Euius,Εὔιος, bijnaam van Dionȳsus, naar den kreet der Bacchanten:εὐοῖ.Εὔκλεια, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaamΕὐκλείαhad.Eulaeus,Εὐλαῖος, rivier in Susiāne, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.Eumaeus,Εὔμαιος, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.Eumēlus,Εὔμηλος, 1) z.Agron.—2)zoon van Admētus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.—3)van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8steof v. a. der 7deeeuw.Eumenes,Εὐμένης, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ἐφημερίδες Ἀλεξάνδρου) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.—2)Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263–241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.—3)Eum. II, koning van Pergamus (197–159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z.Pergamum).Eumenides,Εὐμενίδες, z.Erinnyes.Eumenius,Εὐμήνιος, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de 3deeeuw en het begin der 4deeeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder zijn naam, zijn 7 lofredenen en éénesuasoriabewaard gebleven. Hij is een tijdlangmagister memoriaevan Maximiānus geweest, maar later weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodūnum (Autun).Eumolpidae,Εὐμολπίδαι, atheensche familie, waarin de waardigheid van hierophant (z.Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.Eumolpus,Εὔμολπος, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus genoemd, een Thraciër, priester van Demēter en dichter. Hij vestigde zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demēter en Dionȳsus in en vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus (z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking hebben (τελεταί), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij worden hem toegeschreven.—Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.Eunapius,Εὐνάπιος, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4deeeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen van wijsgeeren uit zijn tijd. Vanzijn kroniek die van 270 tot 404 na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.Eunēus,Εὔνηος, ookΕὐνεύςofΕὔνεως, zoon van Iāson en Hypsipyle, koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor Troje.Eunomia,Εὐνομία, eene van de Horae.Eunomus,Εὔνομος, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij een opstand gedood.Eunus,Εὔνους, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van 141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, doch stierf vóór zijne terechtstelling.Eupalium,Εὐπάλιον, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven Erythrae.Εὐπατρίδαι, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.—2) alg. menschen van adellijke geboorte, ook vertaling van het lat.patriciï.Euphēmus,Εὔφημος, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens de voorspelling van Medēa, aan zijne nakomelingen in het vierde geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van Thera naar Libye kwam en Cyrēne stichtte.—2)zoon van Troezēnus, aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.Euphorbus,Εὔφορβος, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan Patroclus een wond toebracht, later door Menelāus gedood. Pythagoras beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.Euphorion,Εὐφορίων, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.—2)vader van Aeschylus.—3)zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles en Euripides.—4)van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr.Vooral bij de Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem en zijn Romeinsche navolgers.Euphrānor,Εὐφράνωρ, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang vanΖεὺς ἐλευθέριοςaan deἀγοράte Athene worden hoog geprezen.Euphrātes,Εὐφράτης, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.Euphratensis=Augustophratensis.Euphron,Εὔφρων, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en werd daar vermoord (± 365).—2)dichter der nieuwe attische comedie omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard zijn.Euphronius,Εὐφρόνιος, een van de beroemdste attische vazenschilders uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.Euphrosyne,Εὐφροσύνη, eene van de Charites.Eupīthes,Εὐπείθης, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.Εὐπλοία, bijnaam van Aphrodīte.Eupolis,Εὔπολις, van Athene, een van de beste blijspeldichters der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten bewaard gebleven.Eupompus,Εὔπομπος, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen oorlog;hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details toelegde.Euripides,Εὐριπίδης, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito,Κλειτώ, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen.Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god—deus ex machina—noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek.—Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelāus van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.—Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428),Ἰφιγένεια ἐν Ταύροις, Ἴων, Φοίνισσαι, Ἰφιγένεια ἡ ἐν Αὐλίδιen het satyrdramaΚύκλωψ.—Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.Eurīpus,Εὔριπος, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.Eurōmeof-mus,Εὐρώμη, Εὔρωμος, stadje in Caria, tusschen Mylasa en Heraclēa Latmi.Europa,Εὐρώπη, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphēmus.—2)dochter van Phoenix en Perimēde of van Agēnor en Telephassa. Toen zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, Rhadamanthys en Sarpēdon en huwde later met Asterion (z. a.). Op Creta genoot zij onder den naam Hellōtis goddelijke eer.—3)Oceanide.Eurōpa,Εὐρώπη, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.Eurōpus,Εὐρωπός, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het maced. landschap Emathia.—2)stad in Caria = Idrias (Stratonicēa).—3)stad in Syria.—4)zieRhagae.Eurotas,Εὐρώτας, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich hun legerstede bereidden.Eurus,Εὖρος, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, zieWindstreken.Euryale,Εὐρυάλη, 1) eene van de Gorgonen.—2)dochter van Minos, moeder van Orīon.—3)koningin der Amazonen, die Aeētes tegen de Argonauten te hulp kwam.Euryalus,Εὐρύαλος, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut en makker van Diomēdes voor Troje.—2)een van de tochtgenooten van Aenēas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.Euryanax,Εὐρυάναξ, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der Spartanen bij Plataeae.Eurybates,Εὐρυβάτης, 1) heraut van Agamemnon.—2)heraut van Odysseus.Eurybatus,Εὐρύβατος, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de Peloponnēsus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk voor een verrader gebruikt.—2)Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in den worstelstrijd te Olympia (708).—3)bevelhebber der corcyraeische vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).Eurybiades,Εὐρυβιάδης, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.Euryclēa,Εὐρύκλεια, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.Eurydice,Εὐρυδίκη, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond toebracht.—2)ofAganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder van Danaë.—3)dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.—4)ofHenioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van den zelfmoord van haar zoon Haemon.—5)gemalin van Lycurgus, moeder van Archemorus.—6)dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.—7)z.Arrhidaeus.Euryganēa,Εὐρυγάνεια, z.Oedipus.Eurylochus,Εὐρύλοχος, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.Eurymachus,Εὐρύμαχος, 1) een van de minnaars van Hippodamēa, door Oenomaüs gedood.—2)een van de minnaars van Penelope, door Odysseus gedood.—3)aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.Eurymedon,Εὐρυμέδων, 1) koning der Giganten.—2)wagenmenner van Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.—3)atheensch veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcȳra om de democratische partij te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.Eurymedon,Εὐρυμέδων, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in 466 de Perzen te land en ter zee versloeg.Eurynome,Εὐρυνόμη, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.—2)huishoudster bij Odysseus.—3)moeder van Adrastus.—4)moeder van Agēnor.—5)bijnaam van Artemis in Arcadië.Euryphron,Εὐρύφρων, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot van Hippocrates.Eurypon,Εὐρυπῶν, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden (Εὐρυπωντίδαι) genoemd worden.Eurypylus,Εὐρύπυλος, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld van Dionȳsus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, en de dienst van Dionysus-Aesymnētes ingesteld.—2)zoon van Poseidon en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken van Cyrēne.—3)zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.—4)zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele dappere daden door Neoptolemus gedood.—5)zoon van Thestius, werd met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.Eurysaces,Εὐρυσάκης, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn vader te Athene als heros vereerd.Eurysthenes,Εὐρυσθένης, zoon van Aristodēmus no. 1, regeerde met zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het koninklijke geslacht der EurysthenidenΕὐρυσθενίδαι.Eurystheus,Εὐρυσθεύς, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van Mycēnae, z.HeraclesenHeracliden.Eurytion,Εὐρυτίων, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die Hippodamēa wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen Centauren en Lapithen.—2)zoon of kleinzoon van Actor, een van de Argonauten, z.Peleus.—3)zoon van Ares en Erythia, bewaker der kudden van Geryones.—5)zoon van Lycāon, bekwaam boogschutter, tochtgenoot van Aenēas.Eurȳtis, Iole, dochter van Eurȳtus.Eurȳtus,Εὔρυτος, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianīra, Argonaut.—2)zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne zonen.—3)een van de Molioniden.—4)=Eurytionno. 2.—5)een van de Giganten, bij de gigantomachie door Dionȳsus verslagen.Eusebīaof-bēa,Εὐσέβεια=Caesarēa ad Argaeum.Eusebius,Εὐσέβιος, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarēa in Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop van Emesa in Phoenīce. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen 260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd deἐκκλησιαστικὴ ἱστορίαen het zoogenaamdeChronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling zijnerπαντοδαπὴ ἱστορία, eene synchronistische geschiedenis tot 324 n. C., door Hieronymus (331–420), een der kerkvaders, bewerkt en voortgezet tot 378.Eustathius,Εὐστάθιος, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer Constantius bij den perzischen koning Sapōres.Euterpe,Εὐτέρπη, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele fluit in de handen.Euthycrates,Εὐθυκράτης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).Euthydēmus,Εὐθύδημος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor Syracuse.—2)van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; naar hem is een van de werken van Plato genoemd.—3)broeder van Lysias.—4)zoon van Diocles, leerling van Socrates.Euthȳmus,Εὔθυμος, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te sterven van de aarde verdwenen was.Εὔθυναι, rekening en verantwoording, die ieder atheensch overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen te woorden (ἐπισημαίνεσθαι).Εὔθυνοι, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten ter zijde stonden bij het nazien van deεὔθυναι.Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van eenBreviariumof beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Joviānus 369 n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.—2)gesnedene, gunsteling van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius teruggeroepen, maar te Chalcēdon door zijne vijanden vermoord.Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den Campus Martius.Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van den eigenaar in vreemde handen is.Evocātizijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst met den rang vancenturio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren aangeworven.Ἐξάγγελος, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.Ἐξαιρέσεως δίκη=ἀφαιρέσεως δίκη.Exampaeus,Ἐξαμπαῖος, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het zeewater in den mond der rivier.—Ook een plaats ten O. van den Hypanis, ookἹραὶ ὁδοίgeheeten.Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers de wacht bij het paleis.Execias,Ἐξεκίας, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen uit het midden van de 6deeeuw.Exedra,ἐξέδρα, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het midden.Ἐξιτήρια, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner betrekking gebracht. Z.εἰσιτήρια.Exodium,ἐξόδιον, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana gebruikt. Zie ookMimus.Exōmis,ἐξωμίς, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte van de borst onbedekt.Ἐξωμοσσία, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of eene liturgie niet kan op zich nemen.—2) beëedigde verklaring dat men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.Exostra,ἐξώστρα, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot hetzelfde doel als hetἐκκύκλημα, v.s. een soort balcon aan het huis of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.—2)een brug, die uit een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der belegerde stad te komen.Ἐξούλης δίκη, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan dat wat hij den aanklager schuldig was.Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor dedivinatiovan groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eenepars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor zich en zijn volk, en eenepars hostilis. Na het eerste onderzoek werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstondende rom. priesters in het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen wordenextispicesofharuspicesontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer Claudius stelde een collegie van romeinscheharuspicesin, dat echter nooit tot aanzien kwam.
Euius,Εὔιος, bijnaam van Dionȳsus, naar den kreet der Bacchanten:εὐοῖ.Εὔκλεια, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaamΕὐκλείαhad.Eulaeus,Εὐλαῖος, rivier in Susiāne, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.Eumaeus,Εὔμαιος, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.Eumēlus,Εὔμηλος, 1) z.Agron.—2)zoon van Admētus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.—3)van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8steof v. a. der 7deeeuw.Eumenes,Εὐμένης, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ἐφημερίδες Ἀλεξάνδρου) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.—2)Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263–241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.—3)Eum. II, koning van Pergamus (197–159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z.Pergamum).Eumenides,Εὐμενίδες, z.Erinnyes.Eumenius,Εὐμήνιος, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de 3deeeuw en het begin der 4deeeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder zijn naam, zijn 7 lofredenen en éénesuasoriabewaard gebleven. Hij is een tijdlangmagister memoriaevan Maximiānus geweest, maar later weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodūnum (Autun).Eumolpidae,Εὐμολπίδαι, atheensche familie, waarin de waardigheid van hierophant (z.Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.Eumolpus,Εὔμολπος, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus genoemd, een Thraciër, priester van Demēter en dichter. Hij vestigde zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demēter en Dionȳsus in en vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus (z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking hebben (τελεταί), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij worden hem toegeschreven.—Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.Eunapius,Εὐνάπιος, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4deeeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen van wijsgeeren uit zijn tijd. Vanzijn kroniek die van 270 tot 404 na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.Eunēus,Εὔνηος, ookΕὐνεύςofΕὔνεως, zoon van Iāson en Hypsipyle, koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor Troje.Eunomia,Εὐνομία, eene van de Horae.Eunomus,Εὔνομος, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij een opstand gedood.Eunus,Εὔνους, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van 141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, doch stierf vóór zijne terechtstelling.Eupalium,Εὐπάλιον, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven Erythrae.Εὐπατρίδαι, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.—2) alg. menschen van adellijke geboorte, ook vertaling van het lat.patriciï.Euphēmus,Εὔφημος, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens de voorspelling van Medēa, aan zijne nakomelingen in het vierde geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van Thera naar Libye kwam en Cyrēne stichtte.—2)zoon van Troezēnus, aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.Euphorbus,Εὔφορβος, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan Patroclus een wond toebracht, later door Menelāus gedood. Pythagoras beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.Euphorion,Εὐφορίων, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.—2)vader van Aeschylus.—3)zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles en Euripides.—4)van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr.Vooral bij de Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem en zijn Romeinsche navolgers.Euphrānor,Εὐφράνωρ, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang vanΖεὺς ἐλευθέριοςaan deἀγοράte Athene worden hoog geprezen.Euphrātes,Εὐφράτης, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.Euphratensis=Augustophratensis.Euphron,Εὔφρων, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en werd daar vermoord (± 365).—2)dichter der nieuwe attische comedie omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard zijn.Euphronius,Εὐφρόνιος, een van de beroemdste attische vazenschilders uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.Euphrosyne,Εὐφροσύνη, eene van de Charites.Eupīthes,Εὐπείθης, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.Εὐπλοία, bijnaam van Aphrodīte.Eupolis,Εὔπολις, van Athene, een van de beste blijspeldichters der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten bewaard gebleven.Eupompus,Εὔπομπος, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen oorlog;hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details toelegde.Euripides,Εὐριπίδης, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito,Κλειτώ, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen.Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god—deus ex machina—noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek.—Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelāus van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.—Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428),Ἰφιγένεια ἐν Ταύροις, Ἴων, Φοίνισσαι, Ἰφιγένεια ἡ ἐν Αὐλίδιen het satyrdramaΚύκλωψ.—Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.Eurīpus,Εὔριπος, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.Eurōmeof-mus,Εὐρώμη, Εὔρωμος, stadje in Caria, tusschen Mylasa en Heraclēa Latmi.Europa,Εὐρώπη, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphēmus.—2)dochter van Phoenix en Perimēde of van Agēnor en Telephassa. Toen zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, Rhadamanthys en Sarpēdon en huwde later met Asterion (z. a.). Op Creta genoot zij onder den naam Hellōtis goddelijke eer.—3)Oceanide.Eurōpa,Εὐρώπη, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.Eurōpus,Εὐρωπός, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het maced. landschap Emathia.—2)stad in Caria = Idrias (Stratonicēa).—3)stad in Syria.—4)zieRhagae.Eurotas,Εὐρώτας, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich hun legerstede bereidden.Eurus,Εὖρος, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, zieWindstreken.Euryale,Εὐρυάλη, 1) eene van de Gorgonen.—2)dochter van Minos, moeder van Orīon.—3)koningin der Amazonen, die Aeētes tegen de Argonauten te hulp kwam.Euryalus,Εὐρύαλος, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut en makker van Diomēdes voor Troje.—2)een van de tochtgenooten van Aenēas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.Euryanax,Εὐρυάναξ, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der Spartanen bij Plataeae.Eurybates,Εὐρυβάτης, 1) heraut van Agamemnon.—2)heraut van Odysseus.Eurybatus,Εὐρύβατος, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de Peloponnēsus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk voor een verrader gebruikt.—2)Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in den worstelstrijd te Olympia (708).—3)bevelhebber der corcyraeische vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).Eurybiades,Εὐρυβιάδης, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.Euryclēa,Εὐρύκλεια, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.Eurydice,Εὐρυδίκη, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond toebracht.—2)ofAganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder van Danaë.—3)dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.—4)ofHenioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van den zelfmoord van haar zoon Haemon.—5)gemalin van Lycurgus, moeder van Archemorus.—6)dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.—7)z.Arrhidaeus.Euryganēa,Εὐρυγάνεια, z.Oedipus.Eurylochus,Εὐρύλοχος, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.Eurymachus,Εὐρύμαχος, 1) een van de minnaars van Hippodamēa, door Oenomaüs gedood.—2)een van de minnaars van Penelope, door Odysseus gedood.—3)aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.Eurymedon,Εὐρυμέδων, 1) koning der Giganten.—2)wagenmenner van Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.—3)atheensch veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcȳra om de democratische partij te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.Eurymedon,Εὐρυμέδων, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in 466 de Perzen te land en ter zee versloeg.Eurynome,Εὐρυνόμη, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.—2)huishoudster bij Odysseus.—3)moeder van Adrastus.—4)moeder van Agēnor.—5)bijnaam van Artemis in Arcadië.Euryphron,Εὐρύφρων, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot van Hippocrates.Eurypon,Εὐρυπῶν, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden (Εὐρυπωντίδαι) genoemd worden.Eurypylus,Εὐρύπυλος, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld van Dionȳsus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, en de dienst van Dionysus-Aesymnētes ingesteld.—2)zoon van Poseidon en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken van Cyrēne.—3)zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.—4)zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele dappere daden door Neoptolemus gedood.—5)zoon van Thestius, werd met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.Eurysaces,Εὐρυσάκης, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn vader te Athene als heros vereerd.Eurysthenes,Εὐρυσθένης, zoon van Aristodēmus no. 1, regeerde met zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het koninklijke geslacht der EurysthenidenΕὐρυσθενίδαι.Eurystheus,Εὐρυσθεύς, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van Mycēnae, z.HeraclesenHeracliden.Eurytion,Εὐρυτίων, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die Hippodamēa wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen Centauren en Lapithen.—2)zoon of kleinzoon van Actor, een van de Argonauten, z.Peleus.—3)zoon van Ares en Erythia, bewaker der kudden van Geryones.—5)zoon van Lycāon, bekwaam boogschutter, tochtgenoot van Aenēas.Eurȳtis, Iole, dochter van Eurȳtus.Eurȳtus,Εὔρυτος, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianīra, Argonaut.—2)zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne zonen.—3)een van de Molioniden.—4)=Eurytionno. 2.—5)een van de Giganten, bij de gigantomachie door Dionȳsus verslagen.Eusebīaof-bēa,Εὐσέβεια=Caesarēa ad Argaeum.Eusebius,Εὐσέβιος, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarēa in Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop van Emesa in Phoenīce. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen 260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd deἐκκλησιαστικὴ ἱστορίαen het zoogenaamdeChronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling zijnerπαντοδαπὴ ἱστορία, eene synchronistische geschiedenis tot 324 n. C., door Hieronymus (331–420), een der kerkvaders, bewerkt en voortgezet tot 378.Eustathius,Εὐστάθιος, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer Constantius bij den perzischen koning Sapōres.Euterpe,Εὐτέρπη, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele fluit in de handen.Euthycrates,Εὐθυκράτης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).Euthydēmus,Εὐθύδημος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor Syracuse.—2)van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; naar hem is een van de werken van Plato genoemd.—3)broeder van Lysias.—4)zoon van Diocles, leerling van Socrates.Euthȳmus,Εὔθυμος, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te sterven van de aarde verdwenen was.Εὔθυναι, rekening en verantwoording, die ieder atheensch overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen te woorden (ἐπισημαίνεσθαι).Εὔθυνοι, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten ter zijde stonden bij het nazien van deεὔθυναι.Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van eenBreviariumof beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Joviānus 369 n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.—2)gesnedene, gunsteling van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius teruggeroepen, maar te Chalcēdon door zijne vijanden vermoord.Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den Campus Martius.Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van den eigenaar in vreemde handen is.Evocātizijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst met den rang vancenturio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren aangeworven.Ἐξάγγελος, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.Ἐξαιρέσεως δίκη=ἀφαιρέσεως δίκη.Exampaeus,Ἐξαμπαῖος, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het zeewater in den mond der rivier.—Ook een plaats ten O. van den Hypanis, ookἹραὶ ὁδοίgeheeten.Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers de wacht bij het paleis.Execias,Ἐξεκίας, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen uit het midden van de 6deeeuw.Exedra,ἐξέδρα, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het midden.Ἐξιτήρια, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner betrekking gebracht. Z.εἰσιτήρια.Exodium,ἐξόδιον, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana gebruikt. Zie ookMimus.Exōmis,ἐξωμίς, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte van de borst onbedekt.Ἐξωμοσσία, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of eene liturgie niet kan op zich nemen.—2) beëedigde verklaring dat men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.Exostra,ἐξώστρα, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot hetzelfde doel als hetἐκκύκλημα, v.s. een soort balcon aan het huis of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.—2)een brug, die uit een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der belegerde stad te komen.Ἐξούλης δίκη, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan dat wat hij den aanklager schuldig was.Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor dedivinatiovan groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eenepars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor zich en zijn volk, en eenepars hostilis. Na het eerste onderzoek werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstondende rom. priesters in het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen wordenextispicesofharuspicesontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer Claudius stelde een collegie van romeinscheharuspicesin, dat echter nooit tot aanzien kwam.
Euius,Εὔιος, bijnaam van Dionȳsus, naar den kreet der Bacchanten:εὐοῖ.
Εὔκλεια, feest te Corinthe ter eere van Artemis gevierd, die daar en te Thebe den bijnaamΕὐκλείαhad.
Eulaeus,Εὐλαῖος, rivier in Susiāne, vereenigt zich met den Choaspes en valt met dezen in den Tigris.
Eumaeus,Εὔμαιος, zoon van koning Ctesius van het eiland Syria, die als kind door zijn voedster ontvoerd en aan Laërtes verkocht werd. Hij werd zwijnenhoeder bij dezen en later bij Odysseus. Toen zijn heer onbekend in zijn vaderland terugkeerde, ontving Eum. hem vriendelijk; Odysseus maakte zich dan ook het eerst aan hem bekend en bediende zich van zijne hulp in den strijd tegen de vrijers van Penelope.
Eumēlus,Εὔμηλος, 1) z.Agron.—2)zoon van Admētus en Alcestis, aanvoerder der Thessaliërs in den trojaanschen oorlog.—3)van Corinthe, een Bacchiade, in het midden der 8steof v. a. der 7deeeuw.
Eumenes,Εὐμένης, 1) van Cardia, geb. 362, geheimschrijver van Philippus en later van Alexander d. G., die hem hoog schatte en hem dikwijls tegen den haat en de afgunst der macedonische edelen moest beschermen. Toen hij na den dood van Alex. zag, dat zijne pogingen om de verschillende veldheeren tot overeenstemming te brengen vruchteloos waren, sloot hij zich bij Perdiccas aan en bleef hij met trouw, moed en bekwaamheid voor de rechten van het koninklijke huis strijden. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij Cappadocië en omliggende landen, en terwijl Perdiccas in Aegypte oorlog voerde, verdedigde hij Azië met goed gevolg tegen Antipater en Craterus. Na den dood van Perdiccas werd hij door Antigonus beoorloogd, tegen wien hij zich met een betrekkelijk geringe macht vier jaar staande hield, totdat hij in 316 door het verraad der Macedoniërs, die onder hem dienden, in de handen van zijn vijand viel, die hem liet dooden. Zijn dagboek over de tochten van Alex. (Ἐφημερίδες Ἀλεξάνδρου) wordt door oude schrijvers hoog geprezen.—2)Eum. I, regeerde als opvolger van zijn oom Philetaerus over Pergamus (263–241), vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, overwon Antiochus Soter in een slag bij Sardes en was een beschermer van kunsten en wetenschappen.—3)Eum. II, koning van Pergamus (197–159), langen tijd een getrouw vriend der Rom., ondersteunde hen tegen Nabis en Antiochus d. G., en werd wederkeerig door hen beschermd in zijne oorlogen tegen Prusias van Bithynië en Pharnaces van Pontus; bovendien werd zijn gebied met het grootste deel van het door Antiochus afgestane land vergroot en werd hij eenige malen te Rome met groote eer ontvangen. Door dit alles geraakte hij echter in een toestand van afhankelijkheid, waaruit hij zich gaarne bevrijd zoude hebben, daarom knoopte hij met Perseus van Macedonië onderhandelingen aan, terwijl deze met Rome in oorlog was, wat door de Rom. zoo kwalijk genomen werd, dat zij hem op alle wijzen in verlegenheid brachten, en zelfs zijn broeder Attalus tegen hem trachtten op te zetten. Hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen, verbond geleerden en dichters aan zijn hof, en breidde de door zijn vader gestichte bibliotheek uit. Hij is ook de stichter van het groote altaar te Pergamum, waarvan het beeldwerk nu te Berlijn is (z.Pergamum).
Eumenides,Εὐμενίδες, z.Erinnyes.
Eumenius,Εὐμήνιος, latijnsch rhetor en panegyricus in Gallia in de 3deeeuw en het begin der 4deeeuw n. C. Van hem, hoewel niet onder zijn naam, zijn 7 lofredenen en éénesuasoriabewaard gebleven. Hij is een tijdlangmagister memoriaevan Maximiānus geweest, maar later weder rhetor geworden in zijn vaderstad Augustodūnum (Autun).
Eumolpidae,Εὐμολπίδαι, atheensche familie, waarin de waardigheid van hierophant (z.Eleusinia) erfelijk was. Zij spraken ook recht in processen wegens schending der mysteriën. Hun stamvader was Eumolpus.
Eumolpus,Εὔμολπος, zoon van Poseidon en Chione, ook zoon van Musaeus genoemd, een Thraciër, priester van Demēter en dichter. Hij vestigde zich te Eleusis, voerde er de mysteriën van Demēter en Dionȳsus in en vierde ze het eerst met de dochters van Celeüs. Als bondgenoot der Eleusiniërs sneuvelde hij in den oorlog, dien zij tegen Erechtheus (z. a.) voerden. Verscheiden liederen, die op de mysteriën betrekking hebben (τελεταί), ook de uitvinding van wijnbouw en boomkweekerij worden hem toegeschreven.—Gewoonlijk neemt men aan, dat er drie of vier personen van dien naam geweest zijn, en dat de mysteriën niet door denzelfden Eumolpus zijn ingevoerd, die tegen Erechtheus sneuvelde.
Eunapius,Εὐνάπιος, van Sardes, grieksch rhetor op het einde der 4deeeuw na C., vijand van het Christendom, schreef 23 levensbeschrijvingen van wijsgeeren uit zijn tijd. Vanzijn kroniek die van 270 tot 404 na C. liep, zijn eenige vrij aanzienlijke fragmenten over.
Eunēus,Εὔνηος, ookΕὐνεύςofΕὔνεως, zoon van Iāson en Hypsipyle, koning van Lemnus, stond in handelsbetrekking met de Grieken voor Troje.
Eunomia,Εὐνομία, eene van de Horae.
Eunomus,Εὔνομος, koning van Sparta, vader van Lycurgus, werd bij een opstand gedood.
Eunus,Εὔνους, van geboorte een Syriër, slaaf te Enna op Sicilia, aanvoerder van den grooten slavenopstand, die het eiland van 141 tot 132 teisterde en eerst door den consul P. Rupilius werd onderdrukt. Eunus werd op de vlucht in eene spelonk ontdekt en gevat, doch stierf vóór zijne terechtstelling.
Eupalium,Εὐπάλιον, stad bij de ozolische Locriërs, met de haven Erythrae.
Εὐπατρίδαι, 1) zij die behooren tot de eerste van de drie phylen, waarin Theseus het volk van Attica verdeelde.—2) alg. menschen van adellijke geboorte, ook vertaling van het lat.patriciï.
Euphēmus,Εὔφημος, 1) zoon van Poseidon en Europa, onderstuurman der Argonauten. Hij kreeg van Triton een kluit aarde, die, volgens de voorspelling van Medēa, aan zijne nakomelingen in het vierde geslacht de heerschappij over Libye zoude bezorgen. De kluit werd echter bij Thera verloren, en nu werd de voorspelling eerst in het zeventiende geslacht vervuld, toen zijn afstammeling Battus van Thera naar Libye kwam en Cyrēne stichtte.—2)zoon van Troezēnus, aanvoerder der Ciconen en bondgenoot der Trojanen.
Euphorbus,Εὔφορβος, een van de dapperste Trojanen, de eerste die aan Patroclus een wond toebracht, later door Menelāus gedood. Pythagoras beweerde, dat hij vroeger als Euphorbus op aarde geleefd had.
Euphorion,Εὐφορίων, 1) zoon van Achilles, bij Helena verwekt, toen zij op de eilanden der zaligen leefden. Daar hij de liefde van Zeus niet beantwoordde, werd hij door den bliksem gedood.—2)vader van Aeschylus.—3)zoon van Aeschylus, bracht na den dood van zijn vader eenige van diens stukken ten tooneele, en behaalde viermaal den prijs; eenmaal ook met eene tetralogie van hemzelf tegen Sophocles en Euripides.—4)van Chalcis op Euboea, geb. 276, schrijver van vele geleerde werken en van gedichten in den alexandrijnschen trant; hij stierf als bibliothecaris van Antiochus d. Gr.Vooral bij de Rom. werd zijne poëzie hoog geschat. Cicero drijft den spot met hem en zijn Romeinsche navolgers.
Euphrānor,Εὐφράνωρ, van Corinthe, beroemd beeldhouwer en schilder omstreeks 380. Vooral zijne schilderijen in den zuilengang vanΖεὺς ἐλευθέριοςaan deἀγοράte Athene worden hoog geprezen.
Euphrātes,Εὐφράτης, belangrijke rivier, die met twee hoofdtakken in Armenia ontspringt, door den Taurus heenbreekt en, met den Tigris vereenigd, zich in de Perzische golf ontlast. De Perzische golf is eerst door den tocht van Nearchus (no. 2) bekend geworden; de vroegere schrijvers laten dus den Euphraat en den Tigris in de Roode Zee, d. w. z. den Indischen Oceaan uitmonden. In Babylonia werd uit den Euphraat veel water afgeleid door zijkanalen.
Euphratensis=Augustophratensis.
Euphron,Εὔφρων, 1) van Sicyon, maakte van de onrustige tijden van den spartaansch-thebaanschen oorlog gebruik om zich met behulp van de arme burgers van het oppergezag meester te maken. Hij onderdrukte zijne tegenpartij, doch werd weder verdreven, vluchtte naar Thebe en werd daar vermoord (± 365).—2)dichter der nieuwe attische comedie omstreeks 280, van wiens werken slechts weinige fragmenten bewaard zijn.
Euphronius,Εὐφρόνιος, een van de beroemdste attische vazenschilders uit ± 500. Hij schildert in den streng roodfigurigen stijl.
Euphrosyne,Εὐφροσύνη, eene van de Charites.
Eupīthes,Εὐπείθης, 1) vader van Antinoüs, die, om den dood van zijn zoon te wreken, het volk van Ithaca tegen Odysseus opruide. Het kwam tot een gevecht, waarbij hij door Laërtes gedood werd.
Εὐπλοία, bijnaam van Aphrodīte.
Eupolis,Εὔπολις, van Athene, een van de beste blijspeldichters der oude attische comedie. Hij trad reeds op zijn zeventiende jaar als dichter op en schreef 20 stukken, van welke 7 den eersten prijs behaalden, en waarin de ouden dezelfde eigenschappen roemen als in die van zijn tijdgenoot Aristophanes. Hij stierf nog voor het einde van den peloponnesischen oorlog. Van zijne werken zijn alleen fragmenten bewaard gebleven.
Eupompus,Εὔπομπος, van Sicyon, leefde kort na den peloponnesischen oorlog;hij was de stichter eener schilderschool, die zich vooral op juistheid van teekening en groote nauwkeurigheid in de details toelegde.
Euripides,Εὐριπίδης, zoon van den Athener Mnesarchides, op den dag van den slag bij Salamis op dat eiland geb., de derde der groote attische treurspeldichters. Zijne ouders waren, naar men beweerde, van zeer geringen stand; dit wordt echter tegenwoordig tegengesproken; zijne moeder, Clito,Κλειτώ, was zelfs van adel; hij genoot dan ook eene zeer goede opvoeding. In zijne jeugd legde hij zich op de gymnastiek en schilderkunst toe, later werd hij een leerling van Anaxagoras, een toehoorder van Prodicus en Protagoras en een vriend van Socrates. Zijne werken toonen den invloed van zijne philosophische studiën: zij munten uit door groote kennis en juiste schildering van karakters en hartstochten en bevatten vele treffende tooneelen; daarentegen missen zij den verheven eenvoud van de stukken van Aeschylus en Sophocles; zij zijn niet meer ontleend aan de algemeen bekende mythen, maar geven dikwijls een oorspronkelijke, soms zeer romantische, bewerking van een of andere bizonderheid daaruit, zoodat meestal een proloog de toeschouwers moet inlichten over den inhoud van het stuk en de betrekkingen tusschen de handelende personen.Zijn helden toonen in hun denken en handelen meer de eigenschappen van gewone menschen; ook wordt de handeling telkens afgebroken door wijsgeerige bespiegelingen, terwijl ook de koorgezangen niet meer met het stuk zelf samenhangen, maar geheel als bijzaak behandeld zijn; de ontknooping is dikwijls niet op eene natuurlijke wijze te vinden, zoodat de tusschenkomst van een god—deus ex machina—noodig wordt. Op godsdienstig gebied verkondigt hij soms stellingen, die met het volksgeloof in strijd zijn; op lateren leeftijd schijnt hij echter tot de algemeen gangbare meeningen daaromtrent teruggekeerd te zijn, of ingezien te hebben, dat het nutteloos was den strijd er tegen voort te zetten. Om al deze redenen, ook naar aanleiding van allerlei nieuwigheden in metriek en muziek, die hij op het tooneel bracht, werd hij door Aristophanes en andere blijspeldichters meedoogenloos gehekeld als de vertegenwoordiger van alles, wat zij in den geest van hun tijd afkeuren; over het geheel kon hij zich niet beroemen grooten bijval gevonden te hebben: slechts vijfmaal verkreeg bij den eersten prijs (het eerst in 441), terwijl hij 92 (v. a. 98) stukken geschreven heeft, waarvan het eerste reeds in 465 is opgevoerd. Na zijn dood vonden zij echter de grootste bewondering en vielen juist zijne eigenaardigheden, die hem van de andere groote treurspeldichters onderscheiden, in den smaak van het publiek.—Ook zijn huiselijk leven gaf hem weinig stof tot tevredenheid: zoowel in zijn eerste als zijn tweede huwelijk was hij ongelukkig; zijne eerste vrouw verstiet hij wegens ontrouw, zijne tweede vrouw verliet hem. Met staatszaken bemoeide hij zich niet; toch schijnt hij weinig ingenomen te zijn geweest met de richting, die men te Athene na den dood van Pericles had ingeslagen, en dikwijls liet hij zijne ontevredenheid door een van de personen zijner stukken uitspreken. Op het einde van zijn leven gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van koning Archelāus van Macedonië, aan wiens hof hij groote eer genoot; in 406 of 405 stierf hij er.—Van zijne werken bestaan nog 18 treurspelen en 1 satyrdrama. De meest bekende hiervan zijn: Alcestis (opgevoerd 438), Medeia (431), Hippolytus (428),Ἰφιγένεια ἐν Ταύροις, Ἴων, Φοίνισσαι, Ἰφιγένεια ἡ ἐν Αὐλίδιen het satyrdramaΚύκλωψ.—Ook een neef van den grooten dichter, die denzelfden naam droeg, trad als treurspeldichter op, naar het schijnt met weinig geluk. Zijn zoon, die ook Euripides heette, heeft enkele stukken van zijn vader na diens dood doen opvoeren.
Eurīpus,Εὔριπος, zeeëngte met eb en vloed, in het bijzonder de zeeëngte bij Chalcis tusschen Euboea en het vasteland. Dat gedeelte van de zeestraat, dat ten N. van Chalcis is, heet Euboeische zee.
Eurōmeof-mus,Εὐρώμη, Εὔρωμος, stadje in Caria, tusschen Mylasa en Heraclēa Latmi.
Europa,Εὐρώπη, 1) dochter van Tityus, moeder van Euphēmus.—2)dochter van Phoenix en Perimēde of van Agēnor en Telephassa. Toen zij eens aan het strand der zee wandelde, kwam Zeus tot haar in de gedaante van een schoonen stier; het meisje streelde hem en waagde het eindelijk zich op zijn rug te zetten, waarop hij in zee sprong en met haar naar Creta zwom. Hier legde hij zijne aangenomen gedaante af en bracht haar naar den berg Dicte. Zij werd bij hem moeder van Minos, Rhadamanthys en Sarpēdon en huwde later met Asterion (z. a.). Op Creta genoot zij onder den naam Hellōtis goddelijke eer.—3)Oceanide.
Eurōpa,Εὐρώπη, het werelddeel. Oorspronkelijk is de naam beperkt tot Griekenland, behalve de Peloponnesus, en tot Macedonië; bij Herodotus omvat het behalve het tegenwoordig Europa, ook het N. van Azië; later is de Tanaïs (Don) en de Palus Maeotis de oostelijke grens; bij sommigen echter de Phasis, bij anderen de Caucasische landengte tusschen de Zwarte zee en de Caspische zee.
Eurōpus,Εὐρωπός, 1) stad aan den Axius (Vardar) in het maced. landschap Emathia.—2)stad in Caria = Idrias (Stratonicēa).—3)stad in Syria.—4)zieRhagae.
Eurotas,Εὐρώτας, hoofdriv. van Laconica, waaraan Sparta lag. In zijn bovenloop stroomt de Eurotas onder den grond door. De oevers waren dicht bezet met riet en biezen, waaruit de spartaansche jongens zich hun legerstede bereidden.
Eurus,Εὖρος, oorspronkelijk de Oostenwind, later de Zuidoostenwind, zieWindstreken.
Euryale,Εὐρυάλη, 1) eene van de Gorgonen.—2)dochter van Minos, moeder van Orīon.—3)koningin der Amazonen, die Aeētes tegen de Argonauten te hulp kwam.
Euryalus,Εὐρύαλος, 1) zoon van Mecisteus, een der Epigonen, Argonaut en makker van Diomēdes voor Troje.—2)een van de tochtgenooten van Aenēas, beroemd door zijne vriendschap voor zijn makker Nisus, z.a.
Euryanax,Εὐρυάναξ, zoon van Dorieus, een van de aanvoerders der Spartanen bij Plataeae.
Eurybates,Εὐρυβάτης, 1) heraut van Agamemnon.—2)heraut van Odysseus.
Eurybatus,Εὐρύβατος, 1) van Ephesus, werd door Croesus naar de Peloponnēsus gezonden om troepen te werven, maar liep tot Cyrus over en verried hem het plan van Croesus. Zijn naam werd spreekwoordelijk voor een verrader gebruikt.—2)Lacedaemoniër, de eerste overwinnaar in den worstelstrijd te Olympia (708).—3)bevelhebber der corcyraeische vloot in den slag tegen de Corinthiërs bij Sybota (432).
Eurybiades,Εὐρυβιάδης, Spartaan, opperbevelhebber der grieksche vloot in den oorlog tegen Xerxes. Hoewel hij weinig uitrichtte, kenden de Spartanen hem na den slag bij Salamis den prijs der dapperheid toe.
Euryclēa,Εὐρύκλεια, dochter van Ops, slavin van Laërtes, voedster van Odysseus, de eerste die hem bij zijne terugkomst herkende.
Eurydice,Εὐρυδίκη, 1) Dryade, gehuwd met Orpheus (z. a.). Voor Aristaeus, die haar met zijne liefde vervolgde, vluchtend, trapte zij bij ongeluk op een vergiftige slang, die haar een doodelijke wond toebracht.—2)ofAganippe, dochter van Lacedaemon, bij Acrisius moeder van Danaë.—3)dochter van Adrastus, bij Ilus moeder van Laomedon.—4)ofHenioche, gemalin van Creon no. 2, hing zich op bij het vernemen van den zelfmoord van haar zoon Haemon.—5)gemalin van Lycurgus, moeder van Archemorus.—6)dochter van Clymenus, gemalin van Nestor.—7)z.Arrhidaeus.
Euryganēa,Εὐρυγάνεια, z.Oedipus.
Eurylochus,Εὐρύλοχος, tochtgenoot van Odysseus, die door zijne voorzichtigheid aan de tooverkunsten van Circe ontsnapte. Op het eiland Thrinacia gaf hij den raad de runderen van den zonnegod te dooden, daarvoor werd hij door Zeus met den bliksem getroffen.
Eurymachus,Εὐρύμαχος, 1) een van de minnaars van Hippodamēa, door Oenomaüs gedood.—2)een van de minnaars van Penelope, door Odysseus gedood.—3)aanzienlijk Thebaan, werd bij de overrompeling van Plataeae in het begin van den peloponnesischen oorlog gedood.
Eurymedon,Εὐρυμέδων, 1) koning der Giganten.—2)wagenmenner van Agamemnon, te gelijk met zijn heer door Aegisthus gedood.—3)atheensch veldheer, ging in 427 en 425 naar Corcȳra om de democratische partij te ondersteunen, en werd in 425 en wederom in 415 met eene vloot naar Sicilië gezonden; in 413 sneuvelde hij voor Syracuse.
Eurymedon,Εὐρυμέδων, riv. in Pamphylia, waarbij de Athener Cimon in 466 de Perzen te land en ter zee versloeg.
Eurynome,Εὐρυνόμη, 1) Oceanide, bij Zeus moeder der Chariten.—2)huishoudster bij Odysseus.—3)moeder van Adrastus.—4)moeder van Agēnor.—5)bijnaam van Artemis in Arcadië.
Euryphron,Εὐρύφρων, van Cnidus, beroemd geneesheer, oudere tijdgenoot van Hippocrates.
Eurypon,Εὐρυπῶν, kleinzoon van Procles, derde koning van Sparta uit het geslacht der Procliden, die naar hem dikwijls Eurypontiden (Εὐρυπωντίδαι) genoemd worden.
Eurypylus,Εὐρύπυλος, 1) zoon van Euaemon, koning in Thessalië, een der voornaamste helden voor Troje. Bij het verdeelen van den buit na de inneming der stad viel hem eene kist ten deel, waarin een beeld van Dionȳsus was, door Hephaestus gemaakt en aan Dardanus geschonken, maar toen hij de kist opende, werd hij plotseling waanzinnig. Het delphische orakel beval, dat hij, om genezing te vinden, de kist ergens moest wijden waar ongewone offers gebracht werden; deze plaats vond hij te Aroë in Achaia, waar men aan Artemis jaarlijks twee menschen offerde. Na de komst van Eur. werden de menschenoffers afgeschaft, en de dienst van Dionysus-Aesymnētes ingesteld.—2)zoon van Poseidon en Celaeno, ging van Thessalië naar Libye, en regeerde in de omstreken van Cyrēne.—3)zoon van Poseidon en Astypalaea, koning van Cos.—4)zoon van Telephus en Astyoche, bondgenoot der Trojanen, werd na vele dappere daden door Neoptolemus gedood.—5)zoon van Thestius, werd met zijne broeders door hun neef Meleager op de calydonische jacht gedood, wegens eene beleediging, aan Atalante aangedaan.
Eurysaces,Εὐρυσάκης, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, werd met zijn vader te Athene als heros vereerd.
Eurysthenes,Εὐρυσθένης, zoon van Aristodēmus no. 1, regeerde met zijn broeder Procles over Lacedaemon, hij was de stamvader van het koninklijke geslacht der EurysthenidenΕὐρυσθενίδαι.
Eurystheus,Εὐρυσθεύς, zoon van Sthenelus en Nicippe, koning van Mycēnae, z.HeraclesenHeracliden.
Eurytion,Εὐρυτίων, 1) Centaur, die naar de hand van de dochter van Dexamenus, koning van Olenus, dong, en door Heracles, die haar eveneens beminde, gedood werd. Hij wordt ook genoemd als degene, die Hippodamēa wilde schaken, en aanleiding gaf tot den strijd tusschen Centauren en Lapithen.—2)zoon of kleinzoon van Actor, een van de Argonauten, z.Peleus.—3)zoon van Ares en Erythia, bewaker der kudden van Geryones.—5)zoon van Lycāon, bekwaam boogschutter, tochtgenoot van Aenēas.
Eurȳtis, Iole, dochter van Eurȳtus.
Eurȳtus,Εὔρυτος, 1) of Erytus, zoon van Hennes en Antianīra, Argonaut.—2)zoon van Melaneus, koning van Oechalia. Hij had zijne dochter Iole beloofd aan hem, die zijne zonen in het schieten met den boog zou overtreffen. Toen Heracles den prijs echter gewonnen had, hield hij zijn woord niet, daarom doodde Heracles hem en zijne zonen.—3)een van de Molioniden.—4)=Eurytionno. 2.—5)een van de Giganten, bij de gigantomachie door Dionȳsus verslagen.
Eusebīaof-bēa,Εὐσέβεια=Caesarēa ad Argaeum.
Eusebius,Εὐσέβιος, van 313 tot 340 n. C. bisschop van Caesarēa in Palestina, niet te verwarren met zijn naam- en tijdgenoot, den bisschop van Emesa in Phoenīce. Eusebius van Caesarea, waar hij tusschen 260 en 264 geboren was, kan de vader der kerkgeschiedenis worden genoemd. Onder zijne werken zijn beroemd deἐκκλησιαστικὴ ἱστορίαen het zoogenaamdeChronicon Eusebii, eene latijnsche omgewerkte vertaling zijnerπαντοδαπὴ ἱστορία, eene synchronistische geschiedenis tot 324 n. C., door Hieronymus (331–420), een der kerkvaders, bewerkt en voortgezet tot 378.
Eustathius,Εὐστάθιος, Cappadociër, wijsgeer der nieuw-platonische school, leerling van Iamblichus, in 358 n. C. gezant van keizer Constantius bij den perzischen koning Sapōres.
Euterpe,Εὐτέρπη, Muze der lyrische poëzie, afgebeeld met de dubbele fluit in de handen.
Euthycrates,Εὐθυκράτης, Olynthiër, die zich liet omkoopen om zijne vaderstad aan Philippus van Macedonië te verraden (348).
Euthydēmus,Εὐθύδημος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog met Nicias eenigen tijd aanvoerder der Atheners voor Syracuse.—2)van Chius, leerde als sophist te Thurii en Athene; naar hem is een van de werken van Plato genoemd.—3)broeder van Lysias.—4)zoon van Diocles, leerling van Socrates.
Euthȳmus,Εὔθυμος, beroemd vuistvechter van Locri in Italië ten tijde van de perzische oorlogen; men verhaalde, dat hij zonder te sterven van de aarde verdwenen was.
Εὔθυναι, rekening en verantwoording, die ieder atheensch overheidspersoon binnen een bepaalden tijd na zijn aftreden bij de logisten moest afleggen; bij deze gelegenheid konde ieder burger klachten tegen den afgetredene inbrengen over de wijze, waarop hij zijn ambt had waargenomen. Bevonden de logisten, dat hij zich aan misbruik van macht, verraad, verduistering of dgl. had schuldig gemaakt, dan brachten zij hem na voorloopig onderzoek voor den rechtbank der heliasten, ook in het tegenovergestelde geval werden zij voor de rechtbank gebracht om van alle verdere verantwoordelijkheid ontslagen te woorden (ἐπισημαίνεσθαι).
Εὔθυνοι, te Athene 10 personen, een uit elke phyle, die den logisten ter zijde stonden bij het nazien van deεὔθυναι.
Eutropius, 1) geheimschrijver van keizer Valens en schrijver van eenBreviariumof beknopt overzicht der geschiedenis van het rom. rijk van de stichting van Rome tot op den dood van keizer Joviānus 369 n. C. Het laatste gedeelte is het belangrijkste, omdat de schrijver daar zijn eigen tijd beschrijft. In 380 is het door Paeanius in het Grieksch vertaald. Het is zeer spoedig een schoolboek geworden en in de M. E. geregeld als zoodanig gebruikt.—2)gesnedene, gunsteling van keizer Arcadius, die zich in de plaats van den minister Rufinus wist te dringen (395 n. C.) en de belangen van het rijk aan zijne hartstochten opofferde. In 399 viel hij zelf in ongenade bij de keizerin Eudoxia. Hij werd verbannen, doch weder door Arcadius teruggeroepen, maar te Chalcēdon door zijne vijanden vermoord.
Eventus, Bonus Eventus, god van het gedijen der veldvruchten, over het algemeen een god die eene begonnen onderneming tot een goed einde leidt. Zijn beeld stond op het Capitolium, zijn tempel op den Campus Martius.
Evictio, eisch tot ontruiming van een eigendom, dat buiten weten van den eigenaar in vreemde handen is.
Evocātizijn soldaten, die uit den dienst ontslagen en dikwijls met landerijen begiftigd werden onder voorwaarde, dat zij, opgeroepen wordende (nominatim evocare), zich op nieuw onder de vanen van hun vorigen veldheer zouden scharen. Zij kwamen dan weder in dienst met den rang vancenturio. Ook een corps uitgelezen jongelui uit den ridderstand, die door keizer Galba voor eigen bewaking waren aangeworven.
Ἐξάγγελος, op het grieksche tooneel een bode, die eene gebeurtenis mededeelt, welke binnenshuis heeft plaats gehad.
Ἐξαιρέσεως δίκη=ἀφαιρέσεως δίκη.
Exampaeus,Ἐξαμπαῖος, zijtakje van den Hypanis (Bug), dat het water van den Hypanis bitter of zout maakte. In werkelijkheid is het zoutgehalte van het water van den Hypanis een gevolg van het indringen van het zeewater in den mond der rivier.—Ook een plaats ten O. van den Hypanis, ookἹραὶ ὁδοίgeheeten.
Excubiae, wachtposten bij dag; (vigiliae, bij nacht). Onder de keizers de wacht bij het paleis.
Execias,Ἐξεκίας, beroemd Attisch schilder van zwart-figurige vazen uit het midden van de 6deeeuw.
Exedra,ἐξέδρα, receptie- en conversatiezaal in aanzienlijke huizen, dikwijls met een halfrond uitgebouwd. Ook in de gymnasia der Grieken en de badhuizen der Romeinen vond men dikwijls dergelijke zalen. De grieksche wijsgeeren gaven er somtijds hunne lessen; de hoorders plaatsten zich langs den kant van het halfrond, de spreker in het midden.
Ἐξιτήρια, offer, door de leden van den raad bij het nederleggen hunner betrekking gebracht. Z.εἰσιτήρια.
Exodium,ἐξόδιον, kluchtig tooneelstukje, bij de Rom. na ernstige stukken opgevoerd; gewoonlijk werd daarvoor eene fabula Atellana gebruikt. Zie ookMimus.
Exōmis,ἐξωμίς, grieksche tunica, hetzij geheel zonder mouwen, hetzij alleen met een linkermouw. Misschien bleef hierdoor ook een gedeelte van de borst onbedekt.
Ἐξωμοσσία, 1) beëedigde opgave van redenen, waarom men een ambt of eene liturgie niet kan op zich nemen.—2) beëedigde verklaring dat men niets weet van eene zaak, waarin men als getuige is opgeroepen.
Exostra,ἐξώστρα, 1) eene machine, op het tooneel gebruikt tot hetzelfde doel als hetἐκκύκλημα, v.s. een soort balcon aan het huis of paleis, dat zich op den achtergrond bevond.—2)een brug, die uit een belegeringstoren naar buiten geschoven werd om op den muur der belegerde stad te komen.
Ἐξούλης δίκη, aanklacht tegen iemand, die een ander met geweld uit zijne bezittingen verdrijft, of hem verhindert iets in bezit te nemen, dat hem bij rechterlijk vonnis is toegewezen. Werd de aangeklaagde veroordeeld, dan moest hij den staat eene boete betalen, gelijk aan dat wat hij den aanklager schuldig was.
Extispicium. Bij het offeren van eenig dier was het voor dedivinatiovan groot belang, hoe de ingewanden lagen en er uitzagen. Vooral de lever speelde hierbij een belangrijke rol. De lever had eenepars familiaris, waaruit de offeraar de toekomst opmaakte voor zich en zijn volk, en eenepars hostilis. Na het eerste onderzoek werden de ingewanden in een pot gekookt en ook onder het koken nauwlettend gadegeslagen. Deze kunst verstondende rom. priesters in het algemeen ook wel, doch in zeer ernstige gevallen wordenextispicesofharuspicesontboden uit Etruria, waar de leer der ingewandzienerij tot den hoogsten trap was opgevoerd, evenals de bliksemleer. Keizer Claudius stelde een collegie van romeinscheharuspicesin, dat echter nooit tot aanzien kwam.