Chapter 18

Voorzijde naar den vijand gekeerd.Achterzijde der legerplaats.Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door eenmetatorhet kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnenwerd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorendesocii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2porta decumanaaan de achterzijde der legerplaats, 3porta principalis sinistra, 4porta principalis dextra. De wega a, die deze beide uitgangen verbond, heettevia principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs hetprincipium, het achterste gedeelte van het kamp, waar hetpraetoriumenz. stond, terwijl de wegb b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam vanvia quintanadroeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van hetpraetorium(P), het kwartier van den veldheer, liep devia decumanaofpraetoria(c c) naar deporta praetoria. Naast hetpraetoriumhad men aan de eene zijde hetquaestorium(Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant hetforum(F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van detribuni militumen depraefecti sociorum(5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers,evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam vanextraordinarii pedites et equitesuit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede deauxiliavan vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren,hiberna(sc.castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.—Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorendeauxiliaen de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Hetpraetoriumbevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar devia principalis, die nu dichter bij deporta praetorialigt. Devia quintanaloopt nu achter het praetorium, evenwijdig met devia principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op delatera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door devia praetoriain tweeën gedeeld, heetpraetentura, het achtergedeelteretentura.Plattegrond van een castra.Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde.Castra Cornelia(Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africānus maior, waar hij in den winter van 204–203 zijn kamp had, nabij Utica.Castra Batāva, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau.Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum.Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren.Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epīrus.Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg.Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birtentegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (deCanabaez. a.) ontstond een stad, die door Traiānus onder de koloniën werd opgenomen,Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaakTraianensesheeten. In de 4deeeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen-cester, -chesterbij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen vancastraof vancastrum.Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminālis gebouwd door denpraefectus praetorioAelius Seiānus.Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam.Castrum Inui, zieInui castrum.Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picēnum, in het land der Praetutii.Castrum Verginum(Bergium), in het land der Bergistāni (z. a.).Castulo,Κασταλών, bloeiende stad der Oretāni in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. Desaltus Castulonensismaakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.Casystes,Κασύστης, haven van Erythrae in Ionia.Catabathmus,Καταβαθμός, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.Catabothra,τὰ Κατάβοθρα, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.Catadromus,κατάδρομος, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.Catadūpa,τὰ Κατάδουπα, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.Catagogia,Καταγώγια, feest ter eere van Aphrodīte op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl.anagogia.Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.Catamītus=Ganymēdes.Catana,Κατάνη, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontīni overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad inAetnaveranderde. Na Hiero’s dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.Cataonia,Καταονία, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.Cataphractus,κατάφρακτος, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.Catapulta,καταπέλτης, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.Catarractesof-ta,Καταρράκτης, ook met éénrgeschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.Catasta, verbastering vanκατάστασις, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.Cathaei,Καθαῖοι, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesīnes.Catharsius,Καθάρσιος, de reinigende, bijnaam van Zeus.Cathedra,καθέδρα, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woordkatheder.Catilīna, familienaam in degens Sergia. ZieSergiino. 5.Catilius Sevērus(L.), staatsman onder keizer Hadriānus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen deadoptiovan Antonīnus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toenpraefectus urbi.Catillum.Catillumof-lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.Catil(l)us, zieTiburtus.Catina=Catana.Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd.Cato, familienaam in degens Porcia. Zie ookValeriino. 37.Catreus, Crēteus,Κατρεύς, Κρητεύς, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.CattiofChatti,Χάττοι, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).Catullus, rom. dichter. ZieValeriino. 38.Catulus, familienaam in degens Lutatia.Caturīges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodūnum, thans Embrun.Caucasa,τὰ Καύκασα, stad in het Z. van Chius.Caucasus,Καύκασος, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. DeCaucasiae portae,Καυκάσιαι πύλαι, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Promētheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanīsus.Cauchi=Chauci.Caucōnes,Καύκωνες, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.Caudex=Codex.Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.Caudium, oude stad in Samnium aan devia Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas,furculae Caudīnae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvīnus en Sp. Postumius Albīnus door de Samnieten werden ingesloten.CaulonofCaulonia,Καυλωνία, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.Caunus,Καῦνος, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen,cauneae.Caupōna,καπηλεῖον. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ookdeversoriagenoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordtcauponagebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaakpopinae.Caurus=Corus.Causia,καυσία, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade.Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.Caysterof-trus,Κάυστρος, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.Cavari(Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van deRhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).Cavarīnus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).Cavaedium,cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd hetcavaediumallengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van hetatrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:ima, mediaensumma cavea. Zie ookbalteus.Cea, latijnsche naam voor het eilandCeos.Ceadas,Κεάδας, Καιάδας, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.Cebenna mons,τὸ Κέμμενον ὄρος, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.Cebes,Κέβης, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek,Πίναξ, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1steeeuw na C. dateert.Cebren,Κεβρήν, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.Cebrēnis,Κεβρηνίς, Oenōne, dochter van den riviergod Cebren.Cebriones,Κεβριόνης, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.Cecīdes,Κηκείδης, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.Cecropia,Κεκροπία, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.Cecropides,Κεκροπίδης, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.Cecropis,Κεκροπίς, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomēla, de kleindochters van Cecrops.—2)= Attica.—3)een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Cecrops,Κέκροψ, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athēna (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,διφυής), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.Cecryphalēa,Κεκρυφάλεια, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.Cedalio,Κηδαλίων, dienaar van Hephaestus.Cedides,Κηδείδης=Cecīdes.Cedreae,Κεδρέαι, ofΚεδρεῖαι, stad in Caria aan de Ceramische golf.Cedrus,κέδρος, 1) de cederboom.—2)de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.Celaenae,Κελαιναί, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.Celaeno,Κελαινώ, eene van de Harpyiën.Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).Celelātes, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3tribuni celerum. Z. verderequites.Celetrum,Κήλητρον, stad in het macedonische landschap Orestis.Celeüs,Κελεός, koning van Eleusis, die Demēter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.Cella.Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijncellaekleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naamcellavoor, b.v.cella caldaria=caldarium, enz. Ten vierde iscellahet inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.—Onderfrumentum in cellamverstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.Celox,κέλης, κελήτιον, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.Celsus, 1)Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.—2)A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaediede artibusin 20 boeken, waarvan nog 8de medicinabestaan.—3)P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasiānus en Hadriānus.—4)Celsus, schrijver van denἀληθὴς λόγος(± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).Celtae,Κελτοί, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam vanGalli,Γαλάται, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpīna, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staatΚελτοίvaak voor Germani, tegenoverΓαλάται= Galli.Celtibēri,Κελτίβηρες, dapper en vrijheidslievendvolk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum143–133) was een hunner steden.Cena, zieCoena.CenabumofGenabum, het tgw. Orléans, z.Aureliani civitas.Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zieCoena.Cenaeum,Κηναῖον ἄκρον, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.Cenchreae,Κεγχρέαι, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.Cenomāni,Κενομανοί, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpīna vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zieAulerci.Cenotaphium,Κενοτάφιον, ook weltumulus honorariusofinanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.Censor. Vóór 445 werd decensuste Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer oflustrumhouden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zieCanulēia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing vantribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van standpromiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van hetlustrumzou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus hetlustrum condereaan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillānus en L. Sempronius Atratīnus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde delex Publiliavan den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door delex Aemiliavan den dictator Mam. Aemilius Mamercīnus tot 1½ jaar beperkt, zoodat de staat dan 3½ jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats hadin comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten derpotestasnog een bijzondere bevoegdheid noodig, decensoria potestas, die hun door eenlex centuriata de censoria potestatewerd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden,regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zieaerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zieequites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heettenotaofanimadversio censoriaen de daaruit voortvloeiende schande wasignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging decensoria potestasop denprincepsover.Censorīnus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 8–10.Censorīnus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werkde die natalibestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op ’s menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in devilla publicaop denCampus Martiuszitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in declassisingeschreven, waartoemen behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat menex iure Quiritiumbezat; deager publicusdie slechtsin possessionewas, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, wasincensus; de straf was verlies der vrijheid, duscapitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten describaeder censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º.de lijsten van de leden dertribus, met een lijst deraerarii(z. a.) als aanhangsel. 2º.de lijsten van de leden dercenturiae. 3º.de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrenttributum, orbi et orbaeentribuni aerariien verder:aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaover te brengen of wel hen totaerarii(z. a.) te maken. Met den census ging ook delectio senatusvoor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten,recognitio equitum, zieequites. Een plechtig offer (zielustrum) besloot den census.Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).Centauri,Κένταυροι, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epīrus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.—Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ookPholusenChiron.Centimani,Ἐκατόγχειρες, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.Centrītes,Κεντρίτης, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.Centrōnes, min juiste lezing voorCeutrones.Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traiānus eene villa had.Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door denpraetor urbanusgekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit eenalbumdoor loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren depraetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus dedecemviri stlitibus iudicandis.Centuria. In de eerste plaats zijncenturiaede onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën riddersgekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40centuriae iuniorum(onder 45 jaar) en 40centuriae seniorum(boven 45 jaar). De tweede klasse (75000–100000 as) telde 10centuriae iuniorumen 10centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20iugerain de eerste klasse geplaatst, bij een van 15iugerain de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers,cornicines, en ééne van bazuinblazers,tubicines, en ten slotte ééneC. accensi velati(zieaccensusno. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zieComitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van eencenturio.De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. Decapite censiwaren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. Deiunioreswaren beschikbaar voor den dienst te velde, desenioresvoor de verdediging der stad. Zie verdercomitia centuriata.Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden inhastati, principesentriarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:1200hastati, flos iuvenum pubescentium,1200principes, robustior aetas,600triarii, veteranus miles spectatae virtutis,terwijl 1200velitesof lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen wasminus roboris aetate factisque. Eene centuriehastatiofprincipesbestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederenvelites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederentriarii, dus 30 man, met twee gelederenvelites. Aan het hoofd van elke centurie stond eencenturio.Centurio, hoofdman eener centurie. Tweecenturiaein het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel wascenturio prior, die der tweedecenturio posterior. Depriorstond boven denposterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20centurionesdertriariiofpilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders derprincipesen daarna de 20 derhastati. De laagste in rang was derhalve decenturio posteriorvan den tienden manipel derhastati; de hoogste was decenturio priorvan den eersten manipel derpilani. Deze werdprimus pilusofprimipilusgenoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze:pilanus prior, p. posterior,princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zescenturionesder eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had decenturioeen wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.Centuripae,τὰ Κεντόριπα, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.Ceos,Κέως, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iūlis de voornaamste.Cephallenia,Κεφαλληνία, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.Cephaloedisof-dium,Κεφαλοιδίς, -οίδιον, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.Cephalus,Κέφαλος, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomēde, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurtbekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.—2)van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Voorzijde naar den vijand gekeerd.Achterzijde der legerplaats.Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door eenmetatorhet kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnenwerd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorendesocii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2porta decumanaaan de achterzijde der legerplaats, 3porta principalis sinistra, 4porta principalis dextra. De wega a, die deze beide uitgangen verbond, heettevia principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs hetprincipium, het achterste gedeelte van het kamp, waar hetpraetoriumenz. stond, terwijl de wegb b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam vanvia quintanadroeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van hetpraetorium(P), het kwartier van den veldheer, liep devia decumanaofpraetoria(c c) naar deporta praetoria. Naast hetpraetoriumhad men aan de eene zijde hetquaestorium(Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant hetforum(F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van detribuni militumen depraefecti sociorum(5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers,evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam vanextraordinarii pedites et equitesuit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede deauxiliavan vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren,hiberna(sc.castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.—Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorendeauxiliaen de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Hetpraetoriumbevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar devia principalis, die nu dichter bij deporta praetorialigt. Devia quintanaloopt nu achter het praetorium, evenwijdig met devia principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op delatera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door devia praetoriain tweeën gedeeld, heetpraetentura, het achtergedeelteretentura.Plattegrond van een castra.Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde.Castra Cornelia(Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africānus maior, waar hij in den winter van 204–203 zijn kamp had, nabij Utica.Castra Batāva, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau.Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum.Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren.Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epīrus.Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg.Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birtentegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (deCanabaez. a.) ontstond een stad, die door Traiānus onder de koloniën werd opgenomen,Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaakTraianensesheeten. In de 4deeeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen-cester, -chesterbij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen vancastraof vancastrum.Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminālis gebouwd door denpraefectus praetorioAelius Seiānus.Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam.Castrum Inui, zieInui castrum.Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picēnum, in het land der Praetutii.Castrum Verginum(Bergium), in het land der Bergistāni (z. a.).Castulo,Κασταλών, bloeiende stad der Oretāni in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. Desaltus Castulonensismaakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.Casystes,Κασύστης, haven van Erythrae in Ionia.Catabathmus,Καταβαθμός, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.Catabothra,τὰ Κατάβοθρα, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.Catadromus,κατάδρομος, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.Catadūpa,τὰ Κατάδουπα, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.Catagogia,Καταγώγια, feest ter eere van Aphrodīte op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl.anagogia.Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.Catamītus=Ganymēdes.Catana,Κατάνη, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontīni overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad inAetnaveranderde. Na Hiero’s dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.Cataonia,Καταονία, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.Cataphractus,κατάφρακτος, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.Catapulta,καταπέλτης, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.Catarractesof-ta,Καταρράκτης, ook met éénrgeschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.Catasta, verbastering vanκατάστασις, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.Cathaei,Καθαῖοι, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesīnes.Catharsius,Καθάρσιος, de reinigende, bijnaam van Zeus.Cathedra,καθέδρα, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woordkatheder.Catilīna, familienaam in degens Sergia. ZieSergiino. 5.Catilius Sevērus(L.), staatsman onder keizer Hadriānus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen deadoptiovan Antonīnus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toenpraefectus urbi.Catillum.Catillumof-lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.Catil(l)us, zieTiburtus.Catina=Catana.Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd.Cato, familienaam in degens Porcia. Zie ookValeriino. 37.Catreus, Crēteus,Κατρεύς, Κρητεύς, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.CattiofChatti,Χάττοι, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).Catullus, rom. dichter. ZieValeriino. 38.Catulus, familienaam in degens Lutatia.Caturīges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodūnum, thans Embrun.Caucasa,τὰ Καύκασα, stad in het Z. van Chius.Caucasus,Καύκασος, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. DeCaucasiae portae,Καυκάσιαι πύλαι, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Promētheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanīsus.Cauchi=Chauci.Caucōnes,Καύκωνες, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.Caudex=Codex.Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.Caudium, oude stad in Samnium aan devia Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas,furculae Caudīnae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvīnus en Sp. Postumius Albīnus door de Samnieten werden ingesloten.CaulonofCaulonia,Καυλωνία, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.Caunus,Καῦνος, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen,cauneae.Caupōna,καπηλεῖον. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ookdeversoriagenoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordtcauponagebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaakpopinae.Caurus=Corus.Causia,καυσία, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade.Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.Caysterof-trus,Κάυστρος, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.Cavari(Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van deRhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).Cavarīnus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).Cavaedium,cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd hetcavaediumallengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van hetatrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:ima, mediaensumma cavea. Zie ookbalteus.Cea, latijnsche naam voor het eilandCeos.Ceadas,Κεάδας, Καιάδας, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.Cebenna mons,τὸ Κέμμενον ὄρος, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.Cebes,Κέβης, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek,Πίναξ, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1steeeuw na C. dateert.Cebren,Κεβρήν, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.Cebrēnis,Κεβρηνίς, Oenōne, dochter van den riviergod Cebren.Cebriones,Κεβριόνης, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.Cecīdes,Κηκείδης, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.Cecropia,Κεκροπία, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.Cecropides,Κεκροπίδης, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.Cecropis,Κεκροπίς, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomēla, de kleindochters van Cecrops.—2)= Attica.—3)een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Cecrops,Κέκροψ, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athēna (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,διφυής), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.Cecryphalēa,Κεκρυφάλεια, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.Cedalio,Κηδαλίων, dienaar van Hephaestus.Cedides,Κηδείδης=Cecīdes.Cedreae,Κεδρέαι, ofΚεδρεῖαι, stad in Caria aan de Ceramische golf.Cedrus,κέδρος, 1) de cederboom.—2)de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.Celaenae,Κελαιναί, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.Celaeno,Κελαινώ, eene van de Harpyiën.Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).Celelātes, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3tribuni celerum. Z. verderequites.Celetrum,Κήλητρον, stad in het macedonische landschap Orestis.Celeüs,Κελεός, koning van Eleusis, die Demēter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.Cella.Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijncellaekleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naamcellavoor, b.v.cella caldaria=caldarium, enz. Ten vierde iscellahet inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.—Onderfrumentum in cellamverstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.Celox,κέλης, κελήτιον, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.Celsus, 1)Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.—2)A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaediede artibusin 20 boeken, waarvan nog 8de medicinabestaan.—3)P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasiānus en Hadriānus.—4)Celsus, schrijver van denἀληθὴς λόγος(± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).Celtae,Κελτοί, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam vanGalli,Γαλάται, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpīna, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staatΚελτοίvaak voor Germani, tegenoverΓαλάται= Galli.Celtibēri,Κελτίβηρες, dapper en vrijheidslievendvolk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum143–133) was een hunner steden.Cena, zieCoena.CenabumofGenabum, het tgw. Orléans, z.Aureliani civitas.Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zieCoena.Cenaeum,Κηναῖον ἄκρον, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.Cenchreae,Κεγχρέαι, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.Cenomāni,Κενομανοί, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpīna vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zieAulerci.Cenotaphium,Κενοτάφιον, ook weltumulus honorariusofinanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.Censor. Vóór 445 werd decensuste Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer oflustrumhouden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zieCanulēia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing vantribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van standpromiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van hetlustrumzou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus hetlustrum condereaan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillānus en L. Sempronius Atratīnus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde delex Publiliavan den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door delex Aemiliavan den dictator Mam. Aemilius Mamercīnus tot 1½ jaar beperkt, zoodat de staat dan 3½ jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats hadin comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten derpotestasnog een bijzondere bevoegdheid noodig, decensoria potestas, die hun door eenlex centuriata de censoria potestatewerd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden,regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zieaerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zieequites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heettenotaofanimadversio censoriaen de daaruit voortvloeiende schande wasignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging decensoria potestasop denprincepsover.Censorīnus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 8–10.Censorīnus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werkde die natalibestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op ’s menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in devilla publicaop denCampus Martiuszitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in declassisingeschreven, waartoemen behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat menex iure Quiritiumbezat; deager publicusdie slechtsin possessionewas, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, wasincensus; de straf was verlies der vrijheid, duscapitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten describaeder censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º.de lijsten van de leden dertribus, met een lijst deraerarii(z. a.) als aanhangsel. 2º.de lijsten van de leden dercenturiae. 3º.de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrenttributum, orbi et orbaeentribuni aerariien verder:aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaover te brengen of wel hen totaerarii(z. a.) te maken. Met den census ging ook delectio senatusvoor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten,recognitio equitum, zieequites. Een plechtig offer (zielustrum) besloot den census.Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).Centauri,Κένταυροι, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epīrus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.—Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ookPholusenChiron.Centimani,Ἐκατόγχειρες, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.Centrītes,Κεντρίτης, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.Centrōnes, min juiste lezing voorCeutrones.Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traiānus eene villa had.Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door denpraetor urbanusgekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit eenalbumdoor loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren depraetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus dedecemviri stlitibus iudicandis.Centuria. In de eerste plaats zijncenturiaede onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën riddersgekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40centuriae iuniorum(onder 45 jaar) en 40centuriae seniorum(boven 45 jaar). De tweede klasse (75000–100000 as) telde 10centuriae iuniorumen 10centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20iugerain de eerste klasse geplaatst, bij een van 15iugerain de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers,cornicines, en ééne van bazuinblazers,tubicines, en ten slotte ééneC. accensi velati(zieaccensusno. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zieComitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van eencenturio.De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. Decapite censiwaren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. Deiunioreswaren beschikbaar voor den dienst te velde, desenioresvoor de verdediging der stad. Zie verdercomitia centuriata.Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden inhastati, principesentriarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:1200hastati, flos iuvenum pubescentium,1200principes, robustior aetas,600triarii, veteranus miles spectatae virtutis,terwijl 1200velitesof lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen wasminus roboris aetate factisque. Eene centuriehastatiofprincipesbestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederenvelites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederentriarii, dus 30 man, met twee gelederenvelites. Aan het hoofd van elke centurie stond eencenturio.Centurio, hoofdman eener centurie. Tweecenturiaein het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel wascenturio prior, die der tweedecenturio posterior. Depriorstond boven denposterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20centurionesdertriariiofpilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders derprincipesen daarna de 20 derhastati. De laagste in rang was derhalve decenturio posteriorvan den tienden manipel derhastati; de hoogste was decenturio priorvan den eersten manipel derpilani. Deze werdprimus pilusofprimipilusgenoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze:pilanus prior, p. posterior,princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zescenturionesder eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had decenturioeen wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.Centuripae,τὰ Κεντόριπα, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.Ceos,Κέως, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iūlis de voornaamste.Cephallenia,Κεφαλληνία, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.Cephaloedisof-dium,Κεφαλοιδίς, -οίδιον, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.Cephalus,Κέφαλος, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomēde, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurtbekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.—2)van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Voorzijde naar den vijand gekeerd.Achterzijde der legerplaats.

Voorzijde naar den vijand gekeerd.

Achterzijde der legerplaats.

Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door eenmetatorhet kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnenwerd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorendesocii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2porta decumanaaan de achterzijde der legerplaats, 3porta principalis sinistra, 4porta principalis dextra. De wega a, die deze beide uitgangen verbond, heettevia principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs hetprincipium, het achterste gedeelte van het kamp, waar hetpraetoriumenz. stond, terwijl de wegb b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam vanvia quintanadroeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van hetpraetorium(P), het kwartier van den veldheer, liep devia decumanaofpraetoria(c c) naar deporta praetoria. Naast hetpraetoriumhad men aan de eene zijde hetquaestorium(Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant hetforum(F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van detribuni militumen depraefecti sociorum(5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers,evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam vanextraordinarii pedites et equitesuit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede deauxiliavan vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren,hiberna(sc.castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.—Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorendeauxiliaen de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Hetpraetoriumbevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar devia principalis, die nu dichter bij deporta praetorialigt. Devia quintanaloopt nu achter het praetorium, evenwijdig met devia principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op delatera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door devia praetoriain tweeën gedeeld, heetpraetentura, het achtergedeelteretentura.

Plattegrond van een castra.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde.Castra Cornelia(Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africānus maior, waar hij in den winter van 204–203 zijn kamp had, nabij Utica.Castra Batāva, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau.Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum.Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren.Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epīrus.Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg.Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birtentegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (deCanabaez. a.) ontstond een stad, die door Traiānus onder de koloniën werd opgenomen,Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaakTraianensesheeten. In de 4deeeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen-cester, -chesterbij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen vancastraof vancastrum.

Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminālis gebouwd door denpraefectus praetorioAelius Seiānus.

Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam.Castrum Inui, zieInui castrum.Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picēnum, in het land der Praetutii.Castrum Verginum(Bergium), in het land der Bergistāni (z. a.).

Castulo,Κασταλών, bloeiende stad der Oretāni in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. Desaltus Castulonensismaakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.

Casystes,Κασύστης, haven van Erythrae in Ionia.

Catabathmus,Καταβαθμός, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.

Catabothra,τὰ Κατάβοθρα, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.

Catadromus,κατάδρομος, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.

Catadūpa,τὰ Κατάδουπα, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.

Catagogia,Καταγώγια, feest ter eere van Aphrodīte op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl.anagogia.

Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.

Catamītus=Ganymēdes.

Catana,Κατάνη, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontīni overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad inAetnaveranderde. Na Hiero’s dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.

Cataonia,Καταονία, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.

Cataphractus,κατάφρακτος, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.

Catapulta,καταπέλτης, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.

Catarractesof-ta,Καταρράκτης, ook met éénrgeschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.

Catasta, verbastering vanκατάστασις, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.

Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.

Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.

Cathaei,Καθαῖοι, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesīnes.

Catharsius,Καθάρσιος, de reinigende, bijnaam van Zeus.

Cathedra,καθέδρα, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woordkatheder.

Catilīna, familienaam in degens Sergia. ZieSergiino. 5.

Catilius Sevērus(L.), staatsman onder keizer Hadriānus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen deadoptiovan Antonīnus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toenpraefectus urbi.

Catillum.

Catillumof-lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.

Catil(l)us, zieTiburtus.

Catina=Catana.

Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd.

Cato, familienaam in degens Porcia. Zie ookValeriino. 37.

Catreus, Crēteus,Κατρεύς, Κρητεύς, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

CattiofChatti,Χάττοι, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. ZieValeriino. 38.

Catulus, familienaam in degens Lutatia.

Caturīges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodūnum, thans Embrun.

Caucasa,τὰ Καύκασα, stad in het Z. van Chius.

Caucasus,Καύκασος, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. DeCaucasiae portae,Καυκάσιαι πύλαι, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Promētheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanīsus.

Cauchi=Chauci.

Caucōnes,Καύκωνες, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex=Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan devia Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas,furculae Caudīnae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvīnus en Sp. Postumius Albīnus door de Samnieten werden ingesloten.

CaulonofCaulonia,Καυλωνία, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus,Καῦνος, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen,cauneae.

Caupōna,καπηλεῖον. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ookdeversoriagenoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordtcauponagebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaakpopinae.

Caurus=Corus.

Causia,καυσία, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade.Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Caysterof-trus,Κάυστρος, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari(Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van deRhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarīnus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium,cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd hetcavaediumallengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van hetatrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld:ima, mediaensumma cavea. Zie ookbalteus.

Cea, latijnsche naam voor het eilandCeos.

Ceadas,Κεάδας, Καιάδας, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons,τὸ Κέμμενον ὄρος, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.

Cebes,Κέβης, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek,Πίναξ, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1steeeuw na C. dateert.

Cebren,Κεβρήν, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.

Cebrēnis,Κεβρηνίς, Oenōne, dochter van den riviergod Cebren.

Cebriones,Κεβριόνης, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecīdes,Κηκείδης, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.

Cecropia,Κεκροπία, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.

Cecropides,Κεκροπίδης, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis,Κεκροπίς, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomēla, de kleindochters van Cecrops.—2)= Attica.—3)een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops,Κέκροψ, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athēna (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus,διφυής), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalēa,Κεκρυφάλεια, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.

Cedalio,Κηδαλίων, dienaar van Hephaestus.

Cedides,Κηδείδης=Cecīdes.

Cedreae,Κεδρέαι, ofΚεδρεῖαι, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus,κέδρος, 1) de cederboom.—2)de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.

Celaenae,Κελαιναί, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno,Κελαινώ, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).

Celelātes, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3tribuni celerum. Z. verderequites.

Celetrum,Κήλητρον, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs,Κελεός, koning van Eleusis, die Demēter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.

Cella.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijncellaekleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naamcellavoor, b.v.cella caldaria=caldarium, enz. Ten vierde iscellahet inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.—Onderfrumentum in cellamverstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox,κέλης, κελήτιον, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1)Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.—2)A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaediede artibusin 20 boeken, waarvan nog 8de medicinabestaan.—3)P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasiānus en Hadriānus.—4)Celsus, schrijver van denἀληθὴς λόγος(± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae,Κελτοί, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam vanGalli,Γαλάται, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpīna, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staatΚελτοίvaak voor Germani, tegenoverΓαλάται= Galli.

Celtibēri,Κελτίβηρες, dapper en vrijheidslievendvolk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum143–133) was een hunner steden.

Cena, zieCoena.

CenabumofGenabum, het tgw. Orléans, z.Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zieCoena.

Cenaeum,Κηναῖον ἄκρον, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.

Cenchreae,Κεγχρέαι, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.

Cenomāni,Κενομανοί, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpīna vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zieAulerci.

Cenotaphium,Κενοτάφιον, ook weltumulus honorariusofinanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd decensuste Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer oflustrumhouden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zieCanulēia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing vantribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van standpromiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van hetlustrumzou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus hetlustrum condereaan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillānus en L. Sempronius Atratīnus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde delex Publiliavan den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door delex Aemiliavan den dictator Mam. Aemilius Mamercīnus tot 1½ jaar beperkt, zoodat de staat dan 3½ jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats hadin comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten derpotestasnog een bijzondere bevoegdheid noodig, decensoria potestas, die hun door eenlex centuriata de censoria potestatewerd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden,regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zieaerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zieequites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heettenotaofanimadversio censoriaen de daaruit voortvloeiende schande wasignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging decensoria potestasop denprincepsover.

Censorīnus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 8–10.

Censorīnus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werkde die natalibestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op ’s menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in devilla publicaop denCampus Martiuszitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in declassisingeschreven, waartoemen behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat menex iure Quiritiumbezat; deager publicusdie slechtsin possessionewas, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, wasincensus; de straf was verlies der vrijheid, duscapitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten describaeder censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º.de lijsten van de leden dertribus, met een lijst deraerarii(z. a.) als aanhangsel. 2º.de lijsten van de leden dercenturiae. 3º.de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrenttributum, orbi et orbaeentribuni aerariien verder:aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar,tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eenetribus rusticain eenetribus urbanaover te brengen of wel hen totaerarii(z. a.) te maken. Met den census ging ook delectio senatusvoor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten,recognitio equitum, zieequites. Een plechtig offer (zielustrum) besloot den census.

Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).

Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).

Centauri,Κένταυροι, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epīrus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.—Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ookPholusenChiron.

Centimani,Ἐκατόγχειρες, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrītes,Κεντρίτης, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.

Centrōnes, min juiste lezing voorCeutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traiānus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door denpraetor urbanusgekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit eenalbumdoor loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren depraetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus dedecemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijncenturiaede onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën riddersgekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40centuriae iuniorum(onder 45 jaar) en 40centuriae seniorum(boven 45 jaar). De tweede klasse (75000–100000 as) telde 10centuriae iuniorumen 10centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20iugerain de eerste klasse geplaatst, bij een van 15iugerain de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers,cornicines, en ééne van bazuinblazers,tubicines, en ten slotte ééneC. accensi velati(zieaccensusno. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zieComitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van eencenturio.De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. Decapite censiwaren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. Deiunioreswaren beschikbaar voor den dienst te velde, desenioresvoor de verdediging der stad. Zie verdercomitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden inhastati, principesentriarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:

terwijl 1200velitesof lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen wasminus roboris aetate factisque. Eene centuriehastatiofprincipesbestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederenvelites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederentriarii, dus 30 man, met twee gelederenvelites. Aan het hoofd van elke centurie stond eencenturio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Tweecenturiaein het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel wascenturio prior, die der tweedecenturio posterior. Depriorstond boven denposterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20centurionesdertriariiofpilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders derprincipesen daarna de 20 derhastati. De laagste in rang was derhalve decenturio posteriorvan den tienden manipel derhastati; de hoogste was decenturio priorvan den eersten manipel derpilani. Deze werdprimus pilusofprimipilusgenoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze:pilanus prior, p. posterior,princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zescenturionesder eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had decenturioeen wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.

Centuripae,τὰ Κεντόριπα, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.

Ceos,Κέως, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iūlis de voornaamste.

Cephallenia,Κεφαλληνία, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.

Cephaloedisof-dium,Κεφαλοιδίς, -οίδιον, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.

Cephalus,Κέφαλος, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomēde, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurtbekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.—2)van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.


Back to IndexNext