Demeter (muurschildering te Pompeji).Demeter (muurschildering te Pompeji).Demetrias,Δημητριάς, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcētes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.Demetrius,Δημήτριος, 1)Poliorcētes,Πολιορκητής, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z.Antigonusno. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegīna en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epīrus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamēa gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.—2)D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonātas, regeerde 239–229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.—3)D.Soter,Σωτήρ, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23stejaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschapgehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).—4)D.Nicātor,Νικάτωρ, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philomētor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).—5)D.Εὔκαιρος, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).—6)D.Phalēreus,Φαληρεύς, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317–307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcētes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.—7)van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcȳra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).—8)D.Belliēnus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.—9)van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Τρωικὸς διάκοσμος) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.—10)D.Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.—11)van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.—12)van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.—13)gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.—14)van Sunium, leefde 40–90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.Deminutio capitis=Capitis deminutio.Δήμιοι, δημόσιοι, δημόκοινοιheetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.Δημιουργοί, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.—2) in sommige staten van de Peloponnēsus de hoogste overheidspersonen (z. bijv.Achaeisch verbond).—3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.Democēdes,Δημοκήδης, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegīna (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darīus veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darīus van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.Demochares,Δημοχάρης, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcētes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ookDemosthenes.Democritus,Δημόκριτος, van Abdēra, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (ἄτομα), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte engewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (μηδέν), dat evengoed bestaat als het iets (δέν). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (σκοτίη), de echte (γνησίη) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (εὐεστώ, εὐθυμία, ἀταραξία), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (γελασῖνος). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.Demodocus,Δημόδοκος, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.Δῆμοι, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica vooradministratievedoeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter velewaarschijnlijkop verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (δημόται), brengen gemeenschappelijk zekere offers (ἱερὰ δημοτικά) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij eenδήμαρχος, het beheer der financiën bij eenταμίας. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18dejaar in het register (ληξιαρχικὸν γραμματεῖον), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.Δημόκοινοι,z.δήμιοι.Demōnax,Δημώναξ, van Cyprus, die ten tijde van Hadriānus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.Demophanes,Δημοφάνης,z.Ecdemus.Demophilus,Δημόφιλος, 1) dichter der nieuwe attische comedie.—2)geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).Demophoon, -phon,Δημοφόων, -φῶν, 1) zoon van Celeüs. Toen Demēter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanīra haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.—2)zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hingPhylliszich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomēdes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.Δημοποίητοι, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.Δημόσιοι,z.δήμιοι.Demosthenes,Δημοσθένης, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnēsus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracūsae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.—2)Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijkezwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich alsλογογράφοςbezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoeweinigzijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronēa besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demādes zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus’ plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en “waterdrinker” genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z.Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegīna en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn:κατὰ Φιλίππου α´(begin 351), de 3 Olynthische (351–349),περὶ τῆς εἰρήνης(346),κατὰ Φιλίππου β´(344),περὶ τῆς παραπρεσβείας(343, zieAeschines),περὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳ(341),κατὰ Φιλίππου γ´(341),ὑπὲρ Κτησιφῶντος περὶ τοῦ στεφάνου(330, zieAeschines).Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zieas), later, toen de as in gewicht beperktwas = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend.Denarius aureus, bij verkorting alleenaureusgeheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zieaureus.DenselētaeofDenthelēti,Δενθελῆται, Δανθηλῆται, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.Dentātus, bijnaam in het geslacht derCurii.Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordtdenuntiatiovaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.Deo,Δηώ, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.Depontāniwerden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen depontesingevoerd werden bij het stemmen,iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben:sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donūsa, Amorgos, Serīphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen.Relegatiowas slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. wordendeportatioenrelegatiosomtijds dooreen gebezigd.Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.Derbices,Δερβίκκαι, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.Dercetis, -to,Δερκέτις, -κετώ, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.Dercyl(l)idas,Δερκυλ(λ)ίδας, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilāus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abȳdus en Sestus.Dertōna,Δέρθων, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.Dertōsa,Δερτῶσα, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Ibērus (Ebro).Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes,tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.—2)aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.—3)in de 3deeeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zieStrigilisenBalneum.Dèsultores, 1) paardrijders,voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.—2)numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.Detestatio sacrorum, plechtige afstand van desacrazijnergensbijarrogatioin eene andere, of verzaking van desacrader familie bij eentestamentum comitiis calatis factum.Deucalion,Δευκαλίων, 1) zoon van Promētheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenēa e. a.—2)zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, namdeel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.Deunx= 11unciae. Als muntstuk bestond dedeunxniet. Deashad 12unciae.Deva,Δηοῦα, thans Chester (afgeleid vanCastrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romāna. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidōna aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvānus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.Deversorium, zieCaupona.Dexippus,Δέξιππος, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3deeeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.—2)nieuw-platonisch wijsgeer in de 4deeeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.Dextans= 10 unciae of ⅚ as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.Di indigetes, enz., zieDii indigetes, enz.Dia, z.Dea Dia.Dia,Δία, 1) oude naam van het eiland Naxus.—2)eilandje ten N. van Midden-Creta.—3)eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad:Noviodunum, tgw. Jublains.Diacria,Διακρία, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.Διαδικασία, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.Διάδοχος, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulkediaetaemeenen te herkennen.Diaeus,Δίαιος, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).Diagoras,Διαγόρας, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.—2)van Melus, zoon van Teleclīdes, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaamἄθεος) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.Διαγραφῆς, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. deεἰσφορά) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.Διαιτητής, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.—Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.Διάκτορος, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.Διαμαρτυρία, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij deδιαμαρτυρίαgeen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in deἐπωβελία.Diāna, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13denAugustus, en deludi saeculareswaren aan haar en Apollo gewijd.—Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventīnus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopīum geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.Διαψήφισις. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluitbevolen, dat deδῇμος, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering derδημόταιwerd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heetteδιαψήφισις. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.—Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.Diasia,Διάσια, een groot feest ter eere van ZeusΜειλίχιοςden23stenAnthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.Δίαυλος δρόμος, of alleenδίαυλος, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.Dicaea, thracische stad bij het meer Bistōnis.Dicaearchia,Δικαιαρχία, havenstad van Cumae, later Puteoli.Dicaearchus,Δικαίαρχος, van Messāna, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. ZijnΒίος Ἑλλάδοςin 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.Δίχαλκον, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.Dictātor. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ookmagister populigeheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijnmagister equitum, die zijncollega minoren, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan deprovocatioonderworpen, zie echterValeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed,pro dictatore. Na afloop van den 2denPunischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met hetsenatus consultum ultimum(z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eenelex Valeria(z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooralrei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ookseditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool,quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is:dictatorem dicere. De grieksche vertaling isαὐτοκράτωρ, ookδικτάτωρ. Tot de insigniën van den dictator behoorden desella curulis, detoga praetextaen 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.Dictātor municipālis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel vanduumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidēnae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.Dicte,Δίκτη, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichtersDictaeus= cretensisch.Dictynna,Δίκτυννα, z.Britomartis.Dictys,Δίκτυς, 1) broeder van koning Polydectes van Serīphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.—2)D.Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4deeeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z.Dares.Διδασκαλία, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog deδιδασκαλίαgeheel of gedeeltelijk.—Δ.beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naamδιδασκαλία.Didia (lex)sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van delex Fanniavan 161.Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1)T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.—2)C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.—3)M. Didius (Sevērus) Juliānus,zieJulianino. 3.Dido,Διδώ, ookElissa,Ἔλισσα, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aenēis Aenēas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.Didrachma, -mum,δίδραχμον, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.Didyma,τὰ Δίδυμα, stad in het gebied van Milētus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darīus of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ookBranchidae.Didymus,Δίδυμος, 1) bijgenaamdΧαλκέντερος, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.—2)Claudius Didymus, z.Claudiino. 40.Dies Comitiāles, z.Comitiales dies.Dies Endotercīsi, z.Festi dies.Dies Fasti, z.Fasti.Dies Festi, z.Festi dies.Dies Nefasti, z.Nefasti dies.Dies Profesti, z.Festi dies.Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijkper confarreationemgesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr.Πανδέκται) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justiniānus.Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.Digitius (S.)werd door Scipio Africānus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrīni of novensides.Dii manes, zieManes.Dii novensides(novensiles) ofperegrīni, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met dedi(i) indigetes.Dii penātes, ziePenates.Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.Δι(ι)πόλιαofΒουφόνια, feest te Athene den 14denSkirophorion ter eere van ZeusΠολιεύςgevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.Δικασταὶ κατὰ δήμους, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclīdes (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijkοἱ τετταράκονταgenoemd worden.Δικαστήριον, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.Δικαστικόν, de belooning der rechters te Athene,μισθὸς δικαστικός. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (τριώβολον ἡλιαστικόν). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (σύμβολον), waarop zij na afloop der zitting bij deκώλακρέταιbetaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten alsδικαστικόνdoor den staat uitgegeven werden.Δίκη, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.Δίκη, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling vanγραφή, ookἀγὼν ἴδιος, δίκη ἰδίαgenoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling derδίκαιis vooral daardoor van die derγραφαίverschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijnκύριος, en dat beide partijen tot dekking vande kosten zekere geldsom (πρυτανεῖα) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (προστίμημα) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl.γραφή.Dimachaeri,διμάχαιροι, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.Dimallum,Δίμαλος, ook-λη, stad der Parthīni in Illyris graeca, aan de kust gelegen.Dimensuratio provinciarumis de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4eeeuw n. C., zieDivisio orbis terrarum.Dinarchus,Δείναρχος, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalēreus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.Dindymēne,Δινδυμήνη, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.Dindymum, -mus, -ma(plur.),Δίνδυμον, -μος, -μα, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaarDindymēneheet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.Dino,Δεινώ, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.Dinochares,Δεινοχάρης, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.Dinocrates,Δεινοκράτης, 1) z.Dinochares.—2)z.Philopoemen.Dio,Δίων, van Syracuse, zoon van Hipparīnus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclīdes, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclīdes bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.Dio Cassius(beterCassius Dio)Cocceiānus,Δίων ὁ Κάσσιος, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Sevērus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36–60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.Dio Chrysostomus Cocceiānus,Δίων ὁ Χρυσόστομος,geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traiānus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitiānus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.Διωβελία,z.θεωρικόν.Diocaesarēa,Διοκαισάρεια, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.Diocles,Διοκλῆς, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.—2)van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feestΔιόκλεια.—3)een van de vorsten te Eleusis, die door Demēter in de mysteriën onderwezen werden.—4)van Phlius, dichter der oude attische comedie.—5)demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl.Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.—6)van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.—7)van Peparēthus, grieksch geschiedschrijver uit de3eeeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.—8)rhetor uit den tijd van Augustus.Diocletiānus(C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximiānus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titelCaesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (ziepraefecturae). Als onderverdeeling van depraefecturaehad men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd doorduces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zichDominuslaat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedēa. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zieThermae.Diodōrus,Διόδωρος, 1) van Iasus, bijgenaamdCronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.—2)van Tyrus, te Athene leerling van Critolāus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.—3)D.Siculusvan Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Βιβλιοθήκη ἱστορική) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1–5, 11–20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.Diodotus,Διόδοτος, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z.Cleon).—2)van Erythrae, schrijver vanἘφημερίδες Ἀλεξάνδρου, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodōrus gebruik gemaakt hebben.—3)geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.Dioecesis,διοίκησις, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).Diogenes,Διογένης, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5eeeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werkπερὶ φύσεωςzijn enkele fragmenten bewaard.—2)de cynicus,ὁ Κύων, geb. 404 te Sinōpe. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde,ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hemΣωκράτης μαινόμενος. Op eene reis naar Aegīna werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.—3)van Seleucīa in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolāus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.—4)D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.Διοικισμός, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.Δίολκος, zieIsthmus.Diomedēae insulae,νῆσοι Διομήδειαι, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van denmons Gargānus. Zij waren genoemd naar Diomēdes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.Diomēdes,Διομήδης, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.—2)zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athēna altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodīte en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echterDemophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodīte, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialēa tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedēae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedēi Campi in Apulia naar hem genoemd.—3)latijnsch grammaticus uit de 4deeeuw na C., schreef 3 boekende arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.
Demeter (muurschildering te Pompeji).Demeter (muurschildering te Pompeji).Demetrias,Δημητριάς, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcētes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.Demetrius,Δημήτριος, 1)Poliorcētes,Πολιορκητής, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z.Antigonusno. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegīna en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epīrus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamēa gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.—2)D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonātas, regeerde 239–229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.—3)D.Soter,Σωτήρ, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23stejaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschapgehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).—4)D.Nicātor,Νικάτωρ, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philomētor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).—5)D.Εὔκαιρος, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).—6)D.Phalēreus,Φαληρεύς, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317–307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcētes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.—7)van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcȳra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).—8)D.Belliēnus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.—9)van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Τρωικὸς διάκοσμος) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.—10)D.Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.—11)van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.—12)van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.—13)gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.—14)van Sunium, leefde 40–90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.Deminutio capitis=Capitis deminutio.Δήμιοι, δημόσιοι, δημόκοινοιheetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.Δημιουργοί, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.—2) in sommige staten van de Peloponnēsus de hoogste overheidspersonen (z. bijv.Achaeisch verbond).—3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.Democēdes,Δημοκήδης, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegīna (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darīus veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darīus van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.Demochares,Δημοχάρης, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcētes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ookDemosthenes.Democritus,Δημόκριτος, van Abdēra, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (ἄτομα), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte engewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (μηδέν), dat evengoed bestaat als het iets (δέν). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (σκοτίη), de echte (γνησίη) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (εὐεστώ, εὐθυμία, ἀταραξία), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (γελασῖνος). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.Demodocus,Δημόδοκος, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.Δῆμοι, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica vooradministratievedoeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter velewaarschijnlijkop verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (δημόται), brengen gemeenschappelijk zekere offers (ἱερὰ δημοτικά) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij eenδήμαρχος, het beheer der financiën bij eenταμίας. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18dejaar in het register (ληξιαρχικὸν γραμματεῖον), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.Δημόκοινοι,z.δήμιοι.Demōnax,Δημώναξ, van Cyprus, die ten tijde van Hadriānus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.Demophanes,Δημοφάνης,z.Ecdemus.Demophilus,Δημόφιλος, 1) dichter der nieuwe attische comedie.—2)geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).Demophoon, -phon,Δημοφόων, -φῶν, 1) zoon van Celeüs. Toen Demēter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanīra haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.—2)zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hingPhylliszich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomēdes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.Δημοποίητοι, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.Δημόσιοι,z.δήμιοι.Demosthenes,Δημοσθένης, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnēsus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracūsae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.—2)Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijkezwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich alsλογογράφοςbezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoeweinigzijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronēa besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demādes zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus’ plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en “waterdrinker” genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z.Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegīna en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn:κατὰ Φιλίππου α´(begin 351), de 3 Olynthische (351–349),περὶ τῆς εἰρήνης(346),κατὰ Φιλίππου β´(344),περὶ τῆς παραπρεσβείας(343, zieAeschines),περὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳ(341),κατὰ Φιλίππου γ´(341),ὑπὲρ Κτησιφῶντος περὶ τοῦ στεφάνου(330, zieAeschines).Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zieas), later, toen de as in gewicht beperktwas = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend.Denarius aureus, bij verkorting alleenaureusgeheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zieaureus.DenselētaeofDenthelēti,Δενθελῆται, Δανθηλῆται, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.Dentātus, bijnaam in het geslacht derCurii.Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordtdenuntiatiovaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.Deo,Δηώ, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.Depontāniwerden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen depontesingevoerd werden bij het stemmen,iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben:sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donūsa, Amorgos, Serīphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen.Relegatiowas slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. wordendeportatioenrelegatiosomtijds dooreen gebezigd.Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.Derbices,Δερβίκκαι, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.Dercetis, -to,Δερκέτις, -κετώ, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.Dercyl(l)idas,Δερκυλ(λ)ίδας, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilāus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abȳdus en Sestus.Dertōna,Δέρθων, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.Dertōsa,Δερτῶσα, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Ibērus (Ebro).Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes,tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.—2)aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.—3)in de 3deeeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zieStrigilisenBalneum.Dèsultores, 1) paardrijders,voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.—2)numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.Detestatio sacrorum, plechtige afstand van desacrazijnergensbijarrogatioin eene andere, of verzaking van desacrader familie bij eentestamentum comitiis calatis factum.Deucalion,Δευκαλίων, 1) zoon van Promētheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenēa e. a.—2)zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, namdeel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.Deunx= 11unciae. Als muntstuk bestond dedeunxniet. Deashad 12unciae.Deva,Δηοῦα, thans Chester (afgeleid vanCastrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romāna. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidōna aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvānus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.Deversorium, zieCaupona.Dexippus,Δέξιππος, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3deeeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.—2)nieuw-platonisch wijsgeer in de 4deeeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.Dextans= 10 unciae of ⅚ as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.Di indigetes, enz., zieDii indigetes, enz.Dia, z.Dea Dia.Dia,Δία, 1) oude naam van het eiland Naxus.—2)eilandje ten N. van Midden-Creta.—3)eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad:Noviodunum, tgw. Jublains.Diacria,Διακρία, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.Διαδικασία, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.Διάδοχος, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulkediaetaemeenen te herkennen.Diaeus,Δίαιος, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).Diagoras,Διαγόρας, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.—2)van Melus, zoon van Teleclīdes, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaamἄθεος) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.Διαγραφῆς, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. deεἰσφορά) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.Διαιτητής, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.—Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.Διάκτορος, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.Διαμαρτυρία, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij deδιαμαρτυρίαgeen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in deἐπωβελία.Diāna, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13denAugustus, en deludi saeculareswaren aan haar en Apollo gewijd.—Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventīnus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopīum geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.Διαψήφισις. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluitbevolen, dat deδῇμος, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering derδημόταιwerd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heetteδιαψήφισις. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.—Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.Diasia,Διάσια, een groot feest ter eere van ZeusΜειλίχιοςden23stenAnthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.Δίαυλος δρόμος, of alleenδίαυλος, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.Dicaea, thracische stad bij het meer Bistōnis.Dicaearchia,Δικαιαρχία, havenstad van Cumae, later Puteoli.Dicaearchus,Δικαίαρχος, van Messāna, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. ZijnΒίος Ἑλλάδοςin 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.Δίχαλκον, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.Dictātor. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ookmagister populigeheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijnmagister equitum, die zijncollega minoren, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan deprovocatioonderworpen, zie echterValeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed,pro dictatore. Na afloop van den 2denPunischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met hetsenatus consultum ultimum(z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eenelex Valeria(z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooralrei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ookseditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool,quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is:dictatorem dicere. De grieksche vertaling isαὐτοκράτωρ, ookδικτάτωρ. Tot de insigniën van den dictator behoorden desella curulis, detoga praetextaen 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.Dictātor municipālis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel vanduumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidēnae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.Dicte,Δίκτη, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichtersDictaeus= cretensisch.Dictynna,Δίκτυννα, z.Britomartis.Dictys,Δίκτυς, 1) broeder van koning Polydectes van Serīphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.—2)D.Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4deeeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z.Dares.Διδασκαλία, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog deδιδασκαλίαgeheel of gedeeltelijk.—Δ.beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naamδιδασκαλία.Didia (lex)sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van delex Fanniavan 161.Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1)T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.—2)C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.—3)M. Didius (Sevērus) Juliānus,zieJulianino. 3.Dido,Διδώ, ookElissa,Ἔλισσα, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aenēis Aenēas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.Didrachma, -mum,δίδραχμον, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.Didyma,τὰ Δίδυμα, stad in het gebied van Milētus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darīus of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ookBranchidae.Didymus,Δίδυμος, 1) bijgenaamdΧαλκέντερος, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.—2)Claudius Didymus, z.Claudiino. 40.Dies Comitiāles, z.Comitiales dies.Dies Endotercīsi, z.Festi dies.Dies Fasti, z.Fasti.Dies Festi, z.Festi dies.Dies Nefasti, z.Nefasti dies.Dies Profesti, z.Festi dies.Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijkper confarreationemgesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr.Πανδέκται) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justiniānus.Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.Digitius (S.)werd door Scipio Africānus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrīni of novensides.Dii manes, zieManes.Dii novensides(novensiles) ofperegrīni, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met dedi(i) indigetes.Dii penātes, ziePenates.Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.Δι(ι)πόλιαofΒουφόνια, feest te Athene den 14denSkirophorion ter eere van ZeusΠολιεύςgevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.Δικασταὶ κατὰ δήμους, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclīdes (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijkοἱ τετταράκονταgenoemd worden.Δικαστήριον, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.Δικαστικόν, de belooning der rechters te Athene,μισθὸς δικαστικός. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (τριώβολον ἡλιαστικόν). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (σύμβολον), waarop zij na afloop der zitting bij deκώλακρέταιbetaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten alsδικαστικόνdoor den staat uitgegeven werden.Δίκη, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.Δίκη, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling vanγραφή, ookἀγὼν ἴδιος, δίκη ἰδίαgenoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling derδίκαιis vooral daardoor van die derγραφαίverschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijnκύριος, en dat beide partijen tot dekking vande kosten zekere geldsom (πρυτανεῖα) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (προστίμημα) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl.γραφή.Dimachaeri,διμάχαιροι, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.Dimallum,Δίμαλος, ook-λη, stad der Parthīni in Illyris graeca, aan de kust gelegen.Dimensuratio provinciarumis de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4eeeuw n. C., zieDivisio orbis terrarum.Dinarchus,Δείναρχος, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalēreus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.Dindymēne,Δινδυμήνη, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.Dindymum, -mus, -ma(plur.),Δίνδυμον, -μος, -μα, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaarDindymēneheet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.Dino,Δεινώ, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.Dinochares,Δεινοχάρης, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.Dinocrates,Δεινοκράτης, 1) z.Dinochares.—2)z.Philopoemen.Dio,Δίων, van Syracuse, zoon van Hipparīnus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclīdes, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclīdes bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.Dio Cassius(beterCassius Dio)Cocceiānus,Δίων ὁ Κάσσιος, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Sevērus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36–60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.Dio Chrysostomus Cocceiānus,Δίων ὁ Χρυσόστομος,geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traiānus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitiānus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.Διωβελία,z.θεωρικόν.Diocaesarēa,Διοκαισάρεια, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.Diocles,Διοκλῆς, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.—2)van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feestΔιόκλεια.—3)een van de vorsten te Eleusis, die door Demēter in de mysteriën onderwezen werden.—4)van Phlius, dichter der oude attische comedie.—5)demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl.Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.—6)van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.—7)van Peparēthus, grieksch geschiedschrijver uit de3eeeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.—8)rhetor uit den tijd van Augustus.Diocletiānus(C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximiānus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titelCaesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (ziepraefecturae). Als onderverdeeling van depraefecturaehad men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd doorduces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zichDominuslaat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedēa. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zieThermae.Diodōrus,Διόδωρος, 1) van Iasus, bijgenaamdCronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.—2)van Tyrus, te Athene leerling van Critolāus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.—3)D.Siculusvan Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Βιβλιοθήκη ἱστορική) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1–5, 11–20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.Diodotus,Διόδοτος, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z.Cleon).—2)van Erythrae, schrijver vanἘφημερίδες Ἀλεξάνδρου, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodōrus gebruik gemaakt hebben.—3)geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.Dioecesis,διοίκησις, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).Diogenes,Διογένης, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5eeeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werkπερὶ φύσεωςzijn enkele fragmenten bewaard.—2)de cynicus,ὁ Κύων, geb. 404 te Sinōpe. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde,ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hemΣωκράτης μαινόμενος. Op eene reis naar Aegīna werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.—3)van Seleucīa in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolāus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.—4)D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.Διοικισμός, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.Δίολκος, zieIsthmus.Diomedēae insulae,νῆσοι Διομήδειαι, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van denmons Gargānus. Zij waren genoemd naar Diomēdes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.Diomēdes,Διομήδης, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.—2)zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athēna altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodīte en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echterDemophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodīte, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialēa tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedēae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedēi Campi in Apulia naar hem genoemd.—3)latijnsch grammaticus uit de 4deeeuw na C., schreef 3 boekende arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.
Demeter (muurschildering te Pompeji).Demeter (muurschildering te Pompeji).
Demeter (muurschildering te Pompeji).
Demetrias,Δημητριάς, sterke vesting in het thessalische landschap Magnesia, aan de Pagasaeïsche golf, door Demetrius Poliorcētes gesticht en langen tijd een sleutel van Griekenland.
Demetrius,Δημήτριος, 1)Poliorcētes,Πολιορκητής, zoon van Antigonus I, geb. 337, onderscheidde zich reeds vroeg in de oorlogen, die zijn vader tegen de andere veldheeren van Alexander te voeren had. Hij streed met afwisselend geluk tegen Ptolemaeus en Seleucus (z.Antigonusno. 1), en verwierf zijn bijnaam door de uitvinding van merkwaardige belegeringswerktuigen, waardoor hij de stad Salamis op Cyprus tot de overgave dwong, nadat hij de vloot van Ptolemaeus, die aan de belegerden hulp kwam brengen, geheel verslagen had. Na deze dubbele overwinning nam hij, evenals zijn vader, den titel van koning aan (306). Na een mislukt beleg van Rhodus (304) trok hij naar Athene, vanwaar hij vroeger (307) de macedonische bezetting verjaagd had, maar dat thans weder door Cassander bedreigd werd; bij zijne komst trok Cassander zich terug, en D. bleef te Athene, waar hij, door het volk met overdreven eerbewijzen overladen, zich aan allerlei uitspattingen overgaf, totdat Antigonus, door het bondgenootschap van Cassander, Ptolemaeus, Lysimachus en Seleucus bedreigd, hem naar Azië terugriep. Met den slag bij Ipsus (301), waarbij Antigonus sneuvelde en D. slechts met een klein gedeelte van het leger kon vluchten, scheen alles voor hem verloren te zijn, vooral daar de Atheners weigerden hem in hunne stad te ontvangen, maar snel besloten deed hij een aanval op de kustlanden van Thracië, en verbond hij zich, zoodra er onder zijne vijanden oneenigheid begon te ontstaan, met Seleucus, wien hij zijne dochter tot vrouw gaf. In Syrië kwam spoedig daarop eene verzoening tusschen D. en Seleucus en hunne tegenpartij tot stand. D. verzamelde opnieuw een leger en eene vloot en trok naar Griekenland (296), waar hij Salamis, Aegīna en Athene innam en de Spartanen overwon. Vervolgens door Alexander, den jongeren broeder van koning Antipater van Macedonië, te hulp geroepen, verjoeg hij Antipater, maar ook Alexander liet hij dooden, waarna hij tot koning van Macedonië uitgeroepen werd (293). Met geluk streed hij tegen de oproerige Boeotiërs en tegen Pyrrhus van Epīrus, maar de groote toebereidselen, die hij maakte om de aziatische landen van zijn vader te heroveren, riepen een nieuw bondgenootschap van Seleucus, Lysimachus en Ptolemaeus tegen hem in het leven, en voor het tot een gevecht kwam, werd D., die om zijn hoogmoed en heerschzucht bij de Macedoniërs gehaat was, door zijn leger verlaten, zoodat hij moest vluchten (288). Van Griekenland uit zette hij aanvankelijk met geluk den oorlog voort, maar in het volgende jaar werd hij in het land van Seleucus door eene zware ziekte overvallen en was hij genoodzaakt zich over te geven. Seleucus hield hem tot zijn dood (283) te Apamēa gevangen. D. was een man van buitengewone bekwaamheid in den oorlog, vol geestkracht in tegenspoed en gevaar, daarbij was hij fijn beschaafd en kon hij in den omgang zeer aangenaam zijn, maar door overmoed, onbezonnenheid en zekere neiging tot het avontuurlijke en buitengewone kon hij van zijne voortreffelijke eigenschappen geen partij trekken en stierf hij als gevangene, betrekkelijk jong, deels van hartzeer, deels ten gevolge zijner uitspattingen.—2)D. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Antigonus Gonātas, regeerde 239–229 onder voortdurende oorlogen met de naburige volken.—3)D.Soter,Σωτήρ, zoon van Seleucus Philopator, leefde tot zijn 23stejaar als gijzelaar te Rome. Na den dood van Antiochus IV (165) ging hij, zonder toestemming, maar misschien niet tegen den wensch van den senaat, naar Syrië, waar hij zijn neef Antiochus V dwong hem de regeering af te staan. Wegens zijne wreedheid en dronkenschapgehaat, sneuvelde hij in een gevecht tegen Alexander Balas (150).—4)D.Nicātor,Νικάτωρ, zoon van no. 3, die een tijd lang als gijzelaar te Rome geleefd had, stiet Alexander Balas door de hulp van Ptolemaeus Philomētor van den troon (145), maar kon zich nauwelijks tegen de voortdurende opstanden zijner onderdanen en tegen Antiochus VI staande houden. In een oorlog tegen de Parthen, dien hij aanvankelijk met geluk voerde, werd hij krijgsgevangen gemaakt en eerst een krijgstocht, dien zijn broeder Antiochus tegen de Parthen ondernam, gaf hem de vrijheid en de regeering weder (130); toen hij echter in zijn rijk terugkwam moest hij spoedig weder voor Alexander Zabina vluchten en werd hij door handlangers van dezen of door zijne vrouw Cleopatra (no. 7) vermoord (126).—5)D.Εὔκαιρος, vierde zoon van Antiochus Grypus, streed met Antiochus X om de regeering van Syrië; in een strijd tegen zijn broeder Philippus werd hij door diens bondgenooten, de Parthen, gevangen genomen; hij stierf als gevangene (94).—6)D.Phalēreus,Φαληρεύς, leerling van Theophrastus. Door Cassander werd hem het bestuur van Athene opgedragen, dat hij van 317–307 zoo verdienstelijk waarnam, dat het dankbare volk hem 360 standbeelden oprichtte. Toen echter Demetrius Poliorcētes de Macedoniërs verjoeg, moest hij als een misdadiger vluchten. Hij begaf zich naar Thebe en van daar naar Aegypte, waar hij bij Ptolemaeus Lagi groote achting genoot; Ptolemaeus Philadelphus verbande hem echter naar Boven-Aegypte, waar hij in 283 aan de gevolgen van een slangebeet stierf. Hij was niet alleen als staatsman, maar ook als wijsgeer, redenaar en dichter beroemd; van zijne talrijke geschriften is echter niets overgebleven.—7)van Pharus, stadhouder van koningin Teuta (z. a.) op Corcȳra. Door verraad won hij de gunst der Rom. en kreeg hij, na afloop van den illyrischen oorlog, het geheele gebied dat vroeger door de Illyriërs veroverd was (228). Later tegen de Rom. in opstand gekomen, werd hij verjaagd en moest hij naar Philippus van Macedonië vluchten (219).—8)D.Belliēnus, vrijgelatene van een anderen D., verwekte onlusten bij de Intimilii, die door Caelius op last van Caesar met geweld onderdrukt moesten worden.—9)van Scepsis (± 150), schrijver van een werk over de antiquiteiten uit den tijd van den trojaanschen oorlog (Τρωικὸς διάκοσμος) in 30 boeken. Zijn mededeelingen omtrent de ligging van het homerische Troje zijn eerst door de opgravingen op het einde der vorige eeuw wederlegd.—10)D.Syrus, leeraar der welsprekendheid, wiens lessen Cicero te Athene bijwoonde.—11)van Magnesia, tijdgenoot van Cicero, schreef o.a. een boek over dichters en schrijvers, die door gelijkheid van naam dikwijls met elkaar verward werden.—12)van Gadara, vrijgelatene en gunsteling van Pompeius.—13)gunsteling van Caesar, na wiens dood hij door Antonius tot stadhouder van Cyprus benoemd werd.—14)van Sunium, leefde 40–90 na C. te Rome, waar hij als cynisch wijsgeer in hoog aanzien stond.
Deminutio capitis=Capitis deminutio.
Δήμιοι, δημόσιοι, δημόκοινοιheetten te Athene de ondergeschikten der elfmannen; het waren staatsslaven, die als gevangenbewaarders, beulen e. dgl. dienst deden.
Δημιουργοί, 1) de laatste van de drie phylen, waarin de bevolking van Attica door Theseus verdeeld werd.—2) in sommige staten van de Peloponnēsus de hoogste overheidspersonen (z. bijv.Achaeisch verbond).—3) eig. zij die voor het publiek werken; zoo noemde men allen, die door hun eigen werk in hun levensonderhoud moesten voorzien. Daar zulke personen uit den aard der zaak niet zooveel tijd als anderen op de markt, in de gymnasia en dergelijke openbare plaatsen konden doorbrengen, werden zij in vele staten als minder bij de algemeene belangen betrokken beschouwd, en genoten zij over het geheel weinig aanzien.
Democēdes,Δημοκήδης, van Croton, beroemd geneesheer, die op Aegīna (528), te Athene en op Samus met roem werkzaam was. Toen Samus door Darīus veroverd was (522), kwam hij als gevangene naar Susa, waar hij Darīus van een wond aan den voet en Atossa van een gezwel aan de borst genas, maar toen de koning hem als zijn lijfarts wilde behouden, wist hij te bewerken dat hij tot eene verkenningsreis naar de grieksche kusten gezonden werd (520); bij Tarentum ontsnapte hij, waarna hij naar zijne vaderstad terugkeerde en met de dochter van den worstelaar Milo trouwde. Als aanhanger van Pythagoras verbond hij zich met de aristocratische partij tegen de heerschende democratie; toen echter (in 500) de Pythagoraeërs ten offer vielen aan de woede van het volk, vluchtte hij naar Plataeae.
Demochares,Δημοχάρης, zoon van Laches en de zuster van Demosthenes, die zijne opvoeding leidde en hem van zijne beginselen doordrong. Als bestrijder van de macedonische partij had hij den grootsten invloed onder Demetrius Poliorcētes, maar werd hij verdreven toen de macht van Macedonië weder toenam. Als gezant naar Macedonië en Aegypte, als financier en in meer andere betrekkingen heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt. Zijn werk over de geschiedenis van zijn tijd is verloren gegaan. Zie ookDemosthenes.
Democritus,Δημόκριτος, van Abdēra, geb. 460 en op zeer hoogen ouderdom gestorven. Hij erfde van zijn vader een zeer groot vermogen en deed reizen naar Aegypte en het verre Oosten; in zijne vaderstad teruggekeerd, wijdde hij zich geheel aan de studie der wijsbegeerte en der natuurwetenschap. De atomistische leer, waarvan zijn leermeester Leucippus de grondslagen gelegd had, werd door D. nader uitgewerkt en tot een stelsel gemaakt. Volgens hem bestaat alles uit ondeelbare stofdeeltjes (ἄτομα), die soortelijk aan elkander gelijk zijn, maar in grootte engewicht verschillen; deze zijn eeuwig en in voortdurende beweging, en uit hunne vereeniging, die onder den invloed van een onberekenbaar toeval tot stand komt, ontstaan niet slechts werelden en andere lichamen, maar ook de zielen en goden. Tusschen de atomen is ledige ruimte, een niets (μηδέν), dat evengoed bestaat als het iets (δέν). De kennis, die alleen op zinnelijke waarneming berust, is onvolledig en duister (σκοτίη), de echte (γνησίη) wordt door onderzoek en studie verworven. Het hoogste goed is gemoedsrust (εὐεστώ, εὐθυμία, ἀταραξία), die men verkrijgt door in alle dingen de juiste maat te houden; van daar misschien zijn bijnaam van lacher (γελασῖνος). Van zijne talrijke werken, ook op taal- en letterkundig gebied, waarvan de belangrijke inhoud en de stijl geroemd wordt, is zeer weinig bewaard gebleven.
Demodocus,Δημόδοκος, de blinde zanger aan het hof van Alcinous, koning der Phaeaken.
Δῆμοι, onderafdeelingen der attische phylen. Van ouds was Attica vooradministratievedoeleinden in demen of districten verdeeld; door de nieuwe indeeling van Clisthenes werd hun aantal 100, zoodat 10 eene phyle vormden. Later vindt men 174 vermeld, er worden zelfs 199 namen van demen genoemd, waarvan echter velewaarschijnlijkop verkeerde lezing berusten. Zij, die tot denzelfden demus behooren (δημόται), brengen gemeenschappelijk zekere offers (ἱερὰ δημοτικά) en deelen in de inkomsten en uitgaven van den demus. Het bestuur berustte bij eenδήμαρχος, het beheer der financiën bij eenταμίας. Ieder burger moest tot een demus behooren en zich op zijn 18dejaar in het register (ληξιαρχικὸν γραμματεῖον), dat door den demarch gehouden werd, laten inschrijven.
Δημόκοινοι,z.δήμιοι.
Demōnax,Δημώναξ, van Cyprus, die ten tijde van Hadriānus te Athene leefde. Ofschoon hij tot de richting der cynici behoorde, wijdde hij zich ook aan de staatszaken en genoot hij algemeene achting. Hij stierf op zeer hoogen leeftijd vrijwillig van honger, om de lasten van den ouderdom te ontgaan.
Demophanes,Δημοφάνης,z.Ecdemus.
Demophilus,Δημόφιλος, 1) dichter der nieuwe attische comedie.—2)geschiedschrijver, zoon van Ephorus (z. a.).
Demophoon, -phon,Δημοφόων, -φῶν, 1) zoon van Celeüs. Toen Demēter bij Celeüs gastvrij ontvangen was, werd haar de zorg voor den kleinen Demophon opgedragen; uit dankbaarheid wilde de godin het kind onsterfelijk maken, waartoe zij hem bij dag met ambrosia zalfde en des nachts in het vuur reinigde. Toen echter Metanīra haar eens des nachts verraste en van schrik luid gilde, zag Demeter in toorn van haar plan af.—2)zoon van Theseus en Phaedra, ging met de Grieken naar Troja, waar hij zijne grootmoeder Aethra (z. a.) bevrijdde. Op de terugreis verloofde hij zich met Phyllis, dochter van den thracischen koning Sithon; hij ging echter voor het huwelijk naar zijn vaderland, en daar hij over den bepaalden tijd uitbleef hingPhylliszich op; zij werd in een amandelboom veranderd. Aan Diomēdes, die bij zijne terugkomst van Troja een inval in Attica deed zonder te weten in welk land hij was, ontnam D. het palladium. Hij verdedigde de Heracliden tegen Eurystheus, en regeerde ook nog, toen Orestes in Attica kwam.
Δημοποίητοι, vreemdelingen wien het burgerrecht geschonken was. Dit geschiedde, ten minste in vroegere tijden, te Athene hoogst zelden en alleen wegens bizondere verdiensten jegens het volk. Een voorstel om iemand het burgerrecht te verleenen moest in twee opeenvolgende volksvergaderingen aangenomen worden, en in de tweede moesten zich minstens 6000 stemmen bij geheime stemming voor den voorgestelde verklaren. Ook dan nog misten de nieuwe burgers sommige rechten; eerst hunne kinderen, soms hunne kleinkinderen, genoten het burgerrecht in zijn vollen omvang.
Δημόσιοι,z.δήμιοι.
Demosthenes,Δημοσθένης, 1) zoon van Alcisthenes, atheensch strateeg in den peloponnesischen oorlog, ondernemend, omzichtig en bekwaam. In 426, toen hij met 30 schepen de kusten van de Peloponnēsus plunderde, vormde hij het plan door Aetolië, Doris en Phocis te dringen en een inval in Boeotië te doen; door onbekendheid met land en volk mislukte deze onderneming en leed D. zulke verliezen, dat hij uit vrees voor den toorn der Atheners te Naupactus bleef. Toen hij echter den Spartanen bij die stad en bij het amphilochische Argos gevoelige verliezen had toegebracht, keerde hij naar Athene terug. In het volgende jaar bezette hij Pylus in Messenië en sloot hij de spartaansche hoplieten, die gekomen waren om hem te verjagen, op het eiland Sphacteria in; na een lang beleg dwong hij, door Cleon (z. a.) geholpen, hen tot de overgave. Toen in 413 de berichten, die Nicias van Syracūsae zond, steeds ongunstiger werden, werd D. met eene aanzienlijke vloot hem te hulp gezonden; de geleden verliezen waren echter reeds te groot, en D. vond bij zijn ambtgenoot te veel tegenstand, dan dat hij eenig voordeel kon behalen of het leger en de vloot kon redden; na de beslissende nederlaag werd hij, evenals Nicias, gevangen genomen en door de verbitterde Syracusanen ter dood gebracht.—2)Athener, zoon van Demosthenes, geb. 383, verloor op zijn zevende jaar zijn vader, die hem een vrij aanzienlijk vermogen naliet, waarvan echter, toen hij meerderjarig werd, bijna alles door zijne voogden verduisterd of verkwist was. In het proces, dat hij hun deswege aandeed (364), trad hij dus reeds zeer vroeg als redenaar op, zoodat sommigen ook vermoedden dat de bij die gelegenheid door hem gehouden redevoeringen niet door hem alleen, maar door of ten minste met de hulp van Isaeus gemaakt waren. Deze was reeds vroeger zijn leermeester in de welsprekendheid geweest, ofschoon hij natuurlijk ook andere redenaars hoorde, en de natuurlijke nadeelen, waarmede D. te kampen had, lichamelijkezwakte en een spraakgebrek, waren bij het onderwijs zoovele moeielijkheden, die hij alleen door bewonderenswaardige volharding kon te boven komen. Ofschoon D. het eerste proces tegen een van zijne voogden won, gelukte het hem niet zich in het bezit te stellen van het hem toekomende, en moest hij zich ten slotte met de betaling eener betrekkelijk kleine som tevreden stellen; dientengevolge vond hij het ook raadzaam met de twee andere voogden eene schikking te maken. Daarna hield hij zich alsλογογράφοςbezig met het schrijven van pleidooien, waarmede hij naar het schijnt veel succes had, doch deze werkzaamheid liet hij varen toen hij zich op de staatszaken ging toeleggen. Op ongeveer dertigjarigen leeftijd begon hij ook in de volksvergadering op te treden, v. s. nadat hij bij eene vroegere poging uitgefloten, maar door een beroemd tooneelspeler tot volharding aangemoedigd was. Voorshands hield hij zich met onderwerpen van ondergeschikt belang bezig, maar weldra zag hij dat van buiten een gevaar dreigde, dat den ondergang van Athene en geheel Griekenland ten gevolge moest hebben: de toenemende macht van Macedonië. Sedert 351, het jaar waarin hij zijn eerste Philippica hield, houdt D. niet op, de Atheners tegen Philippus te waarschuwen, en hen te wijzen op hunne verkeerdheden, waardoor het dezen mogelijk werd zich steeds grooter gebied te verwerven en meer en meer invloed op de aangelegenheden der Grieken te krijgen. Grievend moet het voor D. geweest zijn te zien, hoeweinigzijne vermaningen vermochten, hoe zelden de door hem voorgestelde maatregelen ten uitvoer gebracht werden, deels door de onverschilligheid van het volk, deels door gebrek aan bekwame veldheeren, maar vooral door het drijven van eene invloedrijke partij, die in het belang van Macedonië werkte en waarvan Aeschines (z. a.) de woordvoerder was. Het kon D. niet ontgaan, waartoe dit alles leiden moest; toen dan ook Philippus na den tweeden heiligen oorlog eensklaps het masker afnam en zelfs Athene bedreigde, was hij de eenige die niet verrast werd, die kalm genoeg bleef om ook nu nog verstandige maatregelen te nemen en oogenblikkelijk een bondgenootschap tusschen Thebe en Athene tot stand te brengen, dat aanvankelijk Philippus met goed gevolg scheen weerstand te bieden; de slag bij Chaeronēa besliste echter in het nadeel der Grieken. Vruchteloos waren ook de pogingen van D. om na den dood van Philippus een algemeen grieksch bondgenootschap tegen Macedonië in het leven te roepen; de snelheid en gestrengheid, waarmede Alexander op Thebe wraak nam, boezemde ieder schrik in, en alleen op voorspraak van Demādes zag Al. af van zijn eisch, dat met andere redenaars ook D. aan hem zoude uitgeleverd worden. Maar hoe weinig gevolg de bemoeiingen van D. ook hadden, het volk erkende steeds zijne edele bedoelingen en zijn vaderlandslievend streven; zoolang men zich nog konde bedriegen omtrent Philippus’ plannen, mocht het al lachen, wanneer D. door zijne vijanden een overdreven pessimist en “waterdrinker” genoemd werd, telkens wanneer zij een beslissenden slag tegen hem meenden te slaan, toonde het volk hoezeer het hem achtte. Toen D. Aeschines wegens hoogverraad aanklaagde, ontsnapte deze, in weerwil van zijne invloedrijke vrienden, ternauwernood aan eene veroordeeling; toen daarentegen Aeschines zich verzette tegen een volksbesluit, waarbij aan D. wegens zijne verdiensten een gouden krans werd toegekend, leed hij zulk een verpletterende nederlaag, dat hij een langer verblijf te Athene onmogelijk achtte (z.Aeschines). Ook werden aan D. verscheiden eerambten opgedragen, die hij alle met bekwaamheid en dikwijls met groote kosten waarnam, en de hardnekkige tegenstand der macedonischgezinden kon niet beletten, dat hem werd opgedragen de lijkrede over de gesneuvelden bij Chaeronea uit te spreken. Ongelukkige gevolgen had voor hem echter de komst van Harpalus (z. a.); ofschoon hij eerst afgeraden had dezen in de stad te ontvangen, beweerde men later dat hij zich had laten omkoopen om in het belang van Harpalus te werken; hij werd tot eene boete van 50 talenten veroordeeld, en daar hij die som niet kon betalen, werd hij gevangen gezet (324); hij ontvluchtte echter na weinige dagen en bracht eenigen tijd op Aegīna en te Troezen door, totdat hij bij de algemeene beweging, die door den dood van Alexander in geheel Griekenland ontstond, teruggeroepen werd. Hij werd in triumf te Athene ingehaald en leidde weder voor eenigen tijd met hart en ziel de toebereidselen voor den oorlog tegen Macedonië; na de nederlaag bij Crannon vluchtte hij naar den tempel van Poseidon te Calauria, waar hij, toen de troepen van Antipater naderden om hem gevangen te nemen, zich door vergif van het leven beroofde (October 322). Ruim 40 jaar later richtte het volk, op voorstel van Demochares, een standbeeld voor hem op, als voor een man die zijn vermogen voor het algemeen belang had opgeofferd, den staat vele diensten bewezen en vele bondgenooten verworven had, het volk steeds ten goede geraden had, en eindelijk in het gevaar den dood boven het verzaken zijner beginselen had gekozen. Zijne redevoeringen zijn voor een deel verloren gegaan, van de 61, die zijn naam dragen, worden 16 voor onecht gehouden; de echte gelden als modellen van welsprekendheid en dienen tot schitterende bewijzen van zijne bekwaamheid en zijn ijver, zoowel als van zijne vaderlandsliefde en zijn edel karakter. De belangrijkste en meest gelezen redevoeringen zijn:κατὰ Φιλίππου α´(begin 351), de 3 Olynthische (351–349),περὶ τῆς εἰρήνης(346),κατὰ Φιλίππου β´(344),περὶ τῆς παραπρεσβείας(343, zieAeschines),περὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳ(341),κατὰ Φιλίππου γ´(341),ὑπὲρ Κτησιφῶντος περὶ τοῦ στεφάνου(330, zieAeschines).
Denarius, zilveren rom. munt = 10 as, (zieas), later, toen de as in gewicht beperktwas = 16 as. De denarius is altijd in waarde gelijkgesteld met de Attische drachme. De stempels waren verschillend.Denarius aureus, bij verkorting alleenaureusgeheeten = 25 zilveren denarii of 100 sestertiën. Zieaureus.
DenselētaeofDenthelēti,Δενθελῆται, Δανθηλῆται, thracisch volk aan den Haemus, tusschen de rivieren Strymon en Nestus.
Dentātus, bijnaam in het geslacht derCurii.
Denuntiatio, de inleiding tot een proces, de mededeeling daarvan door den eischer aan den gedaagde en de afspraak der partijen om voor den praetor te verschijnen. Sedert M. Aurelius wordtdenuntiatiovaak gebezigd voor de gerechtelijke dagvaarding.
Deo,Δηώ, verkorte naam, die aan Demeter vooral bij de dichters gegeven werd.
Depontāniwerden wel eens de burgers boven 60 jaar genoemd. Den Romeinen zelf was de oorsprong van dezen naam duister. Misschien is de uitdrukking hieruit te verklaren, dat toen depontesingevoerd werden bij het stemmen,iuniores, hetzij in ernst of in scherts, geroepen hebben:sexagenarios de ponte, met deze beteekenis, dat de oude heeren, die door hun leeftijd geen diensten meer aan den staat verschuldigd waren, ook maar van de stembus moesten wegblijven. Dat de zestigjarigen echter het stemrecht gemist zouden hebben, is beslist onjuist.
Deportatio, verbanning naar eenige afgelegen strafkolonie, zooals de cycladische eilanden, Donūsa, Amorgos, Serīphus, Gyarus, onder militaire bewaking en met verlies van burgerrecht en bezittingen.Relegatiowas slechts eenvoudige verbanning naar eene bepaald aangewezen plaats, waar de balling overigens als vrij man leefde, en zonder verdere rechtsgevolgen. Onder de republiek waren deze straffen voor rom. burgers onbekend; zij dagteekenen uit den tijd van Augustus. Bij Tacitus e. a. wordendeportatioenrelegatiosomtijds dooreen gebezigd.
Derbe, belangrijke stad in Lycaonia, aan de grenzen van Isauria, het eerst genoemd als de woonplaats van den tyran Antipater, den vriend van Cicero.
Derbices,Δερβίκκαι, scythisch volk aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de steppen ten O. van de Caspische zee. Het zijn de afstammelingen van de Massageten, waartegen Cyrus te velde trekt.
Dercetis, -to,Δερκέτις, -κετώ, een syrisch meisje, moeder van Semiramis; zij liet den vader van haar kind dooden en het kind in een woestijn brengen, waar het door duiven gevoed werd; daarna stortte zij zich in een meer bij Ascalon en werd zij in een visch veranderd. De Syriërs vereerden haar onder den naam Atargatis als godin te Hierapolis; zij wordt afgebeeld met het bovenlijf van eene vrouw, dat in een vischstaart uitloopt.
Dercyl(l)idas,Δερκυλ(λ)ίδας, Spartaan, die in den peloponnesischen oorlog met roem diende. In 399 werd hem het bevel over het spartaansche leger in Klein-Azië opgedragen; hij herstelde de onder zijn voorganger Thibron verslapte krijgstucht, voerde met kracht den oorlog tegen de Perzen, en wist vooral door zijn groote slimheid, om welke hij Sisyphus bijgenaamd werd, groote voordeelen te behalen. Reeds hadden de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus een wapenstilstand met hem gesloten om de vredesvoorwaarden op te stellen; toen echter de koning van Perzië intusschen groote krijgstoerustingen maakte, kwam Agesilāus in Azië en nam het opperbevel van D. over. Deze bleef nog eenigen tijd bij het leger, en toen na den zeeslag bij Cnidus de Spartanen overal verjaagd werden, handhaafde hij zich in Abȳdus en Sestus.
Dertōna,Δέρθων, stad in Liguria, ten Z. van den Padus (Po), rom. kolonie met den bijnaam Julia, thans Tortona.
Dertōsa,Δερτῶσα, thans Tortosa, stad der Ilercavones in Tarraconensis nabij de monding van den Ibērus (Ebro).
Designator, 1) bediende in het theatrum, die aan de toeschouwers hunne plaatsen moest aanwijzen. De entréekaartjes,tesserae theatrales, wezen den rang, de afdeeling (cuneus) en het nummer der plaats aan, benevens den titel van het stuk.—2)aannemer van begrafenissen en lijkstaatsies.—3)in de 3deeeuw n. C. een scheidsrechter bij de wedrennen.
Destrictarium, vertrek waar men zich van stof, zweet en olie liet reinigen, zieStrigilisenBalneum.
Dèsultores, 1) paardrijders,voltigeurs, die in vollen ren van het paard sprongen, het bijhielden en er weder opsprongen, of ook wel met twee paarden of meer hunne kunsten vertoonden en van het eene op het andere oversprongen.—2)numidische en ook wel andere ruiters, die twee paarden bestuurden, en wanneer het eene vermoeid was, in vollen ren en volle wapenrusting op het andere oversprongen.
Detestatio sacrorum, plechtige afstand van desacrazijnergensbijarrogatioin eene andere, of verzaking van desacrader familie bij eentestamentum comitiis calatis factum.
Deucalion,Δευκαλίων, 1) zoon van Promētheus en Clymene, koning van Phthia, was met zijne vrouw Pyrrha de eenige die behouden bleven, toen Zeus het overige menschdom door eene overstrooming en een plasregen van negen dagen verdelgde. Het schip, dat hij op raad van Prometheus gebouwd had, landde bij het vallen van het water op den Parnassus (v. a. Athos of Aetna). Verschrikt door de eenzaamheid die hen omringde, raadpleegden zij het orakel van Themis, dat hun beval de beenderen hunner moeder achter zich te werpen. D. begreep dat hiermede steenen, als het ware de beenderen der moederaarde, bedoeld werden; zij gehoorzaamden aan het orakel en de steenen van D. werden mannen, die van Pyrrha vrouwen. Het graf van D. vond men te Athene bij den tempel van den olympischen Zeus, dat van Pyrrha te Cynus in Locris. Hunne kinderen waren Hellen, Amphictyon, Protogenēa e. a.—2)zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Idomeneus, namdeel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht.
Deunx= 11unciae. Als muntstuk bestond dedeunxniet. Deashad 12unciae.
Deva,Δηοῦα, thans Chester (afgeleid vanCastrum), in de buurt van Liverpool, stad in Britannia Romāna. Ook de aanliggende baai of breede riviermond, thans Dee, heette zoo.
Deverra, eene godin, die met Pilumnus en Intercidōna aangeroepen werd om eene kraamvrouw met haar kind tegen den invloed van Silvānus te beschermen. Om zich de hulp van die godheden te verzekeren, liet men des nachts drie mannen met bijl, stamper en bezem, de zinnebeelden der beschaving, om het huis loopen.
Deversorium, zieCaupona.
Dexippus,Δέξιππος, 1) grieksch geschiedschrijver in de 3deeeuw n. C., wiens voornaamste werk de gebeurtenissen na den dood van Alexander behandelde.—2)nieuw-platonisch wijsgeer in de 4deeeuw n. C., schrijver van commentaren op Aristoteles.
Dextans= 10 unciae of ⅚ as. Een muntstuk van dit bedrag bestaat niet.
Di indigetes, enz., zieDii indigetes, enz.
Dia, z.Dea Dia.
Dia,Δία, 1) oude naam van het eiland Naxus.—2)eilandje ten N. van Midden-Creta.—3)eilandje in de arabische golf (Roode Zee), voor de monding van de Aelanitische golf (Aelaniticus sinus).
Diablintes, een van de vier takken der Aulerci. Hoofdstad:Noviodunum, tgw. Jublains.
Diacria,Διακρία, het N.O. bergland van Attica. De Diacriërs waren het armste en meest democratisch gezinde gedeelte der attische bevolking.
Διαδικασία, in het algemeen de beslissing in een proces, in het bizonder in eene rechtszaak, waarin verschillende personen dezelfde aanspraken (bijv. op een voogdij, ambt e. dgl.) willen doen gelden; ook in een proces tegen de staatskas, wanneer iemand beweerde recht te hebben op verbeurdverklaarde goederen.
Διάδοχος, opvolger; in het bizonder wordt die naam gegeven aan hen, die na den dood van Alexander d. G. over de deelen van zijn rijk regeerden.
Diaeta, een complex van verschillende kamers in een Romeinsch huis, die samen een woning op zich zelf vormen. In Pompeii heeft men verscheidene zulkediaetaemeenen te herkennen.
Diaeus,Δίαιος, van Megalopolis, sedert 149 strateeg van het achaeisch verbond en aanvoerder in den oorlog tegen de Romeinen, die vooral door zijn toedoen ontstaan was; nadat hij door Mummius bij Leucopetra op den Isthmus verslagen was, maakte hij door vergif een einde aan zijn leven (146).
Diagoras,Διαγόρας, 1) van Rhodus, een der beroemdste athleten van Griekenland, vader en grootvader van athleten. Een van de gedichten van Pindarus is aan hem gewijd.—2)van Melus, zoon van Teleclīdes, hield zich in zijne jeugd met poëzie bezig, later werd hij een aanhanger van Democritus. Hij leefde meestal te Athene, waar hij door het loochenen der goden (vandaar zijn bijnaamἄθεος) en het bespotten der mysteriën zooveel aanstoot gaf, dat de Atheners een prijs op zijn hoofd stelden (411); hij vluchtte echter tijdig naar Corinthe. Deze verhalen zijn echter niet geheel betrouwbaar.
Διαγραφῆς, beambten te Athene, die ieders aanslag in buitengewone belastingen (bijv. deεἰσφορά) bepaalden en nalatige betalers vervolgden.
Διαιτητής, scheidsrechter. Te Athene werden civiele zaken, ter besparing van onkosten, meestal in de eerste instantie door een scheidsman behandeld. Op verzoek van den eischer wees de magistraat, die met de leiding van het proces belast was, door het lot een van de openbare scheidslieden aan, waarvan er meer dan honderd waren; van de beslissing van den scheidsman kon men bij de Heliaea appelleeren. De scheidsrechter kreeg bij elke zitting van beide partijen een drachme; wegens misbruiken in het waarnemen zijner betrekking kon hij bij de logisten aangeklaagd worden.—Bovendien kon men elk geschil bij overeenkomst door een of meer scheidsrechters laten beslissen, die men zelf koos; van hun uitspraak was echter geen appèl geoorloofd.
Διάκτορος, bijnaam van Hermes, als uitvoerder van de bevelen van Zeus.
Διαμαρτυρία, het bewijs door getuigen, dat eene aanklacht al of niet behoort in behandeling genomen te worden. De aangeklaagde kon eischen, dat de aanklager door getuigen bewees, dat er geen beletsel (verjaring e. dgl.) bestond om de zaak te behandelen, of anders zelf door getuigen bewijzen dat zulk een beletsel wel bestond. Wie bij deδιαμαρτυρίαgeen vijfde deel van de stemmen voor zich had, verviel in deἐπωβελία.
Diāna, oorspronkelijk eene italiaansche maangodin, wier wezen in nauw verband staat met dat van Janus, en wier dienst door latijnsche plebejers in Rome was ingevoerd; later werd zij geïdentificeerd met Artemis en werden alle attributen en mythen van deze op haar overgebracht. Zij was voornamelijk de godin van het mindere volk, ook slaven en slavinnen stonden onder hare bescherming. Haar feestdag viel op den 13denAugustus, en deludi saeculareswaren aan haar en Apollo gewijd.—Beroemd was de tempel, dien zij als beschermgodin van het latijnsche stedenverbond op den Aventīnus had. Ook te Aricia (z. a.) had zij een beroemd heiligdom. Haar eeredienst in den tempel op den Aventinus is ingericht naar dien van de Aricische Diana.
Dianium, kaap en stad van Tarraconensis, tegenover de Pityusen-eil. De stad, oudtijds eene kolonie van Massilia en toen Hemeroscopīum geheeten, had een beroemden Diana-tempel. Sertorius gebruikte de haven als marinestation.
Διαψήφισις. Wanneer er vermoeden bestond, dat iemand zich wederrechtelijk als atheensch burger had laten inschrijven, werd bij volksbesluitbevolen, dat deδῇμος, waartoe zulk een persoon behoorde, zijn ledenregister zoude herzien. In eene vergadering derδημόταιwerd dan dit register voorgelezen, en over iedereen, wiens recht men betwijfelde, werd gestemd; deze stemming heetteδιαψήφισις. De persoon, te wiens nadeele de stemming was uitgevallen, verloor zijn burgerrecht zonder verdere straf te beloopen; indien hij echter appelleerde en ook dan in het ongelijk gesteld werd, konden zijne goederen verbeurd verklaard en hijzelf als slaaf verkocht worden.—Ten tijde van Demosthenes gebeurde het eens, dat aan alle demen tegelijk het herzien hunner ledenlijsten werd opgedragen.
Diasia,Διάσια, een groot feest ter eere van ZeusΜειλίχιοςden23stenAnthesterion door de Atheners bij den Ilissus gevierd; het was een verzoeningsfeest, waarbij ieder burger een offer bracht; wie geen stuk vee kon betalen, gaf een gebak in den vorm van een schaap of varken.
Δίαυλος δρόμος, of alleenδίαυλος, een wedloop, waarin de dubbele lengte van de renbaan afgeloopen werd.
Dicaea, thracische stad bij het meer Bistōnis.
Dicaearchia,Δικαιαρχία, havenstad van Cumae, later Puteoli.
Dicaearchus,Δικαίαρχος, van Messāna, leerling van Aristoteles, beroemd als schrijver van wijsgeerige, geschied- en aardrijkskundige werken, die echter alle bijna geheel verloren gegaan zijn. ZijnΒίος Ἑλλάδοςin 3 boeken was het oudste werk over beschavingsgeschiedenis.
Δίχαλκον, grieksch koperen muntstukje, een vierde van een obolus.
Dictātor. De dictatuur, omstreeks 500 te Rome ingesteld, was in den grond een herstel der koninklijke macht, doch slechts voor zes maanden op zijn langst. Was de taak, waarvoor hij benoemd was, vroeger afgeloopen, dan behoorde de dictator zijn ambt neer te leggen. De dictator, oudtijds ookmagister populigeheeten, als aanvoerder van het voetvolk, werd benoemd door een der consuls, natuurlijk krachtens een senaatsbesluit; op zijne beurt benoemde hij zijnmagister equitum, die zijncollega minoren, zoo noodig, zijn plaatsvervanger was en met hem aftrad. Daar de onbeperkte volmacht van den dictator ouder was dan de instelling van het volkstribunaat, vermochten de volkstribunen niets tegen den dictator, die van zijnen kant ook niets tegen hen vermocht uithoofde hunner onschendbaarheid, zij konden elkander dus niet hinderen. De dictator was niet aan deprovocatioonderworpen, zie echterValeriae (leges) de provocatione, no. 3. In 217, na den slag bij het trasumeensche meer, was er geen consul te Rome om een dictator te benoemen; hierom werd Fabius Maximus (Cunctator) door het volk gekozen en niet tot dictator benoemd, maar met dictatoriale macht bekleed,pro dictatore. Na afloop van den 2denPunischen oorlog zijn geen dictatoren meer benoemd. In plaats van een dictator te benoemen, behielp men zich met hetsenatus consultum ultimum(z. a.). De benoeming van L. Cornelius Sulla door eenelex Valeria(z. a.) tot levenslang (perpetuus) dictator was eene dier onwettigheden, waaraan de laatste tijd der rom. republiek zoo rijk is. De rom. geschiedenis kent dictators, vooralrei gerundae causa, d. i. tot het voeren van een oorlog, maar ookseditionis causa, comitiorum habendorum c., senatus legendi c., delectus habendi c., feriarum Latinarum c., clavi figendi c., d. i. voor het inslaan van den gouden jaarspijker op het Capitool,quaestionis exercendae c., d. i. tot het leiden van een buitengewoon rechtsgeding. De officieele term voor de benoeming is:dictatorem dicere. De grieksche vertaling isαὐτοκράτωρ, ookδικτάτωρ. Tot de insigniën van den dictator behoorden desella curulis, detoga praetextaen 24 lictoren met roedenbundels en bijlen. De eerste dictator was T. Lartius Flavus, de eerste uit de plebs C. Marcius Rutilus, in 356. Ook bij het latijnsch verbond komen dictators voor.
Dictātor municipālis. In de municipia stonden meestal twee personen aan het hoofd van het gemeentebestuur met den titel vanduumviri iuri dicundo. Evenwel komen enkele afwijkingen voor. Zoo stond b.v. te Lanuvium, Aricia, Caere, Nomentum, Fidēnae, Tusculum één persoon aan het hoofd met den titel van dictator.
Dicte,Δίκτη, berg op Creta, waar Zeus geboren was. Bij rom. dichtersDictaeus= cretensisch.
Dictynna,Δίκτυννα, z.Britomartis.
Dictys,Δίκτυς, 1) broeder van koning Polydectes van Serīphus, die de kist aan land trok, waarin zich Danaë met haar kind bevond.—2)D.Cretensis, van Cnossus, had naar men meende, Idomeneus in den trojaanschen oorlog begeleid en op palmbladen een dagboek (Ephemeris) geschreven, dat ten tijde van Nero bij gelegenheid van eene aardbeving in zijn graf gevonden werd. Van dit werk bestaat eene latijnsche vertaling van zekeren L. Septimius, die in de 4deeeuw n. C. leefde; van het oorspronkelijk grieksche werk is onlangs een klein gedeelte gevonden. Z.Dares.
Διδασκαλία, een gedenkschrift betreffende de opvoering van een tooneelstuk, bevattende den titel van het stuk, den naam van den schrijver, den tijd en de plaats der opvoering, enz. Van deze documenten maakten latere schrijvers over geschiedenis der letterkunde of van het tooneel, v. s. Aristoteles het eerst, veel gebruik, en bij de meeste grieksche en latijnsche tooneelstukken, die bewaard gebleven zijn, bestaat ook nog deδιδασκαλίαgeheel of gedeeltelijk.—Δ.beteekent in de eerste plaats het instudeeren door den dichter van een koor, vooral voor tragedie en comedie, dan ook het opvoeren zelf der tooneelstukken; ook de stukken, die bij dezelfde gelegenheid ten tooneele kwamen, noemde men soms met een gemeenschappelijken naamδιδασκαλία.
Didia (lex)sumptuaria, tot beperking der uitgaven voor maaltijden, niet slechts te Rome, maar in geheel Italia, 143, een uitbreiding van delex Fanniavan 161.
Didii, aanzienlijk plebejisch geslacht. 1)T. Didius, consul in 98, overwon als praetor de Scordiscers. Als proconsul versloeg hij de Celtiberiërs in Hispania. Hij sneuvelde in den marsischen oorlog.—2)C. Didius, legaat van Caesar, sneuvelde in Hispania in den strijd tegen S. Pompeius.—3)M. Didius (Sevērus) Juliānus,zieJulianino. 3.
Dido,Διδώ, ookElissa,Ἔλισσα, geheeten, was de zuster van den tyrischen koning Pygmalion, en de echtgenoote van haren oom Acerbas of Sichaeus. Toen Pygmalion haar man had doen vermoorden, vluchtte Dido ± 870 met een aantal Tyriërs, en landde op de kust van Africa, waar zij van zekeren koning Iarbas een stuk grond kocht en aldaar de stad Carthago stichtte. Toen later Iarbas haar met geweld en onder bedreiging met een oorlog tot vrouw begeerde, richtte Dido een brandstapel voor zich op en doorstak zich daarop met een zwaard. Zij werd door de Carthagers als godin vereerd. Vergilius brengt in zijne Aenēis Aenēas en Dido samen, en laat Dido sterven tengevolge van hopelooze liefde voor Aeneas. Dezen vorm van de sage heeft hij aan Naevius en misschien ook aan Ennius ontleend.
Didrachma, -mum,δίδραχμον, grieksch zilveren muntstuk ter waarde van twee drachmen.
Didyma,τὰ Δίδυμα, stad in het gebied van Milētus, ook Branchidae geheeten, met een beroemden tempel en een orakel van Apollo, waarvan het geslacht der Branchiden de priesterlijke waardigheid vervulde. Door Darīus of door Xerxes werd de stad verwoest, doch later werd zij door de Milesiërs herbouwd. De bouw werd echter nooit geheel voltooid. Zie ookBranchidae.
Didymus,Δίδυμος, 1) bijgenaamdΧαλκέντερος, beroemd alexandrijnsch grammaticus, geb. in 63, wien door de ouden een fabelachtig aantal werken, v. s. 3500, worden toegeschreven. Voornamelijk hield hij zich bezig met commentaren en woordenboeken op Homerus, Sophocles, Aristophanes e. a. dichters en de attische redenaars.—2)Claudius Didymus, z.Claudiino. 40.
Dies Comitiāles, z.Comitiales dies.
Dies Endotercīsi, z.Festi dies.
Dies Fasti, z.Fasti.
Dies Festi, z.Festi dies.
Dies Nefasti, z.Nefasti dies.
Dies Profesti, z.Festi dies.
Diespiter, oude naam van Jupiter (Diovis pater).
Diffarreatio, eene in bizonderheden onbekende vorm van echtscheiding, wanneer het huwelijkper confarreationemgesloten was. Deze echtscheiding komt eerst sedert den keizertijd voor.
Digentia, een koel en helder beekje in het sabijnsche land, dat langs het landgoed van Horatius stroomde en zich in den Anio stortte.
Digesta, een verzameling van juridische geschriften; vooral wordt met dien titel, (gr.Πανδέκται) een gedeelte aangeduid van het wetboek van Justiniānus.
Digiti, door Cicero gebruikte latijnsche naam van de Dactyli Idaei.
Digitius (S.)werd door Scipio Africānus maior bij de inneming van Carthago nova (210) met een muurkrans begiftigd. Zijn zoon was in 194 praetor en stadhouder van Hispania citerior.
Dii indigetes, de inheemsche, oorspronkelijk rom. goden, in tegenstelling van de peregrīni of novensides.
Dii manes, zieManes.
Dii novensides(novensiles) ofperegrīni, goden wier dienst niet oorspronkelijk rom., maar van elders ingevoerd was, in tegenstelling met dedi(i) indigetes.
Dii penātes, ziePenates.
Dii selecti: hieronder verstaat Varro de voornaamste Romeinsche goden.
Δι(ι)πόλιαofΒουφόνια, feest te Athene den 14denSkirophorion ter eere van ZeusΠολιεύςgevierd. Men liet een stier van het heilige koren, dat op het altaar lag, eten en offerde hem daarop als het ware tot straf. De priester, die hem doodde, moest echter terstond na den doodelijken slag vluchten, en de bijl, waarmede het offer voltrokken was, werd in zijn plaats voor het gerecht gebracht, vervloekt en in zee geworpen. De huid van het offerdier werd opgevuld en daarna voor een ploeg gespannen. Sommigen zien in dit gebruik een overblijfsel van een oude dierenvereering.
Δικασταὶ κατὰ δήμους, rechters, die over minder belangrijke zaken en waarschijnlijk alleen in de demen buiten de stad oordeelden. Zij waren door Pisistratus ingesteld, om de landlieden buiten de stad te houden. Na zijn val werden ze afgeschaft, maar in 453 weder ingesteld ten getale van 30. Na Euclīdes (403) werd het getal op 40 gebracht, vanwaar zij gewoonlijkοἱ τετταράκονταgenoemd worden.
Δικαστήριον, lokaal waar eene rechtbank zitting houdt, ook de rechtbank zelve.
Δικαστικόν, de belooning der rechters te Athene,μισθὸς δικαστικός. Door Pericles werd aan de rechters eene betaling van een obolus voor iedere zitting toegekend, door Cleon werd deze verdrievoudigd (τριώβολον ἡλιαστικόν). De rechters ontvingen bij hunne komst in het gerechtshof een bewijsje (σύμβολον), waarop zij na afloop der zitting bij deκώλακρέταιbetaling kregen. Overdreven is ongetwijfeld het bericht, dat jaarlijks 150 talenten alsδικαστικόνdoor den staat uitgegeven werden.
Δίκη, godin der gerechtigheid, dochter van Zeus en Themis, dikwijls als straffende godin met de Erinyen vereenigd. Zij is dezelfde als Astraea.
Δίκη, proces, meer in het bizonder, in tegenstelling vanγραφή, ookἀγὼν ἴδιος, δίκη ἰδίαgenoemd, proces wegens persoonlijke beleediging, mishandeling, toegebrachte schade, enz. De behandeling derδίκαιis vooral daardoor van die derγραφαίverschillend, dat de aanklager moet zijn de betrokken persoon of zijnκύριος, en dat beide partijen tot dekking vande kosten zekere geldsom (πρυτανεῖα) moesten storten, die de verliezende partij aan de winnende moest terugbetalen. De straf bestond meestal in boete of schadeloosstelling, aan den aanklager te betalen, echter konden de rechters in sommige ernstige gevallen nog eene verhooging van straf (προστίμημα) bijv. gevangenisstraf, erbij voegen, en volgde op herhaalde veroordeelingen somtijds atimie. Vgl.γραφή.
Dimachaeri,διμάχαιροι, een soort van zwaardvechters. Uit den naam maakt men op, dat zij ieder met twee zwaarden gewapend waren.
Dimallum,Δίμαλος, ook-λη, stad der Parthīni in Illyris graeca, aan de kust gelegen.
Dimensuratio provinciarumis de titel van een klein geschrift over geographie uit de 4eeeuw n. C., zieDivisio orbis terrarum.
Dinarchus,Δείναρχος, van Corinthe, geb. omstreeks 361, kwam jong naar Athene en werd een leerling en vriend van Theophrastus en Demetrius Phalēreus. Als aanhanger van Cassander werd hij in 307 verbannen en ging hij naar Chalcis op Euboea, van waar hij eerst in 292 terugkwam; na den dood van Cassander liet Polyperchon hem ter dood brengen. Hij leefde van het schrijven van pleitredenen, waarin hij Demosthenes trachtte na te volgen; een van de drie redevoeringen, die zijn naam dragen, wordt door velen voor onecht gehouden.
Dindymēne,Δινδυμήνη, bijnaam van Rhea Cybele, naar haar tempel op den berg Dindymum, volgens de overlevering door de Argonauten gesticht.
Dindymum, -mus, -ma(plur.),Δίνδυμον, -μος, -μα, naam van twee bergen, beide aan Cybele geheiligd, die hiernaarDindymēneheet. De eene lag op de grenzen van Phrygia en Galatia, nabij de stad Pessinus, waar een tempel was met het uit den hemel gevallen beeld der godin, dat in 204 naar Rome werd overgebracht. De andere berg lag op het schiereiland van Cyzicus en had een tempel, die reeds door de Argonauten zou gesticht zijn.
Dino,Δεινώ, dochter van Phorcys, eene van de Graeae.
Dinochares,Δεινοχάρης, beroemd macedonisch bouwmeester, was belast met den aanleg van Alexandrië en richtte den brandstapel voor Hephaestion op. Van hem was het zonderlinge plan, uit den berg Athos een beeld van Alexander te houwen, dat in de rechterhand eene stad zoude dragen, en in de linker een schaal, waaruit eene rivier zou stroomen. V. a. is zijn naam Dinocrates, Timochares, Chirocrates of Stasicrates.
Dinocrates,Δεινοκράτης, 1) z.Dinochares.—2)z.Philopoemen.
Dio,Δίων, van Syracuse, zoon van Hipparīnus, zwager van den jongen Dionysius, geb. 409. Van nature met vele voortreffelijke eigenschappen begaafd en sedert zijne jeugd beoefenaar der wijsbegeerte, genoot hij algemeen hoog aanzien en oefende hij zelfs zoowel op den ouderen als op den jongeren Dionysius een gunstigen invloed uit. Maar zijne vijanden, vooral Philistus, wisten hem bij laatstgenoemden verdacht te maken, zoodat hij in 366 verbannen werd; hij ging naar Athene en leefde daar eenigen tijd, terwijl hij vooral met zijn vriend Plato omging, die vroeger op zijn verzoek tweemaal Syracuse bezocht had, en nu herhaaldelijk vergeefsche pogingen aanwendde om eene verzoening tusschen hem en den tyran te bewerken. Toen eindelijk de heerschappij van Dionysius steeds drukkender werd en zich vooral tegen de betrekkingen van Dio richtte, besloot hij een poging te wagen, om zijn vaderland te bevrijden. Met eene uiterst geringe macht landde hij in het W. van Sicilië (357), terwijl Dionysius hem met een vloot aan de kust van Italië afwachtte, en werd hij met vreugde door de Syracusanen ontvangen; daar echter de burcht in handen van Dionysius gebleven was, volgden nog langdurige gevechten en onderhandelingen, gedurende welke, vooral door de tegenwerking van zijn vroegeren aanhanger Heraclīdes, die nu bevelhebber van de vloot was, reeds oneenigheden tusschen Dio en zijne partijgenooten uitbraken, die eenmaal zoo hoog liepen, dat hij zich met de zijnen naar Leontini begaf; spoedig echter werd hij teruggeroepen en eindelijk moest Dionysius zijne aanspraken laten varen. Toen Dio nu echter zelf aan de regeering gekomen was, verminderde spoedig de ingenomenheid met hem, en kreeg hij door zijne overdreven gestrengheid en willekeurige handelingen vele vijanden. Vooral Heraclīdes bleef zich tegen hem verzetten, en toen hij dezen had laten ter dood brengen, steeg de ontevredenheid zoo hoog, dat weldra bij sommigen het plan opkwam zich van den geweldenaar te ontdoen. Zoo werd Dio, na eene regeering van ruim drie jaar, op een feestdag in zijn eigen kamer vermoord (354). Zijn aandenken werd echter hoog in eere gehouden en de Syracusanen richtten te zijner gedachtenis een gedenkteeken op.
Dio Cassius(beterCassius Dio)Cocceiānus,Δίων ὁ Κάσσιος, kleinzoon van Dio Chrysostomus, geb. te Nicaea 155 n. C., trad in 186 als redenaar te Rome op, werd senator, praetor, tweemaal consul en stadhouder van Pergamus, Africa, Dalmatië en Pannonië. Na eenigen tijd in Campania gewoond te hebben, ging hij naar Nicaea terug, waar hij zijn leven eindigde. Van zijn groot grieksch werk, bevattende in 80 boeken de romeinsche geschiedenis van de vroegste tijden tot Alexander Sevērus, een werk dat hij op aansporing van een droomgezicht onder handen nam en waaraan hij 22 jaren werkte, zijn 25 boeken (36–60) volledig bewaard gebleven, van de andere bestaan grootere of kleinere fragmenten en uittreksels. Het bevat belangrijke bijdragen voor de geschiedenis van het keizerrijk, ofschoon ook veel, dat ons weinig belang inboezemt, bijv. verhalen van wonderen, hofgeschiedenissen, enz.; in taal en stijl tracht hij de oude grieksche schrijvers na te volgen.
Dio Chrysostomus Cocceiānus,Δίων ὁ Χρυσόστομος,geb. te Prusa omstreeks 50 n. C., hield zich aanvankelijk met rhetorische, later met philosophische studiën bezig. Onder Nerva en Traiānus leefde hij, door beide keizers hoog geëerd, te Rome, van waar hij vroeger onder Domitiānus verbannen was. Van hem bestaan 80 in den vorm van redevoeringen geschreven verhandelingen over wijsbegeerte en zedekunde, uitmuntend door sierlijkheid en zuiverheid van taal, en zeer belangrijk voor de kennis der toestanden in zijn tijd.
Διωβελία,z.θεωρικόν.
Diocaesarēa,Διοκαισάρεια, vroeger Sepphoris, aanzienlijke stad in Galilaea; den nieuwen naam krijgt de stad na de verwoesting van Jerusalem.
Diocles,Διοκλῆς, 1) zoon van Orsilochus, koning van Pherae.—2)van Megara, om zijne dapperheid na zijn dood als heros vereerd; te zijner eere vierde men te Megara jaarlijks het feestΔιόκλεια.—3)een van de vorsten te Eleusis, die door Demēter in de mysteriën onderwezen werden.—4)van Phlius, dichter der oude attische comedie.—5)demagoog te Syracuse tijdens den peloponnesischen oorlog, aan wien vooral de barbaarsche behandeling der atheensche krijgsgevangenen geweten wordt. Na afloop van den oorlog tegen de Atheners bewerkte hij de wetten in democratischen geest, en men verhaalde, dat hij zichzelf van het leven beroofd zou hebben, omdat hij in strijd met zijn eigen wet gewapend in de volksvergadering gekomen was (vgl.Charondas). Na een ongelukkig gevecht tegen de Carthagers (409) werd hij verbannen, doch spoedig teruggeroepen.—6)van Carystus, beroemd geneesheer vóór den tijd van Aristoteles.—7)van Peparēthus, grieksch geschiedschrijver uit de3eeeuw, die over de oudste geschiedenis van Rome schreef. Zijn werk heeft Fabius Pictor (Fabii no. 25) als bron gebruikt.—8)rhetor uit den tijd van Augustus.
Diocletiānus(C. Aurelius Valerius), van geringe afkomst, in Dalmatia geboren, klom van gemeen soldaat onder keizer Probus tot stadhouder van Moesia op, en werd in Nov. 284 na C. door zijn leger tot keizer uitgeroepen. Daar hij inzag, dat bij de toenemende invallen der barbaren het rom. rijk te uitgebreid was voor één regent, nam hij in 285 Maximiānus tot Caesar, en in 286 tot Augustus en mederegent aan, wien hij het W. des rijks toevertrouwde, terwijl hij zelf de zorg voor het O. behield. In 293 namen zij nog twee hulpkeizers aan, met den titelCaesar, als het ware kroonprinsen, om hen later als Augusti op te volgen, n.l. Galerius voor het O., Constantius Chlorus voor het W. Tevens werd elke helft van het rijk nog weer in tweeën gesplitst (ziepraefecturae). Als onderverdeeling van depraefecturaehad men nu 12 dioeceses (z. a.), die weer onderverdeeld waren in 101 provincies. Italië werd met de overige provincies gelijk gesteld, en ook aan de grondbelasting onderworpen. Verder worden burgerlijk en militair gezag gescheiden. Het burgerlijk gezag is in handen van de 4praefecti praetorio, de legers worden gecommandeerd doorduces. In 305 legde Diocletianus, die naar rust verlangde, zijne waardigheid neder, om bij Salona stil te leven. Van zijn paleis aldaar zijn nog overblijfselen. Hij stierf in 313. Diocletianus behoort tot de keizers, die de Christenen streng vervolgden. Met hem begint de (absolute) monarchie. De senaat wordt ter zijde geschoven. Alle gezag gaat uit van den keizer, die zichDominuslaat noemen, en een streng hofceremonieel, aan het Oosten ontleend, invoert. De keizers wonen nu niet meer in Rome, maar meer aan de grenzen van het rijk, Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedēa. Toch heeft Diocl. nog veel in Rome gebouwd, zieThermae.
Diodōrus,Διόδωρος, 1) van Iasus, bijgenaamdCronus, megarisch wijsgeer aan het hof van Ptolemaeus Lagi.—2)van Tyrus, te Athene leerling van Critolāus en zijn opvolger als hoofd der peripatetische school.—3)D.Siculusvan Agyrium, leefde onder Augustus te Rome. Na dertig jaar in Europa en Azië gereisd en met ernst zijne bronnen bestudeerd te hebben, zette hij zich tot het schrijven van eene algemeene geschiedenis (Βιβλιοθήκη ἱστορική) van de vroegste tijden tot Caesar in 40 boeken, waarvan 15 (1–5, 11–20) geheel bewaard gebleven zijn, terwijl van de overige fragmenten en uittreksels bestaan. Hoewel hij zijne bronnen gewoonlijk zonder kritiek eenvoudig naschrijft en ten gevolge van zijne streng synchronistische indeeling aan zijn werk geene eenheid wist te geven, is het toch belangrijk door vele van elders onbekende berichten, vooral betreffende de geschiedenis van Sicilië.
Diodotus,Διόδοτος, 1) Athener, op wiens voorstel de Atheners het besluit introkken om de afvallige Mytilenaeërs te dooden (z.Cleon).—2)van Erythrae, schrijver vanἘφημερίδες Ἀλεξάνδρου, een werk, dat verloren gegaan is, maar waarvan Plutarchus en Diodōrus gebruik gemaakt hebben.—3)geleerd stoicijnsch wijsgeer, leermeester en vriend van Cicero, in wiens huis hij woonde en stierf (49/48), en wien hij zijn vermogen naliet.
Dioecesis,διοίκησις, onderafdeeling van het keizerrijk sedert Diocletianus (z. a.).
Diogenes,Διογένης, 1) van Apollonia op Creta, ionisch wijsgeer uit het einde van de 5eeeuw, die, evenals Anaximenes, de lucht als de grondstof van alles aannam. Van zijn werkπερὶ φύσεωςzijn enkele fragmenten bewaard.—2)de cynicus,ὁ Κύων, geb. 404 te Sinōpe. Met zijn vader Hicesias, die als valsche munter veroordeeld was, vluchtte hij als knaap naar Athene, waar hij leerling werd van Antisthenes. In de praktijk dreef hij de leer van dezen, dat het geluk bestaat in het gemis van behoeften, tot zulk een uiterste, dat hij bij de Atheners tot een voorwerp van spot werd. Hij gebruikte het slechtste voedsel, kleedde zich als een bedelaar, en nam inderdaad ook wel aalmoezen aan; hij woonde in een klein, armoedig huisje, dat men spottend een ton noemde,ofschoon hij meestal onder den blooten hemel of in eene stoa sliep. Van geleerdheid of wijsgeerige bespiegelingen had hij een afkeer; onbekommerd om den spot zijner tijdgenooten, hekelde hij op zijn beurt de dwaasheden, maar evenzeer de beschaving van zijn tijd. Plato noemde hemΣωκράτης μαινόμενος. Op eene reis naar Aegīna werd hij door zeeroovers gevangen genomen en op Creta als slaaf verkocht; Xeniades van Corinthe kocht hem en vertrouwde hem de opvoeding zijner kinderen toe, van welke taak hij zich tot genoegen van zijne leerlingen en hun vader kweet. (V. s. is dit verhaal, zooals zoovele omtrent hem, verzonnen). Daarna vrijgelaten, leefde hij des winters te Athene, des zomers te Corinthe, waar hij in 323, naar men verhaalde op straat, stierf.—3)van Seleucīa in Babylon, leerling van Chrysippus en eenigen tijd hoofd der stoicijnsche school, werd met Carneades en Critolāus in 155 als gezant naar Rome gezonden. Van zijne talrijke werken is niets overgebleven.—4)D. Laërtius, leefde te Athene waarschijnlijk in het begin van de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 10 boeken over het leven en de leerstellingen van beroemde wijsgeeren, dat een hoofdbron is voor de geschiedenis der wijsbegeerte, ofschoon de tekst waarschijnlijk in hooge mate vervalscht is.
Διοικισμός, de gewelddadige ontbinding eener aanzienlijke stad en verdeeling van de inwoners in kleine landelijke gemeenten; een van de middelen tot invoering eener aristocratische staatsregeling.
Δίολκος, zieIsthmus.
Diomedēae insulae,νῆσοι Διομήδειαι, vijftal eilandjes aan de Oostkust van Italia, ten N. van denmons Gargānus. Zij waren genoemd naar Diomēdes, die na den val van Troje, op de apulische kust zou geland zijn. Op het grootste van deze eilanden, Trimerus (Trimetus), heeft Julia, de kleindochter van Augustus, twintig jaar in ballingschap geleefd.
Diomēdes,Διομήδης, 1) koning der Bistonen in Thracië, die de vreemdelingen, welke in zijn rijk kwamen, aan zijne paarden tot voedsel gaf. Heracles liet hem zelf dit lot ondergaan en bracht de paarden aan Eurystheus.—2)zoon van Tydeus en Deipyle, nam deel aan den oorlog der epigonen. Na afloop daarvan volgde hij zijn grootvader Adrastus als koning van Argos op, en trok hij met 80 schepen met de Grieken naar Troja, waar hij zich een van de dapperste helden betoont, onder bescherming van Athēna altijd in de voorste rijen strijdt, en zelfs Aphrodīte en Ares wondt. Met Odysseus dringt hij door een onderaardschen gang in de stad en rooft het palladium, dat hij later naar Argos medeneemt (z. echterDemophon). In Argos teruggekeerd, vindt hij dat Aphrodīte, uit wraak voor de haar bij Troje toegebrachte wond, zijne vrouw Aegialēa tot overspel verleid heeft; daarom vertrekt hij, hetzij vrijwillig, hetzij uit vrees voor hare lagen, naar Aetolië, en geeft zijn grootvader Oeneus de regeering weder, die hem door zijn broeder Agrius ontnomen was. Op de terugreis wordt hij door storm naar de kust van Italië gedreven en landt hij in Daunia, hij ondersteunt koning Daunus tegen de Messapiërs, neemt diens dochter Euippe tot vrouw, sticht vele steden (Beneventum, Brundisium e. a.) en sterft op hoogen leeftijd. V. a. zoude hij op het laatst van zijn leven naar Argos teruggekeerd en daar gestorven zijn, of zoude hij op reis daarheen op een van de Insulae Diomedēae verdwenen zijn, terwijl zijne tochtgenooten van verdriet over zijn verlies in reigers (aves Diomedeae) veranderden. In verscheiden steden van Italië en Griekenland werd hij als heros vereerd, te Argos stond zijn dienst in nauw verband met dien van Athena. Behalve bovengenoemde eilandjes zijn ook de Diomedēi Campi in Apulia naar hem genoemd.—3)latijnsch grammaticus uit de 4deeeuw na C., schreef 3 boekende arte grammatica, in hoofdzaak een uittreksel uit oudere dergelijke werken en vol citaten uit oude schrijvers.