Diomēdis Campi=Campi Diomēdis.Diomedon,Διομέδων, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginūsae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z.Leono. 4.Διόμεια, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.Διωμοσία, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z.ἀντωμοσία.Dion=Dio.Diōne,Διώνη, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodīte. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodōna als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet somsΔιώνηof meerΔιωναία.Dionysia,Διονύσια, feesten ter eere van Dionȳsus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (Δ. τὰ κατ’ ἀγρούς, ἐν ἀγροῖς, τὰ μικρά), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zieAnnus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren deἀσκώλια, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.—2)de groote of stedelijke (Δ. τὰ μεγάλα, τὰ κατ’ ἄστυ, ἀστικά, ook alleenΔ.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z.Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid,terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.—Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.Dionysi(a)des,Διονυσιάδης, -σίδης, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.Dionysius,Διονύσιος, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.—2)de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontīni enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.—3)de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.—4)van Milētus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanīcus.—5)van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodōrus als bronnen gebruikt werden.—6)D.Thrax, (ὁ Θρᾷξ), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.—7)van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Ῥωμαϊκὴ ἀρχαιολογία) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.—8)van Halicarnassus, bijgenaamdὁ Μουσικός, naar zijneΜουσικὴ ἱστορία, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadriānus.—9)de reisbeschrijver (ὁ περιηγητής), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters eenoverzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Aviēnus.Dionysus van het Vaticaan.Dionysus van het Vaticaan.Dionysus van het Louvre-Museum.Dionysus van het Louvre-Museum.Dionȳsus,Διόνυσος,Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z.Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z.Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Ἀνθεύς, Ἄνθιος, Δενδρίτης, Ὕης, Φλοιός), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demēter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Θεσμοφόρος), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Ἴακχος) draagt, of als broeder of bruidegom van CoreΚόροςheet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Λυαῖος), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (ἐνθουσιασμός). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Μελπόμενος) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogerestemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Βάκχος, Βρόμιος, Εὔιος). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Νυκτέλια), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreetεὐοῖ, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.—De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (θίασος), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodīte. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.—De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.Diophanes,Διοφάνης, grieksch redenaar van Mytilēne, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.Diophantus,Διόφαντος, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.—2)alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3deof het begin van de 4deeeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werkἈριθμητικάis ongeveer de helft bewaard gebleven.Diopīthes,Διοπείθης, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonēsus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoeringπερὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳen zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.Diōres,Διώρης, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.—2)vader van Automedon.—3)zoon van Priamus, ging met Aenēas naar Italië en werd door Turnus gedood.Dioscorides,Διοσκορίδης, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.—2)grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.—3)PedaniusD., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15deeeuw als het voornaamste op dit gebied gold.Dioscūri,Διόσκουροι,Castor(Κάστωρ) enPollux(Πολυδεύκης), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae,Τυνδαρίδαι), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z.Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15denJuli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zijἌνακες, te Rome ook welCastoresgenoemd.Dioscurias,Διοσκουρίας, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traiānus Sebastopolis bijgenaamd.Diospolis,Διόσπολις, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ookmagna,ἡ μεγάλη, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lagDiospolis minor,ἡ μικρά. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zieLydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ookCabira.Diōta, wijnkruik met twee ooren.Diotīmus,Διότιμος, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegenCorinthe te hulp gezonden werd (433).—2)atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.—3)zoon van Diopīthes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.Diotrephes,Διοτρέφης, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.Dioxippus,Διώξιππος, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.—2)atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.Dipaea,Διπαία, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinēa, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.Diphilus,Δίφιλος, 1) grieksch episch dichter uit de 5deeeuw.—2)van Sinōpe, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philēmon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.—3)stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringenLabyrinthbijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.—4)tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.—5)schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Liciniino. 12).—6)beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.—7)schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.Diphridas,Διφρίδας, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.Διφθέρα, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.Diplōma,δίπλωμα, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onderdiplomaeen giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.Dipylon,τὸ Δίπυλον, vroegerαἱ Θριάσιαι πύλαιgeheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academīa. Vóór de poort lagὁ ἔξω Κεραμεικός, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkantὁ ἐντὸς Κ.(z.Athenaeaan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.Dirae=Furiae.Dirce,Δίρκη, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z.Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.Diribitores(diribēre=dishibēre) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw,diribitorium, oprichten.Dis=Pluto.Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.Discordia, z.Eris.Discobolus.Discobolus.Δισκοβολία, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van hetπένταθλον, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (δίσκος), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (δισκοβόλος) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.Dispensātor, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.Dithyrambus,διθύραμβος, lied bij de feesten van Dionȳsus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arīon, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5deeeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.Dium,Δῖον, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.—2)stad in het N. van Euboea.—3)stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aanden Granīcus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.—4)kaap op de N. kust van Creta.Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformuleme Dius Fidiussc.iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, griekschΖεὺς Πίστιος. Hij had al in de 5deeeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ookFides.Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longīnus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikelsauguria, haruspicesenextispicium, voor de Griekenμαντεία. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. ZieCaeciliino. 30.Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4deeeuw n. C., evenals deDimensuratio imperiiuitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.Divīsor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.Divitiācus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.—Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.Divodūrum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.Divōna, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijkper confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden doordiffarreatio(eerst sedert den keizertijd); een huwelijkper aes et libram(coëmptio) werd doorremancipatio per aes et libramte niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide:tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw:tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zierepudium.Divus, de titel van gestorven keizers na deconsecratio. ZieApotheosis.Diyllus,Δίυλλος, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3deeeuw.Dobērus,Δόβηρος, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.Dobreta(Dobretae), stad in Dacia, aan den linkeroever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.Dodecaschoenus,Δωδεκάσχοινος, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12schoeni= 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syēne en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z.Napata), schijnt onjuist te zijn.Dodōna,Δωδώνη, oude stad in Epīrus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomārus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters,ΣελλοίofἙλλοί, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen,Πελειάδες, genoemd.Dodrans= 9unciae= ¾ as.Δοκιμασία, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.Dolabella, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 35–38.Doliche,Δολίχη, 1) stad in Commagēne ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van ZeusΔολιχηνός,JupiterDolichēnus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagēne (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.—2)stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.—3)= Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus.—4)oude naam voor het eiland Icarus.Δόλιχος, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heetδολιχόδρομος.Dolon,Δόλων, Trojaan, zoon van Eumēdes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomēdes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door debeideGrieken gedood.Dolonci,Δόλογκοι, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonēsus.Dolopes,Δόλοπες, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epīrus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling,dolus malusgeheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staatdolusalleen meestal in de beteekenisdolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf:si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestarebeteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken isdolus malusminder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die hetcommerciumhad en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Hetius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, dencivisachter te stellen bij denperegrinusen zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer vanquiritarischenenbonitarischeneigendom. Tot deres mancipib.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigenper aes et librammoesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke eenreseenvoudig door overgave,traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geendominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit:in bonis habere.Domitia (lex)de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 4) aangelegd.Domitiānus(T. Flavius), jongste zoon van Vespasiānus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82–83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85–86 en 87–89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van “Heer en God” toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, deAhenobarbien deCalvāni. 1)L. Domitiuszou den naamAhenobarbus(koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzingwelkeoverwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.—2)Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Alspraetor urbanuswijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ookScriboniino. 2.—3)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.—4)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet devia Domitiain Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.—5)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker derlex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem totpontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Liciniino. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.—6)L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoonvanno. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).—7)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.—8)L. Dom. Ahenobarbus,zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochtervan Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsālus.—9)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsālus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z.Domitiino. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.—10)L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hijpontes longiaanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.—11)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus’ dochter Agrippīna, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zieNero.—12)Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passiēnus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.—13)Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippīna omgebracht (54).—14)Cn. Dom. Calvīnus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.—15)Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsālus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39–36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielderegia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. ZieFastino. 2.—16)Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55–66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. Defossa Corbulonisop het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.—17)Domitia Longīna, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitīanus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ookDomitillageheeten.—Niet tot degens Domitiabehooren: 18)Domitius Afer, redenaar; zieAfer.—19)Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.—20)Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zieUlpianus.—21)L. Domitius Aureliānus, rom. keizer; zieAurelianus.—22)Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.
Diomēdis Campi=Campi Diomēdis.Diomedon,Διομέδων, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginūsae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z.Leono. 4.Διόμεια, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.Διωμοσία, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z.ἀντωμοσία.Dion=Dio.Diōne,Διώνη, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodīte. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodōna als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet somsΔιώνηof meerΔιωναία.Dionysia,Διονύσια, feesten ter eere van Dionȳsus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (Δ. τὰ κατ’ ἀγρούς, ἐν ἀγροῖς, τὰ μικρά), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zieAnnus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren deἀσκώλια, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.—2)de groote of stedelijke (Δ. τὰ μεγάλα, τὰ κατ’ ἄστυ, ἀστικά, ook alleenΔ.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z.Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid,terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.—Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.Dionysi(a)des,Διονυσιάδης, -σίδης, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.Dionysius,Διονύσιος, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.—2)de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontīni enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.—3)de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.—4)van Milētus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanīcus.—5)van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodōrus als bronnen gebruikt werden.—6)D.Thrax, (ὁ Θρᾷξ), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.—7)van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Ῥωμαϊκὴ ἀρχαιολογία) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.—8)van Halicarnassus, bijgenaamdὁ Μουσικός, naar zijneΜουσικὴ ἱστορία, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadriānus.—9)de reisbeschrijver (ὁ περιηγητής), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters eenoverzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Aviēnus.Dionysus van het Vaticaan.Dionysus van het Vaticaan.Dionysus van het Louvre-Museum.Dionysus van het Louvre-Museum.Dionȳsus,Διόνυσος,Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z.Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z.Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Ἀνθεύς, Ἄνθιος, Δενδρίτης, Ὕης, Φλοιός), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demēter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Θεσμοφόρος), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Ἴακχος) draagt, of als broeder of bruidegom van CoreΚόροςheet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Λυαῖος), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (ἐνθουσιασμός). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Μελπόμενος) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogerestemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Βάκχος, Βρόμιος, Εὔιος). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Νυκτέλια), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreetεὐοῖ, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.—De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (θίασος), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodīte. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.—De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.Diophanes,Διοφάνης, grieksch redenaar van Mytilēne, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.Diophantus,Διόφαντος, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.—2)alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3deof het begin van de 4deeeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werkἈριθμητικάis ongeveer de helft bewaard gebleven.Diopīthes,Διοπείθης, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonēsus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoeringπερὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳen zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.Diōres,Διώρης, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.—2)vader van Automedon.—3)zoon van Priamus, ging met Aenēas naar Italië en werd door Turnus gedood.Dioscorides,Διοσκορίδης, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.—2)grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.—3)PedaniusD., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15deeeuw als het voornaamste op dit gebied gold.Dioscūri,Διόσκουροι,Castor(Κάστωρ) enPollux(Πολυδεύκης), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae,Τυνδαρίδαι), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z.Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15denJuli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zijἌνακες, te Rome ook welCastoresgenoemd.Dioscurias,Διοσκουρίας, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traiānus Sebastopolis bijgenaamd.Diospolis,Διόσπολις, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ookmagna,ἡ μεγάλη, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lagDiospolis minor,ἡ μικρά. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zieLydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ookCabira.Diōta, wijnkruik met twee ooren.Diotīmus,Διότιμος, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegenCorinthe te hulp gezonden werd (433).—2)atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.—3)zoon van Diopīthes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.Diotrephes,Διοτρέφης, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.Dioxippus,Διώξιππος, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.—2)atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.Dipaea,Διπαία, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinēa, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.Diphilus,Δίφιλος, 1) grieksch episch dichter uit de 5deeeuw.—2)van Sinōpe, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philēmon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.—3)stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringenLabyrinthbijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.—4)tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.—5)schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Liciniino. 12).—6)beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.—7)schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.Diphridas,Διφρίδας, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.Διφθέρα, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.Diplōma,δίπλωμα, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onderdiplomaeen giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.Dipylon,τὸ Δίπυλον, vroegerαἱ Θριάσιαι πύλαιgeheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academīa. Vóór de poort lagὁ ἔξω Κεραμεικός, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkantὁ ἐντὸς Κ.(z.Athenaeaan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.Dirae=Furiae.Dirce,Δίρκη, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z.Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.Diribitores(diribēre=dishibēre) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw,diribitorium, oprichten.Dis=Pluto.Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.Discordia, z.Eris.Discobolus.Discobolus.Δισκοβολία, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van hetπένταθλον, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (δίσκος), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (δισκοβόλος) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.Dispensātor, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.Dithyrambus,διθύραμβος, lied bij de feesten van Dionȳsus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arīon, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5deeeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.Dium,Δῖον, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.—2)stad in het N. van Euboea.—3)stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aanden Granīcus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.—4)kaap op de N. kust van Creta.Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformuleme Dius Fidiussc.iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, griekschΖεὺς Πίστιος. Hij had al in de 5deeeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ookFides.Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longīnus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikelsauguria, haruspicesenextispicium, voor de Griekenμαντεία. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. ZieCaeciliino. 30.Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4deeeuw n. C., evenals deDimensuratio imperiiuitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.Divīsor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.Divitiācus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.—Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.Divodūrum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.Divōna, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijkper confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden doordiffarreatio(eerst sedert den keizertijd); een huwelijkper aes et libram(coëmptio) werd doorremancipatio per aes et libramte niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide:tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw:tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zierepudium.Divus, de titel van gestorven keizers na deconsecratio. ZieApotheosis.Diyllus,Δίυλλος, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3deeeuw.Dobērus,Δόβηρος, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.Dobreta(Dobretae), stad in Dacia, aan den linkeroever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.Dodecaschoenus,Δωδεκάσχοινος, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12schoeni= 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syēne en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z.Napata), schijnt onjuist te zijn.Dodōna,Δωδώνη, oude stad in Epīrus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomārus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters,ΣελλοίofἙλλοί, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen,Πελειάδες, genoemd.Dodrans= 9unciae= ¾ as.Δοκιμασία, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.Dolabella, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 35–38.Doliche,Δολίχη, 1) stad in Commagēne ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van ZeusΔολιχηνός,JupiterDolichēnus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagēne (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.—2)stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.—3)= Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus.—4)oude naam voor het eiland Icarus.Δόλιχος, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heetδολιχόδρομος.Dolon,Δόλων, Trojaan, zoon van Eumēdes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomēdes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door debeideGrieken gedood.Dolonci,Δόλογκοι, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonēsus.Dolopes,Δόλοπες, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epīrus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling,dolus malusgeheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staatdolusalleen meestal in de beteekenisdolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf:si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestarebeteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken isdolus malusminder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die hetcommerciumhad en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Hetius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, dencivisachter te stellen bij denperegrinusen zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer vanquiritarischenenbonitarischeneigendom. Tot deres mancipib.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigenper aes et librammoesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke eenreseenvoudig door overgave,traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geendominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit:in bonis habere.Domitia (lex)de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 4) aangelegd.Domitiānus(T. Flavius), jongste zoon van Vespasiānus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82–83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85–86 en 87–89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van “Heer en God” toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, deAhenobarbien deCalvāni. 1)L. Domitiuszou den naamAhenobarbus(koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzingwelkeoverwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.—2)Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Alspraetor urbanuswijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ookScriboniino. 2.—3)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.—4)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet devia Domitiain Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.—5)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker derlex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem totpontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Liciniino. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.—6)L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoonvanno. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).—7)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.—8)L. Dom. Ahenobarbus,zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochtervan Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsālus.—9)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsālus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z.Domitiino. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.—10)L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hijpontes longiaanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.—11)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus’ dochter Agrippīna, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zieNero.—12)Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passiēnus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.—13)Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippīna omgebracht (54).—14)Cn. Dom. Calvīnus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.—15)Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsālus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39–36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielderegia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. ZieFastino. 2.—16)Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55–66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. Defossa Corbulonisop het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.—17)Domitia Longīna, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitīanus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ookDomitillageheeten.—Niet tot degens Domitiabehooren: 18)Domitius Afer, redenaar; zieAfer.—19)Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.—20)Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zieUlpianus.—21)L. Domitius Aureliānus, rom. keizer; zieAurelianus.—22)Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.
Diomēdis Campi=Campi Diomēdis.
Diomedon,Διομέδων, atheensch admiraal uit den laatsten tijd van den peloponnesischen oorlog, behaalde eenige voordeelen op de afvallige bondgenooten, was een van de admiraals die den slag bij de Arginūsae wonnen en later door de Atheners ter dood veroordeeld werden, z.Leono. 4.
Διόμεια, vroolijk feest ter eere van Heracles door de Atheners gevierd, zoo genoemd naar den Athener Diomus, den eersten die hem als god, en niet als heros, een offer bracht.
Διωμοσία, de eed, waarmede beide partijen in een rechtsgeding hunne verklaringen bekrachtigen, z.ἀντωμοσία.
Dion=Dio.
Diōne,Διώνη, dochter van Oceanus en Tethys of van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder van Aphrodīte. Oorspronkelijk was zij het vrouwelijk evenbeeld van Zeus, en werd zij vooral te Dodōna als zijne gemalin vereerd; later werd zij als zoodanig door Hera verdrongen. Ook Aphrodite heet somsΔιώνηof meerΔιωναία.
Dionysia,Διονύσια, feesten ter eere van Dionȳsus, in het bijzonder twee die in Attica gevierd werden: 1) de kleine of landelijke (Δ. τὰ κατ’ ἀγρούς, ἐν ἀγροῖς, τὰ μικρά), in de maand Poseideon (Dec. Jan., zieAnnus) buiten de stad gevierd, dagen van uitgelaten vroolijkheid, zang, dans, scherts en plagerij. In de verhalen van de lotgevallen van Dionysus, die bij dit feest door op een wagen staande personen voorgedragen werden, ligt de oorsprong van het attische drama. Eene eigenaardige vermakelijkheid waren deἀσκώλια, waarbij men op een gevulden en van buiten glad gemaakten zak moest springen en zich staande houden.—2)de groote of stedelijke (Δ. τὰ μεγάλα, τὰ κατ’ ἄστυ, ἀστικά, ook alleenΔ.), eerst ten tijde van Pisistratus ingesteld, van 8 tot 13 Elaphebolion (Maart-April, z.Annus) met groote pracht in de stad gevierd. Het oudste beeld van den god werd door een schitterenden optocht rondgeleid,terwijl door talrijke koren dithyramben gezongen werden, dikwijls door de beroemdste dichters voor die gelegenheid vervaardigd; de hoofdzaak was echter het opvoeren van nieuwe tragedies en comedies. In den tijd van den att. zeebond kwamen bij dit feest ook de bondgenooten hunne bijdragen storten; bovendien trokken de feestelijkheden zulk eene menigte landvolk en vreemdelingen, dat men die dagen ook voor de geschiktste hield om bekend te maken, welke onderscheidingen de staat aan verdienstelijke burgers had toegekend.—Tusschen beide feesten en als het ware daarmede tot een geheel vereenigd, vielen de Lenaea en de Anthesteria.
Dionysi(a)des,Διονυσιάδης, -σίδης, treurspeldichter uit Tarsus, tijdgenoot van Alexander d. G.
Dionysius,Διονύσιος, 1) van Phocaea, aanvoerder der Ioniërs in den opstand tegen Perzië; na den slag bij Lade ging hij naar Sicilië, van waar hij als vrijbuiter tegen Tyrrheners en Carthagers streed.—2)de oude, geb. 431, van geringe afkomst, onderscheidde zich in den oorlog tegen Carthago; nadat de strategen, die Agrigentum verloren hadden, op zijne aanklacht van hun ambt ontzet waren, werd hij met anderen in hun plaats benoemd; in deze betrekking wist hij het leger voor zich te winnen, waarop hij zijne ambtgenooten afzette, met eene wacht naar Syracuse trok en zich van de alleenheerschappij meester maakte (405). Daar hij in den oorlog met Carthago niet gelukkig was, maakte hij gebruik van de omstandigheid, dat hun leger door pest geteisterd werd, om vrede te sluiten, waarbij echter een groot deel van Sicilië in hun macht bleef. Nu versterkte hij Ortygia, nam een groot aantal huursoldaten in dienst en maakte zich meester van alle grieksche steden op Sicilië. Hij vergrootte de stad Syracuse, en bracht een groot deel der bevolking van Naxus, Catana, Leontīni enz., daarheen over. Den oorlog tegen de Carthagers hervatte hij driemaal en voerde hij over het geheel met geluk, hoewel hij geen blijvend voordeel kon behalen; zelfs werd hij in 396 door Himilco in Syracuse belegerd, totdat de pest in het carthaagsche leger weder zulke verwoestingen aanrichtte, dat D. het na eene gemakkelijke, doch beslissende overwinning tot het koopen van vrijen aftocht dwong. Ondertusschen had D. ook Croton en Rhegium veroverd en andere grieksche steden in Beneden-Italië aangevallen. Bij zijne onderdanen was hij algemeen gehaat wegens zijne wreedheid, roekeloosheid en verregaanden achterdocht. Hij liet zich veel voorstaan op zijne liefde voor kunst en wetenschap, noodigde dichters en wijsgeeren aan zijn hof, maar wilde daarvoor ook bewonderd worden om zijne eigene treurspelen; te Olympia werden zijne werken bespot, maar te Athene won hij in 367 een prijs. Hij stierf kort daarna, v.s. van vreugde over die overwinning, v.a. aan de gevolgen zijner onmatigheid of door vergif, dat zijn zoon hem had laten geven.—3)de jonge, zoon van den vorigen, in zijne opvoeding uit wantrouwen door zijn vader verwaarloosd, kwam in 367 aan de regeering en maakte spoedig vrede met de Carthagers. Daar hij van nature niet wreed of onbekwaam scheen, meende Dio (z.a.) hem door de leeringen van Plato, die naar Syracuse genoodigd werd, tot een ideaal vorst te kunnen vormen, en inderdaad scheen dit korten tijd te gelukken, maar weldra leende D. het oor aan vleiers en verkeerde raadgevers. Dio werd verbannen, en hoewel Plato later nogmaals naar Syracuse geroepen werd, bleek het dat hij allen invloed verloren had. Na het vertrek van Dio ontaardde de regeering van D. in eene tyrannie, nog drukkender dan die van zijn vader, en toen Dio in 357 terugkeerde, werd hij met open armen ontvangen. D. ging naar Locri in Beneden-Italië, waar hij zich van de heerschappij meester maakte en de burgerij wreed onderdrukte, totdat hij zich in 346 den strijd der partijen te Syracuse ten nutte wist te maken om daarheen terug te keeren en de regeering weder in handen te nemen. Weldra riepen echter de Syracusanen, zijne onderdrukking moede en bovendien door de Carthagers in het nauw gebracht, hulp van Corinthe in; Timoleon kwam en dwong D. zich over te geven en de regeering neder te leggen. Hij vertrok naar Corinthe (344), waar hij, naar men verhaalde, als schoolmeester het overige van zijn leven in armoede sleet.—4)van Milētus, logograaf, jonger tijdgenoot van Hellanīcus.—5)van Samus, leefde in den alexandrijnschen tijd en schreef mythologische en historische werken, die door Diodōrus als bronnen gebruikt werden.—6)D.Thrax, (ὁ Θρᾷξ), grammaticus te Alexandrië, leerling van Aristarchus, schrijver van de eerste wetenschappelijke grieksche spraakkunst en van andere werken op het gebied der philologie.—7)van Halicarnassus, leefde sedert 30, waarschijnlijk als rhetor, te Rome, en schreef, behalve kleinere werken, eene rom. geschiedenis (Ῥωμαϊκὴ ἀρχαιολογία) van de oudste tijden tot den eersten punischen oorlog; het is uitgekomen in 7; hij had er 22 jaar aan gewerkt; van de 20 boeken, waaruit dit werk bestond, zijn de eerste elf volledig, de overige in uittreksels en fragmenten bewaard. Zijn streven is, de beschikking der goden in de geschiedenis duidelijk te maken, en de Grieken met hunne onderwerping aan Rome te verzoenen; zijn stijl is veelal opgesmukt, vooral in de lange redevoeringen, die hij zijn hoofdpersonen in den mond legt. Van zijne rhetorische en critische verhandelingen zijn de meeste bewaard gebleven, zij zijn van groot belang voor de geschiedenis der grieksche letterkunde.—8)van Halicarnassus, bijgenaamdὁ Μουσικός, naar zijneΜουσικὴ ἱστορία, een groot werk over de geschiedenis van kunsten en wetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn. Hij leefde ten tijde van Hadriānus.—9)de reisbeschrijver (ὁ περιηγητής), uit den tijd van Keizer Hadrianus, schreef in grieksche hexameters eenoverzicht van de aardrijkskunde, waarin hij vooral Posidonius volgde, en dat door lateren veel gebruikt en eenige malen in het Latijn vertaald werd, o. a. door Aviēnus.
Dionysus van het Vaticaan.Dionysus van het Vaticaan.
Dionysus van het Vaticaan.
Dionysus van het Louvre-Museum.Dionysus van het Louvre-Museum.
Dionysus van het Louvre-Museum.
Dionȳsus,Διόνυσος,Bacchus, zoon van Zeus en Semele, werd bij den dood zijner moeder, daar de tijd zijner geboorte toen nog niet gekomen was, door Zeus gedurende eenige maanden in zijn dij bewaard. Toen het kind voor de tweede maal ter wereld kwam, gaf Zeus het aan de nimfen van Nysa om op te voeden en te verzorgen. Nadat D. volwassen was, plantte hij den wijnstok en gaf hij van den daaruit bereiden drank aan de nimfen en andere bewoners van het woud te drinken; terstond gaven allen zich aan hem over en vereenigden zij zich in opgewonden geestvervoering om hem te begeleiden op den tocht, dien hij ging ondernemen om zijne nieuwe gave over de geheele wereld te verspreiden. Bijna overal, vooral bij Oeneus in Aetolië en in Attica (z.Icarius), werd zijn geschenk dankbaar aangenomen en hijzelf als god gehuldigd, tegenstanders bracht hij door indrukwekkende bewijzen zijner macht tot zwijgen (z.Acoetes, Lycurgus, Pentheus). Toen eindelijk zijne overwinning volkomen was, erkenden dan ook de olympische goden zijne macht en zijn weldadigen invloed op de menschen en gaven hem een plaats in hun midden. De god, in wiens hoede over het algemeen boomen en boomvruchten staan (Ἀνθεύς, Ἄνθιος, Δενδρίτης, Ὕης, Φλοιός), is in het bizonder een god van den wijn, en daar het kweeken van vruchten, evenals iedere tak van landbouw, den overgang van een lageren tot een hoogeren trap van beschaving vooronderstelt of ten gevolge heeft, geldt hij evenals Demēter voor den brenger van zachtere zeden, wet en orde (Θεσμοφόρος), veelal wordt hij ook met deze godin in verband gebracht, zelfs wordt hij mede vereerd in de eleusinische mysteriën, waar hij den naam Iacchus (Ἴακχος) draagt, of als broeder of bruidegom van CoreΚόροςheet. En terwijl de wijn de menschen verkwikt en versterkt, hen van zorg en leed bevrijdt (Λυαῖος), brengt hij ook het gemoed in hoogere stemming, verhoogt zijne ontvankelijkheid voor indrukken en is de bewerker van de geestdrift (ἐνθουσιασμός). Daarom is D. ook een bevorderaar der schoone kunsten (Μελπόμενος) en een vriend der Muzen, en wordt hij dikwijls in vereeniging met Apollo vereerd, met wien hij ook als orakelgevend god overeenkomst heeft; de dithyrambus en het drama hebben hun ontstaan aan zijn eeredienst te danken. Maar aan den anderen kant wordt die hoogerestemming dikwijls tot luidruchtige uitgelatenheid, waardoor zich verscheiden Dionysusfeesten kenmerkten, of tot mystieke opgewondenheid (Βάκχος, Βρόμιος, Εὔιος). Dit laatste vond men vooral bij de nachtelijke feesten (Νυκτέλια), die in den herfst op den Parnassus gevierd werden, waarbij vrouwen in dierenhuiden gekleed en met den thyrsus in de hand als razend (Maenaden, Bacchanten, Thyaden, enz.) over de toppen der bergen rondzwierven, terwijl zij onder een oorverdoovend uitgillen van den kreetεὐοῖ, begeleid door de muziek van fluiten en pauken, zelfs de dieren verscheurden die onder hare handen kwamen, en het bloedige vleesch opaten. Deze luidruchtige, zoogen. orgiastische, wijze van vereering, die van Thracië naar Beotië en verder naar het overige Griekenland overgebracht was, was de oorzaak dat men verband zocht tusschen D. en Rhea Cybele, Atys, Sabazius e. a. aziatische godheden, wier dienst een dergelijk karakter droeg.—De afbeeldingen van D. stellen hem nu eens voor als een man met weelderige lokken en vollen baard, koninklijk van gestalte en in een lang, golvend gewaad, dan eens als een jongeling met smachtende trekken, bijna vrouwelijk van gelaat en lichaamsbouw; gewoonlijk worden zijne haarlokken samengebonden door een haarband (mitra) of door een krans van wijnloof en klimop en heeft hij een thyrsusstaf in de hand. Vooral stelde men hem gaarne voor te midden van den stoet (θίασος), bestaande uit nimfen, maenaden, Silenen, satyrs en dgl., die hem op zijne verre tochten, welke zich v. s. tot Indië uitstrekten, begeleid zouden hebben; te midden van dit woeste gezelschap ligt de god, soms nevens zijn bruid Ariadne (z. a.), in zalige rust. Ook vindt men hem in het gezelschap van de Chariten, Eros en Aphrodīte. De wijnstok en het klimop, en onder de dieren de panter, los, tijger, ezel, dolfijn en bok zijn hem gewijd.—De Rom. identificeerden hem met Liber en bij de orphische mysteriën droeg hij den naam Zagreus.
Diophanes,Διοφάνης, grieksch redenaar van Mytilēne, leermeester van Ti. Gracchus en als diens aanhanger met hem ter dood gebracht.
Diophantus,Διόφαντος, 1) atheensch redenaar, vriend en partijgenoot van Demosthenes.—2)alexandrijnsch wiskundige uit het einde van de 3deof het begin van de 4deeeuw n. C., de eerste schrijver over algebra. Van zijn werkἈριθμητικάis ongeveer de helft bewaard gebleven.
Diopīthes,Διοπείθης, van Sunium, atheensch strateeg in den oorlog tegen Philippus. Toen deze zich in vredestijd van de grieksche steden in de Chersonēsus wilde meester maken en D. dit trachtte te verhinderen, beschuldigde Philippus hem te Athene als verbreker van den vrede (343); hij werd echter door Demosthenes in de redevoeringπερὶ τῶν ἐν Χερρονήσῳen zelfs door Phocion verdedigd (341). Hij sneuvelde kort daarna.
Diōres,Διώρης, 1) zoon van Amarynceus, sneuvelde als aanvoerder der Epeërs bij het beleg van Troje.—2)vader van Automedon.—3)zoon van Priamus, ging met Aenēas naar Italië en werd door Turnus gedood.
Dioscorides,Διοσκορίδης, 1) epigrammendichter, van wien verscheiden gedichtjes in de grieksche anthologie zijn opgenomen, leefde omstreeks 200.—2)grieksch steensnijder ten tijde van Augustus.—3)PedaniusD., beroemd grieksch geneesheer uit Anazarbus, tijdgenoot van Nero, schrijver van een werk over geneeskrachtige planten, dat nog tot in de 15deeeuw als het voornaamste op dit gebied gold.
Dioscūri,Διόσκουροι,Castor(Κάστωρ) enPollux(Πολυδεύκης), tweelingbroeders, door Zeus in de gedaante van een zwaan bij Leda verwekt, of zonen van Tyndareos en Leda (Tyndaridae,Τυνδαρίδαι), terwijl v. s. Castor de zoon van Tyndareos en Pollux die van Zeus is. Zij waren heldhaftige jongelingen, Castor uitmuntend als ruiter, Pollux als vuistvechter. Nog op jeugdigen leeftijd namen zij Aphidna (z. a.) in, later verwierven zij grooten roem bij de calydonische jacht en den tocht der Argonauten (z.Amycus). In den strijd tegen de Apharetidae (z. a.) vond Castor, die als zoon van Tyndareos sterfelijk was, den dood, en Pollux kreeg op zijne smeekingen van Zeus vergunning de onsterfelijkheid met zijn broeder te deelen, zoodat beiden telkens een dag in de onderwereld, den volgenden op den Olympus doorbrengen. Te Sparta, waar hun dienst inheemsch is, worden zij beschouwd als beschermers van den staat, later werden zij meer algemeen vereerd als verdedigers van het gastrecht en gidsen der zeevarenden, wien zij zich als St. Elmsvuur vertoonen. Dikwijls verschijnen zij aan de menschen en verschaffen zij hun de overwinning in een ongelijken strijd. Zoo hadden zij eens de Locriërs in Italië tegen de achtmaal sterkere Crotoniaten bijgestaan en denzelfden dag hunne overwinning bij de olympische spelen bekend gemaakt. Eveneens streden zij in de gelederen der Romeinen bij het meer Regillus, tengevolge waarvan hun een tempel op het forum gewijd werd, die elk jaar den 15denJuli in plechtigen optocht door de romeinsche ridders bezocht werd. Zij worden gewoonlijk als ruiters afgebeeld, met een eivormigen helm op het hoofd en een speer in de hand, dikwijls ook met een ster boven het hoofd. Te Athene werden zijἌνακες, te Rome ook welCastoresgenoemd.
Dioscurias,Διοσκουρίας, milesische volkplanting, bloeiende marktplaats en koopstad in Colchis, sedert Traiānus Sebastopolis bijgenaamd.
Diospolis,Διόσπολις, grieksche naam voor het aegyptische Thebae, ookmagna,ἡ μεγάλη, bijgenaamd. Een eind stroomafwaarts lagDiospolis minor,ἡ μικρά. Een derde lag in het Delta-gebied, in de nabijheid van Mendes. Ook in Palestina (zieLydda) en Phrygia vond men dezen naam. Zie ookCabira.
Diōta, wijnkruik met twee ooren.
Diotīmus,Διότιμος, 1) Athener, aanvoerder van de vloot die aan de Corcyraeërs tegenCorinthe te hulp gezonden werd (433).—2)atheensch vlootvoogd in den corinthischen oorlog.—3)zoon van Diopīthes, atheensch vlootvoogd en aanhanger van Demosthenes.
Diotrephes,Διοτρέφης, Athener, die in 413 thracische hulptroepen naar hun vaderland terugbracht en op weg Mycalessus verwoestte. In 411 werd hij door de 400 naar Thasus gezonden om er eene aristocratische staatsregeling in te voeren, wat den afval van dat eiland ten gevolge had.
Dioxippus,Διώξιππος, 1) blijspeldichter der nieuwe attische comedie.—2)atheensch vuistvechter, overwinnaar bij de olympische spelen. Hij behoorde tot het geleide van Alexander den G., en overwon eens ongewapend een gewapenden Macedoniër.
Dipaea,Διπαία, stadje in Arcadië, ten Z.O. van Mantinēa, waar de Lacedaemoniërs in 471 de Arcadiërs overwonnen, die zich van den peloponnesischen bond hadden willen afscheiden.
Diphilus,Δίφιλος, 1) grieksch episch dichter uit de 5deeeuw.—2)van Sinōpe, dichter der nieuwe attische comedie, tijdgenoot van Alexander d. Gr. en Philēmon, leefde gewoonlijk te Athene en stierf te Smyrna. Sommige van zijne talrijke werken, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, werden door romeinsche blijspeldichters, vooral Plautus, nagevolgd.—3)stoicijn, wegens zijne omslachtige redeneeringenLabyrinthbijgenaamd; hij wordt door Lucianus vermeld.—4)tooneelspeler, tijdgenoot van Pompeius.—5)schrijver en voorlezer van L. Licinius Crassus (Liciniino. 12).—6)beroemd geneesheer van Siphnus, leefde kort na Alexander d. G., schreef een groot werk over voedingsmiddelen.—7)schrijver van een werk over de constructie en het gebruik van verschillende machines.
Diphridas,Διφρίδας, spartaansch ephoor (394), waarschijnlijk dezelfde die in 391 door de Spartanen als bevelhebber over het leger naar Azië gezonden werd, om Thibron op te volgen.
Διφθέρα, een lederen chiton, voornamelijk door landlieden en herders gedragen.
Diplōma,δίπλωμα, een dubbel gevouwen papier, eene soort van paspoort voor hen, die in dienst of op kosten van den staat reisden, opdat zij het onderweg noodige spoedig zouden kunnen krijgen. Onder de keizers verstond men onderdiplomaeen giftbrief van de hooge overheid, waarbij gunsten of voorrechten werden uitgereikt.
Dipylon,τὸ Δίπυλον, vroegerαἱ Θριάσιαι πύλαιgeheeten, de hoofdpoort van Athene, aan den N.W.-kant van de stad; van hier gaan twee wegen, ééne naar Eleusis, ééne naar de Academīa. Vóór de poort lagὁ ἔξω Κεραμεικός, waar veel graven ontdekt zijn, aan de binnenkantὁ ἐντὸς Κ.(z.Athenaeaan het begin). De poort heeft den naam gegeven aan de oud-Attische vazen van geometrischen stijl, in de graven vóór de poort gevonden, de Dipylon-vazen.
Dirae=Furiae.
Dirce,Δίρκη, dochter van Helius, gemalin van Lycus, z.Antiope. Ook naam van een bron bij Thebae.
Diribitores(diribēre=dishibēre) bij de comitiën waren zij, die de uitgebrachte stemmen sorteerden en telden. Aug. liet hiertoe op den Campus Martius een afzonderlijk gebouw,diribitorium, oprichten.
Dis=Pluto.
Discessio, meest gewone wijze van stemmen in den senaat, waarbij de voorstemmers en tegenstemmers zich naar twee verschillende kanten der zaal begaven.
Discordia, z.Eris.
Discobolus.Discobolus.
Discobolus.
Δισκοβολία, een bij de Grieken zeer geliefd spel, onderdeel van hetπένταθλον, waarbij men met een steenen of ijzeren schijf (δίσκος), die in het midden iets dikker was dan aan den rand, naar een bepaald doel of om het verst wierp. De eigenaardige houding, die de speler (δισκοβόλος) op het oogenblik van den worp aannam, is dikwijls door beeldhouwers voorgesteld.
Dispensātor, in aanzienlijke huizen de slaaf, die de kas hield en de boeken bijhield, op landgoederen de intendant of rentmeester.
Dithyrambus,διθύραμβος, lied bij de feesten van Dionȳsus gezongen, waarvan het onderwerp oorspronkelijk de avonturen van dien god, weldra echter ook die van andere goden en helden waren. Aanvankelijk een ruw, kunsteloos lied, dat door de feestvierenden naar willekeur gezongen werd, kreeg het zijn eigenaardigen vorm door Arīon, die het in strophen en antistrophen verdeelde en door koren liet voordragen. Sedert dien tijd bereikte de dithyrambische poëzie een hoogen trap van bloei, en te Athene dongen bij de Dionysusfeesten de beroemdste lyrische dichters in den dithyramben-wedstrijd mede naar den prijs. Het tijdperk van haar verval begint op het einde der 5deeeuw; eerst kreeg de muziek de overhand over de poëzie, daarna verwaarloosde men meer en meer alle regelen der kunst, totdat men zich geheel liet leiden door een teugellooze fantasie, die, zoowel dichterlijk als muzikaal, niets anders voortbracht dan gezwollen bombast. In overeenstemming hiermede werd de antistrophische vorm van de liederen opgegeven, en werd de voordracht het werk van enkele virtuozen.
Dium,Δῖον, 1) stad op de landtong Acte in Chalcidice, met een gemengde bevolking.—2)stad in het N. van Euboea.—3)stad aan den voet van den Olympus en aan de Thermaeische golf, in het macedonische landschap Piëria, met een beroemden tempel van Zeus. Hier waren de ruiterstandbeelden opgericht, die de beeldhouwer Lysippus had gegoten ter eere van de gesneuvelden aanden Granīcus. Later werden deze beelden naar Rome overgebracht.—4)kaap op de N. kust van Creta.
Dius Fidius, god der trouw, ook Semo Sancus geheeten, als eedformuleme Dius Fidiussc.iuvet. Dius Fidius = Jupiter Fidius, griekschΖεὺς Πίστιος. Hij had al in de 5deeeuw (sedert 466) een tempel op den Quirinalis, en later ook een op het Tiber-eiland. Zie ookFides.
Divico, aanvoerder der Helvetiërs in den oorlog van 107, toen het rom. leger onder L. Cassius Longīnus verslagen werd en onder het juk moest doorgaan. Hij werd in 58 als gezant tot Caesar gezonden, en sloeg toen een hoogen toon aan.
Divinatio, de kunst of gaaf, om uit gezochte of ongezochte teekenen den wil der goden uit te vorschen of door goddelijke ingeving de toekomst te voorspellen. Zie voor de Rom. de artikelsauguria, haruspicesenextispicium, voor de Griekenμαντεία. Divinatio is ook bij een strafproces dat gedeelte van het proces, waarbij door gissing, d.w.z. zonder getuigenverhoor door de rechters bepaald moet worden, wie aanklager zal zijn. Ook de redevoeringen van de advocaten heeten divinatio. ZieCaeciliino. 30.
Divisio orbis terrarum, is de titel van een klein boekje over geographie aan het einde van de 4deeeuw n. C., evenals deDimensuratio imperiiuitgegeven naar oudere bronnen, waarschijnlijk de wereldkaart van Agrippa.
Divīsor, iemand, die zich belastte met het uitdeelen van geld en het koopen van stemmen voor dezen of genen candidaat bij de verkiezingen; men zou kunnen zeggen: een makelaar in stemmen.
Divitiācus, een van de hoofdpersonen bij de Aeduërs, bevriend met Caesar. Zijn jongere broeder Dumnorix, die den Rom. vijandig was, had hem in macht en aanzien een tijdlang overvleugeld; Caesar herstelde hem weder in zijne macht. Uit naam van verschillende gallische staten verzocht hij Caesar, hen te verlossen van de drukkende overheersching van den Germaan Ariovistus.—Ook wordt nog een Divitiacus, koning der Suessionen, bij Caesar als een machtig vorst vermeld, evenwel zonder nadere bijzonderheden.
Divodūrum, stad der Mediomatrici, aan de Mosella (Moezel), thans Metz.
Divōna, stad der Cadurci in Aquitania, thans Cahors.
Divortium, echtscheiding. Bij de Rom. moest de ontbinding van het huwelijk plaats grijpen overeenkomstig den vorm, waaronder het gesloten was. Een huwelijkper confarreationem, oorspronkelijk misschien onontbindbaar, werd ontbonden doordiffarreatio(eerst sedert den keizertijd); een huwelijkper aes et libram(coëmptio) werd doorremancipatio per aes et libramte niet gedaan; een huwelijk zonder eenigen omslag gesloten, kon door eene eenvoudige mondelinge of schriftelijke opzegging verbroken worden. De man zeide:tu tuas res tibi habeto, foras exi; de vrouw:tu tuas res tibi habeto, redde meas. Naarmate de laatstgenoemde soort van huwelijken meer in zwang kwam, hadden ook de echtscheidingen menigvuldiger en lichtvaardiger plaats. Zierepudium.
Divus, de titel van gestorven keizers na deconsecratio. ZieApotheosis.
Diyllus,Δίυλλος, Athener, schreef een vervolg op de geschiedenis van Ephorus tot 298. Hij leefde in de 3deeeuw.
Dobērus,Δόβηρος, aanzienlijke stad in het macedonische gewest Paeonia.
Dobreta(Dobretae), stad in Dacia, aan den linkeroever van de Donau, ten O. van de IJzeren Poort, tgw. Turn Severin. De stad bestond reeds tijdens de Flavische Keizers.
Dodecaschoenus,Δωδεκάσχοινος, landstreek langs den Nijl, ter lengte van 12schoeni= 133 kilometer. Waarschijnlijk is dit het gebied in den omtrek van de laatste katarrakt van den Nijl, tusschen Syēne en Philae. De veronderstelling, dat hiermede Nubia Inferior bedoeld wordt (z.Napata), schijnt onjuist te zijn.
Dodōna,Δωδώνη, oude stad in Epīrus in het landschap Thesprotia, met een orakel van Zeus, het oudste van Griekenland. De tempel stond aan den voet van den berg Tomārus; de uitspraken van het orakel werden opgemaakt uit het ruischen der bladeren van heilige eiken in een aangrenzend bosch en uit het gekletter van bekkens, die in de boomen hingen. Dit geschiedde door priesters,ΣελλοίofἙλλοί, die met ongewasschen voeten den tempel betraden, en door priesteressen,Πελειάδες, genoemd.
Dodrans= 9unciae= ¾ as.
Δοκιμασία, in het algemeen onderzoek, in het bizonder het onderzoek naar iemands bevoegdheid om eene bepaalde plaats in den staat in te nemen, waarop hij aanspraak maakt, bijv. om als burger ingeschreven te worden, als redenaar in de volksvergadering op te treden, enz. Vooral belangrijk was te Athene het onderzoek naar hen, die als overheden of leden van den raad verkozen waren, waarbij gevraagd werd of de verkozene aan alle door de wet gestelde voorwaarden voldeed, en of hij door zijn vroeger leven de hem toegekende eer waardig was.
Dolabella, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 35–38.
Doliche,Δολίχη, 1) stad in Commagēne ten W. van Zeugma, met warme baden en een tempel van ZeusΔολιχηνός,JupiterDolichēnus, een aziatische godheid, waarvan de dienst vooral sedert de inlijving van Commagēne (71 n. C.), over het geheele Westen, en voornamelijk, evenals die van Mithras, onder de soldaten sterk verbreid was. De dienst werd zeer door de keizers begunstigd.—2)stad in het thessalische gewest Perrhaebia ten N. van Oloösson.—3)= Dulichium, een der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus.—4)oude naam voor het eiland Icarus.
Δόλιχος, de wedloop in de lange renbaan, eene uitgestrektheid van 7, 12, 20 of 24 stadiën. Hij die aan zulk een wedloop deelneemt, heetδολιχόδρομος.
Dolon,Δόλων, Trojaan, zoon van Eumēdes, die als verspieder naar het leger der Grieken ging, maar op weg door Diomēdes en Odysseus aangehouden werd; nadat hij medegedeeld had, welke toerustingen de Trojanen gemaakt hadden, werd hij door debeideGrieken gedood.
Dolonci,Δόλογκοι, een thracisch volk, naam van de niet-Grieksche bevolking van de thracische Chersonēsus.
Dolopes,Δόλοπες, machtige volksstam, waarvan het gebied tusschen Thessalia, Epīrus en Aetolia lag ingesloten en die deel nam aan den oorlog tegen Troje. Een tak van hen bewoonde het eiland Scyrus.
Dolus, als rechtsterm, onrecht, wederrechtelijke handeling,dolus malusgeheeten, wanneer er opzettelijk bedrog wordt gepleegd. Daar dit in den regel het geval is, staatdolusalleen meestal in de beteekenisdolus malus. Beroemd is de omschrijving, die de praetor C. Aquillius Gallus, tijdgenoot van Cicero er van gaf:si aliud simulatum esset, aliud actum. Dolum praestarebeteekent: schadevergoeding geven wegens gepleegd bedrog. In crimineele zaken isdolus malusminder de handeling zelve, dan wel het voorbedacht opzet daartoe.
Dominium, eigendom en eigendomsrecht. Volgens streng rom. recht kon alleen hij zijn eigendomsrecht doen gelden, die hetcommerciumhad en op eene door de wetten erkende wijze den eigendom had verkregen. Hetius gentium, of, beter gezegd, het peregrinenrecht, dat te Rome aldus werd genoemd, erkende echter voor niet-burgers ook andere, niet streng civielrechtelijke wijzen om iets te verwerven. Nu ging het echter niet aan, dencivisachter te stellen bij denperegrinusen zoo ontwikkelde zich uit het praetorische recht de leer vanquiritarischenenbonitarischeneigendom. Tot deres mancipib.v., dat is tot zulke zaken, die formeel ten overstaan van getuigenper aes et librammoesten worden overgedragen, behoorden niet slechts grondbezittingen op italischen bodem, maar o.a. ook slaven en last- en trekdieren. Wanneer nu zulke eenreseenvoudig door overgave,traditio, in andere handen was overgegaan, dan gaf dit voor den verkrijger geendominium ex iure Quiritium; doch de praetor kon toch het bezit als geldig erkennen; dan noemde men zulk een bezit:in bonis habere.
Domitia (lex)de sacerdotiis, 104, van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 5). Deze wet bepaalde dat voor de verkiezing van leden der priestercollegiën 17 van de 35 tribus (minor pars) door het lot zouden worden aangewezen, en dat hij, die door deze 17 tribus was gekozen, door het college zou gecoöpteerd worden.
Domitia (via), van Massilia langs de kust naar Spanje, in 120 door Cn. Domitius Ahenobarbus (zieDomitiino. 4) aangelegd.
Domitiānus(T. Flavius), jongste zoon van Vespasiānus, volgde in 81 na C. zijn broeder Titus als keizer op. Stelselmatig was hij buiten de regeeringszaken gehouden; toch regeerde hij de eerste twee jaren beter, dan men kon verwachten, toen echter werd zijne regeering, naar de gewone opvatting, een schrikbewind, een toonbeeld van wreedheid en onzinnigheid. Hij vond genot in vervolging en bloedvergieten en in den doodsangst zijner slachtoffers. Hij streed voorspoedig tegen de Chatten (82–83), en met afwisselend geluk tegen de Daci (85–86 en 87–89), die hij uit Moesia verdreef. Den ongelukkigen afloop van zijne oorlogen tegen de Marcomannen en Quaden, van wie hij zelfs den vrede moest koopen, bemantelde hij door schitterende triomftochten, terwijl hij zichzelf den titel van “Heer en God” toelegde. Toen hij in 96 ook zijne gemalin Domitia ter dood wilde laten brengen, werd hij met haar medeweten door eene samenzwering vermoord.
Domitii, een aanzienlijk plebejisch geslacht, waarin twee hoofdtakken voorkomen, deAhenobarbien deCalvāni. 1)L. Domitiuszou den naamAhenobarbus(koperbaard, roodbaard) gekregen hebben, omdat in 496 de Dioscuren (Castor en Pollux) hem de overwinning bij het meer Regillus hadden bericht, en tot staving hunner geloofwaardigheid zijn zwarten baard aangeraakt en in een rooden zouden veranderd hebben. Andere schrijvers vermelden dit voorval, zonder aanwijzingwelkeoverwinning behaald was. De eerste Ahenobarbi komen eerst veel later voor.—2)Cn. Dom. Ahenobarbus, consul in 192, overwon de Bojers. In 190 streed hij in Asia, en had hij een groot aandeel aan den slag bij Magnesia, waarin L. Scipio Antiochus versloeg. Alspraetor urbanuswijdde hij in 194 den tempel van Faunus, in 196 begonnen, zie hieromtrent ookScriboniino. 2.—3)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 2 was in 167 een der tien gezanten tot regeling der macedonische zaken.—4)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 3, consul in 122, versloeg de Allobrogers en Averners, wien hij door zijne olifanten grooten schrik aanjoeg. Als censor in 115 verwijderde hij met zijn ambtgenoot L. Caecilius Metellus Dalmaticus 32 leden uit den senaat. Hij liet devia Domitiain Gallia Narbonensis, van Massilia langs de kust naar Spanje, aanleggen.—5)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 4, was als volkstribuun in 104 de maker derlex Domitia de sacerdotiis; uit dankbaarheid koos het volk hem totpontifex maximus. In 96 was hij consul, in 92 censor met den vermaarden redenaar L. Licinius Crassus (Liciniino. 12). Zij vaardigden een edict uit tegen de pas opgerichte latijnsche rhetorenscholen.—6)L. Dom. Ahenobarbus, ook een zoonvanno. 4, in 100 tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus, trad als praetor (98 of 97) in Sicilia zeer streng op tegen de slaven, consul in 94, werd later op last van den jongen Marius vermoord (82).—7)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 6, schoonzoon van L. Cornelius Cinna, vluchtte voor Sulla naar Africa (82) en sneuvelde daar in den strijd tegen Pompeius.—8)L. Dom. Ahenobarbus,zoon van no. 5, gehuwd met Porcia, dochtervan Cato van Utica, onverzoenlijk tegenstander van Caesar, aediel in 61, praetor in 58, consul in 54, trachtte Corfinium tegen Caesar te verdedigen, viel in diens handen, doch werd vrijgelaten en sneuvelde bij Pharsālus.—9)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 8, was bij zijn vader te Corfinium en Pharsālus. Het staat niet vast, of hij tot de moordenaars van Caesar behoort heeft. Wel hoorde hij tot hun partij. Als vlootvoogd van Brutus vernielde hij in 42 de vloot der driemannen (z.Domitiino. 15), doch hij verzoende zich na den slag bij Philippi door tusschenkomst van C. Asinius Pollio met Antonius. Daar hij echter diens betrekking tot Cleopatra afkeurde, ging hij kort vóór den slag bij Actium tot Octavianus over, maar stierf reeds eenige dagen daarna.—10)L. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 9, schoonzoon van den drieman M. Antonius, consul in 16, drong met een leger van Illyricum uit (7) tot over den Albis (Elbe). Later commandeerde hij aan den Rijn en in het N. van Germania, waar hijpontes longiaanlegde. Hij was een goed veldheer, doch ruw en gevoelloos en haatdragend.—11)Cn. Dom. Ahenobarbus, zoon van no. 10, consul in 32 na C., gehuwd met Germanicus’ dochter Agrippīna, was de vader van keizer Nero, die oorspronkelijk L. Domitius Ahenobarbus heette, zieNero.—12)Domitia, dochter van no. 10, gehuwd met Passiēnus Crispus, werd door Nero, toen zij reeds hoogbejaard was, vergiftigd, opdat hij zich haar vermogen zou kunnen toeëigenen.—13)Domitia Lepida, ook eene dochter van no. 10, moeder van de beruchte keizerin Valeria Messalina, werd op aanstoken van Agrippīna omgebracht (54).—14)Cn. Dom. Calvīnus Maximus, consul in 283, streed met zijn ambtgenoot P. Cornelius Dolabella tegen de Senonen. In 280 was hij de eerste censor uit de plebs.—15)Cn. Dom. Calvinus, als tribunus plebis in 59 tegenstander van Caesar; na vele knoeierijen werd hij, na een interregnum van een half jaar, in 53 consul, daarna was hij aanhanger van Caesar en voerde in den slag bij Pharsālus het centrum van diens leger aan. Later (42) zag hij als admiraal der driemannen zijne vloot in de ionische zee door die van Cn. Dom. Ahenob. (no. 9) vernielen. Later (van 39–36) streed hij als stadhouder in Hispania. Na zijn terugkeer triumfeerde hij, en herstelde de door brand vernielderegia, aan wier muren hij in marmer lijsten liet aanbrengen van alle consuls en van alle triumfen, de zoogenaamde Fasti Capitolini. ZieFastino. 2.—16)Cn. Dom. Corbulo, uitstekend veldheer onder Claudius en Nero, beroemd door zijne overwinningen op de Friezen en Chauken (47 n. C.), de Armeniërs en de Parthen (55–66), door zijne zeldzame rechtschapenheid en zijne ongehoorde reuzenkracht. Uit ijverzucht zond Nero hem zijn doodvonnis toe in Griekenland, waar hij zich vrijwillig het leven benam. Defossa Corbulonisop het eiland der Batavieren, waarschijnlijk de Vliet, verbond Maas en Rijn. Corbulo heeft ook gedenkschriften nagelaten, die echter verloren zijn.—17)Domitia Longīna, dochter van no. 16, gemalin van keizer Domitīanus, was eene schoone vrouw, doch niet van onberispelijke levenswijze. Zij had verboden omgang met den tooneelspeler Paris. Toen dit uitkwam, werd Paris gedood (± 82 n. C.), en zij verbannen, maar in 89 op verzoek van het volk teruggeroepen. Later nam zij aan de samenzwering tegen den keizer deel. Zij heeft haar man zeer lang overleefd. Zij wordt ookDomitillageheeten.—Niet tot degens Domitiabehooren: 18)Domitius Afer, redenaar; zieAfer.—19)Domitius Marsus, gevierd dichter, vriend en tijdgenoot van Vergilius en Tibullus.—20)Domitius Ulpianus, beroemd jurist; zieUlpianus.—21)L. Domitius Aureliānus, rom. keizer; zieAurelianus.—22)Flavia Domitia, vrijgelatene, vrouw van Vespasianus, doch gestorven voordat hij keizer werd, moeder van Titus en Domitianus.