederlanden is gekomen, maar daar van uit haar Dillenburger kasteel al haar zonen zag heengaan om ze niet meer te zien wederkeeren.
Parma had in die dagen meer succes. Niet alleen was Rennenbergs verraad een buitenkansje voor hem, maar ook in het Zuiden won hij terrein, vooral na het gevangen nemen van den ijverigen Hugenoot La Noue.
Dit alles prikkelde Oranje tot beëindiging van de onderhandelingen met Anjou, want daarna rekende hij stellig op Fransche hulp. Hij wist het ten slotte zoover te brengen, dat de Staten-Generaal in Augustus besloten, een deputatie naar Anjou te zenden, die daar reeds geruimen tijd te Plessis bij Tours op had gewacht. Aan het hoofd daarvan stond Marnix; verder twee Vlamingen, twee Brabanders en twee uit het Noorden. Brabant en Vlaanderen zouden onmiddellijk onder Anjou staan, Holland en Zeeland onder den Prins, terwijl daar, evenals in de rest der Noordelijke Unie, de souvereiniteit van Anjou slechts een naam zou zijn.
Den 19enSeptember kwam, na tal van bezwaren, door Anjou geopperd,het verdrag van Plessis-les-Tourstot stand, waarbij de vierde zoon van Catharina de Medicis de souvereiniteit over de Nederlanden ontving.
Oranje had dus zijn doel bereikt! Thans zouden de resultaten moeten worden afgewacht, want de toegezegde hulp van Frankrijk kon de eenige redelijke grond voor het verdrag zijn.
JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.
JULIANA, Gravin van Stolberg en Wernigerode.
Was de positie van Matthias tot heden weinig eervol geweest, thans kon men hem in het geheel niet meer gebruiken. Hij had als hoofd gefigureerd, maar nu men in 1581 de souvereiniteit aan Anjou had opgedragen, verviel het ambt van Matthias, die juist als landvoogd van Filips II was opgetreden.
Toen Marnix uit Frankrijk teruggekomen was met de aldaar geteekende overeenkomsten, werd de afzwering van den koning van Spanje een allereerste eisch voor den nieuwen Staat. De Staten-Generaal hadden reeds te voren hun zittingen van Antwerpen naar Amsterdam verplaatst, daar men zich in het Zuiden niet meer veilig achtte. Den 22enJuli 1581 was door de Staten van Holland aan den Prins de souvereiniteit over Holland en Zeeland nader aangeboden enden 26enJuli werd in den Haag de vervallenverklaring van den koning van Spanje plechtig uitgesproken.
De Generale Staten, uit die van Brabant, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Mechelen zeiden formeel de gehoorzaamheid aan Filips II op.
In de wereldgeschiedenis is dit document, waarin de banden verscheurd werden tusschen den autocratischen Spaanschen koning en zijn onbevredigde onderdanen, hoogst merkwaardig. Het contract, gesloten tusschen den regeerder en zijn volk, was door den eersten verbroken, daar hij zijn verplichtingen niet had opgevolgd; daarom was de andere contracteerende partij niet langer gehouden aan haar verplichting tegenover hem en dus de afzwering van den koning voldoende gerechtvaardigd. Een groote zestig jaar later zou het Engelsche Parlement dit tegenover Karel I herhalen en twee eeuwen daarna liet het Amerikaansche Congres eveneens de wettige onafhankelijkheid van George III uitspreken.
De afzwering van Filips II is als een daad van de hoogste eerloosheid beschouwd, en bovenal van de zijde der Ultramontaansche geschiedschrijvers is een vloek uitgesproken over die snoodheid. Het is hier de plaats niet de wettigheid of het recht van die afzwering te onderzoeken; ook niet, in hoever men zich daarbij op het privilege van de ”Joyeuse entrée” van Brabant beroepen kon. Ons is het voldoende, op te merken, dat de eed van afzwering niets nieuws aan de wereld verkondigde, maar eenvoudig bestaande toestanden bevestigde en verder, dat de Prins van Oranje van de dagen van 1568 af steeds openlijk het recht van verdrukte onderdanen heeft verdedigd, om zich tegen den vorst te verzetten, met een beroep op de souvereiniteit van het volk, waaraan ook vorsten ondergeschikt zijn.
In woord en daad had Oranje die denkbeelden reeds jaren lang verspreid en noch legitimisme, noch ultramontaansch staatsrecht zullen ooit in staat zijn, deze daad van het Nederlandsche volk als ongoddelijk voorgoed te brandmerken. Zoo ooit eenig volk recht heeft gehad, zich het juk van de schouders te werpen, dan wel de Nederlanden in de 16eeeuw, wier Calvinisme het hun daarbij voorschreef als een goddelijke plicht. Zonde, zware zonde zou het voor hen geweest zijn, langer een koning te dienen, die hun geen vrijheid van godsdienst zou geven, ja, hun geloof wilde verwoesten, niet minder dan Filips het zich als de zwaarste zonde zou hebben toegerekend, zoo hij hun godsdienstvrijheid had geschonken.