Ἐφέται, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.Ephialtes,Ἐφιάλτης, 1) een van de Aloaden, z.Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.—2)een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.—3)een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.—4)Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.—5)atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.Ephori,ἔφοροι, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.—De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reedsdoorLycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering eentegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.—2)een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.Ephorus,Ἔφοροςvan Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.Ephyra,Ἐφύρα, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epīrus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).Epibomius,Ἐπιβώμιος, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.Epialtes, z.Ephialtesno. 2.Epicaste,Ἐπικάστη, 1) = Iocaste.—2)dochter van Calydon, echtgenoote van Augīas.—3)dochter van Augīas, moeder van Thessalus.Epicharis,Ἐπίχαρις, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.Epicharmus,Ἐπίχαρμος, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijnfortis de mythologischetravestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooalsΒούσειρις, Ἥβας γάμος, Κωμασταὶ ἢ Ἅφαιστος. Andere stukken zijn meer verwant met deΜῖμοι(z.Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.Ἐπιχειροτονία, 1)ἐπ. τῶν νόμων, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantalνομοθέταιgekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (συνήγοροι, σύνδικοι) der oude wet optraden.—2)ἐπ. τῶν ἀρχῶν, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.Epicnemidii(Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.Epicrates,Ἐπικράτης, hielp Thrasybūlus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.Epictētus,Ἐπίκτητος, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.—2)geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphrodītus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitiānus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epīrus, waar hij tot den tijd van Hadriānus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arriānus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (διατριβαί) en in een meer beknopt (ἐγχειρίδιον) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.Epicūrus,Ἐπίκουρος, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze alsκληροῦχοςeigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilēne, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.—Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (χαρά, εὐφροσύνη), maar ook in rust (ἀταραξία, ἀπονία) bestaat; geestelijk genot staat hoogerdan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.—Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften—men spreekt van bijna 300—is slechts zeer weinig bewaard gebleven.Epicȳdes,Ἐπικύδης, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.—2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.Epidamnus=Dyrr(h)achium.Epidaurus,Ἐπίδαυρος, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.Epidaurus Limēra,Ἐπίδαυρος ἡ Λιμηρά, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.Epidemia,Ἐπιδήμια, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.Epidius Marullus(L.), z.Caesetius Flavus.Ἐπίδοσις, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij deεἰσφοράmeer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.Ἐπιγαμία=Conubium.Epigenes,Ἐπιγένης, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionȳsus. Hij behoort geheel tot de sage.—2)blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.—3)twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.—4)van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.—5)ten onrechte bijg.Γνωμωνικός, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.—6)vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.Epigoni,Ἐπίγονοι, 1) z.Adrastus.—2)titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homērus toegeschreven.Ἐπιγραφῆς, Ἐπιγνώμονες=Διαγραφῆς.Ἐπίκληρος, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (θῆτται) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.Ἐπιλαχών, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.Ἐπιλήναια,z.Lenaea.Epimenides,Ἐπιμενίδης, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.Epimētheus,Ἐπιμηθεύς, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Promētheus (z.a.), bij Pandōra vader van Pyrrha.Epimēthis, Pyrrha, dochter van Epimētheus.Epiphanēa,Ἐπιφάνεια, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amānus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.—2)stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.Epipolae,Ἐπίπολαι, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.Epīrus,Ἤπειρος, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. DezeIllyriërshadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4deeeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295–272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenīce de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirōtae,Ἠπειρῶται.Epīrus nova=Illyris graeca.Ἐπισημαίνεσθαι, z.ΕὔθυναιenΛογισταί.Ἐπιστάται, 1) z.Πρυτάνεις.—2)ἐπ. τῶν δημοσίων ἔργων, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.Ἐπιστροφία, bijnaam van Aphrodite (z.a.).Epitādeus,Ἐπιταδεύς, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.Ἐπιτροπή, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.Ἐπιτροπῆς δίκη, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van deἐπιτροπῆς γραφήbij den archont aangeklaagd worden.Ἐπωβελία, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.Epōdus,Ἐπῳδός, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.—2)versus intercalarisofepiphthegmaticus, refrein.—3)in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naamEpodon liberaan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoudiambigenoemd zijn.Ἔποικοι, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.Epōna, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1steeeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.Eponymus,ἐπώνυμος, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.Ἐπόπτης, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zieEleusinia.Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpīna, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onderAgrariae leges:Lex Appuleia agrariavan 100. Later municipium.Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.Epos,ἔπη, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homērus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5deeeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.—Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.—Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aenēis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarnalegatus pro praetorevan Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasiānus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70–Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).Epulōnes. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. Delex Liciniavan den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen,triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naamseptemviri, op tien.Epyaxa,Ἐπύαξα, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op dencampus Martiusplaats had.Equites(over de atheenscheἱππῆςz. a.).Eene lijfwacht van ruiterij,celeresgenaamd naar het gr. woordκέλητες, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder eentribunus celerum, v. s. onder 3tribuni celerum. Onder de koningen klom het getalequitestot 1800, in 18centuriaeverdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam vansex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus:Ramnes, Tities, Luceres prioresenposteriores. De overige heetenXII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaaldecensusvoor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2½ as = ƒ 40.000. Bij delex Roscia theatralisvan 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestrez. a.) voor het aankoopen van een paard,equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld,aes hordearium(z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook deequitesgemonsterd,recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woordentraduc equumofvende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten derequiteswas geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwilligeequitesop eigen kosten te dienen. Zóó had men toenequites equo publicoenequo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantalequitesbedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren deequitesbestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en deequites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die vantribuni militumenpraefecti, worden uitsluitend doorequitesbekleed, terwijl de hoogste rang, die eenpedesbereiken kan, die vanprimipilusis. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijnelex Sempronia iudiciariavast, dat deindicesniet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zieiudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand,ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zielex Claudia), de bankiers, de belastingpachters ofpublicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunicaangusticlavia, met smallen purperstreep (zieclavus), en in dienst of bij plechtige optochten detrabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zieRoscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in decom. centuriatazie menpraerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aanequitesopgedragen, met de titelspraefectienprocuratores.Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, deeq. equo publicoofeq. illustres, ook weleq. dignitate senatoriageheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.Equites singulares, in de 2deen 3deeeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in deacta martyrumwordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.Equus TuticusofAequum Tuticum, een stadje der Hirpīni in Samnium ten O. van Beneventum.Er,Ἦρ, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.Erae,Ἔραι, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.Erana,Ἔρανα, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amānus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.Ἔρανος, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter,ἀρχέρανοςofἐρανάρχης, handen, die deze geheele som den vrager van denἔρανοςter hand stelt,onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. Deἔρ.wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v.ἔρ. πεντακοσιόδραχμος, òf naar de grootte van de heele som b.v.ἔρ. εἰκοσιμναῖος, τετταρακονταμναῖος. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andereἔρ., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.Erasinides,Ἐρασινίδης, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.—2)corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).Erasīnus,Ἐρασῖνος, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.—2)beek in Attica, bij Brauron mondend.Erasistratus,Ἐρασίστρατος, 1) van Iūlis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3deeeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.—2)Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.Erato,Ἐρατώ, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.Eratosthenes,Ἐρατοσθένης, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.—2)van Cyrēne, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk:ΓεωγραφικάofΓεωγραφούμεναin drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.Erchomenus,Ἐρχομενός, oude naam voor:Orchomenus, z. a.Ercte,ΕἰρκτήofΕἱρκτή, bergvesting in N.W. Sicilia.Αἱ Εἱρκταί, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.Erechthēis,Ἐρέχθηίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Erechthēum,Ἐρέχθειον, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athēna Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. ZieAthenae.Erechtheus,Ἐρεχθεύς, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athēna (z.Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athēna en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechthēum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandīon, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.—V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.Erembi,Ἐρεμβοί, onbekendevolksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.Ἔρημος δίκη, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (ἀντιλαχεῖν τὴν ἔρημον), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.Eresus,Ἔρεσος, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).Eretria,Ἔρετρία, voorname havenstad op Euboea aan den Eurīpus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7deeeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Orōpus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zieChalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darīus I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.—Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiōtis.Eretri(a)ci,Ἐρετριακοί, wijsgeeren uit de school van Menedēmus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.Erētum,Ἤρητον, oude sabijnsche stad aan den Tiber.Ereuthalion,Ἐρευθαλίων, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.Ἐργαδῆς=Ἀργαδῆς.Ergane,Ἐργάνη, bijnaam van Athēna (z. a.).Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.Ergīnus,Ἐργῖνος, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.—V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamēdes en Trophonius.—2)zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.Erianthus, -thes,Ἐρίανθος, -άνθης, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.E(e)riboea, 1)Ἠερίβοια, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).—2)Ἐρίβοια, z.Periboeano. 5.Erichthonius,Ἐριχθόνιος, 1) =Erechtheus.—2)zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.Eridanus,Ἠριδανός, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.—2)beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.Erigon,Ἐριγών, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.Erigone,Ἠριγόνη, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionȳsus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feestΑἴωραofἜωρα, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.—2)dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.Erineüs,Ἐρινεός, eene der vier steden van Doris.Erinna,Ἤριννα, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4deeeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.Erin(n)yes,Ἐριν(ν)ύες, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden,Εὐμενίδες, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.—Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.—De Rom. noemden deze godinnenFuriaeofDirae deae.Eriphȳle,Ἐριφύλη, z.AmphiarāusenAlcmaeon.Eris,Ἔρις, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.—Bij de Romeinen heet zijDiscordiaen behoort zij in het gevolg van Bellōna.Eristici,Ἐριστικοί, wijsgeeren uit de school van Euclīdes no. 3 (z. a.).Eros,Ἔρως, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodīte. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, destompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.—Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erōtes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.—De Romeinen geven hem den naamAmorofCupīdo.—Zie ookPsyche.Erotia,Ἐρώτια, Ἐρωτίδια, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.Erotiānus,Ἐρωτιανός, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.Errhephoria=Arrhephoria.Erucii, een plebejische familie.Eruli=Heruli.Erulus=Herilus.Erycīna,Ἐρυκίνη, bijnaam van Aphrodīte naar den berg Eryx.Erymanthus,Ἐρύμανθος, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alphēus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ookErymanthis ursawordt genoemd.Erysichthon,Ἐρυσίχθων, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.—2)zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demēter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken hongergestraftwerd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.Erythēa, -īa,Ἐρύθεια, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.Erythrae,Ἐρυθραί, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.—2)belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.—3)havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.Erythraeum mare,Ἐρυθρὰ θάλαττα,mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.Erȳtus,Ἔρυτος=Eurȳtusno. 1.Eryx,Ἔρυξ, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodīte Erycīna. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.Eryx,Ἔρυξ, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van AphrodīteἘρυκίνη, Venus Erycīna. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244–241).Eryximachus,Ἐρυξίμαχος, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.Esquiliae, de 5deregiovan Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilīnus, met het park van Maecēnas enz.Esquilīna, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. Deporta Esquilinavoerde naar Tibur en Praeneste.Esquilīnus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen,essedaofessedum, was tweewielig en van voren open.EsubiiofSesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.Eteobutadae,Ἐτεοβουτάδαι, familie te Athene, waaruit de priesters van Athēna gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.Eteocles,Ἐτεοκλῆς, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynīces overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.—2)koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.Eteoclus,Ἐτέοκλος, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.Eteocrētes,Ἐτεόκρητες, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.Ἐτησίαι, sc.ἄνεμοι, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.Etovissa,Ἐτύβησα, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.Etruria,ook welHetruria, laterTuscia, bij de GriekenTyrrhenia,Τυρρηνία, Τυρσηνίαgenoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl deΤυρσηνοί(Τυρρηνοί), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het griekscheoosten gekomen, waarschijnlijk in de 9deof 8steeeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7–5deeeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7deen 6deeeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zieAlaliaenCaere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsīna, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortōna, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5deeeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5deeeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4deeeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octaviānus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.Euadne,Εὐάδνη, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.—2)dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.Euagoras,Εὐαγόρας, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.—2)zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368–351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).Euander,Εὔανδρος, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatīnus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aenēas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.—2)leerling van Lacȳdes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).Euangelus,Εὐάγγελος, 1) schrijver van eenwerk over krijgskunde.—2)dichter der nieuwe attische comedie.Euarchus,Εὔαρχος, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).—2)tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.Euboea,Εὔβοια, thans Negroponte, eiland, door den Eurīpus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronēa hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.Eubulides,Εὐβουλίδης, 1) van Milētus, wijsgeer uit de school van Euclīdes no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.—2)beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2deeeuw.Eubūlus,Εὔβουλος, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4deeeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.—2)atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor hetθεωρικόνbesteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronēa werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.—3)van Alexandrīa, een philosoof uit de school der Sceptici, z.Pyrrho.Euclīdes,Εὐκλείδης, 1) van Zancle, stichter van Himera.—2)eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.—3)van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodōrus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijlsἐριστικοίofδιαλεκτικοίgenoemd worden. Z. ookStilpo.—4)beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk,Στοιχεῖα, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.Eucrates,Εὐκράτης, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.Euctēmon,Εὐκτήμων, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.—2)astronoom en geograaf uit de 2dehelft der 5deeeuw.Eudamidas,Εὐδαμίδας, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.Eudēmus,Εὔδημος, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.—2)van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver derἨθικὰ Εὐδήμεια, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.Eudocia,Εὐδοκία, z.Athenaisno. 2.Eudōrus,Εὔδωρος, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.Eudoxus,Εὔδοξος, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.—2)van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.Euēnus,Εὐηνός, 1) z.Idas.—2)koning van Lyrnessus, vader van Brisēis.—3)naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.Euēnus,Εὔηνος, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.Eueteria,Εὐετηρία, bijnaam van Demēter te Corinthe.Eugammon,Εὐγάμμων, van Cyrēne, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.Euhemerus,Εὐήμερος, van Messāna, leefde aan het hof van Cassander (311–297), en was de schrijver van deἱερὰ ἀναγραφή, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.
Ἐφέται, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.Ephialtes,Ἐφιάλτης, 1) een van de Aloaden, z.Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.—2)een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.—3)een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.—4)Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.—5)atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.Ephori,ἔφοροι, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.—De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reedsdoorLycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering eentegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.—2)een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.Ephorus,Ἔφοροςvan Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.Ephyra,Ἐφύρα, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epīrus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).Epibomius,Ἐπιβώμιος, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.Epialtes, z.Ephialtesno. 2.Epicaste,Ἐπικάστη, 1) = Iocaste.—2)dochter van Calydon, echtgenoote van Augīas.—3)dochter van Augīas, moeder van Thessalus.Epicharis,Ἐπίχαρις, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.Epicharmus,Ἐπίχαρμος, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijnfortis de mythologischetravestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooalsΒούσειρις, Ἥβας γάμος, Κωμασταὶ ἢ Ἅφαιστος. Andere stukken zijn meer verwant met deΜῖμοι(z.Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.Ἐπιχειροτονία, 1)ἐπ. τῶν νόμων, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantalνομοθέταιgekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (συνήγοροι, σύνδικοι) der oude wet optraden.—2)ἐπ. τῶν ἀρχῶν, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.Epicnemidii(Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.Epicrates,Ἐπικράτης, hielp Thrasybūlus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.Epictētus,Ἐπίκτητος, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.—2)geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphrodītus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitiānus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epīrus, waar hij tot den tijd van Hadriānus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arriānus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (διατριβαί) en in een meer beknopt (ἐγχειρίδιον) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.Epicūrus,Ἐπίκουρος, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze alsκληροῦχοςeigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilēne, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.—Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (χαρά, εὐφροσύνη), maar ook in rust (ἀταραξία, ἀπονία) bestaat; geestelijk genot staat hoogerdan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.—Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften—men spreekt van bijna 300—is slechts zeer weinig bewaard gebleven.Epicȳdes,Ἐπικύδης, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.—2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.Epidamnus=Dyrr(h)achium.Epidaurus,Ἐπίδαυρος, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.Epidaurus Limēra,Ἐπίδαυρος ἡ Λιμηρά, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.Epidemia,Ἐπιδήμια, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.Epidius Marullus(L.), z.Caesetius Flavus.Ἐπίδοσις, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij deεἰσφοράmeer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.Ἐπιγαμία=Conubium.Epigenes,Ἐπιγένης, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionȳsus. Hij behoort geheel tot de sage.—2)blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.—3)twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.—4)van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.—5)ten onrechte bijg.Γνωμωνικός, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.—6)vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.Epigoni,Ἐπίγονοι, 1) z.Adrastus.—2)titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homērus toegeschreven.Ἐπιγραφῆς, Ἐπιγνώμονες=Διαγραφῆς.Ἐπίκληρος, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (θῆτται) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.Ἐπιλαχών, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.Ἐπιλήναια,z.Lenaea.Epimenides,Ἐπιμενίδης, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.Epimētheus,Ἐπιμηθεύς, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Promētheus (z.a.), bij Pandōra vader van Pyrrha.Epimēthis, Pyrrha, dochter van Epimētheus.Epiphanēa,Ἐπιφάνεια, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amānus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.—2)stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.Epipolae,Ἐπίπολαι, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.Epīrus,Ἤπειρος, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. DezeIllyriërshadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4deeeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295–272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenīce de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirōtae,Ἠπειρῶται.Epīrus nova=Illyris graeca.Ἐπισημαίνεσθαι, z.ΕὔθυναιenΛογισταί.Ἐπιστάται, 1) z.Πρυτάνεις.—2)ἐπ. τῶν δημοσίων ἔργων, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.Ἐπιστροφία, bijnaam van Aphrodite (z.a.).Epitādeus,Ἐπιταδεύς, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.Ἐπιτροπή, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.Ἐπιτροπῆς δίκη, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van deἐπιτροπῆς γραφήbij den archont aangeklaagd worden.Ἐπωβελία, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.Epōdus,Ἐπῳδός, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.—2)versus intercalarisofepiphthegmaticus, refrein.—3)in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naamEpodon liberaan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoudiambigenoemd zijn.Ἔποικοι, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.Epōna, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1steeeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.Eponymus,ἐπώνυμος, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.Ἐπόπτης, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zieEleusinia.Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpīna, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onderAgrariae leges:Lex Appuleia agrariavan 100. Later municipium.Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.Epos,ἔπη, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homērus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5deeeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.—Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.—Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aenēis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarnalegatus pro praetorevan Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasiānus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70–Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).Epulōnes. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. Delex Liciniavan den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen,triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naamseptemviri, op tien.Epyaxa,Ἐπύαξα, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op dencampus Martiusplaats had.Equites(over de atheenscheἱππῆςz. a.).Eene lijfwacht van ruiterij,celeresgenaamd naar het gr. woordκέλητες, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder eentribunus celerum, v. s. onder 3tribuni celerum. Onder de koningen klom het getalequitestot 1800, in 18centuriaeverdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam vansex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus:Ramnes, Tities, Luceres prioresenposteriores. De overige heetenXII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaaldecensusvoor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2½ as = ƒ 40.000. Bij delex Roscia theatralisvan 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestrez. a.) voor het aankoopen van een paard,equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld,aes hordearium(z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook deequitesgemonsterd,recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woordentraduc equumofvende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten derequiteswas geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwilligeequitesop eigen kosten te dienen. Zóó had men toenequites equo publicoenequo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantalequitesbedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren deequitesbestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en deequites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die vantribuni militumenpraefecti, worden uitsluitend doorequitesbekleed, terwijl de hoogste rang, die eenpedesbereiken kan, die vanprimipilusis. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijnelex Sempronia iudiciariavast, dat deindicesniet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zieiudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand,ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zielex Claudia), de bankiers, de belastingpachters ofpublicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunicaangusticlavia, met smallen purperstreep (zieclavus), en in dienst of bij plechtige optochten detrabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zieRoscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in decom. centuriatazie menpraerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aanequitesopgedragen, met de titelspraefectienprocuratores.Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, deeq. equo publicoofeq. illustres, ook weleq. dignitate senatoriageheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.Equites singulares, in de 2deen 3deeeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in deacta martyrumwordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.Equus TuticusofAequum Tuticum, een stadje der Hirpīni in Samnium ten O. van Beneventum.Er,Ἦρ, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.Erae,Ἔραι, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.Erana,Ἔρανα, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amānus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.Ἔρανος, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter,ἀρχέρανοςofἐρανάρχης, handen, die deze geheele som den vrager van denἔρανοςter hand stelt,onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. Deἔρ.wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v.ἔρ. πεντακοσιόδραχμος, òf naar de grootte van de heele som b.v.ἔρ. εἰκοσιμναῖος, τετταρακονταμναῖος. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andereἔρ., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.Erasinides,Ἐρασινίδης, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.—2)corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).Erasīnus,Ἐρασῖνος, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.—2)beek in Attica, bij Brauron mondend.Erasistratus,Ἐρασίστρατος, 1) van Iūlis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3deeeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.—2)Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.Erato,Ἐρατώ, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.Eratosthenes,Ἐρατοσθένης, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.—2)van Cyrēne, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk:ΓεωγραφικάofΓεωγραφούμεναin drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.Erchomenus,Ἐρχομενός, oude naam voor:Orchomenus, z. a.Ercte,ΕἰρκτήofΕἱρκτή, bergvesting in N.W. Sicilia.Αἱ Εἱρκταί, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.Erechthēis,Ἐρέχθηίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Erechthēum,Ἐρέχθειον, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athēna Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. ZieAthenae.Erechtheus,Ἐρεχθεύς, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athēna (z.Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athēna en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechthēum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandīon, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.—V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.Erembi,Ἐρεμβοί, onbekendevolksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.Ἔρημος δίκη, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (ἀντιλαχεῖν τὴν ἔρημον), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.Eresus,Ἔρεσος, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).Eretria,Ἔρετρία, voorname havenstad op Euboea aan den Eurīpus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7deeeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Orōpus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zieChalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darīus I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.—Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiōtis.Eretri(a)ci,Ἐρετριακοί, wijsgeeren uit de school van Menedēmus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.Erētum,Ἤρητον, oude sabijnsche stad aan den Tiber.Ereuthalion,Ἐρευθαλίων, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.Ἐργαδῆς=Ἀργαδῆς.Ergane,Ἐργάνη, bijnaam van Athēna (z. a.).Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.Ergīnus,Ἐργῖνος, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.—V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamēdes en Trophonius.—2)zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.Erianthus, -thes,Ἐρίανθος, -άνθης, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.E(e)riboea, 1)Ἠερίβοια, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).—2)Ἐρίβοια, z.Periboeano. 5.Erichthonius,Ἐριχθόνιος, 1) =Erechtheus.—2)zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.Eridanus,Ἠριδανός, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.—2)beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.Erigon,Ἐριγών, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.Erigone,Ἠριγόνη, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionȳsus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feestΑἴωραofἜωρα, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.—2)dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.Erineüs,Ἐρινεός, eene der vier steden van Doris.Erinna,Ἤριννα, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4deeeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.Erin(n)yes,Ἐριν(ν)ύες, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden,Εὐμενίδες, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.—Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.—De Rom. noemden deze godinnenFuriaeofDirae deae.Eriphȳle,Ἐριφύλη, z.AmphiarāusenAlcmaeon.Eris,Ἔρις, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.—Bij de Romeinen heet zijDiscordiaen behoort zij in het gevolg van Bellōna.Eristici,Ἐριστικοί, wijsgeeren uit de school van Euclīdes no. 3 (z. a.).Eros,Ἔρως, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodīte. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, destompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.—Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erōtes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.—De Romeinen geven hem den naamAmorofCupīdo.—Zie ookPsyche.Erotia,Ἐρώτια, Ἐρωτίδια, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.Erotiānus,Ἐρωτιανός, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.Errhephoria=Arrhephoria.Erucii, een plebejische familie.Eruli=Heruli.Erulus=Herilus.Erycīna,Ἐρυκίνη, bijnaam van Aphrodīte naar den berg Eryx.Erymanthus,Ἐρύμανθος, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alphēus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ookErymanthis ursawordt genoemd.Erysichthon,Ἐρυσίχθων, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.—2)zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demēter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken hongergestraftwerd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.Erythēa, -īa,Ἐρύθεια, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.Erythrae,Ἐρυθραί, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.—2)belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.—3)havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.Erythraeum mare,Ἐρυθρὰ θάλαττα,mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.Erȳtus,Ἔρυτος=Eurȳtusno. 1.Eryx,Ἔρυξ, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodīte Erycīna. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.Eryx,Ἔρυξ, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van AphrodīteἘρυκίνη, Venus Erycīna. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244–241).Eryximachus,Ἐρυξίμαχος, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.Esquiliae, de 5deregiovan Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilīnus, met het park van Maecēnas enz.Esquilīna, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. Deporta Esquilinavoerde naar Tibur en Praeneste.Esquilīnus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen,essedaofessedum, was tweewielig en van voren open.EsubiiofSesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.Eteobutadae,Ἐτεοβουτάδαι, familie te Athene, waaruit de priesters van Athēna gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.Eteocles,Ἐτεοκλῆς, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynīces overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.—2)koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.Eteoclus,Ἐτέοκλος, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.Eteocrētes,Ἐτεόκρητες, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.Ἐτησίαι, sc.ἄνεμοι, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.Etovissa,Ἐτύβησα, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.Etruria,ook welHetruria, laterTuscia, bij de GriekenTyrrhenia,Τυρρηνία, Τυρσηνίαgenoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl deΤυρσηνοί(Τυρρηνοί), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het griekscheoosten gekomen, waarschijnlijk in de 9deof 8steeeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7–5deeeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7deen 6deeeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zieAlaliaenCaere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsīna, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortōna, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5deeeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5deeeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4deeeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octaviānus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.Euadne,Εὐάδνη, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.—2)dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.Euagoras,Εὐαγόρας, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.—2)zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368–351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).Euander,Εὔανδρος, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatīnus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aenēas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.—2)leerling van Lacȳdes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).Euangelus,Εὐάγγελος, 1) schrijver van eenwerk over krijgskunde.—2)dichter der nieuwe attische comedie.Euarchus,Εὔαρχος, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).—2)tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.Euboea,Εὔβοια, thans Negroponte, eiland, door den Eurīpus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronēa hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.Eubulides,Εὐβουλίδης, 1) van Milētus, wijsgeer uit de school van Euclīdes no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.—2)beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2deeeuw.Eubūlus,Εὔβουλος, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4deeeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.—2)atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor hetθεωρικόνbesteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronēa werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.—3)van Alexandrīa, een philosoof uit de school der Sceptici, z.Pyrrho.Euclīdes,Εὐκλείδης, 1) van Zancle, stichter van Himera.—2)eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.—3)van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodōrus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijlsἐριστικοίofδιαλεκτικοίgenoemd worden. Z. ookStilpo.—4)beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk,Στοιχεῖα, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.Eucrates,Εὐκράτης, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.Euctēmon,Εὐκτήμων, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.—2)astronoom en geograaf uit de 2dehelft der 5deeeuw.Eudamidas,Εὐδαμίδας, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.Eudēmus,Εὔδημος, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.—2)van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver derἨθικὰ Εὐδήμεια, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.Eudocia,Εὐδοκία, z.Athenaisno. 2.Eudōrus,Εὔδωρος, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.Eudoxus,Εὔδοξος, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.—2)van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.Euēnus,Εὐηνός, 1) z.Idas.—2)koning van Lyrnessus, vader van Brisēis.—3)naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.Euēnus,Εὔηνος, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.Eueteria,Εὐετηρία, bijnaam van Demēter te Corinthe.Eugammon,Εὐγάμμων, van Cyrēne, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.Euhemerus,Εὐήμερος, van Messāna, leefde aan het hof van Cassander (311–297), en was de schrijver van deἱερὰ ἀναγραφή, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.
Ἐφέται, een rechterlijk collegie te Athene, v. s. door Draco ingesteld, v. a. veel ouder. De 51 epheten moeten meer dan 50 jaar oud zijn; zij waren in 3 gerechtshoven verdeeld, en spraken recht over moord in alle gevallen, die niet volgens de wet voor den Areopagus moesten gebracht worden.
Ephialtes,Ἐφιάλτης, 1) een van de Aloaden, z.Aloadae. V. a. een van de Giganten, door Heracles en Apollo van zijne oogen beroofd.—2)een daemon, die als nachtmerrie de menschen kwelt.—3)een Thessaliër, die bij de Thermopylae aan Xerxes een bergpas verried, waardoor hij Leonidas in den rug konde vallen. Door de Amphictyonen vogelvrij verklaard, werd hij later gedood.—4)Athener, vooral bekend door zijne maatregelen tot inkrimping van de macht van den Areopagus. Bij de voorbereiding van die maatregelen werd hij door Pericles ondersteund; korten tijd nadat zijne voorstellen waren aangenomen (462), werd hij vermoord. Zijne braafheid en belangeloosheid worden dikwijls hoog geroemd.—5)atheensch demagoog, bestrijder der macedonische partij. Toen Alex. na de verwoesting van Thebe zijne uitlevering eischte (335), vluchtte hij naar Azië, en bij het beleg van Halicarnassus sneuvelde hij.
Ephori,ἔφοροι, 1) vijf spartaansche overheden, wier bevoegdheden, oorspronkelijk waarschijnlijk tot een of ander onderdeel van het staatsbestuur beperkt, zich in den loop der tijden zoo uitbreidden, dat zij de overige magistraten, ook de koningen, ter verantwoording konden roepen en hun zelfs geldboeten konden opleggen; zijzelf waren eerst bij het neerleggen van hun ambt aan hunne opvolgers rekening en verantwoording schuldig. Zoo kregen zij van zelf ook eene groote politieke macht, die eindelijk zoo ver ging, dat zij het toezicht hadden op het naleven der wetten, op zeden en tucht, dat zij volksvergaderingen bijeenriepen en er voorstellen deden, dat zij beslisten over het al of niet toelaten van vreemde gezanten, enz.—De ephoren bekleedden hun ambt een jaar; zij werden oudtijds door de koningen benoemd, later door het volk verkozen. Het ephoraat is v. s. reedsdoorLycurgus, v. a. eerst door Theopompus ingesteld; misschien heeft laatstgenoemde den ephoren bij de wet de groote macht toegekend, die zij later bezaten, en waardoor zij als de aangewezen vertegenwoordigers der volksvergadering eentegenwicht vormden tegen koningen en gerusia, zooals bij de wetgeving van Lycurgus bezwaarlijk bedoeld kan zijn. Daarom verzetten zij zich tegen den door Agis III bedoelden terugkeer tot de instellingen van Lycurgus; daarom begon ook Cleomenes III zijne hervormingen met de afschaffing van het ephoraat, dat na zijne nederlaag bij Sellasia echter hersteld werd.—2)een geheim comité van vijf personen, door de oligarchische clubs te Athene na den slag bij Aegospotami aangewezen om voor hunne belangen te waken en de verdediging der stad tegen Lysander te belemmeren.
Ephorus,Ἔφοροςvan Cumae in Aeolis, leerling van Isocrates, de eerste schrijver eener algemeene geschiedenis. Deze liep van de terugkomst der Heracliden tot het jaar 356; zij werd door zijn zoon Demophilus voortgezet tot 340, en uitgegeven in 30 boeken, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard gebleven zijn. Wegens de wijze, waarop hij zijn stof behandelt, wordt hij soms de voorlooper van Polybius genoemd. Zijn werk werd door de ouden zeer verschillend beoordeeld en door Diodorus Siculus veel gebruikt; Diyllus e. a. schreven vervolgen erop.
Ephyra,Ἐφύρα, oude naam van het latere Corinthus (z. a.), van eene stad in Thessalia (later Crannon), in Epīrus (later Cichyrus geheeten, dicht bij de kust, hoofdstad van de thesprotische vorsten), in Aetolia, in Elis (later Oenoë).
Epibomius,Ἐπιβώμιος, titel van een der priesters bij de eleusinische mysteriën.
Epialtes, z.Ephialtesno. 2.
Epicaste,Ἐπικάστη, 1) = Iocaste.—2)dochter van Calydon, echtgenoote van Augīas.—3)dochter van Augīas, moeder van Thessalus.
Epicharis,Ἐπίχαρις, vrijgelaten slavin, die in de samenzwering van Piso tegen keizer Nero betrokken was, doch zelfs door de pijnbank niet tot bekentenis kon gedwongen worden, en toen zij ten tweede male zou gepijnigd worden, zich met haar gordel wurgde.
Epicharmus,Ἐπίχαρμος, van Cos, geb. 540, kwam reeds jong naar Sicilië, leefde te Megara en, toen deze stad verwoest was, te Syracuse aan het hof van Hiero, waar hij in 460 stierf. In zijn jeugd hield hij zich veel bezig met wijsbegeerte, later wijdde hij zich echter uitsluitend aan de poëzie en werd hij de eigenlijke schepper der dorisch-sicilische comedie. Hij schreef 35 stukken, waarvan slechts enkele fragmenten nog bestaan. Zijnfortis de mythologischetravestie, zooals blijkt uit de namen zijner stukken, zooalsΒούσειρις, Ἥβας γάμος, Κωμασταὶ ἢ Ἅφαιστος. Andere stukken zijn meer verwant met deΜῖμοι(z.Mimus). Hij heeft veel invloed gehad op de oud-attische comedie, en vooral op de middel- en nieuwe comedie. Waarschijnlijk ook op de Atellanae.
Ἐπιχειροτονία, 1)ἐπ. τῶν νόμων, de jaarlijksche herziening der wetten, die te Athene in de eerste volksvergadering van het jaar plaats had. Iedereen kon voorstellen, eene oude wet door eene nieuwe te vervangen; alsdan werden uit de heliasten een zeker aantalνομοθέταιgekozen, voor wie een formeel proces tusschen de oude en de nieuwe wet gevoerd werd, waarbij door het volk aangewezen personen als verdedigers (συνήγοροι, σύνδικοι) der oude wet optraden.—2)ἐπ. τῶν ἀρχῶν, bevestiging der overheden in de eerste vergadering van iedere prytanie. Wanneer iemand bij die gelegenheid bezwaren tegen een magistraat inbracht, werd deze geschorst, totdat de zaak door de rechtbank der heliasten onderzocht was.
Epicnemidii(Locri), dat gedeelte der Locriërs, dat op en aan den berg Cnemis woonde.
Epicrates,Ἐπικράτης, hielp Thrasybūlus bij het verdrijven van de 30; later werd hij ter dood veroordeeld wegens verraderlijke handelingen, door hem als gezant gepleegd.
Epictētus,Ἐπίκτητος, 1) beroemd Attisch vazenschilder uit het laatste deel van de zesde eeuw; hij werkte in de fabrieken van Nicosthenes en anderen. Sommige van zijn vazen zijn nog in zwart-figurigen stijl, anderen in rood-figurigen stijl.—2)geb. te Hierapolis in Phrygië, leefde lang te Rome als slaaf van Epaphrodītus no. 2; toen deze hem vrijgelaten had, woonde hij de lessen van Musonius Rufus bij en trachtte hij, hoewel met weinig gevolg, zijne opvatting van de stoicijnsche leer te Rome ingang te doen vinden. Nadat Domitiānus alle philosophen uit Rome verbannen had (89 n. C.), ging hij naar Nicopolis in Epīrus, waar hij tot den tijd van Hadriānus leefde. Ver verwijderd van de aanmatiging der toenmalige stoïcijnen, onthoudt hij zich meestal van bespiegelingen en legt hij zich alleen toe op de zedenleer. Evenals Socrates gaf hij zijn onderricht in voor ieder toegankelijke gesprekken op openbare plaatsen en vereenigde hij een aantal leerlingen rondom zich, waartoe ook Arriānus behoorde, die na den dood van den meester zijne leer in een uitvoeriger (διατριβαί) en in een meer beknopt (ἐγχειρίδιον) werk te boek stelde. Ep. zelf heeft niets geschreven.
Epicūrus,Ἐπίκουρος, Athener, geb. 342 of 341, werd zeer jong door zijn vader medegenomen naar Samus, waar deze alsκληροῦχοςeigendommen had. Reeds zeer vroeg beoefende hij de wijsbegeerte en maakte hij met verschillende stelsels kennis; 32 jaar oud trad hij eerst te Mytilēne, kort daarna te Lampsacus, met een eigen stelsel op, in 306 kwam hij naar Athene, waar hij reeds in 323 voor korten tijd geweest was en waar hij tot zijn dood (270) talrijke leerlingen rondom zich verzamelde.—Ep. vereenigt in zijne philosophie de natuurkundige theorieën van Democritus met de leer van Aristippus tot één geheel. Alles bestaat uit atomen, die door hunne neiging tot vereeniging lichamen vormen; de ziel bestaat uit zeer fijne atomen, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en sterft met het lichaam; de eenige bron van kennis is waarneming; het hoogste goed is genot, dat echter niet alleen in beweging (χαρά, εὐφροσύνη), maar ook in rust (ἀταραξία, ἀπονία) bestaat; geestelijk genot staat hoogerdan lichamelijk; de wijze onthoudt zich echter van die genietingen, waardoor hij later grootere zou moeten derven of die later smart ten gevolge hebben; de goden zijn gelukzalige wezens, die in de ruimte tusschen de verschillende werelden wonen, zonder zich om de menschelijke zaken te bekommeren.—Ep. wordt door de ouden geroemd als een braaf, eenvoudig en matig levend man; zijne leerlingen, met wie hij vertrouwelijk en gezellig omging, bleven hem met liefde en eerbied gedenken, en slechts een enkele trachtte zijn stelsel verder te ontwikkelen. Van zijne zeer talrijke geschriften—men spreekt van bijna 300—is slechts zeer weinig bewaard gebleven.
Epicȳdes,Ἐπικύδης, 1) atheensch demagoog, tijdgenoot van Themistocles.—2) Syracusaan, te Carthago geboren, nam langen tijd te Syracuse aan het hof van Hieronymus en ook na diens dood de carthaagsche belangen waar. Hij leidde voor een deel de verdediging van Syracuse tegen de Romeinen, ging na de verovering van die stad (212) naar Agrigentum, en toen ook dit gevallen was, keerde hij naar Africa terug.
Epidamnus=Dyrr(h)achium.
Epidaurus,Ἐπίδαυρος, oud-ionische stad in Argolis, aan de Saronische golf, met een beroemden tempel van den god Asclepius, die hier geboren was. Het heiligdom is door het Grieksche archaeologische genootschap opgegraven. Ook eene aanzienlijke stad in Dalmatia, aan de kust, ook Epidaurum geheeten.
Epidaurus Limēra,Ἐπίδαυρος ἡ Λιμηρά, stad op de Oostkust van Laconica, met een goede haven.
Epidemia,Ἐπιδήμια, familiefeest, gevierd wanneer iemand behouden van eene reis teruggekeerd was.
Epidius Marullus(L.), z.Caesetius Flavus.
Ἐπίδοσις, te Athene vrijwillige gift aan de staatskas, vooral dat, wat men bij deεἰσφοράmeer betaalt dan men verplicht is; ook het onverplicht op zich nemen van liturgieën e. dgl.
Ἐπιγαμία=Conubium.
Epigenes,Ἐπιγένης, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche treurspeldichters, v. s. de eerste die onderwerpen behandelde, welke niet in betrekking stonden met de mythen van Dionȳsus. Hij behoort geheel tot de sage.—2)blijspeldichter in het begin der vierde eeuw.—3)twee leerlingen van Socrates, de een zoon van Criton, de andere van Antiphon.—4)van Rhodus, schrijver van een werk over den landbouw.—5)ten onrechte bijg.Γνωμωνικός, van Byzantium, wiens astronomische werken door Plinius en Seneca aangehaald worden.—6)vazenfabrikant uit den tijd van Pericles.
Epigoni,Ἐπίγονοι, 1) z.Adrastus.—2)titel van een cyclisch gedicht, door sommigen aan Homērus toegeschreven.
Ἐπιγραφῆς, Ἐπιγνώμονες=Διαγραφῆς.
Ἐπίκληρος, heette te Athene eene vrouw, die het vermogen van haar vader erft, wat alleen kon geschieden wanneer deze geene mannelijke afstammelingen naliet. Zij was verplicht den naasten mannelijken bloedverwant te huwen, ook wanneer zij reeds met een ander gehuwd was. Daarentegen konden arme erfdochters (θῆτται) eischen, dat de naaste mannelijke bloedverwant haar huwen of haar een behoorlijken bruidschat geven zoude.
Ἐπιλαχών, door het lot aangewezen plaatsvervanger van een bij het lot aangewezen overheidspersoon of raadslid, om bij diens dood of afzetting terstond zijne plaats in te nemen.
Ἐπιλήναια,z.Lenaea.
Epimenides,Ἐπιμενίδης, van Creta, waarzegger, priester en dichter, over wiens leven allerlei verhalen vol wonderen in omloop waren. Zoo verhaalde men dat hij in zijne jeugd in een grot in slaap gevallen was, en daar 56 jaar geslapen had, dat hij een leeftijd van 150 of 300 jaar bereikt had, e. dgl. In 596 werd hij naar Athene geroepen om de stad te reinigen van de heiligschennis der Alcmaeonidae (z.a.). Hij wordt soms tot de zeven wijzen gerekend, en verscheiden werken van hem worden genoemd, zooals orakels, reinigingsliederen, enz.
Epimētheus,Ἐπιμηθεύς, zoon van Iapetus en Clymene, broeder van Promētheus (z.a.), bij Pandōra vader van Pyrrha.
Epimēthis, Pyrrha, dochter van Epimētheus.
Epiphanēa,Ἐπιφάνεια, 1) stad in O. Cilicia, nabij de bergpassen van den Amānus, vroeger Oeniandus geheeten. Pompeius verplaatste een gedeelte der zeeroovers hierheen.—2)stad in Syria aan den Orontes, vroeger Hamath geheeten, door Antiochus Epiphanes vergroot en naar hem genoemd.
Epipolae,Ἐπίπολαι, het N.W. en hoogst gelegen gedeelte der stad Syracusae.
Epīrus,Ἤπειρος, land tusschen den Pindus en de Adriatische zee, en tusschen Hellas en Illyria. Het land werd door illyrische stammen bewoond, waarvan de Chaones, de Thesproti en de Molossi de voornaamste waren. DezeIllyriërshadden de oudere grieksche stammen, waartoe de Graïci en de Helli of Selli (in Hellopia) behoorden, verjaagd. De vorsten der Molossers breidden allengs sedert de 4deeeuw hunne heerschappij over het geheele land uit. Onder hunne koningen, die van Achilles beweerden af te stammen, is Pyrrhus (295–272), die tegen de Romeinen oorlog voerde, de merkwaardigste. Later (234/3) werd Epirus republikeinsch; het vormde toen een bondsstaat, waarvan Phoenīce de hoofdstad was, kwam vervolgens onder Macedonia en ten slotte met dit rijk onder Rome (167). Van de vreeselijke verwoesting door Aemilius Paulus heeft het land zich nooit kunnen herstellen. De bewoners heetten Epirōtae,Ἠπειρῶται.
Epīrus nova=Illyris graeca.
Ἐπισημαίνεσθαι, z.ΕὔθυναιenΛογισταί.
Ἐπιστάται, 1) z.Πρυτάνεις.—2)ἐπ. τῶν δημοσίων ἔργων, te Athene commissies belast met het toezicht op openbare werken en vooral op het gebruik der daartoe beschikbaar gestelde gelden.
Ἐπιστροφία, bijnaam van Aphrodite (z.a.).
Epitādeus,Ἐπιταδεύς, spartaansch ephoor in het begin der vierde eeuw, maakte, zooals men later aannam, veranderingen in het eigendomsrecht, waarbij schenkingen bij het leven of bij testament wettig verklaard werden; ten gevolge daarvan verminderde sedert dien tijd het aantal grondeigenaars aanmerkelijk.
Ἐπιτροπή, te Athene het vergelijk tusschen strijdende partijen, waarbij zij hun geschil aan de beslissing van door hen gekozen scheidsrechters onderwerpen. Van zulk een beslissing was geen hooger beroep.
Ἐπιτροπῆς δίκη, aanklacht tegen iemand, die als voogd over minderjarige kinderen, hunne belangen niet behoorlijk had waargenomen of zich aan bedriegelijke handelingen had schuldig gemaakt; zulk eene aanklacht moest door den pupil binnen vijf jaar na afloop der voogdij bij den archont ingediend worden. Gedurende de voogdij kon een voogd wegens zulke handelingen door ieder burger door middel van deἐπιτροπῆς γραφήbij den archont aangeklaagd worden.
Ἐπωβελία, een boete, die in sommige processen de aanklager beliep, wanneer minder dan een vijfde van de rechters voor veroordeeling gestemd hadden. De boete bedroeg een zesde van de som in kwestie.
Epōdus,Ἐπῳδός, 1) slotzang, het gedeelte van een lyrisch gedicht, dat na de strophe en antistrophe gezongen werd.—2)versus intercalarisofepiphthegmaticus, refrein.—3)in het algemeen lyrische gedichten, waarin op een langer vers een korter volgt, met uitzondering van het elegische distichon. Daarom hebben de grammatici den naamEpodon liberaan het bundeltje gedichten van Horatius gegeven, die door hem zelf om hun bijtenden inhoudiambigenoemd zijn.
Ἔποικοι, zij die van staatswege naar eene reeds bewoonde stad of volkplanting gezonden worden, om zich daar te vestigen.
Epōna, gallische godin van paarden, lastdieren, stallen, voerlieden, enz., die sedert de 1steeeuw n. C. ook in Rome vereerd werd.
Eponymus,ἐπώνυμος, in het algemeen degene, naar wien iets genoemd wordt, bijv. de oude heroën, van wie de attische phylen en demen hun naam hebben, de eerste archont, die zijn naam aan het jaar geeft, enz.
Ἐπόπτης, ingewijde van den hoogsten graad bij de mysteriën, zieEleusinia.
Eporedia, thans Ivrea, stad van Gallia Cisalpīna, nabij Augusta Praetoria in het gebied der Salassers. Volgens eene uitspraak der sibyllijnsche boeken zonden de Rom. er in 100 eene rom. kolonie heen. Zie onderAgrariae leges:Lex Appuleia agrariavan 100. Later municipium.
Eporedorix, naam van twee aanzienlijke Aeduërs. De een viel in Caesars handen in een veldslag tegen Vercingetorix (52); de ander was als aanvoerder der aeduïsche ruiterij in Caesars leger, doch liep ten slotte ook tot Vercingetorix over.
Epos,ἔπη, epische of objectief-verhalende poëzie, behandelde waarschijnlijk oorspronkelijk enkele gebeurtenissen uit de legenden betreffende goden, heroën of edele geslachten, doch werd later ontwikkeld tot het samenhangend verhaal van geschiedenissen uit het heldentijdperk, zooals wij het bij Homērus vinden. Taal en metrum van Homerus werden door alle latere epische dichters behouden, zijne wijze van behandeling der stof werd door allen als model beschouwd. Wat de behandelde onderwerpen betreft sloten zich de cyclici (z. a.) het meest bij Homerus aan, lateren kozen ook soms geschiedenis, terwijl alexandrijnsche dichters onderwerpen van verschillenden aard, meest van geringen omvang, met meer geleerdheid dan kunst op epische wijze behandelden. In de 5deeeuw na C. herleefde het epos nog voor korten tijd, zonder echter iets van belang voort te brengen.—Tot de epische poëzie rekent men ook de didactische, het leerdicht, waarvan de werken van Hesiodus het oudste voortbrengsel zijn en waarvan de oudste wijsgeeren zich bedienden om hunne theoriën bekend te maken, terwijl in den alexandrijnschen tijd en later alle wetenschappen in dezen vorm behandeld werden.—Ook in de rom. letterkunde komt het epos reeds zeer vroeg voor; bij voorkeur behandelde men aanvankelijk deelen der rom. geschiedenis; eerst door de studie der alexandrijnsche poëzie kwam men ook tot beoefening van het grieksche heldenepos; Vergilius verbindt beide richtingen door in zijne Aenēis inheemsche sagen tot onderwerp te kiezen. Het leerdicht werd door de Rom. steeds met voorliefde beoefend.
Eppius (M.), aanhanger van Pompeius, door Caesar na den slag bij Thapsus begenadigd.
Eprius Marcellus (T. Clodius), een man van lage inborst, was onder Claudius en Nero praetor, en daarnalegatus pro praetorevan Lycia en Pamphylia, waar hij zich door zijne inhaligheid zeer gehaat maakte. Hij was consul in 61 n. C. Vervolgens speelde hij bij Nero de rol van verklikker. Hij wist Thrasea Paetus te doen veroordeelen (66). Ook in de gunst van Vespasiānus wist hij zich in te dringen; hij was (Juli 70–Juli 73) proconsul van Asia; toen hij echter eene samenzwering tegen den keizer trachtte te bewerken, werd dit ontdekt en toen hij in den senaat veroordeeld was, maakte hij zichzelven van kant (79).
Epulōnes. Vóór 196 was de zorg voor de maaltijden, waarmede sommige godsdienstige feesten behoorden gepaard te gaan, aan de pontifices opgedragen. Delex Liciniavan den volkstribuun C. Licinius Lucullus van 196 droeg deze taak op aan een bijzonder collegie van drie mannen,triumviri epulones, welk getal later op zeven werd gebracht en door Caesar, doch met behoud van den naamseptemviri, op tien.
Epyaxa,Ἐπύαξα, echtgenoote van den vorst (Syennesis) van Cilicië.
Equirria, een Marsfeest op 27 Februari en 14 Maart, waarbij een wedren te paard op dencampus Martiusplaats had.
Equites(over de atheenscheἱππῆςz. a.).Eene lijfwacht van ruiterij,celeresgenaamd naar het gr. woordκέλητες, wordt reeds onder de regeering van Romulus vermeld. Ze stonden onder eentribunus celerum, v. s. onder 3tribuni celerum. Onder de koningen klom het getalequitestot 1800, in 18centuriaeverdeeld. Zes dezer centuriën droegen den naam vansex suffragia. Vermoedelijk zijn dit de drie dubbelcenturiën van Tarquinius Priscus:Ramnes, Tities, Luceres prioresenposteriores. De overige heetenXII centuriae equitum. Na de verdrijving der koningen bleef het getal op 1800, zij werden genomen uit rijke burgers der eerste klasse. Wanneer een bepaaldecensusvoor de equites is vastgesteld, weten we niet, maar later bedraagt die 400.000 sestertiën van 2½ as = ƒ 40.000. Bij delex Roscia theatralisvan 67 werd deze census hernieuwd, en ook in den keizertijd is dit zoo gebleven. De ruiters ontvingen van den staat geld (aes equestrez. a.) voor het aankoopen van een paard,equus publicus, en tot onderhoud een zeker havergeld,aes hordearium(z. a.). Wanneer de census gehouden werd, werden ook deequitesgemonsterd,recognitio. Hun paard aan den teugel leidende, traden zij ieder op hunne beurt voor de censoren, en hoorden daar de woordentraduc equumofvende equum. Het laatste was een teeken, dat men van de lijsten derequiteswas geschrapt, hetzij wegens niet voldoende onderhoud van zijn paard, hetzij de censors om eene andere reden eene openbare bestraffing wilden toepassen. In 403 tijdens den laatsten oorlog met Veii meldden zich een aantal jongelieden aan om als vrijwilligeequitesop eigen kosten te dienen. Zóó had men toenequites equo publicoenequo privato. De laatsten stemden echter niet in de riddercenturiën mede. Het geheele aantalequitesbedroeg in 225: 22100. Oorspronkelijk waren deequitesbestemd voor den ruiterdienst te velde en hiervoor werden bij elk legioen 300 ruiters gevoegd, doch deze dienst geraakte allengs in minachting, omdat het zwaartepunt der rom. krijgsmacht in het voetvolk gelegen was. De Rom. bezigden liever als ruiterij troepen van de bondgenooten in de provinciën, die veel beter waren, en deequites Romani, niet langer als ruiterkorps dienst doende, werden meer een bevoorrechte klasse van burgers, waaruit men bij voorkeur hoofdofficieren, ordonnansen en den staf des veldheers koos. De hoogere officiersrangen, die vantribuni militumenpraefecti, worden uitsluitend doorequitesbekleed, terwijl de hoogste rang, die eenpedesbereiken kan, die vanprimipilusis. Van ruiterbende werden zij ridderkorps. In 123 stelde C. Gracchus als volkstribuun door zijnelex Sempronia iudiciariavast, dat deindicesniet langer uit den senaat zouden genomen worden, maar uit hen, die den riddercensus hadden (zieiudex), en daar deze nu allen op ééne lijst moesten gebracht worden, ook al behoorden zij niet tot de 1800, ontstond toen een ridderstand,ordo equester. Kreeg een ridder toegang tot den senaat, dan kon hij van den ridderstand niet langer deel uitmaken. Onder de ridders vond men de eigenaars der groote handelshuizen (een senator of senatorszoon mocht geen handel drijven, zielex Claudia), de bankiers, de belastingpachters ofpublicani. Zij vormden de geldaristocratie, die dikwerf vijandig tegenover den senatorenstand stond. Met de senatoren hadden de ridders den gouden ring gemeen (ius anuli); zij droegen de tunicaangusticlavia, met smallen purperstreep (zieclavus), en in dienst of bij plechtige optochten detrabea, een mantel met purperen strepen. Ook hadden zij bevoorrechte plaatsen in het theatrum, zieRoscia (lex) theatralis. Omtrent het stemrecht der equites in decom. centuriatazie menpraerogativa. In den keizertijd worden vele keizerlijke ambten, o. a. de praefectura Aegypti, en het bestuur van vele kleine provincies en van de finantiën uitsluitend aanequitesopgedragen, met de titelspraefectienprocuratores.
Equites illustres. Augustus schiep in den ridderstand een bepaalde klasse van ridders, deeq. equo publicoofeq. illustres, ook weleq. dignitate senatoriageheeten, die den senatorencensus van 1.000.000 sestertiën hadden, en waaruit de keizer de meeste zijner officieren en hooge ambtenaren koos.
Equites singulares, in de 2deen 3deeeuw n. C. een regiment garde kavallerie van de romeinsche keizers, meest bestaande uit vreemdelingen (Germanen, vooral Batavi).
Equuleus, het folterpaard, een martelwerktuig, waarvan wij den vorm niet kennen. De persoon, die gefolterd moest worden, werd er op vastgebonden en dan uiteengerekt. Het werd niet voor burgers, maar voor slaven gebezigd. Ook in deacta martyrumwordt het vaak vermeld. Ook bij gerechtelijke verhooren werden slaven, die getuigenis moesten afleggen, op een dergelijk folterwerktuig geplaatst.
Equus TuticusofAequum Tuticum, een stadje der Hirpīni in Samnium ten O. van Beneventum.
Er,Ἦρ, Pamphyliër, die in een slag gedood werd, tien dagen liggen bleef en daarna op den brandstapel herleefde en verhaalde, wat hij in de onderwereld gezien had.
Erae,Ἔραι, kleine sterke havenstad op de aziatisch-ionische kust, ten Z.O. van Erythrae, in het gebied van Teos.
Erana,Ἔρανα, hoofdvesting der Eleutherocilices op den berg Amānus. Ook eene stad in Messenia, aan de W.-kust even ten N. van het eilandje Prote.
Ἔρανος, een in het grieksche recht veel voorkomend gebruik tot het gezamenlijk uitleenen van gelden, zonder daarvoor rente te vorderen. Om iemand geldelijk te steunen voor het doen van zaken of voor het loskoopen van een krijgsgevangene, of ook alleen om gelden te beleggen, geven een zeker aantal personen, ieder voor zich een zelfde geldsom aan den voorzitter,ἀρχέρανοςofἐρανάρχης, handen, die deze geheele som den vrager van denἔρανοςter hand stelt,onder de conditie, dat deze de som in termijnen afbetaalt. Deἔρ.wordt genoemd òf naar de grootte van ieders bijdrage, b.v.ἔρ. πεντακοσιόδραχμος, òf naar de grootte van de heele som b.v.ἔρ. εἰκοσιμναῖος, τετταρακονταμναῖος. De rechten van de deelnemers, en de verplichting tot terugbetaling van den ontvanger zijn voor overdraging vatbaar, en kunnen ook in rechte gehandhaafd worden. Andereἔρ., vooral in lateren tijd, dienden om voor ééns, of geregeld op gemeenschappelijke kosten feestvergaderingen te houden, of vereenigingen in stand te houden, zooals er in de hellenistische wereld onder allerlei vormen voorkomen.
Erasinides,Ἐρασινίδης, 1) atheensch veldheer, een van de overwinnaars bij de Arginusen, die later ter dood veroordeeld werden.—2)corinthisch veldheer, die den Syracusanen te hulp kwam, toen zij in den peloponnesischen oorlog door de Atheners aangevallen waren (414).
Erasīnus,Ἐρασῖνος, 1) de eenige rivier van Argolis, die in den zomer niet droog is; hij mondt na een zeer korten loop dicht bij de plaats, waar de Inachus in het zand verloopt.—2)beek in Attica, bij Brauron mondend.
Erasistratus,Ἐρασίστρατος, 1) van Iūlis, kleinzoon van Aristoteles, beroemd heel- en ontleedkundige in de 3deeeuw, stichter eener geneeskundige school. Hij woonde te Alexandria.—2)Athener, een van de zoog. 30 tyrannen.
Erato,Ἐρατώ, muze van het minnedicht en de mimiek, wordt afgebeeld met eene lier in de hand, soms in gezelschap van Eros.
Eratosthenes,Ἐρατοσθένης, 1) een van de zoog. 30 tyrannen te Athene, voorstander van de meer gematigde politiek van Theramenes, later door Lysias aangeklaagd wegens den moord van diens broeder Polemarchus.—2)van Cyrēne, geb. 275, in Alexandrië onderwezen, leefde eenigen tijd te Athene, en werd in 235 hoofd der alexandrijnsche bibliotheek, welke betrekking hij bekleedde totdat hij, ruim 80 jaar oud, zich van het leven beroofde, daar hij vreesde blind te worden (194). Behalve zijne gedichten liet hij een groot aantal werken na over wiskunde, wijsbegeerte, geschiedenis en chronologie, taal- en letterkunde, alsmede zijn voornaamste werk:ΓεωγραφικάofΓεωγραφούμεναin drie boeken, welk werk de grondslag werd van eene wetenschappelijke behandeling der aardrijkskunde, en door lateren zeer dikwijls gebruikt werd. Van al deze werken is bijna niets bewaard gebleven.
Erchomenus,Ἐρχομενός, oude naam voor:Orchomenus, z. a.
Ercte,ΕἰρκτήofΕἱρκτή, bergvesting in N.W. Sicilia.Αἱ Εἱρκταί, vlek in Argolis dicht bij Nauplia.
Erechthēis,Ἐρέχθηίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Erechthēum,Ἐρέχθειον, de plaats op de atheensche acropolis, waar de tempels van Poseidon Erechtheus en van Athēna Polias stonden, met de zoutbron en den heiligen olijfboom, die uit den strijd tusschen Poseidon en Athena over de naamgeving der stad was ontstaan. ZieAthenae.
Erechtheus,Ἐρεχθεύς, 1) zoon van Hephaestus en Gaea of Atthis, opgevoed door Athēna (z.Agraulus). Hij verdreef Amphictyon en werd koning van Attica, stelde den eeredienst van Athēna en de Panathenaea in, en was rechter in den twist tusschen Athena en Poseidon over het bezit van Attica; hij was de eerste die een vierspan gebruikte en werd daarom als Voerman onder de sterren geplaatst. Er. was een zeer oud attisch heros, die in het Erechthēum gemeenschappelijk met Athena en Poseidon vereerd werd.—2)kleinzoon van den vorigen, zoon van Pandīon, koning van Athene. In den oorlog tegen de Eleusiniërs werd hem de overwinning voorspeld, mits hij eene van zijne vier dochters doodde; toen hij nu de jongste opofferde, beroofden zich ook hare drie zusters van het leven, daar zij gezworen hadden met elkander te zullen sterven. Er. versloeg in den strijd Eumolpus, die de Eleusiniërs hielp, maar werd op verzoek van diens vader Poseidon door Zeus met den bliksem gedood.—V. s. is deze Er. oorspronkelijk dezelfde als de vorige.
Erembi,Ἐρεμβοί, onbekendevolksstam, ergens in het oostelijk gedeelte van het gebied der middellandsche zee wonende, v. s. verwant met de Arabieren, v. a. = Aramaei.
Ἔρημος δίκη, proces, waarin wegens het wegblijven van een der partijen bij verstek vonnis wordt uitgesproken. De veroordeelde kon vernietiging van zulk een vonnis vragen (ἀντιλαχεῖν τὴν ἔρημον), wanneer hij meende te kunnen bewijzen, dat er redenen geweest waren om de behandeling der zaak uit te stellen.
Eresus,Ἔρεσος, stad op de Z.-W. kust van het eiland Lesbus, geboorteplaats van de dichteres Sappho en van den wijsgeer Theophrastus (± 300).
Eretria,Ἔρετρία, voorname havenstad op Euboea aan den Eurīpus, waarschijnlijk gesticht door de Abantes, later een atheensche kolonie, die zelve verscheidene volkplantingen naar de macedonische kust uitzond en in de 7deeeuw een groot gebied (Andrus, Tenus, Ceüs, Orōpus) beheerschte. Omtrent haar strijd met Chalcis, zieChalcis. Met Athenae had het den opstand der Ioniërs in Azië tegen Darīus I ondersteund. Daarom werd het in 490 door Datis en Artaphernes verwoest, terwijl de bewoners geboeid naar Perzië (Ardericca nabij Susa) werden gezonden. De stad werd terstond weder bevolkt en neemt deel aan den Perzischen oorlog.—Ook een stadje in het N. van het thessalische landschap Phthiōtis.
Eretri(a)ci,Ἐρετριακοί, wijsgeeren uit de school van Menedēmus, wiens leerstellingen waarschijnlijk grootendeels met die der megarische school overeenkwamen.
Erētum,Ἤρητον, oude sabijnsche stad aan den Tiber.
Ereuthalion,Ἐρευθαλίων, erfde van zijn vriend Lycurgus de knots van Areïthoüs (z. a.). Daarop vertrouwende, daagde hij alle helden ten strijde uit, tot hij door Nestor gedood werd.
Ἐργαδῆς=Ἀργαδῆς.
Ergane,Ἐργάνη, bijnaam van Athēna (z. a.).
Ergastulum, slavengevangenis op de uitgestrekte landgoederen der rom. grondeigenaars.
Ergīnus,Ἐργῖνος, 1) zoon van Clymenus no. 2, koning van Orchomenus in Boeotië. Om den dood van zijn vader te wreken, deed hij den Thebanen den oorlog aan, overwon hen en legde hun een jaarlijksche schatting op. Twintig jaar later vond Heracles te Thebe de gezanten van Erg., die gekomen waren om de verschuldigde schatting te halen; hij sneed hun neus en ooren af en zond hen zoo terug. In den oorlog, die hierop volgde, werd Erg. door Heracles gedood.—V. a. werd hij gedwongen de reeds betaalde schatting dubbel terug te geven, waardoor zijn land tot groote armoede verviel, en hij er eerst op hoogen leeftijd de vroegere welvaart hersteld zag. Hij was de vader van Agamēdes en Trophonius.—2)zoon van Poseidon, helper en opvolger van Tiphys als stuurman der Argonauten, beroemd door zijn snelheid in het loopen.
Erianthus, -thes,Ἐρίανθος, -άνθης, vertegenwoordiger van Thebe bij de vergadering, waarin na afloop van den peloponnesischen oorlog over de vredesvoorwaarden beraadslaagd werd; op zijn voorstel stemden Thebanen, Corinthiërs e. a. voor de geheele vernietiging van Athene.
E(e)riboea, 1)Ἠερίβοια, stiefmoeder der Aloaden (z. a.).—2)Ἐρίβοια, z.Periboeano. 5.
Erichthonius,Ἐριχθόνιος, 1) =Erechtheus.—2)zoon en opvolger van Dardanus, vader van Tros, beroemd om zijn rijkdom, vooral om zijne drieduizend buitengewoon schoone merries.
Ericinium, stad in Thessalia bij Gomphi.
Eridanus,Ἠριδανός, 1) mythische stroom, zoon van Oceanus en Tethys. Herodotus vermeldt hem als eene rivier, die zich in de noordelijke zee ontlast, en aan wier oevers barnsteen wordt gevonden. Daar nu over Hadria (Adria), dat bij de monden van den Po ligt, het uit het Noorden komende barnsteen werd uitgevoerd, hebben latere schrijvers den Eridanus vereenzelvigd met den Padus.—2)beek die ten O. van Athenae aan den voet van den Lycabettus ontspringt, en door het N. van Athenae stroomend, in den Ilisus valt.
Erigon,Ἐριγών, rivier in Macedonia, zijtak van den Axius.
Erigone,Ἠριγόνη, 1) dochter van Icarius (z. a.), bij Dionȳsus, die door haar vader gastvrij ontvangen werd, moeder van Staphylus. Ter herinnering aan haar dood vierde men jaarlijks het feestΑἴωραofἜωρα, waarbij men poppen aan boomen hing en ze zoo liet heen en weer schommelen.—2)dochter van Aegisthus en Clytaemnestra, door Orestes te gelijk met haar moeder gedood. V. a. hing zij zich op, toen zij de vrijspraak van Orestes vernam, of werd zij zijne slavin, of nam Artemis haar tot priesteres.
Erineüs,Ἐρινεός, eene der vier steden van Doris.
Erinna,Ἤριννα, beroemde grieksche lyrische dichteres uit de 4deeeuw, van wier leven niets zekers bekend is. Er zijn nog een paar epigrammen van haar over.
Erin(n)yes,Ἐριν(ν)ύες, wraakgodinnen, die bij ieder vergrijp tegen de heilige plichten tegenover bloedverwanten, gastvrienden, smeekelingen, enz., uit hunne woning in den Erebus naar de aarde oprijzen en den misdadiger met haar verschrikkelijk gezang vervolgen en tot waanzin drijven, zoodat hij nergens rust kan vinden. Zelfs de dood kan hare vervolgingen niet doen eindigen; heeft de misdadiger zich echter van zijne schuld gereinigd, dan worden zij welwillende godheden,Εὐμενίδες, onder welken naam zij sedert de vrijspraak van Orestes op sommige plaatsen vereerd werden.—Homerus spreekt soms slechts van ééne Erinnys, gewoonlijk werden zij echter als drie zusters voorgesteld: Alecto, Tisiphone en Megaera, dochters van Gaea, ontstaan uit het bloed, vergoten bij de verminking van Uranus; in een treurspel van Aeschylus vormen zij het koor en zijn zij dus in grooter aantal aanwezig, zij worden daar voorgesteld als afgrijselijke oude vrouwen in het zwart gekleed en met bloedrooden gordel, de beeldende kunst maakte echter van haar gevleugelde jonkvrouwen met slangen en fakkels in de handen. Men offerde aan de Er. zwarte schapen en plengoffers zonder wijn.—De Rom. noemden deze godinnenFuriaeofDirae deae.
Eriphȳle,Ἐριφύλη, z.AmphiarāusenAlcmaeon.
Eris,Ἔρις, godin der tweedracht, zuster van Ares en zijne gezellin in den strijd, maar ook godin van den heilzamen wedijver.—Bij de Romeinen heet zijDiscordiaen behoort zij in het gevolg van Bellōna.
Eristici,Ἐριστικοί, wijsgeeren uit de school van Euclīdes no. 3 (z. a.).
Eros,Ἔρως, de god der liefde, volgens sommige dichters de oudste der goden, die de stof bezielt met eene neiging tot vereeniging en daardoor eigenlijk voor den schepper der wereld gehouden moet worden. Gewoonlijk wordt hij echter meer beschouwd als de god der liefde tusschen menschen, in die hoedanigheid geeft men hem tot vader Zeus, Ares, Hermes, Hephaestus e. a., tot moeder Artemis, Iris, maar meestal Aphrodīte. Hij komt dan ook het meest voor in gezelschap van deze en is het werktuig, waardoor zij den menschen hare macht laat gevoelen; dikwijls volgt hij echter ook zijn eigen luimen en verschoont dan zelfs zijn eigen moeder niet. Dartel en niets ontziende treft hij goden en menschen met zijne pijlen, van welke de scherpe liefde verwekken, destompe juist voor liefde ongevoelig maken. Ook de liefde en vriendschap tusschen mannen en jongelingen wordt door hem beschermd, daarom is hem bijv. de heilige schaar der Thebanen gewijd, en vereerden de Atheners hem als den god, die door Harmodius en Aristogiton de bevrijding hunner stad bewerkt had. De roos en de duif zijn hem gewijd.—Hij wordt afgebeeld als een schoone knaap, later als een bevallig, meest gevleugeld kind, met boog, pijlen en fakkel. Dikwijls wordt hij vergezeld door de Chariten, Muzen e. dgl., soms ook door met hem gelijksoortige wezens, die men Erōtes noemt en waarvan sommige een afzonderlijken naam dragen, als Pothos, Himeros, enz.—De Romeinen geven hem den naamAmorofCupīdo.—Zie ookPsyche.
Erotia,Ἐρώτια, Ἐρωτίδια, feest om de vier jaar door de Thespiërs ter eere van Eros als scheppend god gevierd; er bevond zich daar een ruwe steen, die voor het oudste beeld van den god gehouden werd.
Erotiānus,Ἐρωτιανός, grieksch geneeskundige en taalgeleerde ten tijde van Nero, schrijver van een woordenboek op Hippocrates.
Errhephoria=Arrhephoria.
Erucii, een plebejische familie.
Eruli=Heruli.
Erulus=Herilus.
Erycīna,Ἐρυκίνη, bijnaam van Aphrodīte naar den berg Eryx.
Erymanthus,Ἐρύμανθος, berg en rivier in Arcadia. De berg lag in het N., de rivier, die er op ontsprong, stortte zich in den Alphēus. Op den berg behooren de mythen te huis van Heracles en het erymanthische zwijn en van Callisto, welke laatste dichterlijk ookErymanthis ursawordt genoemd.
Erysichthon,Ἐρυσίχθων, 1) zoon van Cecrops, die, van eene reis naar Delus terugkeerend, nog bij het leven van zijn vader stierf.—2)zoon van Triopas, koning in Thessalië, die boomen in een aan Demēter gewijd bosch velde, en door de godin met een onverzadelijken hongergestraftwerd, zoodat hij ten slotte zijn eigen handen en voeten opat en van honger stierf.
Erythēa, -īa,Ἐρύθεια, het land van het avondrood; later dacht men zich dit als een eilandje in de golf van Gades (Cadix), van waar Heracles de runderen van den reus Geryones wegvoerde; in werkelijkheid ligt hier geen eiland van dien naam.
Erythrae,Ἐρυθραί, 1) stad in Boeotia, ten O. van Plataeae.—2)belangrijke stad in aziatisch Ionia, waarschijnlijk oorspronkelijk door Cretensers gesticht; later komen hier Ioniërs bij; de stad bleef belangrijk tot in den keizertijd.—3)havenplaats van de ozolische Locriërs, ten Z. van Eupalium.
Erythraeum mare,Ἐρυθρὰ θάλαττα,mare rubrum, thans de Indische Oceaan. In ruimeren zin werd er soms de Arabische en sedert den tocht van Nearchus (z. a.) de Perzische golf bij gerekend.
Erȳtus,Ἔρυτος=Eurȳtusno. 1.
Eryx,Ἔρυξ, zoon van Poseidon of Butes no. 2 en Aphrodīte Erycīna. Hij werd koning der Elymi en was een geducht vuistvechter. Toen Heracles met de kudde van Geryones op Sicilië kwam, daagde Er. hem tot een tweegevecht uit, waarin hij gedood werd.
Eryx,Ἔρυξ, berg en stad op de Westkust van Sicilia hij kaap Drepanum. Op den berg lag een beroemde tempel van AphrodīteἘρυκίνη, Venus Erycīna. Hier heeft Hamilcar Barcas zich in den eersten punischen oorlog drie jaar lang verschanst (244–241).
Eryximachus,Ἐρυξίμαχος, zoon van Acumenus, atheensch geneesheer van naam, een van de woordvoerders bij het Symposium van Plato.
Esquiliae, de 5deregiovan Rome onder de verdeeling van Augustus. Zij omvatte de noordelijke helft van den mons Esquilīnus, met het park van Maecēnas enz.
Esquilīna, eene der vier plaatselijke tribus, waarin Servius Tullius Rome verdeelde. Deporta Esquilinavoerde naar Tibur en Praeneste.
Esquilīnus (mons), een der heuvels, waarop Rome was gebouwd, in het O. der stad.
Essedarii, zwaardvechters, die op de wijze der Britten en Galliërs op strijdwagens streden. Zulk een wagen,essedaofessedum, was tweewielig en van voren open.
EsubiiofSesubii, gallisch volk in het tegenw. Normandië.
Eteobutadae,Ἐτεοβουτάδαι, familie te Athene, waaruit de priesters van Athēna gekozen werden, zij stamden af van Butus no. 1.
Eteocles,Ἐτεοκλῆς, 1) zoon van Oedipus en Iocaste. Nadat hun vader Thebe verlaten had, kwam hij met zijn broeder Polynīces overeen dat zij beurtelings zouden regeeren, maar toen de tijd gekomen was om de regeering aan Polynices over te geven, weigerde hij dit te doen. Polynices ging daarop naar Adrastus, die den zoog. tocht der zeven vorsten ondernam om hem op den troon te herstellen; beide broeders vielen in een tweegevecht.—2)koning van Orchomenus in Boeotië, die den dienst der Charites invoerde.
Eteoclus,Ἐτέοκλος, zoon van den argivischen koning Iphis, een van de zeven vorsten, die met Adrastus tegen Thebe optrokken.
Eteocrētes,Ἐτεόκρητες, oudste bewoners van Creta, door de grieksche veroveraars teruggedrongen naar het oostelijk gedeelte van het eiland; hun stad is Praesus.
Ἐτησίαι, sc.ἄνεμοι, de Grieksche passaatwinden, die in de maanden Juni tot September uit het Noorden of Noordwesten waaien.
Etovissa,Ἐτύβησα, stad der Edetanen in het O. van Tarraconensis, nabij de kust.
Etruria,ook welHetruria, laterTuscia, bij de GriekenTyrrhenia,Τυρρηνία, Τυρσηνίαgenoemd, thans Toscane, het N.W. landschap van Midden-Italië, een zeer vruchtbare landstreek. Waarschijnlijk was het oudtijds door Umbriërs bewoond, terwijl deΤυρσηνοί(Τυρρηνοί), Tusci, Etrusci, die hun naam aan het landschap en aan de Tyrrheensche Zee gegeven hebben, van over zee uit het griekscheoosten gekomen, waarschijnlijk in de 9deof 8steeeuw v. Chr. zich aan de Westkust hebben neergezet, en het land langzamerhand veroverend, de oorspronkelijke bevolking onderdrukt hebben. V.a. zijn ze uit het Noorden gekomen. Zij zijn van niet-indogermaanschen stam, en hun taal is nog niet ontcijferd. Zij noemen zich zelf Rasenna, Zij hebben zich reeds vroeg zeer ontvankelijk getoond voor de grieksche beschaving, en Etruria was in de 7–5deeeuw het beste afzetgebied voor de produkten van grieksche kunst en kunstnijverheid. In de etrurische graven van Caere, Volci en andere steden heeft men duizenden grieksche vazen, soms van hooge kunstwaarde, gevonden. Hun eigen kunst, nabootsing deels van grieksche, deels van phoenicische waren, steekt bij de grieksche zeer af. Slechts hun metalen spiegels en het zwarte aardewerk (bucchero nero), na de onderwerping onder Rome verdrongen door het roode arretijnsche werk (vasa Arretina), en hun tempel- en huizenbouw verdient genoemd te worden. De Etruscers waren in de 7deen 6deeeuw het machtigste en het meest ontwikkelde volk van Italië. Als zeevaarders en zeeschuimers beheerschten zij de naar hen genoemde zee, en hielden de Grieken er uit (zieAlaliaenCaere). Ze veroverden een gedeelte van de Po-vlakte, waar Felsīna, het latere Bononia (thans Bologna) hunne hoofdstad was, onderwierpen Latium (de drie laatste koningen van Rome zijn waarschijnlijk etruscische vorsten) en vestigden zich zelfs een tijdlang in Campania, waar ze Capua gesticht en een stedenbond gevormd hebben. Het land zelf is verdeeld in vele staten, die slechts los met elkaar verbonden zijn, en elkaar nu en dan onderling beoorlogen. De voornaamste steden zijn: Arretium, Caere (= Agylla), Clusium, Cortōna, Faesulae, Perusia, Populonia, Rusellae, Tarquinii, Veii, Vetulonia, Volaterrae, Vulci en Volsinii. Falerii, dat in Zuid-Etrurië ligt, behoort er niet toe, want de inwoners, de Falisci, zijn van latijnschen stam. De met sterke muren omgeven steden der Etruscers beheerschen en onderdrukken het uitgestrekte grondgebied, dat er om heen ligt. Het bestuur is aristocratisch ingericht, terwijl aan het hoofd van elken stadstaat een priesterlijke koning staat met den titel Lucumo of Lar, welke waardigheid erfelijk schijnt te zijn. De Etruscen waren krijgshaftig, maar toen ze door handel, scheepvaart en industrie rijk waren geworden, verslapten zij. De Grieksche schrijvers hebben vele verhalen omtrent hun weelde en weelderigheid ons overgeleverd. In de 5deeeuw gaat hun macht langzamerhand achteruit. In 474/3 leden zij bij een aanval van de zeezijde op het campaansche Cumae een gevoelige nederlaag door de Syracusanen onder Hiero, die Cumae te hulp gekomen waren. In het laatst van de 5deeeuw moeten ze hun heerschappij over de Po-vlakte afstaan aan de Kelten, en ongeveer in denzelfden tijd (396) wordt Veii door de Romeinen vernietigd. In de 4deeeuw neemt nu de macht van Etrurië sterk af, totdat het, in ongeveer 280, geheel van Rome afhankelijk wordt. De bevolking, die zoo lang door de regeerende aristocratie onder het juk schijnt gehouden te zijn, leverde onder rom. bestuur sterke democratische elementen; vandaar dat Sulla en later Octaviānus er verscheidene soldatenkoloniën heenzonden.
Euadne,Εὐάδνη, 1) dochter van Poseidon en Pitane, bij Apollo moeder van Iamus.—2)dochter van Iphis, gemalin van Capaneus, die zich te gelijk met het lijk van haar echtgenoot liet verbranden.
Euagoras,Εὐαγόρας, een van de Teucriden, eene familie die vroeger te Salamis op Cyprus geregeerd had, maar later door phoenicische tyrannen vervangen was. Daar de toen regeerende tyran hem wegens zijne afkomst en nog meer wegens zijne buitengewone begaafdheid wantrouwde en uit den weg trachtte te ruimen, ging hij naar Cilicië, van waar hij in 410 met eene zeer kleine legermacht terugkeerde, zijn vaderland bevrijdde en koning werd. Hij bracht zijn rijk en het geheele eiland tot een hoogen trap van welvaart en streefde er vooral naar, betrekkingen met grieksche staten aan te knoopen en grieksche beschaving in te voeren. In Conon, die na den slag bij Aegospotami bij hem een toevlucht gevonden had, vond hij een voortreffelijk helper; hij ondersteunde hem van zijn kant krachtig bij zijne pogingen om de overmacht der Lacedaemoniërs te breken. Uit dankbaarheid hielpen de Atheners hem met schepen, toen hij door de Perzen werd aangevallen, zoodat hij, ook gesteund door een verbond met Aegypte, aanvankelijk aanzienlijke voordeelen behaalde, en ofschoon Artaxerxes na den vrede van Antalcidas met meer geluk den oorlog tegen hem voerde, verkreeg hij toch na langen strijd in 380 een eervollen vrede. In 374/3 werd hij door een sluipmoordenaar gedood.—2)zoon van Nicocles, kleinzoon van den vorigen (368–351), werd na eene korte regeering door Pnytagoras van den troon gestooten, kwam met perzische hulp terug, doch kon zich op den duur niet staande houden. Hij werd toen satraap eener provincie in Klein-Azië, doch moest wegens knevelarij vluchten en werd eindelijk op Cyprus vermoord (351).
Euander,Εὔανδρος, 1) zoon van Hermes en Themis, Carmenta of Nicostrate, of van Echemus en Timandra, kwam 60 jaar voor den trojaanschen oorlog met eene volkplanting uit Pallantium in Arcadië naar Latium, en stichtte op de plaats, waar later Rome stond, eene stad, die hij Pallantium of Palatium noemde en waarnaar de Palatīnus genoemd is. Hij leerde den bewoners van die streken schrijven, muziek en andere kunsten, en voerde den dienst van verscheiden grieksche goden in; ook hielp hij Heracles in zijn strijd tegen de omwonende volken en gaf hij Aenēas hulptroepen onder bevel van zijn zoon Pallas. Hij werd te Rome als inheemsch heros vereerd.—2)leerling van Lacȳdes en diens opvolger als hoofd der academische school (sinds 215).
Euangelus,Εὐάγγελος, 1) schrijver van eenwerk over krijgskunde.—2)dichter der nieuwe attische comedie.
Euarchus,Εὔαρχος, 1) van Chalcis, voerde eene kolonie naar Catana (± 725).—2)tyran van Astacus in Acarnanië bij het begin van den peloponnesischen oorlog.
Euboea,Εὔβοια, thans Negroponte, eiland, door den Eurīpus van Hellas gescheiden. Hoewel het in de volle lengte door een woest kalksteengebergte wordt doorsneden, had het, vooral aan de Westkust en in het Noorden zeer vruchtbare vlakten. In het N. woonden Ellopes en Perrhaebi, in het midden Curetes en Abantes, die vroeg door de Ioniërs onderworpen zijn, in het Z. Dryopes. Het midden, waar Chalcis en Eretria lagen, is het belangrijkste. Sedert de perzische oorlogen kwam Euboea onder atheenschen invloed. Na den afval van 446 werd het geheel door Athene onderworpen. In 411 viel het af, maar is later toch meest op de hand van Athene. Na den slag bij Chaeronēa hoort het onder Macedonia. In 194 wordt het onafhankelijk, in 146 wordt het bij het rom. rijk ingelijfd, en hoort soms tot de provincie Achaia, meestal echter bij Macedonia.
Eubulides,Εὐβουλίδης, 1) van Milētus, wijsgeer uit de school van Euclīdes no. 3. Hij wordt ook genoemd als de leermeester van Demosthenes, dien hij geholpen zou hebben zijn spraakgebrek te overwinnen.—2)beroemd atheensch beeldhouwer uit het midden van de 2deeeuw.
Eubūlus,Εὔβουλος, 1) een van de beroemdste dichters der attische comedie uit het overgangstijdperk; hij leefde omstreeks het midden der 4deeeuw en schreef 104 stukken. Hij parodiëerde gaarne oudere treurspeldichters, vooral Euripides.—2)atheensch redenaar en demagoog (sedert 354), in hoog aanzien bij het volk; hij trachtte vooral de financiën van den staat te versterken, die hij waarschijnlijk tot het jaar 339 beheerd heeft, en was dus een voorstander van den vrede tot elken prijs en een hevig tegenstander van Demosthenes; door zijn invloed werd Aeschines (z. a.) vrijgesproken, toen Demosthenes hem van verraderlijke handelingen had aangeklaagd. Van hem is de wet, dat alle beschikbare staatsgelden voor hetθεωρικόνbesteed moesten worden, en dat ieder met den dood gestraft zou worden, die hierin eene verandering voorstelde; eerst kort voor den slag bij Chaeronēa werd deze wet ingetrokken. Hij stierf in 330.—3)van Alexandrīa, een philosoof uit de school der Sceptici, z.Pyrrho.
Euclīdes,Εὐκλείδης, 1) van Zancle, stichter van Himera.—2)eerste archont te Athene in 403, het jaar van de amnestie, de wederinvoering der wetten van Solon en de invoering van het ionische alphabet.—3)van Megara, kwam dikwijls des avonds in vrouwenkleederen naar Athene om Socrates te bezoeken, omdat de Atheners in dien tijd den Megarensers op doodstraf het verblijf in hun stad verboden hadden. Na den dood van Socrates vonden verscheidene van zijne leerlingen, die zich te Athene niet veilig achtten, o.a. Plato, bij Eucl. eene schuilplaats. Hij verbond de eenheidsleer der Eleaten met stellingen van Socrates en werd de stichter der megarische school, die leerde, dat alleen het goede, hoewel onder zeer verschillende namen, bestond. De verdediging van deze leer vereischte vele dialectische spitsvondigheden, waarin vooral zijne navolgers Eubulides no. 1 en Diodōrus no. 1 uitmuntten en waarom de wijsgeeren van zijne richting dikwijlsἐριστικοίofδιαλεκτικοίgenoemd worden. Z. ookStilpo.—4)beroemd wiskundige te Alexandrië omstreeks 300, schrijver van verscheiden werken over meetkunde, sterrenkunde en muziek. Zijn hoofdwerk,Στοιχεῖα, wordt nog tegenwoordig soms als leerboek der meetkunde gebruikt.
Eucrates,Εὐκράτης, atheensch demagoog, uit den eersten tijd na den val van Pericles.
Euctēmon,Εὐκτήμων, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, eerste archont 408/7.—2)astronoom en geograaf uit de 2dehelft der 5deeeuw.
Eudamidas,Εὐδαμίδας, aanvoerder van een spartaansch leger, dat in 382 gezonden werd om Olynthus te belegeren, bij welke onderneming hij sneuvelde.
Eudēmus,Εὔδημος, 1) van Parus, logograaf in de zesde of vijfde eeuw.—2)van Rhodus, een der beste leerlingen van Aristoteles, zette als geneesheer vooral de wis- en natuurkundige navorschingen van zijn meester voort. V. s. is hij de schrijver derἨθικὰ Εὐδήμεια, naar voordrachten van Aristoteles opgesteld.
Eudocia,Εὐδοκία, z.Athenaisno. 2.
Eudōrus,Εὔδωρος, van Alexandrië, schrijver van verschillende werken over de leer van Plato, Aristoteles en Pythagoras; hij was een tijdgenoot van Augustus.
Eudoxia, eene Frankin, door den minister Eutropius aan den nietsbeteekenenden keizer Arcadius tot gemalin gegeven. Van 399 tot 405 na C. voerde zij voor den keizer de teugels van het bewind, en maakte zich door strengheid gehaat.
Eudoxus,Εὔδοξος, 1) van Cnidus, bestudeerde eenigen tijd in Aegypte astronomie, was een verdienstelijk geneesheer, maar vooral beroemd als wis-, sterren- en aardrijkskundige. Hij had te Cnidus een observatorium en was de eerste, die de bolvormige gedaante der aarde bewees. Omstreeks 370 voerde hij in zijne vaderstad verscheiden veranderingen in de staatsregeling in. Ofschoon hij een leerling van Plato was, verwierp hij vele van diens physische en ethische leerstellingen.—2)van Cyzicus, omstreeks 120, schrijver van een werk bevattende zijne waarnemingen op reizen naar Indië, Hispanië en Africa. Van zijne aanteekeningen heeft Posidonius gebruik gemaakt.
Euēnus,Εὐηνός, 1) z.Idas.—2)koning van Lyrnessus, vader van Brisēis.—3)naam van twee elegische dichters, van welke één leermeester van Socrates genoemd wordt. De sophist, die op eenige plaatsen bij Plato vermeld wordt, is waarschijnlijk dezelfde persoon als een van deze beide dichters.
Euēnus,Εὔηνος, vroeger Lycormas geheeten, een woeste bergstroom in Aetolia. Ook eene rivier in Mysia.
Eueteria,Εὐετηρία, bijnaam van Demēter te Corinthe.
Eugammon,Εὐγάμμων, van Cyrēne, een van de cyclici, dichtte omstreeks 570 eene Telegonie, een vervolg op de Odyssee tot den dood van Odysseus.
Euganei, bergvolk op de Raetische Alpen, voornamelijk naar de zijde van Italië.
Euhemerus,Εὐήμερος, van Messāna, leefde aan het hof van Cassander (311–297), en was de schrijver van deἱερὰ ἀναγραφή, naar den vorm eene samenhangende geschiedenis van den mythischen tijd (hij vertelt o.a. van een fabelachtig eiland Panchaea, z. a.), maar eigenlijk meer eene verdediging van de stelling, dat alle goden en heroën oorspronkelijk menschen geweest waren, wien men wegens hunne uitmuntende eigenschappen na hun dood goddelijke eer was gaan bewijzen, en wel het eerst op de plaatsen waar zij begraven waren. Deze leer, naar hem Euhemerismus genoemd, vond vele aanhangers, maar ook ernstige bestrijders; Ennius vertaalde het werk van Euh. in het Latijn, en de kerkvaders beroepen zich dikwijls erop.