Chapter 28

Plattegrond van rom. huis.Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk isaangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eeneinsula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V)vestibulumgenoemd. Door de deurianua, ostium(O) komt men in den gang en vervolgens in hetatrium(A), in welks midden men hetcompluviumvindt (6). Ter weêrszijden van hetatriumzijn eenigecubicula(2) en aan het einde twee zoogenaamdealae(3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden dezealaevensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het laterecompluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ookatrium. Achter het atrium is hettablinum(T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van hetatriumnaar de binnenplaats (cavaedium) ofperistylium(C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal,triclinium(Tr.), achteraan eene pronkzaal,oecus, door een gang (5) van de keuken,culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot hetviridariumof tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van hetcompluviumduidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven hetatriumgeen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikelοἰκία, over de tegenstelling tusscheninsulaendomushet artikelinsula.Rom. huis.Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ookCircumcelliones.Donātus(Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aenēis van Virgilius.Donātus(Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eenelevensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.Donūsa, -sia,Δονουσία, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos,viridisgenoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.Dora,τὰ Δῶρα, Δῶρος, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.Dores,Δωριῆς, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnēsus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z.Dorisno. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.Dorieus,Δωριεύς, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.—2)zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).Doris,Δωρίς, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.Dōris,Δωρίς, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, dedorische tetrapolisgenoemd.—2)kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camīrus maakten dedorische hexapolisuit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demēter, op kaap Triopium bij Cnidus.Doriscus,Δορίσκος, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.Δορπία, de eerste dag der Apaturia.Δόρπον, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (δεῖπνον) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.Dorus,Δῶρος, zoon van Hellen en Orsēis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.Dorylaeum,Δορύλαιον, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat dedosgeheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel.Retentio propter liberoswerd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield,propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat warenactiones rei uxoriaeofde dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot deactiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, wasdos profecticia, wat er verder bijkwam,adventicia.Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.Dossennus, een soort harlekijn in defabulae Atellanae.Dotium,Δώτιον, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebēis.Δουλεία, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiderswerken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (ἀποφορά) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (δημόσιοι), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (ἀπελεύθερος) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (προστάτης) ontslagen, z.ἀποστασίου γραφή.Drabescus,Δράβησκος, stad in het macedonische gewest Edōnis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.Drachma,δραχμή, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het6000stedeel van een talent, ongeveer ƒ 0,45.Draco,Δράκων, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.—2)van Stratonicēa, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de2eeeuw n. C.Draco,Δράκων,Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ookAnguisals veldteeken.Draconarius, soldaat, die dendracodraagt.Drangiane,Δραγγιανή, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariāna. De bewoners heetenΖαράγγαι(bij HerodotusΣαράγγεις), waarvan de GriekenΔράγγαιhebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.Dravus,Δράβος, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.Drepanum, -a,Δρέπανον, τὰ Δρέπανα, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchīses hier sterven.Drepsa,Δρέψα, τὰ Δράψακα, sterke stad in Bactriāna, aan de N.-zijde van den Paropanīsus.Drilae,Δρίλαι, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.Drilon,Δρίλων, ofDrinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).Δρόμος, ookστάδιον, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.—Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen,δρόμοιofδρομῆςgenoemd.Dropici,Δροπικοί, perzische nomadenstam.Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.Druidae, Druides,Δρυίδαι, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder deDruïdenzochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal ’s jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.Drusiāna fossa, zieFossa.Drusilla, 1)Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. ZieLiviino. 8.—2)Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippīna (zieJuliiondere) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.—3)Drusilla, dochter van den joodschen koning Herōdes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.Drusus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 26) en degens Livia(Liviino. 2–5, 8, 9).Dryades, Hamadryades,Δρυάδες, Ἁμαδρυάδες,boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.Dryas,Δρύας, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallēne, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.—2)zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionȳsus met waanzin geslagen was, gedood.Drymaea,Δρυμαία, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demēter Thesmophoros.Drymus,ΔρύμοςofΔρυμός, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.Drymussa,Δρυμοῦσσα, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.Dryope,Δρυόπη, dochter van Dryops of van Eurȳtus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.Dryopes,Δρύοπες, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.Dryops,Δρύοψ, zoon van Sperchēus en Polydōra of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4dedecuria van rechters (zieiudexaan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.Ducetius,Δουκέτιος, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.Duilia (lex)van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zieDuiliino. 1.Duilia Maenia(Menenia)(lex), 357. Ziefenus.Duilii, ookDuelliienDuilliigeschreven, plebejisch geslacht. 1)M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens delex Publilia Voleronisdoor de plebstributimgekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eenesecessiozou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ookDuilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.—2)C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting dercolumna rostratavereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).Dulichium,Δουλίχιον, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook welDulichiuswordt genoemd.Δυμᾶνες, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiācus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.Duoviri=Duumviri.Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.Dūra,τὰ Δοῦρα, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.Dūris,Δοῦρις, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de5eeuw.—2)van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.Durius,Δούριος, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.Durocortōrum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.Duumviri. 1)Duumviri perduellioni iudicandaewaren in den rom. koningstijd rechters, die in ’s koningsnaam recht spraken in zaken vanperduellioof hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij dezeduumvirinog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.—2)Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Ziedecemviri s. f.—3)Duumviri iuri(iure)dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipiaduoviri aedilicia potestate.—4)Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aanduumviri. Zij worden het eerst genoemd in delex Julia municipalisvan 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toencuratores viarumaan. Zij behoorden tot de zoogenaamdevigintisexviri(z.a.).—5)Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.—6)Duumviri aedi faciundae,reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.DymaeofDyme,Δῦμαι, Δύμη, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan devia Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.Dymas,Δύμας, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.—2)zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymānes.Dynamene,Δυναμένη, eene van deNereïden.Dyras,Δύρας, riviertje in Malis, ten Z. van den Sperchēus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Sperchēus.Dyrr(h)achium,Δυρράχιον, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan deOostkustder Adriatische zee, door Catullustaberna Adriaegenoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan devia Egnatiaover Thermae of Thessalonīce naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcȳra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.Dysaules,Δυσαύλης, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.Dysōrum,Δύσωρον ὄρος, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.Dyspontium,Δυσπόντιον, stad in Pisātis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.

Plattegrond van rom. huis.Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk isaangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eeneinsula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V)vestibulumgenoemd. Door de deurianua, ostium(O) komt men in den gang en vervolgens in hetatrium(A), in welks midden men hetcompluviumvindt (6). Ter weêrszijden van hetatriumzijn eenigecubicula(2) en aan het einde twee zoogenaamdealae(3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden dezealaevensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het laterecompluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ookatrium. Achter het atrium is hettablinum(T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van hetatriumnaar de binnenplaats (cavaedium) ofperistylium(C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal,triclinium(Tr.), achteraan eene pronkzaal,oecus, door een gang (5) van de keuken,culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot hetviridariumof tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van hetcompluviumduidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven hetatriumgeen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikelοἰκία, over de tegenstelling tusscheninsulaendomushet artikelinsula.Rom. huis.Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ookCircumcelliones.Donātus(Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aenēis van Virgilius.Donātus(Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eenelevensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.Donūsa, -sia,Δονουσία, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos,viridisgenoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.Dora,τὰ Δῶρα, Δῶρος, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.Dores,Δωριῆς, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnēsus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z.Dorisno. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.Dorieus,Δωριεύς, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.—2)zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).Doris,Δωρίς, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.Dōris,Δωρίς, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, dedorische tetrapolisgenoemd.—2)kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camīrus maakten dedorische hexapolisuit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demēter, op kaap Triopium bij Cnidus.Doriscus,Δορίσκος, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.Δορπία, de eerste dag der Apaturia.Δόρπον, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (δεῖπνον) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.Dorus,Δῶρος, zoon van Hellen en Orsēis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.Dorylaeum,Δορύλαιον, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat dedosgeheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel.Retentio propter liberoswerd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield,propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat warenactiones rei uxoriaeofde dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot deactiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, wasdos profecticia, wat er verder bijkwam,adventicia.Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.Dossennus, een soort harlekijn in defabulae Atellanae.Dotium,Δώτιον, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebēis.Δουλεία, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiderswerken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (ἀποφορά) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (δημόσιοι), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (ἀπελεύθερος) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (προστάτης) ontslagen, z.ἀποστασίου γραφή.Drabescus,Δράβησκος, stad in het macedonische gewest Edōnis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.Drachma,δραχμή, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het6000stedeel van een talent, ongeveer ƒ 0,45.Draco,Δράκων, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.—2)van Stratonicēa, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de2eeeuw n. C.Draco,Δράκων,Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ookAnguisals veldteeken.Draconarius, soldaat, die dendracodraagt.Drangiane,Δραγγιανή, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariāna. De bewoners heetenΖαράγγαι(bij HerodotusΣαράγγεις), waarvan de GriekenΔράγγαιhebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.Dravus,Δράβος, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.Drepanum, -a,Δρέπανον, τὰ Δρέπανα, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchīses hier sterven.Drepsa,Δρέψα, τὰ Δράψακα, sterke stad in Bactriāna, aan de N.-zijde van den Paropanīsus.Drilae,Δρίλαι, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.Drilon,Δρίλων, ofDrinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).Δρόμος, ookστάδιον, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.—Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen,δρόμοιofδρομῆςgenoemd.Dropici,Δροπικοί, perzische nomadenstam.Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.Druidae, Druides,Δρυίδαι, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder deDruïdenzochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal ’s jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.Drusiāna fossa, zieFossa.Drusilla, 1)Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. ZieLiviino. 8.—2)Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippīna (zieJuliiondere) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.—3)Drusilla, dochter van den joodschen koning Herōdes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.Drusus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 26) en degens Livia(Liviino. 2–5, 8, 9).Dryades, Hamadryades,Δρυάδες, Ἁμαδρυάδες,boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.Dryas,Δρύας, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallēne, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.—2)zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionȳsus met waanzin geslagen was, gedood.Drymaea,Δρυμαία, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demēter Thesmophoros.Drymus,ΔρύμοςofΔρυμός, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.Drymussa,Δρυμοῦσσα, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.Dryope,Δρυόπη, dochter van Dryops of van Eurȳtus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.Dryopes,Δρύοπες, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.Dryops,Δρύοψ, zoon van Sperchēus en Polydōra of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4dedecuria van rechters (zieiudexaan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.Ducetius,Δουκέτιος, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.Duilia (lex)van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zieDuiliino. 1.Duilia Maenia(Menenia)(lex), 357. Ziefenus.Duilii, ookDuelliienDuilliigeschreven, plebejisch geslacht. 1)M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens delex Publilia Voleronisdoor de plebstributimgekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eenesecessiozou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ookDuilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.—2)C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting dercolumna rostratavereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).Dulichium,Δουλίχιον, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook welDulichiuswordt genoemd.Δυμᾶνες, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiācus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.Duoviri=Duumviri.Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.Dūra,τὰ Δοῦρα, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.Dūris,Δοῦρις, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de5eeuw.—2)van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.Durius,Δούριος, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.Durocortōrum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.Duumviri. 1)Duumviri perduellioni iudicandaewaren in den rom. koningstijd rechters, die in ’s koningsnaam recht spraken in zaken vanperduellioof hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij dezeduumvirinog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.—2)Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Ziedecemviri s. f.—3)Duumviri iuri(iure)dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipiaduoviri aedilicia potestate.—4)Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aanduumviri. Zij worden het eerst genoemd in delex Julia municipalisvan 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toencuratores viarumaan. Zij behoorden tot de zoogenaamdevigintisexviri(z.a.).—5)Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.—6)Duumviri aedi faciundae,reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.DymaeofDyme,Δῦμαι, Δύμη, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan devia Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.Dymas,Δύμας, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.—2)zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymānes.Dynamene,Δυναμένη, eene van deNereïden.Dyras,Δύρας, riviertje in Malis, ten Z. van den Sperchēus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Sperchēus.Dyrr(h)achium,Δυρράχιον, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan deOostkustder Adriatische zee, door Catullustaberna Adriaegenoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan devia Egnatiaover Thermae of Thessalonīce naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcȳra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.Dysaules,Δυσαύλης, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.Dysōrum,Δύσωρον ὄρος, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.Dyspontium,Δυσπόντιον, stad in Pisātis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.

Plattegrond van rom. huis.

Domus. Hoewel er bij de romeinsche huizen evengoed verschil van inrichting bestond als in andere landen en tijden het geval is, komen er toch enkele vertrekken in zekere volgorde in voor, die in geen rom. huis van eenig aanzien ontbreken. Als type van een huis van matigen omvang geven wij hier den plattegrond van het zoogenaamde huis van Pansa te Pompeji. Met het tuintje er achter, dat op de teekening slechts gedeeltelijk isaangegeven, vormt het erf een langwerpigen vierhoek, aan alle zijden door straten omgeven en is dus eeneinsula. Aan drie zijden zijn tegen het huis kleinere woningen en winkeltjes gebouwd (8 en 9), waaronder een betrekkelijk groot huisje (9) waarin eene bakkerij werd uitgeoefend. Aan den ingang van het eigenlijke heerenhuis vindt men eene inspringende ruimte (V)vestibulumgenoemd. Door de deurianua, ostium(O) komt men in den gang en vervolgens in hetatrium(A), in welks midden men hetcompluviumvindt (6). Ter weêrszijden van hetatriumzijn eenigecubicula(2) en aan het einde twee zoogenaamdealae(3), alcoves, niet met deuren, maar met gordijnen afgesloten. In den tijd, dat het italiaansche huis nog een vrijstaand boerenhuis was, hadden dezealaevensteropeningen, waardoor het licht binnen kwam. Toen het huis als stadshuis werd ingebouwd, vervielen deze vensters, en was men verplicht de kleine dakopening van het atrium, het laterecompluvium, die oorspronkelijk vooral voor het uitlaten van den rook gediend had, grooter te maken, waardoor het vertrek ten minste in den winter voor bewoning minder doelmatig werd. Zie ookatrium. Achter het atrium is hettablinum(T), en daarnaast een vertrek (1), dat hier vermoedelijk tot bibliotheek diende. Een gang (5) leidt van hetatriumnaar de binnenplaats (cavaedium) ofperistylium(C of P), waarvan de 4 zijden overdekt waren, terwijl het dak, om het regenwaterbekken, door zestien zuilen wordt geschraagd. Rechts is eene eetzaal,triclinium(Tr.), achteraan eene pronkzaal,oecus, door een gang (5) van de keuken,culina, gescheiden, en geheel achteraan eene galerij of verandah (7), die toegang gaf tot hetviridariumof tuintje. Het rom. huis was als het ware in zich zelf gekeerd, zonder vensters aan de straatzijde, althans voor zoover de benedenverdieping betreft. Bij een groot getal vertrekken had men dus meer dan één binnenhof noodig, hetzij dan eene eenvoudige binnenplaats (cavaedium) of eene zuilengaanderij (peristylium, porticus). De tweede afbeelding hierbij toont een oud pompejaansch huis van buiten; waarbij vooral de inrichting van hetcompluviumduidelijk zichtbaar is. De huizen hadden ook bovenverdiepingen, waarvan de vertrekken evenwel slechts klein konden zijn, daar boven hetatriumgeen vertrek kon zijn. Over het grieksche huis zie men het artikelοἰκία, over de tegenstelling tusscheninsulaendomushet artikelinsula.

Rom. huis.

Donatistae, een sekte van Christenen, die zich in de vierde eeuw in Afrika heeft afgescheiden, en genoemd is naar een zekeren bisschop Donatus, zie ookCircumcelliones.

Donātus(Aelius), rom. taalgeleerde (± 350 na C.), wiens latijnsche spraakleer in de middeleeuwen nagenoeg de eenige grondslag der latijnsche taalstudie was. Wij bezitten van hem ook nog een belangrijken commentaar op de blijspelen van Terentius, behalve op den Heautontimorumenos, en talrijke aanhalingen (bij Servius) op de Georgica en de Aenēis van Virgilius.

Donātus(Tib. Claudius), rom. taalgeleerde (± 400 na C.), moet niet met den vorigen verward worden. Hij leverde eenelevensbeschrijving van Vergilius. Bovendien zijn er eenige fragmenten over van een commentaar op Vergilius.

Donūsa, -sia,Δονουσία, eilandje in de Aegaeische zee, nabij en ten O. van Naxos,viridisgenoemd om de groene marmersoort, die er gevonden werd. Onder de keizers diende Donusa tot strafkolonie voor gedeporteerden.

Dora,τὰ Δῶρα, Δῶρος, havenstad en vesting op de kust van Palaestina, nabij den berg Carmel.

Dores,Δωριῆς, een van de vier hoofdstammen der Grieken. In zeer oude tijden in Thessalië woonachtig, trokken zij omstreeks 1000 uit hun zoogenaamd stamland Doris naar de Peloponnēsus, die zij grootendeels veroverden en van waar zij de bevolking verdreven. Van daar zonden zij koloniën uit naar Creta, Azië (z.Dorisno. 2), Italië en Sicilië. De Doriërs onderscheiden zich door vele eigenaardige gebruiken van de overige Grieken.

Dorieus,Δωριεύς, 1) zoon van Anaxandridas. Toen zijn broeder Cleomenes, dien hij voor de regeering ongeschikt achtte, zijn vader opvolgde (520), ging D. naar Libye om daar eene volkplanting te stichten; hij werd echter van daar verdreven, ging naar het westen van Sicilië (de streek bij den Eryx) en sneuvelde in een gevecht tegen de Carthagers (500). Uit den tijd, waarin deze gebeurtenissen voorvallen, blijkt reeds, dat Dorieus niet onmiddellijk na de troonsbestijging van zijn broeder de expedities ondernomen heeft. V. s. had Dorieus de inwoners van Croton bij de verwoesting van Sybaris (510) geholpen; deze meening is onjuist.—2)zoon van Diagoras van Rhodus, overwinnaar bij alle groote grieksche spelen. In den peloponnesischen oorlog streed hij in spartaanschen dienst; hij werd door de Atheners gevangen genomen, maar wegens zijn groote beroemdheid vrijgelaten (407).

Doris,Δωρίς, dochter van Oceanus en Tethys, gemalin van Nereus, moeder der Nereïden of Doriden; ook eene van de Nereïden.

Dōris,Δωρίς, 1) klein, onbeduidend landje in Midden-Griekenland, alleen belangrijk, omdat de peloponnesische Doriërs het als hun stamland beschouwden. Oorspronkelijk hadden hier Dryopes gewoond, maar dezen waren door de Doriërs op hun tocht naar het Zuiden verdreven. Het land had 4 stadjes, Pindus, Erineüs, Cytinium en Boeum, dedorische tetrapolisgenoemd.—2)kustland van Caria, in het Z.W. van Voor-Azië, waartoe ook de eilanden Cos en Rhodus en enkele kleinere behoorden. De steden Halicarnassus en Cnidus op het vasteland, Cos op het eiland Cos en de drie rhodische steden Lindus, Ialysus en Camīrus maakten dedorische hexapolisuit. De bondsvergaderingen werden gehouden bij het triopische heiligdom van Apollo en Demēter, op kaap Triopium bij Cnidus.

Doriscus,Δορίσκος, stad op de thracische kust aan den mond van den Hebrus (Maritza), in eene vlakte van gelijken naam gelegen.

Δορπία, de eerste dag der Apaturia.

Δόρπον, avondmaal, oudtijds laat in den namiddag gebruikt. Toen in lateren tijd het middagmaal (δεῖπνον) later en later gebruikt werd, werd ook de tijd van het avondmaal meer en meer verschoven, en eindelijk verviel het geheel en al.

Dorus,Δῶρος, zoon van Hellen en Orsēis, of van Apollo en Phthia, of van Poseidon, mythisch stamvader der Doriërs.

Dorylaeum,Δορύλαιον, stad met warme bronnen in Phrygia, belangrijk kruispunt van verschillende groote wegen, aan de rivier Thymbris.

Dos, bruidschat. Bij Grieken en Romeinen was het gebruikelijk, dat de vader of de familie der bruid haar naar stand en vermogen eene passende huwelijksgift medegaven. Hoewel de man het beheer had over en het vruchtgebruik van het vermogen zijner vrouw, mocht hij dit toch niet vervreemden. Er konden toch bij overlijden of echtscheiding gevallen voorkomen, dat dedosgeheel of gedeeltelijk moest worden teruggegeven aan de vrouw of hare familie. In grieksche staten was dit regel.Retentio propter liberoswerd gezegd, wanneer de man bij scheiding een gedeelte van den bruidschat voor de kinderen behield,propter mores, wanneer de vrouw door een minder passend gedrag aanleiding tot scheiding had gegeven. Processen over de teruggave van een bruidschat warenactiones rei uxoriaeofde dote. Daar ieder geval op zich zelf moest beoordeeld worden, behoorden zij tot deactiones bonae fidei. Wat de vrouw uit het familiegoed medebracht, wasdos profecticia, wat er verder bijkwam,adventicia.

Dositheus Magister, schrijver eener latijnsche grammatica met latijnsch-grieksche woordenlijst en vertaaloefeningen, leefde in de vierde eeuw na C.

Dossennus, een soort harlekijn in defabulae Atellanae.

Dotium,Δώτιον, stad en vlakte in Thessalia aan het meer Boebēis.

Δουλεία, slavernij, de toestand waarin iemand verkeert, die, hetzij door geboorte uit ouders, die slaven zijn, hetzij door krijgsgevangenschap, hetzij door verkoop, zijne persoonlijke vrijheid en dus ook alle burgerlijke rechten miste. De slaven der Grieken waren oorspronkelijk allen barbaren, terwijl men zich omgekeerd verplicht rekende, Grieken vrij te koopen, die in slavernij geraakt waren. Hoewel de slaaf volstrekt als het eigendom van zijn heer beschouwd werd, stelden toch wet en gebruik, ten minste te Athene, aan de willekeur van den heer eenige grenzen; wie een slaaf doodde, moest zich voor het gerecht verantwoorden. Het groote aantal slaven (in sommige staten veel grooter dan dat der vrijen) maakte het misschien raadzaam hen niet door harde behandeling tot tegenweer te noodzaken. Particulieren gebruikten hunne slaven niet alleen voor persoonlijke diensten, maar lieten hen dikwijls ook min of meer zelfstandig als landbouwers, handwerkslieden of fabrieksarbeiderswerken, en lieten hen soms tegen eene vooraf vastgestelde vaste betaling (ἀποφορά) hun loon of winsten behouden. Ook de staat had slaven (δημόσιοι), die deels politiediensten verrichtten, deels bij sommige magistraten als dienaars geplaatst werden. Als aanklager kon een slaaf niet optreden, ook mochten zij geen getuigen zijn, hoewel aan hunne verklaringen, op de pijnbank afgelegd, groote waarde gehecht werd. Aangeklaagd konden zij waarschijnlijk niet worden wegens handelingen, die zij op bevel van hunne heeren verricht hadden. De vrijheid konden zij terug krijgen door zich los te koopen, of door beschikking van hunne heeren, dikwijls bij testament, soms ook van staatswege, wanneer zij vrijwillig in den oorlog medegestreden en zich onderscheiden, of wanneer zij zware misdaden aangebracht hadden. De vrijgelatene (ἀπελεύθερος) was echter niet van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren heer (προστάτης) ontslagen, z.ἀποστασίου γραφή.

Drabescus,Δράβησκος, stad in het macedonische gewest Edōnis, aan een oostelijken zijtak van den Strymon.

Drachma,δραχμή, de meest gebruikelijke zilveren munt der Grieken, het6000stedeel van een talent, ongeveer ƒ 0,45.

Draco,Δράκων, 1) archont en eerste wetgever der Atheners (621). Hoewel zijne staatsregeling de bevoorrechte positie van den adel veel verminderde, door het recht op het bekleeden van vele ambten aan grondeigendom te verbinden, was dit, bij de algemeene verarming en het drukkende schuldrecht, niet voldoende om een einde te maken aan de heerschende ontevredenheid en de daardoor ontstane burgertwisten. Van zijne wetten werden in de wetgeving van Solon alleen de strafbepalingen tegen moord overgenomen.—2)van Stratonicēa, schrijver van vele grieksche werken over grammatica en metriek, waarvan slechts een uittreksel bewaard is; hij leefde in de2eeeuw n. C.

Draco,Δράκων,Anguis, Serpens, het sterrenbeeld de draak, v. s. de draak, die de appelen der Hesperiden bewaakt had, v. a. de Python, of de door Cadmus gedoode draak. Zie ookAnguisals veldteeken.

Draconarius, soldaat, die dendracodraagt.

Drangiane,Δραγγιανή, gewest van het perzische rijk, in het midden van Ariāna. De bewoners heetenΖαράγγαι(bij HerodotusΣαράγγεις), waarvan de GriekenΔράγγαιhebben gemaakt. Bij Herod. komen de Sarangers in het perzische leger voor met eene soort van waterlaarzen. Hun land was laag en moerassig. In het zuidelijk deel woonden de Ariaspae (z. a.).

Draudacum, sterkte van de Penesten in Illyris graeca.

Dravus,Δράβος, zijtak van den Donau in Noricum en Pannonia, thans Drave of Drau.

Drepanum, -a,Δρέπανον, τὰ Δρέπανα, naam van meer dan ééne stad en kaap, wegens de sikkelvormige ligging. O. a.: kaap op de N. kust van Creta, kaap van de Peloponnesus nabij de invaart der corinthische golf; stad en kaap op de N.W. kust van Sicilia, door den Carthager Hamilcar gesticht als ligplaats der vloot, thans Trapani. Vergilius laat Anchīses hier sterven.

Drepsa,Δρέψα, τὰ Δράψακα, sterke stad in Bactriāna, aan de N.-zijde van den Paropanīsus.

Drilae,Δρίλαι, colchisch bergvolk in N.O. Pontus, nabij de stad Trapezus.

Drilon,Δρίλων, ofDrinius, thans Drin, in zijn benedenloop grensrivier tusschen Illyris graeca en Illyris barbara (Dalmatia).

Δρόμος, ookστάδιον, de renbaan in een grieksch gymnasium, een stadium lang.—Op Creta werden de jongelingen, wanneer zij den leeftijd bereikt hadden, waarop het hun geoorloofd was aan de oefeningen in de gymnasia deel te nemen,δρόμοιofδρομῆςgenoemd.

Dropici,Δροπικοί, perzische nomadenstam.

Druentia, rivier in Gallia Narbonensis, valt bij Avenio (Avignon) in den Rhodanus (Rhône); thans Durance.

Druidae, Druides,Δρυίδαι, priesterschap bij de keltische bevolking van Britannia en Gallia. Zij maakten den voornaamsten stand uit en waren vrij van staatslasten; vandaar dat vele jongelingen, ook uit den adel, onder deDruïdenzochten te worden opgenomen. Hunne leer, die godsdienst, rechtsgeleerdheid, genees-, natuur- en sterrenkunde omvatte, alles in een mystiek gewaad gehuld, mocht niet in schrift gebracht worden, zoodat het onderricht alleen mondeling was en nieuwelingen soms een twintigtal jaren noodig hadden om in alles te worden ingewijd. Éénmaal ’s jaars hielden de gallische Druïden eene plechtige samenkomst in het gebied der Carnuten, dat voor het midden van Gallia werd gehouden. Dáár spraken zij recht tusschen twistende partijen en zelfs tusschen staten en volken. Zij, die door hen in den ban waren gedaan, waren overal van alle gemeenschap uitgesloten. Toen de rom. beschaving den ouden keltischen eeredienst verdrong, ging ook het aanzien der Druïden verloren. Door Keizer Claudius werd hun eeredienst geheel verboden. Later werd die ook in Britannia uitgeroeid door de verovering van het eiland Mona (Anglesey), waar die eeredienst gevestigd was.

Drusiāna fossa, zieFossa.

Drusilla, 1)Livia Drusilla, derde vrouw van Augustus en moeder van Tiberius. ZieLiviino. 8.—2)Drusilla, dochter van Germanicus en Agrippīna (zieJuliiondere) en dus eene zuster van Caligula, gehuwd met zekeren Aemilius Lepidus, leidde een ontuchtig leven met haren broeder en werd door dezen na haar dood (38 n. C.) onder den naam Panthea onder de godinnen opgenomen.—3)Drusilla, dochter van den joodschen koning Herōdes Agrippa, gehuwd met Antonius Felix, procurator van Judaea.

Drusus, familienaam in degens Claudia(Claudiino. 26) en degens Livia(Liviino. 2–5, 8, 9).

Dryades, Hamadryades,Δρυάδες, Ἁμαδρυάδες,boomnimfen; men meende dat iedere boom zijn eigen nimf had, goddelijke wezens, die echter stierven met den boom, dien zij onder hunne bescherming hadden.

Dryantides, Lycurgus, koning van Thracië, zoon van Dryas.

Dryas,Δρύας, 1) een van hen, die naar de hand dongen van Pallēne, en dus, volgens besluit van haar vader, met zijne mededingers om haar bezit moest worstelen. Toen hij alleen met Clitus overbleef, liet zijn wagenmenner zich door Pallene, die Clitus beminde, omkoopen om zijn wagen gedurende den strijd te laten omvallen, zoodat D. door zijn tegenstander gedood werd.—2)zoon van den thracischen koning Lycurgus, werd door zijn vader, die door Dionȳsus met waanzin geslagen was, gedood.

Drymaea,Δρυμαία, stad in Phocis ten N. van den Cephisus, met een tempel van Demēter Thesmophoros.

Drymus,ΔρύμοςofΔρυμός, sterkte in Attica op de grenzen van Boeotia.

Drymussa,Δρυμοῦσσα, eiland in de Hermaeische golf, op de kust van Ionia.

Dryope,Δρυόπη, dochter van Dryops of van Eurȳtus, werd bij Apollo moeder van Amphissus, en huwde later met Andraemon. Eens plukte zij een lotusbloem, die oorspronkelijk de nimf Lotis geweest was, waarop zij zelve in zulk een plant veranderd werd.

Dryopes,Δρύοπες, een oude grieksche volksstam, die oorspronkelijk aan den Oeta bij Malis woonde. Later verspreiden zij zich, en vindt men hen in Zuid-Euboea (steden: Carystus en Styra), op het eiland Cythnus ten Z. van Attica, verder in Argolis (Hermione, Eion, Asine, Nemea), later te Asine in Messenia, en elders.

Dryops,Δρύοψ, zoon van Sperchēus en Polydōra of van Apollo en Dia, stamvader der Dryopes. Ook de inwoners van Asine in Messenië beschouwden hem als hun stamvader en vierden hem ter eere om het andere jaar een feest.

Dubis, thans Doubs, zijtak van den Arar (Saône), stroomt langs Vesontio (Besançon).

Dubius Avitus, legatus van Germania Inferior, overwon in 50 n. C. de Friezen.

Dubris portus, thans Dover, havenstad der Cantii op de Zuidoostkust van Britannia.

Ducenarius. Dit woord komt in verschillende beteekenissen voor, die alle met het getal 200 samenhangen, als: een hoofdman over 200 man; een rechter uit hen gekozen, wier vermogen slechts 200000 sestertiën bedroeg; zij vormden sedert Augustus de 4dedecuria van rechters (zieiudexaan het slot); een keizerlijke procurator in de provinciën met eene jaarwedde van 200000 sestertiën.

Ducetius,Δουκέτιος, een Siciliër, die in 461 zich aan het hoofd der inboorlingen van het eiland stelde om hen van de heerschappij der grieksche steden te bevrijden. Hij werd door de Syracusanen in 450 verslagen en naar Corinthe verbannen. Later keerde hij met kolonisten naar Sicilia terug, en woonde te Cale Acte, tot hij in 440 stierf.

Duilia (lex)van den volkstribuun M. Duillius, 449, dat al wie voortaan de plebs zonder tribunen zou laten, of een overheidsambt zonder beroep op het volk zou in het leven roepen, gegeeseld en ter dood gebracht zou worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld, zieDuiliino. 1.

Duilia Maenia(Menenia)(lex), 357. Ziefenus.

Duilii, ookDuelliienDuilliigeschreven, plebejisch geslacht. 1)M. Duillius, een van de 4 volkstribunen, die in 471 volgens delex Publilia Voleronisdoor de plebstributimgekozen werden. Het verhaal, dat hij ook in 449 volkstribuun geweest is, en toen, als een wakker en verstandig voorvechter voor de rechten der plebejers, toen de tienmannen hunne macht misbruikten, de plebs tot eenesecessiozou bewogen hebben, is geheel verzonnen. Ook het bericht, dat op zijn voorstel, na den zelfmoord van App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus en Sp. Oppius Cornicen, aan de overige tienmannen, onder wie ook een K. Duillius Longus voorkomt, amnestie verleend zou zijn, verdient geen vertrouwen. Zie ookDuilia (lex). Volgens een ander bericht zijn de overgebleven tienmannen verbannen, en hun goederen verbeurd verklaard.—2)C. Duillius, consul 260, de bekende Romein, die door middel van enterbruggen (corvi) bij Mylae de eerste overwinning ter zee op de Carthagers behaalde, welk feit door de oprichting dercolumna rostratavereeuwigd werd. In 258 was hij censor, terwijl hij levenslang het eerbewijs verkreeg, om, wanneer hij van een feestmaal huiswaarts keerde, zich door een fakkeldrager en een fluitspeler te doen vergezellen.

Dulgubini, een germaansche stam, ten W. van den Visurgis (Weser).

Dulichium,Δουλίχιον, het grootste der Echinadische eilanden aan den mond van den Achelōus. Het behoorde tot het gebied van Odysseus, die daarom dichterlijk ook welDulichiuswordt genoemd.

Δυμᾶνες, een van de drie dorische phylae, zoo genoemd naar Dymas.

Dumnorix, hoofdman der Aeduërs, broeder van Divitiācus (zie aldaar). Toen Caesar op het punt stond voor de tweede maal naar Britannia over te steken, en Dumnorix, dien hij wantrouwde, wilde medenemen, trachtte deze te ontvluchten, doch werd door Caesars ruiterij, die hem achterhaalde, gedood.

Duoviri=Duumviri.

Dupondius, eene munt ter waarde van 2 as.

Dūra,τὰ Δοῦρα, stad in Mesopotamia, aan den Euphraat, ten Z. van Circesium.

Dūris,Δοῦρις, 1) beroemd Attisch schilder van vazen in streng roodfigurigen stijl, uit het begin van de5eeuw.—2)van Samus, grieksch geschiedschrijver omstreeks 250, die door latere schrijvers dikwijls aangehaald wordt, ofschoon men hem niet algemeen voor geloofwaardig hield.

Durius,Δούριος, rivier in Hispania, grensscheiding tusschen Lusitania en Gallaecia (Tarraconensis), thans Douro.

Durocortōrum, hoofdstad der Remers in Gallia, thans Reims.

Duronia, stad in Samnium, nabij de bergengte van Caudium.

Durostorum, vesting aan den Donau in Moesia Inferior, t.g.w. Silistria.

Duumviri. 1)Duumviri perduellioni iudicandaewaren in den rom. koningstijd rechters, die in ’s koningsnaam recht spraken in zaken vanperduellioof hoogverraad. In het republikeinsche tijdperk vinden wij dezeduumvirinog eene enkele maal, o. a. in het proces van Rabirius, door den praetor bij het lot aangewezen.—2)Duumviri sacris faciundis, belast met het toezicht en het raadplegen der sibyllijnsche boeken. Hun getal werd later op 10 en vervolgens op 15 gebracht. Ziedecemviri s. f.—3)Duumviri iuri(iure)dicundo. In de muncipiën en koloniën stonden veeltijds twee mannen aan het hoofd, die, evenals te Rome de consuls, voor een jaar gekozen werden. Zij hadden ook lictoren, doch met staven gewapend. Naast hen vindt men in verschillende municipiaduoviri aedilicia potestate.—4)Duumviri viis purgandis. Het toezicht op het schoonhouden van en het onbelemmerd verkeer in de straten van Rome buiten de muur van Servius Tullius tot aan den eersten mijlpaal was opgedragen aanduumviri. Zij worden het eerst genoemd in delex Julia municipalisvan 45. Augustus schafte dit ambt af, waarschijnlijk vóór 12, en stelde toencuratores viarumaan. Zij behoorden tot de zoogenaamdevigintisexviri(z.a.).—5)Duumviri navales classi ornandae et reficiendae, buitengewone commissarissen, in 311 voor het eerst vermeld, tot het uitrusten eener vloot.—6)Duumviri aedi faciundae,reficiundae, dedicandae, buitengewone commissarissen voor den bouw, de herstelling of de wijding van een tempel.

DymaeofDyme,Δῦμαι, Δύμη, eene der 12 bondssteden van Achaia, aan de golf van Patras, bij de grens van Elis, later rom. kolonie. Ook eene stad in Thracia aan devia Egnatia, aan den benedenloop van den Hebrus.

Dymantis, Hecabe, dochter van Dymas.

Dymas,Δύμας, 1) Phrygiër, vader van Hecabe.—2)zoon van Aegimius, stamvader der dorische Dymānes.

Dynamene,Δυναμένη, eene van deNereïden.

Dyras,Δύρας, riviertje in Malis, ten Z. van den Sperchēus, dat oudtijds in de Malische golf uitliep. Nu is het een zijriviertje van den Sperchēus.

Dyrr(h)achium,Δυρράχιον, thans Durazzo, bloeiende koopstad aan deOostkustder Adriatische zee, door Catullustaberna Adriaegenoemd. De overtocht dezer zee had meestal plaats tusschen Brundisium en Dyrrachium, vanwaar dan devia Egnatiaover Thermae of Thessalonīce naar Byzantium voerde. In de grieksche geschiedenis heet D. Epidamnus, doch de Rom., voor wie de laatste naam een ongunstigen klank had, gaven aan de stad haar oudsten naam terug. De stad was eene kolonie van Corcȳra en Corinthe (gesticht 627); de burgeroorlog, waarin de aristocratie hulp van Corcyra, de volkspartij hulp van Corinthus kreeg, was het voorspel van den peloponnesischen oorlog.

Dysaules,Δυσαύλης, broeder van Celeüs, werd door Ion uit Eleusis verjaagd, en voerde te Phlius de eleusinische mysteriën in.

Dysōrum,Δύσωρον ὄρος, gebergte, met goudmijnen, ten W. van den Beneden-Strymon, in Macedonia.

Dyspontium,Δυσπόντιον, stad in Pisātis, na de onderwerping van het landschap door de Eleërs verlaten.


Back to IndexNext